Verslag - Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

' Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter. Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD), Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA), Toussaint (PvdA)

VERSLAG Vastgesteld 3 juni 1980

De vaste Commissie voor Sociale Zaken heeft de eer als volgt verslag uit te brengen over de in haar midden naar aanleiding van dit wetsontwerp gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Zij acht de plenaire behandeling van dit wetsontwerp voldoende voorbereid als op deze vragen en opmerkingen zal zijn geantwoord.

De leden van de P.v.d.A.-fractie toonden zich ongerust over het voorliggende wetsontwerp, dat naar hun oordeel tot strekking heeft in het jaar 1980 door mensen met het minimumloon dan wel een sociale uitkering een grotere bijdrage aan een beheerste inkomensontwikkeling te doen leveren dan van andere inkomensgroepen wordt gevraagd, en dat tegen de achtergrond van een prijsontwikkeling, waarvan de Regering veronderstelt, dat de toename van de prijsstijging zich in de loop van dit jaar zal voortzetten. Zij meenden te moeten vaststellen dat toepassing van de in het wetsontwerp gevraag-de bevoegdheden zal betekenen dat de koopkracht van de minimuminkomens niet wordt gehandhaafd, in elk geval niet per 1 juli en waarschijnlijk niet op jaarbasis. Deze leden hadden de indruk dat de minima en sociale uitkeringen in feite met terugwerkende kracht moeten «matigen». Immers de hun krachtens de wet toekomende verhoging is gebaseerd op de loonontwikkeling in de periode van 31 oktober 1979 tot 30 april 1980. In het eerste gedeelte van deze periode was geen loonmaatregel van toepassing. Naar het oordeel van deze leden wordt nu van een groep van de iaagstbetaalden een bijdrage gevraagd welke niet is gevraagd aan andere categorieën van inkomensontvangers. De hier aan het woord zijnde leden zouden over de feitelijke koopkrachteffecten en "Ontwikkelingen graag nadere specificaties van de Regering willen ontvangen. In het bijzonder zouden zij aangetoond willen zien dat door de voorgestelde mutaties per 1 juli geen sprake zal zijn van aantasting van de koopkracht. Tevens wensten zij toegelicht te zien welke prijsontwikkeling voor de rest van 1980 wordt verwacht, welke koopkrachteffecten dat voor de betrokken groepen zal hebben en hoe en wanneer de Regering zich voorstelt maatregelen te nemen ter verzekering van de koopkracht over het jaar 1980, zoals de Regering een en andermaal heeft toegezegd. Deze leden waren overigens van mening dat niet in de loop van het najaar van 1980, maar per 1 juli 1980koopkrachtzekerheid moet worden gegeven. Dit in de duisternis van de prijsstijgingen, die zijn opgetreden vanaf het laatste moment dat deze lonen

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

en uitkeringen zijn aangepast aan de index van de regelingslonen, en de prijsstijgingen die voorde resterende maanden van 1980 worden verwacht. Zij zouden voorts graag uitgerekend willen zien hoe de ontwikkeling van de index van de regelingslonen zou zijn geweest als niet per 1 januari 1980 een «opschoning» van deze index had plaatsgevonden. Tevens zou voor een goede vergelijking ook het effect berekend moeten worden van de overige maatregelen die per 1 januari 1980 krachtens de Wet herziening aanpassingsmechanismen zijn toegepast. Is de Regering bereid deze berekeningen over te leggen? Is de Regering verder bereid commentaarte leveren op de berekeningen in het artikel van de heer Vincent Bakker in Vrij Nederland van 31 mei 1980, en wil zij ten behoeve van de Kamer de interessante vergelijking maken tussen de prijsontwikkeling over de periode van 1 januari 1978 tot 31 december 1980 en de verhogingen voor enkele veel voorkomende situaties van toepassing van het minimumloon, respectievelijk een sociale minimumuitkering zoals die feitelijk hebben plaatsgevonden? De memorie van toelichting volgend hadden de leden van de P.v.d.A.-fractie nog de volgende opmerkingen en vragen. Wanneer is precies bekend welk percentage voortvloeit uit de index van de regelingslonen over de periode van 31 oktober 1979 tot 30 april 1980, welke geschat is op 3%? Hoe hoog is dat percentage naar de stand van zaken van heden? Zijn nog registraties van ca.o.'s, die eerder dan 1 april 1980 zouden moeten ingaan, te verwachten? Als nog in het najaar van 1979 door Regering en Parlement is vastgesteld dat sprake is van een vooralsnog onvermijdelijk naijlingseffect, welk effect beurteling hoger en lager uitvalt ten opzichte van de ontwikkeling van de regelingslonen, is dan door mensen die belang hebben bij het wettelijk aanpassingsmechanisme in redelijkheid te verwachten dat dan toch door de Regering enkele maanden later wijziging wordt voorgesteld van de wettelijk voorgeschreven verhogingen, zeker als nog onderzoek gaande is naar de mogelijkheid het naijlingseffect geheel of gedeeltelijk te vermijden? Moet de voorgestelde wijziging niet ervaren worden als volstrekte willekeur? Deze leden brachten in herinnering dat zij ook in 1976 van oordeel waren dat, als er behoefte bestond aan een zekere uitschuifoperatie ter zake het minimumloon en de sociale uitkeringen, deze dan op zodanige wijze zou moeten plaatsvinden dat de mensen er per saldo niet bij zouden inschieten. In 1976 was nog sprake van een afnemende prijsontwikkeling en was de koopkracht van de betreffende mensen niet in gevaar. Nu daarentegen is sprake van een groei in de prijsstijgingen en is de koopkracht van de betrokken mensen, zeker tegen de achtergrond van opgetreden en te verwachten prijsstijgingen, wel in het geding. Ook om die redenen hadden zij tegen het voorstel van de Regering onoverkomenlijke bezwaren. Naar aanleiding van de mededeling van de Regering dat de voorgestelde wijzigingen niet leiden tot structurele aantasting van het niveau, van mini-mumloon en sociale uitkeringen, vroegen deze leden wat voor het betreffen-de half jaar de besparingen zijn voor respectievelijk de overheid, de sociale fondsen en het bedrijfsleven. Als moet worden aangenomen dat het niet in de bedoeling ligt het ingehouden deel over het laatste halfjaar 1980 later te compenseren en alleen het niveau wordt hersteld (althans voor zover het te voorzien valt), is dan niet toch sprake van een structureel afstaan van een deel van de rechtens toekomende verhoging? Valt overigens niet te voorzien dat de voorgenomen verhoging van het minimumloonen de sociale uitkeringen per 1 januari 1981 hoger zal moeten uitvallen dan de combinatie van f 26 en ingehouden deel, en wel in verband met de doelstelling die de Regering zegt na te streven, namelijk de handhaving van de koopkracht van de minima? Wordt dan opnieuw een wetswijziging overwogen, zodat de mensen in het geheel geen vertrouwen meer kunnen hebben in wettelijke zekerheden? Kan de koopkrachtontwikkeling van mensen met een WAO-uitkering afzonderlijk worden toegelicht, dit in verband met de specifieke effecten van het doen vervallen van de 0,5% voorindexering, die op 1 januari 1980 heeft plaatsgevonden?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

/

Ten slotte vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie of de Regering bereid is nu al te verzekeren dat per 1 januari 1981 geen afbouw van de tijdelijke toeslagen op de minima zal plaatsvinden.

De leden behorende tot de C.D.A.-fractie hadden met gemengde gevoelens van dit wetsontwerp kennis genomen. Op zich zelf is het te betreuren dat reeds zo spoedig na het van kracht worden van de Wet herziening aanpassingsmechanismen op 1 januari jl. een maatregel werd voorgesteld welke beoogt -zij het slechts tijdelijk -van de in die wet neer gelegde aanpassingsmechanismen af te wijken. Niettemin hadden zij er begrip voor dat deze maatregel nodig is om een, ook door hen ongewenst geacht, verschil te voorkomen tussen de ontwikkeling van enerzijds de door de loonmaatregel beheerste contractlonen en anderzijds de minimumlonen en de sociale uitkeringen. Naar hun oordeel is dit verschil in ontwikkeling overigens niet slechts een gevolg van de naijlingsproblematiek, maar tevens van het feit dat de Regering om de stijging van de contractlonen te beperken een deel van de prijscompensatie per 1 juli heeft vervangen door een belastingverlaging waarvan ook de mensen met een minimumloon en een sociale uitkering het volle profijt genieten. Met waardering hadden deze leden kennis genomen van de mededeling dat de Regering hoopt de studie die gericht is op het zoeken naar mogelijkheden om de naijlingsproblematiek uit te bannen, nog dit jaar af te sluiten. Kan de Regering reeds thans enig inzicht bieden in het uitzicht dat deze studie verschaft? In dit verband vroegen deze leden zich ook af waarom het niet mogelijk is eenvoudig de trendmethodiek zoals gehanteerd bij de ambtenaren en trendvolgers over te planten naar het minimumloon en de sociale uitkeringen. Het begrip, dat de leden van de C.D.A.-fractie voor de argumentatie van de Regering konden opbrengen, neemt niet weg dat zij zich afvroegen of en in welke mate mensen die moeten leven van het minimumloon of van een sociale uitkering in de tweede helft van 1980 gedupeerd worden door een maatregel die primair gericht is op een beheersing van de contractlonen. Om dat beterte kunnen beoordelen achtten zij het van belang om te weten in welke mate de belastingmaatregel die in de plaats komt van een deel van de prijscompensatie per 1 juli tegelijkertijd een toereikende compensatie verschaft voor het naar 1 januari 1981 uitgeschoven deel van de index der regelinglonen. Kan de Regering aangeven op welke bedragen het nettominimumloon en de modale W.A.O.-uitkering per 1 juli a.s. zouden zijn uitgekomen bij ongewijzigd beleid, dus zonder loonmaatregel en zonder belastingmaatregel en hoe hoog deze bedragen worden op basis van het thans voorliggende wetsontwerp? Hoe verhouden de maatregelen met betrekking tot het minimumloon en de sociale uitkeringen zich overigens ten opzichte van het beleid ten aanzien van de vrije beroepen en de ambtelijke en semi-politieke topinkomens? Een andere vraag van deze leden was of in het licht van de recente prijsontwikkeling de verwachting van de Regering nog wel gerechtvaardigd is dat de voorgestelde maatregelen toereikend zullen zijn om de koopkracht van de minimumgezinsinkomens op peil te houden. In dit verband wilden ook deze leden graag het oordeel van de Regering vernemen over de cijferopstellingen en de daaraan verbonden conclusie in het vorige week verschenen artikel van de heer Vincent Bakker in Vrij Nederland. Ten slotte vroegen de leden van de C.D.A.-fractie zich af welke invloed de 1% voorindexering per 1 oktober 1979 uitoefent op de koopkrachtcijfers voor 1980. Was die ene procent inderdaad nodig om de koopkrachtgaranties over 1979 hard te maken en zou -paradoxaal genoeg -de koopkracht over 1980 minder gevaar hebben gelopen als die ene procent toen niet was gegeven? De leden van de V.V.D.-fractie stelden vast dat dit wetsontwerp een onlosmakelijk onderdeel vormt van de kabinetsvoornemens om een loonsomstijging ten opzichte van 1979 te realiseren die 1,5% achterblijft bij de in de MEV Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

1980 gegeven mutatie van 7,5 a 8%. Deze voornemenszijn tijdens de debatten over de loonwet en de loonmaatregel door de V.V.D.-fractie ondersteund. Die steun geldt derhalve ook voor dit wetsontwerp dat -in samenhang met de vervanging van de gebruikelijke prijscompensatie per 1 juli a.s. door een gelijke toeslag van f 26 voor iedereen -de aanpassing per 1 juli voor het minimumloon en via de bestaande koppeling ook voor de sociale minima tot 2% wil beperken. Zonder deze «uitschuifoperatie» zouden het minimumloon en de sociale minima per 1 juli met 3% omhoog gaan, hetgeen voor het minimumloon neerkomt op een verhoging met circa f 55 per maand. Per 1 januari zou dan een situatie ontstaan, waarbij door de naijlingsproblematiek minimumloon en sociale uitkeringen vervolgens zouden achterblijven. Zowel vanwege het grote economische belang van een strikt ingehouden loon-en inkomensontwikkeling in 1980 als vanwege het belang van een zo evenwichtig mogelijke inkomensontwikkeling over de gehele linie leek deze leden de beperking per 1 juli tot 2% juist gekozen. Deze leden vroegen de bewindslieden of zij er daarbij van uit konden gaan dat in samenhang met de aangekondigde belastingverplichting de koopkracht van het minimumloon en de sociale minima gehandhaafd blijft. Handhaving van de koopkracht voor deze groepen bleef voor hen uitgangspunt van het matigingsbeleid met betrekking tot de inkomensontwikkeling in 1980. De hier aan het woord zijnde leden merkten vervolgens op dat het spreekwoord: «wat in het vat zit verzuurt niet» volledig van toepassing is op de voorgestelde ontsluitoperatie. De aanpassing per 1 juli 1980 zal immers weliswaar in neerwaartse zin worden bijgesteld, het restant van die aanpassing zal echter worden toegevoegd aan de aanpassing per 1 januari 1981. Wat dit betreft merkten zij voorts nog op dat er ook wat deze zaak betreft niets nieuws onder de zon is. De constructie is immers identiek aan die opgenomen in de wet van 23 juni 1976 inzake herziening van het wettelijk minimumloon en enige sociale verzekeringsuitkeringen per 1 juli 1976 en 1 januari 1977. De herziening hield verband met de laatste van de drie loonmaatregelen, die onder het kabinet-Den Uyl werden getroffen. Ten einde een consistente ontwikkeling binnen de sociale uitkeringen te bewerkstelligen zijn de bewindslieden voornemens de uitkeringen boven het minimum met hetzelfde bedrag te verhogen als het minimumloon, dat wil zeggen meteen bedrag van f 36,40. Tot welk uitkeringsniveau zou die verhoging moeten gelden? Welk totaalbedrag is daar extra mee gemoeid. De beweegreden tot deze operatie is een consistente ontwikkeling binnen de sociale uitkeringen. Zal de ontwikkeling tussen uitkeringen en lonen net boven het minimum ook consistent blijven? Deze leden vroegen tevens naar wat is voorzien met betrekking tot aanpassing van de minimumjeugdlonen. Dit mede in het licht van het loonbesluit van het kabinet, dat anders dan voor werknemers van 23 jaar en ouder (aan wie slechts een halve periodieke verhoging mag worden toegekend) voor werknemers jonger dan 23 jaar een volledige periodieke verhoging mag gelden. Ten slotte stelden deze leden de nog niet geregelde prijscompensatie eind 1980/begin 1981 aan de orde. Hebben zij goed begrepen dat het kabinet daar nog geen uitspraak over wil en kan doen? Hebben zij tevens goed begrepen dat daar minstens drie redenen voor zijn, nl.: 1. er bestaat nog onvoldoende inzicht in de economische ontwikkeling met betrekking tot 1981; 2. onbekend is nog welke invloed de loonmaatregel op die ontwikkeling zal hebben; 3. in de tweede helft van dit jaar zullen initiatieven worden ontplooid in de richting van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties om na te gaan of een basis voor overleg over het in 1981 te voeren beleid kan worden gevonden?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

Wat is derhalve het oordeel van de bewindslieden over de inmiddels afgesloten 2-jaarscontracten, waarin zowel een reële verbetering als automatische prijscompensatie vanaf 1 januari 1981 is overeengekomen? Vallen deze contracten binnen het uitgangspunt van het kabinet dat het matigingsbeleid ook volgend jaar zal moeten worden voortgezet? Komen de in de tweede helft van dit jaar door het kabinet te ontplooien initiatieven in de richting van werknemers-en werkgeversorganisaties bij 2-jaarscontracten met een automatische prijscompensatie niet als mosterd na de maaltijd?

De leden van de fractie van D'66 toonden begrip voor de indiening van het wetsontwerp. Zij erkenden dat zonder nadere wettelijke voorziening per 1 juli a.s. een aanzienlijk verschil in ontwikkeling zal optreden tussen de door de loonmaatregel beheerste contractlonen enerzijds en het minimumloon en de sociale uitkeringen anderzijds. Evenals in 1976 zou de naijling van het aanpassingsmechanisme voor het minimumloon ook thans verstorend op de verhoudingen binnen de contractlonen kunnen gaan werken, aldus deze leden. Zij achtten de beoogde verschuiving of overbrenging van een deel van de brutoaanpassing per 1 juli 1980 naar de aanpassing per 1 januari 1981 aanvaardbaar als het bedrag dat de betrokkenen hierdoor gedurende de tweede helft van 1980 minder zullen ontvangen, zal worden ingehaald in 1981. Wanneer dit niet gebeurt is er naar hun mening sprake van een dubbele matiging, namelijk via de «normale» matiging, die tot uiting komt in de loonindex alsmede via de incidentele tijdelijke extra aanpassing volgens dit wetsontwerp. Zij stelden verder als eis dat de koopkrachthandhaving voor de betrokkenen per 1 juli in ieder geval gegarandeerd behoort te worden. Deze leden merkten verder op dat het naijlingsprobleem inherent is aan het bestaande indexatiesysteem. Het betekent, vooral als er grote verschillen in de loonontwikkeling tussen het ene en het andere jaar ontstaan, dat in het ene jaar de minimumlonen in verhouding sterk worden opgetrokken en in het andere jaar die lonen sterk kunnen achterblijven. Maar men moet voorzichtig zijn met incidenteeel aan dit mechanisme te gaan knabbelen omdat men dan aan wettelijk gegarandeerde rechten gaat knabbelen. De studie naar de mogelijkheid om het element van naijling geheel of in betekenende mate uit de systematiek uit te bannen hopen de bewindslieden nog dit jaar af te ronden. De op grond van die studie te nemen maatregelen zullen in ieder geval moeten garanderen dat wordt voorkomen dat de mini-mumloontrekkers eenzijdig een nadeel kunnen hebben doordat in bepaalde jaren de aanpassingen alleen onderde wettelijke aanpassingshoogte blijven. Het complement daarvan behoort te zijn, dat men in andere jaren in een omgekeerde situatie de minimumloontrekkers daarvan het voordeel zou moeten laten verkrijgen door een aanpassing boven de normale wettelijke aanpassingshoogte, aldus deze leden.

De leden behorend tot de fractie van de S.G.P. hadden met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsontwerp. Zij gevoelden nog de behoefte om de volgende nadere vragen te stellen. De hoogte van de hafljaarlijkse aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen wordt op grond van de regelingsloonontwikkeling in de voor deze aanpassing relevante periode van 31 oktober 1979 tot en met 30 april 1980 geraamd op circa 3%. Een belangrijk gegeven daarbij is de omstandigheid dat ten tijde van de vaststelling van het voor de aanpassing per 1 januari 1980 relevante indexcijfer der regelingslonen van ultimo oktober 1979 nog niet alle ca.o.'s voor het contractjaar 1979 waren ingediend en geregistreerd. Op welke wijze is de mate waarin deze achterstand bij de vaststelling van het indexcijfer van eind april 1980 is ingelopen qua opwaarts effect van invloed geweest op de ontwikkeling van de index in de referentieperiode? Blijft deze factor garant staan voor de eerdergenoemde raming van (circa) 3%? Er zal opnieuw grondig worden bekeken of er binnen het kader van het herziene aanpassingssysteem reële mogelijkheden zijn om het element van naijling geheel of in betekenende mate uit de systematiek uit te bannen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

Zonder nu direct op de uitkomst van deze studie vooruit te willen lopen, zouden deze leden toch wel op voorhand willen vernemen op het niet allereerst de voorkeur verdient om «in betekenende mate» na te streven, aangezien het geheel uitbannen van de naijling uit de systematiek toch niet of nauwelijks realiseerbaar zal zijn? De bedoeling is om een deel van de brutoaanpassing per 1 juli 1980 over te brengen naar de aanpassing per 1 januari 1980 en derhalve toe te voegen aan de uitkomst van de normale halfjaarlijkse aanpassing per die datum. De verwachting is dat de normale halfjaarlijkse aanpassing nagenoeg geheel beperkt zal worden tot de doorwerking van de toeslag van f 26 per maand. Vervolgens staat in de memorie van toelichting (blz. 8, tweede alinea): «Naar verwacht mag worden zullen de overige lonen einde contracfjaar 1980 een verhoging ondergaan, die uitstijgt boven het effect van de doorwerking van deze toeslag.» Kan dit, vroegen deze leden nader cijfermatig worden toegelicht? Om de koopkracht in 1980 voorde minimuminkomens te handhaven is het noodzakelijk de aanpassing per 1 juli voor het minimumloon en via de bestaande koppeling derhalve ook voor de sociale minima niet tot f 26 te beperken, maar tot 2%, hetgeen met inachtneming van de in de wet neergeleg-de afrondingsvoorschriften neerkomt op een bedrag van f 36,40 per maand. Is inderdaad wat daarvan netto overblijft voldoende om de koopkracht voor de minimuminkomens te handhaven? Hoeveel houdt bij voorbeeld de gehuwde minimumloner netto over van de genoemde f 36,40 per maand in samenhang met de belastingverlaging van f 136 op jaarbasis? Kan er reeds enige mededeling worden gedaan wat de gevolgen van de prijsstijgingen zullen zijn voor de koopkrachtontwikkeling van de minimuminkomens in vergelijking met de eerder geuite veronderstellingen? De leden van de S.G.P.-fractie zouden ten slotte graag nader ingelicht worden over de deflatoire vooruitzichten als het gaat om de samenhang tussen de loonontwikkeling in een jaar en de prijsontwikkeling in een jaar.

De leden van de C.P.N.-fractie merkten op dat het de Regering -gezien de eerder gehouden discussies over bij voorbeeld de Wet herziening aanpassingmechanismen, de loonmaatregel en de recent gehouden interpellatie-Bakker -niet zal verbazen dat de onderhavige voorstellen bij hen weinig sympathie ondervinden. Opnieuw stelden zij dat het hier gaat om de aantasting van sociale zekerheid, die in het algemeen door de werkers zelf moeizaam tot stand is gebracht en die directe gevolgen heeft voor de koopkracht van de minimumloon-en uitkeringstrekkenden. Tijdens de laatstelijk gehouden interpellaties-Bakker en Epema-Brugman (14 mei 1980) is door de C.P.N.-fractie betoogd dat de mensen met de mini-muminkomens op dat ogenblik al een koopkrachtachterstand van f 45 per maand hadden gekregen. Die cijfers zijn door bewindslieden toentertijd niet bestreden. Deze leden vroegen de bewindslieden nu een overzicht te geven van het verloop van de koopkracht van de hier betrokken inkomens vanaf oktober1979. Ten slotte vroegen deze leden hoever de studie over de z.g. naijlingsproblematiek inmiddels is gevorderd en welke de knelpunten daarbij zijn.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Eikerbout

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16212, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.