Nota naar aanleiding van het verslag - Overgangsregeling voor het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18 tot 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 5 februari 1979

Het verheugt mij, dat de leden van de C.D.A.-f ractie met genoegen kennis hebben genomen van dit wetsontwerp. Het schrijven van de Stichting Nederlands Centrum Buitenlanders, aan de hand waarvan deze leden bij de begrotingsbehandeling voor het dienstjaar 1978 de aandacht voor dit vraagstuk hebben gevraagd, is voor mij mede aanleiding geweest deze kwestie in overweging te nemen. De werkingssfeer van de voorgestelde overgangsregeling beperkt zich tot die invalide kinderen, die geen recht hebben op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien zo'n kind een buitenlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet, is het niet in beginsel uitgesloten van deze overgangsregeling. Wel zal in zo'n situatie het bedrag van die buitenlandse uitkering als eigen inkomen van het kind worden aangemerkt en als zodanig een rol spelen bij het bepalen van het recht op kinderbijslag. Voor wat betreft de vraag van deze leden of er al verdere informatie ter beschikking is over het aantal kinderen en hun land van verblijf deel ik mede, dat dit thans nog niet het geval is. Wel stel ik mij voor om, tegen de tijd dat de regeling van kracht zal worden, na te gaan op welke wijze voorlichting kan worden gegeven aan de hier te lande verblijvende buitenlandse werknemers. Verder zullen de uitvoeringsorganen van de kinderbijslagregelingen -de raden van arbeid -anticiperend op deze overgangsregeling bij de beoordeling van het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal 1979 reeds de eventueel in aanmerking komende gevallen rubriceren. Vervolgens vroegen deze leden nadere toelichting over het feit, dat in het wetsontwerp is afgezien van een overgangsregeling in de sfeer van de kinderaftrek. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat voorzover valt na te gaan de regeling uitsluitend betrekking zal hebben op werknemers. Zoals bekend zal zijn, bestaat voor werknemers van 1 oktober 1978 af geen recht meer op fiscale kinderaftrek. Deze fiscale kinderaftrek is immers vertaald in een opslag op de kinderbijslag, waarvoor uiteraard de hierbedoelde werknemers ook in aanmerking komen. Met betrekking tot de periode vóór 1 oktober 1978 is het technisch niet mogelijk de fiscale kinderaftrek met terugwerkende kracht te herstellen. Wel kan over deze periode voor de hierbedoelde kinderen buitengewone lastenaftrek zijn genoten.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nr. 7

Deze leden stelden het ten slotte op prijs een reactie mijnerzijds te vernemen over de in Bijlage V onder het kopje «onbedoelde voordelen» vervatte problematiek van kinderen verblijvend in een AWBZ-inrichting. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat het inderdaad mogelijk is, dat se dert 1 oktober 1976 de AAW-uitkeringen van invalide kinderen, die worden verpleegd in een AWBZ-inrichting, aan de inrichtingen worden overgemaakt. De AAW-uitkering waarop sedert genoemde datum recht bestaat -waarbij de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ in mindering is gebracht -is, hoewel deze aan de inrichting wordt overgemaakt, uiteraard in-komen van het kind zelf. Het is duidelijk, dat voor meerderjarige kinderen de ouders geen aanspraak kunnen maken op de uitkering. Deze wordt in beginsel aan de betrokkene zelf uitbetaald. Deze kan de bedrijfsvereniging machtigen de uitkering aan de inrichting over te maken. Het is eveneens mogelijk, dat de bedrijfsvereniging de uitkering met toepassing van artikel 45 van de AAW aan de inrichting overmaakt. In het algemeen betekent de AAW voor de invalide kinderen een belangrijke verbetering van hun inkomenspositie nu zij zelf recht kregen op een inkomen. Of het kostenpakket van de ouders, die geen kinderbijslag meer ontvangen, in wezen niet gewijzigd is, hangt uiteraard van de individuele situatie af. Immers waar bepaalde bestedingen, waarvoor de ouders een bijdrage leverden, thans uit het inkomen van het kind zelf geschieden, is dit wel het geval. Het is echter heel wel mogelijk, dat bepaalde andere kosten, zoals de kosten van bezoek aan de kinderen, nog op dezelfde wijse als vóór 1 oktober 1976 door de ouders worden betaald. Deze kosten werden voordien voor het recht op kinderbijslag als onderhoudskosten aangemerkt. In dat verband moge er nog op worden gewezen, dat bij de Sociale Verzekeringsraad een adviesaanvrage in behandeling is betreffende de mogelijkheid om in bepaalde gevallen vergoeding van reis-en verblijfkosten te verlenen in het kader van de AAW. Overigens moge ten slotte nog worden opgemerkt, dat de hier bedoelde kinderen, als zij aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoen, sedert 1 oktober 1976 naast het recht op uitkering tevens aanspraak kunnen maken op bepaalde voorzieningen in het kader van de AAW. Het kan zijn, dat de kosten daarvan voordien voor rekening van de ouders kwamen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nr. 7

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.