De stemmingen in verband met het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 17 juni 1980 orde 9

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981(16212) en over: de motie-Van der Doef c.s. over het handhaven van de koopkracht van mensen met het minimumloon en de sociale minima (16212, nr. 6);

Milieuhygiëne Sociale verzekeringen

De VVD-kamerleden Verkerk-Terpstra (I) en Ginjaar-Maas (m) in gesprek met Minister Ginjaar (Volksgezondheid en Milieuhygiëne), na afloop van het debat over de instelling van een centrale raad voor de milieuhygiëne de motie-Van der Doef c.s. over het niveau van de sociale uitkeringen (16212, nr. 7); de motie-B. de Vries c.s. over het handhaven van de koopkracht van de minimumgezinsinkomens in 1980 (16212, nr. 8).

©

De Voorzitter: Mij is gevraagd de beraadslaging te heropenen. Ik stel voor, aan dit verzoek te voldoen. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik stel verder voor de spreektijd te bepalen op ten hoogste drie minuten per fractie. Daartoe wordt besloten.

©

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil enkele vragen aan de Regering stellen, alsmede aan de indieners van de motie, ingediend door de heren De Vries en De Korte op stuk nr. 8. De Regering heeft bij verschillende gelegenheden medegedeeld dat, zo enigszins mogelijk, de koopkracht voor de minima in 1980 zou worden gehandhaafd, doch dat het op dat moment, en nu dus mogelijk nog, te vroeg zou zijn te beoordelen of koopkrachtdaling in de loop van het jaar zal optreden. Er is van CDA-zijde gesuggereerd, dat de ontwikkeling van het prijsindexcijfer in de periode mei/juni een belangrijke aanwijzing zou kunnen vormen, maar dit cijfer is pas bekend als de Kamer met reces is. Dan zal de Regering min of meer in alle rust kunnen bezien wat haar te doen staat en een afweging kunnen maken tegenover andere zaken die aan de orde zijn, werkgelegenheid en de rijksbegroting. Staatssecretaris De Graaf heeft zaterdag jl. zelfs gezegd, dat eind augustus die situatie nog zou kunnen worden beoordeeld. Het is de vraag of in die fase, bij voorbeeld in de tweede helft van augustus, de mogelijkheid nog aanwezig is een wetsontwerp, in te dienen door de Regering, in de Kamer te behandelen op een zodanig tijdstip dat de nieuwe belastingtabellen per 1 oktober nog in werking kunnen treden. Mijn fractie heeft er bijzonder grote behoefte aan vrij exact te weten wat de uiterste datum is, waarop de Regering met een daartoe strekkend wetsontwerp zou moeten komen, alsmede wat de fatale datum is voor de Kamer, zo er een initiatiefontwerp zou worden overwogen, waarbij uiteraard een andere procedure geldt wat betreft de in-schakeling van de Raad van State. Het zal ook duidelijk zijn dat wij hierbij de sterke behoefte hebben van de Regering te vernemen of zij bereid is in die zin tijdig met een eigen wetsontwerp te komen. Dit is de zin van het woord 'tijdig' in onze motie. Wij overwegen uiteraard dit nader te preciseren, afhankelijk van het antwoord van de Regering. Er is te meer behoefte aan duidelijkheid nu er een motie ligt, ondertekend door de leden B. de Vries en De Korte, welke motie op tal van punten open laat wat nu precies haar betekenis is. Wij sluiten niet uit dat die motie steun in de Kamer verkrijgt. Dan moet vooraf vaststaan wat die motie nu precies vraagt en uitdrukt. De overweging die aan de motie ten grondslag ligt, namelijk dat de Regering onzekerheid heeft doen ontstaan over haar voornemens de koopkracht van de minima in 1980 te handhaven, is ook de onze; hierover kan geen misverstand ontstaan. De versmalling die echter in de motie zelf optreedt, namelijk waar nu in-eens wordt gesproken over de gezinsinkomens, bevalt ons in het geheel niet, te meer niet omdat in de discussies van de laatste maanden een dergelijke versmalling van de groepen voor wie die garantie zou moeten gelden, niet is aangebracht. Ik roep nogmaals Staatssecretaris De Graaf als getuige, die zaterdag jl. nog in een ra-dio-uitzending zeer uitdrukkelijk heeft gezegd, dat de doelstelling van het kabinet is het maximale te doen om de koopkracht voor de minima, dus voor de minimumlonen en de sociale minima, te handhaven. Ik hoop dat de fractie van het CDA en de heer De Korte bereid zijn, niet alleen een nadere toelichting op de motie te geven op dit punt, maar dat zij ook willen verduidelijken wat zij concreet en op welk moment van de Regering aan actie en initiatieven verwachten. Ik hoop dat zij bereid zijn hun motie op het punt van deze onduidelijkheden nader te wijzigen, opdat deze door hen gevraagde kameruitspraak op geen enkel punt meer enige onduidelijkheid laat bestaan.

©

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De heer Van der Doef vraagt aan mij als medeondertekenaar van de motie twee dingen. Allereerst vraagt hij, of wij bereid zijn op het punt van de gezinsinkomens een verbreding toe te passen. In alle debatten, als het ging om het aangeven van een ondergrens, hebben wij steeds gesproken over de gezinsinkomens. Im-mers, daar is de nood het grootst. Wij zijn niet bereid, daarin nu een verandering aan te brengen. Het gaat ons met name om de gezinsinkomens. Voorts heeft de heer Van der Doef gevraagd of wij een datum willen aangeven. Voor die datum moet de Rege-

Sociale verzekeringen

ring dan maatregelen nemen. Zoals hij weet, is het moment het belangrijkst waarop er een nieuwe prijsraming komt. Op dit ogenblik is er nog een ruimte in de koopkrachthandhaving van 0,3%. Het is dus helemaal niet direct te verwachten dat er wat moet gebeuren. Als er wat moet gebeuren, is het niet per se noodzakelijk dat dit in de fiscale sfeer plaatsvindt. Volgens de heer Van der Doef is een einddatum vooral nodig in verband met aanpassingen in de belastingsfeer. Welnu, volgens ons is dat niet per se noodzakelijk. Ook om die reden behoeft er wat ons betreft niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn van een bepaalde einddatum in de motie.

©

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Enkele vragen die de heer Van der Doef heeft gesteld, wil ik graag ondersteunen. Dit geldt met name voor de vraag aan het adres van de Regering, wat de uiterste datum is om nog bepaalde maatregelen te kunnen nemen. Ik denk dat dit sterk afhankelijk is van het soort maatregel dat men neemt. Als wij bij voorbeeld denken aan een maatregel in de sfeer van voorindexering, zoals wij verleden jaar hebben gedaan op 1 oktober, of in de sfeer van de kinderbijslag, vermoed ik dat die uiterste termijn een andere zal zijn dan wanneer het gaat om een belastingmaatregel. Het zal mij inderdaad erg welkom zijn, als de Regering daarover op dit moment enige nadere mededelingen wil doen. Wat de termijn betreft waarop een beslissing genomen moet worden, vraag ik ook de Regering nogmaals wanneer volgens haar een nieuwe prijsraming beschikbaar is. Mijns in-ziens is dat het moment waarop pas beoordeeld kan worden, of op korte termijn het gevaar, waarvoor wij bevreesd zijn, actueel is. Wat de vraag van de heer Van der Doef betreft over een nadere concretisering van het begrip 'minimum inkomen', zoals dat in onze motie is neergelegd, namelijk toespitsing op mini-mum gezinsinkomens, moet ik hem meedelen dat dit toch een begrip is dat wat mijn fractie betreft niet uit de lucht is komen vallen. Ook in eerdere bijdragen over deze problematiek is van de kant van het CDA duidelijk gemaakt dat voor ons het accent ligt op de mini-mum gezinsinkomens. Wij zijn ons er-van bewust, dat, als men maatregelen neemt, in het algemeen bij elke maatregel een bredere groep zal worden bereikt dan uitsluitend die van de mini-mum gezinsinkomens. Wij hebben duidelijk willen maken, dat voor ons het accent ligt op die minimum gezinsinkomens. Dat willen wij zo houden.

©

Minister Albeda: Mijnheer de Voorzitter! De heer Van der Doef heeft een vraag gesteld over het tijdspad in geval er een fiscale maatregel genomen moet worden. Dat komt erop neer, dat het desbetreffende wetsontwerp door het kabinet begin augustus moet worden ingediend. Dat wil zeggen, dat het kabinet daarover in de eerste helft van juli moet beslissen. Het herberekende cijfer over 1980 van het Centraal Planbureau zal er waarschijnlijk niet zijn voor het eind van deze maand. Ook de heer De Vries heeft erop gewezen dat het duidelijk is, dat, als men andere maatregelen voorstelt voor koopkrachthandhaving dan fiscale middelen zoals voorindexering, dan een veel korter tijdsbestek nodig is voor voorbereiding van de maatregelen. Dat is namelijk een kwestie van een algemene maatregel van bestuur. Dan ligt in de voorbereiding van computers en dergelijke de limiteren-de factor. Voor indexering zouden wij een beslissing moeten nemen voor 1 september. Zou men aan een maatregel denken in de kinderbijslag, dan moet men ook voor 1 september beslissen. Als er een ontwerp uit de Kamer komt, dan moet nog iets vroeger het initiatief worden genomen dan wanneer het bij de Regering zou liggen. Dan valt het advies van de Raad van State namelijk na de behandeling in de Tweede Kamer.

De Voorzitter: De heer Van der Doef verzoekt om een vierde termijn. Ik stel voor hem daartoe de gelegenheid te geven. Daartoe wordt besloten.

©

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de Regering voor haar informatie. U zult begrijpen dat ik er sterke behoefte aan heb gelegenheid te krijgen om in mijn fractie te overleggen, of deze mededelingen tot een nadere toespitsing en wijziging van de door mij en anderen ingedien-de motie zou kunnen leiden. Ik heb kennis genomen van de opmerkingen van de heer De Korte over het standpunt van zijn fractie wat de garantie voor gezinsinkomens betreft. Dat is inderdaad niets nieuws. Ik betrap hem allerminst op het huldigen van twee opvattingen. Uit CDA-kringen zijn wat dat betreft echter heel andere en verschillende geluiden gehoord. Mijn voorstel is de stemmingen over dit onderdeel van de agenda tot morgen uit te stellen, zodat mijn fractie, en naar ik aanneem ook de hele Kamer, de gelegenheid heeft de mededelingen, die hier zijn gedaan, op zich te laten inwerken en zo mogelijk en zo nodig tot nadere wijzigingen van moties te komen.

De Voorzitter: De heer Van der Doef vraagt, de stemmingen over de moties tot morgen uitte stellen. Ik stel voor, aan dat verzoek te voldoen.

Daartoe wordt besloten. De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik zou thans het wetsontwerp in stemming willen brengen.

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik dacht dat u mijn voorstel had overgenomen om de stemmingen uit te stellen tot morgen?

De Voorzitter: Ik dacht dat uw verzoek alleen betrof de stemmingen over de moties.

De heer Van der Doef (PvdA): Datonderscheid had ik niet gemaakt.

©

De Voorzitter: Neem mij niet kwalijk. Tegen het uitstellen van de stemming over het wetsontwerp heb ik het bezwaar dat wij die stemming al vijf dagen langer hebben uitgesteld dan de Eerste Kamer welkom is en naar mijn mening correct is. De stemming over het wetsontwerp zou ik in elk geval nu willen houden. Ik zie dat de heer Van der Doef zich hierbij neerlegt. De onderdelen van het wetsontwerp worden zonder stemming aangenomen. Het wetsontwerp wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, D'66, de PPR, de CPN en de PSP tegen het wetsontwerp hebben gestemd.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.