Derde nota van wijziging - Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 24

DERDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 12 december 1979

In het gewijzigd ontwerp van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: Artikel I, onder C en D, wordt als volgt gewijzigd: Onder 1° wordt in plaats van «8%» telkens gelezen: 7,5%.

II Artikel III vervalt.

Artikel XIII, onder F, wordt als volgt gewijzigd: Onder 1° wordt in plaats van «8 pet» gelezen: 7,5 pet.

IV Artikel XVII, onder D, wordt als volgt gewijzigd: In plaats van «100/108» wordt gelezen: 100/107,5. 2. Artikel XVII, onder F, wordt als volgt gewijzigd: Onder 1° wordt in plaats van «8 pet» gelezen: 7,5 pet.

Artikel XIX wordt gelezen als volgt:

ARTIKEL XIX

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 14a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 januari 1980 vast te stellen minimumdagloon wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

  • Het ingevolge het vorige lid verhoogd minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 14a van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van het minimumdagloon op grond van het bepaalde in artikel 14a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen daartoe ruimte biedt. 4. Het ingevolge het vorige lid herziene minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 14a van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 5. Onze Minister van Sociale Zaken kan bepalen dat bij een verhoging of herziening van het minimumdagloon ingevolge het eerste of het derde lid het bepaalde in artikel 15, zesde lid, vande Wetopdearbeidsongeschiktheidsverzekeringen buiten toepassing blijft voor de uitkeringen welke zijn berekend naar een dagloon, dat op de dag voorafgaande aan die verhoging of herziening ten minste gelijk was aan een door Onze Minister van Sociale Zaken vast te stellen bedrag. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslag tot nihil is verminderd vervalt dit artikel.

VI Na artikel XIX wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIX A

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 14, derde lid van die wet bedoelde minimumdagloon ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 79a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering op de in dat artikel bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ingehouden, indien dit artikel op 30 september 1979toepassing had gevonden, verminderd met 0,5% van de in het derde lid bedoel-de uitkeringen, voor zover deze zijn berekend naar een dagloon dat lager is dan het minimumdagloon, bedoeld in artikel 14, derde lid, van genoemde wet, dan wel met het verschil tussen 2,2% van die uitkeringen en f 1,48 per dag indien de uitkeringen zijn berekend naar een dagloon, dat hoger is dan vorenbedoeld minimumdagloon, met dien verstande, dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel 79a wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Sociale Zaken kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze is vastgesteld vóór toepassing van artikel 46a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en wordt voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met uitzondering van de artikelen 14a, 59b, en 79a van die wet, als arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd. 4. Onze Minister van Sociale Zaken stelt voor de in het eerste lid bedoelde uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

VII. Artikel XXVII wordt gelezen als volgt:

ARTIKEL XXVII

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 5b van de Wet Werkloosheidsvoorziening per 1 januari 1980 vastte stellen minimumdagloon wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Het ingevolge het vorige lid verhoogde minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 5b van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 3. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van het minimumdagloon op grond van het bepaalde in artikel 5b van de Wet Werkloosheidsvoorziening wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag daartoe de ruimte biedt. 4. Het ingevolge het vorige lid herziene minimumdagloon treedt in de plaats van het minimumdagloon bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 5b van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 5. Onze Minister van Sociale Zaken kan bepalen dat bij een verhoging of herziening van het minimumdagloon ingevolge het eerste of derde lid het bepaalde in artikel 5a, zesde lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening buiten toepassing blijft ten aanzien van de uitkeringen, die zijn berekend naar een dagloon, dat op de dag voorafgaande aan die verhoging of herziening ten minste gelijk was aan een door onze Minister van Sociale Zaken vast te stellen bedrag. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslag tot nihil is verminderd vervalt in dit artikel.

VIM Na artikel XXVII wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXVII A

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 5, tweede lid van die wet bedoelde minimumdagloon ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 16a van de Wet Werkloosheidsvoorziening op de in dat artikel bedoelde uitkeringen zou zijn ingehouden indien dit artikel op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met 0,5% van die uitkeringen, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel 16a wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Sociale Zaken kan nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt voor de toepassing van de Wet Werkloosheidsvoorziening met uitzondering van de artikelen 5b en 16a van die wet, als uitkering ingevolge die wet beschouwd. 4. Onze Minister van Sociale Zaken, stelt voor de in het eerste lid bedoel-de uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

IX Artikel XXXI wordt gelezen als volgt:

ARTIKEL XXXI

  • Op het normbedrag, bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Algemene Bijstandswet, zoals dit wordt vastgesteld per 1 januari 1980, wordt een toeslag verleend ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. Voor de overige normbedragen ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan wordt een toeslag naar evenredigheid vastgesteld. De hoogte van deze toeslagen wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Bij elke herziening van de in het vorige lid bedoelde normbedragen met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum worden de krachtens het vorige lid verleende toeslagen bij algemene maatregel van bestuur met in-gang van de datum van de herziening verminderd, indien en voorzover de koopkrachtontwikkeling van de uitkeringsgerechtigden ingevolge de Algemene Bijstandswet, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen, daartoe ruimte biedt. 3. Per 1 januari 1980 wordt op het inkomen, genoemd in artikel 3, zesde lid, onder a, van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, een toeslag verleend ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 4. Op de in het vorige lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 niet van toepassing. 5. Bij elke herziening van de inkomens en bedragen ingevolge artikel 4 van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum wordt de krachtens het derde lid verleende toeslag bij algemene maatregel van bestuur met ingang van de datum van de herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslag, daartoe ruimte biedt. 6. Zodra de in het eerste en derde lid bedoelde toeslagen tot nihil zijn verminderd, vervalt dit artikel.

X Na een artikel XXXI wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXIA

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 die zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 3, zesde lid, onder a, van die regeling genoemde in-komen, ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel XXIX, derde lid, van deze wet op de in dat artikel bedoelde uitkeringen zou zijn ingehouden, in-dien dit artikel op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2% van die uitkeringen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemd artikel XXIX, derde lid, wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en Onze Ministervan Sociale Zaken kunnen met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nr. 24

XI Artikel XXIV wordt gelezen als volgt:

ARTIKEL XXXIV

  • Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 per 1 januari 1980 vast te stellen bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van die wet, wordt verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. Het ingevolge het vorige lid verhoogde bedrag treedt in plaats van het bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 18 van die wet geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 3. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 6 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 van toepassing. 4. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van de grondslagen onderscheidenlijk van het bedrag genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 op grond van het bepaalde in artikel 18 van die wet wordt bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met ingang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen, daartoe ruimte biedt. 5. Het ingevolge het vorige lid herziene bedrag, treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 8, zevende lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 18 van die wet geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslagen tot nihil zijn verminderd vervalt dit artikel.

XII Na artikel XXXIV wordt een nieuw artikel XXXIV A ingevoegd luidende:

ARTIKEL XXXIV A

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van de uitkeringen welke zijn berekend naar het in artikel 8, zevende lid, onder a, van die wet, genoemde bedrag ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 19a van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 op de in dat artikel bedoelde uitkeringen zou zijn ingehouden indien dit artikel op 30 september 1979 toepassing had gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2 % van deze uitkeringen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat geen hogere toeslag wordt verleend dan het bedrag dat ingevolge genoemd artikel wordt ingehouden. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de uitkering in-gevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, zoals deze is vastgesteld na toepassing van de artikelen 14, vierde lid, en 19 van die wet.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

4.a. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 6 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 van toepassing. b. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt aangemerkt als een uitkering ingevolge die wet. c. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in of krachtens artikel 19a van die wet niet van toepassing. 5. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk stelt voor de in het eerste lid bedoelde uitkeringen een tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de uitkeringen zijn opgenomen.

XIII Artikel XXXVIII wordt gelezen als volgt:

ARTIKEL XXXVIII

  • De per 1 januari 1980 te herziene pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, welke zijn afgeleid van de laagste pensioengrondslag als bedoeld in artikel 8, zevende lid, respectievelijk artikel 7, derde lid, van die wetten, worden verhoogd met een toeslag ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. De hoogte van de toeslag wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. 2. De ingevolge het vorige lid verhoogde pensioenbedragen treden in de plaats van de in het vorige lid bedoelde van de laagste grondslag afgeleide pensioenbedragen, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 31a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk 28a van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers geacht wordt niette hebben plaatsgevonden. 3. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers van toepassing. 4. Bij elke herziening met ingang van een na 1 januari 1980 gelegen datum van de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31 b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, op grond van het bepaalde in artikel 31 a onderscheidenlijk artikel 28a van die wetten worden bij algemene maatregel van bestuur de krachtens het eerste lid verleende toeslag met in-gang van de datum van die herziening verminderd, indien en voor zover de koopkrachtontwikkeling, bezien tegen de achtergrond van het doel van de toeslagen, daartoe ruimte biedt. 5. De ingevolge het vorige lid herziene pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de laagste pensioengrondslag, als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 respectievelijk artikel 7, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, treden in de plaats van de overeenkomstige pensioenbedragen, zoals die golden op de dag voorafgaande aan de datum van ingang van de herziening, met dien verstande dat de verhoging voor de toepassing van artikel 31a respectievelijk 28a van die wetten geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. 6. Zodra de in dit artikel bedoelde toeslag tot nihil is verminderd vervalt dit artikel.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

XIV Na artikel XXXVIII wordt een nieuw artikel XXXVIII A ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXVIIIA

  • Per 1 januari 1980 wordt een toeslag verleend op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, welke zijn ingegaan vóór 1 januari 1980, met uitzondering van die pensioenbedragen, welke zijn afgeleid van de laatste pensioengrondslag als bedoeld in artikel 8, zevende lid, respectievelijk artikel 7, derde lid, van die wetten ter hoogte van het bedrag dat ingevolge artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 32 van de Wet buitengewoon zeeliedenoorlogsslachtoffers op de in die artikelen bedoelde pensioenbedragen zou zijn ingehouden indien deze artikelen op 30 september 1979 toepassing hadden gevonden, verminderd met het verschil tussen 2,2% van deze pensioenbedragen en f 32,24 per maand, met dien verstande dat de toeslag ten hoogste het bedrag dat ingevolge genoemde artikelen wordt ingehouden kan bedragen. 2. Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan met betrekking tot het bepaalde in het vorige lid nadere en zo nodig afwijkende regelen stellen. 3. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt verleend op de pensioenbedragen, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 onderscheidenlijk artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, natoepassing van de artikelen 12 en 20 respectievelijk de artikelen 11 en 20 van die wetten. 4. a. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers van toepassing. b. De in het eerste lid bedoelde toeslag wordt aangemerkt als buitengewoon pensioen ingevolge die wetten. c. Op de in het eerste lid bedoelde toeslag is het bepaalde in of krachtens de artikelen 31a en 36 respectievelijk de artikelen 28a en 32 van die wetten niet van toepassing. 5. Onze Ministervan Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk stelt voor de in het eerste lid bedoelde pensioenbedragen in tabel vast, waarin de bedragen van de toeslagen op de pensioenbedragen zijn opgenomen.

TOELICHTING In bijgaande nota van wijziging wordt geregeld, dat de vakantiebijslag in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag per 1 januari 1980 wordt verhoogd van 7% tot 7,5% zonder dat zulks wordt gecompenseerd door een gelijktijdige correctie van het maandbedrag van het minimumloon. Voorts regelt de nota de wijziging van de vakantietoeslag in de WAO van 7% naar 7,5%. Beide voorstellen komen in de plaats van de aanvankelijk voorgestelde verhoging van 7% naar 8%, onder verrekening daarvan met het maandbedrag van het minimumloon. Met de nota van wijziging wordt voorts verandering gebracht in het aanvankelijk voorstel ten aanzien van de toeslagen voor een aantal sociale uitkeringen. Voor de uitkeringen gebaseerd op het sociaal minimum blijft gelden d^t er een toeslag wordt gegeven ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling. Daarmee is een uniforme behandeling van alle sociale minima in de diverse regelingen gehandhaafd. Voor de niet op die minima gebaseerde Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

uitkeringen wordt echter het aanvankelijk voorstel ten aanzien van de toeslagen gewijzigd. Duidelijkheidshalve is ervoor gekozen in verband daarmee de toeslagen voor de minima in een ander artikel te regelen dan de toeslagen voor de overige uitkeringen. Dit houdt ook verband met het feit, dat de toeslagen voor de minima wel zullen worden afgebouwd, conform de eerder in-gediende en toegelichte voorstellen, doch zulks niet het geval zal zijn voor de toeslagen op de overige uitkeringen. Ter toelichting op de laatstbedoelde toeslag moge nog het volgende dienen. In de uitkeringen met een ingangsdatum vóór 31 december 1979 ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werkloosheidsvoorziening, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de wetten buitengewoon pensioen zal vanaf 1 januari 1980 een toeslag worden verwerkt. Deze toeslag is gebaseerd op het bedrag van de vereveningsbijdrage zoals dat zou zijn verschuldigd per 30 september 1979, derhalve vóór de tijdelijke verhoging van de uitkeringen met 1% per 1 oktober 1979. Op de toeslag wordt het op genoemde datum op grond van de wetgeving per 1 juli 1979 geldende voorschot op de defintieve regeling in mindering gebracht. Het bedrag van de toeslag blijft ongewijzigd. Indien op enig moment de vereveningsbijdage lager is of wordt dan de toeslag, wordt de toeslag beperkt tot het bedrag van de vereveningsbijdrage. Op deze wijze drukt het bedrag van de premiestijging vanaf 1 januari 1980 op het inkomen van uitkeringsgerechtigden op gelijke wijze als op de inkomens van werknemers. De toeslag is dan ook niet gericht op het handhaven van de koopkracht van de betrokken uitkeringsgerechtigden. Voorzover in 1980 of in latere jaren in verband met de ontwikkeling van de koopkracht van de betrokken groepen aanvullende maatregelen noodzakelijk zullen zijn, zal hiertoe het instrument van de voorindexering worden gebruikt.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nr. 24

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.