Lijst van antwoorden - Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

oktober 1979

1 De projectgroep heeft aanbevolen een onderscheid te maken tussen het beleidsvormingsniveau en het uitvoeringsniveau. Als schakel daartussen zou een onafhankelijk beheersingsorgaan moeten fungeren. Tussen dit orgaan en de Minister ziet de projectgroep slechts een functionele band, die het voor de Minister mogelijk maakt zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het sociale zekerheidsbeleid tegenover het parlement te dragen. De in de vraag aangehaalde zinsnede duidt erop, dat ook argumenten zijn aan te voeren -de projectgroep achtte die echter niet doorslaggevend -om een meer directe, hiërarchische band tussen Minister en beheersingsorgaan te leggen. De wettelijke vormgeving van de functionele band die de projectgroep beoogt, zal uiterst zorgvuldig dienen te geschieden, omdat anders het gevaar bestaat dat er hetzij een hiërarchische band ontstaat herzij de verantwoordelijkheid van de Minister onvoldoende tot zijn recht komt.

2 Het is verheugend te mogen vaststellen dat het interim-rapport «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid» van de ambtelijke projectgroep aangevuld met externe deskundigen en het «Vervolgonderzoek uitvoering van de sociale verzekering op langere termijn» van de organisatiebureaus Berenschot, Bosboom en Hegener zeker qua uitgangspunten een groot aantal overeenkomsten vertonen. Meer dan ooit is de sociale zekerheid en haar uitvoering in beide rapporten in beschouwing genomen in samenhang met andere doelstellingen van algemeen sociaal beleid, welke samenhang voor het beleids-en uitvoeringsniveau zowel als voor het uitvoeringsproces van doorslaggevende betekenis zijn. In hoofdlijnen kunnen de volgende overeenkomsten tussen beide rapporten worden gesignaleerd: 1. Een poging een nieuw evenwicht te vinden tussen de verantwoordelijkheid en de invloed van de centrale overheid en die van de sociale partners. 2. Coördinatie van de uitvoering door een centraal orgaan om mede daardoor tot een goede beheersing te komen. 3. Gevalsbehandeling voor alle sociale verzekeringen door één uitvoeringsorgaan per regio. 4. Regionale samenwerking tussen uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en uitvoeringsorganen op aangrenzende beleidsterreinen. 5. Toezicht op de uitvoering door een college van onafhankelijke deskundigen.

8 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Hoezeer ook sprake is van overeenkomstige uitgangspunten en op het eerste oog een gelijke richting van uitwerking, toch zijn de verschillen in conclusies en concrete vormgeving niet onaanzienlijk. Het is te meer van belang die verschillen niette verhullen omdat ze niet alleen doorwerken in structuur, taken en bevoegdheden van uitvoerings-en beheersingsorganen, maar op wezenlijke punten de doelgerichtheid van de sociale zekerheid in haar samenhang met andere collectieve doeleinden kunnen beïnvloeden. De verschillen in conclusies vloeien overigens slechts ten dele voort uit een verschil in analyse. Daarnaast zijn ze een gevolg van in de opdracht voor het vervolgonderzoek neergelegde randvoorwaarden, die bovendien door de organisatiebureaus op één lijn worden gesteld met meer fundamentele uitgangspunten. Zo is «handhaving in essentie van het bedrijfstakkarakter van de uitvoering van een deel van de sociale verzekering» door de organisatiebureaus onder de uitgangspunten gepresenteerd (paragraaf 2.3 van neteindrapport), terwijl hier in feite sprake is van een door de opdrachtgever aan de uitkomsten gestelde randvoorwaarde. Een onderscheid tussen fundamentele uitgangspunten en randvoorwaarden is voor een toetsing van het in beide rapporten gekozen model voor een toekomstige uitvoeringsorganisatie niet zonder betekenis. Daarbij zal immers tevens aan de orde moeten komen in hoeverre de neerslag van de randvoorwaarden op de uitwerking strijdig is met die uitgangspunten. Jammer is daarom, dat in het eindrapport van de organisatiebureaus geen scheiding tussen analystische conclusies en de neerslag van randvoorwaarden is aangebracht. De verschillen tussen de aanbevelingen uit beide rapporten zijn terug te brengen tot de volgende kernpunten:

  • Evenwicht tussen de verantwoordelijkheid

van de overheid Regering en parlement) en de sociale partners.

Dit evenwicht is in het interimrapport gezocht in een onderscheid tussen beleidsvormingsniveau Regering en parlement) en uitvoeringsniveau (sociale partners). Een onafhankelijk beheersingsorgaan vormt de schakel tussen beide niveaus. Het interimrapport acht het mogelijk langs die weg de eigen verantwoordelijkheid van beide niveaus niet te vermengen en gelijktijdig recht te doen aan de gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en sociale partners voor de sociale zekerheid. Het vervolgonderzoek acht een evenwicht gerealiseerd door een scheiding van doelbepaling (Regering en parlement), toezicht (onafhankelijke deskundigen) en beleidsinvulling en uitvoering (sociale partners). Steeds meer wordt erkend dat op nationaal niveau een afweging van beleidsdoelstellingen en beslag op de macro-economische ruimte dient plaats te vinden. De politieke verantwoordelijkheid van de overheid (Regering en parlement) kan zich echter niet beperken tot de doelbepaling en de constatering achteraf in welke mate de gestelde doeleinden zijn gerealiseerd. Een volstrekte afzijdigheid van de overheid ten aanzien van de wegen waarlangs en de middelen waarmee doelrealisatie plaatsvindt lijkt ondenkbaar. Dat zou ertoe leiden dat de overheid formeel wel verantwoordelijk, maar de factor niet aanspreekbaar is. Het is overigens zeer goed mogelijk -en de departementale projectgroep bepleit dat ook -de autonomie van de sociale partners ten aanzien van de uitvoering te handhaven. Dat geldt met name ten aanzien van de autonome bevoegdheden tot wetsinterpretatie (vaststellen van de rechten van de uitkeringsgerechtigden). Voor de verantwoordelijk Minister is echter de beschikbaarheid van goede beleidsinformatie en de mogelijkheid tot bijsturing van uitvoeringprocessen in laatste instantie noodzakelijk. Slechts dan is hij de facto aanspreekbaar en kunnen Regering en parlement gezamenlijk hun verantwoordelijkheid voor het sociale zekerheidsbeleid en de uitvoering daarvan dragen.

  • Coördinatie en toezicht

Het interimrapport

ziet toezicht op en coördinatie van het totale uitvoeringssysteem als onverbrekelijk met elkaar verbonden taakelementen van een onafhankelijk beheersingsorgaan. Volgens het vervolgonderzoek

kan coördi-

Tweede Kamerzitting 1979-1980,15594, nr. 4

natie plaatsvinden door een Gemeenschappelijk Bestuursorgaan (GBO), in hoofdzaak samengesteld uit vertegenwoordigers van landelijke beleidsorganen binnen de sociale zekerheid. Het toezicht zou kunnen worden opgedragen aan een onafhankelijk toezichtsorgaan. Ten behoeve van de centrale overheid moet door dit orgaan worden nagegaan of de doelen worden bereikt, of de prioriteiten moeten worden herzien en of het systeem goed functioneert. Het toezicht beperkt zich tot een globale toetsing aan algemene criteria. Hoe aan dit toezicht een concrete inhoud kan worden gegeven wordt niet uitgewerkt. Het interimrapport maakt een onderscheid tussen coördinatie van het administratieve uitvoeringsproces. In beide gevallen staat vrijwillige coördinatie tussen de met uitvoering belaste autonome uitvoeringsorganen voorop. Onvoldoende coördinatie ten behoeve van de wetsinterpretatie -eigen bevoegdheden op dat punt zijn essentieel voor de autonomie van de uitvoeringsorganen -signaleert het beheersingsorgaan zo nodig aan het beleidsvormingsniveau. Bij de coördinatie van het uitvoeringsproces is het beheersingsaspect uiteindelijk doorslaggevend: het beheersingsorgaan kan zo nodig regelen stellen. Het vervolgonderzoek maakt deze scheiding niet. De landelijke uitvoeringsorganen -gebundeld in het GBO -zijn verantwoordelijk voor zowel een integratie van beleid als voor coördinatie van de uitvoeringsorganen. Een loskoppeling van coördinatie en toezicht brengt de mogelijkheid tot tijdige bijsturing -en daarmee zoals onder 1 gesteld de mogelijkheid tot het dragen van de politieke verantwoordelijkheid door Regering en parlement -in gevaar. De bijsturing tast zoals gezegd de autonomie van de uitvoeringsorganen bij het toekennen van rechten niet aan. Coördinatie is weliswaar primair een element van uitvoering, maar die moet passen in een ruimer beleidskader. Met name wanneer het erom gaat de sociale zekerheid in relatie te brengen tot de uitvoering op aangrenzende beleidsterreinen, dan wel een afweging van sociale zekerheid ten opzichte van die aangrenzende beleidsterreinen te doen plaatsvinden is het opdragen van coördinerende bevoegdheden aan het uitvoeringsniveau niet op zijn plaats. Anderzijds lijkt rechtstreeks ingrijpen door het beleidsvormingsniveau een onevenredig middel en een lange weg. Juist hier blijkt duidelijk de noodzaak van een scha kei tussen uitvoering en beleid, waarin toezicht en coördinatie zijn verenigd.

  • Bedrijfstaksgewijze

c.q. regionale

uitvoering

Het interimrapport

acht. het toekennen van eigen bestuurlijke bevoegdheden aan de regionale organen een voorwaarde tot het realiseren van een gecoördineerde individugerichte gevalsbehandeling. De sociale partners worden daarbij rechtstreeks betrokken. Een dergelijke decentralisatie maakt bovendien het tot stand komen van coördinatie in de regio met de uitvoering van andere beleidsterreinen pas mogelijk. Het vervo/fifonderzoe/rkent de regionale organen slechts een zelfstandige uitvoerende (ambtelijke) taak toe. Binnen een mandaat van een voortdurende terugkoppeling naar het GBO en uiteindelijk de bedrijfstaksgewijze gedecentraliseerde landelijke beleidsorganen. Het zijn met name structurele factoren die bepalend zijn voor het relatief grote aantal inactieven waarmee nu ook op langere termijn moet worden gerekend. Dat geldt zowel ten aanzien van de oorzaken van het uittreden als ten aanzien van de mogelijkheden om opnieuw een arbeidsplaats te verwerven. De algemene economische situatie in de eigen regio en de band die men met de eigen woonomgeving wil behouden zullen dan sterk bepalend worden voor de mogelijkheden van werkhervatting. Daarbij komt dat met name in situaties van langdurige inactiviteit de sociale zekerheid niet geïsoleerd mag worden gezien van het lokale en regionale welzijnsbeleid. Coördinatie met andere organen in de regio en voldoende inzicht in en begrip voor regionale omstandigheden en mogelijkheden vraagt om beslissingen in de regio, niet alleen op uitvoeringstechnisch maar ook op bestuurlijk niveau. Zo Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15594, nr. 4

niet, dan krijgt èn door langere beslissingslijnen èn door minder regiogerichte besluitvorming zowel de individugerichtheid als de coördinatie in feite geen kans. De bedrijfstakgebonden aspecten binnen het stelsel van de sociale zekerheid zelf en voor individuele uitkeringsgerechtigden hebben belangrijk aan betekenis ingeboet. Het karakter van sociale risico's, waarin door het huidige stelsel van sociale zekerheid wordt voorzien, staat veel sterker op de voorgrond dan dat van bedrijfstaksrisico's, die in het verleden basis vormen voor de keuze van uitvoeringsorganen. Dat neemt niet weg dat er ruimte moet zijn voor aanvullende voorzieningen per bedrijfstak. Ook in de sfeer van preventie zijn maatregelen vanuit het bedrijf of de bedrijfstak van groot belang. De aanvullende voorzieningen vragen vooral een nauwgezette uitvoering en veel minder een individugerichte begeleiding. Preventieve maatregelen per bedrijf of bedrijfstak zijn per definitie niet individugericht. In het interimrapport is een nadere uitwerking van de wijze waarop de regionale organen faciliteiten kunnen verlenen bij dergelijke taken van de bedrijfsverenigingen op neventerreinen van de sociale zekerheid, toegezegd. Het lijkt goed tot slot nog kort terug te komen op de door de SER aan de organisatiebureaus opgelegde randvoorwaarden ten aanzien van de uitkomsten van hun onderzoek. Met name bij de keuze tussen regionale of bedrijfstaksgewijze uitvoering is duidelijk niet gekozen op grond van een analyse, maar is de randvoorwaarde («handhaving in essentie van het bedrijfstakkarakter van de uitvoering van een deel van de sociale zekerheid») bepalend geweest voor de uitkomst. De stellige indruk bestaat dat hetzelfde geldt op andere punten. Het moet worden betreurd dat de organisatiebureaus niet duidelijk hebben willen stellen waar hun analyse en waar de randvoorwaarden bepalend zijn geweest voor hun aanbevelingen en conclusies. Hoe vaak ook herhaald wordt dat de keuzes van de organisatiebureaus worden overheersd door de randvoorwaarden, in discussies over feitelijke verschillen wordt dat even vaak vergeten.

3 Zowel de organisatiebureaus als de departementale projectgroep zijn tot de conclusie gekomen dat de gevalsbehandeling voor alle sociale zekerheidsregelingen door één uitvoeringsorgaan per regio zou dienen te geschieden. Daarmee wordt bereikt dat voor de individuele uitkeringsgerechtigde duidelijkheid ontstaat waar hij voor zijn aanspraken op het gehele terrein van de sociale zekerheid terecht kan. Het interimrapport gaat verder en meent, dat, wil niet alleen sprake zijn van gecoördineerde melding, maar ook van gecoördineerde, individugerichte behandeling, het toekennen van bestuurlijke bevoegdheden aan de regionale uitvoeringsorganen een voorwaarde vormt. De organisatiebureaus zien de regionale uitvoeringsorganen als kantoren van het Gemeenschappelijk Bestuursorgaan (GBO). Weliswaar stellen de organisatiebureaus voor regionale adviescommissies in te stellen als klankbord voorde directeur van het regionaal orgaan, doch vooreen niet alleen administratieve en adviserende maar ook bestuurlijke decentralisatie zijn duidelijke argumenten. In de eerste plaats het toegenomen gewicht van regionale aspecten bij de beoordeling en begeleiding; voor daarbij te nemen bestuurlijke beslissingen is inzicht in en begrip voor regionale omstandigheden en mogelijkheden vereist. Verder ook de coördinatie in de regio met aangrenzende beleidsterreinen, die om beleidsbeslissingen in de regio vraagt. Zo niet, dan ontstaan én onnodig lange beslissingslijnen, waardoor van coördinatie geen sprake meer is, én wordt de besluitvorming minder regiogericht. Voor een individugerichte begeleiding en daardoor een goed volumebeleidzijn dat juist vereisten: snelle, gecoördineerde en regio georiënterende beslissingen.

4 De ambtelijke projectgroep die de mogelijkheden tot integratie van WW, WWV en RWW beziet, is er niet in geslaagd -zoals de bedoeling was -in september 1979 een eerste verkennend deelrapport af te ronden. Naast de aard en de complexiteit van de problematiek van dit integratievraagstuk op zich Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

zelf speelt hierbij een belangrijke rol het grote aantal vraagstukken dat mede ter uitwerking van Bestek '81 in relatief korte tijd door een in verhouding daarmee te beperkte mankracht moet worden behandeld. Juist in deze sector van het ambtelijk apparaat hebben zich het laatste jaar bovendien enkele zeer ernstige ziektegevallen voorgedaan; een daarvan betrof de voorzitter van de betrokken projectgroep. Duidelijk is dat de projectgroep voor een niet eenvoudige opdracht is gesteld. Met name een tweetal randvoorwaarden bemoeilijken een oplossing: -de noodzaak een herziene werkloosheidsverzekering/voorziening zodanig vorm te geven, dat nauwe aansluiting wordt verkregen met de regelingen in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid; ook in de arbeidsongeschiktheidsverzekering is een werkloosheidscomponent begrepen: een ongelijke behandeling van (gedeeltelijk) werklozen in de werkloosheidsvoorzieningen en de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen moet uit een oogpunt van sociale rechtvaardigheid worden afgewezen; bovendien vormt die aansluiting op langere termijn een vereiste voor de totstandkoming van een geïntegreerde loondervingsverzekering/voorziening; -de eis van budgettaire neutraliteit voor hetzij de herzienig van de werkloosheidsverzekering/voorziening op zich, hetzij in samenhang met een herziening van de ziekte-en arbeidsongeschiktheidsverzekering; deze eis moet, afgezien van budgettaire consequenties van eventuele wijzigingen in de kring van gerechtigden, in de huidige situatie als een onontkoombare voorwaarde worden gezien.

5 In feite is de projectgroep daarmee gesteld voor een sociaal-politiek vraagstuk, waarin het met name ook om de vraag gaat in hoeverre vanuit gewijzigde (structurele) omstandigheden een wederzijdse aanpassing van aanspraken voor bepaalde categorieën werklozen c.q. (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten verdedigd en maatschappelijk geaccepteerd kan worden. Met name concentreert de projectgroep zich nu op de vraag in hoeverre een basisvoorziening voor alle werklozen met daarnaast een aanvullende voorziening oplossingen biedt. Gedacht wordt aan de mogelijkheid deze aanvullende voorziening voor wat betreft uitkeringsduur en/of uitkeringshoogte te relateren aan de duur van het arbeidsverleden van de uitkeringsgerechtigde. Bovendien wordt overwogen deze aanvullende voorziening gelijkvormig te doen zijn voor volledig en gedeeltelijk werklozen, dat wil zeggen met inbegrip van het werkloosheidsdeel in de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Langs die weg wordt getracht zowel de aansluiting van werkloosheidsmet arbeidsongeschiktheidsregelingen als de budgettaire neutraliteit te verzekeren. Binnen deze zich nu uitkristalliserende denkrichting zijn nog een aantal alternatieven denkbaar, ieder met hun eigen problemen. Alvorens tot een afweging daarvan te komen is nadere uitwerking nodig. Het kabinet betreurt het dat niet nu reeds een voorstel tot een uitgewerkte stelselwijziging op dit punt kan worden gepresenteerd. Het vertrouwt echter dat de Kamer begrip heeft voor de omstandigheden die tot vertraging hebben geleid.

Ten einde een individugerichte benadering, meer aandacht voor het volumebeleid en een betere beheersing van de sociale zekerheid te realiseren is een herziene uitvoeringsstructuur noodzakelijk. Uitgangspunt is daarbij niet een uitbreiding van het personeelsbestand, maar een zodanige verschuiving dat de drie genoemde doelstellingen meer centraal komen te staan. Anderzijds mag als gevolg van een geïntensiveerde individugerichte benadering en een betere coördinatie met uitvoeringsorganen op aangrenzende terreinen ten minste een behoud van het huidige aantal arbeidsplaatsen en een positieve ontwikkeling van de taakinhoud worden verwacht. Mijn brief bij het interimrapport wijst erop dat vanuit het in Bestek '81 gegeven financiële kader de kosten van de uitvoeringsorganisatie en de beheersing van de sociale zekerheidsuitgaven steeds in nauwe samenhang zullen moeten worden bezien. Er zal steeds een afweging moeten plaatsvinden van uitvoeringskosten met de effecten die mogen worden verwacht.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

6/82 In het interimrapport zijn deelrapporten aangekondigd over: de indeling van het land in werkgebieden (blz. 76); een gebundeld beheer van de sociale verzekeringsfondsen (blz. 83); de nadere uitwerking van het taakgebied landelijke uitvoering sociale zekerheidsregelingen (blz. 83); de organisatorische opbouw van de sociaal-medische begeleiding (blz. 84). Voorts zijn op blz. 110 enkele aandachtspunten c.q. knelpunten gesignaleerd waarop in volgende deelrapporten zal worden teruggekomen (de gevolgen van uit te werken voorstellen voor de werknemers van de huidige uitvoeringsorganen; de structurering van het veranderingsproces; de taak en plaats van de bedrijfsverenigingen; de taak en plaats van de gemeenten). Het interimrapport valt uiteen in twee afzonderlijke delen. In het eerste deel wordt het beheersingsproces besproken en de plaats van het beheersingsorgaan daarbinnen. Doelstelling, taken en bevoegdheden van dat beheersingsorgaan zijn zover uitgewerkt, dat realisatie door middel van wetgeving kan worden voorbereid. Het tweede deel bevat een duidelijke conclusie over de richting waarin de uitvoeringsorganisatie zich dient te ontwikkelen. Ten aanzien van de uitwerking daarvan draagt het een meer verkennend karakter. Over de concrete invulling van de gehele toekomstige structuur en het gefaseerde groeiproces dat nodig is om naar de veranderde structuur toe te groeien is een brede maatschappelijke discussie nodig. In paragraaf 8.4.3 heeft de projectgroep zijn visie gegeven over de structurering van het veranderingsproces. Het gaat om een stapsgewijze benadering. Het is niet de bedoeling structuren abrupt te doorbreken. Aangegeven is welke stappen achtereenvolgens genomen zouden kunnen worden om te komen tot een regionale uitvoeringsstructuur. De paragrafen 8.4.4 en 8.4.5 handelen vervolgens over taak en plaats in de nieuwe structuur van de bedrijfsverenigingen en de gemeenten. Aangegeven is op welke wijze deze organen kunnen inspelen op het veranderingsproces. Aan het totale veranderingsproces zou naar de mening van de projectgroep een zekere wettelijke begeleiding kunnen worden gegeven via een kaderwet uitvoering sociale zekerheid. Behalve enkele grote lijnen ten aanzien van de uitvoeringsstructuur zou daarin vooral een tijdsplanning voor het gefaseerde veranderingsproces kunnen worden vastgelegd. Ik kan mij verenigen met de zienswijze van de projectgroep. In dit stadium is nog niet aan te geven in welke fasen de besluitvorming over de nieuwe uitvoeringsstructuur zich zal dienen te voltrekken. Bezien zal moeten worden of het mogelijk is in de context van een dergelijke kaderwet een invoeringsplan voor te bereiden.

7 Aan de projectgroep die het interimrapport «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid» opstelde zijn door de bewindslieden van Sociale Zaken geen randvoorwaarden opgelegd. De projectgroep is louter op grond van haar analyse tot conclusies en aanbevelingen gekomen. Door de Sociaal-Economische Raad zijn bij de opdracht aan de organisatiebureaus «Berenschot en Bosboom en Hegener» de volgende randvoorwaarden -de organisatiebureaus zelf spreken van uitgangspunten -opgelegd ten aanzien van de uitkomsten waartoe de analyse zou mogen leiden: 1. Mogelijke wijzigingen in het huidige stelsel van sociale zekerheid moeten buiten beschouwing blijven. Het uitvoeringssysteem moet echter voldoende flexibiliteit bezitten om mogelijke toekomstige veranderingen te kunnen verwerken. 2. De verscheidenheid in het bedrijfsleven moet ook terug te vinden zijn in de organisatie van de uitvoering. Het bedrijfstakkarakter van de uitvoering van een deel van de sociale verzekering dient dan ook in essentie gehanhaafd te blijven.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

  • Het behoud van de mogelijkheid voor de sociale partners in het bedrijfsleven om met de sociale verzekering verwante regelingen bij het uitvoeringsorgaan in uitvoering te geven. Daarnaast hebben zowel de projectgroep als de organisatiebureaus de uitvoeringsstructuur van de wettelijke ziektekostenverzekeringen buiten beschouwing gelaten. Ook hebben beide een goed sociaal beleid een voorwaarde genoemd voor eventuele veranderingen in het uitvoeringssysteem. Ook deze twee punten lagen voor de organisatiebureaus in de opdracht begrepen.

8 De op blz. 8 vermelde cijfers hebben betrekking op de sociale verzekeringen inclusief de Ziekenfondswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de collectieve ziektekostenverzekeringen voor ambtenaren (provincies, gemeenten, politie).

9 Er is inhoudelijk een duidelijk verschil tussen de sociale ziektekostenverzekeringen (ZFW en AWBZ) en de overige sociale verzekeringen. De ZFW en de AWBZ bieden een dekking tegen bepaalde uitgaven, t.w. ziektekosten. De overige sociale verzekeringen bieden een inkomensgarantie ter zake van bepaalde calamiteiten. De doelstellingen van de sociale ziektekostenverzekeringen hangen ten nauwste samen met de doelstellingen van het gezondheidszorgbeleid. De financiering van de gezondheidszorg geschiedt in hoofdzaak via die verzekeringen en de particuliere ziektekostenverzekeringen. Een en ander heeft ook zijn weerslag in de uitvoeringsstructuur van die verzekeringen. Vanwege het geheel eigen karakter daarvan is de uitvoeringsstructuur van de ZFW en de AWBZ in het interimrapport buiten beschouwing gelaten. In het kader van het vervolgonderzoek vormde het voorshands buiten beschouwing laten van de ziektekostenverzekeringen één van de in de opdracht vermelde uitgangspunten omdat «moet worden geconstateerd dat de inhoud van de ziektekostenverzekeringen in toenemende mate als een in-tegrerend onderdeel van het totale gezondheidszorgbeleid wordt benaderd.» 10 De betreffende passage heeft alleen het oog op werknemersverzekeringen, welke uitkeringen verstrekken. Voor de in de ZFW geregelde verplichte verzekering geldt inderdaad nog steeds een loongrens.

11 In de betreffende passage is er in het bijzonder de aandacht op gevestigd dat met name voor degenen, die langdurig aangewezen zijn op een sociale zekerheidsuitkering, de welvaartsvastheid van de uitkeringen van uitermate grote betekenis is. Daarbij is te denken aan uitkeringsgerechtigden van de WAO, de WWV, de AOW, de AWW en de AAW. Dit laat uiteraard onverlet dat het voor de uitkeringsgerechtigden van kort lopende uitkeringen ingevolge de ZW en de WW ook van niet te onderschatten betekenis, dat zij deel hebben aan de welvaartsontwikkeling. In verband met de aanmerkelijke verschillen tussen loon-en prijsontwikkelingen in het verleden zou het gedurende enige jaren koppelen van de uitkeringen aan de stijging van de prijzen geleid hebben tot aanzienlijk lagere niveaus van de uitkeringen. De koopkracht van deze uitkeringsgerechtigden zou dan dus achtergebleven zijn bij die van de actieve beroepsbevolking.

12 De waardevermindering van het geld, met name in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, is één van de redenen waarom het voor de individuele mens steeds moeilijker is geworden om zelfstandig adequate voorzieningen te treffen voor verschillende sociale risico's.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

13 Er is slechts in grote lijnen een schets gegeven van de kwalitatieve ontwikkelingen van ons stelsel van sociale zekerheid. Het leek dan ook niet noodzakelijk om afzonderlijk in te gaan op specifieke aspecten van de alleen voor ambtenaren geldende regelingen.

14 De woorden «Het laatste

» dienen niet alleen te slaan op «hantering van andere instrumenten van arbeidsvoorzieningsbeleid» doch op de gehele voorafgaande zin.

15 Met «andere instrumenten van sociale zekerheid» wordt gedoeld op die regelingen die niet tot de sociale «verzekering» worden gerekend. In het in-terimrapport gaat het dan met name om de WWV en de RWW.

16 Uitgegaan is van de gebruikelijke wijze van rubriceren in de Sociale Meerjarenramingen. Een zelfde indeling wordt ook gehanteerd bij het opstellen van het Sociaal Budget van de Europese Gemeenschap. Onder «overige sociale voorzieningen» zijn begrepen: de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen, de Wet Werkloosheidsvoorziening, de Wet sociale Werkvoorziening, de Beeldende Kunstenaarsregeling, de Algemene Bijstandswet, de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogslachtoffers, de Algemene Oorlogsongevallenregeling, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, de gezinsverzorging en gezinshulp. Onder «overheidsregelingen» zijn verstaan: de regelingen inzake doorbetaling salarissen aan overheidspersoneel in geval van ziekte, de Kindertoelageregeling Overheidspersoneel, de Interimregeling ziektekosten ambtenaren, de Wachtgeldregeling Overheidspersoneel, de Kostwinners-en in-komstenvergoedingen militairen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen militairen, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (eigen pensioenen).

17aen b Het bedrag van 59 mld. heeft betrekking op de uitkeringen van de sociale verzekeringswetten en is ontleend aan de Meerjarenramingen sociale zekerheidsregelingen (1979) Tweede Kamerzitting 1978-1979,15300 hoofdstuk XV, nr. 3, blz. 46). Daar is ook een uitsplitsing over de wetten vermeld. De WSW is daarin niet betrokken. Deze is in dezelfde publikatie opgenomen op bladzijde 51 e.v. De in genoemde meerjarenramingen opgenomen bedragen zijn berekend in september 1978 en deze droegen op dat moment een voorlopig karakter. Inmiddels zijn door het CBS in de Nationale Rekeningen voorlopige cijfers over 1978 gepubliceerd, waarin het cijfer voor sociale verzekeringsuitkeringen 1978 uitkomt op 58,8 mld. Het verschil tussen beide genoemde cijfers van 200 min. is opgebouwd uit bijstellingen in nagenoeg alle wetten en is veroorzaakt door afwijkende uitkomsten 1977 en afwijkende nominale en volumeontwikkelingen in 1978 dan eerder verwacht. In de inmiddels verschenen Meerjarenramingen sociale zekerheidsregelingen 1980 (Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15800, bijlage bij hoofdstuk XV), is in tabel 1.3 een uitsplitsing per wet van deze verschillen opgenomen. Het meest in het ooglopend zijn daarbij de neerwaartse bijstellingen van de totale WW-uitkeringen met 220 min. en de hogere totale uitkeringen AAW-WAO met 130 min. Een afwijkende volumeontwikkeling van de eerder verwachte is hiervan de voornaamste oorzaak.

18,19,20 Genoemde verdeling is gebaseerd op een berekening waarbij voor de gehele periode voor elk jaar afzonderlijk de stijging naar oorzaken van de sociale verzekeringsuitkeringen is nagegaan. Daarbij wordt onder exogene oor-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15594, nr. 4

zaken verstaan de uitbreiding van rechten, de structurele verhoging van uitkeringen in het eerste jaar dat deze worden toegepast. In de jaren daarna worden de «nominale» jaarlijkse verhogingen daarop als endogeen aangemerkt. Onder nominale oorzaken wordt verstaan de jaarlijkse indexeringen en onder volumeoorzaken de toename van jaar op jaar van het aantal uitkeringsgerechtigden en dergelijke. In dat verband wil ik verwijzen naar het SER-advies inzake de omvang en groei van de collectieve sector (blz. 30) en naar de Sociale Meerjarenramingen 1979 (blz. 34), waarin een nadere toelichting en een uitsplitsing per wet zijn opgenomen. Overigens lopen de meningen over de gehanteerde methodiek bij het verdelen naar oorzaken in endogene en exogene oorzaken uiteen. Met name de gehanteerde interpretatie van het begrip exogeen en ook de toerekening van cumulatie-effecten die optreden door van jaar op jaar berekening, worden als arbitrair ervaren. Om die reden is te beginnen met de Sociale meerjarenramingen 1979 een analyse opgenomen welke een betere indruk geeft van de volumeoorzaken van de toename van de sociale verzekeringsuitkeringen. In de Sociale meerjarenramingen 1980 is deze analyse ook gemaakt voor de periode 1969-1978 en 1979-1990. De sterke stijging van de uitkeringen in de periode 1963-1975 is mede veroorzaakt door de invoering van nieuwe wetten, uitbreiding van het verstrekkingenpakket der ziektekostenverzekeringen, structurele verhogingen van minimumuitkeringen, alsmede door een sterke nominale ontwikkeling. In de jaren 1975-1979 is deze ontwikkeling gematigder geweest dan daarvoor en ook is het pakket van de sociale verzekeringen -met uitzondering van de AAW -nauwelijks meer uitgebreid in deze periode. Indien een globale berekening wordt gemaakt via de methodiek van verdeling naar exogene en endogene oorzaken, zoals hierboven beschreven, dan blijkt in de periode 1975-1979 van de stijging van de uitkeringen ca. 9% veroorzaakt te worden door exogene factoren en ca. 19% uit volumetoename en 72 % uit nominale stijgingen. Voor het overige zij verwezen naar hoofdstuk 4 van de Sociale meerjarenramingen 1980.

21 In de notitie volumebeleid wordt uitvoerig ingegaan op het belang van structuur en kwaliteit van het stelsel en van de organisatie van beleid en uitvoering voor een gericht volumebeleid. Verwezen zij met name naar hoofdstuk 3 «De geïntegreerde benadering van het volumebeleid» (blz. 26 t/m 32). Twee categorieën knelpunten om te komen tot een volumebeperkend beleid worden daar met name gesignaleerd: a. knelpunten gelegen in het feit, dat er sprake is van verschillende, niet optimaal op elkaar aansluitende, regelingen; b. knelpunten gelegen in de uitvoeringsorganisatie, onder meer door een niet optimale coördinatie. De notitie over het volumebeleid geeft aan hoe die knelpunten op langere en kortere termijn zijn weg te nemen c.q. te verminderen. Op langere termijn door stelselwijziging en door een herziening van de uitvoeringsorganisatie waarover het aan de orde zijnde interimrapport handelt. Op korte termijn met name door maatregelen met een coördinerend karakter. Naar mijn mening is de structuur en kwaliteit van het stelsel en de uitvoering van wezenlijke betekenis voor de effectiviteit van een volumebeleid.

22 Voor zover mij bekend, wordt er bij de (kleine) bedrijfsverenigingen geen druk uitgeoefend om de zelfadministratie op te geven. Wel is bekend, dat een van de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen in overleg met het Gemeenschappelijk Administratiekantoor is getreden om de administratie aan dat kantoor op te dragen. Gelet op de wijzigingen, die zich in de structuur van het bedrijfsleven hebben voorgedaan en die mede geleid hebben tot verkleining van de omvang van sommige zelfadministrerende bedrijfsverenigingen, meen ik, dat voor een verder gaande ontwikkeling op dit punt alle aanleiding is.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

23 Binnen de sociale zekerheid is een onderscheid mogelijk tussen een aantal categorieën van regelingen ieder met eigen subdoelstellingen en instrumenten. In het interimrapport is met name ingegaan op de uitvoering van de sociale verzekeringen (excl. ziektekostenverzekeringen) en de daar nauw mee verwante werkloosheidsvoorzieningen (WWV en RWW). Doelstellingen en instrumenten van andere categorieën sociale zekerheidsregelingen verschillen daar duidelijk van (ziektekostenregelingen, ABW, WSW, pensioenvoorzieningen). Omdat bij het zoeken naar nieuwe uitvoeringsstructuren is gedacht vanuit een homogeniteit van (sub) doelstellingen en instrumenten, zijn die laatste categorieën hier slechts in de beschouwing betrokken voor zover coördinatie met de sociale verzekeringen en de WWV en RWW daarom vroegen. Op deze afbakening is in de antwoorden op vraag 80 en 9 nader ingegaan ten aanzien van de ABW en de sociale ziektekostenverzekeringen.

24 De SVR is een belangrijk adviesorgaan van de Regering in zaken de sociale verzekering betreffende. Merkwaardigerwijs is in de Organisatiewet Sociale Verzekering destijds niet vastgelegd dat de SVR op het gebied van de sociale verzekeringen een adviserende taak heeft. Zulks is geschied bij beschikking van de Ministervan Sociale Zaken (laatstelijk gewijzigd in 1962, Stcrt. 1962, nr. 140). In die beschikking is slechts bepaald, dat de SVR de Minister en andere bewindslieden desgevraagd of uit eigen beweging van advies kan dienen over onderwerpen die verband houden met de taak, welke aan de Raad is opgedragen. Dit houdt in, dat de verhouding tussen de taken van de SER als adviesorgaan en die van de SVR op het punt van de advisering niet is geregeld. Het is derhalve afhankelijk van het oordeel van de Minister of de Ministerraad aan welk orgaan in welk geval advies wordt gevraagd. In het algemeen worden adviezen over algemene sociale en sociaal-politieke aspecten van de sociale verzekeringen aan de SER gevraagd. De aan de SVR gevraagde adviezen hebben meestal betrekking op technische aspecten. Dit neemt niet weg, dat in het laatste geval algemene sociale en sociaal-politieke aspecten verweven kunnen zijn met de meertechnische. Dat kan ertoe leiden dat soms gelijktijdig advies wordt gevraagd aan beide organen. Indien alleen advies aan de SVR wordt gevraagd hangt het van het oordeel van de partners in die raad af of zij ingaan op die algemene sociale en sociaal-politieke aspecten, danwel dat zij hun advies opschorten tot de SER over die aspecten een oordeel heeft gegeven. In sommige gevallen wordt ook eerst advies aan de SER gevraagd over de grote lijnen van een voorstel en de daarmee verbonden algemene sociale en sociaal-politieke aspecten. Na ontvangst van dat advies wordt vervolgens aan de SVR advies gevraagd over de concrete in-vulling van de voorstellen. Er is dan ook momenteel geen duidelijke scheidslijn tussen de adviserende taken van beide organen te trekken. Het ligt in de bedoeling dat er een taakverdeling tot stand komt tussen SER en beheersingsorgaan ten aanzien van de advisering. Die taakverdeling zal dan moeten inhouden dat het beheersingsorgaan geen advies wordt gevraagd over sociaal-politieke aspecten in de sociale verzekeringen, maar dat zulks aan de SER zal worden gevraagd. Die taakverdeling zal tevens inhouden dat het beheersingsorgaan zich in zijn adviezen (ook in de spontane) zoveel mogelijk moet onthouden van een oordeel over sociaal-politieke aspecten. Een strikte afbakening van hetgeen gerekend moet worden tot sociaal-politieke aspecten is niet mogelijk. Er zal daarover in voorkomende gevallen overleg tussen de voorzitter van de SER, de voorzitter van het beheersingsorgaan en (eventueel) de Minister moeten worden gevoerd. Het is echter wel de bedoeling de hoofdlijnen van deze scheiding in adviserende taken in de wet vast te leggen, met daaraan gekoppeld de beschreven overlegvorm ten aanzien van «overlopende» aspecten.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15594, nr. 4

25 In paragraaf 3.4.1.1 van het interimrapport wordt geconstateerd dat de uitvoeringsorganen de mogelijkheden van op elkaar afgestemde geautomatiseerde administraties tot het leveren van beleidsrelevante kwantitatieve en kwalitatieve informatie onvoldoende hebben benut. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 7.6. van het interimrapport «De informerende functie». Aangegeven wordt daar welke belemmeringen in het traditionele informatiesysteem zijn gelegen om tot beleidsrelevante informatie te komen. Ook wordt geschetst welke stappen zowel in de systeemopzet als in de organisatie nodig zijn om tot een systeem te komen dat zowel bijdraagt tot een gecoördineerde, individugerichte begeleiding, als tot een terugkoppeling van uitvoeringsniveau naar beleidsvormend niveau door middel van beleidsrelevante informatie. De mogelijkheden daartoe zijn duidelijk aanwezig; veel hangt af van de bereidheid van de uitvoeringsorganen. Aan de SVR is verzocht te bevorderen dat de relevante paragrafen uit het interimrapport in het Overlegorgaan Centrale Personenregistratie Sociale Verzekeringen in discussie komen. In dit overlegorgaan zijn alle betrokkenen vertegenwoordigd. Het trekken van conclusies in dit overleg wordt met name belemmerd, doordat de uitvoeringsorganen vinden dat een drastische wijziging van bestaande administratieve processen niet opweegt tegen het belang van voldoende en adequate beleidsinformatie. Het is dan ook niet zonder reden, dat het interimrapport bepleit ten aanzien van de informerende functie een duidelijk coördinerende taak toe te kennen aan het beheersingsorgaan.

26 Hoezeer ook de Organisatiewet Sociale Verzekering tekort schiet in duidelijkheid, de SVR heeft daarnaast een aantal wettelijke mogelijkheden van de beheersingstaak onvoldoende benut. Het interimrapport geeft daar voorbeelden van. Het interimrapport constateert onder meer dat door de centrale organisaties van werkgevers en werknemers aangewezen leden toezicht moeten uitoefenen op uitvoeringsorganen, waarvan vertegenwoordigers van dezelfde werkgevers-of werknemersorganisaties dan wel de daarbij aangesloten bonden het bestuur vormen. Hoewel strikt juridisch geen sprake is van toezichthouden op zich zelf, is duidelijk sprake van een verstrengeling van belangen. De neerslag daarvan in de formele besluitvorming is nauwelijks door middel van voorbeelden aan te geven. De gevolgen zijn echter in de achterliggende peridoe gebleken. Besluiten komen vaak niet of eerst na een jaren slepende besluitvorming tot stand. Inhoudelijk leiden besluiten niet tot een effectieve beheersing, omdat naar een zodanige formulering wordt gezocht dat belangen van betrokkenen te veel worden ontzien. Het is dan ook niet zonder reden dat zowel de departementale projectgroep als de organisatiebureaus althans ten aanzien van de toezichthoudende functie tot een gelijke conclusie komen. Beide bevelen aan de toezichthoudende taak op te dragen aan een college van onafhankelijke deskundigen.

27 Zoals blijkt uit het vermelde in paragraaf 3.4.1.2 van het interimrapport wordt er verschillend gedacht over de aard en de reikwijdte van de wettelijke bepalingen welke handelen over het toezicht van de SVR. Dit heeft ook zijn weerslag gevonden in de verhouding SVR-GMD. Het toezicht van de SVR op de GMD is in de praktijk beperkt gebleven tot een repressief toezicht op detailpunten.

28 Het advies van de SVR over onder meer een herziening van artikel 48 van de Organisatiewet Sociale Verzekering werd op 21 augustus 1963 aan de toenmalige minister van Sociale Zaken uitgebracht. Het lag in de bedoeling dit advies te verwerken in de toen in voorbereiding zijnde algehele wijziging van de Organisatiewet in verband met de invoering van de WAO. Later is er Tweede Kamerzitting 1979-1980,15594, nr. 4

echter besloten de wijziging in de Organisatiewet te beperken tot uitsluitend de aanpassingen die nodig waren in verband met de invoering van de WAO in 1967 en met een algehele wijziging van de Organisatiewet te wachten tot het advies van de SER over de herziening van de uitvoeringsorganisatie zou zijn ontvangen. Een adviesaanvrage daarover ging eveneens in 1967 uit.

1 Uitgave SER 1962, nr. 5 2 Een indicatie van deze mobiliteit verschaft de verhouding tussen premiebetalende deelnemers en de «slapende» deelnemers van bedrijfspensioenfondsen. De «slapers» hebben de sector, waarin het bedrijfspensioenfonds werkzaam is, verlaten. Per ultimo 1966 bedroeg het aantal premiebetalende deelnemers 21501-85 en het aantal «slapers» 1 791 940. Per ultimo 1967 bedroeg het aantal premiebetalende deelnemers 21501-91 en het aantal «slapers» 1 907 939. (Gegevens ontleend aan het Verslag van de Verzekeringskamer betreffende de Pensioen-of spaarfondsen over het jaar 1966, resp. 1967.) 29 Verwezen moge worden naar de volgende passage uit het rapport van de commissie-Vos (blz. 25 en 26). «Een gedifferentieerde premie per sector van het bedrijfsleven kan rationeel zijn als duurzaam duidelijke risicoverschillen tussen de onderscheiden sectoren zijn aan te wijzen en de onderlinge verhouding tussen de verschillende sectoren slechts geleidelijk wijzigingen ondergaat. Zo kan een differentiatie in de premie worden verdedigd, voor zover verschillen in risico veroorzaakt worden door verschillen in werkomstandigheden en arbeidsorganisatie van de onderscheidene sectoren. Het is echter zeer moeilijk om deze factoren te isoleren van de andere, die mede de hoogte van de premie bepalen. Maar zelfs als dit wel mogelijk is, doen zich moeilijkheden voor. Zo heeft de Sociaal-Economische Raad in zijn advies inzake het onderscheid tussen de wachtgeld" en werkloosheidsverzekering in de Werkloosheidswet gewezen op de factor van de mobiliteit van de werknemers tussen de onderscheidene sectoren van het bedrijfsleven, waardoor het van betrekkelijk toevallige factoren kan afhangen, in welke sector van het bedrijfsleven de calamiteit, welke tot aanspraak op uitkering leidt, ontstaat. Desalniettemin is de SER van oordeel, dat -voor wat de werkloosheid betreft -er voor onderdelen van het bedrijfsleven specifieke karaktertrekken zijn aan te wijzen, die tot verschillen in lasten van werkloosheid kunnen leiden, waarvan het redelijk is, dat zij in eerste aanleg door het betrokken onderdeel van het bedrijfsleven worden gedragen. Op grond hiervan wordt handhaving van het onderscheid in de wijze van premievaststelling voor de wachtgeld" en de werkloosheidsverzekering in overweging gegeven, omdat daardoor zowel het aspect van de «toerekening» als het aspect van de onderlinge samenhang van het bedrijfsleven tot uitdrukking zouden komen. De hiervoren weergegeven redenering kan niet alleen worden toegepast op de verhouding van de wachtgeld" tot de werkloosheidsverzekering, maar ook op die van de ziekengeld" tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De commissie neigt er echter toe aan de onderlinge samenhang van het bedrijfsleven meer betekenis toe te kennen dan in de bovenstaande redenering is geschied. Zij meent, dat als gevolg van de relatief grote technische ontwikkeling de sectorsgewijze indeling van het bedrijfsleven aan betekenis inboet. De karakteristieke kenmerken van verschillende sectoren kunnen daardoor op korte termijn grote veranderingen ondergaan, terwijl de omvang van de bedrijfstakken zich eveneens op betrekkeiijk korte termijn aanzienlijk kan wijzigen (bij voorbeeld mijnen, zeescheepvaart). Deze ontwikkeling zal noodzakelijkerwijze tot een grote mobiliteit van de werknemers tussen de verschillende sectoren moeten leiden.2 De ervaring leert dat de mobiliteit van de oudere werknemers geringer is dan die van de jongere, terwijl bovendien de jeugdigen die in het arbeidsproces in-treden een voorkeur hebben voor expanderende sectoren. Dit leidt ertoe dat de mate waarin premieverschillen hun oorzaak vinden in verschillen in leeftijdsopbouw, toeneemt. De risico's waartegen de in dit hoofdstuk behandel-de verzekeringen dekking bieden, worden in belangrijke mate mede bepaald door de leeftijd van de betrokkene. De bedrijfstaksgewijze verevening van baten en lasten strekt dientengevolge ten voordele van de uitbreidende bedrijfstakken, waarin de premie lager kan worden gesteld dan zij zij bij een normaal te achten verdeling van het werknemersbestand naar leeftijd zou kunnen zijn. Een bedrijfstaksgewijze «differentiatie» van de premie kan derhalve bij relatief snelle wijzigingen in de onderlinge verhoudingen een juiste «toerekening» van de kosten eerder belemmeren dan bevorderen».

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

30 In de notitie Volumebeleid wordt erop gewezen dat een herziening van het stelsel van de sociale zekerheid en een reorganisatie van de uitvoeringsorganisatie belangrijke bijdragen zouden vormen tot het voeren van een individugericht, gecoördineerd volumebeleid. Voor ZW, WAO en WW geldt thans een bedrijfstaksgewijze uitvoering. De WWV en RWW worden uitgevoerd door de gemeenten. Een integratie van WW, WWV en RWW zal ongetwijfeld consequenties moeten hebben voor de uitvoering om de beoogde gecoördineerde en individugerichte toepassing te kunnen realiseren. Op keuzes die daarbij voor de kortere termijn moeten worden gemaakt gaat paragraaf 8.2 van het interimrapport in. De begeleidende brief bij het interimrapport stelt ook nadrukkelijk dat «een definitieve beslissing over de uitvoeringsstructuur van deze regelingen zal worden genomen in het kader van de in voorbereiding zijnde integratie van de sociale zekerheidsregelingen in geval van werkloosheid». In beginsel wordt ook daar uiteindelijk gedacht aan uitvoering door autonome regionele organen. Een verdergaande stelselintegratie, waarbij ook de ZW en de WAO zouden worden betrokken kan niet tot een andere conclusie leiden. Ook bij die regelingen zou de gevalsbehandeling immers door regionale organen dienen te geschieden.

31 Tot de eigen (politieke) verantwoordelijkheid van het begeleidsvormingsniveau behoort in de eerste plaats een afweging van beleidsdoelstellingen en beslag op macro-economische ruimte. Verder de wettelijke vaststelling van instrumentarium waarmee en de structuur waarbinnen die doelrealisatie moet plaatsvinden. Ook voor de feitelijke realisering van die beleidsdoelstellingen geldt een politieke verantwoordelijkheid. In het huidige stelsel van sociale zekerheid zijn in de wetgeving een groot aantal discretionaire bevoegdheden toegekend aan het uitvoeringsniveau. Juist daarin komt de autonomie van de uitvoeringsorganen tot het vaststellen van uitkeringsrechten, tot uitdrukking. Deze autonome bevoegdheden maken het de sociale partners mogelijk op uitvoeringsniveau een eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de sociale zekerheid te dragen. In het interimrapport wordt die eigen verantwoordelijkheid van beleidsvormingsniveau (Regering en parlement) en uitvoeringsniveau (sociale partners) als uitgangspunt gehandhaafd. Tegelijkertijd wordt echter gesteld dat ten einde aan de politieke verantwoordelijkheid van Regering en parlement voor de realisering van beleidsdoelstellingen een concrete inhoud te geven, de overheid niet volstrekt afzijdig kan blijven ten aanzien van de wegen waarlangs en de middelen waarmee op uitvoeringsniveau naar een realisering van doelstellingen wordt gestreefd. Dat zou ertoe leiden dat de overheid formeel wel verantwoordelijk, maar materieel niet aanspreekbaar is. Goede beleidsinformatie en de mogelijkheid tot bijsturing vormen een voorwaarde tot het dragen van politieke verantwoordelijkheid. Juist om de eigen verantwoordelijkheid van beide niveaus te benadrukken en tegelijkertijd een feitelijke realisering van doelstellingen -waarvoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid bestaat te waarborgen, is voorgesteld om een onafhankelijk beheersingsorgaan in te stellen, dat een schakelfunctie vervult tussen beleidsvormingsniveau en uitvoeringsniveau.

32 Het beleidsvormingsniveau en het uitvoeringsniveau hebben, gegeven het karakter van het stelsel van sociale zekerheid, ieder een eigen verantwoordelijkheid. In het antwoord op vraag 31 is daar uitvoerig op ingegaan. Beheersing vormt een wezenlijk bestanddeel van zowel de uitvoering als de begeleidsvorm. Aan het beheersingsproces zal dan een zodanige vorm moeten worden gegeven dat mede door die vormgeving op het uitvoeringsniveau en het beleidsvormingsniveau de eigen verantwoordelijkheid tot zijn recht komt. Voor het beleidsvormingsniveau dienen dan een aantal voorwaarden te worden vervuld en belemmeringen te worden voorkomen. Datzelfde geldt voor het uitvoeringsniveau. Zo is het voor het beleidsvormingsniveau een voorwaarde dat over voldoende en adequate beleidsformatie wordt beschikt, mede om zo nodig een (snelle) bijsturing mogelijk te maken.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Voor het uitvoeringsniveau is een voorwaarde dat de autonomie -die met name tot uitdrukking komt in bevoegdheid tot zelfstandige wetsinterpretatie bij het toekennen van rechten -gehandhaafd blijft. Juist om die voorwaarden te scheppen en belemmeringen te voorkomen heeft de projectgroep voorgesteld tussen uitvoerings-en beheersingsniveau een onafhankelijk beheersingsorgaan te stellen. Beheersing in het uitvoeringsproces zou moeten omvatten -zoals paragraaf 4.1 van het interimrapport toelicht -activiteiten dieertoe leiden dat: -het uitvoeringsproces verloopt conform het in de verschillende wetten en uitvoeringsbesluiten vastgelegde beleid; -door middel van beleidsinformatie wordt gesignaleerd wanneer doelstellingen niet worden gerealiseerd (stelsel, beschikbare middelen); -in dat geval suggesties worden gedaan tot beleidsbijstelling.

Het toezicht van de SVR heeft zich in de praktijk in hoofdzaak beperkt tot het eerste punt. De beheersingstaak is echter ruimer. Juist in zo'n ruimere opvatting wordt het voor de beleidsvorming (Regering en parlement) mogelijk te komen tot: -een aanpassing van (wettelijke) regelen op basis van maatschappelijke behoeften; -een voortdurende afweging van doelstellingen en beslag op financiële middelen; -het dragen van de politieke verantwoordelijkheid voor de gehele sociale zekerheid, zowel qua stelsel als qua uitvoering.

Er moet worden gekomen tot een wederzijdse beïnvloeding van de beheersing op uitvoeringsniveau en beleidsvormingsniveau.

33 Geduid wordt op het feit dat beheersing vaak in enge zin is -en nog steeds wordt -uitgelegd, namelijk in de zin van een zo doelmatig mogelijke uitvoering. Het interim rapport gaat er juist van uit dat beheersing zowel op uitvoeringsniveau als op beleidsvormingsniveau tot uitdrukking moet komen. Het beleidsvormingsniveau (Regering en parlement) dient daartoe dan echter niet alleen over wettelijke mogelijkheden te beschikken (via wetgeving sociale zekerheidsregelingen aanvullen of aanpassen), maar ook op grond van beleidsinformatie op een snelle effectieve wijze te kunnen bijsturen.

34a, b en c Zowel in het interimrapport «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid» als in het rapport van de organisatiebureaus Berenschot en Bosboom en Hegener is voorgesteld de Minister van Sociale Zaken aan te wijzen als coördinerend bewindsman voor het sociale zekerheidsbeleid. Het kabinet heeft nog geen afgerond oordeel over deze aanbeveling. In de afgelopen jaren is meermalen van gedachten gewisseld over de interdepartementale taakverdeling en coördinatie (zie met name het z.g. Mitacorapport, zitting 1977, nr. 16649) en de positie van coördinerende bewindslieden. Zoals bekend is bij die discussie voorgesteld, dat er een Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst zal komen. Daarbij is de verwachting uitgesproken dat in het eindrapport van deze commissie ook de bevoegdheden van de coördinerende bewindslieden definitief zullen worden vastgesteld (zie Handelingen, zitting 1978-1979, blz. 521). De bedoelde commissie is inmiddels ingesteld en zal op korte termijn haar tweede deelrapport uitbrengen. Ik ben van oordeel dat de bevindingen en voorstellen van zowel de projectgroep als de organisatiebureaus op dit punt in het werk van deze commissie moeten worden betrokken, zodat ze kunnen worden bezien in relatie tot het gehele vraagstuk van de ministeriële taakverdeling en coördinatie en de bevoegdheden van (andere) coördinerende bewindslieden. Voor het op gang brengen van een goed beheersingsproces van de sociale zekerheid heeft echter op korte termijn de instelling van het beheersingsorgaan prioriteit. Gezien de taken die aan dit orgaan zijn toebedeeld en het feit dat dit orgaan verantwoordelijkheid verschuldigd zal zijn aan de Minister van Sociale Zaken zal hiermee al een stap in de richting van de invulling van de coördinerende taak van de bewindsman worden gezet.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

35 Door de Externe Commissie van Deskundigen van de SER is in het rapport «Informatiestromen en reservevorming in de sociale verzekering» als wenselijkheid uitgesproken dat de Minister van Sociale Zaken de sociale verzekeringspremies vaststelt, in plaats van dat hij tot dusverre bij enkele fondsen de premies goedkeurt en bij andere de premies vaststelt. Als argumenten daarvoor worden in het rapport van de commissies aangegeven dat daarmee enerzijds wordt voorkomen dat door de fondsbesturen vastgestelde premies niet worden goedgekeurd door de Minister, omdat inmiddels wetswijzigingen en overige beleidswijzigingen bekend zijn geworden en rijksbijdragen anders zijn vastgesteld dan eerder verwacht. Anderzijds houdt de huidige procedure doublures in doordat vaak dezelfde vertegenwoordigers in verschillende organen (SVB en SVR) de premieadviezen en de premievaststelling moeten beoordelen. De argumenten van de commissie kan ik onderschrijven. Eventuele wijziging van de huidige gang van zaken betekent slechts een procedurele wijziging waarbij de feitelijk door de besturen vastgestelde premies het karakter krijgen van een premieadvies. Overigens zal ik een definitief standpunt ter zake eerst bepalen nadat het advies van de SER over het rapport van de Ex-terne Commissie van Deskundigen is uitgebracht. Verwezen zij ook naar het antwoord op vraag 55.

36/61/74 In de voorbereidende notitie over het volumebeleid is een concreet voorstel gedaan om reeds nu een gecoördineerde uitvoering van WW, WWV en RWW tussen bedrijfsverenigingen, gemeenten en arbeidsbureaus te realiseren. Voorgesteld wordt om te komen tot de instelling van regionale coördinatiecommissies, naast het landelijk overleg in de OWA. Ook de GMD zou vertegenwoordigd moeten zijn vanwege zijn taken ten aanzien van de arbeidsinpassing van gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Uitgangspunt is de handhaving in essentie wan de bevoegdheden van de verschillende organen. De regionale coördinatiecommissies zullen met name coördinerende bevoegdheden krijgen. In het tweede deel van het interimrapport is een schets gegeven van de richting waarin de gehele uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid zich dient te ontwikkelen. Met name wordt daar de totstandkoming van regionale uitvoeringsorganen voor alle in het interimrapport genoemde sociale zekerheidsregelingen, waaronder de WW, WWV en RWW, bepleit. Daardoor zou de coördinatie in de regio sterk worden vereenvoudigd. Het vraagstuk van de uitvoering van de werkloosheidsregelingen zal overigens opnieuw aan de orde komen, nadat voorstellen tot integratie van WW, WWV en RWW zijn uitgewerkt. Steeds zal echter de noodzaak tot regionale coördinatie van de uitvoering van werkloosheidsvoorzieningen, arbeidsvoorzieningen en sociaal-medische begeleiding aanwezig blijven.

37 In de memorie van toelichting bij de WWV is geschetst, dat reeds vóór de invoering van de Werkloosheidswet vaststond, dat er naast deze wet behoefte zou blijven bestaan aan een aanvullende regeling voor werklozen met een langere werkloosheidsduur. Aan de plaatselijke overheid was de uitvoering van vóór de Werkloosheidswet bestaande «Overbruggingsregelingen en Bijstandsregeling» toevertrouwd. De Wet werkloosheidsvoorziening is als een (gedeeltelijke) voortzetting van die regelingen aan te merken. De wetgever heeft dus door de aanwijzing van de gemeente als uitvoerder van die wet een reeds bestaande taakvervulling van de gemeente gecontinueerd.

38a en b Over de gevallen, waarin de bepalingen van de verschillende sociale verzekeringswetten oneigenlijk gebruik in de hand werkten, zijn een aantal jaren geleden door de Sociale Verzekeringsraad deelrapporten uitgebracht.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15594, nr. 4

Op basis van deze deelrapporten zijn de sociale verzekeringswetten bij de wet van 14 december 1977, Stb. 670 (tegengaan oneigenlijk gebruik als gevolg van te ruime bepalingen) gewijzigd. Voorts zijn thans een aantal wetsontwerpen in voorbereiding, welke beogen misbruik en oneigenlijk gebruik bij onderaanneming te voorkomen. Een van deze wetsvoorstellen (aansprakelijkstelling hoofdaannemer) heeft de Kamer reeds bereikt. Er bestaat geen inzicht in de mate, waarin oneigenlijk gebruik werd c.q. wordt gemaakt van de sociale verzekeringswetten. In dit verband lijkt het mij goed nog eerst te wijzen op het verschil tussen oneigenlijk gebruik en misbruik. Van de mogelijkheid tot een oneigenlijk gebruik van de sociale verzekeringswetten kan worden gesproken, indien de voorwaarden voor het verkrijgen van een aanspraak mede door de belanghebbenden op verwijtbare wijze kunnen worden beïnvloed dan wel, indien deze voorwaarden zodanig zijn omschreven, dat daaronder ook omstandigheden kunnen worden gebracht, welke nimmer voor ogen hebben gestaan en die, als de wet opnieuw zou worden geschreven, daar ook niet ondergebracht zouden worden. In de sfeer van oneigenlijk gebruik kan dan ook geen sprake zijn van vervolging.

39 Op verschillende plaatsen in het interimrapport (zie bij voorbeeld blz. 9 vierde alinea, blz. 42, vijfde alinea, blz. 60, vierde alinea, blz. 84, tweede alinea) is gewezen op de samenhang en de noodzaak tot coördinatie van het sociale zekerheidsbeleid met de algemene (curatieve) gezondheidszorg, de bedrijfsgezondheidszorg en de sociale verzekeringsgeneeskunde. In het interimrapport is de plaats en de organisatorische opbouw van de sociaal-medische begeleiding nog niet uitgewerkt. De projectgroep zal de uitwerking daarvan als één van de eerste projecten in een afzonderlijk deelrapport aan de orde stellen. Als uitgangspunten zullen daarbij gelden (zie blz. 84 van het interimrapport): -continuïteit in de medische beoordeling begeleiding en controle; -coördinatie tussen de bedrijfsgeneeskundige zorg, de algemene gezondheidszorg en de sociale verzekeringsgeneeskunde; -samenwerking tussen sociaal-medische begeleiding en de arbeidsbemiddeling. Het ligt in de rede, dat de in de vraagstelling bedoelde voorlichting in bedoeld deelrapport de nodige aandacht zal krijgen.

40 De projectgroep heeft ervoor gekozen te komen tot een constructie waarin het beheersingsorgaan een onafhankelijke positie inneemt, zowel ten opzichte van de Minister van Sociale Zaken als ten opzichte van de sociale partners. Wel meende de projectgroep dat de leden in dit orgaan geacht moeten kunnen worden het vertrouwen te genieten van werkgevers-en werknemersorganisaties en andere sectoren van het maatschappelijk leven. Die uitgangspunten hebben ertoe geleid dat de projectgroep heeft gekozen voor een procedure waarin de leden van het beheersingsorgaan worden benoemd door de Kroon, op voordracht van de Minister, gehoord de SER en de bestuurders te doen benoemen voor een bepaalde tijd van bij voorbeeld zes jaren met de mogelijkheid van herbenoeming. De vraag of een lid van het beheersingsorgaan het vertrouwen geniet van de sociale partners kan daardoorzowel bij de benoeming als bij de herbenoeming aan de orde komen (zie over de procedures rond de benoeming en herbenoeming het antwoord opvraag 49).

41, 69,70 en 71 Zoals blijkt uit het vermelde in paragraaf 5.6 van het interimrapport is de projectgroep van mening dat de controle van het beheersingsorgaan zal voldoen aan hoge eisen van deskundigheid, onafhankelijkheid en publiciteit.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Het daarnaast nog verlenen van controletaken aan de Algemene Rekenkamerten aanzien van de uitvoeringsorganen lijkt naar de mening van de projectgroep niet noodzakelijk en zou tot doublures leiden. Dat zou veel minder gelden, indien de Algemene Rekenkamer een controlerende taak zou worden verleend ten aanzien van uitsluitend het beheersingsorgaan. Bij zijn studie over de externe controlefunctie heeft de projectgroep in het bijzonder aandacht geschonken aan de inhoud van de door de Tweede Kamerder Staten-Generaal op 25 mei 1976 aanvaarde motie van de heer Van Amelsvoortc.s. (zitting 1975-1976, nr. 13037, stuk nr. 21) en het daarmede verband houdende voorontwerp van wet van de vorige staatssecretaris van Financiën met betrekking tot de Algemene Rekenkamer. De externe controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheid ware naar de mening van de projectgroep op te dragen aan het beheersingsorgaan. Dat ligt geheel in het verlengde van de beheersingstaken van dat orgaan. De Algemene Rekenkamer heeft een soortgelijke functie voor de rijksuitgaven. Het ligt dus in de rede bij de formulering van de doelstelling van het beheersingsorgaan mede aansluiting te zoeken bij de doelstelling van de Algemene Rekenkamer. De projectgroep heeft voorgesteld van het aanwijzingsrecht dat de Minister van Sociale Zaken heeft ten aanzien van het beheersingsorgaan uit te zonderen de wijze waarop dat orgaan zijn externe controlefunctie vervult (bij voorbeeld controletechniek en frequentie). In deze functie zal het beheersingsorgaan de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheid controleren. Deze externe controlefunctie vereist binnen het secretariaat de aanwezigheid van registeraccountants. Door vorenbedoelde uitzondering van het aanwijzingsrecht wordt gewaarborgd, dat het beheersingsorgaan met betrekking tot de externe controlefunctie een volledig onafhankelijke positie inneemt ten opzichte van de Minister van Sociale Zaken. De resultaten van de controles in het kader van deze externe controlefunctie, zowel op het punt van de rechtmatigheid als de doelmatigheid, dienen -zo stelt de projectgroep voorzo spoedig mogelijk te worden gemeld aan de Minister van Sociale Zaken. Deze kan dan beoordelen of er reden is acties te ondernemen. Ook bij een werkwijze waarbij de Algemene Rekenkamer zoveel mogelijk gebruik maakt van bestaande rapporten zullen doublures niet kunnen worden vermeden. De Algemene Rekenkamer zal ook in dat geval de bevoegdheid willen hebben om zelf onderzoeken in te stellen bij de uitvoeringsorganen. Het kabinet zal zich nog afzonderlijk beraden over de voorstellen van de projectgroep inzake de verhouding van de Algemene Rekenkamer tot de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid. Dit binnen het ruimere kader van de besluitvorming ter uitvoering van de voornoemde motieven Van Amelsvoort (zie stuk 15594, nr. 1, blz. 2, derde alinea).

42 Onder de sociale zekerheid in engere zin worden in het algemeen verstaan de sociale verzekeringen, in dit interimrapport echter met uitzondering van de sociale ziektekostenverzekeringen.

43 In het interimrapport wordt niet voorgesteld bij de overheid een rechtstreekse verantwoordelijkheid voor de beheersing van de sociale zekerheid op uitvoeringsniveau te leggen. Integendeel! Bepleit wordt juist het beleidsvormingsniveau (Regering en parlement) en het uitvoeringsniveau (sociale partners) duidelijk te onderscheiden. Ten einde een vermenging van verantwoordelijkheden van beide niveaus te voorkomen en het tegelijkertijd mogelijk te maken dat ieder niveau zijn eigen verantwoordelijkheid ook feitelijk kan dragen, wordt voorgesteld daartussen een onafhankelijk beheersingsorgaan te stellen. Dit beheersingsorgaan heeft een schakelfunctie. De schakelfunctie zou met name die taken en bevoegdheden moeten omvatten die, wanneer ze eenzijdig aan hetzij beleidsvormingsniveau hetzij uitvoerings-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

niveau worden toegedeeld, aan het andere niveau de mogelijkheid tot het dragen van de eigen verantwoordelijkheid zouden ontnemen. Naar het uitvoeringsniveau toe waarborgt het beheersingsorgaan, dat een rechtstreeks ingrijpen van het beleidsvormingsniveau, anders dan door middel van wetgeving, in de autonome bevoegdheden van de uitvoeringsorganen tot wetsinterpretatie wordt voorkomen. Ten behoeve van het beleidsvormingsniveau bewaakt het beheersingsorgaan onder meer de coördinatie van uitvoeringsprocessen en de beschikbaarheid van goede beleidsinformatie. Daardoor vindt een tijdige signalering van de noodzaak tot bijsturing aan Regering en parlement plaats en zijn daartoe ook feitelijke mogelijkheden op korte termijn aanwezig.

44, 45a, 45b, 46 Zoals blijkt uit paragraaf 5.3 van het interimrapport zullen aan het beheersingsorgaan een aantal belangrijke taken worden opgedragen. Ook de externe controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheid ware als taak aan het beheersingsorgaan op te dragen. In paragraaf 5.4 zijn vervolgens verschillende bevoegdheden aangeduid welke gericht zijn op de verschillende taken. Deze bevoegdheden zullen zodanig zijn, dat het orgaan de totale beheersingsfunctie optimaal zal kunnen vervullen. Het gaat hierbij om de beheersing van een proces, waarin tientallen miljarden guldens omgaan. Een dergelijke functie vergt naar de mening van de projectgroep om een bemanning van bestuurders, die fulltime als zodanig werkzaam zijn. De bestuurders zullen voor de vervulling van hun taken en bevoegdheden de beschikking moeten hebben over een secretariaat, als hoedanig in beginsel het secretariaat van de huidige SVR kan functioneren. Het secretariaat zal qua deskundigheid aanpassing behoeven aan de nieuwe taken en bevoegdheden. Om te komen tot een doelmatige werkwijze zou het college enerzijds niet te omvangrijk moeten zijn en anderzijds moeten beschikken over voldoende spreiding van deskundigheid om een goede taakvervulling mogelijkte maken. Gezien een en ander wordt voor de bemanning van het beheersingsorgaan gedacht aan een college van drie tot vijf leden. De leden van het college zullen niet alleen deskundigheid bezitten op het terrein van de sociale zekerheid in engere zin maar ook op nauw samenhangende terreinen als arbeidsvoorziening, arbeidsomstandigheden en gezondheidszorg. Daarnaast worden vereist bestuurlijke capaciteiten in het algemeen. Gezien het vorenstaande wordt niet gedacht aan het voorschrijven van een taakverdeling binnen het college. Het gaat om een collegiale bestuursvorm. Binnen het college is dan geen hiërarchische structuur. Het college als geheel draagt de verantwoordelijkheid voor het goed verlopen van het beheersingsproces. Bij een dergelijke structuur heeft een oneven aantal leden het voordeel, dat het staken van stemmen wordt voorkomen. Aan de voorzitter valt in het college als bijzondere taak toe om als primus inter pares de vergaderingen van het college te leiden. Voor wat betreft de rechtspositie van de leden wordt gedacht aan aansluiting bij de rechtspositie van burgemeesters. De doelstelling, taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan stellen hoge eisen aan de bestuurders, die het college zullen gaan vormen. Deze bestuurders, die een onafhankelijke positie bekleden ten opzichte van het georganiseerde bedrijfsleven, zullen geacht moeten worden het vertrouwen te genieten van de sociale partners. Toegegeven wordt dat de eisen, waaraan de leden van het college zullen moeten voldoen, bepaald niet gering zijn. Niettemin mag worden verwacht, dat er een voldoende aantal bestuurders zijn die aan de gestelde eisen voldoen.

47/48 De projectgroep heeft in het interimrapport reeds als conclusie getrokken dat de verschillende verantwoordelijkheden bij het beheersingsproces het beste tot uitdrukking worden gebracht, indien de benoeming der bestuur-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

ders plaatsvindt door de Kroon, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken, gehoord de SER. Voor de wijze waarop deze benoemingsprocedure in de praktijk vorm zal worden gegeven moge worden verwezen naar het antwoord op de vragen over die benoemingsprocedure (vraag 49/50). Mijns inziens kan door die procedure worden gekomen tot een benoeming van bestuurders die geacht kunnen worden het vertrouwen te genieten van werk-gevers-en werknemersorganisaties en andere maatschappelijke groeperingen die geacht kunnen worden in de SER vertegenwoordigd te zijn.

49,50 De concrete invulling van de procedure rond benoeming en herbenoeming van de leden van het beheersingsorgaan zal geschieden in het wetsontwerp, waarin het eerste deel van het interimrapport wordt uitgewerkt. Definitieve conclusies zijn echter nog niet getrokken. Bij de voorbereiding zijn enkele gedachten ontwikkeld, die hieronder worden geschetst. Indien er in het beheersingsorgaan vacatures ontstaan anders dan door het periodiek aftreden van de leden, wordt aan de SER verzocht een voordracht op te stellen van drie in alfabetische volgorde gerangschikte personen. Op basis van deze voordracht doet de Minister aan de Kroon een voordracht tot benoeming van een lid. Voor iedere vacature wordt dus een afzonderlijke voordracht opgemaakt, ook bij de eerste benoeming. Ten aanzien van de herbenoeming zal de procedure aldus zijn, dat de Minister aan de SER zijn mening vraagt over zijn oordeel al dan niet tot herbenoeming van het periodiek aftredende lid over te gaan. Is de SER het met dit oordeel eens dan volgt hetzij een voordracht tot herbenoeming aan de Kroon, hetzij (indien niet tot herbenoeming is besloten) een verzoek aan de SER een nieuwe voordracht voor de opengevallen vacature op te maken. Verschilt de SER van mening met de Minister dan zal de Kroon moeten beslissen. Indien de Kroon besluit tot herbenoeming dan kan hij daartoe overgaan. Besluit de Kroon niet tot herbenoeming dan dient wederom aan de SER een voordracht voor de opengevallen vacature te worden gevraagd. Bij de zittingsduur is gedacht aan een termijn van zes jaar omdat een te korte termijn zou leiden tot een veelvuldig wijzigen van het college, hetgeen het ingespeeld raken op de materie niet bevordert. Een te lange termijn zou het niet mogelijk maken toch regelmatig te bezien of de leden van het beheersingsorgaan nog wel het vertrouwen hebben van de partners in de SER en de Minister. Er is overigens niet gedacht aan een gelijktijdig aftreden van alle leden. De gedachten gaan meer uit naar een zekere roulatie. Dit kan ertoe leiden dat bij de eerste benoeming (bij het instellen van het orgaan) enigszins afwijkende termijnen worden gehanteerd.

51a De taak van de beroepsrechter ondergaat geen wijziging ten gevolge van de voorstellen van de projectgroep. Zijn taak zal blijven het toetsen van de beslissingen van de uitvoeringsorganen aan de voorschriften en normen van het (geschreven en ongeschreven) recht. Daarmee kan hij een bepaalde rechtsleer vormen en handhaven die ertoe kan leiden dat alle organen wier beslissingen aan zijn oordeel zijn onderworpen die rechtsleer zullen volgen. Dit betekent dat de rechter zelfs reeds zorg draagt voor een zoveel mogelijk gelijke interpretatie en toepassing van de wet en de daarin opgenomen begrippen. De beroepsrechter treedt echter alleen op indien hem zulks wordt verzocht, nl. als beroep wordt ingesteld door iemand die het met een beslissing van het uitvoeringsorgaan niet eens is. Buiten het oordeel van de beroepsrechter blijven dus gevallen waarin de wet op een zo gunstige wijze voor de betrokkenen wordt uitgelegd dat zij nimmer aanleiding zullen vinden zich ter zake tot de beroepsrechter te wenden. Vanuit een oogpunt van beheersing gezien vormen echter ook (of misschien wel juist) dat soort interpretaties en toepassingen belangrijke aspecten. Het zal de taak zijn van het beheersingsorgaan daar in het bijzonder aandacht aan te schenken. Dat geschiedt dus niet op verzoek van een betrokkene die het niet eens is met een beslissing maar op initiatief van het beheersingsorgaan dat moet volgen hoe de uitvoeringsorganen de wet en de daarin voorkomende begrippen hebben toegepast en geïnterpreteerd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594,nr.4

Daarmee is slechts één aspect van de verhouding weergegeven. Een ander aspect is de interpretatie en toepassing van wetten en begrippen die wel aan het oordeel van de beroepsrechter zijn onderworpen. Het toezicht van het beheersingsorgaan zal niet beperkt worden tot wetstoepassing e.d. voor zover die niet aan het oordeel van de beroepsrechter is onderworpen, maar de gehele wetstoepassing en dergelijke betreffen. In de gevallen waarin echter de beroepsrechter reeds zijn oordeel heeft gegeven, zal dit oordeel ook voor het beheersingsorgaan als een vaststaand gegeven moeten gelden. De jurisprudentie wordt immers gezien als een bron van recht. Het beheersingsorgaan zal echter wel, uitgaande van die jurisprudentie, kunnen bezien of deze in het algemeen wordt gevolgd, of er algemene regels uit zijn te halen en dat signaleren aan de bewindslieden. Voorts zal het beheersingsorgaan aan de beleidsvormer moeten signaleren of de jurisprudentie dan wel interpretatie door de uitvoeringsorganen afwijken van hetgeen aanvankelijk met het opstellen van de wettelijke regeling werd beoogd en eventueel aan de beleidsvormer voorstellen moeten doen tot het treffen van wettelijke maatregelen die deze divergentie kunnen oplossen. De taak van het beheersingsorgaan op dit punt (zowel ten aanzien van wetstoepassing welke wel als welke niet aan het oordeel van de beroepsrechter is onderworpen) beperkt zich dus tot het -achterafanalyseren van beslissingen en/of jurisprudentie en het doorgeven van de uitkomsten uit de analyses aan de beleidsvormers. Het beheersingsorgaan heeft dus niet de bevoegdheid een beslissing van een uitvoeringsorgaan te wijzigen of ongedaan te maken, dan wel een uitspraak van een beroepsrechter te vernietigen. Op dit punt ligt er een scherp onderscheid met de taak van de beroepsrechter, die beslissingen van de uitvoeringsorganen wel kan wijzigen of ongedaan kan maken.

51b Het adequaat reageren bij de beleidsvorming op ontwikkelingen in de jurisprudentie kan worden verzekerd door in de wet de verplichting aan het beheersingsorgaan op te leggen, de jurisprudentie voortdurend te analyseren en ontwikkelingen daarin terstond aan de bewindslieden te signaleren. Noch het beheersingsorgaan noch de Minister van Sociale Zaken kan verzekeren dat ook de uitvoeringsorganen adequaat reageren op ontwikkelingen in de jurisprudentie. De uitvoeringsorganen zijn namelijk bij de toepassing van de wetten die zij uitvoeren autonoom. Alleen de beroepsrechter zelf kan corrigerend optreden als de uitvoeringsorganen de jurisprudentie niet volgen. Wel kan door de signalerende functie van het beheersingsorgaan worden bereikt dat de ontwikkelingen in de jurisprudentie sneller dan thans het geval is hun vertaling vinden in wettelijke maatregelen. Daarmee wordt dan in-direct bereikt dat de uitvoeringsorganen de ontwikkelingen in de jurisprudentie volgen.

3 Onder beslissing dient men in dit verband te verstaan het schriftelijk besluit van een uitvoeringsorgaan met betrekking tot het recht van een bepaald individu op prestaties uit een sociale zekerheidsregeling.

51c De organen die de sociale zekerheidsregelingen uitvoeren hebben zelfstandige bevoegdheden tot toepassing van die regelingen. Daaraan is onlosmakelijk verbonden de interpretatie van de wettelijke voorschriften. De beoordeling of een dergelijke interpretatie juist is, is overgelaten aan de onafhankelijke beroepsrechter. Aangezien elk der uitvoeringsorganen de bevoegdheid tot wetsinterpretatie heeft, kunnen ze, zonder dat de wet iets ter zake bepaalt, komen tot onderlinge afspraken over de wijze waarop bepaal-de wetsartikelen zullen worden geïnterpreteerd en aldus de coördinatie bevorderen. De wijze waarop zij deze onderlinge afspraken maken is aan hen overgelaten. Verwacht mag worden dat de bestaande samenwerkingsverbanden (waar het de bedrijfsverenigingen betreft de Federatie van Bedrijfsverenigingen en waar het de Raden van Arbeid betreft de Vereniging van Raden van Arbeid) hierbij, evenals in het verleden, een belangrijke rol zullen spelen. De rol van de Federatie van Bedrijfsverenigingen behoeft op dit punt geen wijziging te ondergaan, althans nietten gevolge van de voorstellen van de projectgroep in het eerste deel van het interimrapport.

Tweede Kamerzitting 1979-1980, 15594, nr.4

Wel is het wenselijk dat het beheersingsorgaan bij de voorbereiding van de vrijwillige coördinatieregels ten aanzien van de wetsinterpretatie wordt betrokken. Het beheersingsorgaan kan dan vanuit de beheersingsoptiek in-spelen op de problematiek. Dit wil evenwel niet zeggen dat het beheersingsorgaan op dit punt de leidende rol zal spelen. Die is, gezien de bevoegdheden die zij ter zake hebben, overgelaten aan de uitvoeringsorganen en, zo zij zulks wenselijk achten, aan de organisatie waarin zij samenwerken, waaronder de Federatie van Bedrijfsverenigingen. Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat in de voorstellen van de organisatiebureaus Berenschot, Bosboom en Hegener de coördinatie ten aanzien van de wetsinterpretatie geschiedt door het Gemeenschappelijk Bestuursorgaan (GBO). Daarin zijn de landelijke beleidsorganen (bedrijfsverenigingen en SVB) opgenomen. In die constructie is geen behoefte meer aan een figuur als de Federatie van Bedrijfsverenigingen, terwijl door de voorgestelde wijzigingen in de regionale uitvoering de Raden van Arbeid verdwijnen en daarmee ook de Vereniging van Raden van Arbeid.

Ten aanzien van de zinsnede «al dan niet rechtstreeks ontvangen klachten» moge het volgende worden opgemerkt. «De indiening en afhandeling van klachten over de uitvoeringsorganisatie en de handelwijze van de uitvoeringsorganen is thans niet geregeld. Er zijn verschillende procedures. De bij Hare Majesteit de Koningin ingediende klachten worden aan de verantwoordelijke bewindsman voorgelegd. De Commissie voor de verzoekschriften van de Staten-Generaal vraagt meestal een rapport aan betrokken bewindslieden over bij die commissie binnengekomen klachten. In beide gevallen verzoekt de bewindsman de SVR, als toezichthoudend orgaan, een onderzoek naar de klachten in te stellen. Van dit onderzoek wordt hem verslag uitgebracht. Vervolgens beantwoordt de bewindsman zelf de binnengekomen klacht dan wel brengt hij de bij het onderzoek van de SVR naar voren gekomen feiten ter kennis van degene die erom gevraagd heeft. Daarnaast worden ook rechtstreeks klachten ingediend bij de bewindslieden. Ook daarbij wordt -meestal -de SVR ingeschakeld. Ten slotte ontvangt de SVR ook nog zelf, in zijn positie als toezichthoudend orgaan, klachten. De positie van de SVR ten aanzien van de klachtenbehandeling is evenwel niet wettelijk geregeld en ook zeker niet onomstreden. Het is de bedoeling dat bij de wettelijke vormgeving van de taken en bevoegdheden van het beheersingsorgaan wel een wettelijk geregelde klachtenprocedure tot stand komt, waarin het beheersingsorgaan een centrale positie inneemt. Dit moet ertoe leiden dat het beheersingsorgaan in ieder geval inzicht krijgt in alle klachten over het functioneren van de uitvoeringsorganisatie, opdat het beheersingsorgaan daarmee bij de vervulling van zijn taken rekening kan houden.

53 Het toezicht op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking zal in hoofdzaak repressief zijn in die zin, dat het beheersingsorgaan niet mag treden in de autonome bevoegdheden die de uitvoeringsorganen hebben op het punt van de wetstoepassing, zodat het beheersingsorgaan dus pas achteraf kan vaststellen of de wetstoepassing zorgvuldig is en geschiedt overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever. Ook het toezicht via al dan niet rechtstreeks ontvangen klachten of beschikbaar wordende informatie is naar zijn aard repressief. Preventief kan het toezicht op de kwaliteit en de kosten van de risicodekking eerst worden in samenhang met andere aspecten van de toezichthoudende taak of andere taken van het beheersingsorgaan. Zo biedt de rol die het beheersingsorgaan speelt bij het tot stand komen van coördinatieregels een mogelijkheid preventief toezicht uit te oefenen op de in die coördinatieregels vast te leggen afspraken over de wetsinterpretatie. Een andere mogelijkheid is het instellen van onderzoek naar de vraag hoe rechthebbenden de toepassing van criteria ervaren (in plaats van klachten hierover af te wachten). Ter vermijding van misverstanden zij nog opgemerkt dat de project-Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15594, nr. 4

groep met de term preventief toezicht heeft gedoeld op de in het bestuursrecht algemeen gebruikelijke term voor toezicht vooraf. Dat toezicht vooraf kan op verschillende wijzen gestalte krijgen. Een van de mogelijke vormen daarbij is de voorafgaande goedkeuring van een handeling van een lager orgaan door een hogere instantie. Dit is echter zeker niet de enige vorm. Deze vorm is door de projectgroep echter niet bedoeld. Ook het betrekken van het beheersingsorgaan bij het overleg over het opstellen van coördinatieregels ten aanzien van de wetsinterpretatie -en dit orgaan daarbij een signaleren-de functie naarde beleidsvormer toe te geven -is een vorm van preventief toezicht.

54,1e gedeelte Er zijn besprekingen in gang gezet tussen de uitvoeringsorganen van WW, WWV en RWW (respectievelijk de bedrijfsverenigingen en de gemeentelijke sociale diensten, vertegenwoordigd door Divosa en de VNG), de SVR en het ministerie van Sociale Zaken over het integreren van de bij elk der participanten aanwezige informatie in het Informatiesysteem Vraag en Aanbod (ISVA), welk systeem is opgezet ten behoeve van een zo effectief mogelijke be middeling van werklozen. Dit overleg wordt gecoördineerd door het Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen (OWA), waarin alle betrokkenen zijn vertegenwoordigd. Met integreren van de decentraal aanwezige informatie (in de volumenota «aaneenkoppeling» genoemd) wordt bedoeld: het in het ISVA individueel samenbrengen van deze informatie. Daarbij zal in het overleg aan de orde komen om welke informatie het in het bijzonder gaat. In ieder geval is daarin begrepen de uitkeringsregeling, die op betrokkene van toepassing is, het orgaan dat de uitkering verzorgt, de hoogte van de uitkering, het aanvangs-en beëindigingstijdstip van de uitkering. Voor de arbeidsbureaus is deze informatie van belang. Het gegeven uitkeringshoogte stelt de bemiddelaar bij voorbeeld beter in staat te beoordelen of aangeboden werk passend is, althans wat betreft het financiële aspect. Voorts kan de kwaliteit van het maandelijks werkloosheidscijfer worden verhoogd, wanneer de datum van beëindiging van de werkloosheid nauwkeuriger kan worden vastgesteld. Dat zal het geval zijn wanneer de beëindigingsdatum van de uitkering in het ISVA wordt opgenomen. Verder zal moeten worden gesproken over de wijze van overdracht van gegevens aan het ISVA. Er wordt niet gedacht aan een koppeling in technische zin, zodanig dat de informatiesystemen over en weer langs geautomatiseerde weg kunnen worden benaderd. De invoer in het ISVA zal waarschijnlijk moeten geschieden met behulp van tapes of daarmee vergelijkbare informatiedragers. Een zeer belangrijk probleemveld wordt gevormd door de privacyproblematiek. Zoals bekend is er een wettelijke regeling in voorbereiding tot registratie van persoonsgegevens. In dat kader moet ook de met deze koppeling samenhangende problematiek worden bezien, zoals die zich voordoet ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Wanneer de koppeling gerealiseerd zal zijn, en de informatie van arbeidsbureaus en uitvoeringsorganen voor alle betrokkenen beschikbaar zal zijn, mag worden verwacht dat van die wetenschap gebruik zal worden gemaakt om tot een betere afstemming te komen van het in individuele gevallen gevoerde beleid dan thans mogelijk is. Ik ben voorts van mening, dat uit een oogpunt van beleidsinformatie de koppeling van grote betekenis is voor de ontwikkeling van beleidsalternatieven. De noodzaak tot hernieuwde bezinning op allerlei aspecten van beleid vraagt een adequate ondersteuning door middel van relevante informatie. Ook in andere kaders vindt momenteel intensief overleg plaats over de verwerving van gedetailleerde informatie. Door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn voor dat doel werkgroepen ingesteld. Een zeer belangrijke plaats neemt in het Overlegorgaan Centrale Personenregistratie Sociale Verzekering (OCPSV). Zou een CPSV binnen een tijdsbestek van enkele jaren operationeel kunnen zijn, dan zou daarmee de koppeling van informatie tus-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

sen arbeidsbureaus en uitvoeringsorganen geheel achterwege kunnen blijven. Voor deze koppeling geldt namelijk eveneens, dat de realisering enkele jaren zal vergen. In ieder geval zal de CPSV, wanneer die eenmaal tot stand is gekomen, de functie van het ISVA als koppelingsinstrument kunnen overnemen. Ook in de rapportage van de projectgroep Organisatie van de beheersing van de Sociale Zekerheid zijn denkbeelden ontvouwd over de wijze waarop deze projectgroep zich de informatievoorziening in de toekomst voorstelt. Voorts is door de organisatiebureaus Berenschot, Bosboom en Hegener in het kader van de door de SER verstrekte opdracht ruimschoots aandacht besteed aan de informerende functie van het apparaat der sociale verzekeringen.

54e, 2de gedeelte Bij «andere toezichthoudende organen» is gedacht aan de Verzekeringskamer, welke ook na de instelling van de Pensioenkamer een toezichthouden-de taak zal blijven vervullen ten aanzien van de pensioenfondsen.

55/56 De COMED onderscheidt: -de calculatiepremie, op te stellen door de administrateurs van de fondsen; -de bestuurspremie, volgens de COMED te vervangen door een premie-advies van de SVR aan de Minister; -de feitelijke premie, die wordt vastgesteld door de Minister.

Zolang de administratie van het AAF, AOF en AWF berust bij het secretariaat van de SVR, stelt dat de calculatiepremie voor de AAW, WAO en werkloosheidsverzekering op. De calculatiepremie voor de AOW, AWW, AKW en KWL wordt dan opgesteld door de SVB, die deze fondsen beheert. Het in-terimrapport bepleit echter te komen tot een gebundeld fondsbeheer. De administratie daarvan zou bij voorkeur niet moeten worden opgedragen aan de SVR of aan het nieuwe beheersingsorgaan. Dit om een vermenging van toezichthoudende (c.q. adviserende) en uitvoerende taken te voorkomen. Impliciet houdt dat in, dat ook de nieuwe administrateur van de gebundelde fondsen de calculatiepremie berekent. De COMED heeft in haar eindrapport die impliciete conclusie niet getrokken, maar een onderscheid gemaakt tussen het gebundeld fondsbeheer en de calculatiefunctie. Het gebundeld fondsbeheer zou moeten worden opgedragen aan een Centrale Kas (CK), die een zelfstandige eenheid binnen de uitvoering van de sociale verzekering zou moeten vormen (zie ook vraag 85). De premiecalculatie zou moeten worden opgedragen aan een Calculatie-en Informatiecentrum (CIC). De COMED ziet daarvoor drie alternatieven: -een zelfstandige eenheid binnen de organisatie van de sociale verzekering (echter niet het toezichthoudend orgaan); -het CPB; -het ministerie van Sociale Zaken. Ook deze gedachte van de COMED zal bij de discussie over een definitieve vormgeving moeten worden meegenomen.

57 Ja.

58 In paragraaf 5.3.1.4 van het interimrapport is aangegeven dat de SVB thans zowel uitvoeringsorgaan is als toezichthoudend orgaan. Het beheersingsorgaan moet ook worden belast met het toezicht op de Raden van Ar-beid. Het gevolg daarvan is, dat alleen de toezichthoudende taak van de SVB (ten opzichte van de Raden van Arbeid) komt te vervallen.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

In hoofdstuk 8 van het interimrapport is een globale schets van een toekomstige uitvoeringsorganisatie opgenomen. Uit de schets blijkt dat er ook voor de nieuwe structuur gedacht is aan een landelijk orgaan voor de uitvoering van demografische verzekeringen. In dat hoofdstuk is onder meer de mogelijkheid geopperd om aan de SVB het gebundeld beheer van alle fondsen op te dragen. Zie in dit verband ook de antwoorden op de gestelde vragen inzake het gebundeld beheer van de fondsen. Uit het vorenstaande blijkt dat niet gedacht is aan het afschaffen van de SVB.

59 In paragraaf 5.3.2.1 gaat het om de vrijwillige coördinatie ten aanzien van de wetstoepassing door de thans reeds bestaande uitvoeringsorganen (bedrijfsverenigingen, SVB en Raden van Arbeid). Die coördinatie zal dan ook, naar alle waarschijnlijkheid, op dezelfde wijze plaatsvinden als thans het geval is. Dat wil zeggen dat voor zover het betreft de bedrijfsverenigingen de Federatie van Bedrijfsverenigingen hier een rol zal spelen, waar het de Raden van Arbeid betreft de Vereniging van Raden van Arbeid en waar het betreft de SVB en de Raden van Arbeid de bestaande overlegvormen tussen SVB en Vereniging van Raden van Arbeid. Ook de vertaling van relevante jurisprudentie van de beroepsrechter in het uitvoeringsbeleid zal op dezelfde wijze als thans het geval is moeten plaatsvinden. Doorgaans passen de organen hun beleid direct waar mogelijk en nodig aan bij daarvoor relevante jurisprudentie. De jurisprudentie wordt immers in het algemeen in ons rechtsstelsel gezien als een bron van recht.

60 Het zal sterk afhangen van het concrete onderwerp waarover coördinatieregels moeten worden opgesteld hoe lang de voorgestelde procedure zal duren. Het ligt in het voornemen te zijner tijd te bepalen dat het overleg over de coördinatieregels binnen een, afhankelijk van het onderwerp, naar redelijkheid vast te stellen termijn zal moeten zijn afgerond en dat, zo zulks niet het geval is, het beheersingsorgaan zelf de coördinatieregels moet opstellen. Uiteraard zal bij het door het beheersingsorgaan vaststellen van de termijn waarbinnen het overleg moet zijn afgerond moeten worden uitgegaan van een termijn die het mogelijk maakt dat redelijk overleg plaatsvindt. Het past niet in deze tijd van inspraak om de voorgestelde procedure te bekorten door het overleg met de uitvoeringsorganen te laten vervallen.

61 Zie vraag 36.

62 Aan de positie van de Minister van Sociale Zaken als coördinerend bewindsman kan bij de adviserende taak van het beheersingsorgaan gestalte worden gegeven door te bepalen dat adviezen die door andere bewindslieden worden gevraagd of aan andere bewindslieden worden uitgebracht worden gevraagd of uitgebracht door tussenkomst van de Minister van Sociale Zaken.

63 Bij de term «nadere uitvoeringsregelingen met wetskracht» is gedacht aan de gebruikelijke delegatie van wetgevende bevoegdheden aan lagere wetgevers om ten aanzien van bepaalde punten algemeen verbindende voorschriften op te stellen. Die regelen zijn wetten in materiële zin. Met de term wetskracht is dan ook bedoeld de kracht van wetten in materiële zin. De vorm waarin zulks geschiedt is het besluit van het orgaan waaraan wetgevende bevoegdheden zijn gedelegeerd. De inhoud van dergelijke besluiten verschilt al naargelang de inhoud van de delegatie. Als voorbeeld (dattevens een voorbeeld is van de «technische» aspecten) kunnen worden genoemd de nadere regelen die de SVR kan stellen met betrekking tot de voorschotverlening aan bedrijfsverenigingen en GMD voor uitgaven in het kader van de AAW (artikel 73, leden 4 en 5, AAW).

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

In de huidige situatie is aan de SVR op enkele punten bij wijze van delegatie de bevoegdheid gelaten regelen te stellen die leiden tot een nadere invulling van rechten. Bekend voorbeeld daarvan zijn de algemene dagloonregelen. Het is niet de bedoeling dat deze taak geheel aan het beheersingsorgaan wordt overgedragen. Het voorstel van de projectgroep komt erop neer, dat de Minister in de toekomst de bedoelde regelen zal vaststellen en bij die vaststelling voor de algemene aspecten van de dagloonberekening het advies van de SER zal moeten vragen en vervolgens over de concrete invulling er-van het advies van het beheersingsorgaan. Dit betekent dat de delegatie van wetgevende bevoegdheden aan het beheersingsorgaan beperkter zal moeten zijn dan thans ten aanzien van de SVR. Volledigheidshalve zij hierbij opgemerkt dat het aantal gevallen waarin thans aan de SVR wetgevende bevoegdheden zijn gedelegeerd ten aanzien van uitvoeringstechnische aspecten zeer talrijk is en het aantal gevallen waarin sprake is van een nadere invulling van rechten verre overtreft.

64 Naast een toezichthoudende taak kent het interimrapport aan het beheersingsorgaan ook taken toe ten aanzien van informatie en onderzoek (paragraaf 5.3.6). Onderzoek naar oorzaken van het beroep op sociale voorzieningen en naar effecten van sociale zekerheid zijn -zo wordt daar gesteld -onmisbaar, ook voor de beheersing. Zowel het interimrapport als de notitie volumebeleid (blz. 27 en 28) gaat ook nader in op de organisatorische vormgeving van het onderzoeksbeleid. Gewezen wordt met name op de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) die een inventarisatienota van lopend onderzoek en onderzoeksbehoeften voorbereidt en criteria opstelt aan de hand waarvan prioriteiten met betrekking tot onderzoeksvoorstellen worden gesteld. Het secretariaat van de COSZ berust bij het ministerie van Sociale Zaken. Het zijn daardoor goeddeels dezelfde mensen die én de inventarisatienota moeten voorbereiden, én zijn ingeschakeld bij de opstelling van het interimrapport en de notitie volumebeleid. Desalniettemin zijn de laatste tijd op secretariaatsniveau belangrijke vorderingen gemaakt met een eerste concept-nota. Deze nota, die de mogelijkheid moet bieden tot een programmering van onderzoek te komen, zal naar verwachting eerst in 1980 door de commissie kunnen worden vastgesteld. Inmiddels wordt lopend onderzoek aan het secretariaat van de commissie gerapporteerd waardoorthans in de coördinatie wordt voorzien.

65 Eén van de basiselementen van de taakopdracht van de projectgroep «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid» luidde: -het vraagstuk van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid primair te benaderen vanuit het streven naar een verbetering van de beheersing van het uitvoeringsproces en voorstellen te doen voor een nadere regeling van de taak, plaats en functie van de SVR.

In het eerste deel van het interimrapport van de projectgroep wordt op dit element van de taakopdracht ingegaan. De voorstellen die de projectgroep daarin doet, komen er in hoofdzaak op neer dat de huidige SVR wordt vervangen door het door de projectgroep voorgestane beheersingsorgaan. In de bestaande uitvoeringsorganisatie zijn daarbij slechts dan wijzigingen aangebracht waar deze naar het oordeel van de projectgroep noodzakelijk of onontkoombaar waren. Dit maakt dat het door de projectgroep voorgestane beheersingsorgaan inpasbaar is in de huidige uitvoeringsorganisatie. In de brief waarbij het interimrapport aan de Kamer werd aangeboden is dan ook medegedeeld dat het kabinet het mogelijk en noodzakelijk acht de instelling van het beheersingsorgaan naar voren te halen en dat zo spoedig mogelijk na ontvangst van het SER-advies -als uitvloeisel van een gerichte adviesaanvrage over dit beheersingsorgaan -wetsvoorstellen zullen worden ingediend om de Sociale Verzekeringsraad om te vormen tot het beoog-de beheersingsorgaan.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Opgemerkt moet worden, dat dit anders ligt ten aanzien van de voorstellen van de organisatiebureaus Berenschot, Bosboom en Hegener. In die voorstellen is de beheersingstaak opgedragen aan een Gemeenschappelijk Bestuursorgaan (GBO) dat naar zijn aard en constructie eerst in te voeren is gelijktijdig met een algehele herziening van de uitvoeringsorganisaties.

66 Zoals blijkt uit het vermelde in paragraaf 4.4 van het interimrapport moeten de uitvoeringsorganen zelf op vele punten een belangrijke bijdrage leveren voor een goed totaal beheersingsproces van de sociale zekerheid. Uitgegaan wordt van vrijwillige coördinatie. Dat geldt zowel in het geval van wetsinterpretatie, als ten aanzien van de coördinatie van administratieve uitvoeringsprocessen. In het eerste geval heeft het beheersingsorgaan slechts een signalerende en adviserende functie. In het tweede geval is het beheersingsorgaan bevoegd bij gebleken discoördinatie zelf coördinatieregels te stellen.

67 Onder belangrijke bestuursbeslissingen worden onder meer verstaan de beslissingen over huisvesting, computeraanschaf, formatienormen, het uitvoeren van zogenaamde aanverwante regelen, de instelling van regionale kantoren of bijkantoren. Voorts vallen hieronder beslissingen met een algemene strekking. Dat zijn onder meer beslissingen ten aanzien van de wetstoepassing die niet voor één incidenteel geval worden genomen, maar als leidraad dienen voor alle in de toekomst nog opkomende gevallen met betrekking tot een bepaald onderwerp, dan wel beslissingen die het beleid van het uitvoeringsorgaan voor een langere periode vastleggen.

68 De projectgroep is van oordeel, zoals blijkt uit de betreffende alinea, dat bij een verschil van opvatting tussen het beheersingsorgaan en een uitvoeringsorgaan over de inhoud van een door het beheersingsorgaan gegeven aanwijzing of coördinatieregel het uitvoeringsorgaan het recht moet hebben in beroep te komen bij de Minister van Sociale Zaken. Een beroep op de Minister van Sociale Zaken wordt in deze gevallen meer geëigend geacht dan een beroep op de Kroon. Het zal bij de hierboven genoemde geschillen namelijk niet zozeer gaan om de rechtmatigheid of doelmatigheid van de handeling van het beheersingsorgaan maar meer om de beleidsmatige afweging van de aard en strekking van de aanwijzingen of coördinatieregels. Het leek daarom juister de primaire beleidsvormer ten aanzien van de sociale zekerheidi.c. de Ministervan Sociale Zaken -over deze beroepen te laten oordelen. Voorts heeft een rol gespeeld dat in geval van een dergelijk geschil de onzekere toestand niet te lang mag duren. De uitvoeringsorganen zullen immers gehouden zijn ook hangende het beroep de aanwijzing of coördinatieregel op te volgen. De Minister van Sociale Zaken moet gezien zijn betrokkenheid bij de uitvoering en beleidsvorming ten aanzien van de sociale zekerheid beter in staat worden geacht in een voorkomend geval op korte termijn over het beroep te beslissen.

69/70/71 Zie vraag 41.

72 Het niet-geïntegreerd innen van premies en belastingen betekent dat de werkgevers te dien aanzien met twee instanties te maken hebben, nl. voor de belastingafdracht en de premie-afdracht met de belastingdienst en voor de premie-afdracht werknemersverzekeringen met de bedrijfsverenigingen. Dit leidt op een aantal punten tot het verrichten van soortgelijke handelingen (bijvoorbeeld het indienen van loonstaten). Ook de controle op het ontwijken of ontduiken van premiebetaling geschiedt thans door twee instanties.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Bij premie-inning door één instantie kan controle doelmatiger geschieden, onder erkenning van de voordelen welke het systeem van premie-inning door de bedrijfsverenigingen met zich brengt vanwege de specifieke kennis van de bedrijfstak. Door de van elkaar afwijkende wijzen van inning van de premies door de belastingdienst en door de bedrijfsverenigingen -respectievelijk op aangifte en bij wijze van voorschot -verlopen deze gespreid over het jaar en bij beide instanties verschillend. Dit heeft gevolgen voor de ten tijde van de premievaststelling benodigde informatie, onder andere met betrekking tot de premieplichtige inkomens en de liquiditeitsposities. Voor de onderscheidene sociale verzekeringen heeft deze informatie dan ook een afwijkende volledigheid en betekenis.

73 Een gedifferentieerde premieheffing vindt plaats in de ZW en in de WW alleen voor wat betreft de wachtgeldverzekering. Per bedrijfstak en ook binnen een bedrijfstak (door de vorming van afdelingskassen en risicogroepen) kunnen grote verschillen in premiepercentages optreden. In het kader van de ZW zijn er voor de afzonderlijke werkgevers ook mogelijkheden om het risico zelf te dragen (eigenrisicodragers). Als argumenten voor deze gedifferentieerde premieheffing worden wel aangevoerd: de onderhavige ziekte -en werkloosheidsrisico's hebben een relatie met de bedrijfstak en moeten daarom per bedrijfstak of onderdeel daarvan worden gedragen (voor wat betreft de wachtgeldverzekering is daarbij met name ook te denken aan seizoeninvloeden); het ziekteverzuim is door de werkgever in gunstige zin te beïnvloeden door bij voorbeeld goede arbeidsomstandigheden, een goed sociaal beleid en ongevallenpreventie; de werkgever dient een weerslag van dit goede beleid terug te vinden in de te betalen ZW-premie hetgeen eerder het geval is bij een omslag van het ziekterisico over een klein dan over een groot aantal werkgevers. Zoals blijkt uit paragraaf 3.4.3 is naast handhaving van de gedifferentieer-de premies ZW en WW en invoering van een gedifferentieerde WAO-premie (voor bij voorbeeld de financiering van de uitkering over de eerste twee jaren) ook bepleit de afschaffing van de gedifferentieerde premies. Zie ook antwoord op vraag 29. Voor wat betreft het preventie-aspect is van belang hetgeen de projectgroep heeft opgemerkt in paragraaf 4.4 van het interimrapport. De kwaliteit van de risicodekking kan worden verbeterd -aldus de projectgroep -, indien door kennis van de oorzaken van dit risico preventieve maatregelen ter voorkoming kunnen worden getroffen. In overweging is gegeven de rol van de uitvoeringsorganen op het gebied van de preventie duidelijker tot uitdrukking te brengen in de verschillende wetten. De onderlinge relatie tussen de sociale verzekeringsgeneeskunde, de bedrijfsgeneeskunde en de algemene gezondheidszorg is daarbij van groot belang. Ook speelt de zorg voor de bedrijfsveiligheid daarbij een rol. Als verlengde van een preventiebeleid in bedrijven kan dan gedacht worden aan een differentiatie van premies naar de mate waarin aan die preventie aandacht wordt geschonken.

74 Zie vraag 36.

75 Voor het verstrekken van dergelijke stroomcijfers is thans onvoldoende in-formatie beschikbaar. Er is namelijk niet bekend welk deel van degenen die in de WWV een uitkering krijgen toegekend na tevoren WW te hebben genoten, die WW-uitkering gedurende de volle 6 maanden van de WW hebben genoten, én degenen die vóór het verstrijken van de maximale uitkeringsduur hun WW-uitkering verloren. Wel zijn gegevens beschikbaar omtrent de aan-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

tallen WW-resp. WWV-gerechtigden, waarvan de uitkering wordt beëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. In onderstaande tabel zijn deze vermeld:

x 1000

Toekenningen van Beëindigingen

Toekenningen

Beëindigingen WW-uitkering

WW-uitke-

WWV-uitke-

WWV-uitkeringen ringen wegens

ringen na voor-

wegens het bereiken het bereiken

afgaande WW-

van de max. uitke-van de max. uitkeringsduur

uitkering

ringsduur

(1)

(2)

(3)

(4)

(5) 1974

265

91975

274

10197 6

250

13197 7

225

17197 8

212

i

1 Nog niet bekend.

Bij de interpretatie van deze cijfers dient in het oog te worden gehouden, dat ze uit verschillende bronnen stammen en daartoe wellicht niet geheel vergelijkbaar zijn. Wat betreft de beëindigingen als vermeld in kolom (5): het effect van de verlenging van de uitkeringsduur van de WWV tot 65 jaar is vanzelfsprekend dat de aantallen in deze kolom lager zijn dan wanneer deze maatregel niet was getroffen. Ter zake van de toekenningen van RWW-uitkeringen wordt voor de statistieken geen onderscheid gemaakt tussen personen, die tevoren een WWV-uitkering hadden, en overigen. In de tabel komt dus geen kolom voor waarin het aantal toekenningen RWW na voorafgaande WWV-uitkering vermeld is. Het ontbreken van de in de vraag bedoelde gegevens hangt stellig samen met het feit dat de werkloosheidsregelingen in een drietal wetten zijn geregeld, waarvan de WW wordt uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen en de WWV en de RWW door de gemeenten. Deze laatste regelingen zijn bovendien verdeeld over een tweetal financieringsstromen, de WWV ten laste van de begroting van Sociale Zaken, de RWW een onderdeel van de Algemene Bijstandswet. Het is dan ook niet zonder reden dat gestreefd wordt naar een integratie van deze regelingen. Onder meer in dat kader is de duidelijke behoefte aan de genoemde stroomcijfers weer gebleken. Op initiatief van de projectgroep integratie WW/WWV/RWW heeft het Ministerie van Sociale Zaken in oktober 1978 aarfhet Instituut voor Onderzoek van de Overheidsuitgaven de opdracht verleend een onderzoekopzet te maken om de gewenste gegevens te verkrijgen. Een voorlopige onderzoekopzet is gereed. Er is thans een proefonderzoek in voorbereiding om de onderzoekopzet op praktische uitvoerbaarheid te toetsen. Het verlenen van de definitieve onderzoekopdracht zal eerst geschieden nadat de resultaten van een proefonderzoek bekend zijn.

76 Deze constatering is gebaseerd op een deelonderzoek in het kader van het onderzoek van het Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek van de Hogeschool te Tilburg (IVA) in samenwerking met de organisatiebureaus Bosboom en Hegener inzake het functioneren van de gemeentelijke sociale diensten. In augustus 1977 is een samenvatting gepubliceerd van het hoofdonderzoek en enkele deelonderzoeken. Uit het onderzoek naar de sociale dienstverlening in kleine gemeenten blijkt, dat er op 1 januari 1977 slechts 14 intergemeentelijke sociale diensten waren, waarvan 9 in de provincie Limburg.

77 Zoals bekend hebben in de plaatselijke WWV-RWW adviescommissies onder meer vertegenwoordigers van de Ministeries van respectievelijk Sociale Zaken en SRM zitting. Hoewel niet een speciale evaluatie van het werk van de commissies heeft plaatsgevonden, is mede door het lidmaatschap van genoemde vertegenwoordigers bekend, hoe deze commissies functioneren.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

Illustratief is, dat in de plaatselijke WWV-commissies in 1978 in minstens 46000 gevallen advies omtrent de toepassing van artikel 14 van de WWV is uitgebracht. Meer en meer is in de laatste tijd het streven van de kleinere gemeenten merkbaar om tot regionalisatie van de commissies te geraken. In 373 gemeenten is dit reeds gerealiseerd. Er is, mede gelet op het vorenstaande, geen aanleiding aanwezig het instellen van een speciaal evaluatie-onderzoek te bevorderen. De instelling van regionale WWV-en RWW-commissies staat los van de samenwerkingsverbanden van gemeentelijke sociale diensten. Er wordt slechts weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid de uitvoering van de WWV en de RWW te zamen met andere taken op te dragen aan regionale of intergemeentelijke sociale diensten. Zie in dit verband hetgeen daaromtrent is opgemerkt in het interimrapport op blz. 58, tweede alinea, en paragraaf 8.4.5. Ook moge worden verwezen naar het antwoord op vraag 76.

78 In het interimrapport is uiteengezet dat een samenwerking in de uitvoering van onder meer de sociale zekerheid, het arbeidsvoorzieningsbeleid, het arbeidsomstandighedenbeleid, de gezondheidszorg en het welzijnsbeleid op twee niveaus noodzakelijk is: landelijk en regionaal (blz. 84, schema 3). Coördinatie in de regio is noodzakelijk om aan het individugerichte karakter van de uitvoering van de sociale zekerheid wezenlijk inhoud te geven. Regionale coördinatie toegespitst op de gevalsbehandeling in de context van de eigen woon/werkomgeving veronderstelt echter een landelijke coördinatie, die een afspiegeling is van de regionale. Die landelijke coördinatie is zowel op beleidsvormingsals op uitvoerings-en beheersingsniveau vereist. Zowel de beleidsconceptie als de uitwerking daarvan in algemene uitvoeringsregels dienen op elkaar te worden afgestemd. Op basis daarvan is het voor de uitvoeringsorganen van de verschillende beleidsterreinen in de regio mogelijk tot een aaneensluitende behandeling van individuele gevallen te komen. Het gaat daarbij telkens om clusters van raakpunten tussen de beleidsterreinen. Denkend vanuit de sociale zekerheid zijn dat met name de arbeidsvoorziening, het arbeidsomstandighedenbeleid, de (sociaal-)medische zorg en het welzijnsbeleid. Het interimrapport beperkt zich tot een oordeel over de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid. Geconcludeerd wordt dat door de totstandkoming van regionale uitvoeringsorganen een optimale uitgangssituatie wordt verkregen voor coördinatie met andere beleidsterreinen, waarvan de uitvoeringsstructuur in het algemeen -en zelfs in toenemende mate -regionaal is opgezet. De wijze waarop d.' coördinatie feitelijk tot stand komt is mede afhankelijk van de verhoudingen binnen de uitvoering van de aangrenzende beleidsterreinen. Aanzetten zijn echter al gegeven. Gewezen kan worden op het voorstel uit de notitie volumebeleid tot het instellen van regionale coördinatiecommissies op het terrein van werkloosheids-en arbeidsvoorzieningen. Het landelijk spiegelbeeld daarvan wordt gevormd door het Overlegorgaan Werkloosheids-en Arbeidsvoorzieningen(OWA). Daarnaast is bij het toenemend aantal niet-actieven de coördinatie met het welzijnsbeleid van belang. Verwijzing door toekomstige regionale organen van sociale zekerheid naar lokale uitvoering van het welzijns-beleid dient dan een duidelijk gestructureerde vorm te krijgen. Dat vormt -naast de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten in het algemeen -een belangrijke reden om de gemeenten in de besturen van de regionale organen op te nemen.

Tot slot zij nog opgemerkt, dat het interimrapport met name aandacht heeft geschonken aan de coördinatie van elkaar direct rakende beleidsterreinen. Hoewel er ongetwijfeld een relatie bestaat tussen de sociale zekerheid, het arbeidsmarktbeleid in ruime zin en het onderwijsbeleid, is voor het sociale zekerheidsbeleid de relatie met de arbeidsvoorziening en de sociaal-medische zorg toch primair. Daarbij gaat het om de mogelijkheden voor (potentiële) uitkeringsgerechtigden een arbeidsplaats te behouden of opnieuw te verwerven. Voor de arbeidsvoorziening zijn er dan weer raakvlakken met het arbeidsmarktbeleid in ruimere zin en het onderwijsbeleid. Een directe coördinatie tussen beide laatste beleidsterreinen en het sociale zekerheidsbeleid ligt echter minder voor de hand. Het sterkst geldt dat voor het onderwijsbeleid, zeker als daarbij gedacht wordt aan het regionale niveau.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr.4

79 Het interimrapport bepleit de gevalsbehandeling in de sociale zekerheid op te dragen aan regionale uitvoeringsorganen. Benadrukt zij -en het interim-rapport stelt dat ook -dat het daarbij met name gaat om de richting waarin de uitvoeringsorganisatie zich dient te ontwikkelen om een gecoördineerde individugerichte beoordeling en begeleiding mogelijk te maken. De projectgroep acht een regionale in plaats van een bedrijfstaksgewijze structuur een voorwaarde voor een uitvoeringsorganisatie die voldoet aan de uitgangspunten die in de komende periode voor het sociale verzekeringsbeleid moeten gelden. Vandaar dat op dat punt reeds nu in beginsel conclusies moeten worden getrokken. Dat neemt niet weg dat een nadere uitwerking noodzakelijk is, onder meer ten aanzien van de indeling van het land in werkgebieden. Dan komen -paragraaf 8.2 wijst daarop -vragen aan de orde als: -de schaal waarop de uitvoeringstaak van de sociale zekerheid technisch en economisch optimaal kan worden uitgeoefend; -bij welke gebiedsindeling coördinatie met andere beleidsterreinen het meest doelmatig plaatsvindt; -welke samenhangende woon/werk/verzorgingsgebieden zijn te onderscheiden; -in hoeverre qua schaal van functioneren kan worden aangesloten bij de bestuurlijke organisatie van ons land c.q. de voorgenomen veranderingen daarin; -zijn aan de regionale organen ondergeschikte bijkantoren en/of meldingsposten nodig (bij voorbeeld lokaal).

Het gaat hier dus duidelijk om vragen van doelmatigheid. De decentralisatie van het gezondheidszorgs-en welzijnsbeleid op lokaal niveau pleit voor een eveneens lokale decentralisatie van de sociale zekerheid. De uitvoering van de arbeidsvoorziening -een zeer belangrijk raakvlak voor de sociale zekerheid -gebeurt daarentegen regionaal. Een doelmatige uitvoering van de sociale zekerheid op zich zelf stelt weer andere eisen. Het gaat met name om de vraag waar, rekening houdend met alle facetten, een uitvoeringsoptimum wordt bereikt. Belangrijk -vooral ook uit een oogpunt van coördinatie -is dat niet een bedrijfstaksgewijze, maar regionaal gedecentraliseerde uitvoering van de sociale zekerheid als uitgangspunt kan worden genomen. Duidelijk is dat naast vragen van doelmatigheid ook meer principiële -maar in feite buiten de sociale zekerheid gelegen -concepties een rol spelen. Twee vragen zijn daarbij centraal: -Sluit een bestuurlijke organisatie van ons land waarbij wordt uitgegaan van landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau een regionale uitvoering van de sociale zekerheid uit? -Vraagt een gedecentraliseerde uitvoering van de sociale zekerheid ook om een politiek gedecentraliseerde verantwoordelijkheid?

Deze vragen reiken in feite verder dan de sociale zekerheid alleen. De beantwoording ervan zou consequenties hebben voor tal van andere beleidsterreinen. Het is om die reden dat niet in dit kader -binnen de beperkte context van de sociale zekerheid -tot een antwoord kan worden gekomen. Voor de reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven als uitgangspunt gehandhaafd. Nagegaan is hoe die uitvoering ceteris paribus zo doelgericht mogelijk kan plaatsvinden. Opgemerkt zij overigens dat waar in de huidige situatie de gemeenten bij de uitvoering van de sociale zekerheid zijn betrokken, er geen sprake is van een politiek gedecentraliseerde verantwoordelijkheid voor het beleid, maar van medebewind. Een andere structuur lijkt voor de sociale zekerheid ook nauwelijke denkbaar: de uitkeringsrechten worden wettelijk vastgelegd. Geheel anders ligt dat bij het welzijnsbeleid, waar met de Kaderwet als uitgangspunt, voor de gemeenten mogelijkheden zijn tot een beleidsmatige en budgettaire invulling te komen. Dat neemt niet weg dat zowel in de structuur van de sociale zekerheid, als in die van het welzijnsbeleid de mogelijkheid tot aansluiting tussen beleidsterreinen behoort te worden ingebouwd.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

80 De voorstellen uit het interimrapport raken de gemeentelijke sociale diensten langs drie wegen: -vanwege hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het maatschappelijk werk en het welzijnsbeleid in het algemeen; -als uitvoerders van de Algemene Bijstandswet; -als huidige uitvoerders van een tweetal werkloosheidsvoorzieningen: de WWV en RWW; de projectgroep stelt echter voor de uitvoering daarvan op langere termijn op te dragen aan regionale uitvoeringsorganen voor alle in het interimrapport genoemde sociale zekerheidsregelingen.

Het IVA-onderzoek naar de gemeentelijke sociale dienstnieuwe stijl concentreert zich op de taken van de GSD's voortvloeiend uit de eerste twee punten. In feite kan zelfs gesteld worden dat de uitvoering van de WWV en RWW slechts wordt geschetst voor zover die uitvoering volledig in het verlengde ligt van de andere twee. Knelpunten die bij de uitvoering van de WWV en de RWW optreden in het bijzonder ten aanzien van de coördinatie met andere uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid en de arbeidsvoorziening, komen slechts in beperkte mate aan de orde. Er zijn dan ook duidelijke verschillen aanwijsbaar tussen de eerste twee van de genoemde punten en het laatste. Bij de uitvoering van de sociale verzekeringen en de WWV en RWW gaat het om geobjectiveerde regelingen die om een individugerichte toepassing vragen. Het objectieve karakter van de regelingen heeft met name betrekking op de oorzaken die tot uitkeringen of voorzieningen leiden. De individugerichte toepassing heeft betrekking op de beoordeling en vooral ook op de begeleiding. Daartoe zijn binnen de sociale zekerheid mogelijkheden aanwezig in de vorm van voorzieningen. Veelal zal de individugerichte begeleiding daarnaast echter vragen om coördinatie van het beschikbare instrumentarium en de aanwezige deskundigheid op verschillende beleidsterreinen. Het welzijnsbeleid vormt daar één van. Er bestaat een wederzijds complementair karakter. Beide andere taken van de GSD's hebben veel minder objectieve uitgangspunten. Daarbij zijn de objectieve omstandigheden nog minder en het individu in nog sterkere mate basis van handelen geworden. Niet zonder reden neemt het IVA-rapport ze dan ook samen in het begrip bijstandsmaatschappelijk werk. Op grond van dit onderscheid is er alle reden om voor beide trajecten die uitvoeringsorganisatie te kiezen, die optimaal aansluit bij de eigen (sub-) doelstellingen en problematiek. Een integratie van onderzoeken ligt dan ook niet voor de hand. Dat neemt uiteraard niet weg dat er parallelen zijn. Met name de wijze waarop aan de individugerichte uitvoering vorm wordt gegeven is daarbij van betekenis. Ook geldt, zoals gezegd, de noodzaak tot coördinatie tussen de sociale zekerheid en het welzijnsbeleid. Nu op beide terreinen -uitvoeringsorganisatie, sociale zekerheid en gemeentelijke sociale diensten -onderzoeken tot reorganisatie lopen, acht ik een goede coördinatie van groot belang. Er zijn reeds contacten tussen de projectgroep die het interimrapport voorbereidde en het IVA geweest. Ik zeg graag toe bij de nadere uitwerking aan de noodzakelijke coördinatie de vereiste aandacht te zullen schenken.

81 Op de inhoud van de primaire verantwoordelijkheid van uitvoeringsorganen is in het antwoord op onder meer vraag 2 en 31 uitvoerig ingegaan. Ten aanzien van de wijze waarop de uitvoeringsorganen die primaire verantwoordelijkheid in organisatorische zin gezamenlijk gestalte moeten gaan geven zij verwezen naar schema 2 op blz. 82 van het interimrapport. Op landelijk niveau zou voor de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid aanwezig blij-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

ven hun verantwoordelijkheid te dragen. Overwogen moet daarbij worden de gezamenlijke verantwoordelijkheid om te komen tot algemene regels, tot uitdrukking te brengen in een versterkte (formele) positie van de Federatie van Bedrijfsverenigingen. Daarnaast blijft plaats voor een landelijk orgaan voor de uitvoering van de demografische verzekeringen . Het schema geeft eveneens aan dat de regionale uitvoeringsorganen voor de gevalsbehandeling tot een onderlinge coördinatie dienen te komen. Dit alles uiteraard onverlet de coördinerende taken van het beheersingsorgaan. Zoals onder meer in het antwoord op vraag 59 is uiteengezet, is die taak echter een duidelijk afgegrensde. Zowel ten aanzien van wetsinterpretatie als ten aanzien van administratieve uitvoeringsprocessen staat de vrijwillige coördinatie tussen de uitvoeringsorganen voorop. De vormgeving van die onderlinge coördinatie tussen uitvoeringsorganen -zowel bedrijfsverenigingen als regionale organen -is in de in deel II van het interimrapport gegeven ruwe schets niet uitgewerkt. Die zal mede op grond van de bepleite maatschappelijke discussie -met een inbreng van de bestaande uitvoeringsorganen -zijn vorm moeten krijgen.

82 Zie vraag 6.

83 In paragraaf 8.3 van het interimrapport wordt toegelicht op welke wijze zowel het beheersingsorgaan als de regionale uitvoeringsorganen kunnen worden ingepast in de gehele uitvoeringsorganisatie om te komen tot een duidelijke, homogene en doorzichtige structuur. De in schema 2 (blz. 82 van het interimrapport) geschetste structuur in hoofdlijnen is opgebouwd vanuit een functionele taakverdeling. Duidelijk valt te onderscheiden het beleidsvormend niveau, het uitvoerend niveau en daartussen het beheersingsorgaan. Ten aanzien van de uitvoering is vervolgens een onderscheid gemaakt tussen het landelijke niveau, het regionale niveau en het lokale niveau. Op landelijk niveau vindt de algemene regelgeving plaats voor zowel de demografische verzekeringen als de overige sociale zekerheidsregelingen. Binnen die algemene regelgeving op landelijk niveau is ook ruimte voor bedrijfstaksgewijze differentiatie. Daarnaast dienen op landelijk niveau een tweetal staffuncties een plaatste krijgen: het gebundeldfondsbeheer en decentrale coördinatie van de informerende functie. Voor de individuele gevalsbehandeling is gekozen voor het regionale en lokale niveau. De bestuurlijke in-breng vindt daarbij op regionaal niveau plaats, omdat daar zowel qua coördinatie met andere beleidsterreinen als qua opbouw van het uitvoeringsapparaat van de sociale zekerheid een uitvoeringsoptimum zal liggen. Voor de directe contacten met de individuele uitkeringsgerechtigden is uit een oogpunt van bereikbaarheid het lokale niveau gekozen.

Behalve een schakelfunctie tussen uitvoering en beleidsvorming vervult het beheersingsorgaan ook een coördinatiefunctie tussen landelijk en regionaai niveau. Daarmee wordt mijns inziens gekomen tot een duidelijke, homogene en doorzichtige structuur. Voor de beantwoording van het laatste deel van deze vraag moge worden verwezen naar antwoord 3.

84 Zeker is dat het bemannen van regionale organen voor de werkgevers-en werknemersorganisaties op korte termijn niet eenvoudig zou zijn. Bij het tot stand komen van die regionale organen wordt dan ook aan een geleidelijk proces van ontwikkeling gedacht. Dat geldt zowel in de tijd als voor wat betreft de stapsgewijze overgang van de huidige situatie naar de gewenste. In de aanvang zou die regionale structuur vooral moeten bestaan uit een coör-dinatie-overleg tussen bestaande organen. Geleidelijk zou de mate van vrijblijvendheid van dat overleg dienen te verminderen. Uiteindelijk zou een omvorming tot autonome regionale organen kunnen plaatsvinden. Para-Tweede Kamerzitting 1979-1980,15594, nr. 4

graaf 8.4.3 van het interimrapport gaat daar nader op in. Juist door die geleidelijkheid zal langs een tweetal wegen de bemanning van de regionale organen voor werkgevers-en werknemersorganisaties te realiseren zijn. In de eersteplaats speelt een rol de tendentie die nu reeds binnen die organisaties te bemerken is om hun rol in de regio te versterken en de interne structuur daarop te richten. Vervolgens vooral ook, omdat in de huidige situatie de vakbeweging en de werkgeversorganisaties bestuurlijk reeds nauw bij de uitvoering van de sociale zekerheid zijn betrokken. Dat geldt zowel voor de Raden van Arbeid, als ten aanzien van de werknemersvertegenwoordigers in WWV-en RWW-commissies. In het gefaseerde veranderingsproces, waarbij tot nieuwe structuren wordt gekomen, kan ook een geleidelijke doorstroming van deze bestuurlijke inbreng van bestaande naar nieuwe organen plaatsvinden. Tot slot zij erop gewezen dat ook in de huidige commissies van advies van de gewestelijke arbeidsbureaus werkgevers-en werknemersvertegenwoordigers zijn opgenomen.

85 In het interimrapport wordt bepleit het gebundeld fondsbeheer niet op te dragen aan het beheersingsorgaan ten einde een vermenging van uitvoerende taken en toezichthoudende taken te voorkomen. Beide andere alternatieven -gebundeld fondsbeheer door de Sociale Verzekeringsbank dan wel door een nieuw in te stellen autonoom orgaan -zijn op zich zelf inpasbaar in de uitvoeringsstructuur, zoals die in het tweede deel van het interimrapport wordt geschetst. Dat tweede deel geeft immers slechts de richting aan waarin die uitvoeringsstructuur moet gaan. Een concrete invulling dient plaats te vinden na een brede maatschappelijke discussie, waarin ook de bestaande uitvoeringsorganen moeten worden betrokken. In dit verband zijn echter zeker van belang de conclusies die in het inmiddels verschenen eindrapport van de COMED worden getrokken ten aanzien van de plaats van het gebundeld fondsbeheer in de uitvoeringsorganisatie. De COMED komt evenals de projectgroep tot de conclusie dat het fondsbeheer niet behoort te worden verricht door het toezichthoudende orgaan. Volgens de COMED zou het fondsbeheer dienen plaats te vinden door een Centrale Kas (CK). Ten aanzien van de lokalisatie van deze Centrale Kas concludeert de COMED dat deze «een zelfstandige eenheid binnen de totale organisatie dient te zijn». Uitgesloten wordt echter niet deze eenheid een zelfstandig onderdeel te doen zijn van één van de bestaande uitvoeringsorganen. Met name wordt de mogelijkheid genoemd de «Centrale Kas door reorganisatie van bestaande apparaten tot stand te doen komen, daarbij rekening houdend met aldaar aanwezige ervaring en betrokkenheid ten aanzien van de sociale verzekering».

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15594, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.