Voorlopig verslag - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten (opneming in de Werkloosheidswet van werknemers in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

1 Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels(D'66), Hermsen (CDA), voorzitter, Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), onderzoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA) en Toussaint (PvdA).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 29 januari 1981

De vaste Commissie voor Sociale Zaken heeft de eer als volgt verslag uit te brengen over haar voorlopige bevindingen aangaande dit wetsontwerp.

De leden van de P.v.d.A.-fractie zeiden niet direct over te lopen van enthousiasme voor dit wetsontwerp. Zij konden zich niet aan de indruk onttrekken dat de Regering de werkelijke reden voor de indiening daarvoor, namelijk beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid, in de memorie van toelichting versluierend weergeeft. In de inleiding van de memorie van toelichting geeft de Regering weer wat haar bewogen heeft de SER advies te vragen over haar voornemen de WSW-werknemers een vereveningsbijdrage te laten betalen. Zij vermeldt dat dit is geschied «Met het oog op een meer evenwichtige ontwikkeling op nettobasis tussen het loon van een werknemer in het bedrijfsleven en het loon van een werknemer in de WSW.» Verderop in de memorie van toelichting, om precies te zijn op blz. 11, wordt de werkelijke reden duidelijk gemaakt als gesteld wordt: «Met het zonder meer in de WW betrekken van de WSW-werknemers zou het beoog-de doel dus niet worden bereikt. Dat zou immers leiden tot een stijging van de overheidsuitgaven in plaats van een beoogde vermindering terwijl bovendien het verschil in het brutonettotraject niet wordt weggenomen». De hier aan het woord zijnde leden zouden een opener wijze van presentatie op prijs hebben gesteld. Overigens vroegen deze leden zich bij nader inzien ook af of een wetsontwerp als het onderhavige in feite wel in het kader van de beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid had moeten worden gebracht, lettende op de door de Regering gekozen invalshoek. Enerzijds konden zij de Regering met de door haar gehanteerde procedure wel volgen omdat binnen de WSW een groot aantal mensen werkzaam is dat valt onder de werkingssfeer van sociale wetten zoals WAO en AAW, doch anderzijds waren zij van mening dat, omdat de WSW een wet is welke de omstandigheden regelt waaronder werkgelegenheid kan worden geboden aan hen die om redenen, bij hen zelf gelegen, niet of nog niet in staat zijn arbeid te verrichten onder «normale» omstandigheden, er redenen zijn dit wetsontwerp in een ander kader te presenteren, bij voorbeeld dat van de inkomenspolitiek. De overheid, zo vervolgden deze leden, heeft als taak de werkgelegenheid voor een ieder, die tot werken in staat is, te bevorderen en in stand te houden. Of dit nu werkgelegenheid is welke onder «normale» omstandighe-

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16527, nr. 5

den danwei onder «beschutte» omstandigheden kan worden vervuld, doet daarbij niet ter zake. Het is zeker een feit dat het hebben van werk een sociale zekerheid is, maar in die context is de adviesaanvrage aan de SER niet vervat. Deze leden kwamen tot deze beschouwing omdat de Regering, zoals blijkt uit de memorie van toelichting, de WSW-werknemer plaatst in de groep van hen die noodgedwongen trekkers zijn van sociale uitkeringen. Im-mers, de Regering schrijft in de memorie van toelichting (blz. 8 bovenaan): «Ten einde te komen tot een meer evenwichtige ontwikkeling op nettobasis tussen sociale uitkeringen onderling en tussen sociale uitkeringen en vergelijkbare inkomens in de primaire sfeer is sedert 1 januari 1980 de premieheffing op inkomens van actieve en niet-actieve werknemers gelijkgetrokken», en even verderop: «Een overeenkomstige situatie als vóór de invoering van de vereveningsbijdrage doet zich ook voor bij de WSW-lonen ten opzichte van het loon van een werknemer in het bedrijfsleven.» Deze leden vonden deze benaderingswijze van de Regering onjuist. De WSW-werknemer verricht volgens hen volwaardige arbeid, weliswaar onder beschutte omstandigheden, heeft een dienstverband, is per definitie geen trekker van sociale uitkeringen en kan op grond daarvan ook niet vergeleken worden met diegenen die op 1 januari 1980 een vereveningsbijdrage te betalen kregen.

De hier aan het woord zijnde leden zeiden uiteraard goed te beseffen dat de WSW-werknemers geen WW-premie betalen en dat als gevolg daarvan hun netto-inkomen afwijkt van vergelijkbare inkomens, waar dan ook genoten. Toch achtten zij het noodzakelijk hier even dieper op in te gaan. Zij misten in de memorie van toelichting een stukje voorgeschiedenis. Zij betreurden dat. De Sociale Verzekeringsraad heeftin het verleden (1975) te kennen gegeven, dat de arbeidsverhouding van een werknemer in de zin van de Wet Sociale Werkvoorziening dient te worden aangemerkt als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de verschillende sociale werknemersverzekeringen. Volgens deze opvatting zou voor de groep van de WSW-werknemers geen uitzondering meer van de verzekeringsplicht ingevolge de Werkloosheidswet bestaan, omdat deze uitzondering steunt op de beschikking ex artikel 4, eerste lid, onder e, van die wet. De toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken stond evenwel, evenals de achtereenvolgens vóór hem opgetreden bewindslieden, op het standpunt dat de WSW-werknemers niet verzekerd dienen te zijn ingevolge de Werkloosheidswet en was daarom van oordeel dat evenvermelde opvatting van de Sociale Verzekeringsraad tot ongewenste resultaten zou leiden. Deze opvatting van de Staatssecretaris heeftertoe geleid, dat in 1976 de Werkloosheidswet zodanig is bijgesteld dat de WSW-werknemer van de WW is uitgesloten. Aan het feit dat de WSW-werknemer, zoals overigens vóór die wetswijziging ook al het geval was, geen WW-premie betaalde, besteedde de Regering geen aandacht. En als dan de Regering nu op blz. 9 van de memorie van toelichting zegt: «In 1976 zijn de brutolonen in de sociale werkvoorziening structureel bijgesteld en daarmee op hetzelfde niveau gebracht als de lonen die elders rechtens gelden of gebruikelijk zijn. In het brutonettotraject is evenwel een onevenwichtigheid blijven bestaan doordat van de lonen van de werknemers in het bedrijfsleven het werknemersaandeel in de WW-premie wordt ingehouden, terwijl dit voor de WSW-werknemers thans niet het geval is. Hierdoor zijn de nettolonen van de WSW-werknemers hoger dan van vergelijkbare werknemers elders», gaat zij aan dat feit volkomen voorbij.

De hier aan het woord zijnde leden waren van mening dat de zaak van het laten betalen van een vereveningsbijdrage door WSW-werknemers, een andere invalshoek verdient. Als er, zoals de Regering doet, van wordt uitgegaan dat het ongelijk zijn van de netto-inkomens van de WSW-werknemers ten opzichte van elders verdiende vergelijkbare inkomens moet worden opgeheven door middel van het innen van een vereveningsbijdrage, dan is dat volgens hen een verkeerde invalshoek. De Regering blijkt in de uitwerking daarvan ook zeer inconsequent. De WW-premie is immers opgebouwd uit twee componenten, namelijk a. de component van de werkloosheidsverzekeringspremie, een premie welke voor elk der verzekeringsplichtigen even Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16527, nr. 5

hoog is (in 1980 0,225%) en b. de component van de wachtgeldverzekeringspremie, een premie welke niet voor elkeen even hoog is (in 1980 varieer-de deze premie van 0% voor de sigarenindustrie tot 5,5% voor een bepaal-de groep zeevarend personeel). Het feit dat de wachtgeldverzekeringspremie niet voor ieder even hoog is heeft tot direct gevolg dat er verschillen op nettobasis ontstaan. De grootste verschillen zijn groter dan 0,625%, zijnde het percentage van de voorgestelde vereveningsbijdrage. Een vereveningsbijdrage heffen om een meer evenwichtige ontwikkeling op nettobasis te bewerkstelligen schiet haar doel dus volkomen voorbij, aldus deze leden. Immers binnen de groep van WSW-werknemers verandert niets, evenmin is dat het geval binnen de groep van werknemers in het bedrijfsleven en de op het gemiddelde van de te betalen WW-premie afgestelde vereveningsbijdrage brengt geen evenwicht tot stand tussen de lonen van WSW-werknemers en de lonen van de werknemers buiten de WSW. Ook het volledig opnemen van de WSW-werknemers in de WW, inclusief premiebetaling zou niet tot resultaat hebben dat de beoogde netto-inkomens op gelijke hoogte zouden uitkomen, doch op die wijze zou wel rechtsgelijkheid ontstaan. Wanneer de Regering betoogt, zo gingen zij verder, dat het onderbrengen van de WSW-werknemer in de WW, mede gelet op het vrijwel te verwaarlozen werkloosheidsrisico en als gevolg van het feit dat de overheid ook het werkgeversaandeel van de werkloosheidsverzekeringspremie dient te betalen, naast het eigen overheidsaandeel van (in 1980)0,45%, het Rijk voor enorme kosten zou plaatsen, dan is dat een betoog waar de leden van de fractie van de P.v.d.A. wel begrip voor kunnen opbrengen. Dat bracht hen ertoe, een andere invalshoek ten tonele te voeren en wel de volgende. Ervan uitgaande dat inderdaad het risico dat een WSW-werknemer loopt om werkloos te worden uiterst miniem is en vaststellende dat de oorzaak van dat feit gelegen is in de Wet Sociale Werkvoorziening zelf, met name in artikel 7 dier wet, dan is het mogelijk te komen tot de redenering dat die omstandigheden het rechtvaardigen van de WSW-werknemers een vereveningsbijdrage te verlangen omdat de werknemers buiten de sfeer van de WSW, ten einde de financiële gevolgen van hun eventueel werkloos worden zo gering mogelijk te doen zijn, daarvoor een WW-premie verschuldigd zijn. Deze leden voelden veel voor deze tweede invalshoek omdat die naar hun mening een zuivere benaderingswijze weergeeft en vermoedelijk door de betrokkenen als een aanvaardbare motivering beoordeeld zal worden, in tegenstelling tot de motivering van de Regering, welke, zo veronderstelden deze leden, door het hierboven door hen gevoerde betoog, wel doorgeprikt was. Zij toonden zich zeer nieuwsgierig naar de reactie van de Regering op dit punt.

Vervolgens wilden deze leden van de Regering een opgave van het aantal WSW-werknemers dat een WAO-uitkering geniet, waarbij tevens wordt vermeld hoe groot de totale vereveningsbijdrage is welke deze WSW-werknemersover het WAO-gedeelte van hun inkomen sinds 1 januari 1980 reeds betaalden. Ook wensten zij te weten of de Regering met deze omstandigheid rekening heeft gehouden, met andere woorden, hoe groot is het werkelijke financiële voordeel voor de Regering indien een vereveningsbijdrage a 0,625% wordt geheven. Kan de Regering, zo vroegen zij verder, aangeven welke gevolgen de maatregelen voortvloeiende uit deze wetswijziging gevoegd bij die voortvloeiende uit de wetswijziging van de inkomstenbelasting (16475) voorde koopkracht van met name die WSW-werknemers heeft die uitkeringsgerechtigde zijn van de WAO of de AAW. Ten slotte vroegen deze leden het oordeel van de Regering over het idee het financiële voordeel dat uit deze wetswijziging aan de schatkist toevalt, te besteden binnen de sfeer van de WSW. Zij wilden graag weten, indien de Regering deze suggestie overneemt, aan welke vorm van besteding zij dan denkt en in het geval de Regering negatief tegenover hun voorstel zou staan, welke reden zij daarvoor heeft.

De leden van de C.D.A.-fractie hadden met belangstelling van dit wetsontwerp kennisgenomen. Nu sinds enige jaren de brutolonen in de sociale Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nr. 5

werkvoorziening structureel zijn bijgesteld en op hetzelfde niveau gebracht als de lonen die rechtens gelden of gebruikelijk zijn voor overeenkomstige arbeid in het z.g. vrije bedrijfsleven is er inderdaad gegronde reden om de bestaande verschillen in het brutonettotraject tussen het loon van WSW-werknemers en vergelijkbare lonen in het vrije bedrijf weg te werken. Dat, gelet op de ervaringen ter zake en uitgaande van de ontslagbepalingen zoals die in artikel 28 van de WSW zijn opgenomen en vastgelegd, het werkloosheidsrisico van deze groep zeer gering is, maakt het, gelet op de budgettaire consequenties die het voor het Rijk zou hebben indien deze groep zonder meer thans onder de werkingssfeer van de WW wordt gebracht, aanvaardbaar dat in dit geval wordt volstaan met het ook hier invoeren van een vereveningsbijdrage te heffen van de werknemers en het weliswaar opnemen in de WW-verzekering, doch zonder premiebetaling.

Wel vroegen deze leden zich af of ook in de toekomst het werkloosheidsrisico van deze groep zo verwaarloosbaar zal blijven als thans wordt aangenomen. De mogelijkheden om in de sociale werkvoorziening voor een ieder werk te kunnen blijven behouden, zouden zich toch bij een nog duidelijk verdergaande verslechtering van de conjunctuur wel eens niet geheel staande kunnen houden. Hieraan doet niet af dat een aantal hunner bij ontslag aanspraken kan maken op een uitkering of verhoogde uitkering krachtens de AAW of de WAO. In die situatie zou het niet meer gaan om verwaarloosbare bedragen die van overheidswege in het Werkloosheidsfonds moeten worden gestort om de desbetreffende uitkeringen en de administratiekosten daarvan te dekken. Het vaststellen van de hoogte der vereveningsbijdrage op het gemiddelde percentage van de WW-premie voor werknemers in het bedrijfsleven, i.c. 0,625%, zijnde het gemiddelde percentage over 1980, ontmoette bij deze leden geen bezwaar. Zij gingen er daarbij van uit dat deze berekeningswijze ook gehandhaafd zal worden, indien onverhoopt zich een situatie zou voordoen waarin de feitelijke kosten voortvloeiend uit werkloosheid binnen deze groep groter zouden dreigen te worden dan de vereveningsbijdrage. Zagen deze leden het goed dan moet thans worden verwacht dat de wet vermoedelijk in werking zal treden op een tijdstip waarop niet op andere gronden enige algemene wijziging in de lonen van deze groep zal worden aangebracht, zodat er bij de dan daarna enkele weken later volgende loonbetaling voor vrijwel iedere WSW-werknemer een verlaging van het nettoloon optreedt. Is de Staatssecretaris in verband daarmee bereid te bevorderen dat bij aanvaarding van dit wetsontwerp, een van de weinige beleidsombuigingen waarover gelukkig geen diepgaand meningsverschil is gerezen met de Sociaal-Economische Raad, tijdig een in voor betrokkenen begrijpelijke taal gestelde verklaring daarvan aan hen wordt verstrekt? Zulks zou in dit geval voor wat de tekst daarvan betreft niet per werkverband afzonderlijk behoeven te geschieden en kan mogelijk hier en daar optredende misverstanden helpen voorkomen.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden met instemming kennis genomen van het wetsontwerp. Zij beaamden, dat het werkloosheidsrisico voor WSW-werknemers verwaarloosbaar is. Zij vroegen zich wel af, of er met het oog op het steeds moeilijker kunnen vinden van geschikte werkobjecten toch niet een toenemende kans op een hoger werkloosheidsrisico aanwezig is, ondanks het eventueel nemen van een maatregel om in zo'n geval primair de toelating van werknemers af te remmen. Het was deze leden overigens wel opgevallen, dat in de memorie van toelichting verschillende kwalificaties worden gehanteerd ten aanzien van het werkloosheidsrisico: «verwaarloosbaar», «zeer gering» en «nagenoeg niet bestaat». Was het niet beter geweest consequent één kwalificatie te hanteren en kan alsnog een duidelijke kwalificering worden gegeven? Deze leden achtten het heffen van een voor alle WSW-werknemers even hoge procentuele vereveningsbijdrage een goede zaak. Niet alleen omdat deze heffing het verschil tussen de nettolonen met werknemers in het be-Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16527, nr. 5

drijfsleven opheft, maar ook omdat door deze maatregel het recht op WW-uitkering dan ook voor deze categorie werknemers zal gelden. Deze leden wezen er ten slotte op dat de WSW-werknemers in plaats van -meestal langdurig -op een werkloosheidsuitkering te zijn aangewezen, door hun tewerkstelling in WSW-verband qua inkomen reeds een voorsprong hebben op hen die wel een werkloosheidsuitkeringen ontvangen.

De invoering van een vereveningsbijdrage voor WSW-werknemers dient naar de mening van de leden van D'66 gezien te worden in het licht van soortgelijke regels die met ingang van 1 januari 1980 gelden ten aanzien van de WAO-, WW-en WWV-uitkeringen. Het voorliggende wetsontwerp is dan ook een logisch gevolg daarop. Deze leden zouden echter graag de gevolgen van de maatregel voor WSW-werknemers nader zien uitgewerkt. Welke zijn de gevolgen in de nettolonen van WSW-werknemers van deze maatregel, mede in relatie tot vergelijkbare nettolonen in het bedrijfsleven? Voorts was het deze leden niet duidelijk waarom deze maatregel genomen wordt in het kader van de «beperking van de groei van de uitgaven voor sociale zekerheid». Het effect van deze wet is immers niet een beperking van die groei, maar een verhoging van inkomsten?

De leden behorend tot de S.G.P.-fractie zeiden akkoord te kunnen gaan met de inhouding van een vereveningsbijdrage op de WSW-lonen ter grootte van het gemiddelde percentage van de WW-premie van werknemers in het bedrijfsleven ten einde een onevenwichtigheid in het brutonettotraject op te heffen. In het nieuwe lid 5 van artikel 20 wordt bepaald dat de WW-lasten ter zake van WSW-werknemers, die onvrijwillig werkloos worden, door het Rijk zullen worden gedragen. Kan ook een indicatie worden gegeven welk bedrag op jaarbasis hiermee gemoeid zou kunnen zijn? Wat zijn voor wat dit betreft de verwachtingen op langere termijn als men mede in ogenschouw neemt de steeds verder oplopende werkloosheid, die zeker ook de WSW-werknemer niet ongemoeid zal laten?

De nadere standpuntbepaling van het kabinet over de vereveningsbijdrage van de WSW-werknemers, riep enige bevreemding op bij de leden van de P.P.R.-fractie. In de memorie van toelichting wordt meermalen gesteld dat er geen aanleiding bestaat WSW-werknemers verzekeringsplichtig te laten zijn ingevolge de WW, omdat WSW-werknemers vrijwel geen beroep doen op de WW. Het risico van werkloosheid in de zin van de WW voor de WSW-werknemers bestaat nagenoeg niet. Door nu wel een vereveningsbijdrage op te leggen, ter grootte van het gemiddelde WW-% dat bij werknemers in het bedrijfsleven wordt ingehouden op de lonen, doch daar tegenover geen feitelijke uitbreiding van het werknemersverzekeringspakket te bieden -het beroep op de WW zal immers praktisch nihil zijn -moet de rechtvaardiging van dit wetsontwerp enkel en alleen worden gezocht in het opheffen van nettoloonverschillen tussen WSW-werknemers en vergelijkbare werknemers in het bedrijfsleven. Wordt op deze wijze niet een oneigenlijke heffing op de WSW-werknemers gelegd, aangezien zij een nieuwe premielast opgelegd krijgen zonder dat daar in de praktijk een werknemersverzekering tegenover staat? Kan, met andere woorden, een WSW-werknemer worden gedwongen een vereveningsbijdrage te leveren, wetende dat de kans dat hij ooit van deze werknemersverzekering gebruik zal maken, praktisch nihil is?

De leden van de C.P.N.-fractie meenden dat het ongewenst is de WSW-werknemers met nieuwe lastenverzwaringen op te zadelen. Is de Regering zich ervan bewust dat het hier gaat om een groep die de afgelopen jaren al in aanzienlijke mate heeft moeten inleveren? Kan zij een inzicht geven in de ontwikkeling van de koopkracht van deze groep werknemers de afgelopen jaren? Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16527, nr. 5

Het leek deze leden een merkwaardige figuur een groep werknemers in de WW te laten opnemen, in de zekerheid dat zij geen aanspraak zullen maken op deze wet, enkel en alleen om hen te verplichten bij te dragen in de tekorten van de rijksoverheid. Ten aanzien van het argument van gelijke behandeling ten opzichte van werknemers in het bedrijfsleven, wilden deze leden erop wijzen dat het hier veelal gaat om gedeeltelijk arbeidsongeschikten, waarvan het inkomen gerelateerd is aan het loon dat verdiend werd voordat de arbeidsongeschiktheid intrad. Tegen die achtergrond leek het hun moeilijk deze twee groepen zonder meer met elkaar te vergelijken.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1980-1981,16527, nr. 5

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.