Lijst van vragen - Volumebeleid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.3

De vroegere stukken zijn gedrukt in de zitting 1978-1979

LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 3 oktober 1979

Ter voorbereiding van een openbare vergadering zou de vaste Commissie voor Sociale Zaken gaarne een antwoord van de Regering ontvangen op de navolgende over de notitie inzake het volumebeleid in haar midden gerezen vragen van feitelijke aard.

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN 1. In Bestek'81 is geraamd dat het volumebeleid tot een matiging van f500 min. in 1981 kan leiden. In de Voortgangsnota met betrekking tot Bestek '81 is sprake van een versnelling en intensivering van het volumebeleid, die kan leiden tot een additionele matiging van f 150 min. in 1981. Kunnen deze bedragen in het licht van de in deze notitie vervatte volumemaatregelen nader onderbouwd en gespecificeerd worden? 2. Welke van de in deze notitie genoemde beleidsvoornemens zijn reeds in de f 500 min. van Bestek'81 en in de f 150 min. van de Voortgangsnota begrepen? 3. Wat is het bij benadering berekende ombuigingsbedrag in 1981 en in 1983 van de in deze notitie vervatte volumemaatregelen, die niet in de f 500 min. van Bestek '81 en de 150 min. van de Voortgangsnota zijn begrepen?

NOTITIE

1 Samenstelling: Bakker (CPN), Nypels (D'66), Hermsen (CDA), voorzitter, Van Dis (SGP), Van Dam (CDA), Keja (VVD) Van Zeil (CDA), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Hartmeijer (PvdA), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), Meijer (PvdA), Knol (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), De Hamer (PvdA), Moor (PvdA), De Voogd (VVD), De Korte (VVD), Bakker (CDA), Gerritse (CDA), Buikema (CDA) en Toussaint (PvdA).

  • INLEIDING
  • In hoeverre kan de aantrekkingskracht c.q. kwaliteit van het stelsel van de sociale zekerheid beschouwd worden als een zelfstandige factor -naast de vijf op blz. 7 genoemde -die de toeneming van het beroep daarop veroorzaakt? 5. Wil de Regering nog eens duidelijk uiteenzetten welke doelstellingen zij met het volumebeleid nastreeft en in welke volgorde? Kan zij daarbij aangeven binnen welke termijnen de onderscheidene doelstellingen moeten kunnen zijn gerealiseerd? In hoeverre is hier sprake van taakstellend beleid en zijn de gestelde taken afgestemd op het realiseren van de doelstellingen? 6. Hoe is de stand van zaken in de SER met betrekking tot de advisering over volumebeleid (blz. 9)?

3 vel

Tweede Kamer,zitting 1979-1980,15650, nr.3

  • Waarom is er in het kader van deze notitie over het volumebeleid niet afzonderlijk aandacht besteed aan de ambtenaren en aan de kwartaire sector?
  • SCHETS VAN DE PROBLEMATIEK

2.1. Ontwikkeling van het beroep op sociale zekerheid

  • In tabel 2 op blz. 11 is de feitelijke volumeontwikkeling sociale zekerheid in aantallen weergegeven tot en met 1978. Wat is de verwachte toename in aantallen van 1979 tot en met 1983?

2.1.1. De

arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

  • Zijn er aanwijsbare oorzaken voor de in tabel 4 gesignaleerde ontwikkeling dat het aantal WAO-toekenningen aan jongeren sterker toeneemt dan die aan personen van 55 jaar en ouder? Welke invloed is uitgegaan van de verlengde WW-regeling en van de VUT-regelingen? Welk aandeel heeft, vooral bij jongeren, het aantal ver-keers-en sportongevallen? 10. Beschikt de Regering over aanwijzingen of en in hoeverre de sterke groei van het aantal arbeidsongeschikten mede veroorzaakt is door de sterke stijging van de loonkosten in het verleden? 11. Waardoor komt het dat het percentage jongere vrouwen dat in aanmerking komt voor een WAO-uitkering zoveel hoger ligt dan bij de jongere mannen, terwijl voor de oudste categorie juist het omgekeerde geldt? 12. Zijn er plausibele verklaringen voorde bijna verdubbeling van het percentage mannelijke jongeren, dat in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, naast stabilisatie van jonge vrouwen, zeker gelet op het gelijk oplopen van de stijging bij mannen en vrouwen tussen 25 en 35 jaar? 13. In tabel 5 wordt ten aanzien van de na 1 oktober 1976 aangevangen uitkeringen melding gemaakt van 16998 ABP-verzekerden. Zijn daar ook verwachtingscijfers uit te halen voor de ABP?

2.1.2. De Ziektewet

  • In hoeverre is de gemiddelde duur van ziekteverzuim gestegen en kan worden aangegeven waardoor deze is bepaald? In hoeverre spelen hierbij de wachttijden voor opname in ziekenhuizen een rol? 15. Is er een verklaring voor de geleidelijke daling van het percentage dat mannen leveren in het totaal aan ziekteverzuim, anders dan de toename van het aandeel dat vrouwen leveren in betaalde arbeid? 16. Kan het ziekteverzuim (kolom 8 van tabel 6) ook voor mannen en vrouwen afzonderlijk worden vermeld?

2.1.3. De

werkloosheidsregelingen

  • Kunnen vergelijkbare cijfers als die in tabel 7 worden verschaft ten aanzien van ambtenaren en werknemers in de kwartaire sector? 18. Mag uit de combinatie van de stabilisatie van de totale werkloosheid met een langere gemiddelde werkloosheidsduur worden geconcludeerd, dat de nieuwe instroom van werklozen in de afgelopen jaren aanzienlijk is verminderd? Kan de Regering cijfers verschaffen over het aantal mannen en vrouwen dat zich in de afgelopen tien jaar jaarlijks liet inschrijven als werkznekende? Welk deel daarvan verdween na kortere of langere tijd naar een arbeidsongeschiktheidsregeling?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr.3

  • Kan naar aanleiding van tabel 8 voor de jaren 1970 tot en met 1978 de ontwikkeling van de gemiddelde werkloosheidsduur gegeven worden voor de in die tabel genoemde categorieën? Zijn er ook vergelijkbare gegevens bekend met betrekking tot de gemiddelde duur van de geregistreerde vacatures? 20. Kunnen de in tabel 10 en 11 vermelde cijfers ook worden uitgedrukt als een percentage van de desbetreffende bevolkingsgroepen zelf? 21. Kunnen ook cijfers gegeven worden over werkloosheid onder woonwagenbewoners? 22. Hoe hard is de uitspraak (blz. 16) dat volgens globale analyse ongeveer de helft van het huidige werkloosheidsniveau is terug te voeren op een te laag absoluut niveau van werkgelegenheid? Welk percentage van het aantal arbeidsongeschikten is eveneens terug te voeren tot een te laag absoluut niveau van werkgelegenheid? 23. Kan alsnog worden aangegeven welk deel van de werkloosheid precies bestaat uit de z.g. normale frictiewerkloosheid dan wel moet worden toegeschreven aan het bestaan van kwalitatieve discrepanties tussen vraag en aanbod? 24. Tabel 13 geeft de som van geregistreerde openstaande vraag minus de geregistreerde werklozen. Kunnen de vraag, en aanbodcijfers per regio en beroepsgroep ook separaat weergegeven worden? 25. Hoe komt tabel 13 eruit te zien als men uitgaat van zowel de geregistreerde als de niet-geregistreerde arbeidsreserve? 26. Hoe groot was in elk van de afgelopen tien jaren het totale aantal vacatures dat gemeld werd bij de GAB's? 27. Welke zijn de laatst bekende enquêtecijfers met betrekking tot de moeilijk vervulbare vacatures? Hoe zijn de moeilijk vervulbare vacatures verdeeld naar regio, beroepsgroep en duur? 28. Tabel 14 geeft een overzicht van de stijging van het aantal geregistreerde vollediguitkeringsgerechtigde werklozen. Zijn ook schattingen te geven over diezelfde tijdsperiode van de niet-geregistreerde werkloosheid, rekening houdende met de werkloosheidscomponent in de WAO, AWW en WSW, met de vrouwelijke werknemers die zich van de arbeidsmarkt hebben teruggetrokken, met de jongeren die langer in het onderwijs zijn gebleven en de niet in de statistieken opgenomen parttime werkloosheid? 29. Zijn voor ambtenaren vergelijkbare cijfers te geven als die in tabel 14? 30. Is er aanleiding om te veronderstellen dat een niet gering deel van de harde kern van de werkloosheid bestaat uit «niet reëel aanbod»? Hoe groot is dat deel en kan aangegeven worden op grond waarvan dit aanbod als «niet reëel» wordt gekwalificeerd? 31. Na welke werkloosheidsduur wordt de bemiddelbaarheid van werklozen aantoonbaar moeilijker? Hangt dit nog samen met de leeftijdsopbouw? Na hoeveel maanden is er sprake van «langdurige» werkloosheid, zoals gehanteerd in deze notitie?

2.2. Macro-economische consequenties

  • Beschikt de Regering over aanwijzingen of gegevens dat de spiraalwerking, welke kan ontstaan doordat stijgende premies worden afgewenteld en vervolgens resulteren in verhoogde uitstoot van arbeidskrachten (blz. 18), in het verleden meer dan theoretische betekenis heeft gehad?

2.3. Maatschappelijke consequenties

  • Op blz. 20 wordt opgemerkt: «Werknemers zien de kloof tussen hun opvattingen en verwachtingen over een kwalitatief goede arbeidsplaats en de feitelijke werksituatie, die sterk beheerst wordt door efficiencyoverwegingen, zich verwijden in een op zichzelf door de ongunstige marktsituatie reeds weinig belovend perspectief». Is de Regering van mening dat de verwijding van deze kloof ontstaat doordat de kwaliteit van de arbeidsplaats in aboslute zin slechter wordt of doordat de verbetering van de arbeidsplaats achterblijft bij de steeds hogere eisen die eraan gesteld worden?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15650, nr. 3

2.4. Vergelijking van het Nederlandse stelsel voor werkloosheidsvoorzieningen met stelsels in andere landen van de Europese Gemeenschap, alsmede in Zweden

  • Kan de Regering een overzicht geven van de ziekteverzuimpercentages in andere landen van de Europese Gemeenschap, alsmede Zweden, waarbij de landen worden gerangschikt overeenkomstig de hoogte van de uitkeringspercentages? 35. Kan de Regering een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal werklozen plus arbeidsongeschikten, uitgedrukt als percentage van de beroepsbevolking, gedurende de afgelopen tien jaar in andere landen van de Europese Gemeenschap, alsmede Zweden? 36. Hoe verhoudt zich de gemiddelde werkloosheidsduur in ons land tot die van andere landen van de Europese Gemeenschap, alsmede Zweden? 37. Welk percentage van de werkloosheidsuitkeringen in Nederland wordt toegekend aan personen die korter dan 3 respectievelijk 6 maanden hebben gewerkt? 38. Wat wordt precies bedoeld met de opmerking op blz. 25, tweede alinea, dat «Het niveau van de uitkeringen naar Nederlandse maatstaven in de meeste landen zodanig is, dat dergelijke maatregelen mede om die reden niet plaatsvinden»?

2.5.2. Het aantal

arbeidsplaatsen

  • Heeft de Regering een inzicht in het effect van invoering van de 5-ploegendienst bij overheidsinstellingen op de verbetering van de kwaliteit van de arbeid en op de werkgelegenheid? 40. Heeft de Regering een inzicht in de gevolgen van invoering van een algemene maatregel voor vervroegde uittreding in het bedrijfsleven en bij de overheid op de leeftijd van 60 jaar op het aantal mensen dat aanspraak maakt op uitkeringen in het kader van de WAO en de WW? 41. Kunnen naar aanleiding van tabel 16 cijfers worden gegeven over de niet-bemiddelbaren?

2.5.3. Verbetering van de kwaliteit van de arbeidsplaats

  • Zijn meer concrete gegevens beschikbaar over de oorzaken voor arbeidsongeschiktheid in zover die gelegen zijn in de arbeidsomstandigheden (blz. 25, eerste zin)? 43. Welke bijdrage heeft de in het verleden tot stand gebrachte kwaliteitsverbetering van arbeidsplaatsen geleverd tot de beperking van vermijdbaar ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid? Of moet uit de stijging van de desbetreffende cijfers worden geconcludeerd, dat de kwaliteit van de gemiddel-de arbeidsplaats in de afgelopen tien jaar aanzienlijk is verslechterd? Zo ja, welke zijn daarvan dan volgens de Regering de belangrijkste oorzaken?
  • DE GEÏNTEGREERDE BENADERING VAN HET VOLUMEBELEID

3.3.3. Stuurgroep Beleidsvorming

Nietactieven

  • Kan de Regering aangeven wat de betekenis is van het werk dat wordt verricht in de vijf werkgroepen (blz. 26 en 27) nu de Regering stelt dat de studie oplossingen op korte termijn niet in de weg mag staan? Hoe is de stand van zaken in de onderscheidene werkgroepen?

3.1.2.1. Onderzoeksbeleid

  • Kan al iets medegedeeld worden over de resultaten van de evaluatie Subsidieregeling arbeidsplaatsenverbetering? 46. Wat zijn precies de werkzaamheden van de werkgroep die op initiatief van de Centrale Raad voor Gezinsverzorging werd geformeerd?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr. 3

3.1.2.2. Informatievoorziening

  • Wat betreft de informatievoorziening worden voorbereidingen getroffen voor een aaneenkoppeling van administratie van een aantal uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en van de arbeidsbureaus. Wat verstaat de Regering precies onder «aaneenkoppeling» en welke interpretatie wordt door de gesprekspartners gehanteerd? Om welke uitvoeringsorganen en arbeidsbureaus gaat het? Wanneer zal die aaneenkoppeling gerealiseerd worden? Om welke gegevens gaat het en wat kan de relevantie zijn voor het volumebeleid?

3.2.2. Wijziging stelsel

socialezekerheidsregelingen

  • Is het rapport van de projectgroep integratie werkloosheidsvoorzieningen al gereed? Zal dit rapport openbaar worden gemaakt? 49. Op langere termijn ligt een integratie van de ZW, de WAO en de AAW in het voornemen. Kunnen de bewindslieden zeggen wat onder integratie en wat onder langere termijn verstaan wordt? Denkt men in het kader van de wijziging stelsel sociale zekerheidsregeling ook aan een aanpassing en afstemming van de werkloosheidsuitkeringen op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (gezien de relatieve aantrekkingskracht van de ZW/WAO boven de WW/WWV)? 50. Hoe verhoudt zich de voorgenomen integratie van de werkloosheidsvoorzieningen en de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen tot de werkzaamheden van de Staatscommissie Vereenvoudiging en Codificatie van de sociale zekerheidswetgeving (commissie-Veldkamp)?
  • HET BELEID OP KORTERE TERMIJN

4.1. Uitgangspunten

  • Op blz. 33 wordt in de derde alinea gesteld dat «onnodige werkloosheid» en «vermijdbaar verzuim» belangrijke volumebepalende componenten zijn. Op welke gegevens is deze uitspraak gebaseerd? 52. Kan de Regering een overzicht geven van de instrumenten en financiële middelen die de Regering weet nodig, respectievelijk denkt beschikbaar te hebben voor plaatsingsbevordering, mobiliteitsvergroting en vooral arbeidsongeschikten?

4.2.1. Verbetering van de toepassing van bestaande maatregelen en instrumenten 53. In welke mate wordt reeds thans bij de overheid als werkgever «zeer zorgvuldig en gecoördineerd» nagegaan waar mogelijkheden tot herintrekking in het arbeidsproces liggen voor langdurig werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten? Wanneer gaan de eerste aanpassingsteams bij de overheid functioneren?

4.2.1. Knelpunten op de arbeidsmarkt

  • Zijn er gegevens beschikbaar over orders die door Nederlandse bedrijven werden gemist vanwege het gebrek aan voldoende geschikte werknemers bij die bedrijven? 55. Wanneer wordt de verplichte vacaturemelding van kracht? 56. Is een evaluatie te geven van de recent gehouden banenmarkten te Utrecht en Haarlem? Kan een lijst met plaatsen en data worden verschaft van nog te verwachten banenmarkten? En in hoeverre worden deze voornemens aan de andere arbeidsbureaus bekend gemaakt? 57. Zijn er voor werklozen consequenties verbonden aan het niet bezoeken van een banenmarkt?

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15650, nr. 3

4.2.1.2. Gecoördineerde toepassing

  • Kan de Regering uiteenzetten wat nu precies de betekenis voor het Volumebeleid is van de instelling van regionale coördinatiecommissies? Wat wordt in dit verband onder een regio verstaan? Hoe verhoudt zich zo'n coördinatiecommissie tot de bestaande uitvoeringsorganen? 59. Wanneer kunnen de aangekondigde wetsvoorstellen tot de instelling van regionale coördinatiecommissies tegemoet worden gezien? Is al iets naders te zeggen over de taken en bevoegdheden zowel op het vlak van de beleidsvoering als van de individuele begeleiding? 60. Het coördinatieorgaan wordt in kennis gesteld van een aantal beslissingen (blz. 38). Kan in dit kader worden ingegaan op de groep ambtenaren?

4.2.1.3. Tijdiger inschakeling Gemeenschappelijke Medische Dienst

  • Wordt bij het opnieuw effectueren van de (13-weekse) melding gedacht aan alle ziektegevallen met een bepaalde duur of aan specifieke gevallen, bij voorbeeld die waaraan een AAW/WAO-aspect wordt onderkend? 62. Aan welk tijdstip van melding wordt concreet gedacht? 63. Zal een hernieuwde meldingsregeling, gezien het feit dat de 13-weekse melding indertijd mede werd achterwege gelaten vanwege de grote aantallen, gepaard gaan met organisatorische en personele maatregelen bij de Gemeenschappelijke Medische Dienst? 64. Waarop berust de opmerking dat de afdelingskassen en de eigen risicodragers niet de plicht tot inschakeling van de GMD in de ziekteperiode hebben? 65. Hoe functioneert de GMD en verloopt de controle bij ziek respectievelijk arbeidsongeschikt geworden buitenlandse werknemers die in hun land van herkomst vertoeven?

4.2.2.1. Scholingsmaatregelen

  • Hoe staat het momenteel met de uitvoering van de bepalingen in de WW en WWV, die aan onvoldoende medewerking aan passende scholing gevolgen verbinden? Zijn hierover nadere gegevens bekend? 67. Beschikt de Regering over aanwijzingen en/of gegevens dat bij arbeidsongeschikten een bepaalde vrees bestaat aan scholingsactiviteiten deel te nemen vanwege een mogelijke verlaging van hun uitkering? 68. Kan de Regering concretiseren welke scholingsbehoeften door haar worden onderkend, in welke zal zijn te voorzien, en welke kosten en andere inspanningen daarvoor nodig zullen zijn? 69. In hoeverre is er van vernieuwde regeling voor scholing in samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven gebruik gemaakt door het midden-en kleinbedrijf? 70. Kan nadere mededeling gedaan worden van de aantallen voor de eentra voor vakopleiding beschikbare bij de arbeidsbureaus ingeschreven staande werklozen? Zijn hier knelpunten gesignaleerd? Hoe is het met de aanwezige en benodigde faciliteiten (gebouwen en leerkrachten) gesteld? 71. Sedert wanneer loopt het onderzoek naar uitbreidingsbehoeften van centra voor vakopleiding, wanneer zullen de onderzoekresultaten bekend zijn, en wanneer kan een planning voor uitbreiding en verbetering worden verwacht? 72. In welke mate zou de capaciteit van de CVV's nog kunnen worden uitgebreid door het inhuren van personele en materiële opleidingscapaciteit van bedrijven? 73. Kan iets worden meegedeeld over de aantallen gehandicapten die gebruik maakten van de beroepsopleidingen voor gehandicapten? Is een aantal van twee centra ook in de toekomst voldoende gelet op de toename van het aantal gehandicapten? 74. Kan meer worden meegedeeld over de deelname aan en de resultaten van de activiteiten van de Centra voor Beroepsoriëntatie?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr. 3

  • Hoeveel werklozen hebben sinds de start van het Bovagexperiment in Den Haag daaraan deelgenomen? Hoeveel van hen hebben vervolgens een baan gevonden? Naar welke andere regio's zal dit experiment uitgebreid worden?

4.2.2.2. Plaatsingsbevorderende maatregelen

  • Beschikt de Regering over aanwijzingen of, en zo ja in welke mate, de 75% loonkostensubsidie in de praktijk leidt tot verdringing van de 30% loonkostensubsidie? 77. Indien het aantal plaatsingen krachtens de regeling plaatsing mindervaliden is verdubbeld zoals de notitie meedeelt (blz. 42), kan dan worden meegedeeld hoe hoog het aantal plaatsingen is, en ten opzichte van wat het aantal is verdubbeld?

4.2.2.3. Overbrugging loonverschillen

  • Aan de toekenning van loonsuppletie zijn voorwaarden verbonden, die blijkens de notitie in de praktijk tot knelpunten aanleiding geven. Om welke belemmerende voorwaarden gaat het? 79. Wanneer zal het evaluatie-onderzoek naar de toepassing van de loonsuppletieregeling zijn afgerond? 80. Wordt bij het onderzoek naar het verruimen van de loonsuppletieregeling ook de ziektewetperiode betrokken?

4.2.2.4. Bevordering geografische mobiliteit

  • Wat zijn de belangrijkste knelpunten bij de bevordering van de geografische mobiliteit van de werknemers? Zijn er regelingen of beleidsbijstellingen in de maak om die knelpunten te versoepelen? Op welke termijn kunnen de in de tegemoetkomingsregeling in reis-, pensioen-, verhuis-en herinrichtingskosten ingebouwde restricties worden weggenomen? 82. Kan de Regering nadere informatie verstrekken over afwijzingen en toewijzingen krachtens deze regeling, zodat inzicht verkregen kan worden in de wenselijkheid en mogelijke effecten van eventuele wijzigingen?

4.2.2.5. Moeilijk plaatsbare groepen

  • Momenteel wordt een wijziging voorbereid van de Wet plaatsing mindervalide arbeidskrachten in het bedrijfsleven en bij de overheid. Daarbij zal de hoogte van het quotum «uiteindelijk» het percentage van 5% bedragen. Wordt daarmee een gemiddeld percentage over het gehele bedrijfsleven bedoeld, dat nog nader gedifferentieerd wordt naar aard van het bedrijf en risicogroep? Of is een uniforme norm voorzien? Welke vertaling krijgt de norm voor bedrijven die naar hun aard geen mindervaliden in dienst kunnen hebben? Aan welke ondergrens voor het werknemersbestand van bedrijven wordt bij een gemiddelde norm van 5% gedacht? Aan welke in te voeren sancties wordt gedacht? Kan informatie worden verschaft over de werking van en ervaringen met de in West-Duitsland op dit punt vigerende wet? Wanneer kan de in voorbereiding zijnde wetswijziging worden verwacht? 84. Kan worden meegedeeld in hoeverre werkelijk en op welke termijn de moties Weijers (14800, XII, nr. 33) en Knol (14406, nr. 21) door de Regering zullen worden uitgevoerd? 85. Wanneer is de indiening te verwachten van het wetsontwerp tot wijziging van artikel N 5 van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet? 86. Wat wordt in de laatste alinea van deze paragraaf precies bedoeld met het streven de motie-Weijers «naar haar strekking optimaal te verwezenlijken»?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr. 3

4.2.2.6. Werkgelegenheidsverruimende maatregelen

  • Kan met betrekking tot de TAP-regeling worden meegedeeld of sprake is van minder vraag naar bezetting van een open plaats door een Tapper, of dat minder aanbod aanwezig is op wie de regeling kan worden toegepast?

4.2.2.7. Maatregelen in het kader van de ZW, WAO en AAW

  • In welke richting wordt gedacht om artikel 30 van de Ziektewet een meer verplichtend karakter te geven in het licht van de gesignaleerde niet geringe belemmeringen met name in het vlak van de pensioenrechten? 89. Kunnen de bewindslieden concreet zeggen hoe zij vinden dat de herziening art. 30 ZW er uit moet komen te zien. Waarom wil men eerst het advies van SVR afwachten? 90. De bewindslieden merken op dat inschakeling van de Gemeenschappelijke Medische Dienst nodig zal zijn. Wordt daarbij gedoeld op gevallen van bemiddeling naar passende arbeid bij een andere werkgever, of achten zij inschakeling tevens nodig als de werknemer bij zijn eigen werkgever ander werk gaat verrichten? 91. Aan welke factoren is de geringe toepassing resp. toepasbaarheid tot op heden van artikel 44 van de WAO en van artikel 33 van de AAW vooral te wijten? Hoeveel aanspraken worden per jaar op deze twee artikelen gemaakt? 92. Wat is het resultaat geweest van het dd. 30 maart 1977 aan de SVR gerichte schrijven om aan de toepassing van de artikelen 44 WAO en 33 AAW bijzcndere aandacht te schenken?

4.2.2.8. Sociale werkvoorziening

  • Gesteld wordt (blz. 46) dat de mogelijkheid van externe plaatsingen in het kader van deWSW bevorderd wordt. Worden hier extra of bestaande arbeidsplaatsen vervuld?

4.3.1.1. Passende arbeid

  • Zijn er, zolang een meer verruimde toepassing van het begrip passen-de arbeid nog niet wettelijk geregeld is, ministeriële aanwijzingen aan de arbeidsbureaus en eventueel aan de bedrijfsverenigingen in voorbereiding om de gegroeide jurisprudentie op dit punt nauwgezetter te volgen? 95. Aan welke tijdsduur moet gedacht worden bij het woord «geleidelijkheid» in de zinsnede: «een meer verruimde toepassing van het begrip passende arbeid wordt gekenmerkt door geleidelijkheid»? 96. Op welke belangrijke punten nog meer behalve de reisduur en het verschil tussen vroegere en te verwachten beloning is gezien de jurisprudentie een nadere omschrijving nodig van het begrip passende arbeid? 97. Wanneer is de voorgenomen ministeriële beschikking op grond van artikel 14 van de WWV te verwachten?

4.3.1.2. Verdiscontering werkloosheid in arbeidsongeschiktheidspercentage 98. Is de ruime interpretatie van artikel 12, tweede lid van de AAW en van artikel 21, tweede lid van de WAO het resultaat van jurisprudentie of voornameiijk van bewust overheidsbeleid? 99. Wat zijn de ervaringen van de bedrijfsverenigingen met de in 1976 aangebrachte wijzigingen in de betreffende bepalingen? 100 Zijn er gegevens beschikbaar met betrekking tot de werkelijke verdeling van de restcapaciteit van de arbeidsongeschikten krachtens de WAO en de AAW, waarbij de versluierende werkloosheidscomponent is geëlimineerd?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650rnr.3

  • Kan tevens een procentuele verdeling gegeven worden van de arbeidsongeschikten over de verschillende restcapaciteitcategorieën van 0 tot 75% of meer van 1970 tot en met 1978? Kunnen deze gegevens nog nader uitgesplitst worden over de diverse leeftijdscategorieën? 102. Het beleid zal op korte termijn gerichtzijn op een individuele toepassi ng van de verdiscontering van de werkloosheid ten aanzien van arbeidsongeschikten die jonger zijn dan 35 jaar en die een restcapaciteit hebben van 55% of meer. Zal hierbij een categorale termijn gehanteerd worden waarbinnen de individuele beoordeling van het causale verband tussen handicap en werkloosheid moet zijn afgerond? Zo ja, aan wat voor tijdsduur voor deze termijn wordt dan gedacht? 103. Indien de arbeidsongeschikten van 35 jaar en jonger relatief de beste kans op herintreding hebben, hoe groot acht de Regering dan onder de huidige omstandigheden de absolute kans daartoe, als niet ingegrepen wordt in de bevoegdheden van ondernemingen terzake van het aanstellingsbeleid?

4.3.1.3. Symmetrie in wettelijke bepalingen

  • Wanneer kan de aangekondigde adviesaanvrage aan de SVR omtrent de herziening van alle bestaande bepalingen met betrekking tot het aanvaarden van passende arbeid, het volgen van passende opleiding en scholing en de medewerking aan maatregelen tot behoud van arbeid, wederinpassing in het arbeidsproces en bevordering van arbeidsgeschiktheid worden verwacht? Mag aangenomen worden dat in de tekst abusievelijk sprake is van bevordering van arbeidsongeschiktheid? 105. Hoe verhoudt zich deze adviesaanvrage aan de SVR tot die aan de SER over de nieuwe arbeidsvoorzieningswet waarbij dezelfde aspecten aan de orde komen?

4.3.1.4. Ontslagbescherming

  • Kunnen de bewindslieden meedelen wanneer de aangekondigde nadere studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid tot wijziging van het ontslagverbod gereed zal zijn? Wanneer zijn concrete beleidsvoorstellen te verwachten? 107. Wordt in deze studie ook betrokken de wenselijkheid en mogelijkheid van een ontslagverbod voor langdurig zieken, gekoppeld aan een tewerkstellingsplicht in een aangepaste arbeidsplaats?

4.3.2. Aangrijpingspunten in bedrijven

  • Heeft de Regering inzicht in het ondernemingsbeleid met betrekking tot verzuimbestrijding, en zo ja, is bij benadering aan te geven wat bedrijven zelf doen aan arbeidsplaatsverbetering en aanpassing van arbeidsplaatsen voor mindervaliden, gerelateerd aan de uitgaven op de rijksbegroting voor dit doel? 109. Kan nader worden uiteengezet of met de voorgestelde commissies ziekteverzuim iets anders wordt bedoeld dan een analogie van de Zweedse aanpassingsteams, zoals eveneens door de Regering wordt overwogen? 110. Kunnen de bewindslieden nadere informatie geven over de aanpassingsteams? Kan tevens nader worden ingegaan op de wijze waarop men die aanpassingsteams in Nederland denkt te realiseren? 111. Wat zijn de resultaten van de werkzaamheden van de Stichting van de Arbeid ten aanzien van de aanpassingsteams tot dusver?

4.3.3. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik

  • Kan een overzicht worden gegeven van het huidige opsporingsapparaat (landelijk, regionaal en locaal) ter bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van de sociale voorzieningen? Hoeveel mensen zijn hier in totaal

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr. 3

bij betrokken? Hoe verhoudt dit aantal zich tot de huidige en toekomstige omvang van de Fiscale lnlichtingen-en Opsporingsdienst (FIOD) en de Economische Controledienst (ECD)? Hoe beoordelen de bewindslieden de coördinatie binnen het huidige sociale opsporingsapparaat? 113. Bij wijze van opsporingsexperiment is een contactpunt op regionaal niveau in de provincie Noord-Brabant ingesteld, dat volgens de notitie tot positieve bevindingen heeft geleid. Kan dit aan de hand van gegevens en resultaten nader worden toegelicht: Kan de Kamer de beschikking krijgen over de evaluatie van het Noord-brabantse experiment? 114. Het experiment zal tot een tiental andere contactpunten worden uitgebreid. Welke zijn dit? 115. Wanneer is de indiening te verwachten van de wetsontwerpen (blz. 53). a. tot hoofdelijke aansprakelijkstelling van bestuurders van rechtspersonen voor premie-en belastingschulden wanneer deze schulden door de rechtspersoon wegens verwijtbaarheid van de bestuurders niet worden betaald; b. waarin in het algemeen de mogelijkheid tot het aanspreken van bestuurders van besloten en naamloze vennootschappen wordt verruimd en waarin nog een aantal andere maatregelen wordt voorgesteld tot bestrijding van misbruik van b.v.'s en n.v.'s? 116. Hoever is de stuurgroep onder voorzitterschap van de heer Van Bijsterveld (blz. 52, eerste alinea) inmiddels met haar werkzaamheden gevorderd? Wanneer kunnen de eerste resultaten worden verwacht?

4.4.1. Ondersteuning experimenten

  • Kan nader worden ingegaan op de opmerking dat het arsenaal in-stru menten te beperkt wordt geacht? 118. In hoeverre wijken de voorstellen van de werkgroep af van het SVR-advies inzake prodeowerk en in hoeverre vertonen zijn daarmee overeenkomsten? 119. Een aanzet is gegeven tot het mogelijk maken, met behoud van uitkering, van zogenaamd prodeowerk. Kunnen nadere gegevens worden verstrekt met betrekking tot de aantallen participanten en de sectoren waarin het prodeowerk is verricht? 120. Hoe wordt ten aanzien van de klusjesmarkt vastgesteld of daarvoor geen kleine zelfstandige of middenstander beschikbaar is? 121. Kan nader worden ingegaan op de mededeling dat uit initiatieven van deze aard nieuwe werkgelegenheid ontstaat?

4.4.2. Opzetten experimenten

  • Wanneer en waar zal de geopperde mogelijkheid experimenteel worden uitgeprobeerd om ingeval van indienstneming van een langdurig werkloze of gedeeltelijk arbeidsongeschikte de uitkering aan de betrokkene gedurende een halfjaar door te betalen, indien de werkgever een dienstverband voor onbepaalde tijd aanbiedt? 123. Wanneer en waar zal de eveneens geopperde mogelijkheid experimenteel worden uitgeprobeerd om in plaats van behoud van de uitkering gedurende een zekere periode, behoud van aanspraak op een uitkering op basis van de vroegere uitkeringshoogte te garanderen, ingeval van hernieuwde uitval of gebleken ongeschiktheid voor het betreffende werk? 124. Is een globale kosten/batenanalyse te geven respectievelijk van het totaal aan arbeidsvoorzieningsmaatregelen en van de separate maatregelen voor enigerlei jaar? 125. Heeft de Regering al een begin gemaakt met de uitvoering van de bij de behandeling van de notitie Jeugdwerkloosheid ingediende motie-Gerritse(15541, nr. 14), waarin wordt gevraagd om een sanctie bij een ten onrechte weigering van een werkgever in het geval een werknemer zich via het arbeidsbureau voor een vacature aanbiedt?

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr, 3

  • EFFECTEN VAN MAATREGELEN EN INSTRUMENTEN

5.2. Omvang toepassing maatregelen arbeidsvoorziening

  • Heeft er een verschuiving plaatsgevonden in het gebruik van de werkgelegenheidsverrruimende maatregel ten opzichte van het gebruik van de vroegere regels (interimmaatregel, vrouwenprojecten en E-projecten)? Kan een specificatie worden gegeven van verschuivingen binnen de groepen deelnemers? 127. Hoe komt het dat het aantal deelnemers aan CVV-activiteiten sedert 1976 is teruggelopen? 128. Wijzen de cijfers over de eerste vier maanden van 1979 op een verminderd beroep op de 75% loonkostenregeling, de loonsuppletieregeling en de regeling plaatsing gehandicapten? Zo ja, wat zijn daarvan de oorzaken? 129. Is er sprake van een aanzienlijke stijging van het gebruik dat wordt gemaakt van de loonkostensubsidie jeugdigen in 1979? 130. Hoeveel mensen zijn in 1979 werkzaam op basis van werkgelegenheidsverruimende maatregelen? Welke maatregelen denkt de Regering te nemen om te bereiken dat de duizenden die nu op basis van deze maatregelen een arbeidsplaats hebben deze niet zullen verliezen indien het accent in het beleid wordt verlegd naar scholings-en plaatsingsbevorderende maatregelen?

5.3. Omvang toepassing ziekte-en arbeidsongeschiktheidsregelen

  • Kunnen cijfers worden overgelegd waaruit blijkt of en zo ja in hoeverre met resultaat door de GMD is bemiddeld naar overheidsbedrijven en •diensten? 132. Heeft de Regering een verklaring voor de daling in toepassing van artikel44WAOen33AAWin 1978 ten opzichte van 1977? 133. Welke kosten waren gemoeid met de genees-en heelkundige voorzieningen tot behoud, herstel en bevordering van arbeidsgeschiktheid in de jaren 1976,1977 en 1978? Hoe is de explosieve groei van deze voorzienigen te verklaren? Hoe effectief zijn deze voorzieningen gebleken?

De voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken, Hermsen De griffier van de vaste Commissie voor Sociale Zaken, Eikerbout Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15650, nr. 3

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.