Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981 (16212). De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

J.C.Th. (Jaap) van der DoefDe heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Bij de voorbereiding van dit debat heb ik me afgevraagd, hoe iemand zich voelt, die behoort toe de miljoenen mensen die in Nederland leven van een uitkering op het sociaal minimum of van het mini-mumloon, die de maatregelen van de laatste twee jaar heeft beleefd en de onzekerheid heeft overleefd, en dan nu uit kranten en TV moet opmaken, dat er weer onheil boven het hoofd hangt, onzekerheid dreigt en het leefniveau van de laagstbetaalden in Nederland speelbal wordt van gekrakeel en getwist binnen het regeringskamp. Je zult tweemaal hebben mee gedemonstreerd tegen de plannen van dit kabinet en hebben bemerkt dat de overheid gewoon doorging en zich Staatssecretaris De Graaf (Sociale Zaken) en Minister Albeda (Sociale Zaken)

Ambtelijke en politieke topsalarissen Universitair onderzoek Woonruimtewet 1947 Sociale verzekeringen

niets aantrok van demonstraties en acties. Je zult nog geloof hebben gehad in de politiek, mogelijk zelfs in een van de beide regeringspartijen, en misschien, heel misschien zelfs in de Minister-President, en dan tot je schrik vaststellen dat heilige beloften, gewekte verwachtingen van vertrouwde politici niet meer tellen. Die mensen, over wie ik het nu heb, komen niet in actie; zeker niet meer na eerdere ervaringen. Zij zijn al geweest. Zij zijn aangewezen op de politiek, op de keuzen van politieke partijen, op de hardheid van toezeggingen, of op de zachtheid van politieke gewetens. Misschien volgen zij dit debat nog, maar met hoeveel verwachting? Er staat formeel deze week niet eens zo veel op het spel: niet meer dan een kleine wijziging in bestaande wetgeving, ten gevolge waarvan niet meer dan 0,9% een halfjaartje opschuift. Het kan natuurlijk ook weer worden uitgedrukt in pakjes sigaretten, dan zijn het er slechts enkele minder per maand. Wat is nu negen gulden of daaromtrent netto per maand? Formeel een kleinigheid: materieel nog geen tientje per maand. Waar praten we over! Strikt genomen is in dit debat de koopkrachtgarantie voor de minima niet eens aan de orde, want de koopkracht over 1980 kan immers ook nog over een paar maanden worden beoordeeld. Helemaal buiten de orde is natuurlijk de onzekerheid, die door uitspraken van de Minister-President voor volgende jaren is gezaaid. Dat zijn toch alleen maar schoten voor de boeg of praatjes voor de vaak. Of zal toch de gehele Kamer inzien, dat er in dit debat heel wat op het spel staat? Belangen van miljoenen mensen en politieke betrouwbaarheid bij voorbeeld. Is het wijzigen van een wet, zoals door de Regering wordt beoogd, toch al iets om uitvoerig bij stil te staan in verband met de onzekerheid die het aanvaarden ervan zou oproepen, tegen de achtergrond van de koopkrachtdiscussie en de laatste politieke uitspraken over de sociale minima is dit debat beslissend voor de vraag of de politiek aan de miljoenen mensen met het mini-mumloon of een uitkering zekerheid kan bieden. Ik acht het onaanvaardbaar dat dit debat in formaliteiten zou stranden en geen antwoord zou geven op de hoofdvragen: wordt de bestaande aanpassingsmethodiek voor minimumloon en sociale uitkeringen voortgezet en blijven de laagste uitkeringen gekoppeld aan het netto minimumloon. Ik zal op deze punten straks een uitspraak van de Kamer vragen.

Het wetsontwerp volgend, stel ik vast dat de argumentatie van de Regering uitsluitend is de onevenwichtigheid in ontwikkeling op enig moment tussen enerzijds de lonen en anderzijds de minima en sociale uitkeringen. Deze onevenwichtigheid bestaat erin, dat op bij voorbeeld 1 juli geheel verschillende percentages of bedragen worden toegepast op deze beide categorieŽn. Dat vloeit echter zo evident voort uit de systematiek van het volgen van de loonontwikkeling -die is per definitie eerst na enige maanden vast te stellen -dat wijziging daarin aanbrengen altijd in het nadeel is van de mensen met een minimumloon of een sociale uitkering en alleen is te corrigeren met aanvullend belastingbeleid. Het lijkt namelijk niet erg waarschijnlijk dat de Regering de lonen iets zal opduwen ten einde de ontwikkeling daarvan meer in de pas te laten lopen met de uitkeringen. Dit zogenaamde na-ijlen moet voor lief worden genomen als ten minste de bedoeling van de aanpassingsmechanismen nog wordt gedeeld: het wettelijk zekerheid bieden, dat de sociale uitkeringen en het minimumloon de ontwikkeling van de lonen zullen volgen. Ik ga nu niet meer in op de verschillende technieken die daarbij kunnen worden gehanteerd en ik vergeet ook maar even, dat de Regering eind vorig jaar de techniek heeft gekozen met materieel de minste doorwerking. Ook de Regering beoogde wettelijke zekerheid te bieden. De Minister van Sociale Zaken heeft al eens doen blijken er trots op te zijn, de zaak van de koppelingen wettelijk te hebben geregeld; die trots zal zonder enige twijfel ook eigendom zijn van de Staatssecretaris. Welnu, voor die trots zou geen reden meer zijn als bij de eerste de beste toepassing van deze nieuwe wetgeving inbreuk zou worden gemaakt op de uit die wet voortvloeiende verhogingen. Wat betekent een zekerheid die in de wet vastligt nog als zij direct daarna kan worden teniet gedaan op grond van een overweging die bij het behandelen van de wet uitdrukkelijk is bezien en in haar gevolgen aanvaard. Na-ijlen alleen kan geen argument opleveren om in de wettelijke verhoging enige benedenwaartse correctie aan te brengen. Ook degenen die niet blind zijn voor de effecten van deze na-ijling, en tot hen reken ik mijzelf, behoeven niet noodzakelijk door de pomp te gaan als zo'n effect zich voordoet. De correctie die de Regering voorstelt aan te brengen wordt per 1 januari weer te niet gedaan. Het is dus voor een half jaar, dat deze gerechtigden iets af zouden moeten staan. Zij moeten echter wel zes maanden een deel van de hen toekomende verhoging afstaan, terwijl het hier een groep betreft, die nu juist in het geheel niťt in aanmerking komt om iets af te staan, ook niet als het 'slechts' om een tientje per maand gaat. Rechten zijn rechten, en aan gesjoemel daarmee kan de PvdA-fractie niet meedoen. Mocht in de toekomst nadere studie nog eens stuiten op een systeem, dat minder nadelige gevolgen heeft, zonder de uitkeringsgerechtigden tekort te doen, dan zullen wij dat graag bezien. Op voorhand sluit ik echter al uit, dat een bijstelling zou kunnen leiden tot het per saldo minder uitkeren dan de wet op grond van het aanpassingsmechanisme voorschrijft. Zo hebben wij bij de schriftelijke voorbereiding gevraagd of het bedrag dat in 1980 te weinig zou worden ontvangen dan in 1981 zou worden bijbetaald. Nee, zegt de Regering, dat is niet de bedoeling. Welnu, dat versterkt ůnze bedoeling te voorkomen, dat dit wetsontwerp wordt aangenomen. Uiteraard zijn wij niet blind voor het koopkrachteffect van de belastingverlaging per 1 juli, ook voor de minima. Niet vergeten mag worden, dat desondanks de koopkracht van de minima wordt aangetast en toepassing van het voorliggende wetsontwerp versterkt dat nog. Wij achten de extreme omstandigheden, waaronder een wet niet de wet kan zijn nu niet aanwezig. Wij menen dat de wettelijke verhoging onverkort moet worden toegepast. Ik kom aan het tweede aspect dat in dit kader aan de orde moet komen: de koopkrachtontwikkeling en de koopkrachtgaranties voor 1980. Vanuit de eigen alternatieve plannen heeft de PvdA-fractie vorige week geprobeerd via de belastingwetgeving de koopkrachtdoelstelling die wij voor 1980 wensen te hanteren, namelijk tot modaal, vorm te geven. Dat moest via een extra belastingverlaging per 1 oktober, omdat het technisch niet meer mogelijk was per 1 juli nog een extra maatregel te treffen. Onze voorstellen zijn afgewezen door Regering en kamermeerderheid. Minister van der Stee heeft bij die gelegenheid ook op duidelijke wijze medegedeeld dat voor 1980 geen echte zekerheid aan de minima kan worden gegeven, dat de koopkdracht zal worden gehandhaafd. Minister Albeda had tevoren die opening klein gehouden door alleen te verklaren, dat in het verleden nimmer een absolute garantie was gegeven. Minister Van der Stee

heeft de schuur wagenwijd opengezet: een hogere prijsstijging dan was verwacht, namelijk in elk geval 0,5 tot 0,75% hoger, en geen zekerheid dat die ontwikkeling niet ook voor de sociale minima kan leiden tot aantasting van de koopkracht. In het belastingdebat vorige week is van Regeringszijde betoogd dat op een later tijdstip nog kan worden vastgesteld of de koopkracht wel of niet is gehandhaafd over het jaar 1980. Dit jaar is nog niet halverwege, en strikt genomen kan natuurlijk nog per 1 oktober iets gebeuren dat voldoende effect op jaarbasis heeft om over het jaar tot koopkrachtzekerheid te leiden. Een operatie als nu voorgesteld is echter onzinnig als we zeker weten dat er rond dat tijdstip -later dan nu -iets moet gebeuren. Waarom nu 0,9% rechtens toekomende verhoging van de sociale uitkeringen en het mini-mumloon aftrekken, en overwegen om per 1 oktober iets te doen in de sfeer van de belastingen of anderszins om de koopkracht weer te handhaven? Om die redenering te volgen moet al vertrouwen aanwezig zijn dat de Regering bereid zal zijn verwachtingen die dan nu weer worden gewekt, of die door de CDA-fractie worden gewekt en door de Regering niet echt worden bestreden, ook inderdaad waar te maken. Dat vertrouwen is aan het wankelen gebracht, ook bij hen die dit kabinet enige goodwill hebben gegeven. De soorten uitleg die vorige week door de Minister van FinanciŽn maar ook eerder door Minister Albeda zijn gegeven aan eerdere toezeggingen over de koopkracht van de minima, maken het allemaal erg ongeloofwaardig, om het heel zachtjes uitte drukken. Om heel duidelijk te zeggen wat ik voel en bedoel: Ik denk dat de Regering dit debat weer wil overleven zonder claims en zonder zekerheden voor de mensen met uitkeringen, en over een paar maanden wil zien hoe er dan weer uit te komen. Dat vertrouwen kan niet in dit parlement bestaan na hetgeen er is gezegd en verklaard van regeringszijde. Er mag geen blanco volmacht worden gegeven om de problematiek maar door te schuiven naar september, eenvoudig omdat de mensen recht hebben op zekerheid en de Regering het recht op zoveel vertrouwen heeft verspeeld. Er moet dus nu zekerheid komen dat de minima in 1980 niet in koopkracht zullen achteruitgaan. Om die reden zou dit wetsontwerp moeten worden ingetrokken. De uitschuifoperatie met 0,9% maakt het, gelet op de prijsverwachtingen die door de Regering zijn uitgesproken, wel heel onwaarschijnlijk dat de koopkracht gehandhaafd blijft zonder aanvullende maatregel. Het CNV heeft uigerekend, dat een prijsstijging van 7,5% moet worden verwacht. Dit leidt tot 1% daling van het minimumloon, namelijkf 15 per maand; 1,4% voor de minima, f 22 per maand en 2% voor de modale inkomens: f 36 per maand. Die veronderstelling ter zake van de prijsstijging van het CNV is hoog, te hoog naar ik hoop. Maar 0,75% boven de raming lijkt zeker, zeker na de uitspraken van de Minister van FinanciŽn. Er is dan wel sprake van een effect van f 12 per maand over het gehele jaar. Als geen korting van 0,9% plaatsvindt per 1 juli, zoals nu door het kabinet wordt voorgesteld, dan heeft dit een positief effect van 6 maal f 9 is: f 54. Bij de door de Ministervan FinanciŽn gehanteer-de veronderstelling ontstaat voor 1980 voor de minima een tekort van rond f 88 ofwel 0,4 tot 0,5% van het mini-mumloon. Daarom moet deze ingreep achterwege blijven. Ik vind dat een betere garantie of welk woord men ook zou willen gebruiken, dan enige nieuwe verklaring van de kant van de Regering of regeringspartijen dat men toch echt de zaak te zijner tijd opnieuw zal willen bezien. Dit wetsontwerp in-trekken of wegstemmen biedt een redelijke, geen absolute zekerheid dat in combinatie met de belastingverlaging van 1 juli in elk geval de minima in koopkracht gelijk zullen blijven. Dit wetsontwerp steunen en weer een vage toezegging doen voor de nabije toekomst is niet meer geloofwaardig, en moet begrepen worden als een signaal dat die koopkrachtzekerheid voor dit jaar niet meer kan worden gegeven. De heer Van Houwelingen heeft op de laatste partijraad van zijn partij belangwekkende dingen gezegd. Hij heeft uitgesloten dat de Regering voorbij zou kunnen gaan aan de belofte van de CDA-fractie over handhaving van de koopkracht voor mensen met een minimuminkomen. Belangwekkende uitspraken zijn er echter van CDA-zijde op dit punt mťťr gedaan zonder dat op dit moment zekerheid bestaat over wat zij waard zijn. Die onzekerheid is opgeroepen door het kabinet en alleen door herkenbaar steungedrag kan de CDA-fractie de verwachtingen en beloften waar maken. Mijnheer de Voorzitter! Ik heb de eer een motie in te dienen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Van der Doef, Nypels en Beckers-de Bruijn wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende , dat onzekerheid bestaat of de koopkracht van de sociale minima en van de mensen met het minimumloon in 1980 zal worden gehandhaafd; voorts overwegende, dat de prijsontwikkeling een opwaartse lijn vertoont en de bestaanszekerheid van de laagstbetaalden het meest bedreigt; overwegende, dat ook het achterwege laten van de correctie op het mini-mumloon en sociale uitkeringen krachtens dit wetsontwerp nog geen zekerheid biedt ten aanzien van de koopkrachthandhaving; spreekt als haar oordeel uit, dat ten minste de koopkracht van mensen met het minimumloon en de sociale mini-ma in 1980 gehandhaafd dient te blijven; nodigt de Regering uit, tijdig met daartoe strekkende maatregelen te komen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 6(16212).

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu aan het toegevoegde hoofdstuk in dit debat, namelijk de uitspraken over koopkracht en sociale uitkeringen in 1981 en later. In het bijzonderde Minister-President komt de eer toe duidelijk te zijn geweest en te hebben bijgedragen aan inzicht in de keuzen die in de Nederlandse politiek aan de orde zijn en hoe daarin door hem wordt gekozen. Als ik het goed begrepen heb, want de heer Van Agt spreekt bij voorkeur daar, waar het parlement niet direct getuige is en kan reageren, vindt de Minister-President dat wij in Nederland van de koppelingsmechanismen alleen maar last hebben gehad en daar vanaf moeten. Dus: voortaan de sociale uitkeringen niťt meer koppelen aan de ontwikkeling van de lonen; voortaan de laagste sociale uitkeringen niet meer koppelen aan het netto mini-mumloon; dat is de bedoeling. Dat loslaten zou, ik citeer De Volkskrant van 7 juni ' een geweldige verlichting zijn', aldus de heer Van Agt. De NRC van

diezelfde dag sprak over 'een vlaag van verstandsverbijstering' bij de Regering, en toen ging het nog alleen over de koopkracht van de sociale minima terwijl beleid met betrekking tot de ambtelijke topinkomens uitblijft. Welke kwalificatie past dan niet bij de uitspraken van de Minister-President over de sociale uitkeringen in de komende jaren? De reactie van Minister Albeda toont het aan, zijn uitspraken na de provocatie van de heer Van Agt liegen er niet om. De heer Van Agt was eenzijdig, ongenuanceerd, had de zaak van de sociale uitkeringen niet evenwichtig benaderd, en als we het moeten geloven ligt in die reactie van de Minister van Sociale Zaken een ernstige dreiging besloten. Wat nu precies de opvatting van de Minister van Sociale Zaken is moet in dit debat blijken, en ik neem aan dat de heer Albeda bereid is het voor woensdag voorziene overleg met de Minister-President zo nodig te vervroegen zodat de Kamer ook kan vernemen tot welke conclusies de heren gezamenlijk zijn gekomen. Leden van dit kabinet tuimelend over straat is vanuit historisch oogpunt uiteraard aardig om te registreren, maar ik heb toch maar ttever uitspraken namens het kabinet hier in de Kamer. Ik hoop wel dat de Minister van Sociale Zaken zich dan niet zal aansluiten bij zijn Staatssecretaris, die namelijk vond dat de Minister-President met zijn uitspraken vooral 'te vroeg' was geweest. Die uitspraken waren niet te vroeg, mijnheer de Voorzitter, de opvattingen onder die uitspra ken deugden gewoon niet. En als politici die opvattingen hebben, kunnen zij die nooit vroeg genoeg uitspreken. De Kamer moet in dit debat van de zijde van de Regering uitspraken verwachten, die een einde maken aan onzekerheid, die in elk geval moeten logenstraffen wat vorige week door de Minister-President is gezegd. Daarmee kan echter niet worden volstaan. De Kamer heeft een geheel eigen verantwoordelijkheid, en juist omdat op zulke fundamentele zaken als de sociale zekerheid in de komende jaren uiterst omstreden maar politiek zeer relevante opmerkingen door de Minister-President zijn gemaakt, moet de Kamer met een eigen opvatting komen. Er kan geen twijfel aan bestaan dat enkele uitgangspunten voor beleid met betrekking tot de sociale uitkeringen recht overeind staan en zullen blijven staan. Dat is de zekerheid dat de ontwikkeling van de hoogte van sociale uitkeringen gekoppeld blijft aan die van de lonen, en vervolgens dat de so-

ciale minimumuitkeringen netto niet lager zullen zijn dan het netto mini-mumloon. Dat zijn twee grondslagen die ook in combinatie nog niets zeggen over de koopkracht. De koopkrachtontwikkeling van de minima en van de mensen met sociale uitkeringen zal bij het handhaven van die koppelingen afhankelijk blijven van enerzijds de ontwikkeling van de lonen en anderzijds het specifieke beleid dat de overheid voert met betrekking tot de koopkracht van bepaalde groepen via belasting-en/of premiebeleid. Als die twee grondslagen niet overeind blijven, en de Minister-President heeft deze beide onderuit gehaald, dan is de koopkrachtzekerheid van de laagstbetaalden in Nederland, van werkenden Ťn mensen met een sociale uitkering geheel van de baan. Het loslaten van deze twee grondslagen biedt combinatie nog niets zeggen over de heer Van Agt. Ik zou zeggen: het loslaten van die twee grondslagen maakt van de sociale uitkeringen en laagstbetaalden de groep op wie de lasten van een falend beleid kunnen worden afgewenteld. Het zal een rechtse Regering het alibi verschaffen geen inkomensbeleid te voeren, de topinkomens te ontzien, overheidsuitgaven die wel omlaag kunnen toch te handhaven en door te gaan met een falend werkgelegenheidsbeleid. Als immers de sociale uitkeringen en de minima gevonden zijn als groep die het meest kan bijdragen, dan behoeft geen werkgelegenheidsbeleid te worden ontwikkeld dat ook een beroep doet op de looninkomens en dat vraagt om te kiezen onder voorwaarden dat er inderdaad werk zal komen. Een geweldige verlichting, zegt de heer Van Agt. Ik kan het me voorstellen. Die vreugde zal hem echter niet zijn gegund, want de fractie van de PvdA zal de Kamer uitnodigen zich nu uit te spreken over de grondslagen van de sociale zekerheid die door de Minister-President ter discussie zijn gesteld. Het is een politieke keuze. Kiezen voor het handhaven van voorrang voor de sociale minima; kiezen ook voor zekerheid hoe sociale uitkeringen zich zullen ontwikkelen, houdt in dat gekozen wordt voor een ander beleid ter zake van de hogere inkomens en van de aanpak van de werkloosheidsproblemen. Het houdt bij voorbeeld ook in dat gekozen wordt voor een volumebeleid, en eindelijk maatregelen worden genomen om de toestroom naar de sociale verzekering, met name de Ziektewet en de WAO, te stoppen zonder de rechten van verzekerden aan te tasten.

De inhoud van de motie, die ik, mijnheer de Voorzitter, nu aanbied, raakt de bodem onder het stelsel van sociale verzekeringswetten die wij kennen en beoogt deze bodem weer te herstellen, nu deze door de Regering ernstig is aangetast.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Van der Doef, Nypels en Beckers-de Bruijn wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, de onzekerheid die is ontstaan door de uitspraken van de Minister-President over de grondslagen van de sociale zekerheid;

van oordeel, dat de ontwikkeling van het niveau van de sociale uitkeringen gebaseerd zal blijven op de volgende uitgangspunten: a. de sociale uitkeringen volgen de ontwikkeling van de lonen; b. het sociaal minimum is netto gelijk aan het netto minimumloon; verzoekt de Regering, het beleid voor 1981 op deze uitgangspunten te baseren, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 7 (16212).

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De terugval tot nul van onze economische groei vraagt extra matiging op alle fronten. Vorige week kwam de extra ombuiging van f 3 mld. met betrekking tot de Rijksbegroting reeds aan de orde. Hierbij gaat het om een tijdelijke bijstelling in neerwaartse zin van het minimumloon en de sociale uitkeringen. Daarvoor geldt terecht -in tegenstelling tot bijstelling in opwaartse zin door voorindexering -de zware procedure van een wettelijke voorziening. Al kort na het van kracht van de Wet aanpassingsmechanismen op 1 januari jl. blijkt zo'n neerwaartse bijstelling noodzakelijk. Als wij een blik op de verdelingsproblemen van 1981 werpen zou dit de voorbode kunnen zijn van meer permanente bijstellingen, indien een ex-tra matiging op andere fronten niet langer bereikbaar blijkt. Bij zulke in-eengeperste inkomensverhoudingen als wij in dit land kennen (96 van de 100 inkomenstrekkers zitten binnen een netto-inkomensverhouding van 1

op 2,3) mag de solidariteit van de actieven niet zodanig zwaar op de proef gesteld worden dat die geen stand meer houdt. Dan gaan wij van kwaad tot erger, en ontstaat er een openlijke breuk tussen actieven en niet-actieven. Voorwaar, geen aanlokkelijk vooruitzicht in een samenleving die nu reeds op de 10 actieve inkomenstrekkers 6 niet actieve uitkeringsgerechtigden telt. De 'wetenschappelijke probleemstelling' van de premier jongstleden vrijdag heeft nogal wat verontwaardigde reacties losgewoeld. Daarmee is zijn probleemstelling nog niet onjuist: ook volgend jaar valt er niets meer te verdelen; integendeel, bij een volumegroei van het aantal uitkeringsgerechtigden met 2'/2% en een economische groei van 1 % wordt het beslag op het nationale inkomen van de niet-actieven automatisch groter. Hier wreekt zich het gebrek aan volumebeleid met betrekking tot de terugdringing van het aantal uitkeringsgerechtigden. Daar heeft met name de VVD-fractie al vanaf de vorige kabinetsperiode bij voortduring op gehamerd, steeds vergezeld van concrete voorstellen. Waar blijft de maatregel tot verplichte opname (met sancties), tot 5% door overheid en bedrijfsleven van mindervaliden? Ik verwijs naar de daartoe strekkende en aangenomen motie-De Korte op stuk nr. 12 bij wetsontwerp 15650)? Waar blijft de maatregel tot het schrappen van de vermaledijde artikelen 21 van de WAO en 12 van de AAW, de zogenaamde verdiscontering van de werkloosheid in de mate van arbeidsongeschiktheid? Waar blijft de maatregel tot afschaffing van de restcapaciteit op meer medisch-arbeidskundige dan op andere gronden? Dit jaar vloeien per saldo weer zo'n 50.000 mensen naar WAO en AAW. Waar blijft de onzes inziens enige effectieve maatregel tot de bestrijding van het uitzonderlijk hoge ziekteverzuim -zo'n 400.000 mensen melden zich dagelijks ziek -namelijk: ťťn onbetaalde, echte wachtdag -uitgezonderd natuurlijk voor chronisch en langdurig zieken -voor iedereen? Dat dwingt immers tot een afweging tussen verzuimnoodzaak en financiŽle verzuimlast. In alle omringende landen kent men dat. Het levert bovendien -maar dit is niet de eerste doelstelling -nog een ombuiging van 400 miljoen op. Als we het volume van het vermijdbaar verzuim door ziekte en arbeidsongeschiktheid niet snel en effectief terugdringen, dan wordt een ontkoppeling van de sociale uitkeringen resp. een koppeling op afstand inderdaad onvermijdelijk. De waarheid met betrekking tot de te verdelen ruimte is bikkelhard. Het spreekwoord zegt: 'het is kiezen of delen.'. We zijn inmiddels uitgedeeld. Het komt nu aan op kiezen. Ik citeer het hoofdartikel (Poen I en II) van de NRC van jongstleden zaterdag: 'Van Agt liet gisteren weinig reden over voor hoop op sociaal-economisch herstel volgend jaar. De oplossing is nog bemoeilijkt door het uitstel van fundamentele keuzes in het verleden. Het kabinet staat nu echt voor het blok. Echte keuzes zijn tenslotte onvermijdelijk geworden. Keuzes die betrekking hebben op de verdeling van de welvaart en die de solidariteit van de actieven ten opzichte van de niet-actieven raken.'. De bewindslieden, die de sleutel tot het kiezen in belangrijke mate vasthouden, zitten tegenover ons. Wordt het een krachtig volumebeleid, ontkoppeling van de uitkeringen, extra matiging van de particuliere in-komens of van dit alles wat? De hoofdlijn van het kabinetsbeleid is de Besteklijn. Daarmee geeft het kabinet gestalte aan zijn eerste prioriteit, namelijk de samenhangende bestrijding van werkloosheid en inflatie. In het kader van de verdelingsproblematiek voor 1981 dient die lijn geÔntensiveerd te worden. Dat heeft tot consequentie dat 2h van de ombuigingstaakstelling in de sfeer van de sociale zekerheid -volume en niveau -, de overheidssalarissen en de gezondheidszorg zal moeten liggen en V3 in de sfeer van de rijksbegroting, exclusief salarissen. Mijn collega Joekes wees daar vorige week bij het ombuigingsdebat reeds op. Voor de VVD-fractie is de Besteklijn een belangrijke ijklijn bij de oplossing van het zeer pijnlijke verdelingsvraagstuk voor 1981. Ik wil voorts iets zeggen over de koopkracht en prijsindex. Dit wetsontwerp vormt een onlosmakelijk onderdeel van de kabinetsvoornemens om een loonsomstijging te realiseren in 1980 van 6 a 6,5 procent in plaats van 7,5 a 8 procent zoals voorzien in de MEV 1980. Dit wetsontwerp is nl. onlosmakelijk met de getroffen loonmaatregel verbonden. Belangrijke uitgangspunten van het matigingsbeleid, dat de loonmaatregel en dit wetsontwerp met betrekking tot de uitkeringen tot gevolg had, zijn: een paralelie inkomensontwikkeling van actieven en niet-actieven en koopkrachthandhaving van de minima. Ook de VVD-fractie hecht veel waarde aan deze uitgangspunten. Ze zijn een uitwerking van de filosofie dat bij de noodzakelijke matiging het sterkste gematigd wordt door degenen met de sterkste schouders. Of beter: door degenen met de minst zwakke schouders, want die zogenaamde sterke schouders beginnen steeds meer ontveld te raken. De VVD-fractie wil de koopkracht van de minima handhaven zo dit maar enigszins in het licht van de stagneren-de economische groei mogelijk is. Tot het onmogelijke kan natuurlijk nie-

mand gehouden worden. Ook de Regering niet. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat met de per 1 januari 1980 getroffen en voor 1 juli 1980 voorziene maatregelen de koopkracht niet gehandhaafd zou worden. Voor de mini-mumloners (zonder kinderen) is de ontwikkeling van het reŽel beschikbaar inkomen: + 0,8 procent voor mini-mumloners (met kinderen): + 0,3 procent, en voor de sociale minima: + 0,3 procent. Of die cijfers standhouden zal afhangen van de verdere prijsontwikkeling. We zijn met het kabinet van mening dat op dit moment een bijstelling van de raming van de prijsontwikkeling voor 1980 nog niet opportuun is. De invloeden van de energieprijzen, de seizoensinvloeden en de loonmatiging met name laten zich nog niet met zekerheid voorspellen. Ik vraag me zelfs af of de Minister van FinanciŽn vorige week donderdag niet wat voorbarig was (of hebben hij en premier Van Agt andere informatie?) door zelf wel met een hogere prijsstijging van een half tot driekwart procent rekening te houden. Hoezeer hebben we ons vorig jaar overigens niet op het inflatietempo verkeken. Een te hoge inschatting van dat tempo was toen aanleiding om voortijdig per 1 oktober 1979 een vůůr-indexering weg te geven van 1% ter handhaving van de koopkracht in 1979. Mijn fractie was de enige die dat toen een voortijdig verzoek vond. Wij kregen achteraf gelijk. De koopkrachtontwikkeling in 1979 (excl. de vůůrindexering) bleek uiteindelijk: + 0,9% voor het minimumloon en + 0,5% voor de minima. De koopkracht werd ruim gehandhaafd. Een ezel stoot zich eenmaal aan dezelfde steen. Moeten wij dat nu tweemaal doen? Bemoedigend is in dit verband dat het teleurstellende prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie van 1,1 % van half maart tot half april is gevolgd door het veel gematigder cijfer van 0,2% van half april tot half mei. Maar mocht het in de nazomer of het najaar toch fout gaan met meer den enkele tienden van procenten wat betreft de koopkracht van de minima, dan vindt de VVD-fractie dat het kabinet iets ter compensatie zal moeten doen, bij voorbeeld door vůůrindexering. Door de politiek gewekte verwachtingen maken schuld! Maar uitdrukkelijk alleen voor 1980 als onderdeel van de loonmaatregel. De heer De Vries zal straks een motie in die zin indienen. Dit wetsontwerp beoogt een uitschuif van een deel van de verhoging van het minimumloon en de uitkeringen van 2,9% (conform de maatgeven-de regelingsloonindex tussen 31 oktober 1979 en 30 april 1980) per 1 juli a.s. De uitschuifoperatie beperkt de feitelijke verhoging van het minimumloon en sociale minima tot 2% off 36,40 per maand. Datzelfde vaste bedrag geldt ook voorde bovenminima. Het restant komt per 1 januari 1981 tot uitkering. Wat dus in het vat zit verzuurt niet. Dit vaste bedrag is overigens reeds f 10 per maand hoger dan het vaste bedrag van f 26 voor de werknemers boven het minimumloon als gevolg van de loonmaatregel. Tegen degenen die deze uitschuifoperatie nu reeds ongedaan willen maken met een beroep op de aldus zeker te stellen koopkrachthandhaving zeggen we het volgende. Ik spreek nu met name tegen de heer Van der Doef. Zou de volledige verhoging van ca. f 55 in plaats van de nu voorgestelde f 36,40 worden uitgekeerd dan wordt de discrepantie met het vaste bedrag van f 26 voor iedereen in de werknemerssfeer nog groter. Dat zou met name wringing geven met de lonen net boven het minimum. De loonmaatregel zou nog sterker onder druk worden gezet. De loontechnische dienst mag dan een hausse in overtredingen constateren terwijl het Ministerie van Sociale Zaken een lawine van dispensatieaanvragen te verwerken krijgt. De minima zouden vervolgens per 1 januari 1981 flink achterblijven bij de contractlonen begin 1981, hetgeen allerlei problemen gaat geven. De doelstelling om waar mogelijk de koopkracht van de minima te realiseren wordt dan in ieder geval onhaalbaar in 1981.

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Kan de heer De Korte aangeven wat er in zijn opsomming nieuw is ten opzichte van datgene wat bekend was verleden jaar toen hier besluiten over die aanpassingsmechanismen werden genomen? Hij beweert nu dingen die zo voorspelbaar waren toen heel wezenlijk gekozen werd door het vastleggen in de wet voor een systematiek die altijd na-ijlingseffecten met zich brengt. Het is wel prettig voor de Kamer dat de heer De Korte nu eens precies voorrekent hoeveel gulden dat nu is, maar ik vraag mij af, wat hij nu toevoegt aan kennis die wij niet allang hebben. Is niet vanaf het begin het effect van dit soort wetgeving geweest dat er na-ijling kan ontstaan en dus enige discre pantie op momenten?

De heer De Korte (VVD): Ja en ik merk -ik spreek in dit geval met name uw fractie toe -dat u voorbij gaat aan dit soort wringingsverschijnselen dat zich kan voordoen en waar wij -ik heb het debat nog eens nagelezen -toen eigenlijk nauwelijks op zijn ingegaan. Dat kon toen ook niet, omdat wij toen nog niet over de loonmaatregel als zodanig spraken bij de Wet op de aanpassingsmechanismen. Trouwens er is al eens eerder zo'n uitschuifoperatie geweest.

De heer Van der Doef (PvdA): lnderdaad, in 1976 en u zult zich ongetwijfeld het stemgedrag van de verschillende fracties daarbij herinneren.

De heer De Korte (VVD): Jawel. Mijn opsomming is dan ook zeker niet overbodig, want u hebt zelfs al een motie ingediend om niet uit te schuiven. Ik probeer duidelijk te maken dat de Regering juist wel hele goede redenen heeft om die uitschuifoperatie voor te stellen. Als bepaalde maatregelen tot koopkrachthandhaving uiteindelijk toch moeten worden genomen -u zult dat uit mijn verhaal naar ik hoop wel begrepen hebben -dan praten wij daar later met de Regering zeer nadrukkelijk over, maar niet nu.

De heer Van der Doef (PvdA): U verwaarloost naar mijn idee volstrekt, dat de minimale zekerheid die in de wet voor een paar miljoen mensen ligt, door u wordt ondermijnd als u bij de eerste gelegenheid waarop die aanpassingen op grond van die wet van toepassing zijn, zegt 'de effecten ervan komen mij nu toch wel heel erg slecht uit in het licht van de toepassing van de loonmaatregel en dus ga ik de wet nu maar niet uitvoeren', alsof de mensen die loonmaatregel hebben bedacht.

De heer De Korte (VVD): Wetten zijn buitengewoon belangrijk in onze rechtsstaat. Maar ze moeten ons niet zo de wet voorschrijven dat als er een stagnerende economische situatie is die iets anders van ons vraagt, nl. soepelheid, wij niet tijdelijk een bijstelling zouden kunnen plegen.

De heer Van der Doef (PvdA): Ik heb al begrepen dat u aardig gaat in de richting van hetgeen de Minister-President heeft gezegd. Die wet heeft in dat licht bezien dan geen enkele betekenis meer en dan moet u ook maar gewoon zeggen dat u bij nader inzien voor dit soort mechanismen niets voelt. Dat is wel betreurenswaardig, maar toch zeer helder.

De heer De Korte (VVD): Neen, want wij hebben zeer uitdrukkelijk onze medewerking aan de Wet op de aanpassingsmechanismen gegeven.

De heer Van der Doef (PvdA): Als dat in de praktijk bij de toepassing niets voorstelt, wat hebben wij dan aan die wet?

De heer De Korte (VVD): Diezelfde wet geeft de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur om voorindexering toe te passen en ook de mogelijkheid om bij aparte wet een tijdelijke verandering in neerwaartse zin aan te brengen. Dat ligt in die wet besloten. Waarom zouden wij ons daarop dan niet bezinnen als de omstandigheden er om vragen?

De heer Van der Doef (PvdA): De wet voorziet daarin nu juist niet. Bij de behandeling ervan is door de Minister gezegd dat hij dat bewust niet in de wet heeft willen opnemen, zodat als hij desondanks wil afwijken, hij daarvoor een wetswijziging zou moeten indienen.

De heer De Korte (VVD): Dat is ook heel verstandig van de Minister dat hij dat heeft gezegd. Het is geen geringe operatie waar het om gaat. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen is het heel goed dat zo'n verandering, zo'n neerwaartse bijstelling, bij aparte wet moet gebeuren. Dat zult u toch wel met mij eens zijn?

De heer Van der Doef (PvdA): Daarom is het ook ontzettend goed dat die wet wordt afgestemd door de mensen die vinden dat zich zo'n extreme omstandigheid niet op dit moment voordoet.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik begrijp het gewoon niet, want de uitschuifoperatie is identiek aan die welke is opgenomen in de wet van 23 juni 1976. Toen was weliswaar de Wet op de aanpassingsmechanismen er nog niet, maar toen heeft er ook een herziening plaatsgevonden van het wettelijk minimumloon en enige sociale uitkeringen per 1 juli 1976 en 1 januari 1977. Die herziening hield verband met de laatste van de drie loonmaatregelen die onder het kabinet-Den Uyl werden genomen. Alleen kreeg toen iedereen hetzelfde bedrag. Nu krijgen de minimumloners en uitkeringstrekkers, zoals u weet, nog iets meer.

De heer Van der Doef (PvdA): De situatie in 1976 is interessant. Ik roep in herinnering dat wij toen in een andere economische situatie verkeerden. Het ging daarbij namelijk, ondanks die uitschuifoperatie, nog om een welvaartstijging voor de minima van 2,8%. Desondanks heeft de fractie van de Partij van de Arbeid toen dat wetsontwerp

De heer Van der Doef (PvdA) interrumpeert de heer De Korte (VVDI niet gesteund (en toen was de koopkracht bepaald niet in het geding) omdat wij het niet verantwoord vonden die categorie van mensen met de laagste inkomens en uitkeringen een extra bijdrage te laten geven aan wat toen werd gevraagd in het kader van de matiging. Dit is een volstrekt parallelle situatie, waarbij nu de koopkracht evident in gevaar is, terwijl dit in 1976 in het geheel niet het geval was.

De heer De Korte (VVD): In het halfjaar waarop dat toen betrekking had, ging de koopkracht zelfs dalen, weet u wel. Omdat de koopkracht over een geheel jaar wordt berekend, bleef zij toen toch op peil. Inderdaad, zo was dat toen. Wat wilde u daarmee zeggen?

De heer Van der Doef (PvdA): Daarmee wil ik alleen maar zeggen dat er nu nog mťťr reden is om buitengewoon aarzelend te staan tegenover een dergelijke wijziging van de wet. Toen is dat overwogen in een situatie waarin er wat meer te verdelen viel en toen de minima nog redelijk in weivaart stegen. Het argument dat de koopkracht werd aangetast, zelfs niet over het tweede halfjaar, kon toen niet worden aangevoerd. Desondanks heeft een zeer groot deel van de Kamer, ook leden van regeringsfracties, 'neen' gezegd tegen dat wetsontwerp. Het is toch niet onlogisch dat nu, mede ten gevolge van dit wetsontwerp, de koopkracht voor de minima waarschijnlijk niet wordt gehandhaafd?

Welke argumenten u ervoor ter tafel brengt, een dergelijke operatie moet men niet uitvoeren.

De heer De Korte (VVD): Wij verschillen van mening op het punt, dat de heer Van der Doef zijn conclusie reeds klaar heeft over de koopkracht, alsof het nu reeds 31 december 1980 is. Dat is het niet. Dat is het verschil. Verder bestaat er een volstrekt parallelle situatie met 1976. Ook in de eerste helft van dit jaar blijft de koopkracht gehandhaafd; daaraan twijfelt ook de heer Van der Doef niet. Dit is door het kabinet heel duidelijk cijfermatig onderbouwd. Wij spreken nu over de tweede helft van het jaar, waarin de koopkracht mogelijkerwijs zou kunnen verminderen. In 1976 hadden wij dezelfde situatie. In de eerste helft van het jaar zat het goed. In de tweede helft van het jaar zakte de koopkracht door de uitschuifoperatie. Dat was onder het kabinet-Den Uyl. Er is een volstrekte parallel. Alleen trekt de heer Van der Doef nu reeds de conclusie, dat het eindresultaat op 31 december 1980 wťl anders zal zijn. Maar dat kan hij niet weten. Hij is geen profeet.

De heer Van der Doef (PvdA): Wil de heer De Korte nu of in tweede termijn een poging doen mijn becijfering te weerleggen, die strikt is gebaseerd op de mededelingen van de Minister van FinanciŽn, verleden week in deze Kamer gedaan?

i

De heer De Korte (VVD): Daarover zal ik nog wel iets zeggen.

De heer Van der Doef (PvdA): U zult het daar nog moeilijk mee hebben!

De heer De Korte (VVD): In de vierde plaats zal, wanneer de volledige 55 gld. aan de minima worden uitgekeerd, dit bedrag met het oog op de parallellie met de bovenminima ook daarop van toepassing moeten zijn. Anders ontstaat wringing tussen de diverse uitkeringsniveaus. Tegelijkertijd zou dan weer scheeftrekking ontstaan tussen de bovenminimumlonen enerzijds en de bovenminimumuitkeringen anderzijds. Daarmee zou wťťr de loonmaatregel verder worden ondermijnd. In de vijfde plaats: een belastingverlichting van 12 gld. per maand die in het kader van de loonmatiging aan alle inkomensminima wordt gegeven, leidt er zelfs toe (zo blijkt uit de memorie van antwoord) dat deze groepen er per 1 juli meer op vooruit gaan dan wanneer zij uitsluitend de wettelijke verhoging van 2,9% hadden gekregen. Het netto voordeel voor de minimumloners blijkt 3 gld. en voor de sociale minima zelfs 9 gld. per maand. Ten slotte: het niet laten doorgaan van de uitschuiving leidt tot een verdere verslechtering van de positie, in 1980, van de sociale fondsen en de rijksbegroting. Als het niet nodig is, moeten wij dat zeker niet doen. Kortom, zonder deze uitschuifoperatie zou het welslagen van het gehele loonmatigingsbeleid -vooral het onderdeel loonmaatregel -groot gevaar lopen. Vervolgens zal ik wat zeggen over het tripartite overleg. De politiek dient zich uiteraard terughoudend op te stellen wanneer het om c.a.o.-onderhandelingen gaat. Die onderhandelingen zijn primair een zaak van het bedrijfsleven. In de huidige benarde economische situatie wordt de onbetaalde eindrekening van iedere te grote stap op het loonfront echter bij de overheid gedeponeerd. Over de nog niet geregelde prijscompensatie eind 1980/begin 1981 kan het kabinet nog geen uitspraak doen. Wij hebben daar best begrip voor. Er bestaat immers nog niet voldoende inzicht in de economische ontwikkeling in 1981. Verder beraadt het kabinet zich nog over de mogelijkheden van tripartite overleg over de arbeidsvoorwaarden in 1981, zo staat er in de memorie van antwoord. Er doet zich evenwel iets geheel nieuws voor: de particuliere sector heeft het voortouw genomen bij het invullen van de nog onbekende krappe economische ruimte voor 1981. Werk-nemers-en werkgeversonderhandelaars zijn de huid aan het verkopen vůůrdat de beer geschoten is! Ik doel hierbij speciaal op de onzes inziens dure afgesloten tweejarige ca.o.'s bij Philips, Hoogovens en Vredestein. Daarin is sprake van een -deels selectieve -initiŽle verhoging en van volledige automatische prijscompensatie zodra de loonmaatregel eindigt. Dergelijke akkoorden die ongetwijfeld een voorbeeldwerking krijgen, plaatsen de zwakkere bedrijven voor onoplosbare problemen. Uit het antwoord van de Minister op onze vragen valt af te leiden dat ook hij deze akkoorden te duur vindt: Als de ontwikkeling opnieuw blijkt tegen te vallen en daar zijn aanwijzingen voor, dan kunnen zelfs deze -op zich zelf niet excessieve -c.a.o.-resultaten nog te hoog zijn. De Minister heeft ergens in het land eens gezegd dat bij 1 % loonsverhoging de rijksbegroting met f 1 a f 1,5 miljard extra wordt belast. Dat was meer dan het bedrag dat de Minister van FinanciŽn verleden week noemde. Ik hoop dat wij dit keer een precies antwoord krijgen. Het betekent in ieder geval dat de ombuigingsproblematiek voor 1981 dito wordt verzwaard. Tripartite overleg hierover in de tweede helft van dit jaar -na het gereedkomen van de rijksbegroting -komt dan volstrekt als mosterd na de maaltijd. Een reeks nog duurdere principeakkoorden tussen werkgevers en werknemers -Shell, Unilever, AKZO en FME-ligt reeds ter tafel. De werknemers in die sectoren spreken van 'poenpakketten' en van 'rammelen met de geldbuidel'. De betrokken vakbonden kiezen met deze poenpakketten onzes inziens ronduit voor de belangen van de actieven, terwijl wij het toch hebben over de solidariteit tussen actieven en niet-actieven. De tijd dringt voor het kabinet! Informeel heeft de Minister verleden week maandag vanuit Emmeloord -dus dicht bij huis -de sociale partners opgeroepen tot een gesprek dat zijns inziens een nieuwe loonmaatregel kan voorkomen. Naar onze mening moet het kabinet nog vůůr het einde van deze week of aan het begin van de volgende week het overleg starten, want anders is het te laat. Dan dreigt een flop voor de werkgelegenheid en de inflatiebestrijding of dreigt een nieuwe looningreep. Graag hoor ik hierop een reactie van de bewindslieden. Tot de agendapunten van het te voeren overleg zouden onzes inziens in ieder geval moeten behoren de solidariteit tussen actieven en niet-actieven -dus gťťn poenpakketten -, de volledige automatische prijscompensatie, de aanpak van de grote knelpunten op de arbeidsmarkt en het stimuleren van deeltijdarbeid. Bij dat laatste denken wij in dit verband vooral aan afspraken tot het bevorderen van deeltijdarbeid voor werknemers in 'mannenbanen'. De werkloosheid is het meest schrijnend onder de kansarme groepen, zoals gehuwde vrouwen, schoolverlaters en mindervaliden. Heel wat oudere mannelijke werknemers willen graag korter werken. Deeltijdarbeid kan hierop inspelen, als die bewust wordt georganiseerd. Het is ook een belangrijk alternatief voor de veel te duur wordende VUT, door als geleidelijke overgang te dienen naar het pensioen. Werkgevers moeten meer aangezet worden tot splitsing van hun intern werkbestand naar deeltijdarbeid. Wat heeft de Minister inmiddels gedaan aan de uitvoering van de kamerbreed aanvaarde motie-De Korte (15800, XV, nr. 15) om deeltijdarbeid in de vorm van wisselweken te bevorderen bij banen in de industrie en de dienstverlening?

De Voorzitter: Weet de heer De Korte zeker dat deze punten allemaal binnen de orde zijn?

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Naar mijn mening hangt een en ander met elkaar samen.

De Voorzitter: Het lijkt mij, dat deze zaken eerder bij de ombuigingsnota aan de orde zijn. Het gaat nu echt alleen maar over ťťn wetsontwerp.

De heer De Korte (VVD): Door de problemen die zich hebben voorgedaan, de afgelopen weken, met name op het loonfront -ik spreek over de problemen op het loonfront -welke problemen weer samenhangen met de loonmaatregel, welke op zijn beurt weer samenhangt met de uitschuifoperatie, is er wel degelijk een duidelijk verband. Ik meen dat hetgeen ik zeg duidelijk binnen de orde is.

De Voorzitter: Dat staat altijd ter beoordeling aan de Voorzitter. Ik heb alleen maar gevraagd, wat u er zelf van vindt. Ik zal nog eens kritisch luisteren.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Het flankerend beleid omvat allerlei zaken waarmee wij het eens zijn. Er is echter veel meer nodig om de grote knelpunten op de arbeidsmarkt op te ruimen. Wat dit betreft, menen wij dat dit alles de medewerking van werknemers-en werkgeversorganisaties vraagt. De huidige im-

passť van drie standpunten (van de vakbeweging, de werkgevers en de overheid) is fnuikend voor een krachtige aanpak. Als eenderde van het huidige bestand van openstaande banen wordt gevuld door mensen die nu werkloos zijn, betekent dat een ombuiging van f 1 miljard. Wij hechten ook sterk aan het nog vůůr het reces te voeren overleg met de Minister over het arbeidsmarktbeleid. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog een enkele opmerking maken over de prijscompensatie, die wel degelijk heel sterk in verband staat met datgene, wat hier aan de orde is. De afgesloten en ter tafel liggende tweejaarsakkoorden houden allemaal een volledige prijscompensatie in, zodra de loonmaatregel eindigt. Het is een heilige koe bij de onderhandelingen. Schoning van de prijscompensatie van oneigenlijke elementen pleegt de gemoederen sterk te beroeren. Tot nu toe was de stellingname: als wij hieraan beginnen, is het eind zoek; halen wij de energie eruit, dan komt vervolgens de koffie. Toch vraagt de volledige prijscompensatie om een herbezinning, nu een langdurige periode van verslechtering van de ruilvoet is aangebroken. De ruilvoet verslechtert door twee oorzaken. In de eerste plaats door de sterk stijgende prijzen voor ingevoerde olie en grondstoffen, hetgeen het buitenland ons oplegt, en in de tweede plaats doordat wij bewust genoegen nemen met relatief lage exportprijzen, om zo het volume van ons geslonken exportaandeel weer op peil te brengen, want dit brengt weer extra werk in de winkel en betekent meer arbeidsplaatsen. De nadelen hiervan -van het feit, dat het ruilvoetverlies geheel ten laste van de marktsector komt -worden uiteindelijk door de bedrijfsrendementen gedragen, want de invoerprijzen stijgen en de consument moet meer betalen. Via de ongeschoonde prijscompensatie krijgen de loontrekkers dat weer volledig gecompenseerd. De bedrijven krijgen het echter niet gecompenseerd vanwege de relatief lagere prijzen voor hun export. Het ruilvoetverlies is voor hun rekening. Zo bijt het beleid -het bewust vergroten van het exportvolume en van de werkgelegenheid -zich zelf bij een volledige prijscompensatie in de staart, hetgeen het beleid op middellange termijn uitholt. Onzes inziens is de prijscompensatie in de ingegane, langdurige periode van verslechtering van de ruilvoet alleen maar te handhaven wanneer de schoning ervan voor het ruilvoetverlies bespreekbaar wordt gemaakt. Het zou goed zijn, dit tijdens het tripartite overleg aan de orde te stellen. Is de Minister hiertoe bereid? Mijnheer de Voorzitter! Ik wil ten slotte een prangende vraag stellen welke met de loonmaatregel samenhangt. Wij hebben begrepen, dat een honderdtal vakbondsleden bij de tapijtfabriek Heuga-Bonaparte, als uitvloeisel van het sociaal plan, f 750 per man extra krijgen. Heuga verkeert, zoals vele andere bedrijven in ons land, in moeilijkheden.

De Voorzitter: Dit is beslist buiten de orde. Ik verwacht ook niet, dat de Regering hierop en op vorige vragen antwoord geeft. Ik verzoek u, u verder tot het wetsontwerp te bepalen.

De heer De Korte (VVD): Dan zal ik mijn betoog afsluiten met alleen nog te vragen, of deze informatie juist is en of het extraatje voor alle vakbondsleden geldt, dus ook voor degenen die werken.

De Voorzitter: Ik heb al gezegd, dat u van de Regering geen antwoord hierop krijgt.

De heer De Korte (VVD): Ik hoop dat antwoord dan nog eens bij een andere gelegenheid te krijgen!

©

B. (Bert) de VriesDe heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Zoals ik al verwacht had lijkt de hamvraag van dit debat te worden, of de Regering handhaving van de koopkracht van de laagste gezinsinkomens nog steeds beschouwt als ťťn van de belangrijkste doelstellingen voor het beleid in 1980. Voor ik daar-van het mijne zeg, wil ik deze uitschuifoperatie plaatsen tegen een wat bredere achtergrond. Sinds de oliecrisis van 1973 bedraagt de economische groei in dit land gemiddeld niet meer dan 1,5%. Daarvan was een groot deel nodig om de enorme groei van het aantal uitkeringstrekkers op te vangen. Om met de rest uit te komen, moesten alle andere gegadigden zich sterk matigen. Uit het feit dat dit jaar voor de derde of vierde keer sedert 1973 een loonmaatregel werd getroffen blijkt dat die matigheid er niet steeds bij iedereen in voldoen-de mate was. Juist uit een oogpunt van werkgelegenheidsontwikkeling is dat ernstig te betreuren. Eindelijk is nu ook de PvdA blijkens haar nieuwe verkiezingsprogram tot het inzicht gekomen dat herstel van de werkgelegenheid grotendeels van de marktsector moet komen. Wij achten dat winst. Het zou uitzicht kunnen bieden op een bre-de concensus in dit huis over een strak matigingsbeleid dat substantieel bijdraagt tot versterking van de uiterst kwetsbare financiŽle positie van grote delen van ons bedrijfsleven. Ik vrees echter dat dat er niet van komt omdat de PvdA de zaken opnieuw vrolijker voorstelt dan ze zijn. Evenals in 1977 rekent ze zich rijk door uit te gaan van een onrealistisch hoog groeicijfer en door te anticiperen op inverdieneffekten die uiterst speculatief zijn. Op basis van dergelijke optimistische uitgangspunten is het niet zo moeilijk nog een redelijk koopkrachtplaatje voor inkomens tot f 50.000, in de komende jaren te presenteren. Kennelijk is de PvdA wat dit betreft nog niet veel verder dan het regeerakkoord, waarvan de huidige coalitie door de nood gedwongen allang is afgestapt.

De heer Van der Doef (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Spreekt de heer De Vries nu evenzeer namens zijn fractie als de heer De Boer, die zich vanmorgen voor de radio in zeer lovende bewoordingen over hetzelfde programma uitliet? Ik weet nu niet meer precies, wie ik uit de kring van de CDA-fractie moet geloven.

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik spreek hier niet over het gehele programma van de Partij van de Arbeid. Ik heb er een paar elementen uitgelicht maar ik heb nog geen gelegenheid gehad het programma uitvoerig te bestuderen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat er uiterst lovende dingen over te zeggen zijn. Wat dat betreft, zal de heer Van der Doef echter tot een volgende gelegenheid moeten wachten. Uit wat ik tot dusver gezegd heb, mijnheer de Voorzitter, kunt u opmaken dat ik me wat de matigingsnoodzaak voor de komende jaren betreft op het eerste gezicht nog wat meer verwant voel met de uitspraken die de Minister-President daar afgelopen vrijdag over heeft gedaan dan met het nieuwe verkiezingsprogram van de PvdA. In die uitspraken beluisterde ik in ieder geval een duidelijk besef dat we in de komende jaren nog sterker zullen moeten matigen dan in de afgelopen jaren. Dat komt mij zeer realistisch voor. Ik heb echter niet begrepen op welke basis de Minister-President tot deze uitspraken kwam. Beschikte hij soms over nieuwe ramingen? Zo ja, mag de Kamer die dan ook zien? Ik heb ook niet begrepen waarom de Minister-President de indruk wekte alsof de

bezuinigingen eenzijdig gezocht zouden moeten worden bij de sociale uitkeringen. De Regering heeft toch niet vorig jaar de Wet Aanpassingsmechanismen ingediend om er een jaar later weer een streep door te halen? Wij hebben van onze kant vorig najaar niet zonder trots gesteld dat de uitkeringstrekkers gerust konden zijn nu de koppelingsmechannismen in de wet zijn vastgelegd. Wij verwachten dan ook vandaag een duidelijke uitspraak van de Regering, dat er ook volgend jaar aan die mechanismen niet zal worden getornd. Als er al meer gematigd moet worden dan in de thans afgesloten ca.o.'s gebeurt, dan zijn er wel andere mogelijkheden om dat te realiseren dan door in te grijpen in de koppelingsmechanismen. Uiteraard neemt dit niet weg dat in de komende jaren alles zal moeten worden gedaan om een verdere groei van het aantal uitkeringstrekkers te beperken. Heel belangrijk achten wij in dat verband het wegnemen van knelpunten op de arbeidsmarkt. De notitie die de Regering daarover op korte termijn heeft toegezegd zien wij met grote belangstelling tegemoet. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot een aantal opmerkingen over de uitschuifoperatie als zodanig. Evenals de Regering zien wij deze operatie als een duidelijke consequentie van de loonmaatregel. Dat betekent tevens dat wij erkennen dat het bij de toepassing van de koppelingsmechanismen niet kan gaan om een blind automatisme. Onze fractie heeft daar ook nooit een geheim van gemaakt. Dat blijkt wel uit de uitspraken die wij hebben gedaan over de parallelliteit en de koopkrachthandhaving voorde mini-mumgezinsinkomens in 1980. Dat zijn zaken die niet automatisch onder alle omstandigheden door de wet worden verzekerd. Na-ijling kan soms resulteren in het doorbreken van de parallelliteit en de koppelingsmechanismen als zodanig leiden niet automatisch altijd tot koopkrachthandhaving. Zij garanderen slechts een vertraagd volgen van de ontwikkeling van de contractlonen. In heel bijzondere situaties kan het daarom wenselijk zijn af te wijken van de normale systematiek. Zo'n bijzondere situatie deed zich voor op 1 juli 1976 en doet zich nu opnieuw voor. In beide gevallen is de oorzaak gelegen in een forse verstoring van de parallelliteit als gevolg van een loonmaatregel. Voor alle werknemers, met uitzondering van de minimumloners, leidt de loonmaatregel tot een verhoging per 1 juli van bruto f 26. Zonder uitschuifoperatie zouden het mini-mumloon en de sociale uitkeringen worden verhoogd met 2,9%. Op het niveau van het minimumloon betekent dat al f 55. Het gevolg daarvan zou zijn dat een geweldige spanning onder in het loongebouw ontstaat, een spanning die door de Regering ook terecht wordt aangevoerd als een belangrijk argument voor de hele operatie. Om die reden ook hebben wij er begrip voor dat de verhoging van het minimumloon en de uitkeringen bruto niet teveel naar boven afwijkt van de f 26. De f 36,40 voldoet aan die voorwaarde. Het CDA vindt echter dat het gevolg van een dergelijke operatie niet mag zijn, dat de minima en de uitkeringen eraan tekort komen. Dat kon reeds duidelijk opgemaakt worden uit de vragen die wij in het verslag hebben gesteld. Wij zijn de Regering erkentelijk voor de uitvoerige wijze waarop zij in de nota naar aanleiding van het verslag op deze problematiek is ingegaan. Kort gezegd kwam onze vrees hierop neer: wij hadden er uit een oogpunt van parallelliteit begrip voor dat het verschil tussen de f 36,40 en de 2,9% op de lat werd geschreven en werd toegevoegd aan de verhoging van 1 januari a.s. Wij hadden er echter moeite mee als dit ertoe zou leiden dat men dit bedrag over de tweede helft van 1980 zou missen. Met name daarom wilden wij weten in welke mate dit nadeel gecompenseerd werd door de overige elementen uit het 1 julipakket. Wij dachten daarbij met name aan twee elementen n.l.: de belastingverlichting van f 12 per maand voor de laagstbetaalden en het uitstel van de afbouw van de toeslag van f 6 die volgens het tijdschema van de WAM op 1 juli had moeten plaatsvinden. Uit de antwoorden die wij van de Regering hebben ontvangen, blijkt dat beide elementen samen ertoe leiden dat het nettominimumloon en de laagste uitkeringen per 1 juli zelfs op een hoger niveau komen te liggen dan bij ongewijzigd beleid. De minima en de uitkeringstrekkers tot modaal hebben dus in het tweede halfjaar van 1980 geen nadeel, maar juist voordeel van de getroffen maatregelen. De oorzaak daarvan is niet moeilijk te achterhalen. De belastingmaatregel per 1 juli was uitdrukkelijk gericht op het ondersteunen van de koopkracht van die werknemers, van wie de prijscompensatie was beperkt tot f 26. Aangezien echter de prijscompensatie wel vertraagd doorwerkt in de koppelingsmechanismen maar de belastingverlichting niet, was het niet mogelijk de minima en de uitkeringstrekkers pas een halfjaar later te laten profiteren van de belastingverlichting. Materieel kon dat effect alleen worden bereikt door een deel van de verhoging die voortvloeide uit het koppelingsmechanisme, door te schuiven naar 1 januari. Wij vinden dat aanvaardbaar, maar fraai is het niet. Het is echter niette voorkomen zolang er geen goede oplossing is gevonden voor de na-ijlingsproblematiek. Het uitzicht dat de Regering in de nota naar aanleiding van het verslag biedt op de oplossing van deze na-ijlingsproblematiek was voor mij nog niet erg helder. Ik zou er in het antwoord van de Regering nog graag iets meer over horen. Voor ik dit onderdeel van mijn betoog afrond, heb ik nog een enkele opmerking over de samenhang tussen deze operatie en het totale inkomensbeleid. Als wij deze operatie bekijken in zijn samenhang met de loonmaatregel dan kunnen wij er ja tegen zeggen. Ook als we kijken naar de inkomensontwikkeling van vele zelfstandigen in de land-en tuinbouw en in het mid-den-en kleinbedrijf hebben we er geen moeite mee. Zelfs als ik kijk naar het beleid dat de Regering dit jaar voert ten aanzien van de vrije beroepen kom ik tot een positief oordeel. Dat beleid is bepaald voortvarend te noemen en het is dit jaar in vergelijking tot vorig jaar opnieuw duidelijk aangescherpt. Een afbouw van de positieve restposten in twee jaar kan gerust een rigoureuze maatregel worden genoemd. Moeilijker hebben wij het, zoals ook vorige week bij het debat over de Om-buigingsbrief reeds bleek, met de vorderingen bij het nemen van maatregelen ter beperking van de topsalarissen in de sfeer van de overheid. Mijn collega Van Rooijen zal daar in het verdere debat over de Ombuigingsbrief nog op terugkomen. Ik kan daarom volstaan met te zeggen dat wij het er niet bij zullen laten zitten.

De heer Van der Doef (PvdA): De heer Van Rooijen heeft de vorige week ook iets gezegd over de koopkracht van de mensen met een minimuminkomen. Hij heeft de Regering in overweging gegeven dit wetsontwerp geen doorgang te laten vinden. Die opmerkingen en de suggestie die daarvan uitging tellen niet meer?

De heer De Vries (CDA): Ik wilde juist over de koopkrachthandhaving gaan spreken, dat heeft de heer Van der Doef goed aangevoeld. De CDA-fractie hecht een zeer hoge prioriteit aan handhaving van de koopkracht van de

minimum gezinsinkomens in 1980. Wij hebben dat ťťn en andermaal en ook vorige week duidelijk gemaakt. Naar onze overtuiging werd die prioriteit gedeeld door de Regering. In de afgelopen dagen is echter twijfel ontstaan aan de vastberadenheid waarmee de Regering deze doelstelling nastreeft. Tijdens de interpellatie over de prijsstijging naar aanleiding van het prijsindexcijfer over april heeft de Minister van Sociale Zaken gesproken over het niet onder alle omstandigheden kunnen handhaven van de koopkracht. De Minister van FinanciŽn sprak de vorige week in termen van 'tot het onmogelijke is niemand gehouden'. Als twee bewindslieden dat zeggen kan het vermoeden ontstaan dat er sprake is van meer dan het intrappen van een open deur! Ik constateer dus in ieder geval dat de Regering zelf twijfel heeft doen ontstaan aan haar vastberadenheid om de koopkracht voor de minimum gezinsinkomenste handhaven. Het verwondert mij daarom ook niet dat er de afgelopen weken van verschillende kanten verhalen zijn verschenen die stellen dat er van handhaving van koopkracht in 1980 niets terecht komt. Wie twijfelt zaait mag erop rekenen zulke verhalen te oogsten! Dat zegt overigens nog niets over het waarheidsgehalte van de verhalen zelf. Eťn van die verhalen, nl. het artikel van de heer Bakker in Vrij Nederland, is in de nota naar aanleiding van het verslag door de Regering afdoende weerlegd. Blijft over de twijfel die samenhangt met de onzekerheid van de prijsraming waarop het koopkrachtplaatje van de Regering is gebaseerd. Het CNV heeft gisteren duidelijk gemaakt aan die prijsraming geen geloof meer te hechten. Op zichzelf is dat geen wonder, nadat de Minister van FinanciŽn afgelopen donderdagavond uit de losse pols ook al het een en ander had losgemaakt!

De heer Van der Doef (PvdA): Had de heer De Vries de indruk dat de Minister van FinanciŽn niet in volle verantwoordelijkheid en bij zijn volle verstand hier cijfers heeft geproduceerd, die ook in hun politieke betekenis konden worden opgevat? Het is toch niet een soort borrelpraat geweest van de heer Van der Stee?

De heer De Vries (CDA). Er ligt mogelijk het een en ander tussen. Ik heb erbij gezeten toen de Minister van FinanciŽn zei dat het zijn persoonlijke indruk was en dat hij niet uitsloot dat het wel eens die kant uit zou kunnen gaan. Ik heb ook gemerkt dat de heer Kombrink toen probeerde de Minister daarop onmiddellijk vast te leggen. Dat is echter iets anders dan dat wij geconfronteerd zouden zijn met een nieuwe prijsraming van het kabinet.

De heer Van der Doef (PvdA): Ik neem de heer Van der Stee echt serieus. Denkt de heer De Vries dat de Minister van FinanciŽn bereid is in zo'n debat een dergelijk percentage mee te delen, als hij daarvoor niet voldoende basis heeft?

De Voorzitter: Ik verzoek de leden hierover niet door te discussiŽren als de Minister van FinanciŽn er zelf niet bij is. Dat lijkt mij minder correct.

De heer Van der Doef (PvdA): De Regering is hier toch vertegenwoordigd?

De Voorzitter: Ja zeker, de heer De Vries stelt dan ook vragen over dat onderwerp aan de Regering.

De heer Kombrink (PvdA): Wij kennen wel het stenogram van wat de Minister gezegd heeft. Ik heb dat in het weekend nog eens nagelezen. Hij heeft gezegd: 'op grond van gegevens die op mijn departement beschikbaar zijn.'. Dat is wat anders dan uit de losse pols.

De heer De Vries (CDA): Men zal zich herinneren, dat zich de vorige week donderdag een discussie heeft afgespeeld over het prijsindexcijfer voor mei en de sombere verwachtingen daaromtrent. De Ministervan FinanciŽn heeft toen gezegd, dat hij het cijfer nog niet kende; hij verwachtte, dat het er pas op 12 juni zou zijn. In het weekend is dat bekend geworden. Ik sluit niet uit, dat dit weer enige invloed heeft gehad op de raming, die op het departement is gemaakt. In de nota naar aanleiding van het verslag verzekert de Regering dat zij voorlopig geen aanleiding ziet de prijsraming voor 1980te herzien. Wat moet een gewoon mens daarmee? Eťn Minister zegt, dat niet uitgesloten kan worden, dat de prijsraming overschreden zal worden, terwijl op hetzelfde moment wordt meegedeeld, dat de Regering geen aanleiding ziet de prijsraming te herzien. De CDA-fractie kiest op dit moment nog voor een terughoudende opstelling. Wij hebben vorig jaar enig leergeld betaald. Ook toen ontstond er rond het midden van het jaar grote bezorgdheid over de koopkrachtontwikkeling. Dat heeft er toen toe geleid om op 1 oktober over te gaan tot een stuk voorindexering. Achteraf bleek dat volstrekt overbodig. Ook zonder voorindexering bleek de doelstelling van koopkrachthandhaving ruimschoots te zijn gehaald. Het gevolg was echter wel dat we dit jaar met een vergelijkingsniveau startten dat een kwart procent hoger was dan zonder die voorindexering het geval was geweest. Wij vinden het terecht dat de Regering in de nota naar aanleiding van het verslag daar duidelijk de aandacht op heeft gevestigd. Wij zijn ook bereid de cijfers, exclusief die voorindexering als uitgangspunt voor de beoordeling van de cijfers over 1980 te kiezen. Dan blijkt dat er op basis van de prijsraming van de Regering nog een marge van 0,3% is voordat de minimuminkomens onder de koopkrachtgrens zakken!

De heer Van der Doef (PvdA): Ten opzichte van welke prijsraming is dat het geval?

De heer De Vries (CDA): De prijsraming waarvan de Regering uitgaat.

De heer Van der Doef (PvdA): Dus 5,7%?

De heer De Vries (CDA): Ja.

De heer Van der Doef (PvdA): Dan is er gelet op de opmerkingen van Minister Van der Stee, sprake van een tekort van ten minste 0,2% en waarschijnlijk 0,45%.

De heer De Vries (CDA): lkhebdaarover vragen aan de Regering gesteld. In de nota naar aanleiding van het verslag zegt de Regering geen aanleiding te zien de prijsraming te herzien. Wij concluderen, dat die 0,3% nog enige ruimte biedt voor het opvangen van tegenvallers in de prijsontwikkeling. Daarom pleiten wij thans nog niet voor aanvullende maatregelen. Wij willen wel duidelijkheid bieden aan de mensen, om wie het gaat. De fractie van het CDA blijft vasthouden aan haar prioriteit voor de handhaving van de koopkracht voor de minimumgezinsinkomens. Van de Regering verwachten wij een duidelijke uitspraak dat ook zij al het mogelijke zal doen om als de prijsontwikkeling tegenvalt, alsnog met aanvullende maatregelen te komen.

Mijnheer de Voorzitter! Mede namens de heer De Korte heb ik de eer een motie in te dienen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden B. de Vries en De Korte wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer, gehoord de beraadslaging;

overwegende, dat de Regering in de afgelopen dagen onzekerheid heeft doen ontstaan met betrekking tot haar voornemen, de koopkracht van de minimumgezinsinkomens in 1980 te handhaven; van oordeel, dat het maximaal mogelijke moet worden gedaan, deze doelstelling te verwezenlijken;

verzoekt de Regering, zodanige beleidsmaatregelen voor te bereiden, dat, indien de prijsontwikkeling onverhoopt tegenvalt, de koopkracht van de minimum gezinsinkomens in 1980 op peil blijft, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 8 (16212).

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter!

De heer Kombrink (PvdA): Ik mis in de motie een termijn, waarbinnen de Regering een beslissing dient te nemen. De heer Van Rooijen heeft verleden week gezegd, dat de Regering uiterlijk eind augustus een wetsontwerp ter behandeling aan de Kamer moet aanbieden. De Regering moet derhalve uiterlijk begin augustus een beslissing nemen. Wil de heer De Vries zich daarover uitspreken?

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Wij vinden het niet verstandig, op dit moment een termijn te noemen. Wij menen dat de datum, waarop een en ander moet gebeuren, afhankelijk is van het moment, waarop een nieuwe prijsraming, door de Regering verstrekt, beschikbaar komt en waarover eventueel door de Kamer gediscussieerd kan worden.

De heer Kombrink (PvdA): Maaru spreekt zich ook niet uit over de aard van de maatregel, die eventueel moet worden genomen. Als dat een belastingmaatregel zou moeten zijn -dat heeft de heer Van Rooijen, uw fractiegenoot gesuggereerd -dan....

De heer De Vries (CDA): De heer Van Rooijen heeft verschillende suggesties gedaan, zoals u zich zult herinneren.

De heer Kombrink (PvdA): Ja, een suggestie die u nu niet waarmaakt, namelijk om bij gelegenheid van dit wetsontwerp niet 1% prijscompensatietoeslag door te schuiven naar 1 januari. Hij heeft ťťn andere suggestie gedaan, namelijk een belastingverlaging, waarover uiterlijk eind augustus zou moeten worden beslist. Als voor die techniek wordt gekozen, moet u wel een termijn uitspreken, anders kan het niet meer voor dit jaar.

De heer De Vries (CDA): De heer Van Rooijen heeft donderdag jl. niets anders gedaan dan het aan de Regering in overweging geven van een aantal suggesties.

De heer Kombrink (PvdA): Heel vrijblijvend.

De heer De Vries (CDA): Vrijblijvend, inderdaad. De strekking van de motie is volstrekt duidelijk. Wat de invulling van de maatregelen betreft, willen wij op dit moment geen concretisering aanbrengen. Aan die concretisering hebben wij geen behoefte.

De heer Van der Doef (PvdA): Moet ik nu begrijpen dat de suggesties van de heer Van Rooijen, vorige week namens uw fractie gedaan, alternatieven waren? De indruk is namelijk gewekt dat zij in combinatie ter beoordeling stonden.

De heer De Vries (CDA): Dat moet u straks maar aan de heer Van Rooijen vragen.

De heer Kombrink (PvdA): Het stelt dus weer niks voor!

©

C.N. (Cor) van DisDe heer Van Dis (SGP): Mijnheer de Voorzitter! De problemen, waarmee ons land in het algemeen en het kabinet in het bijzonder te kampen hebben, worden schier met de dag talrijker. Olieboycot, koopkrachthandhaving, financieringstekort, economische groei of niet en ombuigingsperikelen bij de opstelling van de begroting voor 1981 zijn zaken, waarvan de pers ons dagelijks op de hoogte houdt. Met name de randvoorwaarde van de omvang van het financieringstekort en de noodzaak, de marktsector ruimte te verschaffen voor het beter kunnen vervullen van haar taak, zijn bepalend voor het beleid, waarbij aan het lonen-en prijzenfront sterke matiging moet worden betracht. Het strakke prijsbeleid en de per 1 juli 1980 in werking tredende loonmaatregel pogen daaraan gestalte te geven. Ook dit wetsontwerp is daar een gevolg van. Mijn fractie -het is bekend -vindt het zeer te betreuren dat de vele pogingen om met de sociale partners in goed overleg het beleid uit te stippelen geen resultaat hebben gehad, zodat een ingreep van bovenaf moest plaatsvinden. In dat kader zou echter uit verlies winst kunnen voortkomen, als de sociale partners maar leergeld zouden hebben betaald en als de door de Minister uitgestoken hand tot gezamenlijk overleg door hen zou worden aangegrepen. Ik doel niet alleen op het verzoek dat onlangs door de Minister aan werkgevers en werknemers is gedaan ter zake van de besprekingen over 1981. Daaronder valt ook het feit dat de loonmaatregel per 31 december 1980 al afloopt. Is overigens niet meer haast geboden bij het starten van het overleg? Mijnheer de Voorzitter! Wij vragen ter zake een verstandig beleid, waarbij echter de nuchtere werkelijkheid van de uiterst benarde financiŽle positie en de schier tot nul naderende groei van het nationaal inkomen met alle consequenties, daaraan verbonden, ongemaskeerd ter tafel zullen komen. In dit verband vragen wij ons af of het niet beter is, de mensen vroegtijdig te confronteren met de realiteit dan eerst het resultaat van gesprekken af te wachten en daarna toch gedwongen te zijn tot het nemen van harde maatregelen. Hoe ziet de Minister van Sociale Zaken daartegenaan? Wij willen erop wijzen dat de exponentiŽle groei van de collectieve sector zich voor een groot gedeelte heeft voorgedaan in de sector van de overdrachtsuitgaven en in wat mindere mate in de zogenaamde welzijnssector. Kunnen wij met de huidige economische ontwikkelingen het gebouw van de sociale voorzieningen nog wel dragen? Bij het debat van vorige week heb ik vragenderwijs gesteld, of het mogelijk zou zijn om de bestaande minima in koopkracht wel te handhaven. Vooropgesteld moet worden dat ook onze fractie van oordeel is dat daarnaar moet worden gestreefd. Immers, in vergelijking met hen die beter bedeeld zijn, hebben de minimuminkomenstrekkers het het minst gemakkelijk. Daarom spreekt het draagkrachtprincipe ons aan. Aan de andere kant mag ook algemene solidariteit worden gevraagd. Als het land in financiŽle moeilijkheden zit, is het de roeping van iedere burger, zijn steentje bij te dragen, uiteraard naar draagkracht. Ook moet rekening worden gehouden met de benedengrens van de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, waarbeneden niet gegaan kan en mag worden. Het is de Minister ook bekend dat onze fractie regelmatig in deze Kamer heeft gepleit voor een strikt eenmalige en vrijwillige korting van enkele procenten. De Minister-President noemde

in dit verband 3%. Is die gedachte zo in tegenspraak met de werkelijkheid, of moet het ontbreken van een enigszins brede maatschappelijke consensus ter zake als de oorzaak van het falen van goed overleg worden gezien, een fundamenteel gebrek aan wederzijds vertrouwen? Wij vinden dit een van de meerfundamentele feilen van onze samenleving en al het mogelijke moet worden gedaan om daarin verandering te krijgen. De wegen en middelen daartoe hebben wij steeds, als het te pas kwam, mogen aanwijzen. Waarom laat men dat dan na? Ook nu vragen wij het kabinet om voor zijn deel de weg te banen voor beter begrip. Wij zijn ervan overtuigd dat het besef dat wij door onze zonden, ook de nationale zonden, God hebben vertoornd en dat alleen Gods genade in Christus Jezus ons van de schuld der zonde en van de gevolgen daarvan kan bevrijden, ook de werkelijke basis schept voor een gezamenlijke aanpak van de problemen, waarvoor wij staan. In het kader van het streven naar goed overleg komt ook aan de orde de vraag, naar wat de mogelijke gevolgen kunnen zijn van de inmiddels nieuwe tweejarige ca.o.'s voor 1981, die blijkens persberichten richtinggevend zullen zijn voor de loonontwikkeling in dat jaar. Onze fractie vond de reactie in de nota naar aanleiding van het verslag op vragen ter zake gesteld wat povertjes. Wel kon uit de pers worden afgeleid dat een te weinig gematigde loonontwikkeling onherroepelijk afroming via extra belasting en premieheffing zou oproepen. Mede gezien de toch al hoge druk van de collectieve sector en de belangrijke afwentelingsprocessen die daarvan het gevolg zijn komt deze oplossing ons als niet de meest geŽigende voor. Hoe ziet de bewindsman daar tegengaan? Het is duidelijk dat alle dingen met alle dingen samenhangen. Dat maakt het vinden van deeloplossingen dan ook zo moeilijk. Ik wijs hierop omdat ook het thans aan de orde zijnde wetsontwerp tot herziening van de aanpassingsmechanismen ten aanzien van de minimumlonen en de sociale minima niet een probleem is dat op zich zelf staat. Onze fractie heeft reeds bij de discussie van maart jongstleden er blijk van gegeven dat ook min of meer het complement van de loonmaatregel ter wille van een evenwichtige en matige ontwikkeling helaas niet kan worden gemist. Wie vindt het een aangename taak om te gaan veranderen in een regeling die nog zo kort geleden kracht van wet heeft gekregen? Helaas dus;

het feit van de stijging van de werkloosheidscijfers van mei jongstleden bevestigt eigenlijk alleen maar de noodzaak tot het voortzetten van matiging. (Loopt de werkloosheidsontwikkeling overigens nog in de pas met de raming van het Centraal Economisch Plan 1980, of hebben wij met een incidentele uitschieter te doen? Mogen wij de mening van de bewindsman hierover horen?) Uit wat ik tot nu toe heb gezegd kan blijken, dat onze fractie begrip opbrengt voor de voorgestelde gesprei-de verwerking van de 2,95% verhoging over I juli 1980 en 1 januari 1981. Als wij een pleidooi voeren voor het verdelen van de pijn naar draagkracht over de gehele bevolking, dan willen wij niet onder stoelen of banken steken dat handhaving van de koopkracht, zeker voor de minima, een groot goed is. Het is echter de vraag of de prijsontwikkeling wel zodanig is dat het koopkrachtplaatje van de nota naar aanleiding van het verslag nog volledige geldigheid bezit. Het CNV verwacht een prijsstijging van 7,5% en dan zakt ook de minimumtrekker door de nullijn . Of is dat niet het geval? Wat zou het resultaat zijn wanneer het vermoeden van de Minister van FinanciŽn werkelijkheid wordt? Hij noemde een stijging van ongeveer 6,5%. Mogen wij het oordeel van de Minister van Sociale Zaken ter zake horen? Is het inderdaad redelijk uit te blijven gaan van het centraal economisch plan 1980 waarin een prijsstijging van 5,7% wordt geraamd? Hier ligt naar mijn mening het kernpunt met betrekking tot de koopkracht. Onze fractie is geneigd de Regering het voordeel van de twijfel te geven. Ook is zij bereid de Regering te volgen als de ontwikkelingen onverhoopt zouden dwingen tot het loslaten daarvan, maar dan wel in samenhang met maatregelen voor alle inkomens naar draagkracht. Wij vinden dat noodzakelijk en gaan ervan uit, dat dit dan ook metterdaad zal gebeuren. Onze fractie heeft haar oordeel ook gegrond op de vraag of het voorschot van 1% per 1 oktober 1979 -achteraf is gebleken dat hier sprake was van een extra procent gedurende drie maanden -niet tevens in zekere zin een compensatie kan betekenen voor het feit dat over de periode 1 juli tot en met 31 december 1980 0,9% minder wordt genoten dan volgens de oude regeling. Zien wij dit goed? Op die manier is het verlies minder dan aanvankelijk is gedacht. De na-ijlingsproblemen zullen inderdaad moeten worden opgelost. Verkleining van het tijdgat is verstandiger dan het ons inziens onbereikbare wegwerken van het effect. Hoe staat het met de voortgang van de verbetering? Een ander punt betreft de vraag wat er per 1 januari 1981 gaat gebeuren. Immers, de doorwerking van de toeslag ad f 26 per 1 januari 1981 is te vertalen in 1,4%. Daartegenover staat dan de stijging van de contractlonen. Wij zijn het eens met de in de nota vermel-de stelling dat het irreŽel is te verwachten dat deze stijging niet meer dan 1,5% zal bedragen. Wij vragen ons echter af op welke wijze de als prijscompensatie bedoelde structurele belastingverlaging per 1 juli 1980 op 1 januari 1981 zal worden verwerkt. Dit is toch ook extra koopkracht? Wordt dat wellicht als een extraatje gezien? Onze fractie vindt het feit dat neerwaartse bijstelling alleen bij wet kan plaatsvinden een goede garantie dat er geen sprake zal zijn van overhaast en eenzijdig handelen. Het zal duidelijk zijn dat onze fractie dit wetsontwerp -zij het dat zij de noodzaak daarvan betreurt -onderschrijft en zal aanvaarden. Wij willen graag meer specifiek worden ingelicht over de precieze redenen, die tot uitstel hebben genoopt. Is dat uitsluitend de vrees dat als gevolg van het achteruitgaan van de koopkracht per 1 januari 1981 ten opzichte van de loonontwikkelingen per die datum aanvullende maatregelen tot handhaving van de koopkracht moeten worden getroffen? Wij vinden dit wetsontwerp slechts een deelproject, dat niet in de schaduw kan staan van de enorme problemen, die op ons afkomen. Daarbij behoort in ieder geval rekening te worden gehouden met de noodzakelijke kosten van levensonderhoud als werkelijke minima. Wij vinden in dat opzicht het kostwinnerschap van eminente betekenis. Wij dringen erop aan dat met het verschil in draagkracht tussen niet-kostwinners en kostwinners rekening wordt gehouden. Dat kan er wellicht aan meewerken, de koopkracht van de minima zolang mogelijk in stand te houden. Mijn laatste opmerking houdt verband met de eerste alinea van de nota naar aanleiding van het verslag. Onze fractie maakt helemaal geen staat op het predikaat van een zinvolle bijdrage aan de schriftelijke discussie. Niettemin was onze bijdrage ongeveer ťťn bladzijde van de zes. Kennelijk vonden de bewindslieden die bijdrage toch niet zo belangwekkend. Immers, over de bijdragen van alle, aan het verslag

meegewerkt hebbende fracties, staat vermeld dat de Regering daarvan met belangstelling kennis heeft genomen, op ťťn na. Welke? Precies, de SGP! Dat zal wel een vergissing zijn, of niet?

©

M. (Marcus)  BakkerDe heer Bakker (CPN): Mijnheer de Voorzitter! De Regering zet helder uiteen wat het doel van dit wetsontwerp is. De lonen zijn door de loonmaatregel aan de ketting gelegd. Daarbij zijn zoveel lage lonen, dat verhoging van het minimumloon volgens de regels de verhouding tussen dat minimumloon en een grote categorie die daar net boven ligt uit balans zou brengen. Uit de regeringsstukken moet men zelfs concluderen dat door dat tientje per maand extra waarschijnlijk het aantal minimumloners aanzienlijk zou toenemen. Aangezien de uitkeringen percentueel aan het minimumloon zijn gekoppeld, houdt dit in dat het gehele apparaat van minimumloon en sociale verzekeringssector niet aan zijn rechten mag komen. Daarvoor is deze wetswijziging ingediend. Nu rekent de Regering ons voor, dat bij de belastingverlaging, zoals deze verleden week tot stand is gekomen, de koopkracht van de minima toch gehandhaafd wordt. Zoals de inleiding op het verslag uitvoerig aan de orde stelt, moeten wij oordelen op jaarbasis en niet op halfjaarbasis. De cijfers, die de Regering ons daarbij geeft, moeten bovendien aantonen, dat de laatste drie, vier jaar de minima in totaal in koopkracht nog een aantal percenten zijn gestegen. Onzes inziens klopt de redenering van de Regering niet en wel in dubbele zin. Ten eerste is de stijging in de laatste drie, vier jaar van de koopkracht van de minimumlonen in feite een inloop op een achterstand, die daarvoor was ontstaan. Dat waren jaren van een oplopende prijsstijging. Het systeem van de na-ijling brengt mee dat bij een oplopende prijsstijging men per jaar steeds achter blijft lopen, niet alleen percentueel maar ook in opgetelde bedragen. Dat gaat over een reeks van jaren aanzienlijke sommen bedragen. Als er nadien dan een zekere inloop is doordat de prijzen dalen, wordt daarmee met terugwerkende kracht iets ingelopen van een achterstand, die is ontstaan. Van enige structurele verbetering is daardoor gezien over die jaren van dat verloop geen sprake. Het lijkt er nu op dat de golf weer de andere richting op gaat en dat wij te maken hebben met een tendens van oplopende prijzen, waardoor weer deze achterstand ontstaat. In de tweede plaats is juist in de laatste periode de regeling van kracht geworden dat belastingverhogingen -met name verhogingen van kostprijsverhogende belastingen -niet meer in de compensatieregeling worden betrokken. Dat is enkele jaren geleden bij voorbeeld het geval geweest bij de grote b.t.w.-sprong van de aardgasprijs. Omdat de aardgasprijs een zeer aanzienlijk deel van de kosten van levensonderhoud uitmaakt, is ook die grote b.t.w.-sprong een zeer belangrijk bedrag geweest dat niet gecompenseerd is. Hetzelfde is het geval geweest met de belasting-en accijnsverhogingen -dagbladen, benzine, alcohol, enz. -zoals die rondom de jaarwisseling zijn doorgevoerd. Ook het hele onafzienbare en gevarieerde gebied van gemeentelijke heffingen, provinciale heffingen en milieuheffingen blijft door de complicatie daarvan voor een deel buiten de compensatie. Dus klopt het rooskleurige beeld van de Regering niet. Wij hebben wel degelijk te maken met het feit dat in de afgelopen jaren de bestedingsmogelijkheden aanzienlijk verminderd zijn. Ik heb dat aan de Minister tijdens de interpellatie van 14 mei jl. voorgerekend en hij heeft die cijfers niet bestreden. Wat nu gebeurt, mede door de verschuiving, is dat de achterstand geconsolideerd dreigt te worden. Het percent waarop een wettelijk recht bestaat en dat een halfjaar geleden nog eens is bevestigd, wordt niet gegeven en het moet nu ijs en weder dienende ingaan per 1 januari 1981 zonder terugwerkende kracht, dus met verlies van een bepaald bedrag. Hoe men het ook keert of wendt, dat wordt de mensen afhandig gemaakt, ondanks alle bezweringen die wij met name van de kant van het CDA hebben gehoord bij de behandeling van de wet in december -en de heer De Vries heeft het zojuist iets anders geformuleerd -dat hiermee de operatie voltooid was. Voor de aardigheid wil ik een van onze grote literaire scheppers in deze Kamer, de heer Weijers, citeren die bij dat debat in december het volgende zei: 'Wanneer nu overeenkomstig onze benadering de vakantietoeslaggevolgen doorwerken naar de minimumuitkeringen, dan hebben wij het gevoel dat daarmee ook het koopkrachtvraagstuk voor 1980 wordt opgelost en kunnen al degenen die aangewezen zijn op een AOW-, AWW-en AAW-uitkering vaststellen dat de operatie Bestek '81 voor hen is volbracht.'. Welnu, dat is dus niet het geval geweest, want nauwelijks is de wet van kracht, of er komt een nieuwe wet, waarbij operatie-Bestek '81 verder wordt aangesnoerd. Ik heb op enkele factoren gewezen die de geruststellende verklaring, zelfs bemoedigende verklaringen van de Regering logenstraffen en het is deze dagen al gebleken dat er nog meer zijn. Zo is nu duidelijk geworden dat ongehuwde bejaarden, AOW'ers dus, inclusief weduwnaars en weduwen, een vakantieuitkering blijken te ontvangen die aanzienlijk, dat wil zeggen meer dan 30 gulden, ligt beneden de uitkering die ze verleden jaar ontvingen als gevolg van de aanpassingswet van 1 januari waarbij op een andere berekeningswijze is overgegaan. Dit is een verandering die ons door de Regering bij de behandeling van dat wetsontwerp niet is medegedeeld, niet is voorgerekend, een verandering die ergens in de wetstekst verscholen heeft gezeten, maar die voor deze naar schatting 700.000 mensen alle rekensommetjes die wij hier krijgen over de handhaving van het bestaansniveau eenvoudig weg ondersteboven gooit. Immers, 30 gld. voor een minimumtrekker is nogal een achteruitgang. Zien wij het goed, dan zal het volgend jaar nog meer zijn en is maar af te wachten in hoeverre de verhoging van de vakantietoeslag van 7,5 tot 8%, als die doorgaat (want daarover is nog altijd een slag om de arm genomen) deze achteruitgang zal compenseren. Kan de Staatssecretaris hierover nadere, heldere informatie geven in deze vergadering? Kan hij garanderen dat volgend jaar, bij het doorzetten van de rest (twee derde) van deze verlaging, de verhoging van de vakantietoeslag van 7,5 tot 8% die in het vooruitzicht is gesteld, deze verlaging ongedaan zal maken? Kan hij ook zeggen of die verhoging wel doorgaat? Mijnheer de Voorzitter! Dat de verhalen van de Regering zo lekken, is des te meer naar voren gekomen (er is hier aan al enkele malen herinnerd) in het verhaal van de Minister-President. Ik ga niet zijn uitspraken citeren; ze liggen te boek. De heer Van der Doef heeft ze letterlijk geciteerd. Wat hier het meest wringt, is dat de Minister-President heeft aangeduid dat datgene, waarover wij in december zo druk zijn bezig geweest en waarvan Ťn de Minister en de Staatssecretaris zo nadrukkelijk hebben gezegd dat dit nu de aanpassing was, volledig op de helling is gezet. Ik wil wel zeggen dat mijn grote bezwaar tegen het optreden van de heer Albeda niet is dat hij daartegen

mort, maar dat hij de indruk wekt te zeggen dat de Minister-President het onvolledig heeft gezegd, omdat het niet om hen allťťn gaat. Als dat zou betekenen dat de heer Albeda niet ongevoelig is voor de plannetjes van de Minister-President, als ze maar gekoppeld zijn aan een reeks andere inkomens, dan staat de heer Albeda natuurlijk volstrekt te verloochenen wat hij hier een half jaar geleden heeft staan doen toen hij de aanpassingswet stond te verdedigen. De indruk die je nu krijgt, is dat het bij stukjes en beetjes gaat: eerst de loskoppeling van de bedragen van de minimumlonen en de minimumuitkeringen, dan ingebouwd in de wet de schoning van de regelingslonen, waardoor de mogelijkheid van grotere verschillen zal toenemen, dan de loonmaatregel die natuurlijk bij de volgen-de indexering op zichzelf zal doorwerken in de hoogte van het minimumloon en ten slotte deze wettelijke maatregel die de uitkeringshoogte als zodanig aantast en alleen via het middel van de belasting iets compenseert. Daar achteraan komt dan weer de Minister-President die een algemene verlaging aankondigt. Daarom zou men van de Minister en de Staatssecretaris (het is niet overbodig als zij zich beiden eens uitspraken) verlangen dat zij standhouden bij wat zij eerder hebben gezegd over hun doel met betrekking tot de koopkracht van de minimuminkomens, met hun opvatting dat die aanpassingswet een afronding was en dat men niet overschakelt op een vorm van kritiek op de Minister-President waarin alleen zijn eenzijdigheid wordt gekritiseerd. Ik ben van mening dat de Minister dit met enige extra nadruk mag doen, want wij hebben nu gehoord dat hij 'passief' kandidaat is voor het sociale commissariaat van de EG. Wij weten datje daar een potje kunt breken! De Minister doet er echter goed aan, de indruk weg te nemen dat hij deze passieve kandidatuur heeft gesteld nadat hij passief is gebleven tegenover datgene wat de Minister-President ons heeft voorgeschoteld.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van D'66 heeft begrip voor de indiening van het wetsontwerp, maar daarmee is geen eindoordeel gegeven. Zonder nadere wettelijke voorzieningen per 1 juli a.s. zou, evenals in 1976, de na-ijling van het aanpassingsmechanisme voor het minimumloon verstorend kunnen werken op de verhoudingen binnen de contractlonen. Op die grond willen wij best met de Regering denken over de uitschuifoperatie, maar in het voorlopig verslag hebben wij al duidelijk een tweetal voorwaarden gesteld voor de medewerking hieraan. De eerste voorwaarde is de eis dat handhaving van de koopkracht voor de sociale minima in 1980 in ieder geval gegarandeerd behoort te worden. De tweede eis is dat het bedrag dat de betrokkenen door de uitschuifoperatie gedurende de tweede helft van 1980 minder zullen ontvangen, zal worden ingehaald in 1981. Over beide voorwaarden zal ik het verder in mijn bijdrage hebben. Allereerst kom ik tot de eerste voorwaarde. De stukken die de Regering ons dit weekend heeft toegezonden naar aanleiding van het verslag bevatten op zich zelf geruststellende mededelingen. Het loopt zo'n vaart niet met de koopkracht; in 1980 zal zelfs per saldo nog een stijging van bijna ťťn procent mogelijk zijn, zo staat er in de nota naar aanleiding van het verslag. Toch bestaan er bij ons zeer ernstige twijfels omtrent de vraag of deze voorstelling van zaken wel binnen de realiteit past. Bij de nota over de ombuigingen is er al gediscussieerd in deze Kamer tussen de Regering en verschillende woordvoerders van de fracties -de heer Engwirda namens onze fractie -over de vraag wat wij nu als uitgangspunt moeten nemen voor de beoordeling van de situatie voor het komend jaar en welke ramingen ten aanzien van de prijsontwikkeling op hun plaats zijn. De Regering blijft uitgaan van de gegevens die tot nu toe in het Centraal Economisch Plan werden gehanteerd. Een bijstelling zou op dit moment -zo wordt herhaald in de nota naar aanleiding van het verslag -'nog niet opportuun zijn'. Eťn ding is zeker: wat de prijsontwikkeling betreft zijn de ramingen aan de te bescheiden kant. Wij moeten ernstig rekening houden met een sterke overschrijding van die ramingen. Daarbij komt nog -ook al zouden wij het eens worden over de grondslag, dus over de beoordeling van de situatie die in onze ogen ernstiger is dan de Regering doet voorkomen -dat er ernstige twijfel is ontstaan, zoals bijna alle voorgaande sprekers hebben gezegd, over hetgeen de Regering eigenlijk wil. De mededelingen van de Minister van FinanciŽn, verleden week tijdens het ombuigingsdebat gedaan, en de mededelingen -daar boven op -van de Minister-President, hebben bij ons zo'n ernstige twijfel doen ontstaan, dat wij het vertrouwen in de bedoelingen van de Regering op dit punt zijn gaan verliezen. Hierbij komen dan ook nog de berekeningen die met name het CNV zeer kort geleden op tafel heeft gelegd. Dit alles bij elkaar nemend gaan wij ervan uit, dat aan de eerste door ons gestelde voorwaarde niet zal worden voldaan. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot de tweede voorwaarde. Zij heeft betrekking op de compensering van het nadelig effect wanneer wij het indexeringsmechanisme tijdelijk op een aandere wijze gaan toepassen dan in de wet is vastgelegd (het nadeel dat door de uitschuifoperatie zal ontstaan). Gebeurt er niets en wordt het wetsontwerp aangenomen, dan betekent dat in onze ogen een dubbele matiging voor betrokkenen, een matiging in het algemeen, doordat hun inkomens via de normale loonindexering aan de algemene ontwikkeling zijn gekoppeld, en daarnaast de matiging via deze incidentele, tijdelijke extra aanpassing, overigens: in neerwaartse richting.

De heer De Korte (VVD): Dat begrijp ik niet. De uitkeringen zijn gekoppeld aan de regelingsloonindex. Deze registreert een bepaalde ontwikkeling. Op een gegeven moment wordt gezegd: De matiging die nu plaatsvindt, zal volgend jaar voor de uitkeringen plaatsvinden, maar omdat een zekere parallelliteit wordt beoogd, wordt op een ge geven moment een klein stapje ingehouden, dat wordt uitgesmeerd naar volgend jaar. Dat is toch niet twee keer matigen? Dat is gewoon een iets geleidelijker pad van matiging.

De heer Nypels (D'66): Ik spreek over een dubbele matiging. De ene matiging is -zoals u terecht zegt -gelijk aan de algemene matiging. Zij komt in de loonindex tot uitdrukking. Het gaat echter over de extra matiging die wordt gevraagd, via deze incidentele wet. Het is juist, dat per 1 januari aanstaande in principe structureel het peil weer wordt bereikt dat ook zonder de voorgestelde wet zou zijn ontstaan. Dit neemt echter niet weg, dat voor de tweede helft van dit jaar ongeveer 1 % niet wordt uitbetaald. Dit betekent een achterstand die op geen enkele wijze -ook niet volgens de voorstellen van de Regering -zal worden ingehaald.

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Is de heer Nypels niet van mening, dat het stuk dat de uitkeringstrekkers en minimumloners door de uitschuifoperatie missen niet juist wordt gecompenseerd door de belas-

I Nypels tingmaatregel, die toch primair bestemd was voor de werknemers die als gevolg van de loonmaatregel de prijscompensatie beperkt zien tot f 26? Doordat dit automatisch doorwerkt naar de uitkeringstrekkers en naar de minimumloners, kan men hierin een duidelijk stuk compensatie zien. De belastingmaatregel zou niet zijn genomen als de loonmaatregel niet was genomen.

De heer Nypels (D'66): Neen, maarzij houdt verband met de algemene economische situatie.

De heer De Vries (CDA): De belastingmaatregel houdt niet verband met de algemene economische situatie, maar hij houdt nauw verband met de loonmaatregel (de beperking van de prijscompensatie totf 26). Om op het mini-mumniveau toch nog een nettostijging te realiseren die correspondeert met het bedrag dat men anders aan prijscompensatie had ontvangen, heeft de Regering de belastingmaatregel genomen. Het een hangt nauw met het ander samen. Het betekent ook -door de doorwerking naar de uitkeringstrekkers en de minimumloners -dat hierin automatisch een stuk compensatie zit.

De heer Nypels (D'66): Dat neemt niet weg dat u bezig bent het algemene in-dexeringsmechanisme aan te tasten, zij het tijdelijk, terwijl de compensatie die u noemt in feite ook voor de meeste andere burgers geldt.

Staatssecretaris De Graaf: Is de consequentie van deze gedachtengang van de heer Nypels niet, dat elke verhoging op basis van een voorindexering achteraf moet worden verrekend? Dit is de tegenhanger daarvan.

De heer Nypels (D'66): Ik ben nu toe aan het punt van de voorindexering. Het probleem dat ik zojuist heb aangesneden, is niet nieuw. Het is in 1976 ook aan de orde gekomen. Het gaat om een probleem dat inherent is aan het indexeringssysteem, waarbij na-ijling in principe zal kunnen worden voorkomen. Die na-ijling werkt in het ene geval ten gunste van de betrokken groepen; in het andere geval, bij een omgekeerde ontwikkeling van lonen en prijzen, kan het ten nadele van hen werken. Het wetsontwerp heeft ten doel, verstoring van de algemene loonverhoudingen weg te nemen. Wanneer het omgekeerde geval zich voordoet, wil de Regering nadelen voor het mini-mumloon trachten te verhelpen door het voorindexeringssysteem te hanteren. In feite is dat ook al een keer eerder door de Regering gedaan. Dat is op zich zelf een goede zaak. Mij is evenwel opgevallen dat in de stukken van de Regering, die nu in de nota naar aanleiding van het verslag zijn gepresenteerd, niet wordt aangegeven dat ervoor moet worden gezorgd, dat die voor-en nadelen voor de betrokkenen elkaar in evenwicht houden. Het mag niet gebeuren dat alleen zo'n afwijking van het algemeen systeem wordt toegepast, wanneer dat in hun nadeel is. De intentie is misschien impliciet begrepen in de beantwoording van de vragen door de Regering, maar zij is als zodanig niet aangegeven. De Staatssecretaris vroeg bij interruptie of er niet naar gestreefd zou moeten worden, deze twee te verrekenen. Het lijkt mij een logisch uitgangspunt, dat er in ieder geval voor wordt gezorgd dat er wat dat betreft per saldo voor de betrokkene geen voor-of nadeel ontstaat. Ik begrijp echter dat dit bijzonder moeilijk is, omdat de tegengestelde ontwikkelingen waar het hier om gaat zich meestal niet vlak na elkaar zullen voordoen. Daar zullen in de praktijk verschillende jaren tussen zitten. Overigens stel ik vast dat de Regering in het antwoord niet heeft aangegeven dat zij streeft naar een volledige compensatie, dus naar een situatie waarin de voor-en nadelen elkaar opheffen, met voorindexering en eigenlijk een vorm van na-indexering. Een en ander is in de praktijk moeilijk te realiseren, omdat de periodes met de omgekeerde ontwikkelingen vaak niet vlak bij elkaar liggen. Er kunnen vele jaren tussen zitten. Vandaar dat wij al in 1976 in een gezamenlijk amendement met de fractie van de PvdA hebben voorgesteld, het zekere voor het onzekere te nemen en, wanneer in een bepaald jaar door een uitschuifoperatie een besluit wordt opgenomen ten nadele van de betrokken groepen, te bepalen dat die achterstand in het jaar daarop -gespreid in de tijd -zal worden ingehaald. Dat amendement werd destijds verworpen. Daarna hebben beide fracties een verschillende eindconclusie getrokken. De PvdA heeft toen tegen het wetsvoorstel, dat door een bevriend kabinet was ingediend, gestemd. Wij hebben met grote aarzeling uiteindelijk voor het wetsontwerp gestemd in de veronderstelling -die hebben wij ook duidelijk uitgesproken -dat zeer snel een oplossing zou worden gevonden voor dit algemene probleem wanneeer er uitzonderingen worden gemaakt op het algemene indexeringsmechanisme. De veronderstelling dat een spoedige oplossing gevonden zou worden, is niet uitgekomen. Wel stelt de Regering terecht dat studies op dit moment nog gaande zijn en zij hoopt nu dat binnen niet al te lange tijd resultaten bekend zullen zijn. Die resultaten zijn er nu niet en op die grond -omdat er dus geen garantie bestaat dat een bevredigende regeling op korte termijn ontstaat -moeten wij vaststellen dat in ieder geval op dit punt aan onze tweede voorwaarde niet is voldaan. Wij overwegen dan ook zeer ernstig tegen dit wetsontwerp te stemmen.

De heer Verbrugh (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Het debat over dit onderwerp en het debat over de ombuigingen lopen op een aantal punten sterk in elkaar over. De naam van de Minister van FinanciŽn werd al enkele malen in dit debat genoemd. Ter gelegenheid van de ombuigingen en enkele belastingwijzigingen werd indringend gesproken over de sociale minima. Nu in dit debat met de bewindslieden van Sociale Zaken expliciet over de mini-ma wordt gesproken, wil ik hierover graag nog een enkele opmerking maken. Met de hoofdzaak van het voor ons liggende wetsontwerp -de gedeeltelijke opheffing van de na-ijling -heeft mijn fractie weinig moeite. Wel zou men in een algemeen geval ter wille van de symmetrie de na-ijling eveneens moeten opheffen als in de toekomst de koopkracht zou toenemen. Het is echter over de koopkrachtgarantie van de minima dat mijn fractie nog iets wil zeggen. Het kabinet heeft zich als opvolger van een kabinet dat het begrip '1 %-operatie' introduceerde, doen kennen als een ministersploeg die ook tegen protesten in, de stofkam door de sociale voorzieningen haalt. Daartegen hebben wij geen bezwaar. Het staat ook in het Regeerakkoord. Er staat echter ook bij dat met name de positie van de sociale minima niet zou worden aangetast. Ook op blz. 6 van de Besteknota staat dat de koopkracht van de minima niet wordt aangetast. Het is uiteraard waar dat er best omstandigheden kunnen zijn -een hoog financieringstekort, een sterk stijgend invoerprijspeil -die het moeilijk kunnen maken aan de zo gewekte verwachtingen te voldoen. De bewindslieden kunnen ook het bekende woord van Psalm 15: wie gezworen heeft tot zijn schade, hij veranderde het niet. Na het mijns inziens nogal onduidelijke gezegde van de Minister van FinanciŽn de vorige week over de al dan niet wa-

terdichte koopkrachtgaranties voor de minima, is het verrassend te lezen wat Calvijn over Psalm 15: 4 opmerkte. Hij schreef dat het geen blijk van goede trouw is, als ieder alleen beloften doet zover hij ziet dat het hem gemakkelijk is en dat niets zo vaak voorkomt als dat men een kleine schade als voorwendsel gebruikt om te verbreken wat men heeft beloofd. Daarom moeten de gelovigen -hier de Ministers -liever iets ten offer brengen dan van de trouw afwijken.

Minister Albeda: Het is niet het kabinet dat een offer moet brengen. Uw voorbeeld is er een van individuele ethiek. Het ligt bepaald iets anders wanneer u het zou betrekken op een macrogrootheid. De Regering kan niet uitdelen aan minimuminkomens wat er niet is.

De heer Verbrugh (GPV): Ik ben het wel eens met de Minister dat dit inderdaad individuele ethiek betrof. De Minister zal het echter met mij eens zijn dat individuele ethiek ook wel weer zijn afspiegeling vindt in de ethiek van de overheid. Die is wel anders, maar het zijn niet twee zaken die geheel los van elkaar staan. Als ik spreek over het individuele offer, zal dit bovendien ook het offer van het extra nadenken door de Minister zijn om inderdaad uit de moeilijkheden te komen. Het doet mij dan ook genoegen dat de motie-De Vries-De Korte is ingediend. Ik hoop dat die zal worden uitgevoerd. Toch verbaast mij de opmerking van de Minister van Sociale Zaken wel even. Ik kan mij voorstellen dat hij bij het horen van Calvijn even denkt dat deze naam erbij gesleept is. Maar het is toch een vrij sociaal gericht commentaar dat hij gaf op de tekst. De algemene regel: een man een man, een woord een woord, geldt toch ook voor politici? Als die regel wordt overtreden, dan wordt dat toch zelden juist geacht. De politiek is wel eens meer in verband gebracht met psalm 15; dat zal de Minister wel weten.

Minister Albeda: Ik vind alleen dat de heer Verbrugh het probleem verkeerd stelt. De moeilijkheid is dat als een Regering iets belooft in financiŽle termen zij dat ook in financiŽle termen moet gaan uitbetalen. Dan rijst de vraag: wie betaalt het en wat zijn de gevolgen? In die zin is het toch iets ingewikkelder dan de heer Verbrugh nu doet voorkomen.

De heer Verbrugh (GPV): De overheid is hoofd van de openbare samenleving. Zij heeft een bepaald mandaat en moet een bepaalde zaak verdedigen.

Dat regeerakkoord is ook door de verschillende fracties goedgekeurd; over het Bestek is gepraat. Als daarin een aantal zaken zijn opgenomen dan is het ook een verantwoordelijkheid voor de kamerleden die daarmee akkoord zijn gegaan. Ook zij moeten het afgesprokene zo goed mogelijk nakomen. Natuurlijk zijn calamiteiten en daaruit volgende prioriteiten mogelijk. Men kan ook achteraf tot de ontdekking komen dat men hele domme afspraken heeft gemaakt, maar alleen in uiterste gevallen mag men daar consequenties aan verbinden. Wij mogen wel in zoverre tegemoet komen aan de bezuinigingswensen van het kabinet dat het de sociale mini-ma in 1981 alleen voor het eerste halfjaar zwaar hoeft te verdedigen. In april en mei 1981 komen de partijen precies zeggen hoe het, volgens hen, in de komende periode moet gebeuren. Ik kan mij voorstellen dat in de toekomst een ander stelsel wordt geprobeerd, een stelsel dat misschien beter voldoet aan normen van rechtvaardigheid. Is ook de Minister niet van mening dat de Regering thans voor het eerste halfjaar 1981 een zwaardere garantie voor de sociale minima moet inbouwen dan voor het gehele jaar, dat ook de periode na 26 mei omvat, als de Regering demissionair wordt?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten te stellen in handen van: a. de vaste Commissie voor Justitie: de nota over de praktische gang van zaken rond adoptie en adoptievoorbereiding (16194);

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.