Nader gewijzigd ontwerp van wet - Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

NADER GEWIJZIGD ONTWERP VAN WET 14 december 1979

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, dat in het belang van een evenwichtige inkomensontwikkeling de wijzen van aanpassing van het minimumloon, een aantal sociale verzekeringsuitkeringen en enige andere uitkeringen worden herzien en nader worden geregeld en dat ten aanzien van de minimumvakantiebijslag nadere voorzieningen worden getroffen; dat regelen worden vastgesteld inzake de hoogte van een sociaal mini-mum; dat aan de gevolgen van de tijdelijke afwijking van het indexcijfer, geregeld bij de wet van 28 juni 1979 (Stb. 1979, 346) een permanent karakter wordt verleend; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. WET MINIMUMLOON EN MINIMUMVAKANTIEBIJSLAG

ARTIKEL I

De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968,657) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1°. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van dat lid door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd: h. loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 34a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964; i. eindejaarsuitkeringen.

9 vel

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

2°. In het vierde lid wordt in plaats van «in het eerste lid, onder c-q» gelezen: in het eerste lid, onder c-i.

  • B. 
    Artikel 14 wordt gewijzigd als volgt:

1°. Het eerste tot en met het vijfde lid worden gelezen als volgt: 1. Het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, wordt door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli wordt, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, dit bedrag verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. Het op grond van de voorgaande leden berekende bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van f 1,30. Indien het restbedrag f 0,65 bedraagt, geschiedt de afronding naar boven. 4. Gelijktijdig met de in het eerste lid bedoelde herziening herziet Onze Minister de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder b en c, en wel in dier voege, dat het onder b genoemde bedrag wordt gesteld op 3/13 en het onder c genoemde bedrag op 3/65 van het op grond van het eerste lid herziene bedrag. 5. De overeenkomstig de voorgaande leden herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, met dien verstande dat de afronding, bedoeld in het derde lid, bij de eerstvolgende toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijft.

2°. Het bestaande vierde en vijfde lid worden vernummerd tot zesde en zevende lid. 3°. Het bestaande zesde lid vervalt. 4°. In de tweede volzin van het nieuwe zesde lid wordt in plaats van «het bepaalde in het tweede lid» gelezen: het bepaalde in het eerste lid. 5°. In het nieuwe zevende lid wordt in plaats van «in het vorige lid» en «in het tweede lid» gelezen: «in het zesde lid» onderscheidenlijk «in het eerste lid». 6°. Het bestaande zevende en achtste lid worden vernummerd tot achtste en negende lid. 7°. In het nieuwe negende lid wordt in plaats van «het bepaalde in het tweede lid» gelezen: het bepaalde in het eerste lid.

  • C. 
    Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid wordt in plaats van «7 %» gelezen: 7,5%. 2°. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 4. Onze Minister vraagt in februari 1982 en vervolgens telkenmale na verloop van een termijn van drie jaren aan de Sociaal-Economische Raad advies over de vraag of de ontwikkeling van het niveau van de in collectieve ar-Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

beidsovereenkomsten overeengekomen vakantiebijslag een verhoging van de minimumvakantiebijslag wenselijk maakt. Indien zich naar het oordeel van Onze Minister ter zake een ontwikkeling voordoet die zulks wenselijk maakt, kan hij reeds voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip dan wel voor het einde van een termijn als in de eerste volzin bedoeld, advies vragen onder vermelding van die ontwikkeling. Alsdan worden de volgende termijnen van drie jaren gerekend vanaf de dag, waarop de Minister advies heeft gevraagd. Nadat een advies als in dit lid bedoeld is uitgebracht, kan, indien hiertoe naar Ons oordeel aanleiding bestaat, bij algemene maatregel van bestuur het percentage, genoemd in artikel 15, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, worden verhoogd; daarbij kan tevens een minimumbedrag worden vastgesteld voor de aanspraak van de werknemer jegens zijn werkgever ingevolge het eerste lid.

  • D. 
    Artikel 16 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid wordt in plaats van «7%» gelezen: 7,5%. 2°. Aan het eerste lid wordt toegevoegd: en deze, indien toepassing is gegeven aan artikel 15, vierde lid, niet lager is dan het krachtens dat lid vastgestelde minimumbedrag. 3°. In de eerste volzin van het tweede lid wordt na «Voorts kan» ingevoegd:, onverminderd het bepaalde aan het slot van het eerste lid,.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL II

Bij de herziening per 1 januari 1980 van de bedragen van het minimumloon ingevolge de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt voor de toepassing van artikel 14 van die wet het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de bedragen, zoals die per 1 juli 1979 zijn vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

HOOFDSTUK II. ALGEMENE OUDERDOMSWET

ARTIKEL III

De Algemene Ouderdomswet (Stb. 1965,429) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    Artikel 8 wordt vervangen door:

Artikel 8.1. Het bruto-ouderdomspensioen wordt zodanig vastgesteld, dat: a. het netto-ouderdomspensioen per maand van een gehuwde man gelijk is aan het nettominimumloon per maand; b. het netto-ouderdomspensioen per maand van een ongehuwde gelijk is aan 70% van het netto-ouderdomspensioen per maand van een gehuwde man. 2. Onder het in het vorige lid bedoelde netto-ouderdomspensioen van een gehuwde man wordt verstaan het in het zesde lid, onder a, bedoelde bruto-ouderdomspensioen van een gehuwde man, na aftrek van: a. de daarvan, met toepassing van de grijze loonbelastingtabellen, in te houden loonbelasting, en b. de premie voor de bejaardenverzekering ingevolge de Ziekenfondswet, verschuldigd in de laagste inkomensklasse. 3. Onder het in het eerste lid bedoelde netto-ouderdomspensioen van een ongehuwde wordt verstaan het in het zesde lid, onder b, bedoelde bruto ouderdomspensioen van een ongehuwde, na aftrek van: a. de daarvan, met toepassing van de grijze loonbelastingtabellen, in te houden loonbelasting, en Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • de premie voor de bejaardenverzekering ingevolge de Ziekenfondswet, verschuldigd in de laagste inkomensklasse. 4. Onder het in het eerste lid bedoelde nettominimumloon wordt verstaan het in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en mini-mumvakantiebijslag bedoelde bedrag, na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge deze wet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend mettoepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, over het in de vorige volzin bedoelde bedrag, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 5. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 6. Het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de vorige leden, bedraagt per maand: a. voor de gehuwde man en voor de gehuwde vrouw, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, f 1 383,50; b. voor de overige rechthebbenden f 944,50. 7. Het vorige lid, onder a, is niet van toepassing, indien de man en de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting beiden recht op ouderdomspensioen hadden verkregen.
  • B. 
    Artikel 9 wordt vervangen door:

Artikel 9.1. De bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, worden door Onze Minister telkens herzien indien en voor zover er in de in artikel 8, eerste lid, bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 2. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt. 3. De op grond van de vorige leden herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid. 4. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. C. 1. In Artikel 10, eerste lid, wordt «artikel 8, eerste lid» vervangen door: artikel 8, zesde lid, onder b. 2. In het tweede lid wordt «artikel 8, tweede lid» vervangen door: artikel 8, zesde lid, onder a. 3. Het zesde lid vervalt.

  • D. 
    Artikel 22a, eerste lid, wordt vervangen door:

Artikel 22a. 1. Degene, die over een maand recht heeft op ouderdomspensioen, heeft over die maand tevens recht op vakantie-uitkering.

  • E. 
    Artikel 22b wordt vervangen door:

Artikel 22b. 1. De bruto-vakantie-uitkering wordt zodanig vastgesteld, dat: a. de netto-vakantie-uitkering per maand van een gehuwde man gelijk is aan de nettominimumvakantiebijslag per maand; b. de netto-vakantie-uitkering per maand van een ongehuwde gelijk is aan 70% van de netto-vakantie-uitkering per maand van een gehuwde man.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Onder de in het vorige lid bedoelde netto-vakantie-uitkering van een gehuwde man, wordt verstaan de in het zesde lid, onder a, bedoelde bruto-va-kantie-uitkering van een gehuwde man na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting met toepassing van de grijze tabel voor bijzondere beloningen. 3. Onder de in het eerste lid bedoelde netto-vakantie-uitkering van een ongehuwde, wordt verstaan de in het zesde lid, onder b, bedoelde bruto-vakan-tie-uitkering van een ongehuwde, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting met toepassing van de grijze tabel voor bijzondere beloningen. 4. Onder de in het eerste lid bedoelde nettominimumvakantiebijslag wordt verstaan de brutovakantiebijslag, waarop degene, die aanspraak heeft op het in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde minimumloon, ingevolge artikel 15 van die wet aanspraak heeft, na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge deze wet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene tabel voor bijzondere beloningen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, over het in de vorige volzin bedoelde bedrag, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 5. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 6. De bruto-vakantie-uitkering, vastgesteld met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de vorige leden, bedraagt per maand: a. voor degene, die recht heeft op een ouderdomspensioen, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a, f 96,85; b. voor degene, die recht heeft op een ouderdomspensioen, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder b, f 66,12. 7. In de gevallen, dat op het ouderdomspensioen, genoemd in artikel 8, zesde lid, met toepassing van artikel 10 een korting wordt toegepast, wordt op de in het vorige lid genoemde bruto-vakantie-uitkering, een evenredige korting toegepast.
  • F. 
    Onder vernummering van de artikelen 22c en 22d in 22e en 22f, worden na artikel 22b, twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 22c. 1. De bedragen, genoemd in artikel 22b, zesde lid, worden door Onze Minister telkens herzien, indien en voor zover er in de in artikel 22b, eerste lid, bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 2. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt. 3. De op grond van de vorige leden herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 22b, zesde lid. 4. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de bedragen, genoemd in artikel 22b, zesde lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. Artikel 22d. 1. Eenmaal per jaar vindt ambtshalve uitbetaling van de va-kantie-uitkering plaats. 2. De in het vorige lid bedoelde uitbetaling vindt plaats in de maand mei en omvat de vakantie-uitkering, waarop recht bestond over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • G. 
    In het tot artikel 22f vernummerde artikel 22d, wordt «artikel 22b, twee-de lid» vervangen door: artikel 22d.
  • H. 
    1. In artikel 36a, vijfde lid, vervalt telkens «per jaar». 2. In het zesde lid wordt «22b, tweede lid, en 22d» vervangen door: 22d en 22f. I. In artikel 40, tweede lid, wordt «artikel 22c» vervangen door: artikel 22e.
  • J. 
    In artikel 41, eerste lid, wordt «artikel 22c» vervangen door: artikel 22e. K. Artikel 60a, eerste en tweede lid, worden vervangen door: 1. Indien in een pensioentoezegging van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze ten aanzien van de pensioenaanspraken ingevolge de pensioen-regeling van dat fonds of van die werkgever met de pensioenaanspraken in-gevolge deze wet geheel of gedeeltelijk rekening wordt gehouden, dient met betrekking tot deze bepalingen in acht te worden genomen: 1°. dat ten aanzien van de actieve deelnemers aan de pensioenregeling de aanspraken op het verschil tussen het ouderdomspensioen genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a en b, en ten hoogste f 1 154,67 onderscheidenlijk f 814,75, alsmede op de vakantie-uitkering, bedoeld in hoofdstuk III, § 3, buiten beschouwing blijven; 2°. dat ten aanzien van degenen, voor wie de actieve deelneming aan de pensioenregeling is beëindigd, het verschil tussen het ouderdomspensioen, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a en b, en ten hoogste f 1 154,67 onderscheidenlijkf 814,75, alsmede de vakantie-uitkering, bedoeld in hoofdstuk lil, § 3, buiten beschouwing blijft. De onder 1° en 2° genoemde bedragen worden telkens herzien met hetzelf-de percentage als waarmee het minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag op grond van artikel 14, eerste, zesde of zevende lid, van die wet met ingang van een na 31 december 1979 gelegen datum wordt herzien. De overeenkomstig de vorige volzin herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd onder 1° en 2°. 2. Onze Minister maakt bij elke herziening van het ouderdomspensioen ingevolge deze wet het gedeelte van dit ouderdomspensioen, dat buiten beschouwing blijft, bekend in de Nederlandse Staatscourant.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL IV

  • De bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a en b, van de Algemene Ouderdomswet, zoals die van 1 januari 1980 af gelden of zullen gelden, worden verhoogd ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling van de gepensioneerden ingevolge die wet. Deze verhoging wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. De ingevolge het vorige lid verhoogde bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, met dien verstande, dat de verhoging voor de toepassing van artikel 8, eerste, tweede en derde lid, en artikel 9 van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening ingevolge artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a en b, van die wet met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum, wordt bij algemene maatregel van bestuur op de in het eerste lid bedoelde verhoging met in-gang van de datum van die herziening een vermindering toegepast, indien

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

en voor zover de koopkrachtontwikkeling van de gepensioneerden ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bezien tegen de achtergrond van het doel van de verhoging, daartoe ruimte biedt. 4. De ingevolge het vorige lid herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 9 van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. Wanneer bij een herziening ingevolge artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet van de bedragen, genoemd in artikel 8, zesde lid, van die wet met toepassing van het derde lid de in het eerste lid bedoelde verhoging tot nihil is verminderd, vervalt dit artikel.

ARTIKEL V

  • In afwijking van artikel 23, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet worden de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan een verhoging van de bedragen bedoeld in artikel 8, zesde lid, van die wet, overeenkomstig artikel IV, gevonden door een bijdrage van het Rijk, die in het in artikel 24 van de Algemene Ouderdomswet bedoelde Ouderdomsfonds wordt gestort. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Financiën kunnen ter zake van het vorige lid nadere regelen stellen. Bij die regelen kan tevens worden bepaald op welke wijze de in het vorige lid bedoelde bijdrage wordt vastgesteld.

ARTIKEL VI

  • Voor de toepassing van artikel 22d, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 22b, zesde lid, onder a, van die wet: a. f 94,15 over de kalendermaanden mei en juni 1979; b. f 95,87 over de kalendermaanden juli, augustus en september 1979; c. f 96,85 over de kalendermaanden oktober, november en december 1979. 2. Voor de toepassing van artikel 22d, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, bedraagt de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 22b, zesde lid, onder b, van die wet: a. f 64,37 over de kalendermaanden mei en juni 1979; b. f 65,45 over de kalendermaanden juli, augustus en september 1979; c. f 66,12 over de kalendermaanden oktober, november en december 1979. 3. De vorige leden vinden slechts toepassing ten aanzien van vakantie-uitkeringen, ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk III, § 3, van de Algemene Ouderdomswet op een na 31 december 1979 gelegen datum moeten worden uitbetaald.

ARTIKEL VII

  • In het Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel 24 van de Algemene Ouderdomswet wordt met ingang van het kalenderjaar 1980 een extra bijdrage van het Rijk gestort. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Financiën stellen de in het vorige lid bedoelde bijdrage vast. Tevens kunnen zij de in het vorige lid bedoelde bijdrage van het Rijk herzien. 3. Een besluit tot vaststelling of herziening van de in het eerste lid bedoel-de bijdrage van het Rijk wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

  • Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Financiën kunnen voorschriften geven inzake de afdracht van de in het eerste lid bedoelde bijdrage van het Rijk aan het Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel 24 van de Algemene Ouderdomswet.

HOOFDSTUK III. ALGEMENE WEDUWEN EN WEZENWET

ARTIKEL VIII

De Algemene Weduwen-en Wezenwet (Stb. 1965, 429) wordt gewijzigd als volgt: A. 1. In artikel 19, eerste lid, wordt «11334 gulden per jaar» vervangen door: f 944,50 bruto per maand. 2. In het tweede lid wordt «16602 gulden per jaar» vervangen door: f 1 383,50 bruto per maand.

  • B. 
    1. In artikel 20, onderdeel a, wordt «3 672 gulden per jaar» vervangen door: f 306,-bruto per maand. 2. In onderdeel b wordt «5 394 gulden per jaar» vervangen door: f 449,50 bruto per maand. 3. In onderdeel c wordt «7 032 gulden per jaar» vervangen door: f 586,-bruto per maand.
  • C. 
    Artikel 21 wordt vervangen door:

Artikel 21.1. Het in artikel 19, eerste lid, genoemde bedrag is gelijk aan het in artikel 8, zesde lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag. 2. Het in artikel 19, tweede lid, genoemde bedrag is gelijk aan het in artikel 8, zesde lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag. 3. De in artikel 20, onder a, b en c genoemde bedragen zijn gelijk aan onderscheidenlijk 32%, 48% en 64% van het in artikel 8, zesde lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedrag. 4. De bedragen, genoemd in de artikelen 19 en 20 worden met inachtneming van de vorige leden door Onze Minister telkens herzien indien en voor zover de in artikel 8, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden herzien. 5. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van dezelfde dag, waarop de herziening van de bedragen genoemd in artikel 8, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, plaatsvindt. 6. De op grond van de vorige leden herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in de artikelen 19 en 20. 7. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de bedragen, genoemd in de artikelen 19 en 20, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. 8. Indien in een pensioentoezegging van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen, krachtens welke op het uit te keren pensioen een uitkering ingevolge deze wet geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht, dient bij de toepassing van deze bepalingen in acht te worden genomen, dat een verhoging van de uitkering ingevolge deze wet als gevolg van dit artikel, welke plaatsvindt na ingang van een pensioen of na het verkrijgen van een recht op uitgesteld pensioen, niet in mindering wordt gebracht. Onze Minister is bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de vorige volzin ten aanzien van pensioenvoorzieningen, die op gelijkwaardige wijze zijn geregeld als de pensioenvoorziening ingevolge de Pensioenwet 1922 (Stb. 240) of ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • D. 
    Artikel 21a, eerste en tweede lid, worden vervangen door:
  • Indien in een pensioentoezegging van een pensioenfonds of van een werkgever bepalingen zijn of worden opgenomen krachtens welke op enigerlei wijze ten aanzien van de pensioenaanspraken ingevolge de pensioen-regeling van dat fonds of van die werkgever met de aanspraken ingevolge deze wet geheel of gedeeltelijk rekening wordt gehouden, dient met betrekking tot deze bepalingen in acht te worden genomen: 1°. dat ten aanzien van de actieve deelnemers aan een pensioenregeling de aanspraken op het verschil tussen de uitkeringen, genoemd in de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20, onder a, b en c, en ten hoogste onderscheidenlijk f 814,75, f 1 154,67, f 262,50, f 387,75 en f 503,75, alsmede op de vakantie-uitkering, bedoeld in Hoofdstuk III, §5, buiten beschouwing blijven; 2°. dat ten aanzien van degenen, voor wie een pensioen is ingegaan of die een recht op uitgesteld pensioen hebben verkregen het verschil tussen de uitkeringen, genoemd in de artikelen 19, eerste en tweede lid, en 20, onder a, bene, enten hoogste onderscheidenlijk f 814,75, f 1 154,67, f 262,50, f 387,75 en f 503,75, alsmede de vakantie-uitkering, bedoeld in Hoofdstuk III, § 5, buiten beschouwing blijft. De onder 1°en 2° genoemde bedragen worden telkens herzien met hetzelf-de percentage als waarmee het minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag op grond van artikel 14, eerste, zesde of zevende lid, van die wet met ingang van een na 31 december 1979 gelegen datum wordt herzien. De overeenkomstig de vorige volzin herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd onder 1° en 2°. 2. Onze Minister maakt bij elke herziening van de uitkeringen ingevolge deze wet het gedeelte van deze uitkeringen, dat buiten beschouwing blijft, bekend in de Nederlandse Staatscourant.
  • E. 
    Artikel 37a wordt vervangen door:

Artikel 37a. Degene, die over een maand recht heeft op pensioen heeft over die maand tevens recht op vakantie-uitkering.

  • F. 
    Artikel 37b wordt vervangen door:

Artikel 37b. 1. De vakantie-uitkering van degene, die recht heeft op een pensioen, genoemd in artikel 19, eerste lid, bedraagtf 66,12 bruto per maand. 2. De vakantie-uitkering van degene, die recht heeft op een pensioen, genoemd in artikel 19, tweede lid, bedraagtf 96,85 bruto per maand. 3. De vakantie-uitkering van degene, die recht heeft op een pensioen, genoemd in artikel 20, onder a, b en c, bedraagt onderscheidenlijkf 21,42, f 31,47 en f 41,02 bruto per maand. 4. Indien met toepassing van artikel 17, tweede lid, onder 1°, het wezenpensioen, genoemd in artikel 20, onder c, een vermindering heeft ondergaan, wordt op de vakantie-uitkering, genoemd in het vorige lid, een evenredige vermindering toegepast. 5. Indien met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 30a het pensioen een vermindering heeft ondergaan, wordt op de vakantie-uitkering, genoemd in de vorige leden, een evenredige vermindering toegepast. 6. Onze Minister kan nadere regelen stellen ter berekening van de vakan-tie-uitkering van degene, wiens pensioen met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 30a is verminderd en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid geen recht heeft op een vakan-tie-uitkering ingevolge die wetgeving.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • G. 
    Artikel 37c wordt vervangen door:

Artikel 37c. 1. De in artikel 37b, eerste lid, genoemde vakantie-uitkering is gelijk aan de vakantie-uitkering, genoemd in artikel 22b, zesde lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet. 2. De in artikel 37b, tweede lid, genoemde vakantie-uitkering is gelijk aan de vakantie-uitkering, genoemd in artikel 22b, zesde lid, onder a, van de AI-gemene Ouderdomswet. 3. De in artikel 37b, derde lid, genoemde vakantie-uitkering is gelijk aan onderscheidenlijk 32%, 48% en 64% van de vakantie-uitkering, genoemd in artikel 22b, zesde lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet. 4. De bedragen, genoemd in artikel 37b, worden met inachtneming van de vorige leden door Onze Minister telkens herzien indien en voor zover de in artikel 22b, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet genoemde bedragen worden herzien. 5. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van dezelfde dag, waarop de herziening van de bedragen, genoemd in artikel 22b, zesde lid, van de Algemene Ouderdomswet, plaatsvindt. 6. De op grond van de vorige leden herziene bedragen treden in plaats van de bedragen, genoemd in artikel 37b. 7. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de bedragen, genoemd in artikel 37b, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. H. Onder vernummering van de artikelen 37d en 37e in 37e en 37f, wordt na artikel 37c een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 37d. 1. Eenmaal per jaar vindt ambtshalve uitbetaling van de va-kantie-uitkering plaats. 2. De in het vorige lid bedoelde uitbetaling vindt plaats in de maand mei en omvat de vakantie-uitkering, waarop recht bestond over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.

  • I. 
    In het tot artikel 37f vernummerde artikel 37e, wordt «artikel 37b, twee-de lid» vervangen door: artikel 37d.
  • J. 
    In artikel 52, tweede lid, wordt «artikel 37d» vervangen door: artikel 37e. K. In artikel 53, eerste lid, wordt «artikel 37d» vervangen door: artikel 37e.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL IX

  • In afwijking van artikel 38, eerste lid, van de Algemene Weduwen-en Wezenwet worden de middelen tot dekking van de uitgaven, verbonden aan een verhoging van de bedragen, bedoeld in de artikelen 19 en 20 van die wet, die het gevolg is van artikel IV, gevonden door een bijdrage van het Rijk, die in het in artikel 39 van de Algemene Weduwen-en Wezenwet bedoelde Weduwen-en Wezenfonds wordt gestort. 2. Onze Ministervan Sociale Zaken en Onze Ministervan Financiën kunnen ter zake van het vorige lid nadere regelen stellen. Bij die regelen kan tevens worden bepaald op welke wijze de in het vorige lid bedoelde bijdrage wordt vastgesteld.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

ARTIKEL X

  • Voor de toepassing van artikel 37d, tweede lid, van de Algemene We-duwen-en Wezenwet, bedraagt de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 37b, eerste lid, van die wet: a. f 64,37 over de kalendermaanden mei en juni 1979; b. f 65,45 over de kalendermaanden juli, augustus en september 1979; c. f 66,12 over de kalendermaanden oktober, november en december 1979. 2. Voor de toepassing van artikel 37d, tweede lid, van de Algemene We-duwen-en Wezenwet, bedraagt de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 37b, tweede lid, van die wet: a. f94,15 over de kalendermaanden mei en juni 1979; b. f95,87 over de kalendermaanden juli, augustus en september 1979; c. f 96,85 over de kalendermaanden oktober, november en december 1979. 3. Voor de toepassing van artikel 37d, tweede lid, van de Algemene We-duwen-en Wezenwet, bedraagt de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 37b, derde lid, van die wet: a. onderscheidenlijk f 20,83, f 30,63 en f 39,90 over de kalendermaanden meien juni 1979; b. onderscheidenlijk f 21,18, f 31,15 en f 40,60 over de kalendermaanden juli, augustus en september 1979; c. onderscheidenlijk f 21,42, f 31,47 en f 41,02 over de kalendermaanden oktober, november en december 1979. 4. De vorige leden vinden slechts toepassing ten aanzien van vakantie-uitkeringen, die ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk III, § 5, van de Algemene Weduwen-en Wezenwet op een na 31 december 1979 gelegen datum moeten worden uitbetaald.

ARTIKEL XI

  • In het Weduwen-en Wezenfonds, bedoeld in artikel 39 van de Algemene Weduwen-en Wezenwet, wordt met ingang van het kalenderjaar 1980 een bijdrage van het Rijk gestort. 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Financiën stellen de in het vorige lid bedoelde bijdrage vast. Tevens kunnen zij de in het vorige lid bedoelde bijdrage van het Rijk herzien. 3. Een besluit tot vaststelling of herziening van de in het eerste lid bedoel-de bijdrage van het Rijk wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. 4. Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Minister van Financiën kunnen voorschriften geven inzake de afdracht van de in het eerste lid bedoelde bijdrage van het Rijk aan het Weduwen-en Wezenfond, bedoeld in artikel 39 van de Algemene Weduwen-en Wezenwet.

HOOFDSTUK IV. ALGEMENE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSWET

ARTIKEL XII

De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1977,496), zoals deze zal luiden, indien het bij Onze Boodschap van 30 augustus 1979 ingediende ontwerp van wet houdende nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen) kracht van wet heeft gekregen, wordt gewijzigd als volgt:

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • A. 
    Artikel 10, eerste lid, wordt gelezen als volgt: 1. Voor de vaststelling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, een grondslag.
  • B. 
    Artikel 11 wordt gelezen als volgt:

Artikel 11.1. De grondslagen bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vier-de lid, worden door Onze Minister zodanig vastgesteld dat bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer: a. de nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de in artikel 10, vierde lid, bedoelde grondslag gelijk is aan het nettominimumloon; b. de nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de in artikel 10, derde lid, bedoelde grondslag gelijk is aan 85% van de onder a bedoelde nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering; c. de nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de in artikel 10, tweede lid, bedoelde grondslag voor uitkeringsgerechtigden van 21 jaar en ouder, gelijk is aan 70% van de onder a bedoelde nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering; d. de nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de overige in artikel 10, tweede lid, bedoelde grondslagen voor een uitkeringsgerechtigde van 20 jaar, 19 jaar en van 18 jaar gelijk zijn aan onderscheidenlijk 90%, 80% en 70% van de onder c bedoelde nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering. 2. Onder het in het eerste lid, onder a bedoelde nettominimumloon, wordt verstaan het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 van die wet, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de socialeverzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting" en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, over het minimumloon onderscheidenlijk de minimumvakantiebijslag, in de vorige volzin bedoeld, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 3. Indien ingevolge een der socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 4. Onder nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan een bedrag gelijk aan 21,75 maal de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, vermeerderd met de daarover berekende uitkering, bedoeld in artikel 53, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies in-gevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Wedu-wen-en Wezenwet worden berekend met toepassing van de groene loonbe-lasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, indien het betreft een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de grondslagen bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en voor een in tariefgroep 2 ingedeelde werknemer, indien het betreft een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar de grondslagen bedoeld in artikel 10, tweede lid. C. Na artikel 11 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ArtikelHa. 1. De grondslagen bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid, worden door Onze Minister telkens herzien, indien en voor zover er in de in artikel 11, eerste lid, bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 2. Een herziening overeenkomstig het vorige lid vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt. 3. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de grondslagen in verband met het bepaalde in de vorige leden wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. 4. De in artikel 10, vijfde lid, bedoelde grondslagen worden herzien naar evenredigheid van een herziening van de grondslagen, bedoeld in artikel 10, tweede lid. 5. De op grond van de vorige leden herziene grondslagen treden in de plaats van de in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, bedoelde grondslagen. D. In artikel 35, derde lid, wordt na «niet uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen» ingevoegd: «alsmede van de niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen» en telkens na «arbeidsongeschiktheidsuitkering»: «en vakan-tie-uitkering».

  • E. 
    In artikel 48, tweede lid, onder c, wordt: «artikel 11» vervangen door: artikel 11a.
  • F. 
    Artikel 53 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid wordt «7 pet.» gewijzigd in: 7,5 pet. 2°. Na het derde lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende: 4. Indien het percentage van de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met toepassing van artikel 15, vierde lid, van die wet wordt gewijzigd, wordt het percentage van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering bij algemene maatregel van bestuur dienovereenkomstig gewijzigd. Het aldus gewijzigde percentage treedt in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage en wordt verleend over het bedrag van arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag, waarop de in de eerste volzin bedoelde wijziging ingaat. 5. Indien opgrond van het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor de minimumvakantiebijslag een minimumbedrag wordt vastgesteld, wordt bij algemene maatregel van bestuur een overeenkomstige voorziening getroffen voor de toepassing van deze wet.
  • G. 
    In artikel 79, eerste lid, onder a, wordt: «artikel 11» vervangen door: artikel 11a.
  • H. 
    Artikel 97 vervalt.

ARTIKEL XIII

Indien het bij Onze Boodschap van 30 augustus 1979 ingediende ontwerp van wet houdende nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen) kracht van wet heeft gekregen, vervalt daarvan artikel V, zevende lid.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XIV

  • De overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet vast te stellen grondslagen per 1 januari 1980 worden verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling van de uitkeringsgerechtigden ingevolge die wet. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • De ingevolge het vorige lid verhoogde grondslagen treden in de plaats van de grondslagen genoemd in artikel 10 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van de artikelen 11 en 11a van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening van de grondslagen op grond van het bepaalde in artikel 11a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum worden bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslagen met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling van de uitkeringsgerechtigden ingevolge die wet, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen, daartoe ruimte biedt. 4. De ingevolge het vorige lid herziene grondslagen treden in de plaats van de grondslagen, genoemd in artikel 10 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van de artikelen 11 en 11 a van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. De in artikel 10, vijfde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet bedoelde grondslagen worden op en na 1 januari 1980 nader vastgesteld op het bedrag, dat wordt gevormd door de in dat lid bedoelde grondslag vermeerderd met een toeslag welke wordt vastgesteld naar evenredigheid van de in het eerste lid bedoelde, eventueel ingevolge het vierde lid herziene, toeslag op de in artikel 10, tweede lid, genoemde grondslag. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslagen tot nihil zijn verminderd vervalt dit artikel.

ARTIKEL XV

Over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan mei 1980, bedraagt de vakantie-uitkering, in afwijking van het bepaalde in artikel 53, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, voor zover deze betrekking heeft op het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in de maanden mei 1979 tot en met december 1979,7 pet.

HOOFDSTUK V. WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

ARTIKEL XVI

De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977,492) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    In artikel 14, derde lid, wordt «met inachtneming van de hieromtrent door Onze Minister te stellen regelen» vervangen door: overeenkomstig het gestelde in artikel 14a.
  • B. 
    Na artikel 14 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14a. 1. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt zodanig vastgesteld, dat de nettoarbeidsongeschikth'eidsuitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer gelijk is aan het nettominimumloon. 2. Onder nettoarbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het vorige lid, wordt verstaan een bedrag, gelijk aan 21,75 maal de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, vermeerderd met de daarover berekende uitkering als bedoeld in artikel 59b, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, het daarvan in te houden bedrag als bedoeld in artikel 79a en de daarvan in te houden loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Onder nettominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimunv loon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 van die wet, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, over het mini-mumloon onderscheidenlijk de minimumvakantiebijslag, als in de vorige volzin bedoeld, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en deze wet. 4. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 5. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt door de Sociale Verzekeringsraad telkens herzien indien en voor zover er in de in het eerste lid bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 6. Een herziening overeenkomstig het vorige lid vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt.
  • C. 
    Artikel 15 wordt gelezen als volgt:

Artikel 15. 1. De daglonen worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, de daglonen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. De overeenkomstig de vorige leden herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de daglonen bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald, dat de herziening verschilt naar gelang de hoogte van de daglonen. De ingevolge de vorige volzin herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening met dien verstande, dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 5. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 6. Indien een herziening van de daglonen bedoeld in het eerste of vierde lid leidt tot een dagloon dat lager is dan het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt dit dagloon in de gevallen waarin dit op de dag Eerste Kamerzitting 1979-1980,15900, nr. 36

voorafgaande aan de datum van ingang van bedoelde herziening ten minste gelijk was aan het op die dag geldende minimumdagloon vastgesteld op eerstbedoeld minimumdagloon. Wanneer het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt herzien opeen ander tijdstip dan een tijdstip waarop een herziening, als bedoeld in het eerste of vierde lid, plaatsvindt, wordt voor de uitkeringsgerechtigden wier uitkering op de dag voorafgaan-de aan het eerstbedoelde tijdstip naar het minimumdagloon werd berekend, het dagloon op het herziene minimumdagloon vastgesteld. Indien een herziening als bedoeld in de vorige volzin plaatsvindt, worden de daglonen welke op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van die herziening hoger zijn dan het minimumdagloon doch lager dan het herziene minimumdagloon eveneens op laatstbedoeld minimumdagloon vastgesteld. 7. Indien een herziening van de daglonen bedoeld in het eerste of vierde lid voor de daglonen welke op de dag voorafgaande aan de datum van in-gang van die herziening gelijk waren aan het minimumdagloon, leidt tot een hoger dagloon dan het op de datum van herziening geldende minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, worden deze daglonen op dat mini-mumdagloon vastgesteld. De vorige volzin is niet van toepassing in die gevallen waarin het dagloon op een hoger bedrag zou zijn vastgesteld dan het minimumdagloon als in de vorige volzin bedoeld, indien na de datum van ingang van de uitkering bij vorige herzieningen van het dagloon op grond van dit artikel het bepaalde in het zesde lid niet zou zijn toegepast. 8. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de daglonen, overeenkomstig het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. D. In de artikelen 21, eerste lid, 22, 46, eerste lid, en 53, derde lid, wordt in plaats van «100/107» telkens gelezen: 100/107,5.

  • E. 
    In artikel 46a, vijfde lid, wordt «11» gewijzigd in: 11a.
  • F. 
    Artikel 59b wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid wordt «7 pet.» gewijzigd in: 7,5 pet. 2°. Na het derde lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, luidende: 4. Indien het percentage van de vakantie-uitkering bedoeld in artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met toepassing van artikel 15, vierde lid, van die wet wordt gewijzigd, wordt bij algemene maatregel van bestuur het percentage van de in het eerste lid bedoelde vakantie-uitkering, alsmede de noemer van de in de artikelen 21, eerste lid, 22, 46, eerste lid, en 53, derde lid, bedoelde breuk dienovereenkomstig aangepast. Het gewijzigde percentage wordt verleend over het bedrag van arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop de in de eerste volzin bedoelde wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde percentage en de aldus gewijzigde noemer treden in de plaats van het in het eerste lid genoemde percentage onderscheidenlijk de in de artikelen 21, eerste lid, 22, 46, eerste lid, en 53, derde lid, genoemde noemer. 5. Indien opgrond van het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor de minimumvakantiebijslag een minimumbedrag wordt vastgesteld, wordt bij algemene maatregel van bestuur een overeenkomstige voorziening getroffen voor de toepassing van deze wet.
  • G. 
    Na artikel 79 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 79a. 1. De bedrijfsvereniging houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsmede op de uitkering, bedoeld in artikel 59b, zoals deze zijn bepaald vóór toepassing van artikel 46a, een bedrag lp, dat gelijk is aan het bedrag van de premies welke een werkgever ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en deze wet op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge die wetten, inhoudt.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

  • Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 3. Onze Minister kan nadere en zonodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot de berekening van de ingevolge het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen. Daarbij kan tevens worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. 4. De op grond van het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen worden gestort in het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Onze Minister kan met betrekking tot het bepaalde in de vorige volzin nadere regelen stellen.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XVII

Bij de herziening per 1 januari 1980 van de daglonen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt voor de toepassing van artikel 15 van die wet het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de daglonen zoals die per 1 juli 1979 zijn vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

ARTIKEL XVIII

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 14a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 januari 1980 vast te stellen minimumdagloon wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Het ingevolge het vorige lid verhoogde minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 14a van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van het minimumdagloon op grond van het bepaalde in artikel 14a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe ruimte biedt. 4. Het ingevolge het vorige lid herziene minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 14a van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 5. Onze Minister van Sociale Zaken kan bepalen dat bij een verhoging of herziening van het minimumdagloon ingevolge het eerste of het derde lid het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering buiten toepassing blijft voor de uitkeringen welke zijn berekend naar een dagloon, dat op de dag voorafgaande aan die verhoging of herziening ten minste gelijk was aan een door Onze Minister van Sociale Zaken vast te stellen bedrag. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslag tot nihil is verminderd vervalt dit artikel.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

ARTIKEL XIX

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 14, derde lid, van die wet bedoelde minimumdagloon ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 79a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op de in dat artikel bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringzou zijn ingehouden, indien dit artikel op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met 0,5% van de in het derde lid bedoel-de uitkeringen, voor zover deze zijn berekend naar een dagloon dat lager is dan het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, van genoemde wet, danwei met het verschil tussen 2,2% van die uitkeringen en f 1,48 per dag indien de uitkeringen zijn berekend naar een dagloon, dat hoger is dan vorenbedoeld minimumdagloon, met dien verstande, dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel 79a wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Sociale Zaken kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze is vastgesteld vóór toepassing van artikel 46a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en wordt voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met uitzondering van de artikelen 14a, 59b, en 79a van die wet, als arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd. 4. Onze Minister van Sociale Zaken stelt voor de in het eerste lid bedoelde uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

ARTIKEL XX

Over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan mei 1980, bedraagt de vakantie-uitkering, in afwijking van het bepaalde in artikel 59b, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, voor zover deze betrekking heeft op het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in de maanden mei 1979 tot en met december 1979, 7 pet.

HOOFDSTUK VI. COÖRDINATIEWET SOCIALE VERZEKERING

ARTIKEL XXI

Artikel 9a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1966,64) wordt vervangen door:

Artikel 9a. 1. Het bedrag genoemd in artikel 9, eerste lid, wordt door On-ze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli wordt, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, dit bedrag verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven;

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. Het overeenkomstig de vorige leden herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kan het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien. Het ingevolge de vorige volzin herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, met dien verstande, dat de herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 6. Een besluit van Onze Minister tot herziening van het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, overeenkomstig het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt. 7. Uitsluitend voor de berekening van het loon waarnaar de premies worden geheven, wordt het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, afgerond op hele guldens naar beneden en blijft het bedrag zoals dat wordt vastgesteld per 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.

OVERGANGSBEPALING

ARTIKEL XXII

Bij de herziening per 1 januari 1980 van het maximumdagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt voor de toepassing van artikel 9a van die wet het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en wordt het maximumdagloon zoals dat per 1 juli 1979 is vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

HOOFDSTUK VII. WERKLOOSHEIDSWET

ARTIKEL XXIII

De Werkloosheidswet (Stb. 1967, 421) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    In artikel 12a, derde lid, wordt «met inachtneming van door Onze Minister te stellen regelen» vervangen door: overeenkomstig het gestelde in artikel 12b.
  • B. 
    Na artikel 12a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12b. 1. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a, derde lid, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-uitkering bij gehele werkloosheid uit de volledige dienstbetrekking vermenigvuldigd met 21,666 gelijk is aan het nettominimumloon. 2. Onder netto-uitkering, bedoeld in het vorige lid, wordt verstaan het wachtgeld per dag dan wel de uitkering als bedoeld in artikel 35 per dag, waarin begrepen de vakantie-uitkering, na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, het daarvan in te nouden bedrag als bedoeld in artikel 26 en de daarvan in te houden loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting wor-Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

den berekend met toepassing van de witte loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer. 3. Onder nettominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 van die wet, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de witte loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer, over het minimumloon onderscheidenlijk de minimumvakantiebijslag, als in de vorige volzin bedoeld. 4. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede en derde lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 5. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 12a, derde lid, wordt door de Sociale Verzekeringsraad telkens herzien indien en voor zover er in de in het eerste lid bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 6. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt.

  • C. 
    Na artikel 25 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26. 1. De bedrijfsvereniging houdt op het wachtgeld onderscheidenlijk de uitkering als bedoeld in artikel 35 een bedrag in, gelijk aan een percentage van de uitkering. Dit percentage komt overeen met dat van de premies welke een werkgever ingevolge deze wet op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge deze wet, inhoudt. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt voor de premie van de wachtgeldverzekering bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 3. Onze Minister stelt nadere regelen over de toerekening van de op grond van het eerste lid op onderscheidenlijk het wachtgeld en de uitkering als bedoeld in artikel 35 ingehouden bedragen aan de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.

HOOFDSTUK VIM. ZIEKENFONDSWET

ARTIKEL XXIV

Artikel 20, tweede lid, van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) wordt vervangen door: 2. De bedragen, genoemd in de artikelen 20, eerste lid, en 25, tweede, derde, vierde en vijfde lid, worden telkens door Onze Minister herzien, wanneer de pensioenbedragen ingevolge de Algemene Ouderdomswet worden verhoogd of verlaagd. Bij die herziening worden de bedragen, genoemd in de artikelen 20, eerste lid, en 25, tweede, derde, vierde en vijfde lid, verhoogd of verlaagd met twaalf maal het bedrag, als waarmede het bedrag, genoemd in artikel 8, zesde lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet, wordt verhoogd of verlaagd.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

HOOFDSTUK IX. WET WERKLOOSHEIDSVOORZIENING

ARTIKEL XXV

De Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485) wordt gewijzigd als volgt: A. 1°. Zowel in onderdeel a als in onderdeel b van het eerste lid van artikel 5 wordt na «de werknemer» ingevoegd: gerekend naar het loonpeil ten tijde van de ingang van de uitkering. 2°. Onder vernummering van het tweede en derde lid van artikel 5 in derde en vierde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. Onze Minister bepaalt overeenkomstig het gestelde in artikel 5b, het bedrag van een minimumdagloon.

  • B. 
    Na artikel 5 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende: Artikel 5a. 1. De daglonen worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, de daglonen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. De overeenkomstig de vorige leden herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de daglonen bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald, dat de herziening verschilt naar gelang de hoogte van de daglonen. De ingevolge de vorige volzin herziene daglonen treden in de plaats van de daglonen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening met dien verstande, dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 5. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 6. Indien een herziening van de daglonen bedoeld in het eerste of vierde lid leidt tot een dagloon, dat lager is dan het minimumdagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt dit dagloon in de gevallen waarin dit op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van bedoelde herziening ten minste gelijk was aan het op die dag geldende minimumdagloon, vastgesteld op eerstbedoeld minimumdagloon. Wanneer het minimumdagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt herzien op een ander tijdstip dan een tijdstip waarop een herziening, als bedoeld in het eerste of vierde lid, plaatsvindt, wordt voor de uitkeringsgerechtigden wier uitkering op de dag voorafgaan-de aan het eerstbedoelde tijdstip naar het minimumdagloon werd berekend, het dagloon op het herziene minimumdagloon vastgesteld. Indien een herziening als bedoeld in de vorige volzin plaatsvindt, worden de daglonen welke op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van die herziening hoger zijn dan het minimumdagloon doch lager dan het herziene minimumdagloon, eveneens op laatstbedoeld minimumdagloon vastgesteld.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Indien een herziening van de daglonen bedoeld in het eerste of vierde lid voor de daglonen welke op de dag voorafgaande aan de datum van in-gang van die herziening gelijk waren aan het minimumdagloon, leidt tot een hoger dagloon dan het op die datum van herziening geldende minimumdagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, worden deze daglonen op dat mini-mumdagloon vastgesteld. De vorige volzin is niet van toepassing in die gevallen waarin het dagloon op een hoger bedrag zou zijn vastgesteld dan het minimumdagloon als in de vorige volzin bedoeld, indien na de datum van ingang van de uitkering bij vorige herzieningen van het dagloon op grond van dit artikel het bepaalde in het zesde lid niet zou zijn toegepast. 8. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de daglonen, overeenkomstig het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt. Artikel 5b. 1. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt zodanig vastgesteld dat de netto-uitkering bij gehele werkloosheid uit een volledige dienstbetrekking vermenigvuldigd met 21,666 gelijk is aan het nettominimumloon. 2. Onder netto-uitkering, bedoeld in het vorige lid, wordt verstaan de uitkering per dag, na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten, het daarvan in te houden bedrag als bedoeld in artikel 16a en de daarvan in te houden loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer. 3. Onder nettominimumloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 van die wet, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer over het minimumloon onderscheidenlijk de minimumvakantiebijslag als in de vorige volzin bedoeld, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 4. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 5. Het minimumdagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt door On-ze Minister telkens herzien indien en voor zover er in de in het eerste lid bedoelde gelijkheid een verstoring optreedt. 6. Een herziening overeenkomstig het vorige lid, vindt plaats met ingang van de dag, waarop de verstoring optreedt, met dien verstande, dat wanneer de verstoring optreedt met ingang van een andere dag dan de eerste dag van een maand, deze herziening plaatsvindt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die, waarin de verstoring optreedt.
  • C. 
    Na artikel 16 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a. 1. Het gemeentebestuur houdt op de uitkering een bedrag in, gelijk aan een percentage van de uitkering. Dit percentage komt overeen met dat van de premies, welke een werkgever ingevolge de Ziektewet en de Werkloosheidswet op het overeenkomstige loon van de werknemer, die verzekerd is ingevolge die wetten, inhoudt.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XXVI

Bij de herziening per 1 januari 1980 van de daglonen ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening wordt voor de toepassing van artikel 5a van die wet het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de daglonen zoals die per 1 juli 1979 zijn vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

ARTIKEL XXVII

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 5b van de Wet Werkloosheidsvoorziening per 1 januari 1980 vastte stellen minimumdagloon wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Het ingevolge het vorige lid verhoogde minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 5b van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van het minimumdagloon op grond van het bepaalde in artikel 5b van de Wet Werkloosheidsvoorziening wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe de ruimte biedt. 4. Het ingevolge het vorige lid herziene minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 5b van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. Onze Minister van Sociale Zaken kan bepalen dat bij een verhoging of herziening van het minimumdagloon ingevolge het eerste of derde lid het bepaalde in artikel 5a, zesde lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening buiten toepassing blijft ten aanzien van de uitkeringen, die zijn berekend naar een dagloon, dat op de dag voorafgaande aan die verhoging of herziening ten minste gelijk was aan een door Onze Minister van Sociale Zaken vast te stellen bedrag. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslagen tot nihil zijn verminderd vervalt dit artikel.

ARTIKEL XXVIII

  • Per 1 januari 1980 wordteen toeslag verleend op de uitkeringen ingevolgede Wet Werkloosheidsvoorziening welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 5, tweede lid van die wet bedoelde minimumdagloon ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 16a van de Wet Werkloosheidsvoorziening op de in dat artikel bedoelde uitkeringen zou zijn ingehouden indien dit artikel

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met 0,5% van die uitkeringen, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel 16a wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Sociale Zaken kan nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt voor de toepassing van de Wet Werkloosheidsvoorziening met uitzondering van de artikelen 5b en 16a van die wet, als uitkering ingevolge die wet beschouwd. 4. Onze Minister van Sociale Zaken stelt voor de in het eerste lid bedoel-de uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

HOOFDSTUK X. ALGEMENE BIJSTANDSWET

ARTIKEL XXIX

De Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) wordt gewijzigd als volgt:

Aan artikel 1 worden drie nieuwe leden toegevoegd, luidende:

  • Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen voor de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarbij bepalen Wij het normbedrag voor een echtpaar op het bedrag van het nettominimumloon. 4. Onder nettominimumloon, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 van die wet, beide na aftrek van de daarvan in te houden premies ingevolge de sociale verzekeringswetten en loonbelasting. De in te houden premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de in te houden loonbelasting worden berekend met toepassing van de groene loonbelasting-en premietabellen voor een in tariefgroep 4 ingedeelde werknemer over het minimumloon onderscheidenlijk de minimumvakantiebijslag, als in de vorige volzin bedoeld, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 5. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vierde lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld.

ARTIKEL XXX

  • Bij de herziening met ingang van 1 januari en 1 juli van de inkomens en bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, artikel 4, derde lid, van de Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden en artikel 4, derde lid, van de Rijksgroepsregeling Ambonezen, wordt het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd in aanmerking genomen, met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens het tweede lid. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven;

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied, bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. Op de periodieke uitkering als bedoeld in artikel 6 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, zoals deze is vastgesteld na toepassing van artikel 11 van die regeling, wordt een bedrag ingehouden dat gelijk is aan het bedrag van de premies, welke een werkgever ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering inhoudt op het overeenkomstige loon van een werknemer, die ingevolge die wetten verzekerd is. Op deze premies is het bepaalde in artikel 1, vijf-de lid, van de Algemene Bijstandswet van toepassing. 4. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Minister van Sociale Zaken kunnen nadere en zonodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot de berekening van de ingevolge het derde lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XXXI

Bij de herziening op 1 januari 1980 van het inkomen en de bedragen ingevolge artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden en artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Ambonezen wordt het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de inkomens die na 30 juni 1979 zijn vastgesteld geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

ARTIKEL XXXII

  • Op het normbedrag, bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Algemene Bijstandswet, zoals dit wordt vastgesteld per 1 januari 1980, wordt een toeslag verleend ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. Voor de overige normbedragen ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt een toeslag naar evenredigheid vastgesteld. De hoogte van deze toeslagen wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Bij elke herziening van de in het vorige lid bedoelde normbedragen met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum worden de krachtens het vorige lid verleende toeslagen bij algemene maatregel van bestuur met in-gang van de datum van de herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling van de uitkeringsgerechtigden ingevolge de Algemene Bijstandswet, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen, daartoe ruimte biedt. 3. Per 1 januari 1980 wordt op het inkomen, genoemd in artikel 3, zesde lid, onder a, van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, een toeslag verleend ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 4. Op de in het vorige lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 niet van toepassing. 5. Bij elke herziening van de inkomens en bedragen ingevolge artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum wordt de krachtens het derde lid verleende toeslag bij algemene maatregel van bestuur met ingang van de datum van de herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe ruimte biedt. 6. Zodra de in het eerste en derde lid bedoelde toeslagen tot nihil zijn verminderd, vervalt dit artikel.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

ARTIKEL XXXIII

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 die zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 3, zesde lid, onder a, van die regeling genoemde in-komen, ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel XXX, derde lid, van deze wet op de in dat artikel bedoelde uitkeringen zou zijn ingehouden, in-dien dit artikel op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2% van die uitkeringen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel XXX, derde lid, wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Minister van Sociale Zaken kunnen met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

HOOFDSTUK XI. WET UITKERINGEN VERVOLGINGSSLACHTOFFERS 1940-1945

ARTIKEL XXXIV

De Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    Artikel 18 wordt gelezen als volgt:

Artikel 18

  • De grondslag, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en zesde lid, alsmede de bedragen genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a en b, 10, eerste lid, onder d en e, en 15, eersteen tweede lid, worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met in-gang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, de grondslag, alsmede de bedragen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande, onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing dienen te blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. De overeenkomstig de vorige leden herziene grondslag en bedragen treden in de plaats van de grondslag en bedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de grondslag en bedragen, bedoeld in het eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald, dat de herziening verschilt naar gelang de hoogte van de grondslag en bedragen. De ingevolge het bepaalde in de vorige volzin herziene grondslag en bedragen treden in de plaats van de grondslag en bedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande, dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 6. Indien de ontwikkelingen binnen de sociale verzekeringswetgeving daartoe naar Ons oordeel aanleiding geven, kunnen, in afwijking van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid, de grondslagen en bedragen bedoeld in het eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien. De ingevolge het bepaalde in de vorige volzin herziene grondslag en bedragen treden in de plaats van de grondslag en bedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 7. Indien de ontwikkelingen van de lonen en prijzen in Indonesië daartoe aanleiding geven, herziet Onze Minister met ingang van een door hem te bepalen dag, de grondslag, bedoeld in artikel 8, derde lid, onder b, alsmede de bedragen, genoemd in artikel 8, achtste lid. 8. Het bedrag, genoemd in artikel 19, vijfde lid, onder a, wordt door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari, indien en voor zover de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie in de periode 1 november tot en met 31 oktober daaraan voorafgaande, daartoe aanleiding geeft. 9. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de grondslag en bedragen, ingevolge het eerste en achtste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
  • B. 
    Na artikel 19 wordteen nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 19a

  • Op de uitkeringen, waaronder begrepen de met de in artikel 17 genoemde toeslag verhoogde uitkering, wordt, na toepassing van de artikelen 14, vierde lid, en 19, een bedrag ingehouden, dat gelijk is aan het bedrag van de premies welke een werkgever ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge die wetten, in-houdt. 2. Voorde vaststelling van de uitkering bedoeld in artikel 13, tweede lid, en het bedrag, bedoeld in artikel 21 b, is het eerste lid niet van toepassing doch wordt het bedrag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, verminderd met het in het eerste lid bedoelde bedrag. 3. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de uitkering is berekend naar een grondslag, bedoeld in artikel 8, derde lid, onder b, dan wel is vastgesteld met toepassing van artikel 13, eerste lid. 5. Onze Minister kan nadere en zonodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot de berekening van de ingevolge het eerste lid op de aldaar bedoelde uitkeringen in te houden bedragen.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XXXV

Bij de herziening van de grondslag, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en zesde lid, en de bedragen, genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a en b, 10, eerste lid, onder d en e, en 15, eerste en tweede lid, van deWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 per 1 januari 1980 wordt voor de toepassing van artikel 18 van die wet het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de grondslag en bedragen, zoals die per 1 juli 1979 zijn vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

ARTIKEL XXXVI

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 per 1 januari 1980 vast te stellen bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van die wet, wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Het ingevolge het vorige lid verhoogde bedrag treedt in plaats van het bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 18 van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 3. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 6 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 van toepassing. 4. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van het bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 op grond van het bepaalde in artikel 18 van die wet wordt bij algemene maatregel van bestuurde krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe ruimte biedt. 5. Het ingevolge het vorige lid herziene bedrag, treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 18 van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 6. Zodra de in dit artikel bedoeldetoeslag tot nihil is verminderd vervalt dit artikel.

ARTIKEL XXXVII

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 8, zevende lid, onder a, van die wet, genoemde bedrag ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 19a van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 op de in dat artikel bedoelde uitkeringenzou zijn ingehouden indien dit artikel op 30 september 1979toepassing had gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2% van deze uitkeringen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat geen hogere toeslag wordt verleend dan het bedrag dat ingevolge genoemd artikel wordt ingehouden. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de uitkering in-gevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, zoals deze is vastgesteld na toepassing van de artikelen 14, vierde lid, en 19 van die wet. 4.a. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 6 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 van toepassing. b. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt aangemerkt als een uitkering ingevolge die wet. c. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in of krachtens artikel 19a van die wet niet van toepassing. 5. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk stelt voor de in het eerste lid bedoelde uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

HOOFDSTUK XII. WETTEN BUITENGEWOON PENSIOEN

ARTIKEL XXXVIII

De Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    Artikel 31a wordt gelezen als volgt:

Artikel 31a. 1. De pensioenbedragen worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, de pensioenbedragen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing dienen te blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. De overeenkomstig de vorige leden herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de pensioenbedragen bij algemene maatregel van bestuur met in-gang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald dat de herziening verschilt naar gelang de hoogte van de pensioenbedragen. De ingevolge de vorige volzin herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande, dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 6. Indien de ontwikkelingen binnen de sociale verzekeringswetgeving daartoe naar Ons oordeel aanleiding geven, kunnen, in afwijking van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid, de pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de met toepassing van artikel 8, zevende lid, vastgestelde grondslagen, zoals die pensioenbedragen op die datum ingevolge het bepaalde bij of krachtens de vorige leden gelden of zullen gelden, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien. De ingevolge het bepaalde in de vorige volzin herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 7. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de pensioenbedragen ingevolge het bepaalde in het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • B. 
    Na artikel 35a wordt een nieuw artikel 36 ingevoegd, luidende:

Artikel 36. 1. Op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b, wordt na toepassing van de artikelen 12 en 20, een bedrag ingehouden, dat gelijk is aan het bedrag van de premies, welke een werkgever ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is ingevolge die wetten, inhoudt. 2. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitkering (overlijdensuitkering) bedoeld in artikel 30a. 4. Onze Minister kan nadere en zonodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot de berekening van de ingevolge het eerste lid op de aldaar bedoelde pensioenbedragen in te houden bedragen.

ARTIKEL XXXIX

De Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495) wordt gewijzigd als volgt:

  • A. 
    Artikel 28a wordt gelezen als volgt:

Artikel 28a. 1. De pensioenbedragen worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met inachtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, de pensioenbedragen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande, en het indexcijfer dat bij de laatste herziening isgehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing dienen te blijven; c. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, op een andere wijze en in een andere mate dan bij de berekening van dat verschil is geschied bij de herziening in aanmerking worden genomen, een en ander op de wijze als bij en krachtens die maatregel wordt aangegeven. 3. De overeenkomstig de vorige leden herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de pensioenbedragen bij algemene maatregel van bestuur met in-gang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien, waarbij kan worden bepaald, dat de herziening verschilt naar gelang de hoogte van de pensioenbedragen. De ingevolge de vorige volzin herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande, dat die herziening voor de eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 5. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

  • Indien de ontwikkelingen binnen de sociale verzekeringswetgeving daartoe naar Ons oordeel aanleiding geven, kunnen, in afwijking van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid, de pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de met toepassing van artikel 7, derde lid, vastgestelde grondslagen, zoals die pensioenbedragen op die datum ingevolge het bepaalde bij of krachtens de vorige leden gelden of zullen gelden, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien. De ingevolge het bepaalde in de vorige volzin herziene pensioenbedragen treden in de plaats van de pensioenbedragen, zoals die golden op de dag, voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening. 7. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de pensioenbedragen ingevolge het bepaalde in het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekendgemaakt.
  • B. 
    Na artikel 31b wordt een nieuw artikel 32 ingevoegd, luidende:

Artikel 32. 1. Op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 28b, wordt na toepassing van de artikelen 11 en 20, een bedrag ingehouden, dat gelijk is aan het bedrag van de premies, welke een werkgever ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op het overeenkomstige loon van een werknemer, die verzekerd is in-gevolge die wetten, inhoudt. 2. Indien ingevolge een der sociale verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het vorige lid bij algemene maatregel van bestuur een gemiddeld percentage vastgesteld. 3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de uitkering (overlijdensuitkering) bedoeld in artikel 27a. 4. Onze Minister kan nadere en zonodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot de berekening van de ingevolge het eerste lid op de aldaar bedoelde pensioenbedragen in te houden bedragen.

OVERGANGSBEPALINGEN

ARTIKEL XL

Bij de herziening van de pensioenbedragen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers per 1 januari 1980 wordt voor de toepassing van artikel 31a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28a van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187 en worden de pensioenbedragen, zoals die per 1 juli 1979 zijn vastgesteld, geacht te zijn gebaseerd op genoemd indexcijfer.

ARTIKEL XLI

  • De per 1 januari 1980 te herziene pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, welke zijn afgeleid van de laagste pensioengrondslag als bedoeld in artikel 8, zevende lid, respectievelijk artikel 7, derde lid, van die wetten, worden verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. De ingevolge het vorige lid verhoogde pensioenbedragen treden in de plaats van de in het vorige lid bedoelde van de laagste grondslag afgeleide

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

pensioenbedragen, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 31a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk 28a van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 3. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers van toepassing. 4. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31 b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, op grond van het bepaalde in artikel 31a onderscheidenlijk artikel 28a van die wetten wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met in-gang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe ruimte biedt. . 5. De ingevolge het vorige lid herziene pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de laagste pensioengrondslag, als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk artikel 7, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, treden in de plaats van de overeenkomstige pensioenbedragen, zoals die golden op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 31a respectievelijk 28a van die wetten geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslag tot nihil is verminderd vervalt dit artikel.

ARTIKEL XLII

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van die pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de laagste pensioengrondslag als bedoeld in artikel 8, zevende lid, respectievelijk artikel 7, derde lid, van die wetten ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 32 van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers op de in die artikelen bedoelde pensioenbedragen zou zijn ingehouden indien deze artikelen op 30 september 1979 toepassing hadden gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2% van deze pensioenbedragen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemde artikelen wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31 b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, na toepassing van de artikelen 12 en 20 respectievelijk de artikelen 11 en 20 van die wetten. 4. a. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers van toepassing. b. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt aangemerkt als buitengewoon pensioen ingevolge die wetten. c. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in of krachtens de artikelen 31 a en 36 respectievelijk de artikelen 28a en 32 van die wetten niet van toepassing.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 36

  • Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk stelt voor de in het eerste lid bedoelde pensioenbedragen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de pensioenbedragen zijn opgenomen.

HOOFDSTUK XIII. WET OP DE LOONBELASTING 1964

ARTIKEL XLIII

Artikel 11, eerste lid, letter g, onder 2°, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 521) wordt vervangen door: 2°. premies ingevolge de Ziektewet (Stb. 1967, 473), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1977, 492) en de Werkloosheidswet (Stb. 1967,421), alsmede bijdragen als zijn bedoeld in artikel 79a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 26 van de Werkloosheidswet, artikel 16a van de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485), artikel 19a van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494), artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977,493), artikel 32 van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495) en artikel XXIX, derde lid, van de Wet houdende Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum).

HOOFDSTUK XIV. KINDERBIJSLAG

ARTIKEL XLIV

Indien het bij Onze Boodschap van 6 augustus 1979 ingediende ontwerp van wet houdende nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964 alsmede van enkele andere wetten (samenvoeging van de bestaande kinderbijslagregelingen tot een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinderbijslagverzekering van het eerste kind af en afschaffing van de kinderaftrek van de loon-en inkomstenbelasting) kracht van wet heeft verkregen, worden daarin de volgende wijzigingen aangebracht:

  • A. 
    Artikel XIII wordt vervangen door:

ARTIKEL XIII

  • Na de inwerkingtreding van deze wet vervangt Onze Minister van Sociale Zaken met ingang van 1 januari 1980 de bedragen, genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f en g, van de Algemene Kinderbijslagwet. Deze per 1 januari 1980 geldende bedragen worden, met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens de volgende leden, berekend door de in artikel I, onder H, genoemde bedragen voor tweede en volgende kinderen te verhogen of te verlagen overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1979 en het indexcijfer der lonen op 30 april 1979. De alsdan verkregen bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van een gulden. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de berekening buiten beschouwing blijven. 3. In afwijking van het vorige lid wordt het indexcijfer der lonen op 30 april 1979 gesteld op 187.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

  • B. 
    Artikel XIV wordt vervangen door:

ARTIKEL XIV

Gedurende de kalenderjaren 1980 en 1981 wordt artikel 11a van de Algemene Kinderbijslagwet gelezen als volgt:

Artikel 11a

  • De bedragen, genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f en g, worden door Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli worden, met in-achtneming van het bij en krachtens het tweede lid bepaalde, deze bedragen verhoogd of verlaagd overeenkomstig het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk op 30 april daaraan voorafgaande en het indexcijfer, dat bij de laatste herziening is gehanteerd. 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. wat onder indexcijfer der lonen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan; b. welke componenten van het procentuele verschil, bedoeld in het eerste lid, bij de herziening buiten beschouwing blijven. 3. De op grond van de vorige leden berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van een gulden. 4. De overeenkomstig de vorige leden herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen, genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f en g, met dien verstande, dat de afronding, bedoeld in het vorige lid, bij de eerstvolgende toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijft. 5. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kunnen de bedragen, genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f eng, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden herzien. De ingevolge de vorige volzin herziene bedragen treden in de plaats van de bedragen genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f en g, met dien verstande, dat de herziening voorde eerstvolgende toepassing van het eerste lid geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 6. Indien een herziening als in het vorige lid bedoeld zou samenvallen met een herziening als bedoeld in het eerste lid, blijft laatstbedoelde herziening achterwege. 7. Een besluit van Onze Minister tot herziening van de bedragen, genoemd in artikel 11, onder c, d, e, f en g, overeenkomstig het eerste lid, wordt in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakt.
  • C. 
    Artikel XV, eerste lid, wordt vervangen door: 1. Voor de eerste maal na de inwerkingtreding van deze wet, dat artikel 11 a van de Algemene Kinderbijslagwet, zoals dat artikel ingevolge artikel XIV gedurende de kalenderjaren 1980 en 1981 wordt gelezen, toepassing vindt, wordt in het tweede lid van artikel 11a van de Algemene Kinderbijslagwet onder «het indexcijfer, dat bij de laatste herziening is gehanteerd» verstaan: het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1979. Voorts wordt bij die toepassing de in artikel XIII, eerste lid, bedoelde afronding buiten beschouwing gelaten.

Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

HOOFDSTUK XV. SLOTBEPALING

ARTIKEL XLV

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1980. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1979, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot 1 januari 1980.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Sociale Zaken, De Staatssecretaris van Sociale Zaken, De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, De Staatssecretaris van Financiën, Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 36

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.