Nader rapport - Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Zitting 1979-1980

16212

Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 14 mei 1980, no. 3, machtigde Uw Majesteit de Raad van State, zijn advies betreffende het bovengenoemde ontwerp rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 19 mei 1980, nr. 800507/22, bied ik U hierbij mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, J. G. Kraaijeveld-Wouters, aan. De Raad attendeert erop, dat in de wet van 23 juni 1976, Stb. 345, de formulering werd gebruikt: «indien» (het belang van de economie), terwijl thans wordt voorgesteld de woorden te bezigen: «indien en voor zover» (hetbelang van de nationale economie enz.). De Raad acht het omwille van de duidelijkheid wenselijk dit verschil in woordkeus in de toelichting te verklaren. De woorden «en voor zover» nouden een nuancering in, in dier voege dat het belang van de nationale economie en het belang van een evenwichtige inkomensontwikkeling niet alleen bepalend zijn voor de vraag öf van de in het wetsontwerp vervatte bevoegdheden gebruik gemaakt wordt maar tevens dat zij te zamen van invloed zijn op de concreet aan die bevoegdheden te geven uitkering. Een zodanige zinsnede is alsnog in de memorie van toelichting opgenomen.

NADER RAPPORT

Aan de Koningin 's-Gravenhage, 21 mei 1980 Vervolgens vraagt de Raad zich af waarom geen bepalingen worden voorgesteld tot matiging van de inkomens en bedragen genoemd in artikel 4, tweede lid, van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940-1945, in artikel 4, derde lid, van de Rijksgroeps-regeling Gerepatrieerden en in artikel 4, derde lid, van de Rijksgroepsregeling Ambonezen, zulks gelet op het in de wet van 20 december 1979 (Stb. 1979, 711) vastgelegde zelfstandige aanpassingsmechanisme van deze regelingen. Naar aanleiding hiervan merk ik het volgende op. Artikel XXX van voornoemde wet geeft een wettelijke basis om het Besluit maatstaf aanpassingsmechanismen ook van toepassing te doen zijn op de hier genoemde rijksgroepsregelingen. Dit laat onverlet de in artikel 4, vierde lid, van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, artikel 4, zesde lid, van de Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden en artikel 4, zes-de lid, van de Rijksgroepsregeling Ambonezen vastgelegde bevoegdheid van de Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Sociale Zaken om van het voorgeschreven indexeringsmechanisme af te wijken indien de ontwikkelingen binnen de sociale verzekeringswetgeving daartoe aanleiding geven. Deze ontwikkelingen worden geacht betrekking te hebben op incidentele en tijdelijke afwijkingen van dit mechanisme binnen de sociale verzekeringssector.

Gezien het karakter van de in het kader van dit wetsontwerp beoogde ingreep in het indexeringsmechanisme kan derhalve voor deze Rijksgroepsregelingen met het hanteren van eerdergenoemde bevoegheid worden volstaan. In de memorie van toelichting is alsnog een passage ter zake opgenomen. Ik veroorloof mij, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk J. G. Kraaijeveld-Wouters, U in overweging te geven het hierbij gevoegde ontwerp van wet en de overeenkomstig het vorenstaande gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, A-C

•A

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.