Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken - Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 11

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 juni 1980

Conform de toezegging van de Minister van Financiën aan de heer Kombrink, gedaan tijdens het debat over het wetsontwerp herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981, doe ik u hierbij toekomen een overzicht van de verwachte vermogensposities van de sociale verzekeringsfondsen per ultimo 1980 volgens de Meerjarenramingen sociale zekerheidsregelingen 1980 en zoals die werden voorzien op basis van het aan het Centraal Economisch Plan 1980 ten grondslag liggend cijfermateriaal.

Conform meer-

Conform CEP* jarenramingen (in f min.)

(inf min.) 3500

3450 470

49095

751050

760 1620

21501-05

-140 1065

1 150 1420

750 1660

1570 460

460 2 325

2330

AOW AWW AKW AAW WAO ZFW AWBZ AWF Wachtgeldfondsen Risicofondsen ZW

Totaal

13770

12525

  • Na aftrek van korting op rijksbijdragen in 1980 ad f600 min.

Zoals uit het overzicht blijkt, is het totaal van de verwachte reserveposities der sociale fondsen in april jl. teruggelopen ten opzichte van de raming in september 1979. Tekorten voor de totaliteit der fondsen zullen daardoor echter niet ontstaan omdat sprake is van een zekere intering op niet voor de directe financiering van de uitgaven in 1980 benodigde overreserves. De beslissing van de Regering om f 600 min. in 1980 te korten op de rijksbijdragen is niet van invloed op het teruglopen van het totaal der reserves, met uitzondering van de terugtrekking ad f 100 min. uit de verplichte ziekenfondsverzekering, waarvoor nog dit jaar ombuigingsmaatregelen zullen worden getrof-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 11

fen ten einde de reservepositie weer op peil te brengen. De terugtrekking van de rijksbijdragen ad f 350 min. uit de AOW en ad f 150 min. uit de AKW leiden niet tot verschuivingen in de reserveposities van deze fondsen. Zoals reeds bij meerdere gelegenheden is medegedeeld, ging het bij deze fondsen om een intering op sedert september 1979 ontstane meevallers. Opvallend in het overzicht zijn de verschuivingen die zich hebben voorgedaan bij de AAW en de WW. Bij de AAW wordt de thans geraamde lagere reservepositie in 1980 enerzijds veroorzaakt door een afwijkend exploitatieresultaat in 1979 van het eerdergeraamde, voornamelijk als gevolg van waarschijnlijk als eenmalig aan te merken sterker gestegen kosten van voorzieningen en als gevolg van gestegen administratiekosten. Anderzijds was ten tijde van het CEP sprake van lagere premie-ontvangsten dan eerdergeraamd. Overigens zij opgemerkt dat lagere premieplichtige inkomens op zich niet behoeven te leiden tot intering op de reserves, omdat als het teruglopen van de premieplichtige inkomens veroorzaakt wordt door nominale afwijkingen, deze afwijkingen zich in dezelfde richting zullen voordoen bij de uitkeringen. Bij de Werkloosheidswet is de lagere reservepositie in hoofdzaak toe te schrijven aan de ten opzichte van september 1979 hogergeraamde werkloosheid in 1979 en 1980. Daarnaast werden ten tijde van het CEP voor 1980 lagere ontvangsten geraamd als gevolg van een lager vastgesteld premiepercentage, een lager premieplichtig inkomen en lagere rentebaten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer,zitting 1979-1980,16212, nr. 11

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.