Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken - Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 9

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 13 juni 1980

Tijdens de beraadslaging op 11 juni 1980 zijn door de fracties van de C.P.N, en van de P.v.d.A. vragen gesteld over de vakantie-uitkering over de AOW-pensioenen zoals deze van kracht zijn vanaf 1 januari 1980. In onmiddellijk antwoord hierop heb ik meegedeeld, dat door de Wet van 20 decenv ber 1979, Stb. 711 inzake de aanpassingsmechanismen en de hoogte van het sociaal minimum per 1 januari 1980 een wijziging in de verdeling van de netto gekoppelde bedragen over maand-en vakantie-uitkering heeft plaatsgevonden. Hierdoor zijn de verhoudingen tussen de samenstellende delen van de koppelingsgrondslag en van de AOW-pensioenen met elkaar in overeenstemming gebracht en is aansluiting verkregen met de uitkeringen ingevolge de ABW. Zoals ik heb meegedeeld heeft dit voor de uitkeringsgerechtigden geen enkel financieel nadeel. Aangezien het hier gaat om een technisch gecompliceerde systematiek waarin slechts een grondig inzicht kan worden gegeven door uitvoerig cijfermateriaal, heb ik toegezegd een en ander schriftelijk nader uiteen te zetten. Met betrekking tot deze voor zo veel mensen geldende uitkeringen acht ik het noodzakelijk iedere onduidelijkheid of misverstand weg te nemen. In het volgende zal ik mijn uitspraken gedaan tijdens de beraadslagingen nader toelichten. Bij het sinds 1973 gevoerde koppelingsbeleid zijn tot 1 januari 1980 voor de toetsing van de nettonettogelijkheid en de 100 : 70 verhouding het maandelijks pensioen en de vakantie-uitkering samengeteld. Deze berekeningsmethode leidde er niet toe, dat -zoals wel voor de bijstandsuitkeringen het geval is -zowel de maandbetalingen als de daarbij behorende va-kantie-uitkering afzonderlijk op nettobasis gelijk zijn aan de uit het brutominimumloon en de minimum-vakantie-uitkering berekende koppelingsgrondslagen. Ten einde deze nettogelijkheid in beide bestanddelen van de AOW-pensioenen tot stand te brengen en daarmee te harmoniseren met de uitkeringen ingevolge de ABW is de berekeningswijze per 1 januari jl. aangepast. De methode van vaststellen van de netto-en brutopensioenen en de daarbij behorende vakantie-uitkeringen is wettelijk vastgelegd in de nieuwe artikelen 8 en 22b AOW. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de aanpassingsmechanismen zijn deze artikelen nader toegelicht (Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4, blz. 50-52). De

2vel

Tweede Kamer,zitting 1979-1980, 16212, nr. 9

gewijzigde koppeling blijkt ook uit vergelijking van tabel IV.1 op blz. 25 met tabel IV.12 op blz. 45. Ten einde een en anderthans nog eens duidelijk te maken zal ik onderstaand aan de hand van gedetailleerde becijferingen de wijzigingen toelichten. Daarbij ga ik uit van het brutominimumloon en de bruto-minimum-vakantie-uitkering op basis van 7,5% zoals deze inmiddels per 1 januari zijn vastgesteld. Deze bedragen wijken af van de veronderstellingen die ten grondslag lagen aan de becijferingen in de eerder vermelde memorie van toelichting. Tabel 1 geeft de koppelingsgrondslag op nettobasis berekend conform de in de wet vastgelegde methodiek, en de daaraan gekoppelde AOW-pensioenen welke zijn berekend volgens de tot 1 januari 1980 geldende methode. Daarbij zijn de AOW-pensioenen per maand zodanig bepaald, dat inclusief de over dat maandbedrag berekende vakantie-uitkering ad 7,5%, in totaliteit op nettobasis gelijkheid ontstaat. Deze methode was en is nog steeds van toepassing op de overige minima (AAW, WAO, WW) omdat voor deze uitkeringen in verband met de aansluiting met uitkeringen boven het minimum en voor de AAW ook met het oog op de samenhang met de WAO, de bruto-vakantie-uitkering een eigen betekenis heeft en op brutobasis 7,5 % van de daguitkering moet bedragen. Voor deze uitkeringen is een volledige harmonisatie van de samenstellende delen derhalve niet mogelijk. Dit doet overigens op geen enkele wijze afbreuk aan de nettonettogelijkheid van de bei-de bestanddelen te zamen.

Tabel 1: Brutobedragen, inhoudingen en nettobedragen van de koppelingsgrondslag en de daaraan gekoppelde AOW-pensioenen, per 1 januari 1980, exclusief toeslag, op basis van koppelingsmethodiek tot 1 januari 1980'

Koppelings-

AOW

AOW grondslag

gehuwd

ongehuwd

Bruto per maand

1826,50

1403,37

962,23 Premie ZFW

73,97

28,40

28,40 Premie IW/ZW

36,98

-

-Premie WAO

43,22

--Premie AOW/AWW

209,60

--Loonbelasting

136,70

51,00

19,50 Netto per maand

1326,03

1322,97

914,33 Bruto-vakantie-uitkering per maand

136,98"

105.252

72.162 Premie ZFW

5,54

-

  • Premie IW/ZW

2,77

--Premie WAO

9,65

--Premie AOW/AWW

15,09

--Loonbelasting

20,68

18,94

3 Netto per maand

83,25

86,31

72,16 Totaal netto per maand

1409,28

1409,28

986,49 100%

70%

' Uitdrukkelijk zij vermeld dat de netto koppelingsgrondslag is berekend op basis van de per 1 januari van kracht geworden wettelijke voorschriften. ' 7,5% van het brutobedrag per maand. 1 In 1980 is over de vakantie-uitkering voor ongehuwden met geen of nagenoeg geen neveninkomsten nog geen loonbelasting verschuldigd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nr. 9

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is er weliswaar in het totaalbedrag net-tonettogelijkheid maar niet in de afzonderlijke delen. De nettoverhoudingen zijn als volgt:

Koppelingsgrondslag

AOW gehuwd

AOW ongehuwd

Per maand Vakantie-uitkering Totaal

100 100 100

99,8 103,7 100

68,9 86,7 70

Oorzaak van deze ongelijke verdeling is vooral het verschil in de inhoudingen. Ten einde deze onevenwichtigheid op te heffen is in de per 1 januari 1980 van kracht geworden wettelijke regeling van de vaststelling van de AOW-uitkeringen voorzien in een koppeling van maandbedragen en vakantie-uitkering afzonderlijk. Aldus geldt voor elk bestanddeel de verhouding 100 : 100 : 70. Onderstaande tabel geeft de uitkomsten daarvan.

Tabel 2. Brutobedragen, inhoudingen en nettobedragen van de koppelingsgrondslag en de daaraan gekoppelde AOW-pensioenen per 1 januari 1980, exclusief tijdelijke toeslag op basis van koppelingsmethodiek vanaf 1 januari 1980

Koppelings-

AOW

AOW grondslag

gehuwd

ongehuwd

1826,50

1407,33

978,72 73,93

28,40

28,40 36,98 43,22209,60 136,70

52,90

22,10132 6,03

1326,03

928,22100%

70%

136,98

101,52

58,27 5,54 2,77 9,65 15,09 20,68

18,27 83,25

83,25

58,27100%

70%

1409,28

1409,28

986,49

Zoals blijkt uit vergelijking van tabel 2 met tabel 1 zijn bij de huidige berekeningsmethode de nettomaandbedragen voor gehuwden ca. f 3 en voor ongehuwden ca. f 14 hoger terwijl de vakantie-uitkering voor beide groepen evenveel lager is. Het totale nettobedrag is vanzelfsprekend in beide gevallen gelijk. Er zij op gewezen, dat in de huidige berekeningsmethode de 7,5% vakantie-uitkering voor de AOW-pensioenen tot stand komt via de koppelingsgrondslag. De bruto-vakantie-uitkering over de AOW-pensioenen is daarvan een afgeleide waarvan de hoogte wordt bepaald door de over de vakantie-uitkering eventueel te betalen loonbelasting. De wijziging in de koppelingstechniek leidt tot een lagere netto-vakantie-uitkering die later wordt betaald dan de hogere nettomaanduitkering. Het «nadeel» in de uitbetaalde vakantie-uitkering wordt dus voorafgegaan door een «voordeel» in de maandbetalingen. Dit geldt zowel voorde periode januariapril 1980 als voorde daarna volgende periode waarin de in 1981 uitte betalen vakantie-uitkering wordt opgebouwd. Deze verschuivingen in het betalingspatroon hebben geen enkele invloed op de gepresenteerde koopkrachtontwikkeling.

Bruto Premie ZFW Premie ZW/WW Premie WAO Premie AOW/AWW Loonbelasting Netto per maand Bruto-vakantie-uitkering Premie ZFW Premie ZW/WW Premie WAO Premie AOW/AWW Loonbelasting Totaal netto per maand

Totaal netto

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 9

Zoals uitvoerig toegelicht in verband met de thans aan de orde zijnde maatregelen vinden deze becijferingen plaats op transactiebasis, dus onafhankelijk van het tijdstip van uitbetaling. In het kader van de overgangsmaatregelen van de per 1 januari 1980 van kracht geworden wetswijziging is een tijdelijke, per 1 juli vooralsnog gehandhaafde, nettotoeslag verleend van f 6 op de maandelijkse pensioenen voor gehuwden en f 4,20 voor ongehuwden. De in verband hiermee per 1 januari feitelijk vastgestelde bedragen zijn vermeld in tabel 3.

Tabel 3. Brutobedragen, inhoudingen en nettobedragen van de koppelingsgrondslag en de daaraan gekoppelde AOW-pensioenen, per 1 januari 1980, inclusief tijdelijke toeslag

Koppelings-

AOW

AOW grondslag

gehuwd

ongehuwd

Bruto per maand

1 826,50

1 414,23

983,82 Premie ZFW

73,97

28,40

28,40 Premie WW/ZW

36,98

-- Premie WAO

43,22

-- Premie AOW/AWW

209,60

--Loonbelasting

136,70

53,80

23,00 Netto per maand

1 326,03 L

1 332,03 Tl00% + f 6,-

932,42 T70% + f 4,20

Bruto-vakantie-uitkering per maand

136,98

101,52

58,27 Premie ZFW

5,54

-

  • Premie WW/ZW

2,77

--Premie WAO

9,65

-

  • Premie AOW/AWW

15,09

--Loonbelasting

20,68

18,27

-Netto per maand

83,25

83,25 Tiom

58,27 _J70%

I

Totaal netto per maand

1 409,28

1 415,28

990,69

De ontwikkeling van de bruto-en netto-vakantie-uitkering per maand voor bejaarden en van de netto maandbedragen na de aanpassing per 1 januari 1980 is als volgt:

Vakantie-uitkering

Gehuwden

Ongehuwden

bruto

netto

bruto

netto

1-10-1979 1-01-1980

f

96,84 f 101,52

f 1 383,50 f 1 414,23

f

77,48 f

83,25

f 66,12 f 58,27

f 944,50 f 983,82

f 66,12 f 58,27

Verschil

Maanduitkering

+ f

5,77

f 1 296,60 f 1 332,03

-f

7,85

f 895,30 f 932,42

f

35,43

f 37,12

Totaal verschil

f

41,20

f 29,27

De door de fractie van de C.P.N, gemaakte becijfering waarbij op grond van de lagere vakantie-uitkering per 1 januari een «verlies» van ca. f 30 bij de uitbetaling van de vakantie-uitkering in mei werd verondersteld, is begrijpelijk doch geeft geen volledig beeld van de ontwikkeling van de uitkeringen. De nettoverbetering voor ongehuwden is, zoals logisch voortvloeit uit de 100:70 verhouding, per saldo toch ca. 70% van de verhoging voor de gehuwden. Ook de door de fractie van de P.v.d.A. naar voren gebrachte discrepantie in de ontwikkeling van de vakantie-uitkering aan gehuwden tegenover die aan ongehuwden vindt in het bovenstaande een duidelijke verklaring.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 9

De verhoging van het percentage van de vakantie-uitkering van 7% naar 7,5%, zonder verrekening met het brutomaandbedrag, heeft ertoe geleid dat de nettokoppelingsgrondslag ca. f 5,50 per maand hoger is vastgesteld. Zonder die verhoging zou het bedrag van de vakantie-uitkering aan gehuw-de bejaarden in januari vrijwel gelijk zijn gebleven en voor ongehuwden ca. f 11,70 in plaats van f 7,85 lager zijn geweest dan per 1 oktober 1979. De maanduitkeringen zouden vanzelfsprekend niet anders zijn vastgesteld. De verhoging heeft derhalve reële betekenis. Ten slotte is het nog van belang enige opmerkingen te maken over de in mei 1979 en 1980 door de Sociale Verzekeringsbank uitbetaalde netto-va-kantie-uitkeringen aan bejaarden die gedurende de daaraan voorafgaande twaalf maanden een uitkering als gehuwde dan wel ongehuwde hebben ont vangen en (nagenoeg) uitsluitend AOW genieten:

Gehuwden

Ongehuwden

mei 1979

f 886,43

f 757,26 mei 1980

f 961,48

f 756,53

Zoals blijkt is de uitbetaling aan ongehuwden met geen of nagenoeg geen neveninkomsten in mei 1980 vrijwel gelijk aan het bedrag van mei 1979. In de eerder vermelde memorie van toelichting is gesteld (blz. 52) dat de uitkering aan ongehuwden in mei 1980 netto in ieder geval hoger zou zijn. Deze uitspraak is gedaan in verband met het oorspronkelijke plan de minimum-vakantie-uitkering te verhogen van 7 naar 8%, onder gelijktijdige verrekening met het niveau van het brutominimumloon. Ook in dit geval zou weliswaar de vakantie-uitkering voor ongehuwden per januari 1980 iets lager zijn geweest dan per oktober 1979, doch minder dan thans het geval is. Hierdoor zou de uitkering over 12 maanden in mei 1980 wel iets hoger zijn geweest dan in 1979. Tegelijkertijd zou de maanduitkering per 1 januari 1980 echter lager zijn geweest door de oorspronkelijk voorgestelde verrekening met de maanduitkering. In totaliteit is de huidige uitkomst echter hoger, doordat weliswaar de vakantie-uitkering tot 7,5% in plaats van 8% is verhoogd, maar hiertegenover geen verrekening met het maandbedrag heeft plaatsgevonden. Met bovenstaande noodzakelijkerwijs uitvoerige uiteenzetting is naar mijn oordeel aangetoond, dat de hier besproken verbeteringen die bij de wettelijke regeling van de nettonettokoppeling in de rekenmethodiek zijn aangebracht op geen enkele wijze nadeel voor betrokkenen betekenen, doch veeleer positief uitwerken.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 9

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.