Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981 (16212).

De beraadslaging wordt geopend.

©

H. (Huug)  VerslootDe heer Versloot (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Bij de voorbereiding van de behandeling van dit wetsontwerp heb ik met toenemende ergernis geprobeerd, mij te ontdoen van alle rookgordijnen die in de discussie aan de overzijde van het Binnenhof rond een vrij eenvoudige zaak zijn opgetrokken. In het Nederlandse loonstelsel, bijzonder vereenvoudigd weergegeven, heeft een werknemer in de regel tweemaal per jaar aanspraak op een compensatie voor de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud over pakweg drie tot negen maanden voor die datum. Bovendien komt dikwijls, niet altijd, per 1 januari een initiŽle loonsverhoging aan de orde. De minimumloontrekkerdatiseen man die profiteert van een bepaalde garantie, die wij hebben vastgelegd in de Wet op het minimumloon en de mi-nimumvakantie-uitkering, volgt op wat grotere afstand. Als op 1 januari de loontrekkers een prijscompensatie wordt gegeven over de zomer daaraan voorafgaand, april tot en met oktober, werkt dat voor de minimumloontrekker pas een half jaar later door. Hetzelf-de geldt voor de initiŽle verhoging per 1 januari. Die werkt voor de minimumloongarantie ook pas een half jaar later door. Dat noemen wij de naijling. Op zich zelf is dat een vervelende zaak. Technisch kan het nauwelijks anders en voor een garantiebepaling is het ook niet zo erg. Het betekent in feite dat de garantiebepaling een soort duiventil is. Niemand wordt op het minimumloon aangenomen. Iemand wordt op een loon aangenomen. Dat loon volgt zijn eigen ontwikkeling krachtens de ca.o. en andere regelingen. Bij tijd en wijle kan het voorkomen dat iemand boven het minimum loon is en dat daarna de garantiebepaling hem op grond van de naijling een half jaar later inhaalt.

Reparatiewetgeving Naturalisaties Gemeentegrenzen Economische Zaken Verkeer en Waterstaat Sociale Verzekeringen Dat betekent dan dat hij van die garantie profiteert. Het is zeer wel mogelijk om tijdelijk boven het minimumloon te zitten, om dan te zien dat je wordt in-gehaald, om er vervolgens weer eens bovenuit te komen en weer ingehaald te worden. Het lijkt allemaal erg ingewikkeld, maar is op zichzelf eigenlijk verschrikkelijk eenvoudig. De lonen volgen de prijsontwikkeling met ongeveer een halfjaar vertraging en de garantie volgt de prijsontwikkeling met een jaar vertraging, via de schakel van de ontwikkeling van de lonen. Wat zou er gebeurd zijn als wij een Regering hadden gehad met een zodanig krachtige, maar vooral ook gelukkige hand dat er in de winter van 1979-1980 -in de periode van oktober tot april geen prijsstijgingen waren geweest? Natuurlijk zou de oppositie hebben gezegd dat dit niet aan de Regering lag en de Regering zou gezegd hebben dat het wel aan haar lag, maar die kwestie kunnen wij thans in het midden laten. Gesteld dat zich dit had voorgedaan, dan had de Regering geen behoefte gehad aan kunstmatige ingrepen per 1 juli, dan was er geen beperking van de prijscompensatie geweest en dan was er geen verlaging van de loonbelasting geweest om het reŽle loonpeil in stand te houden. Niettemin had dan echter het minimumloon met f 55 verhoogd moeten worden, op basis van de ontwikkelingen van vorige zomer, van het initieel van 1 januari en van de loonontwikkeling, waarin dit alles is verdisconteerd. Wij zouden gedurende een halfjaar hebben geleefd met een minimum loon dat was achtergebleven bij de loonontwikkeling, maar dat een halfjaar later de sprong meemaakt. De stijging van de garantie per 1 juli 1980 ligt nog steeds in de toekomst. Het is ongeveer f 55 en dit zou niets anders zijn geweest dan een honorering van hetgeen in de wet is vastgelegd en wat is gebeurd gedurende de periode van een half tot een heel jaar geleden. Wat gebeurt er nu echter? Omdat de loontrekkenden per 1 juli niet dankzij een gelukkig of succesvol beleid nul gulden, maar slechts f 26 omhoog gaan, mag de minimumloongarantie niet met f 55 omhoog gaan, omdat dit het hele gebouw scheef zou trekken. Er is echter een heel andere redenering mogelijk. Nu wij de prijscompensatie per 1 juli beperkt zien tot een vast bedrag van f 26 voor iedereen, zou er alle aanleiding zijn geweest om per 1 juli het minimum loon, behalve met de f 55 naijling, alsnog te verhogen met een voorindicatie van f 26 waarmee 1046

eindelijk eens het minimumloon in de juiste verhouding zou hebben gestaan, zoals vastgelegd in de wet, tot het normale loongebouw. Dan zouden wij eindelijk hebben gezien wat het mini-mumloon betekent. Ik kan mij voorstellen dat ervoor een voorindicatie om allerlei redenen geen aanleiding is, maar om nu de f 55, gebaseerd op de prijsontwikkelingen van verleden jaar zomer -de periode van april tot oktober 1979 -thans tegen te houden, omdat dan de minimumloontrekkers per 1 juli opeens een veel grotere ontwikkeling zouden zien dan de overige werknemers, is dunkt mij, een drogreden. Die zaak is duidelijk in strijd met ons hele loonstelsel. Het berust op een denkfout. De trekkers van minimumloon gaan niet op 1 juli met f 55 vooruit als wij deze wet verwerpen, maar zij halen een achterstand van een halfjaar in. Welke reden er ter wereld kan zijn om de economische problemen waarin wij zitten te verhalen op de trekkers van minimumlonen -door de garantie niet te verhogen met het toegezegde bedrag, waarop zij op basis van de hele voorgaande ontwikkeling recht hebben, maar met minderis mij zo duidelijk als koffiedik. Ik kan niet anders dan zeggen dat deze wijze van toepassing van de wet minimumloon, of liever gezegd van wijziging daarvan ad hoc, onjuist is, dat die geen rechtsgrond heeft en dat die volstrekt niet past in het Nederlandse 'loongebouw'. Ik kan mij twee bezwaren voorstellen tegen deze redenering. In de eerste plaats de gedachte dat het minimumloon te hoog is ten opzichte van het loonstelsel. Dat is een onderwerp voor discussie. Wie dat wenst te beweren, moet dat dan ook doen en moet daar ook de politieke consequenties van aanvaarden. Wij kunnen niet zeggen, dat wij de naijling van het minimumloon, waardoor de gegevens van vorig jaar eindelijk in dat minimumloon gaan doorwerken, moeten uitstellen omdat daardoor het 'loongebouw' zou worden scheefgetrokken. Dat kan natuurlijk niet. Dan verbergt men een afkeer van de hoogte van het minimumloon of een veroordeling daarvan achter een volkomen onjuiste motivering. Er is een tweede redenering mogelijk. Men kan zeggen -dat is ook gezegd -dat de wet op het minimumloon een voorindexering kent om de nadelige effecten van die naijling op vlotte en gemakkelijke wijze te kunnen oplossen. Men kan, bij wijze van spreken,een half jaar voorschot geven op wat er na dat half jaar naijling zou moeten gaan gebeuren. Er is natuurlijk ook de noodzaak denkbaar van een correctie in omgekeerde zin, maar die moet dan met de zware procedure van wetswijziging die op dit ogenblik voor ons ligt. Dan moet ik echter zeggen, dat wij deze procedure van wetswijziging toepassen in een situatie die niets met de bezwaren van naijling te maken heeft. Ik heb zoeven het voorbeeld genoemd, dat lonen gestabiliseerd zouden zijn gebleven omdat er gelukkigerwijze eens een keer een stabiel indexcijfer voor het levensonderhoud zou zijn geweest. Wij zouden dat natuurlijk toegejuicht hebben. Dan was er op 1 juli niets gebeurd; geen beperking van een looncompensatie, want er was geen looncompensatie geweest; geen verlaging van de loonbelasting; de minimumlonen waren met 55 gulden omhoog gegaan, omdat dat eindelijk het oude effect was. In theorie is er echter een andere ontwikkeling denkbaar, maar die is niet waarschijnlijk, namelijk dat de lonen omstreeks deze tijd nominaal achteruit zouden zijn gegaan. Er zou zich als het ware een tegengestelde beweging hebben ingesteld en er zou een loondaling plaatsvinden. Misschien was dat per 1 juli niet moeilijk denkbaar, maar wie weet wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren. In dat geval zou de naijling betekenen, dat de minimumlonen niet meer in het loonbestel van dat ogenblik passen, maar daar dan tijdelijk bovenuit groei-en. Voor zo'n situatie kan ik mij voorstellen dat een wetswijziging, waarbij bij wijze van spreken een negatieve naijling wordt gecompenseerd, ingediend zou worden. Dat is hier echter niet het geval. De lonen stijgen nog steeds op 1 juli. Nog steeds betekent het dat, ook als wij nu de volle 55 gulden geven, de minimumlonen alsnog die 26 gulden achterstand van 1 juli behouden. Die achterstand wordt dan pas op 1 januari 1981 ingehaald. Met andere woorden, de naijling, de achterstand is er. De achterstand zou wat minder geworden zijn, maar hij is er nog steeds. Ik kan -en ik herhaal datbij geen enkele redenering de rechtsgrond zien, waarop wij de naijling van 55 gulden, de nabetaling van datgene dat wij volgens het systeem nu eindelijk verschuldigd zijn op basis van vroegere feiten, zouden mogen inhouden en daarmee de minimumloontrekkers zouden moeten laten betalen voor ons algemene leed, ons gemeenschappelijke leed. Ik blijf dus -en ik moet zeggen persoonlijk met verontwaardiging -tegen dit voorstel. Mijn fractie zal daar tegen stemmen.

©

J.H. (Jo)  FranssenDe heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Over het aan de orde zijnde wetsontwerp 16212 menen wij, als fractie van het CDA, zeker na de brede behandeling aan de overzijde, kortte kunnen zijn. Toch zal ook ik het in een wat bredere context plaatsen, omdat er onrust is ontstaan over ongenuanceerde en onvolledige uitspraken over de gevoelige en complexe materie der inkomensverhoudingen, in het bijzonder voor de minst draagkrachtigen. Daarenboven wensen wij een en andermaal uit te spreken en waar te maken dat de zorg voor de minst draagkrachtigen in geest van de hier bij het beleidsdebat over Sociale Zaken aanvaarde motie, ook de onze is en blijft. De minst draagkrachtige gezinnen dienen zo lang mogelijk gesauveerd te worden. Wanneer daar onverhoopt aan getornd zou moeten worden, dienen alle overige meer draagkrachtige inkomenstrekkers reeds hun bijdrage aan het sociaal-economisch herstel geleverd te hebben. Mijn fractie stelt het op hoge prijs, wanneer ook de Minister deze visie hier nog eens wil bevestigen. De Minister heeft in zijn eerste repliek in de Tweede Kamer het waarom van dit wetsontwerp nog eens kort samengevat door terecht te wijzen op wat ik zou willen noemen: het evenwicht in verhoudingen der netto-inkomens aan de voet van ons inkomensgebouw. Ik ben het dan ook niet eens met de op zich theoretisch juiste benadering van de heer Versloot. Bij herhaling hebben wij vanaf deze plaats gewezen op de vertekening welke bij in-komensvergelijking ontstaat, wanneer de discussie zich eenzijdig richt op de bruto-inkomensverhoudingen. Bruto hebben veruit de meeste inkomenstrekkers in ons land, ook de laatste jaren, waarin de noodzaak tot matiging algemeen werd erkend, nog altijd winst geboekt. Wat dat betreft mag er dan ook niet van matiging worden gesproken zolang de lonen en loonkosten sterker stijgen dan de produktiviteit. Vakorganisaties welke stellen dat er gematigd is, kunnen het mijns inziens dan ook alleen hebben over de nettolonen omdat macro gezien de plussen inderdaad geheel naar de belastingen en collectieve premies zijn geschoven. Men wentelt dan echter deze lasten, ten gunste van de collectiviteit gemaakt, wel af. Uit een en ander blijkt ook dat de in-komenstrekker en zijn organisatie zijn inkomen beoordeelt naar wat hij netto -dat is verteerbaar -voor zich en de

zijnen overhoudt. Ik wil daar wel aan toevoegen dat men dan de collectieve voorziening en of die nou worden opgebouwd met belastinggeld of met sociale verzekeringspremies, zwaar onderwaardeert. Die waardering komt kennelijk pas wanneer men er zelf een beroep op moet doen of wanneer men ze moet missen. Opmerkelijk is ook dat men voor uit het eigen besteedbaar in-komen te betalen zekerheden meer waardering blijkt te hebben. Wijst dit er niet op dat wij voorzichtiger moeten zijn met collectieve lasten opleggen ten kosten van particuliere mogelijkheden? Gaarne zouden wij een reactie van de zijde der regeringstafel over onze visie horen. Terugkerend naar het wetsontwerp: wij zijn het met de Minister eens dat de netto verbetering voor de hierbij bedoelde minimuminkomenstrekkers gunstiger zal zijn dan wanneer de bruto aanpassing gewoon was doorgegaan, zonder extra belastingverlichting. Dat geldt zowel voor de mini-mumlonen als voor de sociale-uitkeringstrekkers op dat niveau. Of dit in de naaste toekomst zo zal blijven, hangt wel af van de prijsontwikkeling welke in mei gelukkig aanzienlijk minder ongunstig was dan in april. De minima worden nu meer ontzien ten opzichte van andere inkomenstrekkers, dan bij de maatregelen van het kabinet-Den Uyl in 1976. Niet alleen maatregelen zoals toen genomen zijn, maar ook de nu geldende loonmaatregel en als consequentie daarvan het nu voorliggende wetsontwerp worden noodzakelijk, wanneer het overleg tussen werkgevers en werknemers en tussen bedrijfsleven en Regering faalt. Gezien de nu wettelijke nettonettokoppeling van deze Regering is ingrijpen, hoe onsympathiek en ongewenst dat ook moge lijken, dan klemmender geworden. Daarmede verspeelt het bedrijfsleven de kansen om binnen de zeer smalle marges, welke er in de komen-de jaren zullen zijn, zelf de meest gewenste verdeling aan te brengen. Toch zal men het opnieuw moeten proberen, omdat anders, naar wij vrezen, een geleide inkomenspolitiek het enige alternatief zal zijn. Het uitschuiven van het ene procent, wat dit wetsontwerp beoogt zal goed passen bij de ontwikkelingen welke zich per 1 januari aanstaande aftekenen. Deze ontwikkelingen bevestigen geheel wat wij hier enkele maanden geleden voorspelden'. Prijscompensaties en periodieken worden hersteld in de gebruikelijke vorm, zij het dat er clausuleringen zijn welke aanpassing van de prijscompensatie volgens centrale aanbevelingen mogelijk maken. Er wordt dus 'ingehaald' zoals het julirestant van de minimumlonen het dan ook zal doen. Wil de Minister bij deze gelegenheid iets zeggen over deze ontwikkeling? Hoe schat hij de invloed op onze werkgelegenheid van de hem nu al beken-de ca.o.'s in? De kern van de huidige problemen en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke maatregelen is, dat wij samen en door interne en door externe oorzaken al jarenlang meer koek opeten dan er wordt gebakken. Dan raken ook de voorraden op, in dit geval de financiŽ-le reserves, in het bijzonder bij het bedrijfsleven. Dat gaat ten koste van de werkgelegenheid, vooral ook de zorgwekkende jeugdwerkloosheid is daar een gevolg van. Wij vragen ons dan ook af of er, wanneer er maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid moeten worden genomen, er niet meer aandacht aan de koppeling van de jeugdlonen aan het minimumloon moet worden geschonken. Vooral in zwakke bedrijfssectoren, maar ook in sterkere waar voorheen de jeugdige een goede vakopleiding met daarachter een vrijwel zekere arbeidsplaats kreeg, kan dat in de huidige verhoudingen van internationaal gezien hoge jeugdlonen en lage winstmarges, niet meer. Het is toch veel belangrijker voor onze jeugd zinvol werk te hebben en een vak te leren tegen een wat lager loon, dan werkloostezijn? Handhaving van de minimumkoopkracht naar reŽele behoefte -dat is bij gezinnen het geval -is een goede zaak, maar is het dat ook voor de aan dat inkomen gekoppelde jeugdlonen? Wij betwijfelen dat! Wij zouden het op prijs stellen het oordeel van de Minister over deze problematiek te mogen vernemen. Mede door de jarenlange structurele verbetering der minimumlonen en de vloeren in prijscompensaties, vakan-tie-uitkeringen en loonsverhogingen, alsmede door afremming van de salarisontwikkeling aan de bovenkant, zijn de salarisgebouwen in elkaar gedrukt. Dat is zeker voor een deel verantwoord, ook al wordt de beperking van de stijging voor echt hoge inkomens, in het 10e inkomensdeciel, voor 70% bij de fiscus in rekening gebracht. Versterking van de koopkracht der gezinnen met ťťn minimuminkomen iszeker een goede zaak, maar beter ware het ons inziens geweest die versterking meer buiten de loonopbouwte zoeken, bij voorbeeld in het fiscale regime, c.q. kinderbijslagregelingen. Nu ontstaat opwaartse druk en grote spanningen tussen ongeschoolden, geoefenden en geschoolden. De noodzaak van deze uitschuifoperatie bewijst dat weer eens. Ter illustratie overhandig ik hierbij de voorzitter een pas gepubliceerde in-komensdecielentabel van DSM-Limburg BV. Ik heb deze de Minister reeds doen toekomen. Ik verzoek u deze staat als noot bij de Handelingen op te nemen.

De Voorzitter: Ik neem aan, dat tegen het opnemen van deze noot in de Handelingen geen bezwaar bestaat.

[Opgenomen aan het eind van deze weekeditie.]1

De heer Franssen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Uit die staat blijkt onder meer dat de bruto-en nettoverhoudingen tussen het gemiddelde van het eerste en negende deciel der vakvolwassenen respectievelijk is 1 : 2,23 en 1 : 1,81. Dit moge de Minister aansporen om bij noodzakelijke maatregelen de vloeren niet zo dicht bij het plafond te brengen dat men er alleen gebukt en kreunend tussen kan verblijven. Dit bewijst ook hoe irreŽel het matigingsplan van de Partij van de Arbeid in Weerwerk, met betrekking tot de inkomensverhoudingen is. Dat blijkt bovendien uit reacties van FNV en andere vakorganisaties. Het is ons in-ziens onmogelijk beperking alleen te zoeken boven modaal, ook al moge dit voor de kiezersgunst bijzonder interessant zijn. Het zal duidelijk zijn dat wij, gezien het voorgaande, instemmen met dit wetsontwerp, in het vertrouwen dat de Regering in haar beleid terdege rekening zal houden met de behoeften en daarvoor benodigde koopkracht van de ťcht minst draagkrachtigen.

©

W. (Wil)  AlbedaMinister Albeda: Mijnheer de Voorzitter! Zo kort na de behandeling in de Tweede Kamer is het duidelijk dat een fundamentele beschouwing in deze Kamer niet voor de hand ligt. Toch zijn de belangrijkste punten weer de revue gepasseerd. Waarom was de maatregel noodzakelijk? Ik vestig er duidelijk de nadruk op dat het belangrijkste punt is het zoveel mogelijk beperken van de werkloosheidsontwikkeling en hierbij de inkomenspositie van de zwaksten, waaronder de uitkeringstrekkers, zo-

veel mogelijk te sparen. Hiervoor was naast een pijnlijke ombuigingsoperatie een algemene loon-en inkomensmatiging noodzakelijk. In dit licht moet men het loonpauzebesluit en de loonmaatregel bezien. Het bleek noodzakelijk dat de loonontwikkeling in 1980 1,5% bleef onder de ramingen van het Centraal Planbureau. De heer Franssen heeft terecht erop gewezen dat, wanneer wij niets hadden gedaan, dit een groeiend ecart betekende tussen de verhoging van het minimumloon en die van de overige lonen. Een belangrijk punt is dat deze discrepantie de toch al sterke samendrukking van ons loongebouw aan de basis, waarop de heer Franssen terecht wees, zou vergroten. Dit had het accute gevaar dat het loonmatigingsbeleid voor 1980 zou mislukken. De heer Versloot heeft gezegd dat deze ontwikkeling juist de bedoeling van de werking van het mechanisme was. Deze is immers zodanig dat datgene wat in de lonen gebeurt, met een zekere vertraging ook in de minimumlonen gebeurt. Hij gaf een aardig voorbeeld, namelijk het geval van een nulstijging van de prijzen van 1979 op 1980. Hij vroeg of er dan al of niet een regeringsoptreden was geweest en of de zaak dan niet eenvoudig was doorgelopen. De heer Versloot gaat ervan uit dat de wet op de aanpassingsmechanismen een automatisme is. Natuurlijk hebben wij deze als automatisme bedoeld, omdat wij de rechten van de mensen met minimuminkomens goed wilden vastleggen. Terecht is er in deze Kamer op gewezen dat een afwijking om meer dan een algemene maatregel van bestuur of een ministeriŽle beschikking vraagt; zij vraagt om een wetsvoorstel. Ik wijs erop dat de wet ons niet een blind automatisme kan opleggen. De mogelijkheid dat wij in uitzonderlijke si tuaties hiervan afwijken, is niet uitgesloten, al heeft de Tweede Kamer gezegd dat dit moet gebeuren langs de weg van een wetsontwerp. Er is nu sprake van een uitzonderlijke situatie. Wij hebben niet voor niets een looningreep gedaan. De uitschuifoperatie is hiervan een noodzakelijk sequeel. Ik geef toe dat er een probleem is met naijling en voorijling. Wij hadden graag een technische oplossing gevonden voor dit probleem. Deze hebben wij echter nog niet gevonden. Dit betekent dat wij dit jaar met het probleem zitten. Ik meen dat een zo belangrijke uitloop van het mini-mumloon boven het gemiddelde loonpeil de loonmaatregel zelf in gevaar had gebracht en hiermee ons gehele loonpeil en onze werkgelegenheid. Hierbij komt het belangrijke punt dat de minimumloners en de genieters van sociale uitkeringen door de maatregel een deel van de bruto verhoging per 1 juli aanstaande pas een halfjaar later ontvangen. Dit betekent dat hun situatie per 1 januari 1981 een stuk beter is dan zonder de uitschuifoperatie. Ik ben van mening dat er geen aanleiding is tot de verontwaardiging van de heer Versloot, overigens toegevende dat men op allerlei punten verschillend kan denken en voelen. In dit verband heeft de heer Franssen er terecht op gewezen dat, door de belastingverlichting per 1 juli alsmede door de verbetering door de loonmaatregel en door de uitscuifoperatie, de nettoverbetering per 1 juli groter is dan wanneer er geen extra maatregel zou zijn geweest en wanneer de brutoaanpassing gewoon zou zijn doorgegaan. Met andere woorden: de nettoverbetering voor de minimumloner en de sociale uitkeringstrekker zou bij ongewijzigd beleid ongunstiger zijn geweest dan nu. Met nadruk stel ik, ook naar aanleiding van de vraag van de heer Franssen over de minst draagkrachtigen, dat wij al het mogelijke hebben gedaan om, ondanks de zeer slechte economische situatie en in een moeilijk afwegingsproces van werkloosheidsbestrijding en inkomensbeleid, de koopkracht van de minima te handhaven bij de prijsraming van 5,7%. In dit verband herhaal ik met nadruk dat de nettoverbetering voor de minima bij ons voorstel hoger uitpakt dan bij ongewijzigd beleid. De heer Franssen heeft gevraagd of wij niet voorzichtiger zouden moeten zijn met collectieve lasten en met het opleggen ervan ten koste van particuliere mogelijkheden. Op zichzelf is deze stelling natuurlijk moeilijk te weerleggen; zij zit dicht in de buurt van een open deur. Toch is het goed, er dieper op in te gaan. Het is duidelijk dat ten aanzien van de sociale zekerheid en van de belastingheffing sprake is van een 'premie-illusie', zoals men het zou kunnen noemen. De wetgever gaat er-van uit dat de burger premie en belasting beschouwt als de prijs die hij betaalt voor sociale zekerheid en collectieve voorzieningen en dat hij daarbij calculeert op dezelfde wijze waarop hij calculeert wanneer hij zich een automobiel of andere prettige consumptiemiddelen aanschaft. De praktijk is natuurlijk geheel anders, namelijk dat men zijn inkomen netto calculeert en premie-en belastingheffing ziet als een aftrekpost, die voornamelijk negatief wordt gewaardeerd. Het is niet de betaling voor de collectieve voorziening maar datgene wat men kwijt raakt en wat men niet kan besteden voor nuttige zaken als een kleurentelevisie, reizen enzovoorts. Juist die 'premie-illusie' hoort naar ik meen de overheid ertoe te brengen, uiterst kritisch te staan tegenover een verdere verhoging van collectieve uitgaven. Er komt een moment waarop de burger, die natuurlijk niet altijd even consequent redeneert en stemt -evenmin als alle volksvertegenwoordigers dat altijd zouden doen -eenvoudig weigert die hogere collectieve lasten te voldoen, hetgeen zich uit in de vorm van afwenteling, versterking van de inflatie, enzovoorts. Ik meen dat het goed is, deze gehele problematiek voortdurend in gedachten te houden bij de ontwikkeling van collectieve uitgaven en de daarbij horende premie-en belastingontwikkeling. De heer Franssen heeft nog eens, speciaal in verband met de problematiek van de samendrukking van het loongebouw, gewezen op het mini-mumjeugdloon, met name in de zwakke bedrijfssectoren. Hij heeft zich afgevraagd of dit zo moet blijven. Het is duidelijk dat de problematiek van het minimumjeugdloon een aspect is van de gehele problematiek van de na-ijling. Dit dringt ook veel harder in een tijd van verminderende inflatie dan in een tijd van vermeerderende in-flatie. Het zou wel eens kunnen zijn -ik denk niet dat dit op zich een goede zaak is -dat wij in de komende jaren daarmee minder problemen zullen hebben dan het geval was in de afgelopen jaren, toen sprake was van een verminderende inflatie. Dit wil echter niet zeggen dat die hele problematiek van de relatie tussen minimumloon en minimumjeugdloon niet nauwkeurig zou moeten worden bezien. Wel wil ik er met nadruk op wijzen dat dit niet een probleem is dat buiten de sociale partners om zou kunnen worden geregeld. Ik denk dat in het kader van het opnieuw bezien van de gehele problematiek van de naijling ook dťze problematiek van de gevolgen voor de jeugdlonen, betrokken dient te worden. Ik denk hierbij niet zozeer aan wat men wel heeft genoemd een verschuiving van inkomen van hogere leef tijdsgroepen naar lagere leeftijdsgroepen (hoewel ik vermoed dat er zoiets aanwezig is), maar met name aan de gevolgen die een en ander heeft voor de jeugdwerkloosheid. In die zin denk ik dat een nadere bestudering van die relaties een goede zaak is, en dat we daar-

aan ook niet ontkomen in de komende jaren. Het zal echter niet kunnen gebeuren zonder het er op een intensieve wijze bij betrekken van de sociale partners. De heer Franssen heeft verder een vraag gesteld over de collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals deze nu zijn afgesloten. Bij een eerdere gelegenheid heb ik al gezegd dat wanneer de Philips-en Hoogovensc.a.o.'s het patroon worden voor de ontwikkeling van de loonvorming ten behoeve van 1981, hierbij twee opmerkingen gemaakt kunnen worden. In de eerste plaats kan geconstateerd worden dat hierbij sprake is van een bescheiden loonontwikkeling. Men moet zelfs vaststellen dat bij een oplopende inflatie deze loonontwikkeling niet zonder meer zal leiden tot koopkrachthandhaving. Afhankelijk van de ontwikkeling van het prijspeil zal er een zekere koopkrachtvermindering mee gepaard gaan. In die zin is derhalve sprake van een bescheiden ontwikkeling in de lonen. In de tweede plaats moet echter geconstateerd worden dat de ontwikkeling wŤl leidt tot een nominale loonstijging in 1981 van ongeveer 8% op jaarbasis, indien men namelijk een calculatie van deze loonontwikkeling maakt, uitgaande van de veronderstelling dat deze ca.o.'s een patroon vormen voor 1981, waarbij zij een plafond aangeven en niet zozeer een klimrek. Bij deze constatering is dan tevens rekening gehouden met prijscompensatie, overloop,enz. Hoe bescheiden die ca.o.'s derhalve ook zijn en hoe verheugd we kunnen zijn over de eruit sprekende realistische zin van de zijde van de vakverenigingen, toch legt een loonsverhoging van 8% duidelijk een groot beslag op het nationaal inkomen. Het is voor mij de vraag of in dit verband van 'inhaal' mag worden gesproken. Ik denk dat het beter is om te zeggen dat hier sprake is van een begin van matiging, alsmede van een indicatie dat we er nog niet zijn. Het zou naar mijn mening goed zijn zich nog eens te herinneren dat in de Tweede Kamer een motie-Engwirda is aangenomen, waarin werd gewezen op de noodzaak van uitzuivering van de energieprijsstijging uit de prijscompensatie. Kort samengevat: het gaat dus om een bescheiden ontwikkeling in vergelijking met hetgeen er het vorige jaar dreigde; tegelijkertijd maakt echter de geringe groei van het nationaal inkomen, de dreigende nulgroei, dat ook die ontwikkeling ons bepaald voor problemen zal gaan stellen. We zullen er niet aan ontkomen om aan deze problemen het hoofd te bieden. Dit betekent dat we met deze ontwikkeling niet zullen kunnen werken, zonder betrekkelijk vervelende maatregelen in de sfeer van belasting-en premieheffing. Voorts heeft de heer Franssen gesproken over de problematiek van de samendrukking aan de basis. Te dien aanzien heb ik eigenlijk al in het kader van mijn opmerking over het jeugdloon al het een en ander gezegd. Ik ben het volstrekt met hem eens: het is noodzakelijk dat wij de hele ontwikkeling van de loonstruktuur nog eens aan de orde stellen om die dreigende en ook reeds gerealiseerde samendrukking mŤt zijn slechte gevolgen voor de ontwikkeling van het gehele loongebouw nog eens nader aan een studie te onderwerpen.

©

H. (Huug)  VerslootDe heer Versloot (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De Minister en ik zullen elkaar in dit debat wel niet overtuigen. Ik neem aan dat wij dat tevoren al wisten. Dat neemt niet weg dat ik nog op zijn argumentatie wil ingaan. Ik meen dat de fundamentele fout die bij deze hele discussie gemaakt wordt, is dat wij het minimumloon van vandaag, een naijlend loon, vergelijken met het loon van vandaag, dat de normale ontwikkeling heeft. In feite moeten wij, sinds wij hebben vastgesteld dat de naijling de enige methode is waarmee wij voorshands kunnen werken, het minimumloon van het komende halfjaar vergelijken met het loon van het afgelopen halfjaar. Als er tussen die twee een discrepantie is, waarvan wij zeggen dat het een te grote samend rukking veroorzaakt, zeggen wij in feite dat het niveau van het minimumloon te hoog geworden is. Dat is een discussie die men kan aangaan; het is een punt waarover zinnig te praten valt, al zullen wij het ook daarover naar ik vrees niet zo heel gauw eens zijn. Als wij het minimumloon van het moment X vergelijken met het loon van het moment X, betekent dit dat wij er een naijlende, achterlopende zaak mee vergelijken. En wanneer wij dan die verhouding tot de juiste gaan declareren en het inlopen van de achterstand gaan behandelen als een samendrukking, zijn wij ten onrechte bezig het systeem dat wij gekozen hebben te ontkrachten. In dat verband krijg je te maken met een wonderlijke uitspraak van de Minister als: met deze uitschuifoperatie zijn de minimumloners straks per 1 januari 1981 in een betere positie. Zo ken ik er nog een paar, mijnheer de Voorzitter. Zo kan ik ook tegen mijn crediteuren zeggen: Jongens, ik betaal jullie niet nu, maar pas over een halfjaar; dan ben je over een halfjaar in een betere positie. Ik kan mij niet voorstellen dat een crediteur dat zeer zal waarderen en ik kan mij niet voorstellen dat een rechter in Nederland die argumentatie zou willen volgen. Misschien wordt hun situatie per 1 januari 1981 wel beter, maar gedurende het tweede halfjaar 1980 wordt ze duidelijk slechter. Nu kan daartussendoor spelen het effect van de belastingverlaging. Als ik het wel begrepen heb, is dat effect f 136 op jaarbasis; dat is ongeveer f 2,50 per week, terwijl wij in feite de stijging van het minimumloon volgens het normale systeem beperken met f 21 of daaromtrent. Ik kan mij niet erg goed voorstellen hoe een loondaling van f 21 gecompenseerd kan worden door een belastingdaling van f 2,50. Ik begrijp dus niet dat de minimumloontrekkers op welke wijze ook, hetzij nu, hetzij per 1 januari 1981, door deze wet in een betere positie komen. Het lijkt mij duidelijk dat het een slechtere positie is en dat dit in strijd is met de hele opzet van het minimumloongebouw. Zolang wij accepteren dat het minimumloon met naijling tot stand komt, moeten wij natuurlijk niet het minimumloon van nu vergelijken met het loon van nu. Wij zouden het mini-mumloon van het volgend halfjaar daarmee moeten vergelijken. De Minister heeft mij in dat opzicht niet overtuigd.

©

W. (Wil)  AlbedaMinister Albeda: Mijnheer de Voorzitter! Ik denk dat ik het op ťťn belangrijk punt eens ben met de heer Versloot, namelijk wanneer hij zegt dat wij elkaar niet helemaal zullen kunnen over tuigen en in zekere mate langs elkaar heenlopen. De heer Versloot is van mening dat men het minimumloon van vandaag eigenlijk niet mag vergelijken met het loon van vandaag. Zijns inziens moet men dat vergelijken met het loon van het halfjaar daarvoor, in verband met de hele werking van het mechanisme. Als ik hem goed heb begrepen, heeft hij die vergelijking toch gemaakt, maar dan op grond van arbeidsmarktoverwegingen. Samendrukking is dan alleen maareen indicatie van het te hoog oplopen van het minimumloon. Wat je dan moet doen, is een veel principiŽlere zaak. Je moet jezelf dan afvragen, of het minimumloon niet te hoog wordt.

Ik vrees dat het consequent volhouden van deze redenering zou kunnen leiden tot de conclusie dat het mini-mumloon wellicht aan de lage kant zou zijn geweest in geval van een omgekeerde situatie, namelijk wanneer het gemiddelde loonpeil en het mini-mumloon, vermeerderd met het na-ijlingseffect tegenover elkaar worden gezet. Naar mijn mening is er echter iets anders aan de hand. Wij hebben een zo goed mogelijk automatisme gemaakt, dat soms neerkomt op het relatief achterblijven van het minimumloon en soms neerkomt op het relatief voorlopen van het mini-mumloon. In het algemeen kan men bij een normale ontwikkeling deze positieve en negatieve punten accepteren. In een bijzondere situatie -die ontstaat bij ingrijpen, bij voorbeeld een loonmaatregel -moet men zich echter afvragen of men het automatisme domweg moet laten werken dan wel moet corrigeren. De heer Versloot is ten aanzien van de correctie van mening dat het onzin is te stellen dat de mensen per 1 januari a.s. beter af zouden zijn. De redenering was dan ook dat de combinatie van de door ons voorgestelde verhoging en de belastingmaatregel beter uitvalt dan hetgeen zou zijn gebeurd bij het normaal doorlopen van de mechanismen. De cijfers staan overigens in de memorie van antwoord vermeld. Het netto-effect op 1 juli 1980 voor het minimumloon en de sociale minima en WAO-modaal komt in elk van de gevallen positief uit ten opzichte van hetgeen zou zijn gebeurd wanneer wij domweg de mechanismen zouden hebben gevolgd. Het verschil zit met name in het feit dat ook van een verhoging van het minimumloon een deel wegvalt in de vorm van premies en belastingen. Het gaat om voordelen in de orde van grootte van 9 gulden per maand voor het minimumloon en de sociale minima. De berekening van de heer Versloot gaat m.i. dan ook niet helemaal op. Het is op zich zelf erg goed dat het minimumloon op 1 januari niet plotseling deze duidelijke achterstand krijgen, die het zou hebben gekregen wanneer er niet was ingegrepen.

De beraadslaging wordt gesloten. Het wetsontwerp wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: Aan de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de PSP en de CPN wordt aantekening verleend, dat zij geacht wensen te worden, tegen dit wetsontwerp te hebben gestemd.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.