Inhoudsopgave

Tekst

Nr.3

LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 25 februari 1980

De vaste Commissie voor Financiën' zal -overeenkomstig artikel 39a van het reglement van orde -deze nota op vrijdag 21 maart behandelen in een openbaar overleg met de Regering, te zamen met de bijzondere cortv missie voor het emancipatiebeleid. Tijdig tevoren ontvangt de commissie graag antwoord op de navolgende vragen, die zoveel mogelijk zijn gerangschikt volgens de indeling van de nota.

Inleiding (blz. 4 t/m 8)

1 Bevestigen de cijfers dat in de groep waar het inkomen van de vrouw hoger is dan dat van de man, het totaalinkomen in meer dan de helft van de gevallen hoger is dan f 60 000? Hoe vaak komen in die groep totaalinkomens van meer dan f 80 000, respectievelijk meer dan f 100 000 voor?

Houdt het noemen (op blz. 8) van mitigerende wijzigingen ter aanwending van de budgettaire bate in, dat wordt erkend dat de structuurwijziging budgettair neutraal moet zijn?

Kunnen nog andere mogelijkheden ter bereiking van deze budgettaire neutraliteit worden genoemd onder vermelding van hun budgettaire effect?

I. Historisch overzicht (blz. 9 t/m 18) ' Samenstelling: Joekes (VVD), voorzitter, Portheine (VVD), Dankert (PvdA), Van Dis (SGP), Epema-Brugman (PvdA), Van Amelsfoort (CDA), ondervoorzitter, Jansen (PPR), Kombrink (PvdA), Van der Hek (PvdA), Rienks (PvdA), Engwirda (D'66), De Graaf (PvdA), Van Dijk (CDA), Wöltgens (PvdA), Hermans (VVD), Van Rooijen (CDA), De Korte (VVD), Bakker (CDA), De Vries (CDA), Couprie (CDA), Van lersel (CDA)

Kan de Regering een overzicht geven van de relevante ontwikkelingen in de sociale verzekeringswetgeving, het inkomensbeleid, het pensioen, het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht, zoals ook door het CNV wordt bepleit? Kan ook een overzicht worden gegeven van de relevante ontwikkelingen bij de vermogensbelasting, het successierecht en het schenkingsrecht?

4 vel

Tweede Kamer,zitting 1979-1980, 15835, nr.3

6 Acht de Regering de opmerking (onderaan blz. 11) juist, dat de kosten in verband met het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw doorgaans hoger zijn naarmate het inkomen van de vrouw hoger is? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?

7 Is het stelsel van vóór 1973 vanuit de draagkrachtgedachte niet beterte motiveren?

II. Analyse van het wettelijke systeem (blz. 19 t/m 28) 8 Wordt het knelpunt (blz. 20) van de hypotheekrente door de nieuw voorgestelde regeling opgelost, namelijk door deze in mindering te brengen bij de meest verdienende?

9 Hoe wordt bij draagkrachtberekeningen de produktieve waarde van de huisvrouw (of man) verdisconteerd? Heeft er (recent) budgetonderzoek plaatsgevonden als onderbouwing van de onderscheiden belastingvrije sommen en/of de verschillen van die sommen?

10 In welk percentage van de «gezinnen» wordt door beide partners betaalde arbeid verricht, als onder «gezinnen» ook worden verstaan samenwonenden?

11 Waarop berust de angst (blz. 24 bovenaan) dat thuiswerkende vrouwen een vergeten groep zouden worden? Kan deze angst worden weggenomen door een analyse van het belang van deze groep voor ons economisch bestel? Zo ja, wil de Regering deze analyse dan maken?

12 Is het, gezien de nieuwe visie op het rollenpatroon van mannen en vrouwen, nog correct te veronderstellen dat één partner zich wel voornamelijk zal bezighouden met het verrichten van huishoudelijk werk?

13 Waarom wordt zo weinig aandacht gegeven aan het nieuwe streven om deeltijdarbeid ingevoerd te krijgen, zowel ten behoeve van mannen als ten behoeve van vrouwen?

14 Waarop is precies de mening van de Regering (blz. 27) gebaseerd dat de vermogensrechtelijke basis van de meeste huwelijken individualisering van de overige vruchten (en de lasten) van de gemeenschap niet of nauwelijks toelaat?

15 In welke mate blijven de AOW/AWW premieteruggaven (blz. 28) belastingvrij, omdat de man geen aanslag inkomensbelasting krijgt?

III. Alternatieve stelsels

Volkomen gescheiden heffing (Blz. 43 t/m 46) 16 Welke moeilijkheden kunnen ontstaan indien ertussen de echtgenoten geen algehele goederengemeenschap is overeengekomen, door de toerekening aan de echtgenoten van hun eigen vermogensinkomsten?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 3

17 Waarom zouden andere gezinsuitgaven -zoals ziektekosten en giften -niet pondsgewijze over de echtgenoten kunnen worden verdeeld?

18 Treedt in het door de bewindsman ontworpen stelsel niet het op blz. 55 genoemde nadeel op van de gescheiden heffing dat deze leidt «tot een geringere belastingdruk op een echtpaar waarvan beide partners een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen, dan op een echtpaar waarvan 1 partner een zelfde inkomen alleen inbrengt» waarbij dan nog volgens de nota komt dat «wanneer men van mening is dat een echtpaar een eenheid van draagkracht is, de door de gescheiden heffing optredende verschillen een minder rechtvaardigde verdeling van de belastingdruk kunnen inhouden»? Komt de in de nota voorgestelde oplossing niet erg dicht bij deze gescheiden heffing met name als er sprake is van twee inkomens uit arbeid (feitelijke gescheiden heffing)? Op welke gronden is de geringere belastingdruk, waarvan de nota spreekt, te motiveren?

Splitting (blz. 46 t/m 55)

19 Wat is het bezwaar tegen een splittingstelsel waarbij een zwaarder tarief wordt gehanteerd dan het ongehuwde tarief?

IV. Buitenlandse regelingen (blz. 56 t/m 60) 20 Kan een uitgebreide toelichting worden gegeven op het splittingstelsel in Frankrijk, met een oordeel over het Franse systeem?

21 Waarom stelt de Staatssecretaris niet voor rekening te houden met de kosten van vervanging van de moederthuis bij aanwezigheid van jonge kinderen, zoals dat in Zweden gebeurt?

22 Kan ook het stelsel in Oostenrijk worden gegeven?

De kernpunten van een nieuw stelsel (blz. 69 t/m 71) 23 In hoeveel huwelijken werken beide partners a. in de categorie tot 30 jaar (leeftijd man) b. in de categorie 30-40 jaar c. in de categorie 40-50 jaar d. in de categorie 50 jaar en ouder?

24 Wat is het oordeel van de Regering over de opmerking van het CNV dat vanuit een vrijwel louter belastingpolitiek beschouwelijke benadering tot een min of meer pragmatische keuzebepaling wordt gekomen, waarbij vooral recht wordt gedaan aan de wens om te komen tot een fiscale verzelfstandiging van man en vrouw in het huwelijk?

25 Wat is het oordeel van de Regering over de stelling van het CNV dat gelijke berechtiging nog niet hoeft te leiden tot verzelfstandiging of individualise-en de stelling van het CNV dat de gezinsdraagkracht door de individualisering sterk aan betekenis heeft ingeboet?

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15835, nr. 3

26 Op welke wijze komt in het voorstel van de Staatssecretaris de gezinsdraagkracht nog tot uiting, met name ook indien er uitsluitend sprake is van inkomen uit arbeid?

27 Wat is het oordeel van de Regering over de stelling van het CNV dat volledige individualisering ervan uitgaat dat elk der partners het eigen arbeidsinkomen voor zichzelf behoudt? Vindt in de praktijk niet een samenvoeging van inkomens plaats, van waaruit de gezamenlijke kosten van huisvesting en huishouding worden bestreden? Worden in een huwelijk, in een gezin, niet vrijwel alle bestedingen gedaan vanuit het samengevoegde inkomen van man en vrouw? Moet de belastingheffing niet ook met deze realiteit rekening houden, waar ons belastingstelsel zich ook overigens aan de realiteit bindt?

28 Kan de Regering uitvoerig ingaan op het voor en tegen van de systematiek, waarin het inkomen uit arbeid van de vrouw apart wordt belast tot een zeker maximum, hetzij als element van het oude systeem van vóór 1973 (samentelling), hetzij als element van het voorgestelde systeem (individueel)? Wat is het oordeel van de Regering over de suggestie van het CNV om verzelfstandiging en individualisering te beperken tot een beperkt bedrag aan arbeidsinkomen? Erkent de Regering dat bij een zodanig beperkte aparte belastingheffing het nadeel van de integrale samentelling (fiscale rem op het verrichten van betaalde arbeid) grotendeels wordt weggenomen?

29 Waarom wordt in de nota niet uitvoeriger ingegaan op argumenten die vanuit de gezinsdraagkracht zijn aan te voeren voor een ander stelsel dan het huidige én het voorgestelde systeem?

30 Is de Regering van mening dat «een echtpaar een eenheid van draagkracht» is, en -zo ja -waarom en -zo nee -waarom niet?

31 Waarom is gekozen voor de aanpassing van het regime voor ongehuwd samenwonenden aan dat van gehuwden in plaats van andersom?

32 Waarom noemt de Staatssecretaris niet het feit dat veel vrouwen vrijwilligerswerk verrichten, waardoor het huishouden lang niet zo voordelig kan gebeuren als in gezinnen waar één partner zich uitsluitend aan huishoudelijke arbeid wijdt?

33 Zijn degenen voor wie de loonbelasting eindheffing is niet in het nadeel bij degenen die inkomsten hebben uit bedrijf en beroep doordat de laatsten het totaal kunnen overzien als zij aangifte doen?

34 Moet uit de eerste volle zin op blz. 71: «Waar de heffing van het individu als uitgangspunt van het stelsel geldt, zou dat een stap terug betekenen», worden opgemaakt dat de Staatssecretaris in de toekomst verder wilde gaan op de weg van de individualisering?

35 Kan beter worden aangegeven waarom een stelsel dat de gezinsrelatie geheel buiten beschouwing laat in strijd zou zijn met het tweede kernpunt: het stelsel dient aan te sluiten bij de maatschappelijke situatie?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

36 Betekent de toerekening van alle overige inkomensbestanddelen aan de kostwinner, ook wanneer deze van een ander opkomen, niet ipso facto een fiscale miskenning van het rollenpatroon? Is de correcte toerekening nu niet juist de essentie, waarom het bij de heffing van individuele subjecten moet gaan? Wordt met de niet-correcte toerekening op dit ogenblik niet ten onrechte het gehuwde paar gediscrimineerd ten opzichte van de ongehuwd samenlevenden?

37 Bevat kernpunt 4 niet de tegenstrijdigheid dat er wat het tarief betreft géén en wat inkomstentoerekening betreft wèl onderscheid is tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden?

38 Betekenen de woorden «voor wat betreft het tarief» in de formulering van het uitgangspunt, dat de opheffing van het onderscheid in fiscale behandeling van de gehuwde en de ongehuwde samenlevingsverbanden tot de tariefstelling zou moeten worden beperkt?

39 Is over de uitvoerbaarheid van de voorstellen overleg gevoerd met de uitvoerders, t.w. de inspecties?

Het tarief in het nieuwe stelsel: belastingvrije sommen (blz. 72) 40 Is een verhouding van de belastingvrije sommen voor de groepen 2, 3 en 4, nl. 60 : 80 : 100 verantwoord? Zou niet meer inzicht via een budgetonderzoek nodig zijn? Bestaat er een bepaalde logica in de verhouding der belastingvrije sommen en -zo ja -welke?

41 Is een toekenning van de toeslag op de belastingvrije som niet juister voor alle ongehuwden, die als alleenstaanden een eigen huishouding financieren? Welk bedrag zou zijn gemoeid met het toekennen van de alleenstaandenaftrek aan een ieder die alleen woont in een als woning geregistreerde woonruimte ten opzichte van de voorgestelde situatie?

42 Wordt de alleenstaande ongehuwde niet te zwaar belast vergeleken met het echtpaar waarvan de vrouw niet buitenshuis werkt?

43 Heeft «gehuwd geweest zijn» of «ouder zijn dan 35 jaar» invloed op de draagkracht van alleenstaanden?

44 Zou een gelijke vrije som van twee verdienende partners en de alleen verdienende overweging verdienen? Op welk niveau zou die gelijke vrije som dienen te komen bij budgettaire neutraliteit?

De toerekening van «overige inkomsten» (blz. 73 t/m 75) 45 Waarom laat de maatschappelijke situatie nog niet toe, dat overige inkomensbestanddelen worden geïndividualiseerd? Zou kunnen worden aangegeven welke fiscale problemen zich hierbij kunnen voordoen?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 3

46 Zal het toerekenen van de overige bestanddelen van het inkomen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen niet tot gevolg hebben dat dan eens aan de ene en dan weer aan de andere partner moet worden toegerekend?Zal zich dit verschijnsel niet juist bij van jaar tot jaar wisselende ondernemingswinsten veelvuldig voordoen?

47 Zal door de eerder genoemde toerekening het aantal aanslagen in de in-komstenbelasting niet sterk toenemen?

48 De nota zegt dat het toerekenen van de andere inkomensbestanddelen aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen, het voordeel oplevert van lagere drempels voor buitengewone lasten en giften. Is het echter niet denkbaar dat bij het huidige systeem die drempels nihil zijn (een negatief onzuiver inkomen) terwijl er bij het voorgestelde systeem wel een drempel bestaat?

49 Dient bij toerekening van pensioen aan elk van de twee partners niet de vrije som van de alleenverdiener te gelden (f10070) in plaats van 2 x f6 042 omdat geen sprake is van het verlies van de besparende werking van het huwelijk door het werken buitenshuis?

50 In het voorgestelde stelsel worden particuliere lijfrenten toegerekend aan de partner met het hoogste arbeidsinkomen. Impliceert dit dat lijfrenten op grond van een stamrecht, bedongen door een gehuwde vrouw, die voor haar rekening een onderneming heeft gedreven, bij haar echtgenoot zullen worden belast? Zo ja, ontstaat dan niet een verschil in behandeling met de pensioen genietende gehuwde vrouw? Zo ja, hoe is dat dan te rechtvaardigen?

51 Zijn er geen methoden te vinden waardoor lijfrentetermijnen toch worden aangemerkt als pensioen ten aanzien van degenen die daarvoor in aanmerking komen?

52 Zou het niet wenselijk zijn om de medewerkende echtgenote óók een deel van de overdrachts-of liquidatiewinst toe te delen, uiteraard afhankelijk van de mate waarin zij in de onderneming heeft meegewerkt? Zo ja, past het dan niet bij het voorstel om het pensioen van een gehuwde vrouw apart te belasten, dat wordt vastgesteld of de stamrechtvrijstelling ook voor de echtgenote van toepassing moet zijn en, zo ja, of een door haar bedongen stamrecht ook bij haar zou worden belast?

53 Is het niet wenselijk de huwelijkspartners die beiden in de onderneming werkzaam zijn, onder zekere waarborgen, de vrijheid te geven zelf een winstverdeling te kiezen die naar hun oordeel min of meer in overeenstemming is met hun inbreng in de onderneming? Zou hiertoe niet een samenwerkingsovereenkomst -minder ver gaand dan de vennootschap onder firma of de maatschap -waarin de fiscale winstverdeling wordt vastgelegd, aan de in-specteur ter goedkeuring kunnen worden voorgelegd, waarna de huwelijkspartners daaraan voor een bepaalde periode, bij voorbeeld 5 jaar zouden zijn gebonden? Zou niet in de gevallen, waarin een dergelijke samenwerkingsovereenkomst niet mogelijk of niet gewenst is, de huidige regeling van toepassing kunnen blijven?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 3

54 Hoe beantwoordt de Regering de vraag of de meewerkende gehuwde vrouw ook een eigen fiscale oudedagsreserve moet hebben?

55 Welke veranderingen ondergaaneventueel de opbouw en de afwikkeling van de fiscale oudedagsreserve in het nieuwe stelsel vergeleken met het ou-de stelsel?

56 Aan wie worden de positieve en negatieve inkomsten uit vermogen toegerekend indien man en vrouw gezamenlijk een bedrijf uitoefenen en daarin in gelijke mate participeren, dan wel indien man en vrouw gelijke arbeidsinkomsten genieten?

57 Aan wie worden de inkomsten uit vermogen toegekend als er sprake is van een huwelijksvermogensregime waarbij de inkomsten uitsluitend ter beschikking staan van één der partners?

58 Waarom is er geen relatie tussen de belasting op vermogensinkomsten en het huwelijksgoederenregime?

59 Wat zijn de effecten als de vermogensinkomsten van de vrouw ook bij de vrouw worden belast, ongeacht de hoogte van beide inkomens uit arbeid?

60 Is het niet in strijd met de uitgangspunten van de nota de kostwinnersvergoeding ex artikel 34 van de Dienstplichtwet uit te zonderen van individualisering?

61 Kunnen de opbrengsten uit onderverhuring niet toch onder de individualisering worden gebracht?

62 Dient de individualisering niet ertoe te leiden, dat studiebeurzen voor studentenechtparen worden belast bij de partner aan wie de beurs wordt toegekend?

Alleenverdieners (blz. 76)

63 Is de alleenverdienersaftrek als blijvend bedoeld of wil de Regering deze gaan afbouwen in een aantal jaren?

64 Kan de alleenverdienersaftrek -in verband met de toepassing van het draagkrachtbeginsel -worden beperkt tot hen die kinderen tot hun last hebben? Wat zijn de budgettaire effecten die dan optreden?

65 Kan de alleenverdienersaftrek worden gerelateerd aan het criterium «eigen huishouding»?

66 Welke invloed zou het niet invoeren van alleenverdienersaftrek hebben op de koopkracht van 1) het minimumloon, 2) het modaal inkomen, 3) twee maal modaal?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

67 Is de tariefgelijkstelling tussen de «alleenverdiener, gehuwd met zijn partner» en de «alleenverdiener, niet gehuwd met zijn partner» niet een miskenning van de rechten en verplichtingen, waardoor het huwelijk zich onderscheidt van de ongehuwde samenwoning?

68 Hoe beoordeelt de Regering de hoge marginale druk die ontstaat door het dalen van de «kostwinnerstoeslag», indien de niet-verdienende echtgenootpartner een zelfstandig te belasten inkomen verkrijgt? Deelt de Regering de mening van Renes (WFR 17-1-80, blz. 47), datals gevolg van cumulatievan marginale tarieven van belasting en inkomensprijzen -voor betrokkenen de financiële gevolgen onbegrijpelijk groot zijn?

69 Is de Regering niet van mening, dat de belastingvrije som het werken van de partner zal tegengaan, aangezien bij het deelnemen aan het arbeidsproces deze toeslag zal verdwijnen en dit gezien kan worden als een extra belasting op het werken van de partner?

70 Waarom is de grens van 30 jaar voor de oudere ongehuwde belastingplichtige (tariefgroep 3) billijker dan de huidige van 35 jaar?

71 Hoe beoordeelt de Regering de stelling van MVM dat het verdienende kind -als gevolg van het vervallen van de alleenverdienersaftrek van de alleenstaande ongehuwde ouder -gedwongen medekostwinner wordt?

Voorbeelden van het nieuwe stelsel (blz. 78 t/m 81) 72 Is het billijk dat de maatschappelijke behoefte aan verzelfstandiging van de belastingheffing voor de gehuwde man en vrouw resulteert in een toename van de belastingdruk?

73 Betekent voor de groep, waarbij het inkomen van de vrouw hoger is dan het inkomen van de man, het meer tot uitdrukking brengen van de emancipatiegedachte belastingverlaging? Erkent de Regering dat dit juist de groep is met «sterke schouders» omdat het totaal inkomen dan meestal hoger is dan in de situatie waarin het inkomen van de man hoger is dan het in-komen van de vrouw?

74 Hoe beoordeelt de Regering vanuit het inkomensbeleid gezien het «belastingvoordeel» van f 2704 vermeld in voorbeeld 41 onder a en b, dat optreedt in een gezin waarbij de man f 30000 verdient en de vrouw f 50 000?

75 Wordt het belastingvoordeel van het nieuwe stelsel in voorbeeld 41 hoger naarmate de aftrekpost (negatief inkomen uit eigen woning) hoger is?

76 Hoe komt voorbeeld 41 eruit te zien als het arbeidsinkomen van de man f30000 bedraagt en het arbeidsinkomen van de vrouw f 80 000 meteen negatief inkomen uit eigen woning van resp. f 10000, f 20000 en f 30000? Idem, indien het inkomen van de man f 50000 bedraagt en het inkomen van de vrouw f 80 000?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 3

77 Hoe zou voorbeeld 41 eruit zien indien de verzelfstandiging van het arbeidsinkomen van de vrouw zou worden beperkt tot aparte belastingheffing over arbeidsinkomen tot f 30000 resp. f 50 000?

Behandeling van samenwonenden (blz. 81 t/m 84) 78 Is er een kwalitatieve en een kwantitatieve inventarisatie gemaakt van alle vormen van samenleving? Welke definities zijn daarbij gehanteerd? Welke aantallen zijn geconstateerd?

79 Wordt onder «het duurzaam deelgenoot zijn van andere vormen van leefverband» ook gerekend moeder met zoon, vader met zoon, twee broers, etcetera? Kan nauwkeurig worden uiteengezet welke «combinaties» hieronder vallen? Anders gevraagd: kan het begrip «partner» worden gedefinieerd?

80 Betekent de stelregel, dat waar het belang bij de contribuabelen ligt, zij hun recht op een verhoogde belastingvrije som moeten aantonen, niet een vorm van omkering van de bewijslast? Vraagt men met deze bewijsregel niet het onmogelijke bewijs, nl. het bewijs dat niet een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd? Op welke wijze zou dit bewijs naar de mening van de Regering kunnen worden geleverd? Hoe zou in dat verband door de fiscus moeten worden gereageerd op een verandering van samenlevingspartner?

81 Roept de gelijkstelling van samenwonen met huwelijk niet bedenkingen op wat betreft het tarief (zie Mobach in het weekblad voor Fiscaal Recht, nr. 5428, blz. 1240)?

82 Waarom is gekozen voor het schrappen van de verlichtingen voorwerken-de samenwonende ouders en niet voor een verlichting voor gehuwde werkende ouders?

83 Wat vindt de Regering van het idee van «Man Vrouw Maatschppij» om het huidige allegaartje van voordelen voor ongehuwde ouders te vervangen door een goed uitgewerkt stelsel van verlichtingen voor werkende ouders, gedifferentieerd naar aantal en leeftijd van de kinderen?

84 Is het uitvoeringsbezwaar verbonden aan voetoverheveling bij samenwonenden groot te achten?

85 In hoeverre kan het verschijnsel, dat, indien van samenwonende familieleden ouder dan 18 jaarbij voorbeeld een alleenstaande ouder met een niet-studerend of niet-werkend kind of broers en zusters -één van beiden geen inkomen verwerft noch studeert, de ander in aanmerking komt voor de verhoogde belastingvrije voet, op gespannen voet komen met de in artikel 46, lid 1, letter a, IB '64 opgenomen aftrek voor buitengewone lasten wegens «uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud» voor genoemde familieleden?

86 Waarom wordt aan permanent samenwonenden niet de maritale verliescompensatie toegekend?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15835, nr. 3

87 Kunnen samenwonenden in tegenstelling tot echtparen toekomen aan a) dubbele aftrek van premies voor lijfrenten ex artikel 45, lid 2 IB '64, b) dubbele aftrek van de tot f 4000 gemaximeerde vooruitbetaalde rente, c) dubbele aftrek van de aangekondigde beperking tot f 5000 van betaalde niet-hypothecaire rente? Is het niet billijker de partners in samenlevingsvormen slechts gezamenlijk aan genoemde grenzen te laten toekomen om aldus een gelijkstelling met echtparen te bewerkstelligen? Kan dit niet worden geëffectueerd door de partner met het hoogste inkomen de aftrek te verlenen?

88 Heeft de beslissing van de Hoge Raad van 29 oktober 1979 (arrest nr. 19430) met betrekking tot nieuwe woningen als gevolg dat bij andere samenlevingsvormen dan het huwelijk de inkomstenbelastingdruk hoger zal zijn, terwijl oude, verwaarloosde panden «op kosten van de fiscus» kunnen worden opgeknapt door de partners in een samenlevingsvorm? Wat is dienaangaande de mening van de bewindsman? (Zie ook J. Renes in Weekblad voor Fiscaal Recht nr. 5435 van 17 januari 1980) 89 Ziet de Regering geen aanleiding ook gelijkstelling na te streven van gehuwden en ongehuwden die met elkaar een gemeenschappelijke huishouding voeren ten aanzien van de toepassing van artikel 42a Wet IB 1964, ook als de mate van mede-eigendom niet gelijk is?

90 Kan de Regering nog ingaan op de successierechtelijke problemen die optreden bij het overlijden van één van de partners in een niet-huwelijkse relatie?

Het bijzondere tarief (blz. 90) 91 In de nota wordt met betrekking tot de berekening van het bijzondere tarief uitsluitend aandacht geschonken aan gevallen waarin voetoverheveling plaatsvindt. Kan het voorgestelde systeem niet óók van invloed zijn op het te berekenen gemiddelde inkomen over de drie voorgaande jaren, bij voorbeeld wanneer de vrouw in de voorafgaande jaren arbeidsinkomen genoot en de man uitsluitend inkomen uit vermogen? Zullen niet, doordat die in-komsten aan de vrouw worden toegerekend, de inkomsten van de man nihil zijn en geldt dan niet, althans volgens het thans nog geldende systeem, het tarief van 20%?

Effecten voor de loonbelasting (blz. 92 t/m 93) 92 Welke concrete oplossingen zijn er voor de gesignaleerde problemen bij de afstemming van de loonbelasting op de inkomstenbelasting?

93 Is het apparaat van de inspectie ingesteld op de toename van het aantal gevallen waarin de loonbelasting geen eindheffing meer zal zijn?

94 Welke regeling is nodig bij de werknemersverklaring nu deze ook gegevens moet gaan bevatten over het te verwachten inkomen van de huwelijkspartner? Is hier sprake van een inbreuk op de privacy?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

Premieheffing (blz. 94)

95 Wanneer is het resultaat van de studie van de interdepartementale werkgroep inzake de individuele behandeling van gehuwden voor de premieheffing te verwachten?

96 Waarom is de positie van de gehuwde vrouw bij de premieheffing voor de volksverzekeringen niet tevens in de voorstellen betrokken?

97 Hoe groot is de vertraging die zal optreden indien de individualisering op fiscaal gebied eerst wordt ingevoerd in samenhang met de individualisering op a) andere terreinen van sociale zekerheid, b) alleen op het terrein der premieheffing volksverzekering?

98 Hoe is te motiveren dat bij allerlei zeer belangrijke subsidie-en bijdrageregelingen de gezinsdraagkracht een rol blijft spelen? Meent de Regering dat dit zo zou moeten blijven en -zo ja -waarom? Of meent zij dat ook daar geleidelijk aan een zekere verzelfstandiging gewenst zou kunnen zijn?

99 Hoe groot zou de premieverzwaring zijn voor werkende echtparen bij eventuele verzelfstandiging van de premieheffing bij verschillende inkomensniveaus?

100 Wanneer is de verzelfstandiging van de gehuwde vrouw voor de AOW te verwachten? Hoe zou een dergelijke regeling eruit zien zowel ten aanzien van de premieheffing als ten aanzien van de uitkering?

Gefaseerde invoering (blz. 94 en 95) 101 Wat is het oordeel van de Regering over de stelling van het CNV dat uit het oogpunt van het streven naar een verantwoorde inkomensverhouding vraagtekens kunnen worden gezet bij het eventueel geheel loslaten van de gezinsdraagkracht in de belastingheffing en de stelling van het CNV dat daardoor de inkomensverhoudingen in Nederland verder gewijzigd worden ten gunste van de echtparen die kunnen beschikken over meer dan een inkomen? Kan met cijfers de stelling van het CNV worden onderbouwd of bestreden? Zullen dit veelal echtparen zijn die niet de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van kinderen?

102 Hoe staat de Regering ten opzichte van het door Renes in het Weekblad voor Fiscaal recht (nr. 5435 van 17 januari 1980) bepleite optiestelsel (blz. 47/48) inhoudende dat echtparen (en eventueel ook ongehuwde samenwoners) vóór de aanvang van het kalenderjaar een dwingende keuze maken tussen het huidige stelsel en het nieuw voorgestelde? In de eerste situatie kiest één der echtgenoten (of partners) voor indeling in tariefgroep 1, en de ander in tariefgroep 4; in de tweede situatie worden beiden ingedeeld in tariefgroep 2. Is het voordeel van deze keuze niet dat stijging van de belastingdruk achterwege kan blijven waar zo'n stijging niet beoogd lijkt, terwijl dit anderzijds de belastingdienst een hoop werk bespaart daar veelal de loonbelasting eindheffing kan blijven waar dit ook nu het geval is?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

Budgettaire aspecten (blz. 95 en 96) 103 Wat zou het budgettaire effect zijn van een volledige keuzevrijheid van verdeling van belastingvrije som én inkomen tussen gehuwden?

104 Wat zou het budgettaire effect zijn van keuzevrijheid van verdeling van de belastingvrije som tussen ongehuwd en duurzaam samenlevenden?

105 Hoe groot was het totale belastingvrije inkomen (totaal der belastingvrije sommen) in Nederland over 1978 of 1977? Hoe was dit samengesteld (aantallen malen verschillende belastingvrije sommen)?

106 Hoeveel werkende gehuwde vrouwen verdienen een inkomen uit arbeid van meer dan f 30000? Hoeveel werkende gehuwde vrouwen verdienen een arbeidsinkomen van meer dan f 30000, waarbij de man ook een inkomen verdient van meer dan f 30000?

Slotopmerkingen (blz. 96 t/m 98) 107 Bestaat de mogelijkheid dat -als gevolg van het in de nota voorgestelde stelsel -het recht op bepaalde inkomensprijzen (individuele huursubsidie, rijksstudietoelagen, etc.) «verschuift», in verband met de grondslag (belastbaar inkomen van de man/vrouw) van die inkomensprijzen? Zo ja, kunnen daarvan de consequenties worden geschetst?

108 Deelt de Regering de mening van Mobach (WFR 15-11-79, blz. 1244) dat voor werkende echtparen -als gevolg van het voorgestelde stelsel en de aanstaande verzelfstandiging van de premieheffing -een belangrijke verzwaring van lasten kan optreden en acht zij deze verzwaring overkomelijk?

109 Waarom is enige verzwaring van de totale belastingdruk op beide partners van een echtpaar, waarvan beide echtgenoten betaalde arbeid verrichten, een niet te vermijden consequentie van het streven naar gelijke behandeling? En waarom ten aanzien van ongehuwden die een gemeenschappelijke huishouding voeren?

110 Wat bedoelt de Staatssecretaris met: «Naarmate evenwel het aantal gevallen toeneemt waarin die besparende werking aanwezig is ondanks het feit dat beide partners een persoonlijk arbeidsinkomen hebben, dus zonder dat zij beiden betaalde arbeid buiten de gezinshuishouding verrichten, treden er spanningen op»?

111 Wat is de betekenis van de woorden «als geheel» in de mededeling over het standpunt van de Staatssecretaris van CRM?

Bijlage IX (blz. 111)

112 Bij een gezinsinkomen van f 100 000 waarbij de vrouw f 50 000 inkomen heeft, treedt een belastingreductie op van f 12347 in vergelijking met de situatie van een gezinsinkomen van f 100 000 alléén verdiend door de man. Tot welk bruto inkomen kan dit netto belastingvoordeel van f 12347 worden omgerekend gelet op het marginale tarief?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

113 Bij welk inkomen van de alleenverdienende man is zijn belasting gelijk aan de belasting van f 30344 (f 42 691 -f 12347) die man en vrouw samen betalen indien zij elk f 50 000 inkomen uit arbeid verdienen?

114 Zou kunnen worden gesteld dat bij een gezinsinkomen van f 100 000 waarbij man en vrouw elk f 50 000 verdienen, zij samen evenveel belasting betalen als een alleenverdienende man, die ongeveer f 80 000 verdient, zodat er in feite sprake is van een belastingvrij gezinsinkomen van f 20000?

115 Kunnen de voorgaande drie vragen ook worden beantwoord voor de situatie waarbij sprake is van een gezinsinkomen van f 200 000 waarbij man en vrouw elkf 100 000 verdienen, vergeleken meteen gezinsinkomen van f 200 000 alleen verdiend door de man?

116 Kan de hele tabel in bijlage IX worden gegeven voor de situatie dat de verzelfstandiging beperkt zou worden tot aparte belastingheffing over arbeidsinkomen tot f 30000, respectievelijk f 50 000?

De voorzitter van de commissie, Joekes De griffier van de commissie De Beaufort

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15835, nr. 3

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.