Memorie van toelichting - Nadere wijziging van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, een aantal sociale verzekeringswetten en enige andere wetten (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

HOOFDSTUK I. BRUTO-AANPASSINGSMECHANISMEN

§ I. 1. Algemeen

Sedert de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is de inrichting van het brutoaanpassingssysteem veelvuldig voorwerp van discussie geweest. Met name is dat het geval geweest op momenten waarop expliciet de vraag aan de orde was of een bijzondere verhoging al dan niet wenselijk was en op momenten waarop concrete voorstellen voor een incidentele doorbreking van de bestaande aanpassingssystematiek aan de orde waren. De discussie beperkte zich echter veelal tot een of enkele onderdelen van het systeem. Geleidelijk aan groeide de behoefte om het systeem in zijn totaliteit aan een nader onderzoek te onderwerpen. Zo bevatte de adviesaanvrage over de wenselijkheid van een bijzondere verhoging van het minimumloon, die de vorige Minister van Sociale Zaken op 16 november 1977 aan de SER heeft gericht, een duidelijke aanwijzing in die richting. In het advies dat de SER naar aanleiding van die adviesaanvrage op 16 juni 1978 heeft uitgebracht, wordt door de raad unaniem de wens uitgesproken dat hem op zo kort mogelijke termijn een adviesaanvrage zou bereiken over het gehele vraagstuk van de minimumloonaanpassing, waarbij overigens werd aangegeven, dat over de gewenste inhoud van een dergelijke adviesaanvrage in de raad geen eenstemmigheid bestond. In de adviesaanvrage van 22 februari 1979 aan de SER is, zoals in de inleiding reeds is aangegeven, het systeem van het brutoaanpassingsmechanisme van het minimumloon in zijn totaliteit aan de orde gesteld. De adviesaanvrage is echter niet beperkt tot het brutoaanpassingsmechanisme van het minimumloon, maar strekt zich ook uit tot het terrein van de sociale uitkeringen. Deze brede aanpak vloeide voort uit de erkenning van de wenselijkheid en de noodzaak om de bestaande brutoaanpassingsmechanismen die bepalend zijn voor de inkomensontwikkeling van grote groepen inkomenstrekkers, aan een grondige beschouwing te onderwerpen. Kenmerkend voor zowel het aanpassingsmechanisme van het minimumloon als dat van de sociale uitkeringen is dat deze inkomens voor de ontvangers ervan als enig danwei als hoofdinkomen moeten kunnen functioneren. Dit gegeven kan er naar de mening van de Regering niet anders toe leiden dan dat als basisbeginsel in deze mechanismen verankerd wordt het beginsel van de welvaartsvaste koppeling. Dit beginsel wordt door de Sociaal-Economische Raad in zijn op 5 oktober 1979 uitgebrachte advies unaniem onderschreven. Uitgaande van dit beginsel ligt het naar de mening van de Regering in de rede, dat, algemeen geformuleerd, bij de vaststelling van aanpassingsnormen aansluiting wordt gezocht bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven. Uit het SER-advies valt impliciet af te leiden dat ook ten aanzien van deze vertaling van het beginsel van de welvaartsvaste koppeling overeenstemming bestaat. Naar onze mening mag hieruit worden afgeleid, dat waar er overeenstemming over bestaat dat de loonontwikkeling in het bedrijfsleven, hoe ook nader ingevuld, bepalend moet zijn voor de ontwikkeling van mini-mumloon en sociale uitkeringen, er derhalve overeenstemming over bestaat, dat er in die zin ten aanzien van de brutoaanpassingsmechanismen sprake is van een afgeleid beleid. In dit verband willen wij reeds nu het niet onbelangrijke beleidsmethodische vraagstuk van de verhouding tussen de automatische halfjaarlijkse aanpassingen en de bijzondere verhogingen aan de orde stellen. Zoals bekend vindt in de bestaande mechanismen automatisch halfjaarlijkse aanpassing plaats aan de gemiddelde ontwikkeling van de regelingslonen in de particuliere sector. Naast de automatische halfjaarlijkse aanpassingen bestaat er de mogelijkheid van bijzondere verhogingen. Van deze mogelijkheid is voor minimumloon en sociale minima in het verleden een aantal malen gebruik gemaakt. Met deze bijzondere verhogingen werd beoogd, de effecten van inkomensnivellering, overeengekomen in ca.o.'s, aan deze inkomens door te geven alsmede het effect van een achter-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

blijven van de ontwikkeling van de regelingslonen bij die van de verdiende lonen te compenseren. Naar aanleiding nu van het feit, dat in het verleden enige malen achtereen bijzondere verhogingen zijn toegepast, dringt zich de vraag op, welke wijze van aanpassing de meest wenselijke is. In het SER-advies van 5 oktober 1979 worden in dit verband twee wegen genoemd. Als de ene weg wordt een automatisch werkend aanpassingssysteem genoemd, als de andere weg periodieke bijstelling op basis van het resultaat van een overleg. Naar onze mening is het uit sociale overwegingen ongewenst, de regelmatige bijstellingen van deze inkomens in de sfeer van de onderhandelingen te brengen. Uiteraard dient de vaststelling van het aanpassingscriterium voorwerp van overleg te zijn en dient deze vaststelling plaats te vinden in overleg met het parlement en nadat sociale partners hun opvattingen daarover kenbaar hebben gemaakt. Heeft deze invulling echter eenmaal plaatsgevonden, dan verdient het naar onze mening uit een oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur het criterium in de wet vastte leggen en in de sfeer van de halfjaarlijkse automatische aanpassingen operationeel te maken. Dit betekent overigens niet, dat er geen behoefte meer zou bestaan aan het instrument van de bijzondere verhogingen, welk instrument verwantschap vertoont met de tweede in het SER-advies aangegeven weg. Dit instrument wordt gehandhaafd, aangezien het immers niet uitgesloten kan worden, dat er in de toekomst ten aanzien van de ontwikkeling van deze inkomens behoefte kan bestaan aan het voeren van een autonoom beleid ter aanvulling op het afgeleide beleid. Voor zover er echter sprake is van afgeleid beleid dient dit naar onze mening, het moge na het voorgaande duidelijk zijn, zoveel als mogelijk tot uitdrukking te komen in het systeem van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen. Wij voegen hieraan toe, dat deze methodiek ook bezien vanuit de na-ijlingsproblematiek verre de voorkeur verdient. Hetgeen hierboven is gezegd over de verhouding tussen de automatische halfjaarlijkse aanpassingen en de bijzondere verhogingen is, het zij nog eens herhaald, niet afhankelijk van en staat met andere woorden los van de invulling welke aan het afgeleide beleid en derhalve in concreto aan het aanpassingscriterium wordt gegeven. Met inachtneming hiervan onderschrijven wij derhalve hetgeen door een kleine meerderheid van de raad in het advies over deze verhouding wordt opgemerkt. Wij merken hierbij overigens op, dat een grote minderheid van de raad in het advies weliswaar geen expliciet oordeel over deze verhouding geeft, maar dat anderzijds uit de in het advies opgenomen beschrijving van het door dit deel wenselijk geachte aanpassingssyteem op zich zelf geen tegenspraak met de hierboven weergegeven opvatting valt af te leiden.

Ten aanzien van de nadere uitwerking van het uitgangspunt dat aansluiting gezocht moet worden bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven, lopen de opvattingen sterk uiteen. In de adviesaanvrage van 22 februari 1979 is aangegeven dat naarde mening van de Regering richtsnoer voor de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen zou moeten zijn de ontwikkeling van de qua niveau vergelijkbare looninkomens in de particuliere sector. Aan dit criterium is in de adviesaanvrage een bepaalde uitwerking gegeven. In de volgende paragraaf wordt gedetailleerd op deze uitwerking ingegaan. Ten einde een beoordeling van de problematiek op hoofdpunten mogelijk te maken, beperken wij ons thans tot de grote lijnen. De ontwikkeling van de regelingslonen dient naar ons oordeel de grondslag te blijven vormen voor de halfjaarlijkse automatische aanpassingen. Het voornaamste argument voor deze keuze vormt het feit, dat, zoals zo dadelijk zal worden aangegeven, naar onze mening een aantal beloningscomponenten bij de aanpassing buiten beschouwing dient te blijven. Het elimineren van deze componenten is binnen de systematiek van de verdiende lonen niet mogelijk. Alleen al om die reden viel de keus op bovengenoemde grondslag. Bij de bespreking van het alternatief van een deel van de raad gaan wij overigens nader in op het keuzevraagstuk van verdiende lonen dan wel regelingslonen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Een adequate invulling van het aanpassingscriterium vergt onzes inziens, zoals gezegd, dat bepaalde beloningscomponenten bij de aanpassing buiten beschouwing blijven. In de eerste plaats geldt dit voor elementen die een specifiek sectorgebonden of specifiek functiegebonden karakter hebben. Wij doelen hierbij op het element herstructurering, waarbij ten aanzien van specifiek functiegebonden herstructureringen gedacht kan worden aan de zo noodzakelijke functieherwaardering in de sfeer van het vuile, zware en onaangename werk. Het differentiërende karakter dat kenmerkend is voor loonsverbeteringen van deze aard zou bij doorwerking in het aanpassingsmechanisme ten dele verloren gaan. In de tweede plaats dienen die componenten uit de aanpassing te worden geëlimineerd die naar hun aard een cumulatieve werking hebben. Daarbij gaat het om de zogenaamde minimumlooneffecten, zowel de directe als de indirecte. Eliminering van deze effecten is onzes inziens noodzakelijk teneinde te voorkomen dat van het minimumloon een zelfopstuwende werking uitgaat. Een derde categorie componenten die naar ons oordeel bij de aanpassing buiten beschouwing moeten worden gelaten, zijn die elementen die bij doorwerking leiden tot overcompensatie. Een duidelijk voorbeeld van een zodanig element vormt de vakantietoeslag. Naast de eliminering van een aantal beloningselementen vormt het doorgeven op niveau (d.w.z. het realiseren van gelijke ontwikkelingen op overeenkomstige inkomensniveaus) van de effecten van beloningselementen met een naar inkomensniveau gedifferentieerde werking binnen het stramien van de halfjaarlijkse automatische aanpassingen een ingrijpend verschil met de bestaande systematiek. Zoals bekend worden sinds het begin van de zeventiger jaren in het bedrijfsleven op grote schaal loonsverbeteringen overeengekomen, waaraan bewust een zodanige vorm is gegeven dat zij een naar inkomensniveau gedifferentieerde uitwerking hebben. De vraag of dit gegeven moet leiden tot een verdere nuancering van de uitwerking welke aan het beginsel «welvaartsvaste koppeling» moet worden gegeven, wordt door de Regering positief beantwoord, hetgeen blijkt uit de hierboven gegeven omschrijving van het aanpassingscriterium. Toepassing van dit criterium betekent niet-wij hechten eraan dit hier nog eens in alle duidelijkheid te zeggen -, dat daarmee de brutoaanpassingsmechanismen worden gehanteerd als instrumenten vooreen actief en autonoom inkomensbeleid. Hantering van dit criterium leidt er immers slechts toe, dat wanneer en voor zover werkgevers en werknemers in de particuliere sector een wijziging van de inkomensverhoudingen binnen de ca.o.'s wenselijk achten en daartoe naar loonniveau gedifferentieerde verbeteringen van arbeidsvoorwaarden overeenkomen, deze ontwikkeling zich binnen het kader van een afgeleid beleid vertaalt in de aan te passen inkomens. Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is gezegd over de verhouding tussen de automatische halfjaarlijkse aanpassingen en de bijzondere verhogingen zal het duidelijk zijn, dat deze toerekening naar de mening van de Regering moet plaatsvinden in de sfeer van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen.

Wanneer we bezien welke verbeteringen van arbeidsvoorwaarden met een naar inkomensniveau gedifferentieerde uitwerking de laatste jaren in ca.o.'s zijn overeengekomen dan wel vastgelegd, dan blijken met name de vloeren in de prijscompensatie en de initiële verhogingen in voor iedereen geldende gelijke bedragen van materiële betekenis te zijn. Het spreekt dan ook vanzelf dat bij de nadere uitwerking van het beginsel van de toerekening naar niveau met name aan deze elementen aandacht zal worden geschonken. Wij komen hierop in de volgende paragraaf terug. Globale toetsing van dit voorstel aan de verschillende standpunten, neergelegd in het SER-advies, laat het volgende zien. Een grote minderheid van de raad is van mening, dat de ontwikkeling van de verdiende lonen, alleen geschoond voor de invloed van de factor overwerk, de maatstaf moet vormen voor de automatische halfjaarlijkse aanpassingen, waarbij ook de veranderingen die zich binnen het loongebouw Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

zelf voltrekken, automatisch in het minimumloon en de sociale uitkeringen tot uitdrukking moeten worden gebracht. Met dit laatste wordt gedoeld op de inkomensnivellering binnen het loongebouw. Uit deze standpuntbepaling blijkt, dat ook dit deel van de raad koppeling aan qua niveauvergelijkbare looninkomens gewenst acht, maar dat dit deel zich verzet tegen het hanteren van de voorgestelde zogenaamde «geschoonde» regelingsloonindex. Hetzelfde geldt voor een kleine minderheid van de raad die eveneens de stelling onderschrijft dat het minimumloon aan de ontwikkeling van de verdiende lonen dient te worden aangepast maar die vanwege een aantal aan de index van de verdiende lonen klevende technische bezwaren voorshands kiest voor aanpassing aan de regelingslonen. De grootste minderheid van de raad ten slotte bepleit in het advies een methodiek voor het aanpassen van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de algemene welvaartsontwikkeling waarin noch van de verdiende lonen, noch van de regelingslonen wordt uitgegaan. Naar de mening van dit deel van de raad dient de aanpassing zich te beperken tot de effecten van de gezuiverde prijscompensatie, voor zover overeengekomen in ca.o.'s. Daarnaast dient aanpassing plaats te vinden aan de initiële loonontwikkeling op basis van het gemiddelde van het kwartiel van de ca.o.'s met de laagste stijgingspercentages. Onder initiële loonontwikkeling dient daarbij te worden verstaan de voor alle onder een ca.o. vallende werknemers geldende verhoging van de schaallonen met een correctie voor compensaties voor de (mede-)financiering door werknemers van verbeteringen in de arbeidsvoorwaarden (bij voorbeeld VUT). Periodiek zou kunnen worden bezien, of er aanleiding is tot een bijzondere verhoging. Uit deze standpuntbepaling valt af te leiden, dat dit deel van de raad zich keert tegen een koppeling aan qua niveau vergelijkbare looninkomens maar in die zin de voorgestelde «schoning» van de regelingsloonindex positief waardeert, dat deze dit deel van de raad zelfs nog niet ver genoeg gaat. Wij zijn van mening dat aan elk van de voorstellen een aantal zodanige bezwaren kleeft dat integrale overneming ongewenst is. Wanneer, zoals een grote minderheid van de raad voorstelt, zou worden uitgegaan van de verdiende lonen, dan zou dit betekenen dat een aantal beloningscomponenten waarvan het naar onze mening ongewenst is dat deze de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen zou blijven beïnvloeden, niettemin blijft doorwerken. Te denken valt daarbij aan herstructurering en directe en indirecte minimumlooneffecten. Anderzijds moet worden toegegeven -genoemde kleine minderheid van de raad wijst hierop -dat bij de hantering van de regelingslonen er een aantal beloningsbestanddelen niet wordt meegenomen dat wel onderdeel uitmaakt van het in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag gehanteerde loonbegrip. Te noemen vallen bij voorbeeld tarieftoeslagen, prestatietoeslagen, ploegentoeslagen etc. Daar staat evenwel tegenover dat naarmate partijen vaker overeenkomen de laagste schaallonen op het niveau van het wettelijk minimumloon te brengen dan wel qua ontwikkeling daaraan te koppelen, het gevaar van een opstuwende werking bij hantering van de verdiende lonen als aanpassingsmaatstaf groter wordt. Het is mede om die reden dat het ons verstandiger voorkomt de relatie tussen de ontwikkeling van de regelingslonen en die van de verdiende lonen aan de orde te stellen bij gelegenheid van de over de wenselijkheid van bijzondere verhogingen periodiek te voeren discussies. Er bestaat nog een aantal bijkomende bezwaren tegen het hanteren van de ontwikkeling van de verdiende lonen als aanpassingsmaatstaf. De problematiek van de na-ijling krijgt een zwaarder accent dan bij de regelingslonen. De gegevens over de regelingslonen komen immers na een maand beschikbaar, die over de verdiende lonen pas na ongeveer een halfjaar. Dat houdt in dat de feitelijke vertraging in de aanpassing zou toenemen van een halfjaar tot één jaar. Bovendien beïnvloeden bepaalde structuurwijzigingen de ontwikkeling van de verdiende lonen en kunnen daaruit niet worden geëlimineerd. Dit geldt bij voorbeeld voor wijzigingen in de verdeling van de werknemers over de functiegroepen. Deze zouden derhalve bij aanpassing Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

aan de verdiende lonen volledig in minimumloon en sociale uitkeringen doorwerken, hetgeen ongewenst is. Ook door de genoemde kleine minderheid van de raad wordt in het advies op deze bezwaren gewezen. Deze bezwaren te zamen met het bezwaar dat naar de mening van dit deel van de raad onvoldoende inzicht bestaat of nominale loonsverhogingen die een nivellerend effect hebben bij toepassing van de index van de verdiende lonen op eenvoudige en precieze wijze naar niveau toegerekend kunnen worden, doen dit deel van de raad voorshands kiezen voor de index van de regelingslonen als maatstaf. Uit de onderbouwing van het standpunt van dit deel van de raad blijkt, dat dit deel op onderdelen bezwaar heeft tegen de door de Regering voorgestelde opschoning van de regelingsloonindex. Ten aanzien van het voorstel van de grootste minderheid van de raad geldt in onze visie als hoofdbezwaar dat in het door dat deel van de raad voorgestane systeem geen expliciete plaats is ingeruimd voor een directe vertaling in minimumloon en sociale uitkeringen van naar loonniveau gedifferentieerde verbeteringen van arbeidsvoorwaarden in de ca.o.'s. Weliswaar wordt voorgesteld het instrument van de bijzondere verhogingen te handhaven, maar een verwijzing naar de mogelijkheid om dit instrument te hanteren om, zij het op termijn, tot een vertaling van deze gedifferentieerde ontwikkelingen te komen ontbreekt. Bovendien wordt naar onze mening een al te eng loonbegrip als aanpassingsmaatstaf voorgesteld. Beide factoren te zamen maken het voor ons twijfelachtig of er bij toepassing van een zodanig systeem wel gesproken kan worden van een werkelijke welvaartsvaste koppeling. Ten aanzien van het minimumloon rijst daarbij de vraag of toepassing van dit systeem niet geleidelijk aan zal leiden tot een steeds verder gaande uitholling van de relatieve betekenis van het minimumloon. Naar alle waarschijnlijkheid zal het aantal werknemers dat feitelijk een loon heeft gelijk aan het minimum-(jeugd-)loon in elk geval in relatieve zin afnemen. De Regering heeft na een zorgvuldige afweging van de merites van de verschillende systemen besloten het in de adviesaanvrage neergelegde wijzigingsvoorstel te handhaven en in dit wetsvoorstel neer te leggen. In de volgende subparagraaf wordt meer en détail op het concrete wijzigingsvoorstel ingegaan. Ten aanzien van de te verwachten materiële consequenties van de voorgestelde wijzigingen op de hoogte van de brutoaanpassing willen wij het volgende opmerken. Dezerzijds wordt uitgegaan van de veronderstelling dat in de naaste toekomst de negatieve effecten op de hoogte van de brutoaanpassing die voortvloeien uit het elimineren van een aantal componenten en de positieve effecten welke samenhangen met de toerekening naar niveau van andere componenten, elkaar in evenwicht zullen houden. Berekeningen welke destijds in het kader van de voorbereiding van de nota Bestek '81 ter zake voor de periode 1974-1977 zijn gemaakt, geven aanleiding voor deze veronderstelling. Voor wat de omvang van de brutoaanpassing per 1 januari 1980 betreft laat het zich thans op het moment van indiening van dit wetsontwerp aanzien dat zo er al van een afwijking ten opzichte van de uitkomst van het bestaande systeem sprake zal zijn, deze afwijking zich zal beperken tot hooguit enkele tienden van procenten. Daar de referentieperiode van de brutoaanpassing per 1 januari 1980 loopt van eind april 1979 tot en met eind oktober 1979, zal eerst begin december 1979 hierover zekerheid verkregen worden. Hieruit vloeit voort, dat voor wat de hoogte van de brutoaanpassing betreft de in dit wetsontwerp voorziene wijzigingen niet hebben geleid tot een bijstelling van de ramingen.

§ 1.2. Wijzigingsvoorstel

Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is er in de gewijzigde aanpassingssystematiek, zoals neergelegd in het wetsontwerp, in tweeërlei opzicht sprake van wijzigingen ten opzichte van de bestaande systematiek. Ten aanzien van een aantal beloningscomponenten die in de bestaande systematiek Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

de aanpassing beïnvloeden, wordt voorgesteld deze voortaan buiten beschouwing te laten. Ten aanzien van een aantal andere beloningscomponenten wordt voorgesteld de invloed ervan op de ontwikkeling van mini-mumloon en sociale uitkeringen niet langer te beperken tot het effect van deze componenten op de gemiddelde regelingsloonontwikkeling, maar voortaan de effecten op niveau door te geven. Op deze beide onderdelen van het wijzigingsvoorstel wordt hieronder in afzonderlijke subparagrafen ingegaan. Tevens zal een aantal aspecten van technische aard nader worden toegelicht.

  • A. 
    Voortaan buiten beschouwing te laten

beloningscomponenten

Zoals reeds uit de adviesaanvrage kan worden afgeleid, heeft destijds een drietal overwegingen van algemene aard een leidraad gevormd voor de beantwoording van de vraag of het regelingsloon componenten bevat die vanuit het criterium van een evenwichtige inkomensontwikkeling bij de aanpassing buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. Deze overwegingen zijn de volgende: a. Effecten van loonsverhogingen die geen algemeen maar een specifiek sectorgebonden karakter hebben, dienen bij de aanpassing geen rol te spelen. b. Het optreden van cumulatieve effecten moet worden voorkomen. c. Wanneer naast de aan te passen grootheid een afzonderlijk beloningsbestanddeel (bij voorbeeld de vakantietoeslag) voorkomt, dat wel onderdeel uitmaakt van het begrip regelingsloon, dient dit bestanddeel buiten de aanpassing te blijven en dient gescheiden aanpassing plaats te vinden. Alvorens nader op deze drie overwegingen en hun consequenties voor het aanpassingsmechanisme in te gaan, willen wij wijzen op een bijzonder probleem dat zich binnen de categorie sociale uitkeringen voordoet. Bij de aanpassing van de sociale uitkeringen worden ook in de toekomst twee sporen gevolgd. De minimumuitkeringen zijn op nettobasis gekoppeld aan het minimumloon, terwijl de bovenminima op brutobasis de regelingslonen volgen. Dit brengt met zich mee, dat de sociale minima indirect het brutomechanisme van het minimumloon zullen volgen. Denkbaar is nu dat gezien het verschil in karakter van minimumloon enerzijds en sociale uitkeringen anderzijds de vraag of een bepaald beloningsbestanddeel op grond van een van de hierboven genoemde overwegingen voortaan buiten de aanpassing moet worden gehouden, voor het minimumloon in positieve zin en voor de sociale uitkeringen in negatieve zin zou moeten worden beantwoord. Het tweesporenbeleid zou in die situatie tot consequentie hebben, dat de sociale uitkeringen boven het minimum op die grond een grotere inkomensstijging zouden ondergaan dan de sociale mini-ma. Een dergelijke uiteenlopende ontwikkeling is ongewenst. Om nu een consistent verloop binnen de categorie sociale uitkeringen te waarborgen is het noodzakelijk om alle componenten die bij de aanpassing van het mini-mumloon buiten beschouwing worden gelaten, ook bij de sociale uitkeringen niette laten doorwerken.

Ad a. Loonsverhogingen

met een specifiek sectorgebonden

karakter

Herstructurering Reeds door het vorige kabinet is aan de SER de vraag voorgelegd of het niet wenselijk zou zijn effecten van herstructurering vanwege het specifiek sectorgebonden karakter van dit beloningsbestanddeel uit de voor de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen relevante index te elimineren. Zelf eveneens neigend naar een positieve beantwoording van deze vraag, hebben wij dezelfde vraagstelling opgenomen in de adviesaanvrage van 22 februari 1979. Door de SER is op dit onderdeel ook thans weer een verdeeld advies uitgebracht, dat ons geen aanleiding geeft ons oorspronkelijke standpunt te wijzigen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Wij willen daarbij aantekenen, dat niet alleen het sterk sectorgebonden karakter van herstructurering een rol speelt. Van minstens zo groot gewicht is de overweging dat herstructurering een specifiek functiegebonden karakter kan hebben. Daarbij dient dan met name gedacht te worden aan herwaardering van vuil, zwaar en onaangenaam werk met de daaruit voortvloeiende herstructurering in de beloningssfeer. Herstructureringen van deze soort zijn specifiek gericht op bepaalde functies, op het aanbrengen van een functiegerichte beloningsdifferentiatie. Herstructureringen in de sfeer van het vuile, zware en onaangename werk zijn, het is in de Troonrede dit jaar expliciet tot uitdrukking gebracht, dringend gewenst. Het lijkt ons even dringend gewenst dat voorkomen wordt dat de effecten van deze herstructureringen op de ontwikkeling van de regelingslonen via het aanpassingsmechanisme doorwerken in minimumloon en sociale uitkeringen.

Ad b. Het voorkomen van het optreden van cumulatieve effecten Minimumlooneffecten Op een tweetal manieren kan ervan het minimumloon een zelfopstuwen-de werking uitgaan. Van een direct effect is sprake wanneer partijen bij ca.o. overeenkomen de laagste schaallonen op te trekken tot het niveau van het wettelijk minimumloon en wanneer partijen bij ca.o. overeenkomen het wettelijk minimumloon als schaalloon te hanteren. Een indirect effect treedt op wanneer de ontwikkeling van het minimumloon leidt tot extraverhoging van de naast hogere lonen, bij voorbeeld om de bestaande schaalloonlijnen in een ca.o. zoveel mogelijk te handhaven. De schaalloonontwikkelingen die het gevolg zijn van deze directe en indirecte effecten zijn mede bepalend voor de ontwikkeling van de regelingslonen, welke op haar beurt weer van invloed is op de ontwikkeling van het minimumloon. Er treedt derhalve een haasjeovereffect op. Naar onze mening dient het optreden van cumulatieve effecten als hier bedoeld te worden voorkomen. Op zich zelf is uiteraard de constatering van een deel van de raad juist, dat het hier om op vrijwillige basis door partijen bij ca.o. gemaakte afspraken gaat. Dat doet echter niet af aan het feit, dat de ontwikkeling van het minimumloon de concrete aanleiding tot die afspraken vormt en dat er in die zin wel degelijk gesproken kan worden van een zelfopstuwende werking van het minimumloon via het optreden van deze directe en indirecte effecten. Uiteraard vormt het zelfopstuwende effect op zich zelf geen reden om ook ten aanzien van de sociale uitkeringen deze directe en in-directe minimumlooneffecten buiten de aanpassing te houden. Niettemin wordt daartoe toch overgegaan, en wel met het oog op de in de inleiding van deze subparagraaf aangegeven noodzaak van een consistent verloop tussen de sociale minimumuitkeringen en de uitkeringen boven het mini-mum.

Ad c Het voorkomen van het optreden van overcompensatie Vakantiebijslag Tot op heden vindt via de automatische halfjaarlijkse aanpassingen doorwerking van in ca.o.'s overeengekomen verbeteringen van de vakantietoeslag plaats in het niveau van het minimumloon en de sociale uitkeringen. Dit houdt in dat er voor die ontvangers van minimumloon en die uitkeringsgerechtigden die reeds aanspraak hebben op een vakantiebijslag welke hoger is dan de minimumvakantiebijslag, in de afgelopen jaren overcompensatie heeft plaatsgevonden en dat voor diegenen onder hen voor wie een vakantiebijslag gelijk aan de minimumvakantiebijslag van kracht is, overcompensatie gaat plaatsvinden op het moment dat de minimumvakantiebijslag wordt verhoogd. Het ligt uiteraard voor de hand-de SER heeft hierover reeds eerder unaniem positief geadviseerd -de vakantietoeslag buiten de automatische halfjaarlijkse aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen te houden en voor de minimumvakantiebijslag een afzonderlijk aanpassingsregime te hanteren. In hoofdstuk II worden de nadere voorzienin-Tweede Kamerzitting 197S-1980,15900, nrs. 3-4

gen behandeld die ten aanzien van de minimumvakantiebijslag naar ons oordeel moeten worden getroffen.

Eindejaarsuitkering De SER heeft ook ten aanzien van deze component een verdeeld advies uitgebracht. Naar onze mening is er reden om ten aanzien van het mini-mumloon het effect van eindejaarsuitkeringen voortaan buiten de aanpassing te houden. Alhoewel immers de eindejaarsuitkering formeel onder het begrip loon van de Wet minimumloon valt, wordt in de praktijk bij het nakomen van de minimumloonverplichting de eindejaarsuitkering buiten beschouwing gelaten. Ter verduidelijking wordt erop gewezen dat de werkgever de aanspraak van de werknemer op tenminste het minimumloon heeft gekoppeld aan de uitbetalingstermijn. Wel opent de wet de mogelijkheid bij publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst een afrekenperiode overeen te komen welke meerdere uitbetalingsperioden omvat. Deze afrekeningsperiode mag ten hoogste een jaar bedragen. Van de mogelijkheid om een afrekenperiode van een jaar vast te stellen wordt echter in de praktijk geen gebruik gemaakt. Wij wijzen er daarbij op dat deze mogelijkheid in de wet is opgenomen met name met het oog op die arbeidsverhoudingen, waarin de totale beloning voor een substantieel deel uit variabele loonbestanddelen bestaat. Een en ander betekent dat bij indexering inclusief deze component voor werknemers op minimumloonniveau die op grond van hun (al dan niet collectieve) arbeidsovereenkomst recht hebben op een eindejaarsuitkering, overcompensatie plaatsvindt. Diezelfde overcompensatie vindt plaats wanneer in een bepaalde ca.o. of individuele arbeidsovereenkomsttot invoering van een eindejaarsuitkering wordt besloten. Deze overcompensatie moet onzes inziens worden voorkomen. Het lijkt ons minder gewenst het middel van de toetsing van de minimumloonaanspraak op jaarbasis te gebruiken, aangezien toetsing op jaarbasis afbreuk doet aan de aan de wettelijke minimumloonregeling ten grondslag liggende gedachte dat per uitbetalingstermijn een minimumbeloning wordt gegarandeerd. Dit leidt ertoe dat de overcompensatie alleen voorkomen kan worden door de eindejaarsuitkering bij de aanpassing buiten beschouwing te laten. Als sluitstuk dient de eindejaarsuitkering ook formeel te worden geëlimineerd uit het begrip loon in de zin van de Wet minimumloon. Het bepaalde in artikel I onder A strekt hiertoe.

De situatie bij de sociale uitkeringen is slechts gedeeltelijk vergelijkbaar met die bij het minimumloon. Daar waar de arbeidsovereenkomst een eindejaarsuitkering kent, wordt deze component bij de vaststelling van het dagloon meegerekend. Wanneer echter eerst tijdens de uitkeringsperiode in de betrokken onderneming of bedrijfstak tot invoering van een eindejaarsuitkering wordt besloten, wordt het reeds vastgestelde dagloon daarvoor niet aangepast. Bij invoering van nieuwe eindejaarsuitkeringen zou voor de categorie voor wie de component in het dagloon is opgenomen, eliminatie van deze component uit de aanpassing gerechtvaardigd zijn. Voor de andere categorie geldt dat echter niet. Een verhoging van bestaande eindejaarsuitkeringen zou voor beide categorieën niet tot eliminatie mogen leiden. Noch eliminering, noch handhaving van deze component is derhalve uit een oogpunt van consistentie geheel bevredigend. Wil men evenwel vermijden dat de sociale uitkeringen boven het mini-mum voortdurend sneller stijgen dan de sociale minima dan dient eliminering plaats te vinden. Immers, bij de sociale minima vindt eliminering plaats vanwege de koppeling aan het minimumloon. Niet elimineren bij de bovenminima zou tot onevenwichtigheden binnen de sociale uitkeringen leiden.

Spaarloon Zowel bij het minimumloon als bij de sociale uitkeringen wordt het spaarloon reeds in de huidige systematiek bij de aanpassing buiten beschouwing gelaten. Dit is een juiste gedragslijn. Ten dele geldt ook hier het argument dat overcompensatie moet worden voorkomen. Bovendien geldt echter ten Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

aanzien van deze component nog de specifieke overweging, dat het niet wenselijk is dat via de aanpassingsmechanismen ontwikkelingen op het terrein van het spaarloon bij deze inkomenscategorieën zouden leiden tot een toeneming van het besteedbaar inkomen.

Het beginsel van gelijke beloning voor vrouwen en mannen In de adviesaanvrage is ook aandacht besteed aan het effect van aanpassing van de schaallonen in verband met doorvoering van het beginsel van gelijke beloning voor vrouwen en mannen. Aangegeven is daarbij dat materieel het al dan niet buiten de aanpassing laten van dit effect geen enkel verschil maakt, aangezien het beginsel van de gelijke beloning in alle ca.o.'s is gerealiseerd. Alhoewel wij van mening blijven dat op grond van gelijksoortige argumenten als hierboven ten aanzien van de component herstructurering zijn aangegeven, deze component buiten de aanpassing zou moeten worden gehouden, zien wij van effectuering af, ten einde te voorkomen dat de technische uitwerking van de wijzigingsvoorstellen onnodig wordt gecompliceerd.

  • B. 
    Het toerekenen naar niveau

Zoals in het begin van deze paragraaf is aangegeven, bestaat een tweede belangrijke wijziging ten opzichte van het bestaande systeem hierin, dat ten aanzien van een aantal beloningscomponenten de invloed op de ontwikkeling van minimumloon en sociale uitkeringen niet langer wordt beperkt tot het effect van deze componenten op de gemiddelde regelingsloonontwikkeling maar dat voortaan het volledige effect naar niveau wordt doorgegeven. In de adviesaanvrage van 22 februari 1979 aan de SER hebben wij in dit verband met betrekking tot een viertal beloningscomponenten toerekening naar niveau wenselijk genoemd, te weten voor de initiële verhogingen in vaste bedragen, de vloeren in de prijscompensatie, de toeslagverwerkingen voor zover deze op een slechts beperkt aantal loonklassen in een ca.o. betrekking hebben, en de loonsverbeteringen in verband met een stijging van het werknemersdeel van de pensioenpremie, voor zover deze verbeteringen een differentiërend effect hebben. Voor het minimumloon is toerekening naar niveau van initiële verhogingen in vaste bedragen en vloeren in de prijscompensatie geen nieuw verschijnsel. De bijzondere verhogingen die in het verleden een aantal malen hebben plaatsgevonden, waren immers ten dele op de niveautoerekening van deze beloningscomponenten gebaseerd. Nieuw is echter, dat de niveautoerekening van deze componenten onderdeel gaat uitmaken van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen en dat de toerekening zich ook zal uitstrekken tot de sociale uitkeringen boven het minimum. Het equivalent van de vloer in de prijscompensatie wordt aan de bovenkant van het loongebouw gevormd door aftopping. Waar de toerekening zich dient uit te strekken tot alle sociale uitkeringen en derhalve ook tot de uitkeringen boven het minimum, ligt het in de rede om wanneer aftopping op een betekenende schaal in ca.o.'s gaat voorkomen, tot niveautoerekening van deze component over te gaan. Het ligt dan ook in het voornemen om de ontwikkelingen op dit punt nauwlettend te volgen. In de adviesaanvrage hebben wij ten aanzien van de toeslagverwerkingen onze opvatting kenbaar gemaakt dat deze in beginsel dienen door te werken in minimumloon en sociale uitkeringen. Wij zijn thans na lezing van het SER-advies, dan ook op dit punt verdeeld was, nog deze mening toegedaan. Toeslagverwerkingen zijn, waar de toeslagen op het moment van verwerken hun differentiërend karakter geheel verliezen, juist daardoor met recht te karakteriseren als loonsverbeteringen met een algemeen karakter. Aangezien het, zij het sporadisch, voorkomt dat een toeslagverwerking slechts op een beperkt aantal loonklassen in een ca.o., dat wil zeggen slechts op een bepaalde categorie van de onder een ca.o. vallende werknemers be-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

trekking heeft, hebben wij in de adviesaanvrage kenbaar gemaakt, dat wanneer zich zo een beperkte toeslagverwerking voordoet, toerekening naar niveau gewenst zou zijn. Bij de nadere uitwerking is gebleken dat voorshands de toerekening van deze component zodanige technische complicaties met zich brengt, dat gelet ook op de marginale materiële betekenis ervan van het effectueren van deze toerekening moet worden afgezien. Ten aanzien van de toerekening naar niveau van de aanpassing van schaallonen als gevolg van looncompensaties voor gestegen werknemersbijdragen in de pensioenpremie merken wij het volgende op. In de bouwsec tor bestaat het werknemersdeel in de pensioenpremie uit een voor iedere werknemer gelijk bedrag. Het ligt in de rede om de looncompensatie voor een verhoging van dat vaste bedrag, welke compensatie uiteraard ook de vorm heeft van een voor iedere werknemer gelijk bedrag, naar niveau toe te rekenen.

  • C. 
    Technische aspecten

In grote lijnen komt de technische uitwerking van het wijzigingsvoorstel op het volgende neer. Uitganspunt voor de vaststelling van de hoogte van de automatische halfjaarlijkse aanpassingen blijft de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde ontwikkeling van het indexcijfer der regelingslonen per week en per maand van de volwassen werknemers in het particuliere bedrijf in respectievelijk de periode 30 april-31 oktober en de perio-de 31 oktober-30 april. Op grond van een door het Centraal Bureau voor de Statistiek te publiceren splitsing van de mutatie in deze index in zijn verschillende componenten is het mogelijk vast te stellen welk gedeelte van de stijging van de index moet worden toegeschreven aan componenten waarvan doorwerking in minimumloon en sociale uitkeringen niet wenselijk wordt geacht. Het is derhalve mogelijk een voor de invloed van die componenten gecorrigeerd stijgingspercentage vast te stellen. Ten aanzien van de splitsing van de mutatie in zijn verschillende componenten moet worden opgemerkt, dat wijzigingen in ca.o.'s niet steeds eenduidig interpreteerbaar zijn. Dit geldt bij voorbeeld voor de component herstructurering. In die gevallen speelt bij het beoordelen van het karakter van bepaalde wijzigingen de opvatting van partijen hierover een rol. Er is derhalve sprake van een zekere afhankelijkheid van partij-en welke bij de splitsing uiteraard groter is dan bij de vaststelling van het in-dexcijfer zelf. Wij achten dit echter in genen dele bezwaarlijk, aangezien wij er zonder meer van uitgaan dat partijen alle nodige informatie volledig zullen verstrekken. Ten aanzien van de toerekening moet onderscheid worden gemaakt tussen de loonsverhogingen in voor iedere onder een ca.o. vallende werknemer vaste bedragen en de vloeren in de prijscompensatie. Ten aanzien van de loonsverhogingen in vaste bedragen kan de toerekening worden gerealiseerd door eerst het aanpassingspercentage te corrigeren voor het effect van deze verhogingen op de gemiddelde regelingsloonontwikkeling en door vervolgens met behulp van loonsomweging het gemiddelde vaste bedrag vast te stellen en afzonderlijk toe te kennen. Toerekening van de vloeren in de prijscompensatie vergt een wat meer gecompliceerde berekeningsmethodiek. Voor elk van de ca.o.'s die voor de berekening relevant zijn, wordt het procentuele verschil in effect tussen de prijscompensatie met en de prijscompensatie zonder vloer berekend op het niveau van het wettelijk minimumloon. De aldus gevonden procentuele verschillen worden over het geheel van de ca.o.'s die voor de index bepalend zijn, gemiddeld door weging met de binnen de systematiek van genoemde index per ca.o. aan de loonklasse rondom het minimumloon toegekende loonsomgewichten. Daarmede is het vloereffect op minimumloonniveau bepaald. Ten einde toerekening van vloereffecten aan de bovenminimale sociale uitkeringen mogelijk te maken wordt een analoge berekening gemaakt op een loonniveau dat 15% hoger is dan het wettelijk minimumloon.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Met behulp van de aldus op een tweetal niveau's gevonden gemiddelde procentuele vloereffecten kan via interpolatie en extrapolatie op een aanvaardbare wijze toerekening naar niveau van de vloeren in de prijscompensatie ook voor de bovenminimale uitkeringen worden gerealiseerd. De hierboven beschreven toerekeningsmethodiek zal door het Centraal Bureau voor de Statistiek worden uitgevoerd. De verantwoordelijkheid voor deze methodiek en voor het bepalen van de interpolatie en extrapolatie ligt echter bij de Minister van Sociale Zaken. Wetgevingstechnisch is voor de volgende systematiek gekozen. In de wet zelf wordt globaal het algemene aanpassingscriterium aangegeven. In aansluiting daarop wordt op het niveau van een algemene maatregel van bestuur bepaald dat de ontwikkeling van de regelingslonen uitgangspunt blijft voor de vaststelling van de hoogte van de brutoaanpassing, dat die ontwikkeling gecorrigeerd wordt voor de invloed van bepaalde met name genoem-de beloningscomponenten en dat ten aanzien van eveneens met name genoemde beloningscomponenten toerekening naar niveau plaatsvindt. De toerekeningsmethodiek wordt vervolgens nader geregeld op het niveau van een ministeriële beschikking. Het voordeel van deze constructie is, dat verfijningen van de methodiek welke wellicht in de toekomst mogelijk worden, op een eenvoudige wijze kunnen worden aangebracht. De tekst van de te treffen algemene maatregel van bestuur is met de bijbehorende toelichting ter informatie aan deze memorie toegevoegd.

§ 1.3. De aanpassing van de premieplichtige inkomens De inkomensgrenzen tot waaraan premie verschuldigd is krachtens de volksverzekeringen (de premie-inkomensgrenzen) en werknemersverzekeringen (het maximum premieplichtige dagloon) worden jaarlijks per 1 januari verhoogd of verlaagd met de index der regelingslonen. Hetzelfde geschiedt met de toetredingsgrens (loongrens) voor de ziekenfondsverzekering. Bij een standpuntbepaling inzake het aanpassingssysteem van de premieplichtige inkomens menen wij aan een tweetal complicaties van inkomenspolitieke aard, voortvloeiend uit de oplossing van de onderhavige problematiek, niette mogen voorbijgaan. Allereerst zij gewezen op de beperkende werking, die eliminering van de in hoofdstuk III te bespreken effecten van bouw-en uitzendc.a.o.'s zou hebben op de ontwikkeling van de premieplichtige inkomens en de toelatingsgrens. Voorts is het niet denkbeeldig dat toepassing van de geschoonde en naar niveau toegerekende index eveneens een verlagend effect zou hebben op deze heffings-en toelatingsgrenzen. Immers het is waarschijnlijk dat het naar niveau toerkenen vooral ten goede zal komen aan inkomens beneden bedoelde grenzen. Beide effecten bewerkstelligen een relatief achterblijven van de premieplichtige inkomens en de toelatingsgrens bij de ontwikkeling van de uitkeringen. Dit leidt ceteris paribus tot hogere premiepercentages. Bovendien zou een dergelijke ontwikkeling vooruitlopen op de uitkomsten en de daaruit door de Regering te trekken conclusies van een interdepartementale studie inzake de heffingsgrondslagen van de sociale verzekeringen. In deze studie zal tevens worden ingegaan op de relatie tussen prestatie en betaling die vooral bij de werknemersverzekeringen in het verleden een rol heeft gespeeld. Thans stellen wij voor om in afwachting van de resultaten van de studie de premie-inkomensgrenzen voor de volksverzekeringen en de toelatingsgrens jaarlijks te verhogen of te verlagen met de geschoonde, niet naar niveau toegerekende regelingsloonindex. Het maximumpremieplichtige dagloon voor de weknemersverzekeringen kent evenwel thans een koppeling met het maximumuitkeringsdagloon. Wij achten het niet gewenst om vooruitlopend op bedoelde studie deze koppeling te doorbreken. Bij het maximumpremieplichtige dagloon voor de werkgeversverzekeringen ware daarom wel een toerekening naar niveau te laten plaatsvinden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

§ 1.4. De aanpassing van de rijksbijdragen in de sociale fondsen Het Rijk draagt bij in de lasten van een aantal sociale fondsen via jaarlijks met de regelingslonen geïndexeerde rijksbijdragen. Bedoelde rijksbijdragen hebben drie ontstaansgronden gehad: -verbreding van de solidariteit tussen hogere en lagere inkomensgroepen; -verbetering van de koopkracht van met name lager betaalden; -beperking van de loonkosten voor bedrijven.

In beide eerste gevallen gaat het om vrij omvangrijke groepen van personen, zodat het niet voor de hand ligt om een naar inkomensniveau toegerekende index toe te passen. In het derde geval kan eveneens geen relatie gelegd worden met een bepaald inkomensniveau. Wij stellen dan ook voor om de jaarlijkse aanpassing van de daartoe in aanmerking komende rijksbijdragen te doen plaatsvinden met de in het voorgaande voorgestelde geschoon-de regelingsloonindex, zonder dat een toerekening naar inkomensniveau plaatsvindt.

§ 1.5. Bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels van het gebruikelijke aanpassingsmechanisme In de adviesaanvrage aan de SER van 22 februari 1979 hebben wij naar aanleiding van de kwestie van de uitzendc.a.o. de Raad de vraag voorgelegd of deze en wellicht vergelijkbare uitzonderlijke situaties ertoe zouden moeten leiden de Minister van Sociale Zaken de bevoegdheid te geven, gehoord de SER, van de normale regels van het gebruikelijke aanpassingssysteem af te wijken. Deze vraagstelling is destijds met enige terughoudendheid onzerzijds in de adviesaanvrage opgenomen. In de tijdelijke wetgeving inzake het z.g. «1 januari 1979-pakket» was dan ook geen bevoegdheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur per 1 juli 1979 een definitieve eliminering van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen en de uitzendc.a.o. te realiseren en zelfs niet een bevoegdheid om bij het niet tijdig beschikbaar zijn van het SER-advies bij algemene maatregel van bestuur de tijdelijke eliminering te verlengen. Bewust is destijds gekozen voor de zware constructie dat ook voor een verlenging per 1 juli 1979 een wettelijke voorziening vereist zou zijn. Wij hebben begrip voor het standpunt dat een deel van de raad op dat punt in het SER-advies inneemt. Dit standpunt houdt in, dat van de regels van het gebruikelijke aanpassingssysteem mede uit een oogpunt van rechtzekerheid niet naar beneden mag worden afgeweken dan nadat een zorgvuldig en bewust afwegingsproces heeft plaatsgevonden en dat daarvoor wetswijziging de enig juiste weg is. Wij tekenen hierbij overigens aan dat er natuurlijk een verschil in zwaarte is tussen een maatregel die een tijdelijke en een maatregel die een definitiefe doorbreking van de aanpassingsmechanismen beoogt. Anderzijds meen ik, dat een neerwaartse afwijking van de loonontwikkeling in uitzonderingssituaties noodzakelijk kan blijken. Intussen hebben wij er zowel bij de behandeling van het z.g. «1 januari 1979-pakket» als bij de behandeling van het z.g. «1 juli 1979-pakket» geen twijfel over laten bestaan, dat wij het doorbreken van de werking van de aanpassingsmechanismen met een neerwaarts effect een zeer zwaarwegende zaak vinden waartoe alleen in uitzonderlijke situaties mag worden overgegaan. Hieruit vloeit impliciet voort, dat een doorbreking van de werking van de aanpassingsmechanismen nimmer een op zich zelf staande, geïsoleerde maatregel kan en zal zijn. Hij zal steeds onderdeel vormen van een pakket maatregelen, dat er in zijn totaliteit op gericht is aan een uitzonderlijke situatie het hoofd te bieden. Elementen van coördinatie van en samenhang binnen het sociaal-economische beleid dienen bij het treffen van een maatregel als hier bedoeld derhalve een belangrijke rol te spelen. Het zijn deze elementen die in de adviesaanvrage aan de SER over de Raamwet op de inkomensvor-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

ming centraal staan daar waar in deze adviesaanvrage het vraagstuk van de loonmaatregel aan de orde wordt gesteld. Het lijkt ons verstandig in de bredere besluitvorming over de in die adviesaanvrage neergelegde thematiek ook het vraagstuk dat hier aan de orde is mee te nemen en derhalve thans niet over te gaan tot het creëren van een bevoegdheid om in uitzonderlijke situaties de werking van de aanpassingsmechanismen in negatieve zin te doorbreken, hetzij met een tijdelijk, hetzij met een definitief effect. Wij overwegen dan ook dit vraagstuk nader schriftelijk aan de SER voor te leggen.

§ 1.6. De na-ijlingsproblematiek In de huidige systematiek van de halfjaarlijkse aanpassingen volgen mini-mumloon en sociale uitkeringen de loonontwikkeling met gemiddeld een half jaar vertraging. De afgelopen jaren, die gekenmerkt werden door een afnemende nominale loonontwikkeling, hebben duidelijk gemaakt dat aan dit na-ijlingseffect dat inherent is aan de bestaande aanpassingssystematiek bezwaren kleven, met name vanwege de uiteenlopende ontwikkeling van minimumloon en overige lonen die daarvan het gevolg is. Zo is het dit gegeven geweest dat eind 1975 geleid heeft tot het in leven roepen van de subsidieregeling minimumloon. In de adviesaanvrage van 22 februari 1979 is deze problematiek aan de orde gesteld, hoewel vanwege de afzwakking van de vermindering van de inflatie meer recent de problematiek zijn urgente karakter enigszins heeft verloren. Naar de mening van een grote minderheid van de raad zou ter beperking van de na-ijling die bij het minimumloon optreedt als gevolg van de vertraging waarmee de gegevens betreffende de loonontwikkeling beschikbaar komen, het toepassen van een voorindexering overwogen kunnen worden. Op welke wijze aan een dergelijke voorindexering vorm kan worden gegeven, zou nader dienen te worden bezien. Een kleine minderheid van de raad heeft als een van de motieven voor haar op praktische gronden gestoelde voorkeur voor de regelingsloonindex de omstandigheden genoemd dat de na-ijling bij deze index minder groot is dan bij die van de verdiende lonen. De grootste minderheid van de raad stelt voor het minimumloon per 1 januari en per 1 juli aan te passen op basis van de gezuiverde prijsindex indien en voor zover een prijscompensatie wordt overeengekomen in collectieve arbeidscontracten. Na-ijlingseffecten gaan dan, zo stelt dit deel, grotendeels tot het verleden behoren, dit te meer omdat gegeven de economische vooruitzichten de prijscompensatie het overgrote deel van de loonontwikkeling zal dekken. Integrale overname van het voorstel van dit deel van de raad stuit bij ons, zoals in paragraaf 1.1 is aangegeven op bezwaren. Wel lijkt het ons gewenst dat wordt nagegaan, in hoeverre de na-ijling welke ook aan het gewijzigde aanpassingssysteem is verbonden, kan worden verminderd, hetzij door synchronisatie van de prijscompensatie, hetzij door voorindexering, hetzij weilicht door andere middelen. Alhoewel het hier om een ingewikkeld vraagstuk gaat, streven wij ernaar deze nadere studie in de loop van 1980 af te ronden. Afhankelijk van de uitkomst van deze studie zullen wij te zijner tijd bezien of er aanleiding bestaat de SER over deze problematiek gericht advies te vragen. Ten slotte willen wij nog opmerken, dat het inbouwen van de toerekening naar niveau in het systeem van de halfjaarlijkse aanpassingen, een oorzaak die in het verleden een aantal malen tot schoksgewijze bijstellingen heeft geleid, is opgeheven.

HOOFDSTUK II. MINIMUMVAKANTIEBIJSLAG

§ II. 1. Algemeen

Ingevolge artikel 15, eerste lid, bestaat aanspraak op een minimumvakantiebijslag. Het wettelijk minimum bedraagt thans 7% van het ten laste van de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

werkgever komende loon, waarbij echter dat gedeelte van het loon, dat het drievoud van het minimumloon overschrijdt, buiten beschouwing blijft. Minimumloon en minimumvakantiebijslag staan betrekkelijk los van elkaar in die zin dat de garantie voor een minimumvakantiebijslag ook geldt voor werknemers die meer dan het minimumloon ontvangen, terwijl minimumloontrekkenden op grond van hun arbeidsovereenkomst veelal meer vakantiebijslag zullen ontvangen dan het wettelijk minimum. De sociale minima kennen een nettonettokoppeling zowel aan het mini-mumloon als aan de minimumvakantiebijslag. Voorde bovenminima wordt de in de eigen arbeidsovereenkomst vastgelegde vakantiebijslag in het dagloon opgenomen, waarna vervolgens voor de WAO forfaitair van het aldus vastgestelde dagloon een bedrag, berekend op basis van de wettelijke mini-mumvakantiebijslag, wordt gereserveerd, terwijl de WWV geen afzonderlijke vakantieuitkering kent. Het wettelijke minimumpercentage werd bij Wet van 20 juni 1974(Stb. 350) verhoogd van 6 naar 7, daar in vrijwel alle collectieve arbeidsovereenkomsten het percentage van de vakantiebijslag tenminste 7 bedroeg. Het gemiddeld effect van de sindsdien in het bedrijfsleven overeengekomen verbeteringen in het percentage van de vakantiebijslag heeft niet geresulteerd in een verdere aanpassing van het wettelijk minimumpercentage doch is via het aanpassingsmechanisme voor het minimumloon in het minimumloonniveau verwerkt. De gevolgde methodiek heeft voor het minimumloon veelal tot dubbeltellingen geleid, aangezien naast de verwerking van dit gemiddelde effect in het minimumloonniveau de minimumloontrekkende ook aanspraak kon maken op het uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst geldende percentage voor de vakantiebijslag dat in toenemende mate boven de 7% kwam te liggen. Bij de bovenminima is eveneens sprake van reeds opgetreden dubbeltellingen. Bij de sociale minima ten slotte gaat zich een dubbeltelling voordoen op het moment dat de wettelijke minimumvakantiebijslag wordt verhoogd. Ten einde tot een correctie van de plaatsgevonden dubbeltellingen te komen en voorts verdergaande dubbeltellingen in de toekomst te vermijden, is het noodzakelijk enige voorzieningen te treffen met als centraal element een wijziging van de systematiek van de aanpassing van de minimumvakantiebijslag. Deze houdt enerzijds in de effecten van verhogingen van vakantiebijslagpercentages in de collectieve arbeidsovereenkomsten niet meer te laten doorwerken in het minimumloon en anderzijds de minimumvakantiebijslag als apart beloningsonderdeel aan te passen aan de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Invoering van deze systematiek leidt naast het schonen van het aanpassingsmechanisme van het minimumloon van de effecten van mutaties in vakantiebijslagpercentages tot een regeling op een viertal punten: 1. een bijstelling van het wettelijk minimumpercentage aan de actuele situatie in het bedrijfsleven; 2. complementair daaraan een gelijktijdige en evenredige correctie van het wettelijk minimumloon; 3. het aanbrengen bij de bovenminima in de WAO van een verschuiving ter grootte van 1 % van de maandelijkse uitkering naar de vakantiebijslag. 4. een omschrijving van de wettelijke aanpassingssystematiek voor de wettelijke minimumvakantiebijslag.

Op deze punten zal in de beide volgende paragrafen nader worden ingegaan. In paragraaf II. 4 zal de kwestie van het al dan niet inbouwen van een vloer in de wettelijke minimumvakantiebijslag aan de orde worden gesteld.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

§ II. 2. Bijstelling van het wettelijke minimumpercentage onder gelijktijdige correctie van het minimumloonniveau Aangezien de procentuele vakantiebijslag in het bedrijfsleven over vrijwel de gehele linie tenminste 8 bedraagt, is de Sociaal-Economische Raad op 22 februari 1979 de vraag voorgelegd of het wettelijke minimumpercentage niet tot 8 zou moeten worden verhoogd. Daar de facto bij het minimumloon en bij de bovenminima reeds sprake is van dubbeltellingen en bij een verhoging van de minimumvakantiebijslag zonder gelijktijdige niveaucorrectie bij de sociale minima een dubbeltelling zou ontstaan, is de raad tevens gevraagd of deze verhoging al dan niet zou moeten leiden tot niveaucorrecties. De raad is unaniem van mening dat er aanleiding is het wettelijke mini-mumpercentage te verhogen tot 8, doch over de vraag of al dan niet gelijktijdig niveaucorrecties moeten worden aangebracht, bestaat geen eenheid van opvatting. De grootst mogelijke minderheid van de raad is van opvatting, dat de optredende dubbeltellingen alle aanleiding geven tot een correctie op het minimumloonniveau. Dit deel van de raad wijst er verder op dat naar zijn oordeel in het advies van 16 juni 1978 inzake een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon duidelijk is aangetoond dat de ontwikkeling van het minimumloon een voorsprong ter grootte van 1,7% laat zien ten opzichte van de ontwikkeling van de verdiende lonen. Een grote minderheid van de raad meent daarentegen dat weliswaar een dubbeltelling van 1 % optreedt, doch dat deze kan dienen om de door dit deel van de raad in het advies van 16 juni 1978 geconstateerde achterstand van het minimumloon ter grootte van 1,6% gedeeltelijk in te lopen. Bovendien voert dit deel van de raad aan, dat de op grote schaal in de collectieve arbeidsovereenkomsten voorkomende vloeren in de vakantiebijslag niet via het aanpassingsmechanisme effect op het minimumloon hebben gehad. Een lid van de raad ten slotte is van oordeel dat eliminering van het effect van verhoging van vakantietoeslagen uit het aanpassingsmechanisme niet mag leiden tot een correctie met terugwerkende kracht. Dit lid van de raad vindt dat er alle aanleiding toe is de minimumvakantiebijslag op 8% te brengen. Gelet op de hoogte van de procentuele vakantiebijslagen in de collectieve arbeidsovereenkomsten achten wij het wenselijk het wettelijk mini-mum te verhogen van 7 naar 8%. Deze verhoging schept bovendien een juist uitgangspunt voor de invoering van een aparte aanpassingsmethodiek voor de wettelijke minimumvakantiebijslag. Tegen de achtergrond van de doelstelling van een evenwichtige inkomensontwikkeling, waarin het tegengaan van dubbeltellingen als gevolg van de werking van de aanpassingsmechanismen een essentieel element is, achten wij het ongewenst met een verhoging van het wettelijk minimumpercentage voor de vakantiebijslag bij de minimumloontrekkenden en bij de ontvangers van bovenminimale uitkeringen in de praktijk reeds bestaande dubbeltellingen te handhavan en bij de ontvangers van minimumuitkeringen een dubbeltelling te introduceren. Een zodanige verhoging dient derhalve gelijktijdig te worden gecorrigeerd in het minimumloonniveau, waarin tot nog toe het gemiddelde effect van de verhogingen van de vakantiebijslagpercentages in het bedrijfsleven zijn verwerkt. Het kabinet handhaaft overigens het in de adviesaanvrage van zijn voorganger van 16 november 1977 neergelegde standpunt dat de werkgelegenheidssituatie geen bijzondere verhoging in de sfeer van de minimumbeloning gedoogd. Via de nettonettokoppeling werkt deze niveaucorrectie bij het minimumloon rechtstreeks door in de sociale minima. Voor deze minima ontmoet het introduceren van een dubbeltelling overigens niet alleen vanuit een oogpunt van systematiek bezwaar. Ook om budgettaire redenen dient de dubbeltelling te worden voorkomen. Op jaarbasis zou het achterwege laten van de correctie een extrabeslag van 260 min. gulden leggen op de collectieve middelen. Ten aanzien van de bovenminima in de WAO wordt gelijktijdig met de verhoging van de wettelijke minimumvakantiebijslag een verschuiving aangebracht van de maandelijkse uitkering naar de vakantiebijslag ter grootte van 1 %.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

De Regering meent dat beide correcties per 1 januari 1980 dienen te worden doorgevoerd. Dit betekent dat de wet bij inkomens tot drie maal het minimumloon aanspraak geeft op een vakantiebijslag van tenminste 7% over de vóór die datum ten laste van de werkgever komende loonbedragen en van tenminste 8% over de daarna ten laste van de werkgever komende loonbedragen. De corresponderende correctie op het minimumloonniveau zal worden verrekend met de uitkomst per 1 januari 1980 van het per die datum in te voeren aanpassingsmechanisme van het minimumloon. Via de nettonettokoppeling worden tegelijkertijd voor de sociale minima analoge aanpassingen bewerkstelligd. De bij de bovenminima aan te brengen verschuiving zal per dezelfde datum worden gerealiseerd.

§ 11.3. De aanpassingssystematiek voor de minimumvakantiebijslag Tegen de achtergrond van de doelstelling van een evenwichtige inkomensontwikkeling acht de Regering een gescheiden aanpassing van de mini-mumvakantiebijslag naast het minimumloon wenselijk. Een juiste basis hiervoor wordt gelegd door het opschonen van het aanpassingsmechanisme van het minimumloon voor effecten van mutaties van de vakantiebijslag en door het ophogen van het wettelijk minimumpercentage naar een reeds vrijwel algemeen geldende ondergrens in de collectieve arbeidsovereenkomsten. De Sociaal-Economische Raad is unaniem voorstander van een gescheiden aanpassing. Een helft van de raad geeft voorkeur aan een systeem van automatische aanpassing aan de gemiddelde ontwikkeling van de vakantiebijslag in het bedrijfsleven. De andere helft van de raad ondersteunt de in de adviesaanvrage van 22 februari 1979 neergelegde voorkeur van de Regering voor een aanpassingssystematiek volgens de procedure zoals deze thans reeds voor bijzondere verhogingen van het minimumloon wordt gehanteerd. Binnen deze systematiek vraagt de Minister van Sociale Zaken tenminste elke drie jaar advies aan de Sociaal-Economische Raad over de vraag of er omstandigheden zijn, die een bijzondere verhoging wenselijk maken. Nadat het advies is uitgebracht, wordt indien hiertoe naar het oordeel van de Regering aanleiding bestaat, bij algemene maatregel van bestuur een bijzondere verhoging doorgevoerd. Daar het bij de minimumvakantiebijslag niet gaat om het volgen van de ontwikkeling van de gemiddelde vakantiebijslag in het bedrijfsleven, maar om het volgen van een op grote schaal gehanteerde ondergrens in de procentuele vakantiebijslag, achten wij de procedure zoals deze geldt voor bijzondere verhogingen van het minimumloon een geschikter instrument dan een automatisch aanpassingsmechanisme.

§ 11.4. Een wettelijke minimumvloer?

In de adviesaanvrage van 22 februari 1979 is de Sociaal-Economische Raad tevens gevraagd zich uit te spreken over de kwestie of de in collectieve arbeidsovereenkomsten op relatief grote schaal voorkomende vloeren in de vakantiebijslag een vertaling zouden moeten vinden in de wettelijke mini-mumvakantiebijslag. Een grote minderheid van de raad acht de invoering van een wettelijke minimumvloer gewenst. Deze vloer zou dan, aldus dit deel van de raad, regelmatig moeten worden aangepast aan de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. De grootst mogelijke minderheid van de raad acht de invoering van een wettelijke minimumvloer niet gewenst. De omvang van het verschijnsel zou op zich zelf aanleiding kunnen zijn om in de wettelijke minimumvakantiebijslag een vloer in te bouwen. Op ca. 63% van de onder een bedrijfstakc.a.o. vallende werknemers is een vloer van toepassing. Invoering van een wettelijke minimumvloer zou, gezien de huidige vloerniveaus in de collectieve arbeidsovereenkomsten, de feitelijke minimumvakantiebijslag uitgedrukt in het niveau van het minimumloon op rond 8,5 % brengen. Deze extraophoging leidt naar onze mening tot consequenties, die in de huidige omstandigheden als onwenselijk moeten worden beschouwd.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

De invoering c.q. verhoging van vloeren in de vakantiebijslagen in de collectieve arbeidsovereenkomsten komt niet tot uitdrukking in het indexcijfer van regelingslonen en heeft derhalve uit dien hoofde geen effect op de niveaus van minimumloon en sociale uitkeringen. Daar echter in de per 1 april 1974 doorgevoerde bijzondere verhoging van het minimumloon wel 0,5% is verwerkt als eenmalige bijsturing voor het effect van invoering c.q. verhoging van vloeren in de vakantiebijslagregelingen in de collectieve arbeidsovereenkomsten, is in feite in alle gevallen waarin een minimumloontrekken de krachtens zijn arbeidsovereenkomst een vloer in zijn vakantiebijslag geniet, sprake van een zekere dubbeltelling. Bij invoering van een wettelijke minimumvloer zonder gelijktijdige correctie op het minimumloonniveau, zou voor de overige minimumloontrekkenden en voor de sociale minima een dubbeltelling worden geïntroduceerd. Op dezelfde gronden als hierboven aangegeven bij de kwestie van de bijstelling van het minimumpercentage naar een actueel niveau, zou bij de invoering van een minimumvloer gelijktijdig een correctie op het niveau van het minimumloon en de sociale minima moeten plaatsvinden. De repercussies van zulk een correctie op de niveaus van minimumloon en sociale uitkeringen te zamen met de bijstelling als complement van de verhoging van het minimumpercentage van 7 naar 8, achten wij ongewenst groot. Een oplossing in die zin dat een vloer wordt geïntroduceerd zonder gelijktijdige correctie mag niet aanvaardbaar worden geacht vanuit een oogpunt van systematiek en gezien de extralasten die een zodanige regeling met zich zou meebrengen voor met name de zwakkere sectoren in het bedrijfsleven en voor de sociale fondsen en de rijksbegroting. De Regering is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat in de wet geen minimumvloer moet worden ingebouwd.

HOOFDSTUK III. DEFINITIEVE ELIMINERING VAN DE EFFECTEN VAN DE BOUWTOESLAGVERWERKINGEN VAN 1 JULI EN 31 DECEMBER 1978 EN VAN DE CAO. VOOR UITZENDKRACHTEN IN DE KANTOOR-EN ADMINI-STRATIEVE SECTOR VOOR HET CONTRACTJAAR 1978

Bij het voorbereiden van de Miljoenennota voor het jaar 1979 werd de Regering geconfronteerd met toeslagverwerkingen in een aantal c.a.o.'s in de bouwsector per 1 juli en per 31 december 1978 welke via de aanpassingsmechanismen zouden doorwerken in ambtenarensalarissen, minimumloon en sociale uitkeringen. Inde loop van januari 1979 werd door partijen de binnen de systematiek van de index der regelingslonen zwaarwegende ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector aan het Loonbureau ter registratie aangeboden. Daarbij bleek dat in deze ca.o. een uitzonderlijk grote verhoging van de schaallonen was overeengekomen. Ook deze verhoging zou doorwerken in ambtenarensalarissen, minimumloon en sociale uitkeringen. Bij volledige doorwerking van beide elementen zouden de ambtenarensalarissen in 1979, nog afgezien van de nacalculatie over 1978, zuiver op deze grond zowel op niveauals op jaarbasis met bijna 1,4% zijn gestegen. Voor minimumloon en sociale uitkeringen zou deze doorwerking een effect van 1 % op jaarbasis en van 1,5% op niveaubasis hebben gehad. Bovendien zou volledige doorwerking geleid hebben tot een uitgavenvergroting voor de rijksbegroting van 1100 min. en voor de sociale fondsen van 610mln. Geconfronteerd met deze consequenties, die overigens zoals uit bijlage I van de memorie van antwoord bij wetsontwerp 15597 blijkt, aanvankelijk nog hoger waren geraamd, heeft de Regering destijds na zorgvuldig afwegen van die consequenties en van de haar ter beschikking staande mogelijkheden gemeend de doorwerking te moeten voorkomen. Het extrabeslag op de collectieve middelen dat uit de doorwerking zou voortvloeien was voor de Regering onaanvaardbaar groot. Bovendien zou de doorwerking tot sterk uiteenlopende reële mutaties in 1979 leiden, waarmede de door de Regering beoogde parallelliteit in inkomensontwikkeling van werknemers in het parti-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

culiere bedrijfsleven, ambtenaren en uitkeringsgerechtigden ernstig zou worden doorkruist. Uit het feit dat de wettelijke voorzieningen die de doorwerking althans op 1 januari en op 1 juli 1979 moesten voorkomen, door het parlement zijn aanvaard, blijkt dat een meerderheid van het parlement de zorg van de Regering voor de consequenties verbonden aan de doorwerking deelde. Destijds is bewust gekozen voor wettelijke voorzieningen op ad hoebasis ten einde een zorgvuldige advisering door de Sociaal-Economische Raad mogelijk te maken. Het incidenteel doorbreken van de aanpassingsmechanismen is naar het oordeel van de Regering een zo zwaarwegende zaak dat niet dan nadat sociale partners hun opvattingen kenbaar hebben gemaakt tot een definitieve beslissing mag worden overgegaan. Ook door het parlement is tijdens de behandeling van eerdergenoemde tijdelijke wettelijke voorzieningen op dit aspect een zwaar accent gelegd. In de adviesaanvrage van 9 januari 1979 is aan de SER de vraag voorgelegd, of de consequenties van de doorwerking in minimumloon en sociale uitkeringen van de toeslagverwerkingen in de bouwsector in de huidige sociaaleconomische en financiële situatie niet dermate ernstig zijn, dat een doorbreking van de wettelijke aanpassingsmechanismen, gericht op het creëren van een permanent effect, gerechtvaardigd is. Deze vraagstelling werd daarbij losgekoppeld van de principiële vraag welke elementen van loonsverhoging in het algemeen wel en welke niet via de indexeringsmechanismen in minimumloon en sociale uitkeringen zouden moeten doorwerken. Deze principiële vraagstelling is aan de raad voorgelegd met de adviesaanvrage van 22 februari 1979. Bij laatstgenoemde gelegenheid is tevens de kwestie van de uitzendc.a.o. aan de orde gesteld. Zoals reeds in de memorie van antwoord bij wetsontwerp 15.597 is meegedeeld, heeft de raad de problematiek van de bouwtoeslagverwerkingen en van de uitzendc.a.o. in samenhang willen bezien met het algemene en tevens gecompliceerde en tijdrovende vraagstuk van de inhoud en opzet van de brutoaanpassingsmechanismen. Weliswaar had deze procedure tot gevolg dat per 1 juli 1979 opnieuw wettelijke maatregelen van tijdelijke aard moesten worden genomen. Dat neemt echter niet weg dat uiteraard ook de Regering deze samenhang erkent en de gekozen procedure respecteert. Door een grote minderheid van de raad wordt ten aanzien van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli en 31 december 1978 niet afgeweken van het door dit deel van de raad ten aanzien van toeslagverwerkingen in het algemeen ingenomen standpunt. Dit deel spreekt zich uit vóór doorwerking en wijst erop dat het hier een element van arbeidsvoorwaardenverbetering betreft, dat bij de huidige systematiek van koppeling aan de regelingsloonindex vertraagd, dat wil zeggen pas op het moment van verwerking van de toeslag in de schaallonen, tot uitdrukking komt in de index der regelingslonen. Het feit dat de in 1978 verwerkte toeslagen reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van kracht waren, acht dit deel geen reden om van deze algemene maatregel af te wijken. Een kleine meerderheid van de raad daarentegen ziet in de omstandigheid dat deze toeslagen dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet wel reden tot eliminering, daaraan toevoegend dat hetzelfde geldt voor de individuele sociale uitkeringen, waarvan het merendeel een nog recentere datum heeft dan het minimumloon. Ook ten aanzien van de uitzendc.a.o. lopen de meningen uiteen. Zowel vóór als tegen doorwerking worden meerdere argumenten aangevoerd. Tot materieel de grootste verschillen leidt de uiteenlopende benaderingswijze van het gegeven, dat binnen de systematiek van de regelingsloonindex de uitzendc.a.o. een aanmerkelijk groter gewicht wordt toegekend dan overeenkomt met de loonsom van de onder deze ca.o. vallende werknemers. Een grote minderheid van de raad vindt dat hierin geen reden gevonden kan worden deze ca.o. niet te laten doorwerken. De uitzonderlijke situatie welke zich nu heeft voorgedaan is het gevolg van een bepaalde systematiek, Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

waarvoor in het verleden is gekozen, met de daaraan verbonden voor-en nadelen. Op ad hoebasis afwijken van die systematiek acht dit deel een heilloze weg. Een kleine meerderheid van de raad is van mening dat er wel aanleiding is om op het indexcijfer van de regelingslonen ten behoeve van de aanpassing van het minimumloon en de sociale uitkeringen een correctie aan te brengen ten einde het uitzonderlijk effect van de weging van de uitzendc.a.o. te neutraliseren. Volgens één lid van de raad dat het overigens met het vorige deel eens is, zou dit neutraliseren echter ook moeten gelden voor de neerwaartse druk die deze ca.o. sedert 1972 en 1978 op grond van de wegingssystematiek op deze index heeft uitgeoefend. Met het door de Regering gehanteerde argument van de financiële consequenties voor rijksbegroting en sociale fondsen kan een grote minderheid van de Raad zich niet verenigen. Naar de mening van dit deel van de raad worden bij deze benaderingswijze de in het geding zijnde financiële lasten eenzijdig afgewenteld op minimumloners en uitkeringsgerechtigden. Een kleine meerderheid van de raad onderschrijft dit argument wel, ofschoon dit deel de inhoudelijke argumenten van doorslaggevende betekenis acht. Naar de mening van dit deel van de raad is het economisch niet verantwoord het financieringstekort te vergroten en/of de belasting-en premiedruk te verhogen, ten einde een extraverhoging van het minimumloon en de sociale uitkeringen, welke ten onrechte uit de aanpassingssystematiek zou voortvloei-en te financieren, De Regering heeft zich naar aanleiding van dit sterk verdeelde advies vanzelfsprekend opnieuw beraden over de te nemen definitieve beslissing. Zij is tot de conclusie gekomen dat zij haar eerder ingenomen voorlopig standpunt moet handhaven. De Regering blijft van mening, dat bij doorwerking het door haar voorgestane beleid, gericht op beheersing van de ontwikkeling van de collectieve lastendruk en daarmede op het terugdringen van de inflatie en de werkloosheid, in een onaanvaardbare mate zou worden doorkruist. De Regering heeft ingrijpende ombuigingsvoorstellen ontwikkeld om in deze in economisch opzicht kritieke tijd te komen tot die noodzakelijke beheersing van de collectieve lastendruk en zodoende de werkgelegenheid op middellange termijn veilig te stellen. De doorwerking zou dit in gang gezette beleid ernstig bemoeilijken. Voor de mate waarin dit beleid bij doorwerking zou worden doorkruist is illustratief het in tabel III. 1 opgenomen overzicht van de consequenties voor 1979 en volgende jaren van volledige doorwerking voor de rijksbegroting en de sociale fondsen. Het aanvaarden van die consequenties zou betekenen, dat hetzij het financieringstekort zou moeten worden vergroot, hetzij extraombuigingen zouden moeten plaatsvinden, hetzij de lastendruk zou moeten worden verhoogd. Een verwijzing naar de Miljoenennota voor het begrotingsjaar 1980 mag voldoende zijn om aan te geven, dat binnen het uitgestippelde sociaal-economische en financiële beleid toepassing van welk van deze alternatieven dan ook strijdigheid oplevert met de hoofddoelstelling van dat beleid, te weten het terugdringen van de werkloosheid. Daarnaast heeft de Regering als overweging van bijkomende aard aandacht besteed aan de omstandigheid dat de bouwtoeslagen die in de tweede helft van 1978 zijn verwerkt, reeds een groot aantal jaren geleden zijn ingevoerd en op ruime schaal toegepast. Daardoor heeft de verwerking thans voor de bouwsector zelf in het algemeen nagenoeg geen materieel effect. Wel heeft deze verwerking een vergroting van de inkomenszekerheid van de werknemers in deze sector tot gevolg. Partijen hebben met de toeslagverwerking in feite een vorm van verbetering van arbeidsvoorwaarden gekozen welke zeer goed past in een op matiging van de loonontwikkeling gericht ca.o.-beleid. Des te moeilijker is het dan om te aanvaarden dat deze verwerkingen via de doorwerking leiden tot een opwaartse druk op het niveau van de collectieve lasten. Die doorwerking is immers strijdig met de algemene matigingsgedachte.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Ten aanzien van de uitzendc.a.o. beseft ook de Regering dat het minder wenselijk is om op onderdelen op ad hoebasis voor de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen van de wegingssystematiek, welke aan de index der regelingslonen ten grondslag ligt, af te wijken. Het gevaar dreigt dat daarmee een proces in gang wordt gezet, waarvan de uiteindelijke uitkomst totaal onbekend is. Dat neemt intussen niet weg, dat het ook ten aanzien van dit element moeilijk te aanvaarden is, dat juist in deze tijd een op zich zelf reeds uitzonderlijke grote schaalloonverhoging in de uitzendc.a.o. uitsluitend als gevolg van de gehanteerde wegingsmethodiek extra zwaar doorwerkt in de te indexeren inkomens. Het spreekt vanzelf dat evenals bij gelegenheid van de voorbereiding van de tijdelijke voorzieningen nauwlettend de inkomenspolitieke consequenties van het elimineren van de effecten in het oog zijn gehouden. Randvoorwaar-de was en is dat de koopkracht van het minimumloon en van de sociale uitkeringen tot en met het modale niveau door deze maatregel in samenhang met de effecten van de overige onderdelen van het sociaal-economische beleid voor 1980 niet zou/zal worden aangetast. Zo zal ten aanzien van het minimumloon de reële mutatie in 1980 0,4 % bedragen. Voor de reële mutaties in de sfeer van de sociale uitkeringen wordt verwezen naar tabel IV.10 Door de Minister van Binnenlandse Zaken wordt een overeenkomstig voorstel in het Centraal Georganiseerd Overleg voor Ambtenarenzaken aan de orde gesteld. Tot slot wil de Regering nog eens beklemtonen dat het hier een uitzonderlijke maatregel met een incidenteel karakter betreft, noodzakelijk geworden in een algemene sociaal-economische en financiële situatie die eveneens als uitzonderlijk gekarakteriseerd moet worden.

Tabel III.1, Uitgaven vergroting in 1979 en volgende jaren bij doorwerking van de bouwtoeslagverwerkingen per 1 juli 1978 en 31 december 1978 en van de uitzendc.a.o. voor het contractjaar 1978 voor rijksbegroting en sociale fondsen (in miljoenen guldens)

Bouwtoeslag verwerkingen

Uitzend ca.o.

Totaal

1979 1980 e.v.j.

1979

1980

1979

1980 e.v.j.

  • A. 
    Rijksbegroting 1. Salarissen ambtenaren en trendvolgers a. uitkering ineens 1978

240

-

295

-b. niveau verhoging

36038 0

325

340

685

720

  • Sociale voorzieningen en rijksbijdragen

70115

120

175

Algemeen totaal (1 +2)

485495

615

400

1100

895

  • B. 
    Sociale fondsen a. uitkeringen volks-en werknemersverzekeringen

28538 0

190

380

570 b. doorwerking salarisverhoging trendvolgers in kosten gezondheidszorg

10010 0

130

230

185

Algemeen totaal (a + b)

38548 0

225

275

610

755

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

HOOFDSTUK IV. HET NETTO-AANPASSINGSMECHANISME

§ IV.1. Inleiding

De huidige inkomensontwikkeling via de sociale uitkeringen volgt twee sporen: -de minimumuitkeringen zijn op nettobasis gekoppeld aan het mini-mumloon, terwijl -de uitkeringen boven het minimum op brutobasis de regelingslonen volgen. De in Bestek'81 voorgestelde maatregelen laten dit tweesporenbeleid, waarvan het ontstaan in paragraaf IV.2 wordt geschetst, principieel ongemoeid. Voorgesteld werd om de daarbij geconstateerde onevenwichtigheden en systeemfouten die in de loop der jaren zijn gegroeid, weg te nemen. Bedoelde onevenwichtigheden en systeemfouten zijn alle terug te voeren op de (ongelijkheid van) aftrekposten op uitkeringen en lonen, waardoor de net-to-inkomensontwikkeling tussen beide genoemde categorieën en tussen niet-actieven onderling, op onevenwichtige wijze plaatsvindt. Tijdens de parlementaire behandeling van Bestek '81, maar ook buiten het parlement, bleek een brede mate van overeenstemming over de noodzaak op zich zelf om systeemfouten en onevenwichtigheden in de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen te corrigeren. De door het kabinet naar voren gebrachte wijzigingsvoorstellen werden daarbij tevens in een meer algemeen kader geplaatst. Met name kwam de vraag naar voren in hoeverre op grond van solidariteitsoverwegingen tussen actieven en niet-actieven de gesignaleerde onevenwichtige inkomensontwikkeling op nettobasis kan worden rechtgetrokken. Voorafgaand aan de definitieve wettelijke regeling van de aanpassingsmechanismen heeft het kabinet het advies van de Sociaal-Economische Raad ter zake ingewonnen. Hierop zal in paragraaf IV.3 worden in-gegaan. Ten einde niet een jaar verloren te laten gaan zijn vooruitlopend en bij wijze van voorschot op de definitieve wettelijke regeling, de uitkeringen per 1 januari 1979 gekort met een percentage van 0,3 voor de sociale minima en van 0,2 oplopend tot 0,7 voor de uitkeringen boven het minimum. Voor de onderbouwing hiervan zij verwezen naar het desbetreffende wetsontwerp en de parlementaire behandeling daarvan. Per 1 juli 1979 is wederom een voorschot genomen op de definitieve beperking van de uitkeringen met 0,2 voor de minimumuitkeringen oplopend tot 0,7 voor de maximumuitkeringen.

§ IV.2. Historische ontwikkeling Bij de invoering van de Algemene Ouderdomswet op 1 januari 1957 werd in Nederland een systeem van indexering geïntroduceerd, ten einde een welvaartsvaste ontwikkeling van de AOW-pensioenen te garanderen. Zowel de bruto-uitkering krachtens deze wet als het inkomen waarover maximaal premie werd geheven werd gekoppeld aan de index der regelingslonen. In het oorspronkelijke artikel 9 werden twee gronden genoemd die een afwijking naar boven of beneden van deze bruto-ontwikkeling rechtvaardigden. Het derde lid opende de mogelijkheid van een verhoging van de uitkeringen in-dien daartoe bijzondere aanleiding bestond in verband met de feitelijke loonontwikkeling. Het betreft hier de mogelijkheid tot het zogenaamde tussentijds indexeren. Het vijfde lid voorzag in een afwijkende aanpassing in-dien voor gepensioneerden een wijziging in de «reële netto-inkomsten zou optreden, welke niet of niet in dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene mate geldt voor de groep dergenen, waarop het indexcijfer der lonen betrekking heeft». Volgens de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsontwerp diende onder reële netto-inkomsten te worden verstaan de koopkracht van het vrij besteedbare deel van het totale inkomen. Bij latere wetswijzigingen is de geest van beide leden gehandhaafd en neergelegd in Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

1 Er is geen bruto-uitkeringsniveau. De verschuldigde premies voor de voksverzekeringen en eventueel de ziekenfondsverzekering alsmede de inkomstenbelasting komen voor rekening van de gemeenten. 2 Wet houdende nadere regelen van tijdelijke aard ten aanzien van de bijstand in de algemene noodzakelijke kosten van bestaan, 22 april 1971.

thans het zesde respectievelijk derde lid. Van beide wettelijke mogelijkheden is in de loop der jaren gebruik gemaakt, leidende tot afwijkingen van de in-dex der regelingslonen zowel naar boven (vooral in verband met huuraanpassingen) als naar beneden. De neerwaartse afwijkingen (1 juli 1957; 1 juni 1963 en 1 januari 1965) hielden alle verband met de beperking van de reële netto-inkomstenontwikkeling van werknemers als gevolg van een gestegen AOW-premie. In de AWW (1959), de IWI (1962), de AKW (1963), de KWL (1963) en de KKZ (1963) is hetzelfde aanpassingsmechanisme opgenomen als in de AOW. De langlopende bruto-uitkeringen krachtens de WAO (1967) en WWV (1974) volgen eveneens de regelingslonen, zij het dat dit ten aanzien van de WWV-uitkeringen niet gebaseerd is op een wettelijke regeling maar plaats vindt via ministeriële richtlijnen. De WAO kent bepalingen met betrekking tot de indexaanpassing in dezelfde geest als die genoemd bij de bespreking van artikel 9 van de AOW. Het betreft hier artikel 15 van de WAO, derde en vijfde lid. Ook hier kunnen schoksgewijze loonontwikkelingen en onevenwichtige nettoverhoudingen aanleiding zijn om in positieve of negatieve zin af te wijken van de toepassing van de regelingsloonindex. In het verleden heeft nimmer een neerwaartse correctie plaatsgevonden. De kortlopende uitkeringen krachtens de ZW en WW volgen de lonen in de desbetreffende bedrijfstak op de voet, waarmede tot uitdrukking werd gebracht dat de uitkeringsgerechtigden nog een zekere binding met hun bedrijfstaken hun beroep hebben. Tot 1965 kenden de sociale verzekeringsuitkeringen en de WWV uitsluitend een brutoaanpassingssysteem. Daarna werden de AOW-en AWW-uitkeringen in toenemende mate als basisuitkeringen beschouwd, die met aanvullende pensioenvoorzieningen tot een redelijk pensioenniveau zouden moeten leiden. Aangezien de realisering van een aanvullend pensioenstelsel veel meer tijd nam dan destijds werd voorzien, is in 1969 de politieke beslissing genomen de AOW-en AWW-uitkeringen extra te verhogen tot een sociaal minimum. De Commissie Sociale Verzekeringen van de Stichting van de Ar-beid adviseerde in oktober 1969 de uitkeringen krachtens de AOW te verhogen tot 85% van het brutominimumloon, hetgeen op nettobasis zou leiden tot gelijkheid van beide inkomens. Aldus ontstond de problematiek van de zogenaamde nettonettokoppeling. De nettonettokoppeling werd in de daarop volgende jaren niet alleen gerealiseerd door structurele verhogingen van de bruto-uitkeringen, maar mede via maatregelen in de sfeer van de belastingheffing en bejaardenziekenfondsverzekering. De traditionele brutokoppeling werd voor de minimumuitkeringen de facto verdrongen door een koppeling op nettobasis. De vaststelling van het netto-uitkeringsniveau van de per 1 januari 1965 in werking getreden Algemene Bijstandswet behoorde aanvankelijk tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten. In 1968 zijn de bijstandsuitkeringen van een tweetal rijksgroepsregelingen gelijkgesteld aan het nettominimumloon met een marge van 5%, o.m. in verband met het niet hebben van verwervingskosten. Deze rijksgroepsregelingen waren richtinggevend voor het gemeentelijke bijstandsbeleid. Per 1 juli 1970 zijn bij wet2 deze normen voor alle bijstandsuitkeringen verplicht gesteld. Sindsdien is in het parlement maar ook daarbuiten herhaaldelijk aangedrongen op afschaffing van de 5%-marge. Middels het Besluit Landelijke Normering is de normuitkering van de ABW vooreen echtpaar zonder kinderen per 1 juli 1974 gebracht op 100% van het nettominimumloon van een gehuwde werknemer zonder kinderen. De motiveringen die bij het streven naar nettogelijkheid hebben gegolden waren drieërlei. Genoemd is reeds dat hiermede een stap werd gezet in de richting van de oplossing van het vraagstuk van de aanvullende pensioenvoorziening voor werknemers. Een tweede argument was dat nettonettogelijkheid ertoe zou kunnen leiden dat er geen aanleiding meer zou zijn voor het verlenen van aanvullende bijstand aan bejaarden, waarvan het niveau destijds door vele gemeenten Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

eveneens werd gekoppeld, al of niet met enige afstand, aan het nettominimumloon. Ten slotte zou een verhoging van het AOW-pensioen gebonden en gerechtvaardigd zijn ten opzichte van (aanvullende) pensioentrekkers met vaste bedragen, daar de koopkracht hiervan door de geldontwaarding ernstig werd aangetast. Omstreeks medio 1973 was het netto-AOW-pensioen het nettominimumloon dicht genaderd. De WAO die in 1967 in werking trad, had als enige werknemersverzekering een minimumdagloon voor alle uitkeringsgerechtigden. Het brutoniveau van dit minimum was oorspronkelijk afgeleid van de uitkering krachtens de IWI, die ongeveer 80% van het gemiddelde loon van een ongeschoolde werknemer bedroeg. De WW en WWV kennen sinds 1969 een minimumdagloon voor kostwinners, waarbij ongehuwden van 35 jaar en ouder eveneens als kostwinners worden aangemerkt. Dit minimum werd in 1969 op hetzelf-de niveau gesteld als toen voor het WAO-minimumdagloon gold. De ZW kent geen wettelijke minimumuitkering doch wel een feitelijke, namelijk 80% van het brutominimumloon in de desbetreffende bedrijfstak. Per 1 juli 1974 heeft een wetswijziging plaatsgehad op grond waarvan de SVR volgens door de Minister van Sociale Zaken te stellen regels de minimumdaglonen van WAO en WW vaststelt. De laatste jaren zijn deze brutominimumdaglonen zodanig vastgesteld dat de nettobedragen van de minimumuitkeringen ingevolge de WAO, WW en WWV evenals de bijstandsnorm voor gehuwden gelijk zijn aan het nettominimumloon. De netto-AAW-uitkering -hoewel in beginsel hetzelfde bruto-indexsysteem van toepassing is als in de overige wetten -is bij wet (1976) gelijkgesteld aan het netto-AOW-pensioen. Per 1 januari 1972 is op advies van de Sociaal-Economische Raad een coördinatie van de aanpassingsmethodieken tot stand gebracht, inhouden-de dat de uitkeringen en het minimumloon tweemaal per jaar, per 1 januari en per 1 juli, worden aangepast aan de index der regelingslonen. In onderstaande tabel zijn de bruto-en nettominimumuitkeringen krachtens de verschillende uitkeringsregelingen per 1 januari 1980 weergegeven bij ongewijzigd beleid (dus exclusief voorschotkortingen 1979), in vergelijking met het minimumloon. Het blijkt dat de sociale minima in de WAO en WWV op nettobasis gelijk zijn aan het minimumloon. Voor gehuwde AOW-ers en de daaraan gekoppelde AAW-ers dient nog een afstand van f 9,50 te worden overbrugd. De AWW-uitkering kent geen nettokoppeling doch is op brutobasis gekoppeld aan het bruto-AOW-pensioen. De ABW-uitkering kent uitsluitend een nettobedrag dat gelijk is aan het nettominimumloon.

Tabel IV.1. Bruto bedragen, inhoudingen en nettobedragen van de koppelingsgrondslag en de gekoppelde uitkeringen per 1 januari 1980 bij ongewijzigd beleid (exclusief correcties in 1979) Koppe-AOW

AOW

AAW

AAW

WAO'

WW

WWV

ABW li ngs-grondslag

gehuwd onge-

gehuwd' ongehuwd

huwd'

kost-

kost-

gehuwd winner' winner' 5

Bruto per maand

1821,30142 I, -

973,-1674,75 1176,24168 8,45 1792,86 1938,02 Premie ZFW

73,76

28,40

28,40

61,33

41,11

61,77

72,58

78,43 Premie WW/ZW

34,14

17,77 Premie WAO

42,86

40,73

50,92 Premie AOW/AWW

200,70

181,84 121,80 183,57 197,38217,09 Loonbelasting

119,20

55,50

21,20

91,57

75,47

93,96 113,53 151,66 Netto per maand 1350,64 1337,10923,40 1340,01 937,86 1349,15135 0,87 1439,92 1350,60 Vakantie-uitkering per maand

145,70 113,68

77,84 133,98

94,09 135,07 143,42 Premie ZFW

5,90

5,42

3,81

5,47

5,80 Premie WW/ZW

2,73

1,43 Premie WAO

10,27

10,11 Premie AOW/AWW

15,29

16,17

11,35

16,30

15,05 Loonbelasting

22,14

20,46

22,16

15,56

22,34

21,79 Netto per maand

89,37

93,22

77,84

90,23

63,37

90,96

89,24

89,40 Totaal netto

1440,01 1430,32100 I,24143 0,24100 I,23144 0,11144 0,11143 9,92 1440.-tl: 70%

i

100%

70%

i

i

i l f

100%

100%

100%

100%

y,ou i 1 De uitkeringen worden op dagbasis berekend, doch zijn voor de vergelijkbaarheid tot maandbedragen herleid. 2 De vakantie-uitkering is begrepen in de daguitkering en wordt niet afzonderlijk vastgesteld.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Samenvattend komt uit dit korte historische overzicht naar voren dat aanvankelijk de uitkeringen en voorzieningen alle op brutobasis werden aangepast aan de index van de regelingslonen. Van de aanvang af heeft de moge-Iijkheid bestaan om hiervan op bepaalde gronden in positieve en negatieve zin af te wijken. Met uitzondering van de WAO kenden de verschillende sociale wetten geen minimumbepalingen. Eerst sinds 1969 ontstond een tweesporen beleid. De minimumuitkeringen werden op nettobasis geleidelijk opgetrokken tot het minimumloon en materieel hieraan gekoppeld. De uitkeringen boven het minimum bleven op brutobasis gerelateerd aan de regelingslonen.

§ IV. 3. Enige algemene beschouwingen inzake Bestek '81 en het SER advies van 5 oktober 1979

In Bestek '81 is aangetoond dat de in de vorige paragraaf beschreven aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen leiden tot een onevenwichtige ontwikkeling van de netto-inkomens van actieven en niet-actieven en tussen niet-actieven onderling. Deze onevenwichtige ontwikkelingen zijn globaal terug te voeren op het verschil in inhoudingen op inkomens van actieven en niet-actieven. Als correctie op deze onevenwichtige inkomensontwikkeling stelde het kabinet in Bestek '81 wijzigingen voor in de aanpassingsmechanismen ten aanzien van de niet-actieven. In afwachting van een daartoe door de SER uit te brengen advies ging het parlement in meerderheid akkoord met een tijdelijke, op een definitieve wettelijke regeling vooruitlopende beperking van de aanpassing van de sociale uitkeringen aan de loonontwikkeling. Ter nadere toelichting op de gedachten die ten grondslag liggen aan de wijzigingsvoorstellen in Bestek '81 en aan de adviesaanvrage aan de SER (d.d. 9 januari 1979) moge het volgende dienen. Het was en is niet de bedoeling van de Regering om de welvaartsvaste ontwikkeling van de uitkeringen in het algemeen en de koppeling van de laagste uitkering in het bijzonder aan het minimumloon, te verlaten. Daarmee blijft zij handelen in de geest van de wetgeving zoals die bij de invoering van de indexering in 1957 tot uiting kwam. De mogelijkheid tot correcties om de netto-inkomensontwikkeling van actieven en niet-actieven evenwichtig te doen verlopen is blijkens paragraaf IV. 2 vanaf de aanvang van de indexeringspraktijk (1957) in de wet vastgelegd. Daarvan is ook herhaaldelijk gebruik gemaakt, zowel in positieve als in negatieve zin. Ten aanzien van de sociale minimumuitkeringen trad sinds 1969 een nieuw richtinggevend beginsel naar voren: het streven naar gelijkheid op nettobasis tussen de laagste sociale uitkeringen en het laagste loon, in casu het wettelijk minimumloon. Dat verklaart mede dat na 1969 geen negatieve afwijkingen van de toepassing van de regelingsloonindex hebben plaatsgevonden. Nu sinds 1973 bedoelde gelijkheid nagenoeg geheel is gerealiseerd dringt zich de noodzaak op tot een definitieve regeling van de aanpassingssystematiek voor de minimumuitkeringen. Met name is het van belang dat het niveau en de ontwikkeling van de koppelingsbasis van de sociale mini-ma nauwkeurig in de wet worden vastgelegd. Voor de bovenminimale uitkeringen blijft het beginsel gehandhaafd dat aanpassing aan de loonontwikkeling plaatsvindt in de brutosfeer. Wel dienen wijzigingen aangebracht te worden op het zogenaamde brutonettopad ter bevordering van een evenwichtige ontwikkeling van de reële nettobesteedbare inkomens van actieven en niet-actieven. De verhouding tussen nettoloon en netto-uitkering (het netto-uitkeringspercentage) is in de loop der jaren gewijzigd, in die zin dat het verschil tussen nettoloon en netto-uitkering niet onaanzienlijk geringer is geworden, hoewel dit zeker niet werd beoogd door de wetgever en de wet de mogelijkheid bood om zulks tegen te gaan. De memorie van toelichting op de WAO sprak indertijd van het verstrekken van een «verantwoorde schadeloosstelling» voor gederfd loon. De toen-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

malige wetgever zag geen aanleiding om de aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen anders te doen plaatsvinden dan opgrond van «wijzigingen in de algemene loonindex, op de wijze als in artikel 9 van de AI-gemene Ouderdomswet is bepaald.» Van de aanvang af is dus de mogelijkheid aanwezig geweest om op grond van ontwikkelingen in de netto-inkomensverhoudingen correcties aan te brengen op de toepassing van de regelingsloonindex. Zoals reeds gesteld is dit voor de WAO nimmer in neerwaartse richting geschied. Terwijl door het groeiende aantal niet-actieven de premielast voor de actieve bevolking steeds zwaarder werd nam de relatieve inkomenspositie van niet-actieven toe ten opzichte van de werkenden. Op deze wijze werd de solidariteit tussen actieven en niet-actieven overtrokken, in het nadeel van actieven. Uit onderstaande tabel blijkt hoe het netto-uitkeringspercentage sinds 1967 is gestegen.

Netto WAO-uitkeringen uitgedrukt in een percentage van het nettoloon voor een aantal inkomensniveaus in 1967 en 1980 (bij ongewijzigd beleid, berekend op basis van inkomstenbelasting)

1 juli 1967

1 januari 1980

Iets boven minimum

85,7

90,1 Modaal dagloon

85,2

90,5 Maximum dagloon

83,3

90,2

Het netto-uitkeringspercentage is in de loop der jaren toegenomen met 5 a 7 procentpunten. In vergelijking met andere landen zijn deze netto-uitkeringspercentages zeer hoog te noemen. Op het niveau van het modale inkomen is het overeenkomstige percentage in België 75, in Denemarken 80, in Duitsland 65, in Engeland 45 en in Ierland 70. Op 5 oktober jl. heeft de Sociaal-Economische Raad advies uitgebracht over de aanhangige materie. Met voldoening constateren wij dat er geen principiële verschillen van inzicht bestaan tussen de grondgedachten van de raad en die van de Regering. Beide wensen handhaving van het bruto, welvaartsvaste aanpassingsmechanisme. Beide ook zijn van mening dat de huidige netto-ontwikkeling van de uitkeringen ten opzichte van die van de nettolonen, correcties behoeft. In dit verband zijn de volgende passages uit het SER-advies van belang: «Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het eerst in de AOW en vervolgens in de andere sociale verzekeringswetten tot stand gekomen systeem van aanpassing van de uitkeringen in wezen wordt gekenmerkt door een wederkerige solidariteit van werkenden en uitkeringsgerechtigden. Enerzijds is de brutoloonontwikkeling van de actieven bepalend voor de hoogte van de aanpassing van de bruto-uitkeringen, dat wil zeggen deze uitkeringen zijn welvaartsvast, anderzijds vindt deze brutoaanpassing zijn begrenzing in een parallelliteit van de netto-inkomensontwikkeling van de werkenden en de uitkeringsgerechtigden. Verder kan worden geconcludeerd dat het feitelijk hanteren van het brutoaanpassingsmechanisme een door politieke keuzen bepaalde toepassing is van een in zich zelf consistent systeem.» En voorts: «Op basis van het voorgaande kan worden gezegd dat een ontbreken in de wet van een bepaling welke duidelijk omschrijft wat onder nettominimumloon wordt verstaan als grondslag voor de berekening van de minimumuitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen, als een tekort in de wetgeving is te beschouwen.» Uiteenlopende opvattingen treden aan het licht over de wijze waarop en de mate waarin aan deze grondgedachten concrete inhoud en vorm zou kunnen worden gegeven. De Regering is evenwel van oordeel dat de uitgebrachte adviezen voldoende aanknopingspunten bieden om tot een evenwichtige, maatschappelijk aanvaardbare wettelijke regeling te komen inzake de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen. Bij de behandeling van de afzonderlijke voorstellen zal nader op deze adviezen worden ingegaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

§ IV. 4. Uitgangspunten bij de wijziging van de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen en voorzieningen Zowel in het parlement tijdens het debat over de regeringsverklaring voor het jaar 1979, in Bestek'81 alsook in de SER-adviesaanvrage van 9 januari 1979 heeft het kabinet een aantal duidelijke uitgangspunten genoemd. On-dergetekenden hechten eraan deze nog eens expliciet te vermelden: -handhaving van een systeem van welvaartsvaste uitkeringen door verhoging van de bruto-uitkeringen boven het minimum met de index der regelingslonen; -wettelijke regeling van de koppeling op nettobasis tussen minimumloon enerzijds en de sociale minimumuitkeringen anderzijds; de bestaande afstand van f 9,50 per maand tussen netto AOW/AWW enerzijds en nettominimumloon anderzijds dient te worden opgevuld; -handhaving van de koopkracht voor in ieder geval de laagste uitkeringen en zo mogelijk hoger (in 1979 tot aan modaal); hierbij dient ook de verhouding tot de koopkrachtontwikkeling van actieven in het oog te worden gehouden. Op basis van deze uitgangspunten en in overweging nemend de opvattingen die vertolkt zijn in het parlement en de SER stellen wij een nieuwe wettelijke regeling van de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen en voorzieningen voor. Daarbij zal tevens rekening worden gehouden met de voorschotten die per 1 januari en per 1 juli 1979 zijn genomen op deze definitieve regeling. Hoewel de aanpassingsproblematiek voor de sociale mini-ma en voor de uitkeringen boven het minimum gemeenschappelijke aspecten heeft, is terwille van de overzichtelijkheid een afzonderlijke behandeling gevolgd. In het hiernavolgende zijn de maatregelen besproken in de hoofdstukken I, II en III als gegeven beschouwd.

§ IV. 5. Aanpassing minimumuitkeringen Het gebruik van de term «sociaalminimum» lijkt te duiden op een absoluut bedrag dat minimaal benodigd is om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Uit paragraaf IV. 2 komt naar voren dat in het verleden de hoogte van het minimum bestaansniveau niet is bepaald op grond van onderzoekingen naar minimale behoeften. Veeleer heeft men gekozen vooreen praktische oplossing: een relatief minimum. Zo werd in 1964 in overleg tussen het toenmalige kabinet en de Stichting van de Ar-beid het brutominimumloon gesteld op f 100 per week. Aannemelijk is dat bij de vaststelling van dit niveau de destijds geldende loonminima in ca.o.'s een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij de totstandkoming van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag op 7 november 1968 werden als wettelijk minimumloon vastgesteld de bedragen welke op grond van een beschikking van het College van Rijksbemiddelaars per 1 juli 1968 als mini-mumloon golden. Dit brutominimumloon werd tot medio 1970 verhoogd of verlaagd op basis van een gemengde loonprijsindex. Vanaf medio 1970 vindt tweemaal per jaar verhoging öf verlaging plaats op basis van de regelingsloonindex. Daarnaast hebben van tijd tot tijd structurele verhogingen van het brutominimumloon plaatsgevonden op grond van verschillen tussen verdiende lonen en regelingslonen en van als gevolg van vloeren in de prijscompensatie en initiële loonsverhogingen in de vorm van vaste bedragen ontstane achterstanden. Via toepassing van de normale belasting-en premieregimes voor werknemers resulteerde het nettominimumloon.

In paragraaf IV. 2 is beschreven hoe geleidelijk aan een beleid ontstond gericht op het bereiken van gelijkheid op nettobasis tussen de minimumbedragen van de uitkeringen van de sociale verzekeringen en voorzieningen enerzijds en het minimumloon anderzijds. Er was dus een streven naar een relatief minimum voor de sociale uitkeringen en voorzieningen, namelijk in Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

relatie tot het laagste besteedbare inkomen van volwassen werknemers met een volledige werkkring. Wij zijn van oordeel dat het in het verleden ontwikkelde en gevoerde beleid ten aanzien van de vaststelling van een relatief minimum voor de sociale uitkeringen en voorzieningen overeenkomstig de hiervoorgenoemde, door het parlement en de SER aanvaarde uitgangspunten, ten principale dient te worden voortgezet. Het nettominimumloon blijft dus fungeren als koppelingsbasis voor de sociale minimumuitkeringen. Het gaat daarbij om een eenduidig vrij besteedbaar nettobedrag. In de praktijk is deze eenduidigheid echter niet aanwezig omdat niet alle minimumloners aan dezelfde premie-inhoudingen zijn onderworpen. Bovendien dient in verband met het onderscheid in het fiscale regime met betrekking tot aftrekbare kosten voor inkomsten uit tegenwoordige arbeid en voor die uit vroegere arbeid, laatstbedoeld regime te worden gehanteerd bij de bepaling van het vrij besteedbaar nettobedrag. Onderstaand is gestreefd naar een zodanige berekeningswijze van het nettominimumloon dat een eenduidig vrij besteedbaar nettobedrag resulteert als koppelingsbasis voor de sociale uitkeringen op het laagste niveau. Uitgaande van het wettelijk brutominimumloon is tot op heden ter berekening van de koppelingsbasis voor de sociale minima gerekend met een gewogen gemiddelde premie krachtens de Ziektewet (ZW) en Wachtgeldverzekering (Wg) van 1,65. Deze premies verschillen namelijk per bedrijfstak of onderdelen daarvan, zodat het kan voorkomen dat, zoals in Bestek '81 alsook in de adviesaanvrage aan de SER is betoogd, belangrijke groepen mini-mumloners feitelijk een zwaardere premielast te dragen hebben dan waarmee bij de berekeningsbasis voor de sociale minimumuitkeringen rekening wordt gehouden. Op grond hiervan heeft het kabinet in Bestek '81 voorgesteld voortaan van een hogere rekenpremie ZW/Wg uit te gaan. Gekozen werd voor een percentage van 2,5%, globaal overeenkomende met het gemiddelde van de hoogste premiepercentages zoals die betaald worden door een groep van 25000 volwassen minimumloners met een volledige werkkring. Het kabinet onderschrijft nog steeds de gedachten die aan dit voorstel ten grondslag lagen; immers gezien het algemeen geldende karakter van een basisinkomen is het niet wenselijk dat de laagste sociale uitkeringen op nettobasis uitgaan boven het nettominimumloon van werknemers. Wij constateren dat dit uitgangspunt in de SER niet is bestreden. In het SER-advies zijn echter enige nieuwe feiten en overwegingen naar voren gebracht, waarvan de belangrijkste hier kort worden gememoreerd. Allereerst is in het SER-advies gewezen op het bezwaar dat op grond van de CBS-minimumloonenquete, die immers een momentopname is, «niet het juiste aantal personen kan worden bepaald dat regelmatig dan wel gedurende een redelijk lange tijd werkzaam is tegen het minimumloon». Voorts is gebleken dat in de bedrijfstakken waaruit de door het kabinet bedoelde 25000 minimumloners voortkwamen, een hogere vakantie-uitkering wordt betaald dan de 7% waarmede in de calculatie van de koppelingsbasis wordt gerekend. Deze en nog enige andere bezwaren tegen de in Bestek ' 81 becijferde forfaitaire heffing van 2,5% als Zw/Wg-premie hebben de Regering ertoe bewogen haar aanvankelijke voorstel te wijzigen, in de zin zoals voorgesteld door een kleine meerderheid van de SER. Bedoeld deel van de raad stelt zich op het standpunt dat, evenals tot nu toe gebruikelijk, een rekenpremie ZW/Wg gehanteerd dient te worden, overeenkomende met het gewogen gemiddelde van alle werknemerspremies. Als gewichten hierbij zouden niet, zoals thans het geval is, de premieplichtige loonsommen van de onderscheiden bedrijfsverenigingen c.q. risicogroepen dienen te fungeren, doch dezelfde loonsommen die als gewichten dienen bij de bepaling van de regelingsloonindex. Immers zowel bij de vaststelling van de regelingsloonindex als bij die van de koppelingsbasis gaat het om aanpassingen aan de algemene welvaartsontwikkeling zodat het consistent lijkt in beide gevallen gebruik te maken van dezelfde gewichten. Er is echter niet steeds sprake van een rechtstreeks aan te geven verband tussen de voor de bedrijfstakken of delen daar-van geldende premies en de ca.o.'s die de basis vormen van de regelings-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

loonindex. Daarom zal deze premie via een zo nauwkeurig mogelijke weging worden berekend; op basis van gegevens over 1979 zou bedoelde waarde van de ZW/Wg-premie 1,8% bedragen. Bij de artikelsgewijze toelichting is nader aangegeven hoe dit percentage wordt bepaald. In onderstaande tabel is aangegeven welke effecten deze maatregel heeft op de berekening van het nettominimumloon als koppelingsbasis. Hierbij is verondersteld dat de maatregel in 1980 volledig in werking zou zijn getreden.

Tabel IV.2. Koppelingsgrondslag per 1 januari 1980 bij een premie voor de ZW/Wachtgeldverzekering van 1,8% Ongewijzigd beleid

Gewijzigd beleid

Verschil

Bruto minimumloon, incl. vakantietoeslag Premie ZFW Premie WW/ZW Premie WAO Premie AOW/AWW Loonbelasting Koppelingsgrondslag

1967

1967 79,66

79,66 36,87

39,83 53,13

53,13215,99

215,99 141,34

141,34144 0,01

1437,05

+ 2,96

2,96

Mochten in de toekomst nieuwe werknemersbijdragen worden ingevoerd, dan spreekt het vanzelf dat ook deze in de koppelingsgrondslag worden betrokken. Een tweede correctie betreft de toepassing van het fiscale regime. In de huidige koppelingsmethodiek wordt de koppelingsbasis bepaald onder toepassing van het fiscale regime voor een werknemer die een dienstbetrekking vervult. Het inkomen van zo'n werknemer is in fiscaal opzicht inkomen uit tegenwoordige arbeid (4%-regeling en f 200). De inkomsten via de verschillen-de sociale verzekeringswetten vormen meestal inkomsten uit vroegere arbeid (f 150) zoals in onderstaand overzicht is aangegeven.

Fiscale behandeling van het minimumloon en de sociale uitkering in 1979

Loonbelastingtabel '

4% regeling en f 200

f 1 50

Bijzondere aftrek

Minimumloon

wit AOW

grijs AAW/WAO

groen WW/ZW

wit WWV

groen ABW < 65 jaar

groen ABW > 65 jaar

grijs WUV/WBP < 65 jr.

groen WUV/WBP > 65 jr.

grijs

X

1886/2691 X

1815

X X X

1886/2691 X

1815 X

1886/2691

' In de witte loonbelasting" en premietabellen zijn de volgende factoren verwerkt:-premies ingevolge de sociale verzekeringswetten (Ziekenfondswet, Ziektewet, Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, AOW en AWW);-de wettelijke 4%-regeling;-de reiskostenaftrek van f 200 voor de eerste 10 kilometer. In de grijze loonbelastingtabellen zijn de volgende factoren verwerkt:

  • de wettelijke aftrek van f 1 50 per jaar ter zake van kosten en persoonlijke verplichtingen;-de bejaardenaftrek. In de groene loonbelasting-en premietabellen zijn de volgende factoren verwerkt:-premies ingevolge de AOW en AWW;-de wettelijke aftrek van f 1 50 per jaar ter zake van kosten en persoonlijke verplichtingen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Het blijkt dat van de sociale uitkeringen alleen de WW-en ZW-uitkeringen fiscaal als inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden aangemerkt, omdat in deze gevallen de band met de vervulde dienstbetrekking duidelijk aanwezig is. Bij de berekening van de verschuldigde premie AOW/AWW en de loonbelasting is voor deze uitkeringen, evenals voor het minimumloon, de zogenaamde witte tabel van toepassing. De sociale begrippen «actief» en «nietactief» lopen dus niet parallel met de fiscale begrippen «tegenwoordige» en «vroegere arbeid». Bij de uitkeringen boven het minimum wordt formeel en materieel het adequate fiscale regime toegepast omdat hier geen nettokoppelingsmechanisme werkt. Alle minimumuitkeringen worden echter via de koppeling aan het minimumloon in de huidige koppelingsmethodiek materieel behandeld als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. De fiscus gaat ervan uit dat een genieter van inkomsten uit tegenwoordige arbeid kosten maakt om zijn inkomen te verwerven. Op inkomsten uit tegenwoordige arbeid (in casu het minimumloon en de WW-en ZW-uitkering) wordt ter bepaling van het premieplichtig inkomen voor de volksverzekeringen alsmede de belastbare som ten minste 4% verwervingskosten met een maximum van f800 per jaar in mindering gebracht, benevens een reiskostenforfait van f200. Deze forfaitaire bedragen gelden ongeacht de werkelijke kosten. Zijn de werkelijke kosten echter hoger, dan geldt dit hogere bedrag. Voor inkomsten uit vroegere arbeid (in casu de sociale uitkeringen exclusief die krachtens WW en ZW) geldt daarentegen een vaste aftrek van f 150 per jaar als forfaitaire tegemoetkoming voor aftrekbare kosten. In de koppelingsgrondslag voor de minimumuitkeringen, met uitzondering van die krachtens de WW en ZW, dient de vaste aftrek van f 150 te worden verwerkt. Immers de koppelingsgrondslag heeft betrekking op uitkeringsgerechtigden die inkomsten uit vroegere arbeid hebben. Geheel redelijk en consistent hiermede is dat in de koppelingsgrondslag voor de WW-en ZW-uitkeringen het regime voor het feitelijk minimumloon van toepassing is. Ter voorkoming van misverstand zij erop gewezen dat het materiële effect niet gelijk is aan de nominale waarde van de aftrek maar aan het fiscale effect daarvan. Overigens zij opgemerkt dat ook bij de berekening van de bruto-uitkeringen vanuit de koppelingsgrondslag (zie paragraaf IV.9) het fiscale regime op de hier voorgestelde wijze wordt toegepast. Louter door de huidige techniek van de koppeling vindt er een materiële regimeverschuiving plaats die feitelijk leidt tot een fiscale behandeling als inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Het advies van de SER inzake bovenstaand voorstel is verdeeld zij het dat een kleine meerderheid zich er achter kan scharen. De Regering spreekt hierover haar voldoening uit. Een minderheid van de raad is van oordeel dat ook niet-actieven verwervingskosten hebben en dat, anderzijds, actieven feiteIijk minder verwervingskosten kunnen hebben dan zij fiscaal in mindering kunnen brengen. Om deze reden ziet deze minderheid geen reden om de koppeling in verband met het fiscale regime te wijzigen. Tegenover deze redenering, hoe begrijpelijk ook, zij nogmaals gewezen op de materiële regimeverschuiving door de huidige techniek van de nettonettokoppeling. Voorts zij herinnerd aan het hiervoor gestelde, dat de fiscus uitgaat van de fictie dat een genieter van inkomsten uit tegenwoordige arbeid verwervingskosten maakt, ongeacht of deze kosten werkelijk op de persoon drukken. Een andere minderheid van de raad kon zich evenmin verenigen met het voorstel in de adviesaanvrage omdat dit zou leiden tot koppeling op afstand. Dit nu wenst de Regering met klem te bestrijden. Gegeven de koppelingsgrondslag worden de sociale minimumuitkeringen op nettobasis hieraan volledig gelijkgesteld. Het definiëren van de koppelingsgrondslag geeft blijkbaar aanleiding tot verschillende opvattingen, immers, zoals hiervoor reeds betoogd, er is geen eenduidig minimum. Het verschil in opvatting over wat nu de juiste koppelingsgrondslag is, laat onverlet dat er volledige koppeling plaatsvindt. In de hiervoor ontwikkelde koppelingsmethodiek zal conform de gedane toezeggingen de bestaande nettoafstand van f9,50 per maand tussen AOW-en AWW-uitkering enerzijds en minimumloon anderzijds worden over-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

brugd. Bij de bespreking van de fasering van de correcties in paragraaf IV, 8 komen wij hierop terug. In onderstaande tabel zijn de effecten van de gewijzigde koppelingsmethodiek aangegeven voor het geval de maatregelen in 1980 volledig in werking zouden zijn getreden.

Tabel IV.3. Koppelingsgrondslag per maand, per 1 januari 1980 bij berekening van het premieplichtig inkomen AOW/AWW en het belastbaar inkomen op basis van de bepalingen ter zake van inkomsten uit vroegere arbeid

Ongewijzigd

Gewijzigd

Verschil beleid

beleid

Bruto minimumloon,

1967

1967

_ incl. vakantietoeslag Premie ZFW

79,66

79,66

  • Premie WW/ZW

36,87

36,87

  • Premie WAO

53,13

53,13

-Premie AOW/AWW

215,99

225,07

+ 9,08 Loonbelasting

141,34

1 57,63

+ 16,29 Koppelingsgrondslag

1440,01

1414,64

-25,37

In het voorgaande zijn afzonderlijk de verschillende voorstellen toegelicht. Aangezien het aanhangige wetsontwerp als een samenhangend geheel moet worden gezien, is hieronder een samenhangend beeld gegeven van de totale effecten. De berekeningen zijn gemaakt onder de veronderstelling dat de maatregelen volledig per 1 januari 1980 zouden zijn doorgevoerd.

Tabel IV.4. Berekening koppelingsgrondslag sociale minimumuitkeringen incl. vakantiebijslag, per maand en bij volledigde doorvoering van de voorgestelde maatregelen per 1 januari 1980

Ongewijzigd

Regerings-

Verschil beleid'

voorstel

Bruto minimumloon,

1967

1967

  • incl. vakantietoeslag Premie ZFW Premie WW/ZW Premie WAO Premie AOW/AWW Loonbelasting Koppelingsgrondslag ' Exclusief correcties op het bruto niveau. 2 Door de combinatie van de maatregelen is het verschil iets geringer dan bij afzonderlijke beschouwing ervan.

Voor de verschillende categorieën uitkeringen resulteren hieruit verschillende correcties. In onderstaande tabel zijn deze aangegeven waarbij tevensde per 1 januari en 1 juli 1979 genomen voorschotten zijn vermeld.

79,06

79,06

-36,87

39,83

+ 2,96 53,13

53,13

-215,99

225,05

+ 9,06 141,34

1 57,60

+ 16,26144 0,01

1411,73

-28,28

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Tabel IV.5. Nettominimumuitkeringsbedragen incl. vakantiebijslag, per maand en bij volledige invoering regeringsvoorstellen per 1 januari 1980

Ongewij-

Regerings-

Verschil

Voorschot '

79 zigd beleid voorstel

-13.00

-1,3

-3.80

-0,4 -18.50

-1.3

-5,90

-0,4 -13.00

-1.3

-4.40

-0,4 -28.40

-2,0

-5.00

-0,3 -3,00

-0,2

-5.20

-0,4 -28.20

-2.0

-5,0

-0.3 -28.30

-2.0

-5,0

-0,3

abs.

%

abs.

% (1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

AOW gehuwd

1430,30

1411,70

-18.60

-1,3

-6.60

-0,5 AOW ongehuwd

1001,20

988,20 AAW gehuwd

1430,20

1411,70 AAW ongehuwd

1001,20

988,20 WAO1

1440,10

1411,70 WW

1440,10

1437,10 WWV

1439,90

1411,70 ABW voor een

1440

1411,70 echtpaar

1 Voor de minimumuitkeringen krachtens WUV en WBP geldt globaal hetzelfde. Uit bovenstaande tabel blijkt dat, rekening houdend met de reeds in 1979 genomen voorschotten, voor de sociale minima, uitgezonderd die ingevolge de WW, op nettobasis nog correcties resteren variërend van ca. f8 tot ca. f22 per maand. Het lagere correctiepercentage voor de AOW en AAW-uitkeringen wordt verklaard doordat rekening is gehouden met de thans bestaan-de afstand ad f9,50 op nettobasis tussen bedoelde uitkeringen en het mini-mumloon. Op deze wijze wordt een reeds in Bestek '81 gedane belofte ingelost.

§ IV. 6 De aanpassing van de uitkeringen boven het minimum De in deze paragraaf te behandelen problematiek heeft uitsluitend betrekking op uitkeringsregelingen die naast minimumuitkeringen ook hogere uitkeringen kennen. Het betreft hier dus de WAO, WW, WWV, ZW, WUV, WBP en de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers. De bruto-uitkeringen krachtens WAO, WW en ZW worden bepaald op 80 % van het dagloon, met een maximum; het bruto-uitkeringspercentage van de WWV bedraagt 75 %, eveneens met een maximum. De WUV en de Wetten buitengewoon pensioen kennen verschillende uitkeringspercentages. Het maximumuitkeringspercentage is voor een beneden-65-jarige voor de WUV 85 en bij volledige invaliditeit voor de Wetten buitengewoon pensioen 100. In de praktijk wordt het ziekengeld doorgaans op nettobasis aangevuld tot 100% van het loon, meestal als gevolg van een bepaling in de ca.o. of een uitkeringsbesluit van de bedrijfsverenigingen. In het laatste geval wordt extra ZW-premie betaald. Tweemaal per jaar, per 1 januari en per 1 juli, worden de bruto-uitkeringen krachtens WAO, WWV, WUV, WBP en RO aangepast aan de index van de regelingslonen. De werkloosheidsuitkering en het ziekengeld volgen de loonontwikkeling in de desbetreffende bedrijfstak. Zoals in paragraaf IV.3 gesteld zal het brutoaanpassingsmechanisme van de uitkeringen boven het mini-mum ten principale niet worden aangetast. Echter gelijke bruto-uitkeringen en lonen leiden tot verschillende nettoresultaten. Dit wordt veroorzaakt door het verschil in premie-inhoudingen tussen lonen en uitkeringen en tussen uitkeringen onderling. Onderstaande tabel licht dit toe:

WW

WWV

WAO

ZW

WUV/WBP/RO

Ingehouden

Minimum premies

loon

ZFW

X WAO

X WW

X ZW

X AOW/AWW

X

' Berekend over bruto minus arbeidsongeschiktheidsaftrek.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

De in de tabel aangegeven verschillen in aftrekposten zijn er de oorzaak van dat uitkeringen op nettobasis sneller zijn gestegen dan vergelijkbare in-komens van actieven. Eveneens is er een onevenwichtige inkomensontwikkeling tussen de verschillende soorten van uitkeringen onderling. In de adviesaanvrage aan de SER heeft het kabinet twee mogelijke correctiemethoden aangegeven tot oplossing van de onderhavige problematiek. Beide methoden leiden tot een (tijdelijke) beperking van de nettogroei van de uitkeringen. Het eerste alternatief, dat ook in Bestek '81 is gepresenteerd, hield in een gefaseerd op de uitkeringen laten drukken van de stijging van de niet verschuldigde premies sinds 1967. Op deze wijze zou in de toekomst het sinds 1967 gestegen netto-uitkeringspercentage weer op het aanvankelijke niveau worden gebracht. Tijdens de behandeling van Bestek '81 in het parlement bleek weliswaar geen afwijzing van deze gedachte maar kwam van de zijde van de regeringspartijen een alternatief naar voren waarbij het kabinetsvoorstel in een ruimer perspectief werd geplaatst. Dit tweede alternatief behelsde een geleidelijke volledige premieheffing over de uitkeringen boven het minimum. Hiermede werd beoogd een grotere solidariteit tussen actieven en niet-actieven te bewerkstelligen. Immers het toenemende aantal niet-actieven legt een steeds zwaardere premielast op de actieven, zodat de netto-inkomensverhoudingen tussen actieven en vergelijkbare niet-actieven steeds ongunstiger worden voor actieven. Met name het solidariteitsargument heeft de Regering aangesproken omdat zij dit als een van de hoofdthema's bij de verdediging van de ombuigingen heeft aangevoerd. Beide alternatieven zijn aan de SER voorgelegd.

Het SER-advies is verdeeld. Hoewel vrijwel alle stromingen zich achter de formele premieheffing van alternatief II stellen, worden er ten aanzien van de realisatie verschillende standpunten ingenomen. De kleinst mogelijke meerderheid van de raad is van oordeel, dat ten einde de nettoverhoudingen ten opzichte van inkomens van actieven te corrigeren tot premieheffing over de uitkeringen boven het minimum dient te worden overgegaan, echter slechts ter hoogte van de toekomstige stijging in de relevante werknemerspremies, die voor actieven gelden. Er kan niet gesproken worden van systeemfouten, omdat het verschil in premie-inhoudingen door de wetgever in-dertijd is gemotiveerd en deze motieven nog steeds geldig zijn. Echter gezien de huidige omstandigheden dient dit effect in de toekomst vermeden te worden. Een grote minderheid is van oordeel, dat tot volledige premieheffing over de uitkeringen dient teworden overgegaan en dat dit dient te geschieden, zoals door de Regering in alternatief II is aangegeven. Een andere minderheid is van mening, dat er reden is de sedert 1967 opgetreden premiestijging voor actieven ook geleidelijk te laten drukken op de uitkeringsgerechtigden. Dit dient volgens dit deel van de raad te geschieden op de manier van alternatief II, waardoor de relatie tussen de bruto-uitkering en het voorheen verdiende brutoloon duidelijk zichtbaar blijft. Alvorens tot een definitieve standpuntbepaling te komen hebben wij er behoefte aan de verschillende zienswijzen in het SER-advies nader te becommentariëren. Zuiver formeeljuridisch beschouwd kan inderdaad niet gesproken worden van systeemfouten wanneer als gevolg van een wettelijk vastgelegd premieregime onevenwichtigheden optreden in de netto-inkomensontwikkelingen. De grondgedachte van de toenmalige wetgever om op verschillende soorten uitkeringen verschillende premies te heffen is geweest dat indien het verzekerde risico is ingetreden geen verzekeringsplicht meer kan bestaan en dus ook geen premieplicht. Ook in het SER-advies wordt hierop gewezen. Allereerst dient te worden opgemerkt dat deze grondgedachte niet consequent is gevolgd. Immers over de AAW-uitkering is AAW-premie verschuldigd, terwijl daarentegen een weduwe zonder neveninkomsten geen premie verschuldigd is voor AOW en daardoor ook niet voor de AKW en AWBZ, ook als het door deze verzekeringen gedekte risico voor haar nog niet is ingetreden. Hetzelfde kan worden gezegd van de niet verschuldigde premies WAO, ZFW en WW over het ziekengeld. Deze formeeljuridische benaderingswijze doet echter geen recht aan de geest van de wet.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

In paragraaf IV.3 hiervoor is een passage uit het SER-advies aangehaald waaruit blijkt dat de raad van oordeel is dat de in de wet neergelegde aanpassingsmethodiek van de sociale uitkeringen gekenmerkt wordt door «wederkerige solidariteit van werkenden en uitkeringsgerechtigden». Deze solidariteit komt tot uiting door de bruto-uitkering welvaartsvast te doen zijn doch kent zijn begrenzing «in een parallelliteit van de netto-inkomensontwikkeling van de werkenden en de uitkeringsgerechtigden». De passage heeft overduidelijk betrekking op de mogelijkheid van toepassing van artikel 9 van de AOW, artikel 15 van de WAO, artikel 18 van deWUVen artikel 31a resp. 28a van de WBP. Voorts is van belang dat bij de totstandkoming van de WAO gedacht werd dat de WAO-premie geen hoge vlucht zou nemen; de evenwichtspremie werd bij de totstandkoming van de WAO rond 4,7 % geschat en de aanvangspremie op 3,1 %. Het werknemersaandeel in de aanvangspremie bedroeg 0,75 % en werd verwacht in de evenwichtssituatie globaal 1,5 % te bedragen. De WAO-premie, die niet door een WAO-er verschuldigd is maar wel door een loontrekker, zou dus volgens de toenmalige verwachtingen nauwelijks verstorend kunnen werken op de nettoverhoudingen. Nadien is gebleken dat de realiteit niet aan deze verwachtingen heeft beantwoord: het premieniveau in 1976 naderde reeds de 10%, waarbij het werknemersaandeel 3,5 % bedroeg. De overige, niet door de WAO-er verschuldigde, premies waren ofwel gefixeerd (ZW), dan wel dermate laag (WW) dat hiervan nauwelijks enig reëel inkomenseffect te verwachten viel.

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat het niet in de geest van de wet is geweest dat de netto-uitkeringen sneller zijn gestegen dan de overeenkomstige nettolonen. Van de aanvang af is een correctiemiddel aanwezig geweest om deze ontwikkeling bij te sturen. Ten aanzien van de minimumuitkeringen krachtens AOW en AWW is hiervan vóór 1965 ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Met name nu de economische omstandigheden drastisch zijn verslechterd, mede waardoor het aantal uitkeringsgerechtigden is toegenomen, is de noodzaak tot een verbreding van de solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden des te groter. Overigens zij bedacht dat de onderhavige problematiek voor een belangrijk deel is terug te voeren op het gekozen financieringssysteem voor de sociale verzekering. Zou namelijk indertijd gekozen zijn voor belastingfinanciering in plaats van premiefinanciering, dan zou geen verstoring zijn opgetreden van de nettoverhoudingen, althans niet in ' dezelfde mate. De niet-actieven zouden naar draagkracht hebben moeten bijdragen aan de toenemende lastenverzwaring van de sociale verzekering. De verbreding van de solidariteit zou in dat geval automatisch zijn beslag gekregen hebben. Gehoord de opvattingen van het parlement en van de SER en in overweging nemende de hierboven gegeven nadere beschouwingen over het zogenaamde brutonettotraject, is de Regering alsnog tot de slotsom gekomen dat gekozen dient te worden voor volledige premieheffing over alle uitkeringen boven het minimum. Voor de nieuw optredende gevallen zou deze volledige premieheffing onmiddellijk kunnen ingaan. Voor de reeds in uitkering zijnde gevallen stellen wij een overgangsfase voor gedurende welke een aflopende compensatie op brutobasis wordt verstrekt. Dit laatste in verband met koopkrachteffecten waarop in paragraaf IV.8, inzake de fasering, meer uitvoerig is ingegaan. Zoals gesteld, ligt het in de bedoeling om volledige materiële premieheffing te doen plaatsvinden op de uitkeringen boven het minimum in de WAO, de WW, de WWV, de WUV, de WBP, en de RO. Op de uitkeringen krachtens de ZW wordt hierna nog ingegaan. Het moet niet wenselijk worden geacht de heffing van de nieuwe premies op dezelfde formele wijze te doen plaatsvinden als de reeds geheven premies. Gedacht wordt aan het heffen van een vereveningsbijdrage, waarvan het materiële effect gelijk is aan formele heffing van de tot op heden niet verschuldigde premies. Hierdoor wordt voorkomen dat de situatie zich voordoet dat formele premieplicht wordt ingevoerd voor uitkeringsgerechtigden voor wie het verzekerde risico reeds is in-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

getreden, dan wel niet kan intreden. Een WAO-er zou dan de ZW-premie moeten betalen terwijl hij geen uitkering krachtens de ZW kan ontvangen. Bovendien wordt door het heffen van een vereveningsbijdrage op uitkeringen boven het minimum expliciet tot uitdrukking gebracht, dat door het heffen van deze bijdrage de netto-uitkeringen niet sneller mogen stijgen dan de overeenkomstige nettolonen. Bij de artikelsgewijze toelichting op artikel XVII is nader op deze materie ingegaan. Uit hoofde van een consistente behandeling van alle uitkeringen boven het minimum zou heffing van de vereveningsbijdrage over het ziekengeld eveneens wenselijk zijn. Aan het begin van deze paragraaf is uiteengezet dat de netto-inkomenspositie van de uitkeringsgerechtigden krachtens de ZW hierdoor niet verandert. Daarnaast zijn er uitleveringstechnische problemen die invoering van deze maatregel althans op korte termijn in de weg staan. Ten slotte ligt het in het voornemen van de Regering de SER advies te vragen over invoering van formele premieplicht ingevolge de WAO, ZFW en WW. Immers de zieke loopt nog het risico dat door deze verzekeringen wordt gedekt. In deze adviesaanvrage zal mogelijk ook de netto-inkomenspositie van degenen met een ziektewetuitkering aan de orde worden gesteld. Al deze overwegingen hebben de Regering ertoe geleid om voorlopig de ZW buiten de werkingssfeer van de hier voorgestelde maatregelen te laten. Een vraag is nog welke ZW/Wg-premie begrepen dient te zijn in de in te houden vereveningsbijdrage. Na de uitvoerige uiteenzettingen over de ZW/Wg-rekenpremie ter bepaling van de koppelingsgrondslag behoeft het nauwelijks betoog dat ook bij de bovenminima uitgegaan dient te worden van een gemiddelde premie, op dezelfde wijze bepaald als ten behoeve van de berekening van de koppelingsgrondslag voor de minimumuitkeringen. Op deze wijze wordt niet alleen een consistent heffingssysteem opgebouwd, maar wordt bovendien bevorderd dat een evenwichtige inkomensontwikkeling tot stand komttussen minimumuitkeringen en die welke daar boven uitgaan. Het spreekt vanzelf dat de vereveningsbijdrage verschilt per soort van uitkering, afhankelijk van de reeds geheven premies. Gelijk gesteld is ten aanzien van de minimumuitkeringen, geldt ook hier dat eventuele nieuwe werknemerspremies in de vereveningsbijdrage dienen te worden betrokken. In de artikelsgewijze toelichting is uiteengezet hoe de vereveningsbijdrage kan worden uitgevoerd, terwijl in paragraaf IV. 9 inzake de financieringsproblematiek op de bestemming van de vereveningsbijdrage is ingegaan. Onderstaande tabel laat se effecten zien bij volledige premieheffing op de uitkeringen boven het minimum bij verschillende inkomensniveaus indien de eindsituatie in 1980 zou worden gerealiseerd.

Tabel IV.6. Netto WAO-en WWV-uitkeringen (in gld.l per maand bij heffing vereveningsbijdrage; situatie per 1 januari 1980'

Vergelijkbaar netto loon

(1)

Ongewijzigd beleid

(2)

Regeringsvoorstel

(3)

Verschil

Voorschot 1979

abs. (4)

%

(5)

abs.

% (6)

(7)

WAO iets boven minimum

1636

1478

1415

-63

-4,3

-5

-0,3 modaal

1861

1675

1598

-77

-4,6

-9

-0,5 1 '/z x modaal

2758

2318

2185

-133

-5,7

-25

-1.1 maximum

3240

2934

2775

-159

-5,4

-30

-1,0

WWV iets boven minimum

1804

1473

1446

-27

-1.8

-6

-0,4 modaal

1861

1518

1492

-26

-1,7

-5

-0,3 1V4 x modaal

2758

2087

2050

-37

-1.8

-9

-0.4 maximum

3240

2593

2553

-40

-1.5

-9

-0.3

' Op basis van loonbelasting; afgerond op hele guldens.

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Ter berekening van de in tabel IV.6 vermelde uitkomsten voor de netto-uitkeringen bij ongewijzigd beleid zijn de bruto-uitkeringspercentages op 80% gehandhaafd. Bij de WAO-uitkering is een met de uitkeringshoogte toenemend netto-effect te constateren, als gevolg van de werking van defranchise in de WAO. Door deze franchise stijgt de premiedruk voor actieven naarmate het inkomen toeneemt. Gezien de doelstelling om een evenwichtige netto-inkomensontwikkeling tussen actieven en niet-actieven te bewerkstelligen, ligt het voor de hand dat deze differentiatie ook doorwerkt in de uitkeringen.

§ IV 7 De bejaardenaftrek en de arbeidsongeschiktheidsaftrek De bejaardenaftreken de arbeidsongeschiktheidsaftrek zijn in 1955 ingevoerd onder omstandigheden die zeer aanzienlijk afweken van de huidige situatie. De Algemene Ouderdomswet trad eerst in 1957 in werking, zodat het overgrote deel der bejaarden voor die datum aangewezen was op de Noodwet Ouderdomsvoorziening die dateerde van 1947. Bedoelde Noodwet verstrekte een uitkering aan bejaarden met een inkomen beneden een zeker niveau, waarbij een meanstest werd uitgevoerd. Bejaarden met een inkomen dat boven dat niveau lag vielen dus buiten de werkingssfeer van de Noodwet. Onder deze omstandigheden moet de invoering van de bejaardenaftrek in 1955 worden gezien. Ten opzichte van de situatie in 1955 zijn naar de mening van de Regering drie fundamentele veranderingen opgetreden: 1. Zoals reeds gesteld, trad in 1957 de Algemene Ouderdomswet in werking met een welvaartsvast bruto aanpassingsmechanisme. Sinds 1957 is het reële inkomen van bejaarden zonder neveninkomsten als volgt toegenomen: 1957

1964

1974

1978

100

160

337

391

Het reëel vrij besteedbaar inkomen van bejaarden is dus in twintig jaar nagenoeg verviervoudigd. Het bejaardenpensioen is thans gelijk aan de laagste beloning voor iemand die actief aan het arbeidsproces deelneemt. 2. Na 1955 is bovendien een aantal voorzieningen getroffen ter beperking van de kosten van levensonderhoud en persoonlijke verzorging. Genoemd zij de gezinshulp waarvan bejaarden in bepaalde gevallen vrijwel kosteloos gebruik kunnen maken; voorts de tariefreducties voor openbaar vervoer en culturele diensten (de zogenaamde 65+ kaart). Voorts dient niet uit het oog verloren te worden dat hoge uitgaven voor bij voorbeeld huishuur boven zekere normwaarden door de individuele huursubsidie worden vergoed. 3. Sinds 1973 vindt er materieel koppeling plaats op nettobasis tussen de minimumuitkeringen van de sociale zekerheid (waaronder dus het AOW-pensioen) en het minimumloon. In de aanhangige wetgeving wordt voorgesteld bedoelde koppeling te formaliseren. Deze koppeling maakt dat de bejaardenaftrek voor bejaarden zonder neveninkomsten materieel geen betekenis heeft: het AOW-pensioen blijft gelijk aan het nettominimumloon, ongeacht de hoogte van de ouderdomsaftrek. Een bejaarde die naast AOW-pensioen additionele inkomsten heeft, bij voorbeeld via een bedrijfspensioenregeling of via het ABP, profiteert van deze aftrek indien en voor zover het marginale tarief hoger is dan dat voor het enkele AOW-pensioen.

Zoals reeds opgemerkt, is dat arbeidsongeschikheidsaftrek tegelijk met de bejaardenaftrek in 1955 ingevoerd. Op dat tijdstip waren er een vijftal onge-vallen-en invaliditeitswetten in werking, die in 1962 werden gevolgd door de Interim Wet Invaliditeitsrentetrekkers. De WAO kwam in 1967 in de plaats van al deze wetten, in 1975 gevolgd door de AAW. Aanvankelijk werd de arbeidsongeschiktheidsaftrek niet zonder meer toegekend bij een inkomen Tweede Kamerzitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

krachtens een van de toen functionerende invaliditeitswetten. Thans wordt de arbeidsongeschiktheidsaftrek steeds verleend indien een WAO-of AAW -uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 45 % of meer wordt genoten. Ook ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsaftrek is de Regering van mening dat de omstandigheden waaronder deze aftrek tot stand kwamtotaal zijn gewijzigd, zoals uit de volgende ontwikkeling moge blijken: 1. Met name sinds de invoering van de WAO in 1967 zijn de uitkeringen op brutobasis welvaartsvast gemaakt. Degenen die reeds vóór 1967 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ontvingen (de zogenaamde oud-invaliden) hebben zelfs een structurele optrekking van het uitkeringsniveau ervaren terwijl de minimumuitkeringen geleidelijk via het koppelingsbeleid zijn verhoogd tot het netto minimumloon van hen die volwaardig aan het arbeidsproces deelnemen. De koopkracht van met name de laagste uitkeringen is sinds 1955 ruim verdrievoudigd. 2. Tegelijk met het in werking treden van de W AOis de mogelijkheid ingevoerd tot toekenning van «voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid en andere voorzieningen». Het betreft hier het verstrekken van vervoermiddelen, vergoedingen voor werk-en woningaanpassingen e.d. Bij het in werking treden van de AAW in 1976 kwamen deze voorzieningen ten laste van laatstgenoemde verzekering. Naast de voorziening krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen verschaft ook de AWBZ sinds 1969 mogelijkheden om kosteloos tegemoetkoming te verkrijgen in geval van bijzondere ziektekosten, waarvoor met name ook arbeidsongeschikten in aanmerking komen. Voorts zij nogmaals gewezen op de gezinshulp die eerst na 1955 tot ontwikkeling is gekomen. 3. Opgemerkt is reeds dat de arbeidsongeschiktheidsaftrek steeds wordt verleend bij een uitkering krachtens WAO of AAW op voorwaarde dat de arbeidsongeschikheid ten minste 45% bedraagt. Allereerst zullen niet alle arbeidsongeschikten voor extra-uitgaven komen te staan maar bovendien zijn niet alle trekkers van een WAO-of AAW -uitkeringen volledig arbeidsongeschikt. Met name sinds de toenemede werkloosheid zijn veel slechts ten dele arbeidsongeschikten afgevloeid naar de WAO. Door een verdiscontering van een werkloosheidscomponent zijn zij doorgaans toch in de ongeschiktheidsklasse 80-100 % ingedeeld. Daardoor genieten zij het fiscale voordeel van de arbeidsongeschiktheidsaftrek, waardoor hun toch reeds grotere koopkracht nog verder boven die van vergelijkbare werklozen uitkomt. 4. Evenals de ouderdomsaftrek heeft ook de arbeidsongeschiktheidsaftrek geen positief materieel effect voor de minimumuitkeringen maar werkt daarentegen voor degenen die een uitkering boven het minimum hebben volledig en met meer effect naarmate de uitkering hoger is.

Op grond van de hiervoor geschetste ontwikkeling heeft de Regering na bestudering van de bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrek en na afweging van de motieven, die in het verleden voor beide aftrekken zijn aangevoerd, besloten te komen tot een standpuntbepaling met betrekking tot bei-de aftrekken. Deze standpuntbepaling is vervat in een nota van wijziging op het wetsontwerp tot wijziging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting in het kader van het belastingplan 1980. In deze nota van wijziging zet de Regering uiteen ten principale van oordeel te zijn dat in zijn algemeenheid de bejaarden-en de arbeidsongeschiktheidsaftrek geen bestaansrecht meer hebben en dat deze aftrekken in hun huidige vorm dienen te worden afgeschaft. De Regering is zich er echter van bewust dat bij afschaffing zonder meer in een aantal individuele gevallen aan de bestaande draagkrachtverschillen geen recht zou worden gedaan. Voor deze gevallen meent de Regering dat de modaliteiten moeten worden onderzocht waarbij beide aftrekken alleen worden toegekend aan de belastingplichtigen van wie kan worden aangenomen dat zij door hulpbehoevendheid etc. een duidelijk geringere draagkracht hebben in vergelijking met de overige belastingplichtigen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

In deze nota van wijziging stelt de Regering voor de arbeidsongeschiktheidsaftrek te bevriezen. Voorts is de Regering voornemens de gehuwdenbejaardenaftrek in twee stappen, te beginnen in 1981, tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek te verlagen. Zowel voor 1981 als voor 1982 betekent dit een verlaging van de gehuwdenbejaardenaftrek betekent dit een verlaging van de gehuwdenbejaardenaftrek met f 438. Met betrekking tot de ongehuwdenbejaardenaftrek betekent dit dat twee keer een verlaging van f 307 (= 70% van f 438) wordt toegepast. De verlaging van de gehuwdenbejaardenaftrek tot het niveau van de arbeidsongeschiktheidsaftrek herstelt de gelijkheid van beide aftrekken die vóór 1973 aanwezig was. Voor het enkele AOW-pensioen en voor de minimumuitkeringen krachtens WAO en AAW hebben deze maatregelen zoals boven geschetst geen materiële gevolgen. Het netto-effect op de uitkeringen boven het minimum in de WAO bedraagt f 2 a f 3 per maand in 1980.

§ IV.S. Fasering

In Bestek '81 maar ook nadien heeft het kabinet herhaaldelijk gesteld rekening te zullen houden met de effecten van de voorgestelde maatregelen op de koopkracht van met name de minimumuitkeringen. Geheel in overeenstemming hiermede streeft de Regering ernaar om de uitvoering van de maatregelen zodanig gefaseerd te doen plaatsvinden dat de koopkracht van de laagste uitkeringen, en zo mogelijk hoger, blijft gehandhaafd. Bovendien geldt deze koopkrachtdoelstelling voor actieven en niet-actieven tot hetzelf-de niveau. Ter effectuering hiervan stellen wij voor tegelijk met het inwerking treden van de voorgestelde maatregelen een in de tijd af te bouwen toeslag te verstrekken op de minimumuitkeringen en op de lopende uitkeringen boven het minimum. De afbouw van de toeslag zal zodanig plaatsvinden dat de wenselijk geachte ontwikkeling van de koopkracht van de uitkeringen kan worden gestuurd. Zoals in paragraaf IV. 7 gesteld zal met de gelijktrekking van de bejaardenaftrek met de arbeidsongeschiktheidsaftrek eerst in 1981 worden begonnen. Voor de nieuw opkomende gevallen met een uitkering boven het mini-mum is naar de mening van de Regering een overgangsregeling niet noodzakelijk. Bij nieuw intredende inactiviteit treedt ook in de huidige situatie een terugval in inkomen op. Te denken valt aan het ingaan van het ouderdomspensioen, en het toetreden tot de kring van uitkeringsgerechtigden krachtens WWV of WAO. De vraag is echter met name of de verhouding tussen nettoloon en netto-uitkering een rechtvaardige is. De Regering acht dat in haar voorstellen het geval voor de eindsituatie. De argumenten daarvoor zijn uitvoerig gegeven. Anders dan om een feitelijke teruggang in reëel inkomen te voorkomen -zoals die voor oude gevallen zou optredenis er dan geen aanleiding een geleidelijk af te bouwen toeslag toe te kennen. Een overgangsregeling voor nieuwe gevallen sluit noch aan op de argumentatie voor de nieuw te creëren verhouding in de eindsituatie noch op de argumenten die tot een fasering hebben geleid. Om dezelfde redenen heeft de Regering overwogen om de overgangsregeling evenmin van toepassing te doen zijn op de nieuwe gevallen met een minimumuitkering. Hierbij rijzen echter een aantal praktische bezwaren. Om te beginnen zijn er talrijke overgangen van de minimumuitkering krachtens de ene wet naar die van een andere, waarbij een inkomensdaling optreedt, omdat men bij de overgang als een nieuw geval zal worden aangemerkt. Als voorbeeld moge gelden de echtgenote van een bejaarde met AOW-pensioen die als nieuw geval wordt beschouwd als haar man overlijdt. Andere voorbeelden zijn de overgang van WAO naar AOW en van WWV naar ABW etc. In al deze gevallen treedt een daling op van het minimumuitkeringsniveau. Daarnaast zij overwogen dat van de 2 min. minimumuitkeringen er 1 Vi min. krachtens AOW en AWW wordt verstrekt. De correcties op deze uitkeringen kunnen met handhaving van de koopkracht op uiterst korte termijn -voorgesteld is één jaar -zijn doorgevoerd. Voor een zo korte perio-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

de lijkt het niet zinvol met twee bestanden te werken. Van de overige V2 min. minimumuitkeringen valt een deel in de hiervoor geschetste overgangssituaties. Ten slotte zal het werken met twee bestanden een administratieftechnische belasting betekenen die voor een zo korte periode en een zo kleine restgroep nauwelijks verantwoord mag worden genoemd. Het geheel van deze argumenten overwegende, stelt de Regering voor om zowel lopende als nieuwe uitkeringsgerechtigden meteen minimumuitkering op dezelfde wijze te behandelen. Hierna zijn de netto effecten aangegeven indien per 1 januari 1980 de eerste fase van de uitvoering van de voorgestelde maatregelen wordt ingezet.

Tabel IV.7. Netto uitkeringsbedragen, incl. vakantiebijslag per maand bij gefaseerde uitvoering regeringsvoorstellen per 1 januari 1980

Ongewijzigd beleid incl. voorschot '79 (1)

Nog te corrigeren per 1-11980 2

(2)

Netto toeslag per 1-1-1980'

(3)

Per saldo correctieper 1-1-1980'

  • (4) 
      • (2) 
        -(3)

Netto uitkering per 1-1-19803

(6)-(1)-(4)

Sociale minima AOW gehuwd AOW ongehuwd AAW gehuwd AAW ongehuwd WAO WW WWV ABW gehuwd

Bovenminima*

1423,70

12,00

6,00

6,00

1417,70 997,40

9,20

4,20

5,00

992,40 1424,30

12,60

6,20

6,40

1417,90 996,80

8,60

4,20

4,40

992,40 1435,10

23,40

17,30

6,00

1429,20143 4,90

-2.30

-

+2,20

1437,10143 4,90

23,20

17,30

5,90

1429,10143 5,00

23,30

17,30

6,00

1429,00

WAO iets boven minimum modaal V/t x modaal maximum

1473 1666 2293 2904

58 68 108 129

52 60 98 117

8912

1467 1658 2284 2892

WWV iets boven minimum modaal 1V4 modaal maximum

1467 1513 2078 2584

21 21 28 31

16 15 20 21

5 6 8 10

1462 1507 2070 2574

1 Minima: kolom (1) tabel IV.5-kolom (5) tabel IV.5; boven minima: kolom (2) tabel IV.6. • kolom (61 tabel IV.6. 2 Minima: kolom (3) tabel IV.5-kolom (5) tabel IV.5; boven minima: kolom (4) tabel IV.6. -kolom (6) tabel IV.6. 3 Het is niet uitgesloten, dat ten behoeve van de technische uitvoering door de bedrijfsverenigingen en de gemeenten, de cijfers marginale wijzigingen zullen ondergaan. 4 Bedragen afgerond op hele guldens.

Het is voor de AOW-uitkeringen mogelijk in 1980 in twee fasen naar het definitieve niveau te groeien zonder dat koopkrachtverlies optreedt. Uitgegaan is van een correctie per 1 januari 1980 van f 6 op netto basis. Per 1 juli 1980 resteert dan een bij benadering even grote correctie (f 5,50). Voor de overige sociale minima -waar het totaal nog te corrigeren bedrag groter is -kunnen beide correcties op f 6 worden gesteld. Voor uitkeringen boven het minimum is voor 1980 van dezelfde procentuele correcties uitgegaan, waarbij tevens rekening is gehouden met de bevriezing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Onderstaande tabel geeft de koopkrachteffecten in 1980.

Tabel IV.S. Reële inkomensmutaties in 1980 voor uitkeringsgerechtigden zonder kinderen

Sociale minima

0,3

WAO iets boven minimum

0,1 modaal

-0.3 maximum

-1.3

WWV iets boven minimum

0 modaal

-0,1 maximum

-1.3

Voor modale uitkering leidt de gekozen hoogte van de toeslagen tot licht koopkrachtverlies. De oorzaak hiervan moet mede gezocht worden in de voorindexering van de uitkeringen met 1% per 1 oktober 1979. Ten behoeve van de berekeningen van de inkomenseffecten voor de uitkeringen boven het minimum per 1 januari 1980 is de dan van toepassing zijnde regelingsloonindex met 1 % verlaagd. Te zamen met een geraamd negatief na-ijlingseffect van de regelingsloonindex ten opzichte van de loonontwikkeling leidt dit tot een negatief effect op de koopkrachtontwikkeling voor uitkeringstrekkers boven het minimum. De Regering heeft gemeend aan deze bijzondere omstandigheden niet voorbij te mogen gaan en stelt voor de voorindexering van 1 oktober 1979, althans materieel gezien, gefaseerd af te bouwen. Formeel kan dit worden gerealiseerd door de toeslagen op de uitkeringen boven het minimum tot aan modaal per 1 januari en 1 juli 1980 enigszins hoger vast te stellen, zodanig dat ook de modale uitkeringsgerechtigde geen koopkrachtverlies ondergaat. De hiermee gepaard gaande tijdelijke lasten kunnen worden bestreden uit de bedragen die bij de sociale fondsen en in de rijksbegroting zijn gereserveerd voor een eventuele gefaseerde afbouw van de voorindexering. Hoewel in verband met de franchise in de WAO een differentiatie in de tijd van de correcties naar inkomenshoogte zal optreden, heeft de Regering gemeend ook binnen enig jaar een gedifferentieerde correctie te moeten doen plaatsvinden. Dit kan worden bereikt door de toeslagen vanaf het modale inkomen nominaal constant te houden op nettobasis. Na deze bijstellingen van de toeslagen luiden de per 1 januari 1980 geldende netto uitkeringen als volgt:

Tabel IV.9. Netto uitkeringen boven het minimum per 1 januari 1980

Volgens tabel IV.7

Bijgesteld'

WAO iets boven minimum modaal Vh x modaal maximum WWV iets boven minimum modaal 1J4 x modaal maximum

1467

1467 1658

1661 2284

2287 2892

2895

1462

1463 1507

1509 2070

2071 2574

2575

Voorlopige cijfers.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Op grond van de huidige veronderstellingen, gebaseerd op de Macro-Economische Verkenning 1980 en de Sociale Meerjarenramingen 1980, zal de koopkracht van de uitkeringsgerechtigden in 1980 tot aan modaal worden gehandhaafd. Onderstaande tabel toont dit cijfermatig aan:

Tabel IV.10. Reële inkomensmutaties in 1980 voor uitkeringsgerechtigden zonder kinderen

Volgens

Bijgesteld' tabel IV.8

Sociale minima

0,3

0,3

WAO iets boven minimum modaal maximum WWV iets boven minimum modaal maximum

' Voorlopige cijfers.

Gezien de onzekere economische vooruitzichten acht de Regering het onmogelijk om voor een langer periode het niveau van de koopkrachtgarantie aan te geven. Van jaar tot jaar zal moeten worden bezien welke de mogelijkheden zijn, waarbij de Regering hoopt dat zoveel mogelijk inkomens boven het minimumniveau hun koopkracht kunnen blijven behouden. Veel hangt af van het herstel van de economie, immers hierdoor zal het beroep op de sociale zekerheid afnemen met een gunstig effect op de collectieve lasten en dus op de koopkrachtontwikkeling.

§ IV. 9. Financiering

Het in de wet vastleggen van de koppelingsmechanismen van de sociale uitkeringen vraagt opnieuw aandacht voor en beslissingen omtrent de financieringswijze. Tot goed begrip van deze problematiek is het nuttig om de techniek van de nettonettokoppeling nader te belichten, aan de hand van onderstaand schema:

0,1

0,1 0,3

0 1,3

-1,1

0,1 0,1

0 1,3

-1,2

  • A. 
    wettelijk bruto min.loon

  • H. 
    bruto-uitkering B. premies c.f. voorstellen G. premies c.f. geldend regime C. belastingen c.f. voorstellen F. belastingen c.f. geldende tabel D. koppelingsgrondslag (A-B-C)<r = | E. netto-uitkering De netto-uitkering E wordt dus gelijkgesteld aan de koppelingsbasis D. De bruto-uitkering H ontstaat via zogenaamde brutering van de netto-uitkering E, op basis van het wettelijk geldende premie-en belastingregime. De verlaging en de bevriezing van de bejaardenaftrek alsmede de bevriezing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek leiden tot een hogere bruto-uitkering H als gevolg van een hoger belastingbedrag F. De financieringsproblematiek laat zich in vier groepen behandelen, samenhangend met de wijze waarop het Rijk in de financiering is betrokken: -de uitkeringsregelingen die geheel ten laste van de algemene middelen komen (ABW, WWV, WUV, WBP): -de uitkeringsregelingen waarbij naast premiefinanciering en wettelijke rijksbijdragen het Rijk een deel va'n de uitkeringen voor haar rekening neemt (AOW/AWW);

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

-de AAW die geheel op premiefinanciering is gebaseerd, met dien verstande dat de uitkeringen aan zogenaamde vroeggehandicapten ten laste van het Rijk komen; -de overige regelingen (WAO, WW), waarbij zowel door premies als door rijksbijdragen in de financiering wordt voorzien. Het eenvoudigst ligt de problematiek bij de eerste categorie. De uitkeringen komen na correctie geheel ten laste van de rijksbegroting, evenals dit thans het geval is. Gecompliceerder is de situatie bij de tweede categorie regelingen, met betrekking tot de AOW en AWW. De huidige financiering van deze verzekeringen geschiedt overwegend uit premies, voor de AOW aangevuld met een wettelijke jaarlijks geïndexeerde rijksbijdrage. Sinds 1976 zijn de zogenaamde AOW-plus en AWW-plus budgetten ontstaan ten laste waarvan dat deel van de stijging van de uitkeringen komt dat uitgaat boven de stijging als gevolg van de toepassing van de regelingsloonindex. Het ontstaan van deze budgetten is een direct gevolg van de nettonettokoppeling: het streven hiernaar werd in de jaren tot 1976 mede geëffectueerd door belastingvrijdom van de enkele AOW-uitkering en door reducties in de bejaardenziekenfondsverzekering. Hierdoor ontstond in 1975 de situatie dat als gevolg van het verschil in inhoudingen, bejaarden met geringe neveninkomsten een lager netto-inkomen hadden dan bejaarden zonder neveninkomsten. Dit probleem, het zogenaamde «AOW-plus»-vraagstuk, is in 1976 opgelost via een drietal maatregelen: verhoging van de bruto AOW-uitkering, inhouding van loonbelasting van het AOW-pensioen en aanpassing van de trapsgewijze tariefstructuur van de bejaardenziekenfondsverzekering. Aldus werd bewerkstelligd dat een bejaarde met neveninkomsten op nettobasis niet minder ontving dan een bejaarde zonder neveninkomsten, terwijl deze laatste geen netto-inkomstenverlies onderging. De extraverhoging van de bruto-uitkering per 1 januari 1976, die dus uitging boven de verhoging op grond van de gestegen regelingsloonindex, kwam ten laste van het Rijk, het zogenaamde AOW-plus budget. Op analoge wijze kwam ook het AWW-plus budget tot stand. Nadien zijn alle verhogingen van de bruto-uitkeringen die uitgingen boven hetgeen voortvloeide uit de toepassing van de regelingsloonindex, ten laste van deze budgetten gebracht. Het betrof hier steeds extraverhogingen om de nettonettogelijkheid met het minimumloon geheel of nagenoeg geheel te handhaven. Het thans voorliggende voorstel tot koppeling van de minimumuitkeringen aan het minimumloon geeft de Regering op dit moment geen aanleiding om de tot nu toe gevolgde financieringswijze te wijzigen. Immers de aanleiding tot de onderhavige wetgeving is het vastleggen van de koppelingsbasis in de wet en niet een andere lastenverdeling tussen fondsen en Rijk. De wettelijke, geïndexeerde rijksbijdrage dient daarom te worden gehandhaafd. De verhoging van de bruto-uitkeringen voortvloei-end uit de aanpassing aan de index der regelingslonen komt evenals in de huidige situatie ten laste van het Ouderdomsfonds en het Weduwen-en Wezenfonds. Het verschil tussen de bruto-uitkering resulterend uit de netto-nettokoppeling (zie hiervoor) en het deel daarvan dat ten laste van de fondsen komt, zal ook nu door het Rijk worden aangevuld in de vorm van een extrarijksbijdrage. Uit het voorgaande blijkt dus dat deze extrarijksbijdragen afnemen als gevolg van de correcties op de koppeling. Onderstaande tabel laat zien op welke wijze de verschillende maatregelen de ten laste van het Rijk komende toeslag beïnvloeden. Het totale bedrag van de extrabijdrage op transactiebasis in 1980 is te ramen op 1235 min. voorde AOW en 145 min. voor de AWW.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Ontwikkeling van het ten laste van de rijksbegroting komende deel van het AOW-pensioen, inclusief vakantie-uitkering voor gehuwden per 1-1-1980'

Bruto

Waarvan uit pensioen per maand

fonds

rijksbijdrage

  • Ongewijzigd beleid

1535

1401

134-Gewijzigde koppelingsgrondslag

1500

1401

99-Idem, na opheffen afstand f 9,50 koppelingsgrondslag AOW

1512

1401

100-Idem, plus compensatie wijziging koppelingsgrondslag

1519

1401

118-Situatie per 31-12-1979 inclusief voorschot 1979

1484

1383

101

1 Voorlopige cijfers. 2 Inclusief bevriezing bejaardenaftrek vanaf 1 januari 1979.

Vermenigvuldiging van deze bedragen met de aantallen bejaarden resp. weduwen geeft het totaal van de hierboven vermelde bedragen. Aangaande de financieringswijze van de AAW beoogt de Regering eveneens geen wijzigingen. Behoudens de uitkeringen aan vroeggehandicapten, die ten laste van het Rijk komen, worden alle lasten door het AAF gefinancierd uit premies. De berekening van de bruto-uitkeringen geschiedt volgens bovenstaand koppelingsschema. In de financiering van de WAO en de WW zal evenmin wijziging worden aangebracht. De wettelijke rijksbijdrage in de WAO zal geïndexeerd blijven voortbestaan, terwijl het Rijk voor de helft in de premie van de werkloosheidsverzekering zal bijdragen. De berekening van de brutominimumuitkeringen geschiedt volgens bovenstaand koppelingsschema. Ten slotte dient de bestemming van de vereveningsbijdrage zoals die in paragraaf IV.6 is geïntroduceerd te worden bepaald. Aldaar is toegelicht dat niet tot formele premieheffing in de thans gebruikelijke vorm zal worden overgegaan, omdat het niet in de rede ligt premieplicht op te leggen indien geen verzekeringsplicht bestaat. Daarom is gekozen voor een vereveningsbijdrage die niet aan bepaalde fondsen kan worden toegerekend. De opbrengst van de vereveningsbijdrage zal in 1980 ten bate van de fondsen komen die deze bijdrage heffen. In het kader van een nadere studie zal ten principale worden onderzocht welke aanwending aan de hierbedoelde middelen zou dienen te worden gegeven. In de overgangsfase naar de eindsituatie zal een toeslag worden verstrekt die geleidelijk wordt afgebouwd. Deze toeslag kan worden gefinancierd uit de in te houden vereveningsbijdrage. Voor een goed inzicht in het verloop van de geldstromen, en met name van de bruto-ontwikkelingen, is tabel IV.1 nog eens herhaald voor de situatie per 1 januari 1980 waarbij de voorgestelde correcties zijn verwerkt (zie tabel IV.12).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Tabel IV.12. Brutobedragen, inhoudingen en nettobedragen van de koppelingsgrondslag en de gekoppelde uitkeringen per 1 januari 1980 bij gewijzigd beleid inclusief toeslagen

Koppe-AOW

AOW

AAW

AAW

WAO'

WW

WWV

ABW lings-

gehuwd onge-

gehuwd' onge-

kost-

kost-

gehuwden grond-

huwd

huwd'

winner' winner' slag

Bruto per maand

1821,30 Premie ZFW

73,76 Premie WW/ZW

36,88 Premie WAO

42,86 Vereveningsbijdrage Premie AOW/AWW

209.-Loonbelasting

135,60 Netto per maand

1323,20 Vakantie-uitkering per maand

145,70 Premie ZFW

5,90 Premie WW/ZW

2,95 Premie WAO

10,27 Vereveningsbijdrage Premie AOW/AWW

16,05 Loonbelasting

22,00 Netto per maand

88,53 1411,40 28,40

53,80 1329,20107,96 19,43 88,53 981,84 28,40

23,00 930,44 61,97

61,97 1659,96 60,90

180,74 89,83 1328,49 132,79 5,37

16,02 21,96 89,44 1166,45 40,89

121,37 74,60 929,59 93,31 3,77

11,26 15,43 62,85 1762,62 65,03

73,95 184,66 95,49 1343,49 141,- 5,71

12,79 15,53 21,29 85,68 1819,51 73,67 18,20 42,68 18,63 200,20118,08 1348,05 145,56 5,89 1,46 10,26 1,48 15,28 22,12 89,07 1964,67 79,51

52,87 39,65 215,36148,19 14,29,09 1340,50 88,50

Totaal netto

1411,73 1417,73 992,41 1417,93 992,44 1429,17143 7,12142 9,09 1429, ' De uitkeringen worden op dagbasis berekend, doch zijn voor de vergelijkbaarheid tot maandbedragen herleid. 2 De vakantie-uitkering is begrepen in de daguitkering en wordt niet afzonderlijk vastgesteld.

Het blijkt dat de bruto-uitkeringen krachtens de AOW (gehuwd) en de AAW lager zijn dan bij ongewijzigd beleid (tabel IV.1). De verklaring hiervoor is dat de neerwaartse correctie van de bruto-uitkering in verband met de verlaging van de koppelingsgrondslag groter is dan de opwaartse bijstelling in verband met de tijdelijke toeslag. Bij de werknemersverzekeringen zijn de bruto-uitkeringen per 1 januari 1980 hoger dan bij ongewijzigd beleid het geval zou zijn geweest. Dit komt door de tijdelijke toeslagen maar ook door ex-trabrutering in verband met de ingecalculeerde vereveningsbijdrage. De netto-uitkeringsbedragen van tabel IV.1 verminderd met de nettocorrecties in 1979 (tabel IV, 5, kolom 5) en de voorgestelde correcties per 1 januari 1980 (tabel IV. 7, kolom 4) geven de netto-uitkeringsbedragen van tabel IV. 12. Een soortgelijk overzicht is hierna gepresenteerd voor modale uitkeringsgerechtigden die reeds een uitkering hebben in 1979.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Tabel IV.13. Bruto uitkeringsbedragen, inhoudingen en netto uitkeringsbedragen per 1 januari 1980 bij ongewijzigd beleid en bij regeringsvoorstellen inzake de solidariteitsbijdrage voor modale uitkeringsgerechtigden krachtens WAO en WWV (incl. toeslagen) WAO

WWV

Ongewijzigd Regerings-Ongewijzigd Regerings-beleid (excl. voorschot 1979) voorstel' beleid (excl. voorschot 1979) voorstel'

Bruto per maand

2051,02

2138,03

2076,69

2103,77 Premie ZFW

76,56

76,77

84,06

84,06 Premie WAO

--

60,66

60,66 Vereveningsbijdrage

-

100,05

-

42,03 Premie AOW/AWW

227,29

226,64

232,04

230,31 Loonbelasting

170,74

169,65

181,56

178,09 Netto per maand

1576,44

1564,92

1518,35

1508,62 Vakantie-uitkering per maand

164,08

174,83 Premie ZFW

6,64

6,64 Vereveningsbijdrage

-

14,88 Premie AOW

19,80

19,32 Loonbelasting

39,09

38,14 Netto per maand

98,55

95,85

Totaal netto per maand

1674,99

1660,77

1518,35

1508,62

1 Voorlopige cijfers; inclusief aanvullende maatregel in verband met handhaving koopkracht. Ook hier zijn de bruto-uitkeringsbedragen hoger dan bij ongewijzigd beleid in verband met de tijdelijk te verstrekken toeslagen. Ter voorkoming van misverstand zij erop gewezen dat de bruto-uitkeringspercentages ongewijzigd blijven.

§ IV.10 Besparingen

De in het voorgaande ontvouwde voorstellen inzake de correcties op de aanpassingsmechanismen van de sociale uitkeringen leveren besparingen op ten opzichte van de situatie die zou zijn ontstaan bij ongewijzigde voortzetting van het beleid. Ter voorkoming van misverstanden lijkt het nuttig kort aan te geven wat als een besparing in de sfeer van de overdrachtsuitgaven kan worden aangemerkt. Besparingen kunnen op drie manieren tot stand komen: door lagere bruto-uitkeringen, door hogere belastingbetalingen en door hogere premie-inhoudingen. De beide laatste uiterlijke verschijningsvormen zijn aangemerkt als besparing voor zover zij door verbreding van het heffingsdraagvlak ruimte scheppen voor verlaging van belasting-en premietarieven, bij gelijkblijvende belasting-en premiedruk. Onderstaand zijn de besparingen aangegeven voor 1980, alsmede voor de eindsituatie indien deze in 1980 ineens zou worden gerealiseerd. Het is ondoenlijk om de besparingen met enige mate van nauwkeurigheid aan te geven in een nader te bepalen eindjaar. Te veel onzekere factoren zijn van in-vloed op de uitkomsten, waaronder premie-en belastingtarieven, koopkrachtgarantie, en andere.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Tabel IV.14. Structurele ombuiging op basis van 1980, compensaties en feitelijke ombuiging in 1980 (op transactiebasis)

Fondsen

Rijksbe-

Totaal groting

Structurele ombuigingenhogere premie ZW/Wg-verzekering in koppelingsgrondslagvaste aftrek f 150 in koppelingsgrondslagbeperking bejaardenaftrek en arbeidsongeschiktheidsaftrek'-opheffing afstand f 9,50 koppelingsgrondslag AWO/AWW-vereveningsbijdrage boven minima

Totaal

Compensaties 19802

Feitelijke ombuiging 1980

1 Berekend als het saldo van de hogere belastingopbrengst enerzijds en de in verband met de brutocompensatie voor de sociale minima, hogere uitkeringsbedragen. 2 Exclusief maatregelen ter handhaving van de koopkracht in 1980, die uit de daartoe gereserveerde middelen zullen worden gedekt; tevens is hierin verdisconteerd het feit dat de afbouw van de bejaardenaftrek tot het niveau van de invaliditeitsaftrek eerst in 1981 zal beginnen.

De ombuigingen in bovenstaade tabel zijn nominaal niet vergelijkbaar met de bedragen vermeld in Bestek '81. Dit hangt niet alleen samen met gewijzigde nominale factoren, maar ook met een gewijzigde samenstelling van het pakket. De thans voorgestelde ombuigingen in de sfeer van de minima zijn lager omdat de aanvankelijke voorgestelde rekenpremie van 2,5 % voor de ZW/Wg. verlaagd is tot 1,8. Bij de berekening van de besparingen is rekening gehouden met het overbruggen van de bestaande afstand van f 9,50 tussen netto-AOW en nettominimumloon. Bejaarden met extra-inkomen zullen vanaf 1981 een iets sterkere beperking van hun beschikbare inkomens ervaren als gevolg van de gefaseerde gelijktrekking van de bejaardenaftrek met de invaliditeitsaftrek. De voorgestelde maatregelen met betrekking tot de uitkeringen boven het minimum zijn hoger dan aanvankelijk voorzien. Een globale berekening heeft uitgewezen dat, rekening houdend met de nader aangegeven ombuigingen in het kader van de voortgang van Bestek '81 \ het huidige pakket evenveel besparingen teweeg brengt als het aanvankelijke, in Bestek '81 gepresenteerde pakket.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Algemeen De in het vorenstaande uitgangspunten werken naar de diverse regelingen verschillend uit, omdat de onderscheidene wettelijke regelingen ieder hun eigen eisen stellen aan de vormgeving. Er is echter naar gestreefd om, waar mogelijk, te werken met uniforme bepalingen. , Op een aantal, telkens terugkerende bepalingen, wordt hieronder een al-Zitting 1978-1979,15801, nrs. 28en 48.

gemene artikelsgewijze toelichting gegeven.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

520

600

-15

-155

-170 485

560

560

525

1085

385

110

495

175

415

590

a.

Brutoaanpassingsmechanisme

In de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten is, conform het gestelde in het algemeen deel van deze memorie, bepaald dat het minimumloon, dan wel de uitkeringen, worden verhoogd met het procentuele verschil tussen twee indexcijfers. Daarnaast is geregeld, dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder indexcijfer wordt verstaan, welke componenten van het procentuele verschil buiten beschouwing blijven en welke op een andere wijze en in een andere mate in aanmerking worden genomen. De tekst van de op grond van deze bepaling te treffen algemene maatregel van bestuur is met de daarbij behorende toelichting aan deze memorie toegevoegd.

  • Indexcijfer per ultimo april 1979

In een aantal overgangsbepalingen is geregeld dat bij de herziening per 1 januari 1980 uitgegaan wordt van het feitelijke eerst gepubliceerde indexcijferder regelingslonen ultimo april 1979, dat 187,3 bedraagt. Met deze bepaling wordt de doorwerking van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli 1978 en van 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector in het minimumloon en een aantal sociale uitkeringen definitief voorkomen. Zonder deze bepaling zou bij de herziening per 1 januari 1980 moeten worden uitgegaan van het bij de Wet van 28 juni 1979 (Stb. 346) vastgestelde fictieve indexcijfer van 184, hetgeen tot volledige doorwerking zou leiden. De voorgestelde wijziging van het brutoaanpassingsmechanisme brengt de noodzaak met zich mede om voortaan van onafgeronde indexcijfers uit te gaan.

  • Vaststelling gemiddeld

premiepercentage

Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is uiteengezet zal voor de per bedrijfstak of onderdeel daarvan gedifferentieerde premies een gemiddeld percentage worden vastgesteld. Voor de berekening van die gemiddelde premie zullen dezelfde gewichten worden gehanteerd die voor de bepaling van de regelingsloonindex gelden. Omdat echter niet altijd een rechtstreeks verband valt aan te geven tussen de voor bedrijfstakken of onderdelen daarvan geldende premies en de ca.o.'s die de basis vormen van de regelingsloonindex moet worden volstaan met een zo nauwkeurig mogelijke benadering. Uitgaande van de gegeven, gedifferentieerde premies wordt bezien tot welke ca.o.'s die de basis vormen van de loonindex, deze premies zijn te herleiden. De daaruit voor 1979 berekende premie van 1,8 % is een aanvaardbare maatstaf voor de premie zoals deze op een belangrijk deel van de actieven drukt. De ontwikkelingen ter zake zullen uiteraard nauwlettend worden gevolgd. Gezien het vorenstaande menen wij dat een wettelijke regeling van de vaststelling van de gemiddelde premie uit een oogpunt van wetstechniek en begrijpelijkheid van wetsteksten op ernstige bezwaren stuit en op zich zelf niet zeer dringend is. Daarom hebben wij gemeend ermee te moeten volstaan, te bepalen dat bij algemene maatregel van bestuur voor de per bedrijfstak verschillende premies een gemiddelde premie wordt vastgesteld.

d.

Nettonettokoppeling

In de diverse sociale verzekeringswetten, de Wet Werkloosheidsvoorziening, de Algemene Bijstandswet en enkele andere wetten en regelingen is neergelegd hoe de brutonettoberekening van minimumloon en minimumuitkering (c.q. pensioen) en de nettonettokoppeling geschiedt. De berekeningswijze is conform hetgeen hierover in het Algemeen deel van deze Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

memorie is vermeld. Opgemerkt zij echter, dat tussen de diverse bepalingen, hoewel stoelend op hetzelfde beginsel, verschillen zitten, welke worden veroorzaakt door het verschil in wettelijke opzet. Daarbij zijn clusters van wetten te onderscheiden, waarbinnen vanwege de onderlinge samenhang, een gelijkelijke regeling onontkoombaar is. Dit doet zich onder meer voor ten aanzien van de AOW en AWW, de AAW en WAO en de WW en WWV. Bij de AOW en AWW is de nettonettokoppeling vastgelegd voor zowel de maandelijkse pensioenbedragen als de vakantie-uitkering. Bij de Algemene Bijstandswet wordt in het Besluit landelijke normering geregeld dat de in de wet vastgelegde nettonettokoppeling zowel geldt voor de maandelijkse uitkeringen als voor de vakantie-uitkeringen. De bij de AAW gekozen systematiek verschilt daarvan. Bij de vergelijking met het nettominimumloon aan de AAW-uitkering wordt uitgegaan van een uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid, berekend op maandbasis (de factor 21,75) met inbegrip van de vakantie-uitkering. Dat is gebeurd om verschillende redenen. De voornaamste reden daarvan is dat de AAW een basisuitkering is, waarop, in bepaalde gevallen, de WAO aanvullend werkt. De vakantie-uitkering in de WAO is uitgedrukt in een percentage van de uitkering. Die systematiek is ook bij de AAW gekozen vanwege de samenloop tussen beide regelingen. Daarom is bij de AAW geen (afzonderlijke) koppeling tussen nettominimumvakantietoeslag en netto-vakantie-uitkering mogelijk. Voor de WAO geldt dezelfde berekeningswijze ten aanzien van het mini-mumdagloon als bij de AAW is gekozen voor de berekening van de grondslagen. Opgemerkt zij echter, dat de vaststelling van het minimumdagloon WAO, evenals thans, geschiedt door de Sociale Verzekeringsraad. De bepalingen in de WW en de WWV ten aanzien van de berekening van het minimumdagloon stemmen in grote lijnen overeen met die in de WAO. De wijzigingen die op enkele punten zijn aangebracht (o.a. daguitkering en berekeningsfactor 21,666) houden verband met het verschillende karakter van laatstgenoemde regelingen.

  • Toeslagregeling

Zoals reeds vermeld in het algemeen deel van deze memorie achten wij het, gezien tegen de achtergrond van de koopkrachtontwikkeling noodzakelijk per 1 januari 1980 een toeslag te verlenen op de minimumuitkeringen ende uitkeringen boven het minimum die zijn ingegaan vóór 1 januari 1980. Daartoe is in een aantal overgangsbepalingen opgenomen dat een toeslag wordt verleend ter realisering van de gewenste koopkrachtontwikkeling, terwijl voorts is bepaald dat de hoogte van die toeslag bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Deze delegatie, waartoe de Regering eerst na zorgvuldige overweging heeft besloten, was onontkoombaar. Het bleek namelijk niet mogelijk reeds thans de bedragen van de toeslagen per 1 januari 1980 in de wet op te nemen, omdat een aantal voor de exacte vaststelling van de toeslagen noodzakelijke gegevens nog niet vaststaan. Zo zijn onder meer de diverse premiepercentages nog niet definitief vastgesteld. Zou onder die omstandigheden toch een bedrag van de toeslag worden vermeld, dan zou zulks tot gevolg kunnen hebben dat in een later stadium bij nota van wijzigingen correcties moeten worden aangebracht. Eventuele correcties nadat het ontwerp door beide Kamers zou zijn aanvaard zouden echter slechts bij wet kunnen worden aangebracht. Voor de gefaseerde opbouw van de toeslagen geldt dat nu nog niet aan te geven is hoe deze afbouw zal verlopen. Derhalve is ook hier bepaald, dat de vermindering bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, voor iedere herziening afzonderlijk, zodat steeds een hernieuwde afweging van de koopkrachtontwikkeling kan plaatsvinden. De aard van de toeslagen en eventuele verminderingen daarop maakt dat deze moeten worden vastgesteld op basis van de laatstbekende gegevens, zodat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid kan worden bezien bij welke toeslaghoogte de gewenste koopkrachtontwikkeling wordt gerealiseerd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Dit maakt dat het evenmin mogelijk is, de bedoelde algemene maatregelen van bestuurtwee maanden voor hun inwerkingtreding te publiceren, alhoewel daartoe, gezien het belang van de toeslag, voor de inkomensontwikkeling uit anderen hoofde aanleiding zou kunnen bestaan. Opgemerkt kan nog worden, dat in de regelingen die naast een sociaal minimum ook bovenminimale uitkeringen kennen, voorzieningen zijn getroffen, om te voorkomen, dat degene wiens dagloon of grondslag op brutobasis vlak boven het brutominimumbedrag ligt, door het gemis van een toeslag op zijn uitkering, aan netto-uitkering minder zou ontvangen, dan het geval zou zijn geweest indien zijn uitkering wel naar dit minimum zou zijn berekend.

HOOFDSTUK I. WET MINIMUMLOON EN MINIMUMVAKANTIEBIJSLAG

Artikel I

  • A. 
    In het algemene gedeelte van deze memorie is in hoofdstuk I, paragraaf 1.2 onder A aangegeven, dat het wenselijk is voortaan de invloed van eindejaarsuitkeringen bij de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen buiten beschouwing te laten. Daarbij is tevens aangegeven dat het in die situatie wenselijk is dat de eindejaarsuitkering wordt geëlimineerd uit het begrip loon in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Dit artikel strekt hiertoe. Bij besluit van 7 november 1973 (Stb. 538) is met toepassing van artikel 6, tweede lid het spaarloon bij algemene maatregel van bestuur geëlimineerd uit het begrip loon in de zin van de wet. Thans wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het spaarloon in de wet zelf toe te voegen aan de beloningselementen, opgesomd in het eerste lid van artikel 6.
  • B. 
    De tekst van de op grond van het nieuwe tweede lid van artikel 14 te treffen algemene maatregel van bestuur is met de daarbij behorende toelichting aan deze memorie toegevoegd. Overigens behoeven de ten aanzien van artikel 14 voorgestelde wijzigingen na hetgeen hierover reeds in hoofdstuk I van deze memorie is meegedeeld naar ons oordeel geen nadere toelichting. C en D. De ter zake van de minimumvakantiebijslag voorgestelde wijzigingen behoeven naar ons oordeel na hetgeen hierover in hoofdstuk II van deze memorie is meegedeeld, geen nadere toelichting.

Artikel II

Zie onderdeel algemeen, onder b.

Artikel III

Dit artikel voorziet in de niveaucorrectie van het minimumloon met 1 %, welke gelijktijdig met de verhoging van de minimumvakantiebijslag met 1 % per 1 januari 1980 dient te worden aangebracht.

HOOFDSTUK II. ALGEMENE OUDERDOMSWET Artikel IV. Wijziging van de Algemene

Ouderdomswet

Onderdeel A

In dit onderdeel wordt de nieuwe tekst van artikel 8 van de AOW voorgesteld. Het eerste lid bevat de formele vastlegging van enerzijds de koppeling Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

op nettobasis van het minimumloon en het gehuwdenpensioen en anderzijds de 100 : 70 verhouding -weer op nettobasis -tussen het gehuwdenpensioen en het pensioen van de alleenstaande. In het zesde lid worden de brutopensioenbedragen vermeld, die het resultaat zijn van de in het eerste lid neergelegde uitgangspunten. Vaststelling van brutobedragen is nodig, omdat niet iedere bejaarde in dezelfde omstandigheden verkeert. Bij de nettonettoberekening wordt immers uitgegaan van een bejaarde die geen of nagenoeg geen andere inkomsten heeft. Zijn er wel andere inkomsten van enige betekenis, dan beïnvloedt dit de verschuldigde belasting en ook de premie voor de ziekenfondsverzekering voor bejaarden. Deze premie wordt overigens niet op het brutopensioen ingehouden, maar dient door de betrokkenen zelf aan de ziekenfondsen te worden voldaan. Opgemerkt wordt, dat het niet mogelijk is in dit wetsontwerp reeds de bedragen te vermelden, zoals die per 1 januari a.s. zullen gelden. Een aantal daarvoor essentiële gegevens ontbreken daarvoor nog. Daarom zijn de thans geldende bedragen in het wetsontwerp opgenomen. Per 1 januari a.s. zullen deze van rechtswege worden vervangen door de juiste, met toepassing van het nieuwe systeem vastgestelde bedragen.

Onderdeel B

In dit onderdeel wordt een nieuwe tekst van artikel 9 van de AOW voorgesteld. Dit artikel bevat thans het aanpassingssysteem van de pensioenbedragen. Zoals bekend, volgen de pensioenbedragen nu in beginsel de ontwikkeling van het algemene loonniveau. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om door middel van een extraverhoging de beoogde nettonettogelijkheid te bereiken. Met het nieuw voorgestelde artikel 9 wordt bereikt, dat de in het nieuw voorgestelde artikel 8 beoogde nettonettogelijkheid ook in de toekomst gehandhaafd wordt. ledere verandering in het brutominimumloon, de daarop toe te rekenen inhoudingen, maar ook wijziging in het zogenaamde brutonettotraject van het AOW-pensioen leidt tot onmiddellijke aanpassing. Bij deze aanpassing worden de brutopensioenen zodanig bijgesteld, dat de beoogde nettonettogelijkheid exact weer wordt hersteld. Deze koppeling betekent in feite, dat de AOW-pensioenen geen eigen indexeringssysteem meer kennen. Indirect volgen die pensioenen het indexeringssysteem van het minimumloon, met dien verstande dat er correcties op nettobasis plaatsvinden. Deze koppeling met het nettominimumloon is onvoorwaardelijk. Immers iedere afwijking zou het uitgangspuntvan de nettonettogelijkheid ondergraven. In de praktijk zal het hiervoor geschetste aanpassingsbeleid -evenals thans het geval is -als regel tot halfjaarlijkse aanpassingen leiden. Het brutominimumloon wordt namelijk halfjaarlijks -per 1 januari en per 1 juli -aangepast, terwijl wijzigingen in de inhoudingssfeer in vrijwel alle gevallen per 1 januari plaatsvinden.

Onderdeel C De in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van artikel 10 van de AOW vloeien voort uit de in de onderdelen A en B voorgestelde wijzigingen van de artikelen 8 en 9 van die wet.

Onderdelen D, E en F Deze onderdelen regelen de wijziging van de bepalingen met betrekking tot de vakantie-uitkering in het kader van de AOW. Volgens de huidige wettelijke bepalingen bedraagt de vakantie-uitkering 7 % van het AOW-pensioen. Bij het sinds 1973 gevoerde koppelingsbeleid wordt voor de berekening van de nettonettogelijkheid en de 100:70 verhouding het maandelijks pensioen en vakantie-uitkering samengeteld. Er bestaat dus nu -afgezien van het gat van f 9,50 per maand -een gelijkheid op nettobasis van het minimumloon, inclusief de vakantiebijslag, en AOW-pensioen voor een echtpaar, inclusief Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

de vakantie-uitkering. Dit betekent echter niet, dat zowel de maanduitkering als de vakantie-uitkering exact gelijk zijn. Ter illustratie volgt hieronder een overzicht van de netto-vakantie-uitkeringen op maandbasis per 1 juli jl.: -Minimum vakantiebijslag f 75,54 -Vakantie-uitkering AOW voor een echtpaar f 76,69 -Vakantie-uitkering AOW voor een alleenstaande f 65,45

Uit dit overzicht blijkt, dat de vakantie-uitkering voor een bejaard echtpaar niet noemenswaardig verschilt van de vakantiebijslag voor een minimumloner. De vakantie-uitkering voor een alleenstaande bejaarde is echter f 12,57 hoger dan 70% van de nettovakantiebijslag van de minimumloner (f 75,54). Deze discrepantie vindt zijn oorzaak in het feit, dat de alleenstaande bejaarde over die vakantie-uitkering tot dusver (en ook in 1980) nog geen loonbelasting verschuldigd is. De totale jaaruitkering voor alleenstaande bejaarden blijft namelijk beneden het bedrag, waarbij op grond van de desbetreffende tabel voor bijzondere beloningen, belasting verschuldigd is. Daarom is de bruto-vakantie-uitkering voor een alleenstaande bejaarde tevens de netto-vakantie-uitkering. De gehuwde bejaarden zijn reeds enige jaren loonbelasting over hun vakantie-uitkering verschuldigd. In het tot dusver gevolgde netto-netto-beleid wordt de relatief te hoge vakantie-uitkering voor de ongehuwden opgevangen door een lagere maanduitkering. Uit de voorgestelde formalisering van het netto-netto-beleid vloeit naar onze mening logischerwijs voort, dat zowel bij de maanduitkering als bij de vakantie-uitkering de nettonettogelijkheid exact wordt vastgelegd. Hierdoor wordt in de toekomst voorkomen, dat een (relatief) te lage maanduitkering moet worden opgevangen door een hogere vakantie-uitkering. Dit betekent, dat per 1 januari a.s. het niveau van de vakantie-uitkering van de alleenstaande bejaarden een relatieve verlaging zal ondergaan. Deze verlaging wordt echter door een hogere maanduitkering gecompenseerd. De in de maand mei 1980 uitte betalen vakantie-uitkering van alleenstaande bejaarden zal echter ondanks deze relatieve verlaging hoger zijn dan de in mei 1979 uitbetaalde vakantie-uitkering. In de nieuw voorgestelde artikelen 22a, 22b, 22c en 22d, is zowel het niveau als de aanpassing van de vakantie-uitkering in het kader van de AOW neergelegd. Deze bepalingen zijn identiek aan de nieuw voorgestelde bepalingen inzake het niveau en de aanpassing van de maanduitkeringen. Verwezen moge worden naar de toelichting op de onderdelen A en B van dit artikel. Met betrekking tot het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 22b, wordt het volgende opgemerkt. In het huidige systeem wordt de vakantie-uitkering uitgedrukt in een percentage van de periodieke uitkering. Hierdoor vindt een korting op de periodieke uitkering in verband met niet verzekerde perioden automatisch zijn weerslag in de vakantie-uitkering. In het nieuw voorgestelde systeem werkt dit automatisme niet. Daarom is een bepaling nodig, waarin de korting op de periodieke uitkering, in evenredige mate op de vakantie-uitkering wordt toegepast.

Onderdelen G, H, lenJ De voorstellen in deze onderdelen houden verband met de voorstellen in de vorige onderdelen en betreffen slechts verletteringen. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt, dat het nieuwe artikel 22f de mogelijkheid biedt tot het stellen van nadere regelen. Op grond hiervan kunnen de thans bestaan-de afwijkingen in de uitbetalingsdatum worden gehandhaafd.

Onderdeel K In dit onderdeel wordt een wijziging van artikel 60a van de AOW voorgesteld. Dit artikel heeft ten doel de van 1 januari 1970 af verleende structurele verhogingen -dat wil zeggen de verhogingen buiten de aanpassingen aan het algemene loonniveau om -buiten de aftrekbepalingen van de particuliere pensioenaanspraken te houden. Door deze regeling werd bereikt, dat, Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

wanneer bij de berekening van een pensioen in de particuliere sector rekening wordt gehouden met een AOW-pensioen, de structurele verhogingen van het AOW-pensioen aan de gepensioneerden ten goede komen. Deze regeling geldt niet alleen voor de structurele verhogingen, maar ook voor de daarop later vallende verhogingen op grond van de welvaartvastheidsbepalingen en voor de vakantie-uitkeringen. Voorts is bepaald, dat verhogingen van de AOW-pensioenen op grond van het huidge tiende lid van artikel 9 van de AOW -z.g. kopverhoging om de nettonettogelijkheid te handhaven -voor de toepassing van artikel 60a als structureel moeten worden beschouwd. In de nieuw voorgestelde systematiek van de aanpassing van de AOW-pensioenen zal de AOW geen eigen welvaartsvastheidssysteem meer kennen. Er bestaat dan immers een rechtstreekse koppeling met het nettominimumloon. Als gevolg hiervan moet artikel 60a worden aangepast. Het betreft hier echter slechts een formele wijziging. Voorgesteld wordt het tot nu toe gevoerde beleid op dit punt te continueren. Dit wordt bereikt door het tot 1 januari 1980 opgebouwde structurele gedeelte van het AOW-pensioen te fixeren door het gedeelte dat wel in de aftrek mag worden betrokken in nominale bedragen in de tekst van artikel 60a op te nemen. Dit laatste gedeelte volgt dan de ontwikkeling van het loonniveau. Het verschil tussen het bruto-AOW-pensioen en het in de vorige volzin bedoelde gedeelte is dan het bedrag, dat buiten de aftrek blijft. Hierdoor wordt bereikt, dat verhogingen van het AOW-pensioen, die geen verband houden met de ontwikkeling van het loonniveau, aan de betrokkenen zelf ten goede komen. Het betreft hier bij voorbeeld koopkrachtcompensaties voor bejaarden en compensaties, die in het AOW-pensioen worden verleend voor verlaging van de fiscale bejaardenaftrek.

Artikel V

Zoals reeds vermeld in het algemeen deel van deze memorie achten wij het, gezien tegen de achtergrond van de koopkrachtontwikkeling noodzakelijk per 1 januari 1980 een in de tijd af te bouwen toeslag te verstrekken op de minimumuitkeringen. Het eerste lid van dit artikel strekt hiertoe. In het tweede lid wordt neergelegd, dat deze toeslag als ouderdomspensioen ingevolge de AOW moet worden aangemerkt, waarbij echter artikel 9 van die wet buiten werking wordt gesteld. Zonder deze nadere voorziening immers zou artikel 9 (het nieuwe aanpassingsartikel) deze toeslag boven de nettonettogelijkheid onmiddellijk weer tenietdoen. Het derde lid voorziet in de mogelijkheid de toeslag bij een komende herziening van de pensioenbedragen -rekening houdend met het koopkrachtniveau -op een lager bedrag vast te stellen. Opgemerkt wordt nog, dat door de brutogelijkheid van de AOW-en AWW-pensioenen deze toeslag tevens geldt voor de AWW-pensioenbed ragen.

Artikelen VI, VIII, X en XII

Zoals uit de paragraaf Financiering van hoofdstuk IV van het algemeen deel van deze memorie blijkt, zijn wij van mening, dat het verschil tussen de bruto-uitkering resulterend uit de nettonettokoppeling en het met het in-dexcijfer van de regelingslonen aan te passen deel daarvan dat, onder de thans geldende wetgeving, ten laste van de fondsen komt, ook in de nieuwe situatie door het Rijk moet worden aangevuld in de vorm van een extrarijksbijdrage. In de artikelen VI, VIII, X en XII wordt dit neergelegd, waarbij de artikelen VI en X bewerkstelligen dat het financieel voordeel van de af te bouwen toeslag aan het Rijk toevalt. Het tweede lid van de artikelen VIII en XII opent de mogelijkheid deze extrarijksbijdrage in de toekomst bij te stellen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

Artikelen VII en XI

Voorde vaststelling van de in mei 1980 uitte betalen vakantie-uitkering in-gevolge de AOW en de AWW is het nodig, de in de periode mei 1979 tot en met december 1979 opgebouwde aanspraak van 7 % van de periodieke uitkering in nominale bedragen vastte leggen.

HOOFDSTUK III. ALGEMENE WEDUWEN-EN WEZENWET Artikel IX. Wijziging van de Algemene Weduwen-en Wezenwet

Onderdelen A, B en C Sinds 1 januari 1965 zijn de brutopensioenen ingevolge de AAW gelijk aan de brutopensioenen ingevolge de AOW. Zo is het weduwenpensioen voor een weduwe met één of meer kinderen beneden de leeftijd van 18 jaar gelijk aan het bedrag van het AOW-pensioen voor een echtpaar en het weduwenpensioen voor de overige weduwen gelijk aan het AOW-pensioen voor een alleenstaande. Wij menen dat deze koppeling van de brutobedragen AOW en AWW gehandhaafd moet worden. In het advies van de SER van 5 oktober 1979 zijn ook geen bezwaren tegen deze brutokoppeling ingebracht. Wel heeft de SER de aandacht van de Regering gevraagd voor de als gevolg van deze brutokoppeling optredende verschillen op nettobasis. De SER acht een nadere studie nodig over de vraag of de AWW in de nettokoppeling zou moeten worden betrokken. Hiertoe zijn wij gaarne bereid, waarbij echter wel moet worden aangetekend, dat de afschaffing van de fiscale bejaardenaftrek hierbij een essentiële rol speelt. In de onderdelen A, B en C wordt voorgesteld deze gelijkheid op brutobasis te formaliseren. De AWW-pensioenbedragen zullen dan in het vervolg automatisch de ontwikkeling van de AOW-pensioenen volgen. Voor wat de bedragen van de wezenpensioenen ingevolge de AWW betreft, wordt voorgesteld deze pensioenen voortaan uit te drukken in een percentage van het ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW, waarbij de huidige percentages als uitgangspunt zijn genomen.

Onderdeel D Voor de toelichting van de in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van artikel 21a moge worden verwezen naar de toelichting op onderdeel K van artikel IV.

Onderdelen E, F, G en H In deze onderdelen wordt de brutogelijkheid tussen de vakantie-uitkeringen ingevolge de AOW en de AWW geregeld. Verwezen moge worden naar de toelichting op de vorige onderdelen van dit artikel.

Onderdelen

I.JenK De voorstellen in deze onderdelen houden verband met de voorstellen in de vorige onderdelen en betreffen slechts verletteringen.

HOOFDSTUK IV. ALGEMENE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSWET

Artikel XIII

In onderdeel B van dit artikel is vastgelegd, dat de netto-AWW-uitkering berekend naar de hoogste grondslag gelijk is aan het nettominimumloon. Dit komt overeen met de AOW-uitkering voor gehuwden. Dit geschiedt door wijziging van artikel 11 en het opnemen van een artikel 11a. De verhouding met de andere grondslagen blijft hetzelfde als thans. De overige grondslagen als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, blijven afgeleid van het eigen inkomen. Met het nieuwe lid 5 van het nieuwe artikel 11a wordt beoogd die grondslagen in dezelfde verhoudingen te laten blijven met de grondslag bedoeld in het tweede lid.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15900, nrs. 3-4

In een nieuw artikel 11 worden de definities van netto-uitkering en nettominimumloon neergelegd. Door de wijze van vaststelling van de grondslagen gerelateerd aan het nettominimumloon is evenals bij de AOW een bruto-indexeringsmechanisme overbodig geworden. De betreffende bepalingen zijn uit artikel 11 (oud) verwijderd terwijl artikel 97 waarin de koppeling met de AOW was vastgelegd thans is komen te vervallen (onderdeel H). Tevens is in verband daarmee een wijziging gebracht in het nog bij de Tweede Kamer aanhangige wetsontwerp tot wijziging van de AAW en de WAO (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen) waarin een bepaling is opgenomen die verband houdt met dit brutoaanpassingsmechanisme (zie artikel XIV). De verhoging van de vakantie-uitkering van 7 tot 8 percent zoals ook plaatsvindt in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is vastgelegd in onderdeel F. Daarin is tevens bepaald, dat het percentage van de vakantie-uitkering wijzigingen in het percentage van de wettelijke minimumvakantiebijslag volgt. Onderdeel D heeft betrekking op een redactionele wijziging. Abusievelijk is bij de totstandkoming van de AAW verzuimd de afdracht van de niet-uitbetaalde AAW-uitkeringen van uitkeringsgerechtigden die in WSW-verband werkzaam zijn anders dan in de WAO mede te laten gelden voor de niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen. In de praktijk vindt die afdracht reeds plaats op dezelfde wijze als bij de WAO.

Artikel XV

Zie onderdeel algemeen, onder e.

Artikel XVI

Dit artikel legt vast dat de vakantie-uitkering over de periode mei 1979 tot en met december 1979 7pct bedraagt. Na de uitbetaling van de vakantie-uitkering in mei 1980 verliest deze overgangsbepaling derhalve zijn werking.

HOOFDSTUK V. WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

Artikel XVII

De vaststelling van het minimumdagloon WAO geschiedt door de Sociale Verzekeringsraad met inachtneming van door de Minister van Sociale Zaken te stellen regelen. In feite hielden deze regelen in grote lijnen hetzelfde in als hetgeen thans in het nieuwe artikel 14a wordt neergelegd zij het dat in dit laatste artikel het nieuwe nettominimumloon is gedefinieerd. Het nettominimumloon is hetzelfde begrip als bij de AAW wordt gehanteerd, derhalve met inbegrip van de vakantie-uitkering in de vergelijkingsbasis. Uit onderdeel A van dit artikel blijkt, dat de vaststelling van het minimumdagloon blijft geschieden door de Sociale Verzekeringsraad. Onderdeel C bevat van de WAO de wijzigingen in het brutoaanpassingsmechanisme zoals beschreven in hoofdstuk I van het algemeen deel van deze memorie. In beginsel is de wijziging dezelfde als wordt voorgesteld bij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De materiële effecten van deze bepalingen kunnen echter verschillen met name waar het gaat om de componenten van de index welke naar niveau moeten worden toegerekend. Door de mogelijkheid van toerekening van componenten van de index naar niveau alsmede de invoering van de bijdrage op de uitkeringen als bedoeld in onderdeel G (heffing van de vereveningsbijdrage) is het bestaande derde lid van artikel 15, dat betrekking heeft op de wijzigingen in de reële netto-inkomsten ten opzichte van loontrekkenden, overbodig. Deze bepaling is dan ook niet meer opgenomen. De onderdelen De en F bevatten de wijzigingen die betrekking hebben op de verhoging van de vakantie-uitkering van 7 naar 8 percent. Evenals bij de Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

b5

verhoging van 6 naar 7 percent in 1974 wordt deze verhoging gerealiseerd door een verschuiving van de daguitkering naar de jaarlijkse vakantie-uitkering. Van 1 januari 1980 af wordt van de totale uitkering 8 percent in plaats van 7 percent gereserveerd voorde uitbetaling in mei 1980. Voorts is bepaald dat wijzigingen in het percentage van de wettelijke minimumvakantiebijslag ook zullen leiden tot wijziging van het percentage van de vakantie-uitkering in de WAO. Hetzelfde geldt voor een eventuele vloer in de minimumvakantie bijslag. In hoofdstuk II van het algemeen deel van deze memorie is uitvoerig in-gegaan op de materie van de vakantie-uitkering. De wijziging vervat in onderdeel G betreft de heffing van de in hoofdstuk IV van deze memorie reeds genoemde vereveningsbijdrage. De bedrijfsvereniging houdt op de uitkering het voor werknemers met een met de uitkering overeenkomend loon geldend premiepercentage in. Daarbij wordt uitgegaan van de uitkering waarop de arbeidsongeschikte werknemer op grond van de WAO in beginsel aanspraak kan maken. Dit betekent, dat de heffing plaatsvindt over de volledige WAO-uitkering vóórdat deze gekort wordt op grond van artikel 46a van de WAO in verband met het recht op AAW-uitkering. Zou immers over het met de AAW-uitkering overeenkomende deel van de WAO-uitkering geen bijdrage worden geheven, dan zou het gestelde doel niet worden bereikt, omdat dan slechts van de WAO-aanvulling een bijdrage zou worden geheven, die slechts een zeer gering percentage zou bedragen van de totale arbeidsongeschiktheidsuitkering. In dit verband zij er nog op gewezen, dat de vóór 1 oktober 1976 ingegane WAO-gevallen een volledige WAO-uitkering betreffen, terwijl de na die datum opgekomen gevallen op een bepaalde groep na een AAW-uitkering ontvangen met een aanvullende WAO-uitkering. In hoofdstuk IV is reeds uiteengezet dat is afgezien van formele premieheffing in ruime zin omdat in dat geval de uitkeringsgerechtigde eerst als verzekerde van de onderscheiden wetten zou moeten worden aangemerkt terwijl hij slechts in bepaalde gevallen nog een beroep op de verzekering kan doen. Hoewel dit laatste bij voorbeeld bij de WW voorkomt -ingeval de WAO-uitkering verlaagd wordt bestaat in het algemeen recht op een (aanvullende) WW-uitkering -zou het de juridische verzekeringsgedachte te veel geweld aandoen dit voor alle wetten geheel te formaliseren. Bovendien mag er niet aan worden voorbijgegaan, dat een formele premieheffing afgezien van de wetstechnische implicaties in het administratieftechnisch vlak uiterst ingewikkelde en vaak overbodige procedures met zich meebrengt. Zo zou bij voorbeeld het werkgeversaandeel in de diverse premies eerst moeten wor-de opgebracht door heffing van een hogere WAO-premie wanneer de ingehouden premies aan de respectievelijke verzekeringskassen worden afgedragen. Er ontstaat een interne reeks van geldstromen die geadministreerd moet worden. Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren, dat door bij voorbeeld het heffen van ZW-premie, die wordt afgedragen aan nader te bepalen ziekengeldkassen een verstoring van het financieringsbeleid ontstaat omdat op die ziekengeldkassen door de WAO-gerechtigden nauwelijks of geen beroep wordt gedaan. De redactie van het voorgestelde artikel 79a van de WAO is zo gesteld, dat automatisch elke wijziging in de premieheffing bij de werknemers doorwerkt naar de heffing van de vereveningsbijdrage van de uitkeringsgerechtigden. Dit geldt zowel voor de franchise voor de berekening van de WAO-premie als voor de hoogte van de premiepercentages. Zoals in hoofdstuk IV van deze memorie al is medegedeeld, ligt het in het voornemen voor de hoogte van de Ziektewet" en wachtgeldpremie uit te gaan van dezelfde percentages als welke worden gehanteerd bij de bepaling van het nettominimumloon. Het vijfde lid van het artikel beoogt de mogelijkheid te scheppen voor gevallen waarin sprake is van samenloop van WAO-uitkering met een andere uitkering of loon waarover premie wordt geheven, regelen te stellen met betrekking tot de inachtneming van de franchise voor de berekening van de WAO-premie.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Ten slotte wordt opgemerkt, dat evenals de premie van werknemers de vereveningsbijdrage voor de toepassing van de fiscale bepalingen als aftrekpost wordt aangemerkt.

Artikel XVIII

Zie onderdeel Algemeen, onder b.

Artikel XIX

Zoals bij de toelichting van artikel XVII is aangegeven bewerkstelligt het nieuw voorgestelde artikel 79a van de WAO dat met ingang van 1 januari 1980 op alle WAO-uitkeringen de vereveningsbijdrage wordt ingehouden. Wij zijn van mening -zoals ook in hoofdstuk IV is aangegeven -dat voor de reeds lopende uitkeringen in verband met de heffing van die bijdrage een toeslag op de uitkeringen moet worden verleend. In het zesde lid van dit artikel wordt bepaald, dat de toeslag buiten beschouwing blijft bij de vaststelling van het minimumdagloon. Tevens wordt de toeslag niet als uitkering beschouwd voor de heffing van de vereveningsbijdrage als bedoeld in het nieuwe artikel 79a omdat anders over de toeslag weerde vereveningsbijdrage zou moeten worden ingehouden. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat het wenselijk is dat het verlenen van de toeslag geen invloed heeft op de loongrens van de verplichte verzekering en de premieheffing ingevolge de Ziekenfondswet. Voorkomen moet worden dat de uitkeringsgerechtigde door het verlenen van de toeslag uit de verplichte verzekering zou moeten en dat voorts premie moet worden betaald over de verleende toeslag. Ingevolge het Aanwijzingsbesluit verplicht verzekerden Ziekenfondswet wordt die grens afgemeten aan 80% van het dagloon waarnaar de uitkering wordt berekend. Voor wat de bepaling van de loongrens betreft alsook voor wat de berekening van de premie ingevolge de Ziekenfondswet betreft, wordt nagegaan of en zo ja welke wijzigingen in de sfeer van de uitvoeringsmaatregelen van de Ziekenfondswet nodig zijn.

Artikel XX

Dit artikel regelt evenals bij de AAW het geval is, de overgang van het ou-de naar het nieuwe percentage van de vakantie-uitkering in 1980.

HOOFDSTUK VI. COÖRDINATIEWET SOCIALE VERZEKERING

Artikel XXI

Dit artikel bepaalt van het maximumdagloon het brutoaanpassingsmechanisme op dezelfde wijze als in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en in de WAO. Ook van het maximumdagloon is met name van belang hetgeen hieronder in deze memorie reeds is vermeld ten aanzien van de eliminatie van looncomponenten en de toerekening naar niveau.

Artikel XXII

Dit artikel regelt op dezelfde wijze als in artikel XIX van de WAO geschiedt het definitief voorkomen van de doorwerking van de effecten van verwerking van de toeslagen in de bouw-en uitzendsector.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

HOOFDSTUK VII. WERKLOOSHEIDSWET

Artikel XXIII

Zoals uit hoofdstuk IV van deze memorie al moge blijken zijn wij van mening, dat behalve over de WAO-uitkeringen ook over de WW-en WWV-uitkeringen een vereveningsbijdrage moet worden geheven. Voor de WW betekent dit, dat slechts een bijdrage kan worden geheven ter hoogte van de wachtgeldpremie en de premie voor de werkloosheidsverzekering omdat de overige premies thans al over de uitkering verschuldigd zijn. Een en ander wordt bereikt door een nieuw artikel 26, in de Werkloosheidswet, welke is opgenomen in onderdeel C. Door onderdeel B wordt een nieuw artikel 12a in de Werkloosheidswet opgenomen, dat overeenkomt met het nieuw voorgestelde artikel 14a in de WAO. Dit artikel geeft de regels voor de koppeling van het minimumdagloon WW met het nettominimumloon uitgegaan van de toepassing van de witte tabel. Voor de uitkeringsgerechtigde van de WW wordt derhalve uitgegaan van het fiscale regime voor actieven. Dit betekent dat voor wat het mini-mumdagloon WW betreft slechts een correctie plaatsvindt voor het verschil tussen de voorheen gehanteerde gemiddelde ZW/wachtgeldpremie en de thans voorgestelde. Voor het overige wijken de bepalingen niet af van de nettominimumloonberekening van andere minima.

HOOFDSTUKVIII. ZIEKENFONDSWET

Artikel XXIV

In verband met de voorgestelde wijzigingen van de AOW is het nodig, dat de bepaling in de Ziekenfondswet, waarbij de grenzen van de ziekenfondsverzekering voor bejaarden worden aangepast aan de ontwikkeling van het bruto-ouderdomspensioen voor een echtpaar, aan die wijzigingen wordt aangepast.

HOOFDSTUK IX. WET WERKLOOSHEIDSVOORZIENING

Artikel XXV

Het uit artikel 5 van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) voortvloei-ende systeem om het vastgestelde WWV-dagloon te herzien in overeenstemming met het algemene loonniveau in het beroep van de werknemer, zoals dat is geregeld in het dagloonbesluit blijkt moeilijk uitvoerbaar. Het is namelijk voor de uitvoeringsorganen van de WWV praktisch niet mogelijk om op de hoogte te zijn van alle tussentijdse wijzigingen van de talrijke collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten. In de praktijk ontstonden daardoor verschillende wijzen om het dagloon aan de loonontwikkeling aan te passen. Deze ontwikkeling was voor de Commissie werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad aanleiding om, na overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, voor te stellen om de herziening van het WWV-dagloon te doen geschieden overeenkomstig de herziening van de daglonen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Thans achten wij het gewenst om het brutoaanpassingsmechanisme van de WWV-daglonen in de wet zelf op te nemen. Daarbij wordt hetzelfde systeem gevolgd als bij de WAO. Onderdeel B van dit artikel behelst de opneming van een nieuw artikel 5b in de WWV waarin de koppeling van het minimumdagloon met het nettominimumloon wordt vastgelegd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Onderdeel C bevat de regeling betreffende de inhouding van de vereveningsbijdrage op de WWV-uitkeringen. Materieel betekent dit inhouding van een bijdrage overeenkomend met de premie voor de werkloosheidsverzekering en de gemiddelde Ziektewet/wachtgeldpremie die ook voor de andere wetten en voor de berekening van het nettominimumloon geldt. Evenals bij de WAO wordt de bijdrage voor de loonbelasting als premie aangemerkt.

Artikel XXVI

Dit artikel regelt de basis voor de herziening van de WWV-daglonen per 1 januari 1980. Door deze bepaling krijgen de WWV-daglonen op die datum dezelfde verhoging als de WAO-daglonen.

Artikel XXVII

Deze artikelen regelen de verhoging van de WWV-daglonen per 1 januari 1980 bij wijze van toeslag ter compensatie van de heffing van de vereveningsbijdrage.

HOOFDSTUK X. ALGEMENE BIJSTANDSWET

Artikel XXVIII

Drie nieuwe leden, toegevoegd aan artikel 1 van de Algemene Bijstandswet, regelen: a. de gelijkstelling met het nettominimumloon van het normbedrag voor een echtpaar ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (nettonettokoppeling). b. de begripsomschrijving van het nettominimumloon, overeenkomstig de begripsomschrijving bij andere sociale zekerheidswetten. c. een wettelijke verplichting nadere regelen te stellen voor de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Tot dusverre bestond hiervoor alleen een bevoegdheid op grond van artikel 11 van de Algemene Bijstandswet. Door deze nadere regelen is het nettominimumloon eveneens bepalend voor de hoogte van de overige normbedragen voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

Artikel XXIX

In het eerste en tweede lid van dit artikel wordt de aansluiting geregeld van het brutoaanpassingsmechanisme in een aantal rijksgroepsregelingen met de overige sociale zekerheidswetten. Het vierde lid bepaalt dat op de uitkeringen krachtens de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945 een bedrag wordt ingehouden dat materieel gelijk is aan de inhouding van premies voor de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Met het vierde lid wordt beoogd dat een verlaging plaatsvindt van dit bedrag, indien er sprake is van samenloop met andere inkomsten, die reeds aan premieheffing zijn onderworpen.

Artikel XXXI

De koppeling van de normbedragen aan het nettominimumloon houdt, door de wijze waarop het nettominimumloon wordt bepaald, enige achteruitgang in van de bijstandsuitkeringen. In verband daarmede wordt een toeslag toegekend, die geleidelijk wordt afgebouwd. Dit wordt geregeld in het eerste en tweede lid van dit artikel. -Het bepaalde in artikel XXIX, derde lid, van deze wet betekent voor de uitkeringen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

1940-1945 eveneens een verlaging. In verband daarmee wordt een compensatie verleend in de vorm van een toeslag welke geleidelijk wordt afgebouwd. De verlening van deze toeslag en de wijze waarop deze wordt vastgesteld wordt geregeld in het derde tot en met zevende lid van dit artikel. -Voor alle in dit artikel genoemde toeslagen geldt dat het tempo van de afbouw wordt bepaald door de ruimte, die de koopkrachtontwikkeling daartoe biedt. De vaststelling van de toeslagen en de afbouw geschiedt bij algemene maatregel van bestuur, overeenkomstig het bepaalde bij andere sociale zekerheidswetten.

HOOFDSTUK XI. WET UITKERINGEN VERVOLGINGSSLACHTOFFERS 1940-1945

Artikel XXXII. Wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

  • A. 
    De aanpassing van de uitkeringsgrondslagen ingevolge de W.u.v. en de in die wet genoemde bedragen heeft steeds plaatsgevonden middels hetzelfde brutoaanpassingsmechanisme als door de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt gehanteerd voor de aanpassing van de daglonen. De voorgestelde wijzigingen in dit artikel, betrekking hebbend op het eerste, tweede en zesde lid -de overige leden zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven -hebben tot doel om ook thans weer op dit punt coördinatie met het aanpassingsmechanisme in laatstgenoemde wet te bewerkstelligen. Voor de toelichting op deze wijziging moge worden verwezen naar hetgeen in het algemeen gedeelte van deze memorie is beschreven omtrent het brutoaanpassingsmechanisme en naar de toelichting op artikel XVII betreffende de wijziging van artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. B. In het algemeen gedeelte van deze memorie is reeds uitvoerig uiteengezet welke overwegingen ten grondslag liggen aan het voornemen om te voorkomen, dat zich blijvend onevenwichtigheden in de netto-inkomensontwikkelingen voordoen. Daarbij is tevens aangegeven dat deze onevenwichtigheden zich niet alleen voordoen in de socialeverzekeringssector doch evenzeer in de wetten en regelingen, die qua berekeningssystematiek van de uitkeringen en pensioenen daarmede nauwe verwantschap vertonen. Het in dit onderdeel opgenomen nieuwe artikel 19a strekt ertoe om ook op de uitkeringen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers een vereveningsbijdrage in te houden, waaraan dezelfde gedachte ten grondslag ligt als aan het heffen van een dergelijke bijdrage om uitkeringen ingevolge enkele socialeverzekeringswetten. Met het vierde lid van artikel 19a wordt beoogd, dat een verlaging plaatsvindt van het ingevolge het eerste lid van dat artikel op de uitkering in mindering te brengen bedrag, indien er sprake is van samenloop met andere in-komsten, waarop premies ingevolge de genoemde socialeverzekeringswetten zijn ingehouden of die reeds een vermindering hebben ondergaan van dezelfde aard en strekking als bedoeld in dit artikel. Tot deze andere inkonv sten behoren ook de pensioenen ingevolge de Wetten buitengewoon pensioen, waarop een analoge vermindering aan die van artikel 19a van de W.u.v. is toegepast. De uitzondering, die in het vijfde lid van artikel 19a is opgenomen, is noodzakelijk omdat de aan de in Indonesië woonachtige uitkeringsgerechtigden toegekende uitkeringen niet zijn afgeleid van een Nederlands arbeidsinkomen (artikel 8, derde lid, van de W.u.v.), terwijl de uitkering ingevolge artikel 13, eerste lid, toegekend aan de volle wees niet naar een arbeidsinkomen wordt berekend, doch wordt vastgesteld naar de individuele behoefte.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Artikel XXXIII

Deze bepaling heeft, evenals dit bij de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering het geval is, tot strekking de doorwerking van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli 1978 en van 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector in de grondslagen ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers te voorkomen. Daarom is bepaald, dat bij de herziening per 1 januari 1980 wordt uitgegaan van het feitelijke indexcijfer der regelingslonen per ultimo april dat 187,3 bedraagt.

Artikel XXXIV

Het ingevolge het voorgestelde artikel 19a van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers op de uitkeringen in te houden bedrag betekent voor de uitkeringsgerechtigden, aan wie vóór 1 januari 1980 reeds een uitkering was toegekend, een achteruitgang in netto-inkomen. Zoals ook in hoofdstuk IV reeds is aangegeven zijn wij van mening dat in verband met deze inhouding voor de reeds toegekende uitkeringen een compensatie moet worden verleend in de vorm van een toeslag, die geleidelijk wordt afgebouwd. Het tempo van deze afbouw wordt bepaald door de mogelijkheden die de koopkrachtontwikkeling daartoe biedt. In verband hiermede wordt bij elke herziening van de grondslagen de hoogte van die toeslag bij algemene maatregel van bestuur nader vastgesteld.

HOOFDSTUK XII. WETTEN BUITENGEWOON PENSIOEN Artikel XXXV. Wijziging van de Wet buitengewoon

pensioen

1940-1945

  • A. 
    De aanpassing van de pensioenbedragen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen heeft steeds plaatsgevonden middels hetzelfde brutoaanpassingsmechanisme als door de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt gehanteerd voor de aanpassing van de daglonen. De voorgestelde wijzigingen in dit artikel, betrekking hebbende op het eerste, tweede en zesde lid -de overige leden zijn inhoudelijk ongewijzigd gebleven -hebben tot doel om ook thans weer op dit punt coördinatie met het aanpassingsmechanisme in laatstgenoemde wet te bewerkstelligen. Voor de toelichting op deze wijziging moge worden verwezen naar hetgeen in het algemeen gedeelte van deze memorie is beschreven omtrent het brutoaanpassingsmechanisme en naar de toelichting op artikel XVII betreffende de wijziging van artikel 15 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. B. In het algemeen gedeelte van deze memorie is reeds uitvoerig uiteengezet welke overwegingen ten grondslag liggen aan het voornemen om te voorkomen, dat zich blijvend onevenwichtigheden in de netto-inkomensontwikkelingen voordoen. Daarbij is tevens aangegeven, dat deze onevenwichtigheden zich niet alleen voordoen in de socialeverzekeringssector, doch evenzeer in de wetten en regelingen, die qua berekeningssystematiek van de pensioenen en uitkeringen daarmede nauwe verwantschap vertonen. Het in dit onderdeel opgenomen nieuwe artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen strekt ertoe om ook op de pensioenen ingevolge deze wet een vereveningsbijdrage in te houden, waaraan dezelfde gedachte ten grondslag ligt als aan het heffen van een dergelijke bijdrage op uitkeringen ingevolge enkele socialeverzekeringswetten.

Artikel XXXVI. Wijziging van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers A en B. Voor de toelichting op de in deze onderdelen opgenomen wijzigingen wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is gesteld in de toelichting op de onderdelen A en B van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

Artikel XXXVII

Deze bepaling heeft, evenals dit bij de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering het geval is, tot strekking de doorwerking van de effecten van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli 1978 en van 31 december 1978 en van de ca.o. voor uitzendkrachten in de kantoor-en administratieve sector in de pensioenbedragen ingevolge de Wetten buitengewoon pensioen te voorkomen. Daarom is bepaald, dat bij de herziening per 1 januari 1980 wordt uitgegaan van het feitelijke indexcijfer der regelingslonen per ultimo april dat 187,3 bedraagt.

Artikel XXXVIII

Het ingevolge het voorgestelde artikel 36 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en artikel 32 van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers op de pensioenbedragen in te houden bedrag betekent voor de gepensioneerden, aan wie vóór 1 januari 1980 reeds een buitengewoon pensioen was toegekend, een achteruitgang in netto-inkomen. Zoals ook in hoofdstuk IV reeds is aangegeven zijn wij van mening, dat in verband met deze inhouding voor de reeds toegekende pensioenen een compensatie moet worden verleend in de vorm van een toeslag, die geleidelijk wordt afgebouwd. Het tempo van deze afbouw wordt bepaald door de ruimte, die de koopkrachtontwikkeling daartoe biedt. In verband hiermede wordt bij elke herziening van de pensioenbedragen de hoogte van die toeslag bij algemene maatregel van bestuur nader vastgesteld.

HOOFDSTUK XIII. WET OP DE LOONBELASTING

Artikel XXXIX

Dit artikel strekt ertoe de vereveningsbijdragen die op de onderscheidene uitkeringen worden ingehouden in fiscaal opzicht op dezelfde wijze te behandelen als de premies ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daartoe wordt voorgesteld deze vereveningsbijdragen niet tot het loon voor de loonbelasting te rekenen. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de in de bestaande tekst van artikel 11, eerste lid, letter g, onder 2°, voorkomende staatsbladaanduidingen aan te passen.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf

De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, J. G. Kraaijeveld-Wouters De Staatssecretaris van Financiën, A. Nooteboom

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15900, nrs. 3-4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.