Inhoudsopgave

Tekst

Nr.6

1 Samenstelling: Joekes (VVD), voorzitter, Portheine (VVD), Dankert (PvdA), Van Dis (SGP), Epema-Brugman (PvdA', Jansen (PPR), Kombrink (PvdA), Van der Hek (PvdA), Rienks (PvdA), Engwirda (D'66), De Graaf (PvdA), Van Muiden (CDA), Van Dijk (CDA), ondervoorzitter, Wöltgens (PvdA), Hermans (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), De Vries (CDA), Couprie (CDA) en Van lersel (CDA).

LIJST VAN AANVULLENDE VRAGEN Vastgesteld 18 februari 1981

De vaste Commissie voor Financiën heeft ter nadere voorbereiding van de op 2 maart 1981 tezamen met de vaste Commissie voor het Emancipatie-beleid te houden uitgebreide commissievergadering over de nota nog behoefte de volgende vragen aan de Regering voor te leggen.

Inleiding

2.01 Kan op basis van het thans beschikbare materiaal uit de inkomensstatistiek 1977 worden aangegeven in welk opzicht zich betekenende verschuivingen hebben voorgedaan ten opzichte van eerder verstrekte statistische gegevens over 1975?

2.02 In welk stadium verkeert het lopende budgetonderzoek van het CBS (dit in verband met de discussie over het verschil in belastingvrije sommen)? Wanneer kunnen de resultaten ervan worden gepubliceerd?

2.03 Heeft de huidige sociaal-economische situatie en de daarmee gepaard gaande inkomensontwikkeling voor de Regering consequenties voor de uitvoering van de voorstellen onder andere ten aanzien van de overgangstermijnen?

2.04 Nu de voorbereiding van de herziening van de sociale verzekeringswetgeving bij het Departement van Sociale Zaken verder is gevorderd, hoe verhouden de uitgangspunten zich tot de voorstellen in «Op Weg»? Geeft de bedoelde herziening aanleiding deze laatste voorstellen te wijzigen?

I. Historisch overzicht

2.05 Dient in de belastingheffing, wat betreft het rekening houden met kosten wegens het buitenshuis werken niet acht te worden geslagen op de vraag in welke mate wordt deelgenomen aan het arbeidsproces (zoals vóór 1961 het geval was)?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 6

  • Zou, uit een oogpunt van inkomensbeleid en draagkracht, een inkomen van f x,-, dat verdiend wordt door partners die een niet volledige baan hebben, fiscaal niet anders behandeld dienen te worden, dan hetzelfde inkomen, verdiend door partners die wél beiden volledig werken?

2.06 Wat is thans de analyse ten aanzien van elk van de draagkrachtvermeerderende factoren, onderaan blz. 10?

2.07 In hoeverre is het juist rekening te houden met de besparende werking van huishoudelijke arbeid a. gelet op het feit, dat de partner geacht kan worden in een geëmancipeerde situatie een deel van die arbeid te verrichten en b. gelet op het feit, dat tegenover deze besparing ook een vergroting van de draagkracht staat ten gevolge van de vergroting van het inkomen van het huishouden?

2.08 Gaat, in het geval één der partners langer werkt dan de normale arbeidsduur (40 uur), niet een deel van de besparende werking van zijn/haar arbeid ten behoeve van het huishouden verloren? Dient dat niet te worden verdisconteerd?

2.09 Dient, bij het wel rekening houden met de besparende werking, óók het aantal kinderen te worden verdisconteerd (vergelijk het voorstel van de commissie-Hofstra van 1968)?

2.10 a. Dient (zie antwoord op vraag 6,15835, nr. 4) de mogelijkheid meerkosten te maken bij een toeneming van het inkomen als zijnde een pure bestedingskwestie, niet volledig buiten beschouwing te blijven? b. Is de relatie arbeidstijd -kosten niet een geheel andere dan die tussen inkomen -kosten en eerder aanleiding om de arbeidsduur als fiscale variabelete nemen dan (zoals nu) de inkomenshoogte?

2.11 Werkt een belastingvrije voet, voor zover bedoeld om rekening te houden met een verminderde draagkracht ten gevolge van kosten door het werken buitenshuis, niet verschillend naar mate de inkomenshoogte verschilt? Moet daarom niet de voorkeur worden gegeven aan een aftrek, waarvan het voordeel onafhankelijk is van de inkomenshoogte?

II. Analyse van het wettelijk systeem 2.12 Hoe functioneert (wat betreft met name de controleerbaarheid) de regeling voor de meewerkende partner in de onderneming?

2.13 In hoeveel procent van de gevallen -waarin een gedeelte van de winst aan de meewerkende partner wordt toegerekend" wordt het maximum (1/3 van de winst) toegerekend? Kan aangegeven worden in welke mate de regeling van de winsttoedeling aan de meewerkende partner doorwerkt in de tabel in antwoord 1 (15835, nr. 4, blz. 2)?

2.14 a. Is niet reeds (in tegenstelling tot hetgeen in het antwoord op vraag 13 wordt gesuggereerd) in het huidige stelsel een stimulans tot deeltijdarbeid opgenomen? Kan deze worden vergeleken met die welke in het voorgestel-de stelsel is verwerkt?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 6

  • Kan alsnog antwoord worden gegeven op de vraag in de passage bovenaan blz. 24?

2.15 Kan aangegeven worden waarom de belastingdienst nog steeds in de stukkenwisseling met belastingplichtigen/gehuwde vrouwen niet alleen de achternaam van de betrokkene vermeldt, maar ook de naam van de echtgenoot, dit zelfs als betrokkenen verzoeken alléén de eigen achternaam te vermelden?

2.16 Kan alsnog ten aanzien van elk der bezwaren tegen het huidige stelsel uitdrukkelijk worden aangegeven in hoeverre daaraan tegemoet zou moeten worden gekomen en er door het in de nota gedane voorstel aan wórdt tegemoet gekomen? Kan de mate van voordeligheid ten opzichte van een vorig stelsel als zodanig een criterium zijn?

III. Onderzoek naar de mogelijkheden van een aantal denkbare oplossingen 2.17 Waarom is het resultaat van integrale rolwisseling fiscaal minder zuiver te achten dan het huidige stelsel (blz. 34)? Staat bijv. tegenover de mogelijkheid van een hogere drempel voor ziektekosten niet die van een hogere drempel in het huidige stelsel? Kan dit effect worden vergeleken met dat in het uiteindelijk voorgestelde systeem?

2.18 Deelt de Regering de mening dat de eventueel optredende nadelen (voorbeelden 16 en 17, blz. 34 en 35) ten gevolge van integrale rolwisseling (afhankelijk van welke partner het meest verdient) geen argumenten ten nadele van dit stelsel kunnen zijn en dat bij elke wijziging voor concrete belanghebbenden voor-en nadelen zullen optreden?

2.19 Kan naar aanleiding van het antwoord opvraag 17 nader worden uiteengezet welke meer praktisch de mogelijkheden tot ongewenste manipulatie met vermogensinkomsten zijn in geval een toerekening naar rato van het in-komen plaatsvindt? Gelden die mogelijkheden ook wanneer niet een volstrekt gescheiden heffing plaatsvindt, maar wel een dergelijke toerekening zou plaatsvinden?

2.20 Is het niet vanzelfsprekend dat in stelsels, die in hogere mate uitgaan van verzelfstandiging dan het bestaande, het inkomen van de andere partner steeds minder een referentiepunt is, en dat dit ook effecten heeft op bijv. het gebruik van de belastingvrije voet en op de gerechtvaardigdheid van de maximale verliescompensatie?

2.21 Is de schets van de daaruit voortvloeiende nadelen bij de behandeling van mogelijke stelselwijzigingen derhalve niet minder relevant nu juist de bedoeling van de wijziging is in hogere mate tot verzelfstandiging te komen?

2.22 a. Is het op blz. 54 genoemde bezwaar tegen een omslagstelsel (de noodzaak van bijbetaling resp. teruggave) niet inherent aan enig stelsel waarin met het draagkrachtvermeerderende aspect van samenwonen (al dan niet gehuwd) rekening wordt gehouden en derhalve het produkt van een eerder ten principale gemaakte keuze? b. Zijn ter vervanging van het probleem dat bijbetaling achteraf met zich mee kan brengen, voorzieningen in de Ib-sfeer te treffen?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 6

2.23 Is de schets van nadelen van de in dit hoofdstuk behandelde alternatieve stelsels niet van een te wisselende aard, omdat de nadelen steeds gebaseerd zijn op geheel andere principiële uitgangspunten (verzelfstandiging versus draagkracht van de eenheid?

IV. Beknopt overzicht buitenlandse regelingen

2.24 Op welke gronden hebben tal van andere landen afgezien van een regeling voor de meewerkende partner in de onderneming?

2.25 Is de in sommige andere landen bestaande figuur van een taxcredit niet billijker dan een aftrekpost of een verschil in belastingvrije voet wanneer het de bedoeling is met draagkrachtverschillen rekening te houden?

2.26 Kan de werking van het Oostenrijkse stelsel nader worden toegelicht (zie vraag 22)?

V. De fiscale positie van de ongehuwde die met een ander samenleeft of sa menwoont 2.27 Verdwijnt niet een groot deel van de geschetste ongelijkheid en controle-en uitvoeringsproblemen (blz. 68) wanneer het onderscheid in belastingvrije voet voor ongehuwden zou komen te vervallen?

VI. De opzet van een nieuw stelsel 2.28 Waarom is in de kernpunten de bovenaan blz. 24 en de onderaan blz. 25 genoemde draagkrachtbenadering niet verwerkt?

2.29 Is het waar, dat het volgen van eenzelfde toerekening van inkomensbestanddelen voor ongehuwd samenwonenden als voor gehuwden een stap terug zou betekenen (antwoord vraag 37) (en daarom niet zou moeten worden toegepast) wanneer een volledige verzelfstandiging binnen relatief korte termijn doorgevoerd zou worden; maar is het niet minder goed als argument te hanteren als te verwachten valt dat zo'n verzelfstandiging (gelet op de vermoedelijk nog lang dominerende positie van alleenverdieners en gelet op het belang de draagkracht per eenheid niet volledig los te laten) niet snel doorgevoerd zal worden?

2.30 Dient niet een 7de kernpunt te worden gehanteerd, namelijk dat acht wordt geslagen op de totale bestedingsmogelijkheden die samenwonenden (al dan niet gehuwd) hebben, wanneer één van de partners, resp. beide (arbeids-) inkomten hebben; met anderen woorden dienen te grote verschillen in betaalde belastingen, die op zichzelf niet uit draagkrachtverschillen voortvloeien, niet te worden tegengegaan, te meer omdat de inkomstenverdeling een alleen maar klemmender vraagstuk is geworden?

2.31 Welke acht de Regering, met als uitgangspunt het zo goed mogelijk tot gelding brengen van zowel draagkracht als verzelfstandiging, de voor-en nadelen van een stelsel waarin: a. samenwonende partners beide een aanslag ontvangen;

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 6

  • andere inkomens dan die uit arbeid naar rato van het arbeidsinkomen worden toegerekend aan elk van de partners eventueel behoudens een situatie waarin buiten gemeenschap van goederen is getrouwd; c. bezien wordt welk belastingbedrag in geval van samentelling betaald had moeten worden onder toerekening van het verschil dat ten opzichte van de procedure volgens a en b bestaat, wederom naar rato van het inkomen van elk van beide partners; d. rekening wordt gehouden met de situatie waarin de ene partner de andere onderhoudt; e. geen, of een veel lagere, leeftijdsgrens met betrekking tot de belastingvrije som voor ongehuwden geldt; f. rekening wordt gehouden met extra kosten wegens werken buitenshuis van beide partners in geval van aanwezigheid van jonge kinderen (fiscaal of inde kinderbijslag); g. geen rekening wordt gehouden met de besparende werking van huishoudelijke arbeid noch met een besparing op uitgaven voor immateriële behoeften, doch wel met een besparing op uitgaven door het voeren van een gemeenschappelijke huishouding (eventueel boven een bepaalde leeftijds-grens); h. ook ongehuwd samenwonenden op bovengenoemde wijze worden behandeld, resp. wat betreft de niet-arbeidsinkomens op verzoek kunnen worden behandeld. Biedt zulk een stelsel niet het voordeel dat enerzijds de verzelfstandiging verder wordt voortgezet dan in het regeringsvoorstel en anderzijds toch meer recht wordt gedaan aan de feitelijke draagkrachtverschillen per eenheid bij eenzelfde inkomenspositie?

2.32 Kan, indien rekening wordt gehouden met de kosten bij het werken buitenshuis, in geval van aanwezigheid van jonge kinderen de aftrek onvolledig gezin komen te vervallen?

2.33 Welke overwegingen zouden introductie van een regeling in de weg staan waarin rekening wordt gehouden met de kosten van vervanging van de moeder thuis bij aanwezigheid van jonge kinderen (beneden bijv. 12 jaar, en als factor in de kinderbijslag dan wel in het belastingstelsel verwerkt) ter vervanging van een stelsel waarin weinig met de draagkracht van de eenheid rekening wordt gehouden? Zou in dat geval niet specifieker met de feitelijke draagkracht (wel of niet extra kosten) rekening kunnen worden gehouden?

2.34 Is het voordeel van het niet meer rekening houden met de merkwaardige factor «besparing op huishoudelijke arbeid», dat het probleem onderaan blz. 73 vervalt?

2.35 Is het niet aan te bevelen waar mogelijk -bijv. ten aanzien van vermogensinkomsten -uit te gaan van het huwelijksvermogensrecht?

2.36 Zouden studiebeurzen niet eigenlijk bij de vrouw belast moeten worden?

2.37 Deelt de Regering de opvatting, dat juist de gezinnen waarvan beide partners arbeidsinkomen genieten door de voorgestelde maatregelen zwaarder zullen worden belast, mede gezien de afwezigheid van voorstellen betreffen-de de aftrekbaarheid van kosten voor gezinshulp, crèche enz.?

2.38 Was er geen aanleiding in verband met de onderaan blz. 75 bedoelde teruggang een langere overgangsperiode te hanteren in plaats van tot een hogere belastingvrijve voet te komen?

Tweede Kamerzitting 1980-1981,15835, nr. 6

2.39 Zou het, indien verzelfstandiging als uitgangspunt wordt gehanteerd, niet passen een extra hoge belastingvrije voet te verlenen in geval één der partners niet kan werken of geen werk kan krijgen in verband met het ten opzichte van anderen gederfde inkomen?

2.40 Hoeveel bedraagt de alleenverdienerstoeslag netto voor bruto inkomens van f 15000 oplopend met stappen van f 5000 tot f 100 000?

2.41 Kan een cijfervoorbeeld worden uitgewerkt waarin de alleenverdieners toeslag gegeven wordt in de vorm van een voor alle modale inkomens even grote taxcredit, zodanig dat dit voor het modale inkomen neutraal uitwerkt ten aanzien van de nota Op Weg? Kunnen tevens de inkomenseffecten worden gegeven wanneer dit taxcredit wordt afgebouwd, zodanig dat op een niveau van 1 Vi, resp. 2 maal modaal geen toeslag meer wordt verleend?

2.42 Kan de Regering het voorbeeld in het antwoord op vraag 69 ook geven met een arbeidsinkomen van een alleenverdiener van f 40 000 en f 50 000 in-dien een situatie ontstaat, waarin daarna diens partner een arbeidsinkomen aanbrengt van onderscheidenlijk f 2000; f 5000; f 10000 en f 15000? Handhaaft de Regering ook voor die gevallen de opvatting weergegeven in het antwoord op vraag 69?

2.43 Welke consequenties trekt de Regering uit de opvatting van de belastingdienst dat de voorgestelde behandeling van ongehuwden die met een ander een gemeenschappelijke huishouding voeren, in de praktijk op moeilijkheden zou kunnen stuiten?

2.44 Past maritale verliescompensatie (volgens blz. 77 te handhaven zolang nog toerekening vermogensinkomsten plaatsvindt) nog wel, waar het negatieve arbe/dsinkomsten betreft, indien met betrekking tot die inkomsten een volkomen verzelfstandiging plaatsvindt?

2.45 Kunnen de technische complicaties als bedoeld in het antwoord op vraag 49 nader worden geconcretiseerd? In hoeverre zijn ze, gezien de beschikbare techniek en de mogelijkheid van Ib-beschikkingen, onoverkomelijk?

2.46 Is een registratiemogelijkheid voor samenwonenden overwogen? Zou het niet zinvol zijn samenwonenden, die zulks wensen, de mogelijkheid te bieden zich te laten registreren als levende in concubinaat, waarbij alleen voor samenwonenden die zich gemeld hebben aan deze melding een aantal gevolgen verbonden wordt, zoals bijv. fiscale behandeling als gehuwden, vrijstelling successierechten, huurbescherming voor beide partners eet.?

2.47 a. Zijn er gegevens waaruit blijkt in welke mate de alleenstaanden van 20-25, 25-30 en 30-35 jaar een eigen huishouding voeren? b. Welke zijn de kosten van verlaging van de 35-jaargrens tot resp. 30, 25 en 20 jaar? c. Welke zou de belastingvrije voet worden wanneer de leeftijdsgrens zou vervallen en de operatie budgettair neutraal zou worden uitgevoerd?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 15835, nr. 6

2.48 In het antwoord op vraag 43 wordt aangeduid dat de leeftijdsgrens voor de oudere ongehuwden een globaal en praktisch, maar daardoor evenzeer een arbitrair criterium vormt. Waarom wil de Regering desondanks een lagere draagkracht en dus een hogere belastingvrije som toekennen aan hen die ouder dan 35 jaar zijn?

2.49 Deelt de Regering de opvatting van Langereis, NJB 1980, blz. 347, dat ongehuwden de belangstelling die de fiscus zal hebben voor de omstandigheid of zij al of niet met anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren -gelet op de toepassing van tariefgroep 3 en de aanvullende toeslag -als een inbreuk op hun privacy kunnen ervaren?

2.50 Is het niet vreemd ten aanzien van ongehuwdsamenwonenden wel de mogelijkheid van voetoverheveling toe te passen wanneer geen gelijkstelling met gehuwdalleenverdieners plaatsvindt wat betreft de inkomenstoerekening (zie blz. 81)?

2.51 Kan nader worden medegedeeld welke concrete problemen de belastingdienst met betrekking tot de voorgestelde behandeling van ongehuwdsamenwonenden voorziet en elke ervan als vrij onoverkomelijk worden beschouwd (zie het antwoord op vraag 39)?

2.52 Is, getoetst aan de besparende werking van huishoudelijke arbeid, het verschil in belastingvrije voet van 2 werkende partners (12084) met die van een ongehuwde/alleenstaande (6042, reps. 8056) wel gerechtvaardigd waar het verschil met het huishouden, waarvan 1 partner werkt, geringer is (10070) zonder dat er een verschil is met betrekking tot de te verrichten huishoudelijke arbeid? Moet niet een vierde tariefgroep voor werkende partners worden ingesteld met een belastingvrije voet van elk f 5035?

2.53 a. Valt niet te overwegen -om ten aanzien van twee verdienende partners met een hoog inkomen de grotere draagkracht van de eenheid meer te benadrukken -de hoogte van de belastingvrije som voor de betrokkenen te laten variëren met de hoogte van het inkomen, in die zin dat de belastingvrije som (ad f 6000) in stappen lager wordt -met een minimum tot bijv. f 3000 "naarmate het inkomen hoger is? b. Kunnen in een cijfervoorbeeld de effecten van deze gedachte -en eventuele varianten erop -worden weergegeven? c. Zou thans niet -bij de thans steeds hoger wordende energiekosten van een huishouding -rekening gehouden dienen te worden met het kostenbesparende effect uit dien hoofde, indien beide partners gehele dagen buitenshuis werken (zie ook antwoord 9)?

2.54 Wat is het belang voor ongehuwden zich in de situatie die bovenaan op blz. 83 beschreven wordt als samenwonenden te melden? Met andere woorden: wordt in de praktijk wel het daar geschetste verschil in fiscale behandeling weggenomen?

2.55 Welke concrete gegevens zijn voorhanden wat betreft de leeftijd, waarboven het merendeel van de ongehuwden zelfstandig woont (zie het antwoord op vraag 70)?

Tweede Kamer, zitting 1980-1981,15835, nr. 6

2.56 Wordt de ten onrechte plaatsvindende cumulatie van belastingvrije som met extra aftrekken bij samenwonenden met een kind nu geheel ongedaan gemaakt?

2.57 Hoe kan voetoverheveling plaatsvinden ten aanzien van in Nederland werkende buitenlanders, van wie de echtgenoot(e) in het buitenland verblijft?

2.58 Voorziet de Regering, mede gelet op de beperkte controlemogelijkheden, uitvoeringsmoeilijkheden met betrekking tot de buitenlandse belastingplichtigen?

2.59 Zijn er met betrekking tot het bijzonder tarief (blz. 90) met name voor directeuren/aandeelhouders manipulatiemogelijkheden?

2.60 Kan alsnog worden uiteengezet hoe gehandeld dient te worden met betrekking tot het huurwaardeforfait, wanneer de desbetreffende nota niet verschijnt voordat deze vraag wordt beantwoord? (Zie antwoord op vraag 88).

2.61 In welk stadium bevindt zich de studie van de interdepartementale ambtelijke werkgroep inzake de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid?

2.62 a. Welke argumenten voor verzelfstandiging in de belastingheffing en op sociaal verzekeringsgebied acht de Regering wel en welke niet van toepassing op de z.g. inkomensprijzen? (Zie antwoord op vraag 98). b. Kan het effect van de regeringsvoorstellen op het recht op de inkomensprijzen -waarvan relatief veel gebruik wordt gemaakt -concreter worden geschetst dan in het antwoord op vraag 107 is gebeurd?

2.63 Welke uitbreiding van het ambtelijk apparaat is ter wille van de uitvoering van de regeringsvoorstellen concreet nodig? (Zie antwoord vraag 93).

2.64 Budgettair gezien zullen in het voorgestelde regime vooral de gelijke belastingvrije som voor gehuwden, die beiden arbeidsinkomen hebben en de toerekening van de overige bestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen de nodige baten opleveren. Is er een mogelijkheid, bij voorbeeld door het optrekken van deze belastingvrije som, de voorgestelde maatregel een budgettair meer neutraal karakter te geven?

2.65 a. Wat is de budgettaire bate indien de belastingvrije voet van alleen verdieners wordt gehandhaafd op f 10070 en die van twee werkende partners op de helftervan? b. Wat is de budgettaire last als de belastingvrije voet van de alleenverdieneropf 12084 wordt gesteld? (Zie het antwoord op vraag 49).

2.66 Kan aangegeven worden aan welke inkomensniveaus de baten en lasten toegerekend kunnen worden? (blz. 96).

De voorzitter van de commissie, Joekes De griffier van de commissie, Nieuwenhuizen

Tweede Kamerzitting 1980-1981,15835, nr. 6

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.