Brief van De Minister van Sociale Zaken - Volumebeleid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 31

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

'

's-Gravenhage, 4 februari 1980

In de openbare vergadering van de vaste Commissie voor Sociale Zaken dd. 21 januari jl., is een aantal moties ingediend (gedrukte stukken, 15594, 15650 en 15960, nrs. 6 t/m 30), ten aanzien waarvan is afgesproken dat het standpunt van de Staatssecretaris en mij daarover schriftelijk ter kennis van de Kamer zou worden gebracht vóór de stemming, die naar verwachting zal plaatsvinden tegelijk met de stemmingen over de begroting van Sociale Zaken en de daarbij ingediende moties. Over de moties, voorkomende op de stukken nrs. 18,19,20,21 en 28 t/m 30 is ter vergadering reeds een expliciet standpunt gegeven. Ten aanzien van de overige moties wil ik gaarne, waar het beleidsterrein van de Staatssecretaris in het geding is mede namens hem, mijn standpunt hieronder weergeven.

Nr. 6. Motie van het lid Beckers-de Bruijn c.s.

Er bestaat sinds enige jaren een samenwerkingsovereenkomst tussen de GMD en mijn departement met juist als belangrijkste oogmerk de institutionele belemmeringen op te heffen. Voor zover oplossingen op beleidsniveau moeten worden gevonden fungeert daartoe het Overlegorgaan Werk-loosheids-en Arbeidsvoorzieningen (OWA). Besloten is dat in de te formeren regionale coördinatiecommissies naast de bedrijfsverenigingen de GMD afzonderlijk zal gaan deelnemen. De voorlichting aan arbeidsongeschikten heeft de voortdurende aandacht en wordt momenteel in het bijzonder gericht op recent beschikbaar gekomen mogelijkheden voor beroepsopleidingen in Hoensbroek en Werkenrode. De motie wordt gezien als ondersteuning van het beleid.

Nr. 7. Motie van het lid Beckers-de Bruijn c.s.

De aard van de maatregelen opgesomd in de motie richt zich op directe ondersteuning van de bemiddeling. Daarom is in het kader van het taakstellend beleid de verantwoordelijkheid voor het inzetten van deze instrumenten gelegd in handen van de directeur g.a.b., die daarbij overleg pleegt met Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594 enz., nr. 31

zijn commissie van advies. Uitvoering van de motie zou een versnippering van de verantwoordelijkheden meebrengen. Dat is strijdig met mijn beleid en ik heb dan ook bezwaar tegen deze motie.

Nr. 9. Motie van het lid Van der Doefc.s.

In overleg met de sociale partners is een experimentele regeling tot bevordering van deeltijdarbeid in het leven geroepen. Daarbij is bewust gekozen voor een regeling, die wel stimuleert, maar geen verplichting inhoudt, noch naar de kant van de werknemer noch naar de kant van de werkgever. Het ex-periment wordt begeleid door een commissie waarin de sociale partners deelnemen. Ik ben van oordeel dat nu eerst de evaluatie van het experiment moet worden afgewacht. Ik heb dan ook bezwaar tegen deze motie.

Nr. 10. Motie van het lid Van der Doefc.s.

Wij menen deze motie te moeten ontraden. Een taakstellend program is, gezien de vele onzekerheidsmarges waarmee kosten, baten en effectiviteit in termen van volumebeperking van de afzonderlijke instrumenten zijn omgeven, niet voldoende onderbouwd vast te leggen.

Nr. 11. Motie van het lid Van der Doefc.s.

Het wetsontwerp vacaturemelding ligt bij de Raad voor de Arbeidsmarkt. Het voorstel tot wijziging van de wet plaatsing mindervaliden zal in de loop van dit jaar worden ingediend. Met grote spoed worden beleidsmaatregelen voorgesteld op grond van de aanbevelingen uit het rapport van de commissie-Hessel. Met de sociale partners wordt gesproken over mijn voorstel om de commissies van advies van de directeuren van de g.a.b.'s in te schakelen bij het opsporen en wegnemen van de knelpunten op de gewestelijke arbeidsmarkten. Aan de motie is geen behoefte.

Nr. 12. Motie van het lid De Korte c.s.

Ter vergadering en ook hierboven in ons commentaar op stuk nr. 11 is reeds naar voren gebracht, dat wij deze zaak in versnelling hebben gezet. Met deze motie hebben wij dan ook geen moeite.

N r. 13. Motie van het lid De Korte c.s.

Met deze motie, die aansluit op onze eigen intenties, hebben wij geen moeite.

Nr. 15. Motie van het lid De Korte c.s.

Zoals bekend is het vraagstuk van fraude en misbruik in de sociale zekerheid in handen gesteld van een interdepartementale stuurgroep. Tegen die achtergrond bezien lijkt ons een uitspraak van de Kamer op dit moment te vroeg. Wij ontraden de motie.

Nr. 16. Motie van het lid De Korte c.s.

Ter vergadering hebben wij ervoor gepleit voorlopig met name de aandacht te richten op de integratie van de werkloosheidsvoorzieningen, al zal de relatie met de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen daarbij in het oog moeten worden gehouden. Een bredere aanpak zal zowel door de omvang en de aard van de problematiek alsook gelet op de beschikbare mankracht belemmerend werken op de voortvarendheid van het project. De motie zouden wij dan ook willen ontraden.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594 enz., nr. 31

Nr. 17. Motie van het lid Hartmeijerc.s.

Ik ben het eens met de eerste overweging van de motie. Wat de tweede overweging van de motie aangaat wijs ik op het gesprek tussen de Regering en de SER-commissie Betaald Educatief Verlof dat zeer onlangs heeft plaatsgevonden. Over dat gesprek heb ik u geïnformeerd in mijn antwoord in eerste termijn (op 30 januari jl.) bij de behandeling van mijn begroting voor 1980. Het SER-interimadvies over de ontwikkeling van betaald educatief verlof en de voorlopige standpuntbepaling van de Regering naar aanleiding van dat advies zijn in dat gesprek aan de orde geweest, één en ander met name in het licht van vervolgadvisering door de SER. Dit gesprek heeft tot gevolg gehad dat de SER-commissie Betaald Educatief Verlof minder pessimistisch aankijkt tegen het voorlopige standpunt van de Regering en zich heeft gezet aan verdere advisering. De tweede overweging is m.i. dan ook onjuist. Op grond van het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat ik geen behoefte heb aan deze motie.

Nr. 18. Motie van het lid De Voogd c.s.

De motie, die ertoe strekt om bij het bepalen van het beleid zoveel mogelijk gelijkheid tussen de particuliere werkgever en de overheid te betrachten, pastin mijn beleid.

Nr. 19. Motie van het lid De Voogd c.s.

Nr. 20. Motie van het lid De Voogd c.s.

Hoewel de strekking van de motie op stuk nr. 19 mij niet onsympathiek is, wil ik waarschuwen tegen overschatting van de mogelijkheid om op middellange termijn te adviseren over de beschikbaarheid van bepaalde functies. Onder die omstandigheden is een beroepskeuzeadvies, dat in hoofdzaak uitgaat van de persoonlijke mogelijkheden van de betrokkene, te prefereren. Ik kan deze motie in de gestelde vorm niet onderschrijven en ontraad haar daarom. Ik acht het daarentegen wenselijk, dat meer beroepenvoorlichting wordt gegeven als onderdeel van het leerproces. Ik zal mij daarover verstaan met mijn collega van Onderwijs en Wetenschappen. De motie op stuk nr. 20 ontmoet bij mij geen bedenkingen.

Nr. 21. Motie van het lid De Korte c.s.

Deze motie, die vraagt de bestaande capaciteit van de centra voor vakopleiding aan te passen aan de behoefte en de doorstroomsnelheid op de eentra door middel van samenwerkingsexperimenten zoals het BOVAG-experiment te vergroten, zie ik als een ondersteuning van mijn beleid.

Nr. 22. Motie van het lid De Korte c.s.

Deze motie, die vraagt te bevorderen dat de praktijk van de toepassing van het huidige begrip passende arbeid zo nauw mogelijk aansluit bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, onderstreept geheel mijn beleid.

Nr. 23. Motie van het lid De Korte c.s.

De vraag hoe een nadere omschrijving van de criteria passende arbeid in een wettelijke regeling zal worden opgenomen, wordt in de adviesaanvraag aan de SER inzake een nieuwe arbeidsvoorzieningswet aan de orde gesteld.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594 enz., nr. 31

Nr. 24. Motie van het lid De Korte c.s.

Nr. 25. Motie van het lid De Korte c.s.

De geldende verplaatsingskostenregeling wordt reeds herzien. De motie op stuk nr. 24 is derhalve overbodig. De suggestie neergelegd in motie op stuk nr. 25 komt mij op het eerste gezicht als een uiterst gecompliceerde voor. Dat neemt niet weg dat ik met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil doen nagaan welke mogelijkheden er zijn tot vergemakkelijking van de geografische mobiliteit.

Nr. 26. Motie van het lid Hartmeijer c.s.

De Regering heeft extra mankracht en extra middelen ter beschikking gesteld voor de realisering van nieuwe stijl op de arbeidsbureaus. Gelet op de budgettaire problematiek van dit moment vind ik geen vrijheid deze motie thans te ondersteunen. Derhalve ontraad ik aanvaarding van de motie.

Nr. 27. Motie van het lid Hartmeijer c.s.

Het realiseren van wettelijke scholingsplicht zonder dat scholingscapaciteit aanwezig is, komt niet voor. De verplichting tot aanvaarding van scholing is daarentegen niet afhankelijk van de garantie op werk. Op andere dan de aangegeven overwegingen vormt de uitbreiding binnen de beschikbare middelen van de scholingscapaciteit reeds regelmatig onderwerp van overleg met het bedrijfsleven. Ik heb dan ook bezwaar tegen deze motie.

De Minister van Sociale Zaken, W. Albeda.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594 enz., nr. 31

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.