Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Wet minimunv loon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aan passingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum) (15900).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

©

W. (Wil)  AlbedaMinister Albeda: Mijnheer de Voorzitter! Allereerst spreek ik een woord van erkentelijkheid voor de wijze waarop de discussie tot nu toe heeft plaatsgevonden. Bij alle sprekers -of het nu ging op basis van een fundamentele instemming of op basis van een meer negatieve oordeelsvorming -bestaat de bereidheid, mee te denken en te trachten mede af te wegen. Voor onze erkentelijkheid is te meer reden, omdat wij ons natuurlijk realiseren -zoals reeds in de schriftelijke stukken is gezegd -dat wij toch wel een groot beroep doen op de Kamer, gelet op het tijdsbestek waarin de behandeling moet plaatsvinden. Het ligt voor de hand dat ook door de Kamer hierover het nodige is opgemerkt, vooral door de heer Nypels.

Bij het nemen van de verantwoordelijkheid voor een dergelijke procedure moeten er natuurlijk zaken tegen elkaar worden afgewogen. Verantwoor-de wetgeving vereist zorgvuldige voorbereiding. Daar staat tegenover dat zowel door de Kamerdat bleek overduidelijk bij de behandeling van deze Tiaterie precies een jaar geleden en in juni jl. -als door ons verre de voorkeur wordt gegeven aan structurele wetgeving waaronder voor het eerst een wettelijke basis voor de nettonettokoppeling, boven nieuwe en tijdelijke maatregelen. Het gehele jaar 1979 is tegen de achtergrond van die keuze gewerkt. Aan het begin van dat jaar zijn de desbetreffende adviesaanvragen verzonden. Vervolgens heeft de SER met grote inspanning een advies voorbereid. Door de ingewikkeldheid van de materie kon ondanks de inspanning het advies toch niet eerder worden vastgesteld dan 5 oktober jl. Reeds op 9 november kon het wetsontwerp worden ingediend. Uit de datering alleen kan al blijken wat voor een krachtsinspanning allen die bij de voorbereiding van dit wetsontwerp betrokken zijn geweest, hebben geleverd. Ik sluit mij gaarne aan bij de waarderende woorden die door de Kamer daarover vooral jegens onze ambtelijke medewerkers zijn geuit. Deze door de Kamer uitgesproken waardering stellen de Staatssecretaris en ik ten zeerste op prijs. Een zelfde grote inzet is door de Kamer getoond. Daarvoor zijn wij de Kamer eveneens zeer erkentelijk. Ik zeg dat vooral graag tegen de vertegenwoordigers van de kleinere fracties, en wel met name naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Van der Spek. Dank zij die inzet hebben wij de schriftelijke gedachtenwisseling zodanig kunnen voeren dat thans mondelinge beantwoording verantwoord is. Als ik spreek van 'verantwoord', dan denk ik daarbij ook aan de vele malen dat de materie uitvoerig is uiteengezet, en wel vooral in de nota Bestek '81 en in de daaruit voortvloeiende stukken. Voorts denk ik aan de uitvoerige discussies rond de behandeling van Bestek '81, rond het pakket van 1 januari 1979 en het zogenaamde 1-julipakket. Ook buiten de Kamer heeft zich in en rondom de behandeling in de SER en de Kamer een zeer duidelijke discussie ontwikkeld, terwijl ook allerlei belangenorganisatieszich hebben laten horen. Daarbij is de kritiek zeker niet mals geweest.

V.l.n.r. de kamerleden De Kwaadsteniet (CDA), Terlouw (D'66), Van Thijn (PvdA) en Nypels (D'66)

Grondwet Tweede Kamer

Sociale verzekering 12 december 1979

(aanpassingsmechanismen)

De heer Van der Doef heeft daar terecht aan herinnerd. Desondanks hebben wij toch gemeend, de aanvankelijke beleidsvoornemens om te moeten zetten in wetsontwerpen. Ik zal daar straks nog wel iets over zeggen, maar het volharden op die weg betekent niet dat wij doof en ongevoelig zouden zijn gebleven voor de signalen uit de samenleving. Wij hebben duidelijk de aangevoer-de argumenten gewogen en overwogen. Wij hebben daarmee rekening gehouden bij de uiteindelijke beleidskeuzen. Het thans in behandeling zijnde wetsontwerp draagt daarvan duidelijk de kenmerken, zoals naar ik veronderstel in de loop van de behandeling wel zal blijken. Niemand zal daarbij waarschijnlijk de gedachte hebben dat het bij de voorbereiding van structurele wetgeving zou gaan om overwegingen van systematiek of om de fraaiheid van het systeem op zich zelf, al moet ik zeggen dat ik schoorvoetend tot de conclusie ben gekomen dat het systeem toch eigenlijk wel fraai en logisch in elkaar zit. Voor ons staat echter vast, dat onder de huidige economische omstandigheden aan dit soort maatregelen niet is te ontkomen. Juist omdat het gaat om de vaststelling van de inkomens van zeer grote aantallen mensen, moet de techniek van de koppeling met maximale nauwkeurigheid worden vastgesteld. Dat vraagt een nogal in-gewikkelde en schijnbaar alleen maar technische operatie, die echter wordt ingegeven door overwegingen van billijkheid en evenwicht, overwegingen die ook stap voor stap weer een rol behoren te spelen. Daarbij hebben wij ons voortdurend afgevraagd of de voorgestelde maatregelen, elk op zich zelf genomen en in samenhang met dat geÔntegreerde sociaal-economische beleid verantwoord zouden zijn. Vanuit die keuze hebben wij de voorstellen ingediend en vanuit die benadering hopen wij ze thans te verdedigen. Ik wil graag een opmerking maken over de plaats van het wetsontwerp binnen het sociale beleid. Bij eerdere gelegenheden hebben wij de onderlinge verwevenheid van de verschillende onderwerpen vastgesteld. Dat betekent dat in nota's en wetsontwerpen steeds wordt getracht, de effecten te plaatsen tegenover de samenhangen-de sociaal-economische doelstellingen. Bovendien hebben wij, niet alleen op het gebied van de aanpassingsmechanismen maar over het gehele terrein, een duidelijke voorkeur uitgesproken voor een langeretermijnaanpak en een structurele wetgeving boven noodwetgeving en maatregelenad hoc. Ik denk hierbij aan het samenhangende volumebeleid en de daarop geŽnte maatregelen waarover wij binnenkort in de vaste Commissie voor Sociale Zaken zullen spreken. Ik denk op het terrein van het inkomensbeleid met name aan de raamwet op de inkomensvorming, aan het wetsontwerp over de openbaarheid en aan de wet op de non-profitinstellingen. Bij het arbeidsmarktbeleid denk ik aan de heden bij de Kamer ingezonden notitie Knelpunten Arbeidsmarkt, aan een binnenkort in te zenden gerichte SER-adviesaanvrage over een arbeidsvoorzieningswet, aan het Arbeidsbureau-Nieuwe Stijl en aan het taakstellende beleid. Op het terrein van de arbeidsbescherming denk ik aan de Wet op de Arbeidsomstandigheden, waarvan de nota naar aanleiding van het eindverslag de Kamer over enkele dagen zal bereiken, aan de Subsidieregeling Ar-beidsplaatsenverbetering en aan het project Ontwikkeling Arbeidsinspectie. Bij de sociale zekerheid noem ik in dit verband de uitvoeringsorganisatie, waarover wij binnenkort ook zullen spreken, de integratie van de kinderbijslagwetten en bij voorbeeld ook de voorgenomen integratie van de werknemersverzekeringen. Structurele wetgeving kan uiteraard niet plaatsvinden dan nadat er gedegen SER-adviezen ter beschikking staan.

De heer Van der Doef (PvdA): De Minister noemt een indrukwekkende reeks, waarin hij ook noemt de raamwet inkomensvorming. Ik ken die wet niet; ik ken alleen een adviesaanvrage, zonder dat daarbij een wetsontwerp was besloten.

Minister Albeda: Het is duidelijk dat het wetsontwerp wacht totdat het advies zal zijn ontvangen maar dat aan het wetsontwerp wordt gewerkt. Wij kunnen natuurlijk niet met een wetsontwerp komen voordat de SER op dit punt advies heeft gegeven. Dat betekent dat de huidige voorstellen als vormen van structurele wetgeving zich uitsluitend beperken tot de reeds geadviseerde terreinen. Met betrekking tot de andere onderwerpen zullen wij structurele voorstellen doen zodra wij over de adviezen beschikken. In dit verband begrijp ik eigenlijk niet hoe de heer Van der Doef kan zeggen dat Bestek '81 een ander karakter heeft dan de veel geciteerde 1 %-nota. Ook en met name in Bestek ' 81 worden duidelijk de samenhangen in een

breed sociaal-economisch kader gegeven. Met name in het Bestek zijn demaatregelen in de sfeer van de overdrachtsuitgaven veel breder gespreid dan in de 1 %-nota. Nog minder begrijp ik zijn opmerkingen over het aarzelend op gang komen van het volumebeleid. Zowel uit de memorie van toelichting op de begrotingen voor 1979 en voor 1980 als uit het aanvullend beleid en uit de nog door mij genoemde nota's mag blijken dat het volumebeleid van het begin af aan intensief ter hand is genomen: arbeidsmarktbeleid, scholing, arbeidsplaatsenverbetering, bestrijding van het ziekteverzuim, arbeidsbureausnieuwe stijl en dergelijke. Ik kom dan tot enkele algemene opmerkingen over het inkomens-en arbeidsvoorwaardenbeleid. Ik wil om te beginnen uiteraard wijzen op de economische situatie, die eufemistisch gesproken niet zonder zorgen is. Ons blijft als eerste prioriteit vervolgen het vraagstuk van de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid. Ik noemde al de discussie over het volumebeleid en de knelpunten op de arbeidsmarkt, die aarzelend op gang is gekomen, ook tussen de sociale partners. Ik denk ook aan de voortzetting van het matigingsbeleid, mede in samenhang met de voortzetting van een anti-inflatiebeleid. Ik meen nu niet in details hierop te hoeven ingaan. Duidelijk wil iktoch stellen, dat de afnemende groei aan de ene kant en de wensen, om niet te zeggen de sociale doelstellingen, aan de andere kant ons voor uitermate grote problemen stellen. Het moet naar mijn gevoel -ik herhaal dat nog maar eens -volstrekt duidelijk zijn dat wij van het kabinet ernaar streven zeer bewust een samenhangend sociaal-economisch beleid te voeren. Gegeven de economische situatie, gegeven ook de noodzaak het beleid op een groot aantal terreinen verder uit te stippelen, gegeven voorts de wil om het peil van de collectieve voorzieningen met inachtneming van voorgelegde correcties te handhaven, maar ook gegeven de situatie die na het vastlopen van het arbeidsvoorwaardenoverleg is ontstaan, gegeven al deze punten, zal het niet eenvoudig zijn voor 1980 de koopkracht te handhaven. Niettemin is het kabinet zoals ik al zei bereid bij te dragen de koopkracht tot en met modaal, ook voor de uitkeringsgerechtigden, te handhaven. Daartoe zullen nadere voorstellen vandaag door ons worden gedaan, met name door de Staatssecretaris.

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

Voor het behoud van de welvaartsvaste koppeling, vooral op langere termijn, is medewerking van de sociale partners in de zin van bereidheid terughoudendheid te betrachten ten aanzien van de loonontwikkeling, onontbeerlijk. Ik dank de geachte afgevaardigde de heer De Korte voor zijn lovende woorden. Ik ben mij echter maar al te zeer bewust, dit mede in reactie op de woorden van de heer De Vries dat mijn aanhoudendheid voor het resultaat, matiging in 1980, een rol gespeeld zou hebben, dat die aanhoudendheid weilicht toch niet groot genoeg geweest is. Ik meen het kader dat wij nastreven het beste te kunnen schetsen als volgt. In de eerste plaats doet het kabinet een dringend beroep op de sociale partners, ook op het niveau van de bedrijfstak, matiging te betrachten. Anders dan de geachte afgevaardigde de heer Van der Spek stelt, wordt wel degelijk gewerkt aan een inkomens-politiek kader. In de tweede plaats onderschrijven wij de doelstelling het overleg mede te richten op het behoud respectievelijk bevorderen van werkgelegenheid volgens de lijnen van het helaas op het laatste moment afgesprongen conceptakkoord. In de derde plaats de geleidelijke verkorting van de arbeidsduur, tevens te hanteren als een instrument tot herverdeling van de arbeid. Direct daarmee samenhangend het aanpakken van de knelpunten op de arbeidsmarkt, met name op het punt van onaangename en zware arbeid. Het gaat erom of de sociale partners bereid zijn zich in positieve zin in te zetten voor constructief c.a.o.-overleg op basis van genoemde uitgangspunten. Ik wil daarbij uitdrukkelijk stellen dat het van grote betekenis is, dat de loonontwikkeling in 1980 geen breuk oplevert met de afgelopen jaren. Met de heer De Vries ben ik het eens dat een moment kan komen waarop het kabinet op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de werkgelegenheid en de beloningen van de niet-actieven grenzen stelt aan de in-komensontwikkeling in de particuliere sector. Dit mede in antwoord op hetgeen de heer Nijhof op dit punt heeft opgemerkt. De heer Van Dis legde in zijn betoog een aantal vragen voor met betrekking tot het arbeidsvoorwaarden" en inkomensbeleid, te weten ten aanzien van de trendvolgers, de koopkrachthandhaving via een eventuele fiscale maatregel, een samenhangend inkomens-beleid voor de vrije beroepsbeoefenaren. Over de salarissen van de trendvolgers kan ik kort zijn. Dezer dagen zal een wetsontwerp terzake aan de Kamer worden voorgelegd. Nu de sociale partners niet tot een centraal akkoord zijn gekomen, beraadt het kabinet zich over het al of niet laten doorgaan van de fiscale maatregel. Over het centraal overleg heb ik de Kamer overigens inmiddels schriftelijk geÔnformeerd. De heer Van Dis spreekt over ad hoepolitiek. Toch heb ik de neiging te zeggen dat ad hocmaatregelen niet moeten worden verward met ad hoepolitiek. Er is zeker wel sprake van een afgewogen beleid ten aanzien van de inkomensvorming. Daarbij worden alle belonings-en inkomenselementen betrokken. Zie bij voorbeeld het wetsontwerp openbaarheid van inkomens uit arbeid. Omdat overleg moet plaatsvinden, onder meer omdat adviesaanvragen nodig zijn, krijgt het samenhangend beleid slechts langzaam gestalte. Vooruitlopend op meer structurele wetgeving moeten slechts indien onvermijdelijk ad hocmaatregelen worden genomen. Helaas worden wij van tijd tot tijd voor die onvermijdelijkheid gesteld. Op het prijs-en inkomensbeleid voor de vrije beroepsbeoefenaren, waarnaar de geachte afgevaardigde vraagt, zal mijn collega van EconomN sche Zaken nader ingaan in een brief die de Kamer vermoedelijk nog in januari zal bereiken. Ten aanzien van de welvaartsvaste koppeling is van verschillende zijden ingegaan op de definitieproblematiek. Het begrip 'welvaartsvaste koppeling' wordt gehanteerd in samenhang met en in feite in tegenstelling tot het begrip 'waardevaste koppeling'. In essentie houdt het begrip 'welvaartsvaste koppeling' een koppeling in aan in-komensontwikkeling. Het begrip ' waardevaste koppeling' gaat veeleer om een koppeling aan de prijsontwikkeling. Gegeven het feit dat minimumlonen en sociale uitkeringen inkomens vertegenwoordigen die voor de ontvangers als enig of als hoofdinkomen moeten kunnen functioneren, is koppeling aan de inkomensontwikkeling logisch en consistent. Over de vraag, hoe het inkomenscriterium moet worden ingevuld, is in die zin een vrij grote mate van overeenstenv ning, dat het criterium gezocht wordt in de sfeer van de looninkomens. De gedachte van het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking als criterium vindt enige, maar al met al eigenlijk geringe ondersteuning.

Over de manier waarop dat looninkomen als criterium moet worden in-gevuld, lopen de meningen echter sterk uiteen. Het ene uiterste wordt gevormd door de werknemers in de SER, die de verdiende lonen inclusief de veranderingen binnen hetloongebouw als maatstaf willen nemen, waarbij zij in feite alleen die elementen buiten de aanpassing willen houden, die rechtstreeks tot dubbeltellingen leiden, zoals de vakantietoeslag en de zogenaamde directe minimumlooneffecten. Het andere uiterste wordt gevormd door de werkgevers, die alleen de prijscompensatie voor zover overeengekomen willen meenemen en de initiŽle verhogingen in een bepaalde betekenis, namelijk de verhogingen die alle werknemers ontvangen in het kwartiel ca.o.'s met de laagste stijgingspercentages. Het lijkt mij, als ik de twee standpunten tegenover elkaar stel, dat moeilijk aan de indruk is te ontkomen dat beide partijen zich eigenlijk in een onderhandelingspositie hebben geplaatst. Beide concepties vallen mijns inziens binnen de grondidee van de welvaartsvaste koppeling. Wij hebben echter op geen van beide concepties onze keuze laten vallen, maar een eigen uitwerking aan het begrip 'welvaartsvaste koppeling' gegeven, die de nadelen verbonden aan elk van beide concepties elimineert. In de praktijk komt dat erop neer dat wij eigenlijk een tussenpositie innemen. Globaal aangegeven, vinden wij dat in de door de werknemers voorgestelde uitwerking een aantal beloningselementen ten onrechte in de aanpassing doorwerken. Het gaat daarbij om het sector-en functiegebonden element herstructurering en om het cumulatie veroorzakende gevolg van de indirecte minimumlooneffecten. Daarenboven werkt bij het verdiende loon ook de invoering van toeslagen door, hetgeen naar ons idee ongewenst is. Ik kom daar straks veel uitvoeriger op terug.

De heer Bakker (CPN): Het werkgeversstandpunt komt toch niet neer op een welvaartsvaste indexering? Als de werkgevers alleen de prijscompensatie willen, en dan nog in dat zeer speciale kwartiel, is dat toch juist geen welvaartsvaste indexering?

Minister Albeda: Er is sprake van twee elementen: de prijsontwikkeling en de loonsverhogingen in het kwartiel ca.o.'s met de laagste stijgingspercentages. Die ca.o.'s, die de laagste stijgingspercentages hebben, worden geselecteerd. Dat moet in elk geval worden meegenomen. Ik ben het eens met Tweede Kamer 12 december 1979

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen)

de heer Bakker, dat het een beperkte uitleg van het begrip welvaartsvaste koppeling is. Bovendien worden in de werknemersconceptie naar onze mening ten onrechte verschuivingseffecten tussen bedrijfstakken meegenomen. Het laten doorwerken van deze elementen achten wij in inkomenspolitieke zin niet noodzakelijk en uit een werkgelegenheidsoogpunt ongewenst. Het werkgeversvoorstel daarentegen gaat naar onze mening van een te enge aanpassingsmaatstaf uit. In de eerste plaats worden bewegingen binnen het loongebouw niet gevolgd. Wij willen daarentegen juist de loonontwikkeling volgen van de qua inkomensniveau vergelijkbare werknemers. Dit is een van onze belangrijkste uitgangspunten bij de invulling, zoals de heer De Vries terecht heeft opgemerkt. In de tweede plaats brengt de beperking van de doorwerking van initiŽle loonsverhogingen tot de initiŽle verhogingen van het kwartiel ca.o.'s met de laagste stijgingen en de beperkte definitie van het begrip 'initiŽle loonsverhoging' met zich, dat de relatieve betekenis van het minimimloon in de visie van de werkgevers geleidelijk zal gaan afnemen. Wij achten dat uit een oogpunt van inkomenspolitiek ongewenst en een aantasting van het verworven goed van een minimumloongarantie met een reŽle materiŽle betekenis. Het voorstel, dat in het wetsontwerp is neergelegd, doet naar onze mening zo goed mogelijk recht zowel aan de inkomenspolitieke als aan de werkgelegenheidsaspecten, en vormt zodoende een verantwoorde uitwerking van het begrip welvaartsvaste koppeling. Ik wil thans enkele opmerkingen maken over de halfjaarlijkse automatische verhogingen tegenover bijzondere verhogingen, en over afgeleid beleid tegenover autonoom beleid. Met het opzetten van het nieuwe systeem hebben wij ons op het standpunt gesteld, dat de welvaartsvaste koppeling zoveel mogelijk geÔncorporeerd moest worden in het systeem van de halfjaarlijkse aanpassingen, met andere woorden

©

De Voorzitter: Mag ik de Minister even onderbreken? De Minister-President is thans aanwezig om de aangekondigde verklaring af te leggen. Het lijkt mij dat de Minister nu zijn rede beter even kan onderbreken. De algemene beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De Voorzitter: Ik geef het woord aan de Minister-President tot het afleggen van een verklaring.

©

A.A.M. (Dries) van AgtMinister Van Agt: Mijnheer de Voorzitter! De vergadering van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van de NAVO-landen in Brussel is thans gekomen in haar laatste fase. Ik stel er prijs op, uw Kamer reeds nu mededeling te doen van de verklaring die onzerzijds in die vergadering is afgelegd. Deze verklaring luidt: Nederland erkent de noodzaak van een politiek en militair antwoord op de bedreigende ontwikkeling van de Sovjet LRTNF, dat wil zeggen de kernwapens in de zogenaamde grijze zone, met name van de SS-20-raket en de backfirebommenwerper. Met het oog echter op het belang van de wapenbeheersing en de als einddoel ten aanzien van deze wapens nagestreefde nuloptie, kan Nederland zich thans nog niet verbinden tot stationering van kruisraketten op zijn grondgebied. Nederland zal in december 1981 in overleg met de bondgenoten beslissen aan de hand van het criterium of hetwapenbeheersingsoverleg alsdan succes in de vorm van concrete resultaten heeft opgeleverd. Nederland is daarbij van oordeel dat een stationering van nieuwe wapensystemen op Nederlands grondgebied zal moeten leiden tot een vermindering van de bestaande Nederlandse nucleaire taken. De Nederlandse Regering gaat er daarbij van uit, dat SALT-II in december 1981 zal zijn geratificeerd. In het parlement hebben wij verklaard dat de Regering op zulk een hoofdzaak van beleid niet kan handelen zonder de steun van een parlementaire meerderheid. Bij de bovenstaande verklaring van de Nederlandse Regering moet daarom worden aangetekend, dat daarvoor nog de nodige parlementaire steun moet worden verworven. Tot zover de hedenmiddag afgeleg-de verklaring. Bij deze verklaring meen ik, mijnheer de Voorzitter, tot goed begrip het volgende te moeten aantekenen. 1. In Brussel was niet aan de orde een beslissing tot produktie van nieuwe wapensystemen. Het zijn de Verenigde Staten en zij alleen die daartoe kunnen beslissen en daarvoor verantwoordelijkheid kunnen nemen. Daaraan doet het niet af dat de Verenigde Staten waarschijnlijk pas tot produktie zullen beslissen nadat bij de Europese bondgenoten voldoende bereidheid is gebleken, de nieuwe wapensystemen te stationeren. 2. Het vraagstuk van de modernisering van de LRTNF -de kernwapens van de grijze zone dus -aan NAVO-zij-de is niet van vandaag of gisteren. Van overhaasting in de besluitvorming is dan ook geen sprake. Al in 1977 is de Sovjet-Unie begonnen met de opstelling van SS-20-raketten. Deze onrustbarende ontwikkeling en een aantal andere van dezelfde aard hebben de ministeriŽle vergadering van de zogenaamde Nuclear Planning Group van de NAVO in oktober 1977 doen besluiten tot de instelling van een werkgroep op hoog niveau van deskundigen uit de lidstaten en uit de NAVO-staf. De in Brussel genomen besluiten vloeien uit de rapportage van die werkgroep voort. 3. Later is op initiatief van de Bondsrepublieken van Nederland naast de zojuist genoemde werkgroep een andere geplaatst, die tot taak kreeg zich te wijden aan het vraagstuk van de wapenbeheersing. Dit heeft tot gevolg gehad, althans bevorderd, dat de vandaag in Brussel genomen besluiten sterk op wapenbeheersing gericht zijn. Zo houden zij een aanzienlijke vermindering van het totale aantal kernladingen in West-Europa in. Toegespitst op Nederland komt daar nog bij dat, zonder tegenspraak van de bondgenoten, is vastgelegd dat een stationering van nieuwe wapensystemen in Nederland zal moeten leiden tot een vermindering van de bestaan-de Nederlandse nucleaire taken. 4. Nederland heeft de positie betrokken die wordt beschreven in de hedenmiddag in Brussel afgelegde verklaring, nadat gebleken was dat de bondgenoten niet konden instemmen met de gedachten voor de aanvaarding waarvan het kabinet, zoals het hier heeft toegezegd, zich vele weken op de meest intensieve wijze heeft in-gezet. 5. Bij het bepalen van zijn uiteindelijke standpunt heeft het kabinet, zich bewust van de eigen verantwoordelijkheid die het in ons staatsbestel draagt, met name rekening gehouden met de opvattingen die in de beide Kamers der Staten-Generaal tot uitdrukking zijn gekomen, met de ernstige verontrusting die in ons land over de kernbewapening bestaat en met de positie van de NAVO als een op veiligheid en vre-de georiŽnteerd bondgenootschap. Het lidmaatschap van de NAVO -het is ook hedenmiddag door de Minister van Buitenlandse Zaken verklaard -blijft hoeksteen van het Nederlands buitenlands beleid.

Sociale verzekering (aanpassingsmechanismen) Kernwapens

wLL-fc

©

Minister Van Agt, tijdens het uitspreken van de regeringsverklaring over de modernisering van kernwapens Mijnheer de Voorzitter! De Regering heeft vandaag in de NAVO een eigen positie ingenomen, geÔsoleerd heeft zij zich niet. Tijdens mijn rondreis heb ikdat spreekt vanzelfook gepeild hoe het eventueel betrekken van zulk een positie door de bondgenoten zou worden opgevat. Daarbij is mij gebleken, dat Nederland, al geeft het blijk van een enigszins andere taxatie van wat voor de noodzakelijke wapenbeheersing het meest bevorderlijk is, beschouwd blijft als een goede en betrouwbare bondgenoot. Mijnheer de Voorzitter! Nadere in-formatie over de in Brussel gehouden vergadering zal de Regering uw Kamer zo spoedig mogelijk schriftelijk verschaffen. Zodra ook de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie daartoe in de gelegenheid zijn, zullen wij ons willen verantwoorden, in de overtuiging dat wij naar beste weten en kunnen hebben gehandeld en in het vertrouwen dat het oordeel van uw Kamer dienovereenkomstig zal luiden.

©

J.M. (Joop) den UylDe heer Den Uyl (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb genoteerd dat de Minister-President heeft gezegd de Kamer op zo kort mogelijke termijn nadere informatie te zullen verschaffen. Gisteren heeft de Kamer via u doen weten, dat zij een dergelijke schriftelijke informatie op zo kort mogelijke termijn noodzakelijk acht, ter beoordeling van de houding ingenomen door de Nederlandse Regering en van de besluiten die vandaag in Brussel genomen zijn of op het punt staan genomen te worden. De vergadering in Brussel verkeert volgens de Minister-President in haar laatste fase. De verklaring die de Minister-President zojuist heeft afgelegd roept tal van ernstige vragen op. Vragen naar de wijze waarop het besluit van de Kamer van verleden week aan de orde is gesteld en de wijze waarop aan de toen aanvaarde motie uitvoering is gegeven. Ik acht een beoordeling daar-van uitsluitend mogelijk in het licht van de kennis van de besluitvorming van de vergadering van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie van de NAVO-landen, de tekst van het communiquť en datgene wat als commentaar daaraan wordt verbonden door de deelnemende vertegenwoordigers van de andere NAVO-partners.

Ik verzoek de Regering al hetgeen zich daaromtrent heeft voorgedaan en kan leiden tot duidelijkheid omtrent hetgeen in Brussel is besloten en de houding, die de Nederlandse Regering daar tegenover heeft ingenomen, zo snel mogelijk schriftelijk ter kennis van de Kamer te brengen. Ik neem aan dat dit niet later dan morgenochtend of morgen in de loop van de dag het geval zal kunnen zijn. Ik behoud mij uiteraard voor, de Kamer dan te vragen, op korte termijn met de Regering een discussie hierover te houden. Ik kan mij voorstellen, dat die discussie volgende week plaatsvindt. Ik stel het echter zeer op prijs, als de Minister-President toezegt dat wij de informatie die nodig is ter beantwoording van de zeer ernstige vragen, die door deze verklaring zijn gerezen, morgen in de loop van de dag ontvangen.

©

R.F.M. (Ruud)  LubbersDe heer Lubbers (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik hecht eraan de Minister-President en de Vice-Premier te danken voor de moed, die zij hebben willen tonen om reeds op dit moment met een, zij het korte en sobere verklaring hier Tweede Kamer 12 december 1979

Kernwapens

Achter de katheder, de heer Den Uyl (PvdA) te komen. Ik voeg eraan toe dat die verklaring bij mij ernstige bezorgdheden wegneemt. Met die instelling zullen wij het verdere dossier dat ons is toegezegd gaarne bestuderen.

©

J.C. (Jan)  TerlouwDe heer Terlouw (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil mij graag aansluiten bij het verzoek van de heer Den Uyl om de Kamer de relevante informatie over te leggen, op grond waarvan de Kamer tot een oordeel kan komen over het besluit van de Regering en de stellingname in Brussel. De Minister-President heeft in punt vijf van zijn kanttekeningen gezegd, dat de Regering ernstig rekening heeft gehouden met het standpunt van de Kamer en dat van de bondgenoten. Ik wil graag dat in het stuk dat de Minister-President ons zal schrijven wordt uiteengezet op welke wijze de Regering met het standpunt van de Tweede Kamer rekening heeft gehouden. Op welke wijze heeft zij rekening gehouden met de motie-Stemerdink?

De heer Mommersteeg (CDA): En Brinkhorst!

De heer Terlouw (D'66): Inderdaad, dat maakt het misschien zoveel te meer interessant. Wat mij ook bijzonder interesseert, is het volgende. In de verklaring is niets gezegd over het feit dat de Verenigde Staten eventueel, misschien meer of minder afhankelijk van de bereidheid tot stationering, gaan beslissen over het produceren van 572 raketten. Wat heeft de Regering daarover overwogen? Om welke reden heeft de Regering gemeend om in de verklaring geen enkel oordeel te geven over de vraag, of deze raketten al dan niet moeten worden geproduceerd? Ook al beslist Nederland wellicht niet mee over de produktie, het kan de NAVO-bondgenoten toch niet koud laten, of wij als lid van de NAVO het eens zijn met een dergelijke produktie. Dit heeft een hoofdrol gespeeld in onze discussies. Ik verwonder mij er zeer over, dat daarover in de verklaring niets is te lezen. De reden waarom zou ik graag in het nadere stuk van de Regering willen lezen.

©

R.F.M. (Ruud)  LubbersDe heer Lubbers (CDA): Mijnheer de Voorzitter. Het was kennelijk niet de bedoeling van de heer Den Uyl (noch van mij) om nu reeds met het debat zelf te beginnen. Ik meen dat de heer Terlouw daartoe nu wel een zekere aanzet geeft, nu hij hier stelt dat het woord produktie in de verklaring van de Minister-President niet voorkwam. Dat woord kwam er nu juist wel in voor. Hij heeft aangegeven hoe het verband lag tussen stationering en produktie, waarvoor de Verenigde Staten verantwoordelijk blijven en dat er een oorzakelijk verband ligt tussen het neen zeggen tegen de stationering en de verantwoordelijkheden voor de produktie.

De Voorzitter: Ik sta op dit moment geen discussie toe. De heer Terlouw heeft een concrete vraag ter voorberei ding van het debat gesteld en die heb ik toegelaten.

©

J.G. (Koos)  RietkerkDe heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Nu het niet in de bedoeling ligt om een inhoudelijk debat op dit , moment te voeren, wil ik met een en-*Ľkele opmerking volstaan. De regeringsverklaring heeft bij mijn fractie nog wel een aantal vragen opengelaten. Met name het standpunt dat het kabinet in Brussel heeft vertolkt is mij nog niet in zijn volle omvang duidelijk. Ik ga ervan uit dat wij daar alsnog nader bericht over zullen krijgen.

©

A.A.M. (Dries) van AgtMinister Van Agt: Mijnheer de Voorzitter! Aan het slot van mijn korte verklaring heb ik uitgesproken dat wij ons gaarne ten opzichte van de Kamer willen verantwoorden. Alhoewel wij daartoe staatsrechtelijk verplicht zijn, heb ik verklaard dat wij graag die staatsrechtelijke plicht willen vervullen. In het verlengde daarvan ligt dat ik gaarne uitspreek, de Kamer alle informatie te verschaffen die redelijkerwijze te verschaffen is. Ik moet er eerlijkheidshalve wel aan toevoegen dat de volledigheid van de informatie en de spoed waarom tegelijkertijd wordt gevraagd wel in een zekere spanning tot elkaar staan en wel in het bijzonder daarom, omdat een sleutelfiguur in de kwestie waarom het nu gaat uiteraard is de Minister van Buitenlandse Zaken. Welnu, het is voor de Minister van Buitenlandse Zaken absoluut onmogelijk om morgen ter beschikking te zijn. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft morgen deel te nemen aan een zeer belangrijke vergadering van de NAVO-raad, de NATO-Council, die gaat over de Oost-Westverhoudingen, met name over de vraag hoe wij verder gaan met de MBFR. Dat maakt het vrijwel ondoenlijk om de informatie van zulk een omvang als waarom hier, begrijpelijkerwijze, wordt verzocht, morgen reeds te verschaffen. Daartoe is de aanwezigheid van de Ministervan Buitenlandse Zaken vereist en hij zal morgen niet hier kunnen zijn. Daarom heb ik gezegd zo spoedig mogelijk.

©

De Voorzitter: Ik stel voor, over de verklaring van de Minister-President en de toegezegde nadere informatie te discussiŽren woensdag 19 december a.s. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik stel verder voor, over de eventuele tijdens dat debat ingediende moties te stemmen in diezelfde vergadering. Daartoe wordt besloten.

Kernwapens

De Voorzitter: Ik stel ten slotte voor, over de spreektijden een nadere beslissing te nemen dinsdag 18 decenv ber a.s. Daartoe wordt besloten. De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.