Bijlage bij de memorie van toelichting - Overgangsregeling voor het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18 tot 27 jaar

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

BIJLAGE BIJ DE MEMORIE VAN TOELICHTING Aan de heer Staatssecretaris van Sociale Zaken

's-Gravenhage, 22 februari 1978

Excellentie, In antwoord op Uw bovenaangehaalde brief delen wij U mede dat wij ons om inlichtingen ter zake van de verandering van het recht op kinderbijslag door wetswijzigingen per 1 oktober 1976 tot de Federatie van Bedrijfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank hebben gewend (zie s.v.p. bijlagen I en II). De Federatie heeft ons op 24 juni medegedeeld, dat het de BV'en niet mogelijk was kwantitatieve gegevens te verschaffen. De door ons gestelde vragen liggen niet in de lijn van de beoordeling van het eventuele recht op een AAW-uitkering. Om die reden worden details, zoals door ons bedoeld, niet, althans niet systematisch, in elk individueel geval onderkend en vastgelegd (zie bijlage III). De SVB heeft ons op 1 december 1977 een opgave verstrekt van de door haar gesignaleerde gevallen en van die welke zij van de Vereeniging van Raden van Arbeid heeft doorgekregen. De Bank heeft geconstateerd dat zich aldaar 5 gevallen hebben voorgedaan waarbij kinderen wier ouder(s) al dan niet in Nederland wonend, als KWL-en AKW-verzekerde kan (kunnen) worden aangemerkt, doch zelf in het land van herkomst zijn gebleven. Deze kinderen waren invalide in de zin der wet en hadden uit dien hoofde recht op kinderbijslag. Per 1 oktober 1976 verviel dit recht, terwijl er geen recht op een AAW-uitkering tegenover stond of in de toekomst zal staan. Wij merken op, dat dit aspect buiten het bestek van Uw opdracht valt, doch wij meenden op grond van vragen, die de Raad bereikten ook deze categorie belanghebbenden in onze vraagstelling aan de uitvoeringsorganen te moeten betrekken (zie bijlage IV jo. bijlage I, bladzijde 2 vraag 5). Door de Vereeniging van Raden van Arbeid is een uitvoerige opgave verstrekt van die categorieën kinderen, wier rechten per 1 oktober 1976wijziging hebben ondergaan (zie bijlage V). Daarbij zij gewezen op de kanttekening van de Vereeniging, dat haar opgave een globaal karakter draagt en eerder een indruk geeft dan een exact beeld van het aantal gevallen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

Ten aanzien van de categorie 3 wordt een zestal gevallen vermeld waarin een hiaat van een of meer kwartalen kinderbijslag is geconstateerd voor kinderen die invalide worden en de wachttijd-AWW doormaken. Ook uit de klachtenbehandeling bij de Sociale Verzekeringsraad is een geval bekend geworden waarin een periode kinderbijslag wordt gemist gedurende de AAW-wachttijd. Een groter aantal geconstateerde gevallen, nl. 75, betreft de categorie 5, welke hiervóór reeds werd gesignaleerd, te weten die van de kinderen in het buitenland, die nimmer rechten aan de AAW kunnen ontlenen en voor welke kinderen voorheen rechtop kinderbijslag bestond. Wij verzoeken met de toezending van genoemde gegevens aan Uw verzoek te hebben voldaan.

De Sociale Verzekeringsraad, mr. G. J. Oosterhuis, algemeen secretaris Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

Bijlage I

Aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen

's-Gravenhage 25 mei 1977

Verandering recht op kinderbijslag door wetswijzigingen per 1 oktober 1976 IIijne heren, Zoals U bekend is kon tot 1 oktober 1976 voor invalide kinderen van 18-27 jaar als ook aan de overige vereisten werd voldaan aanspraak op kinderbijslag worden gemaakt. In verband met de wijziging van de kinderbijslagwetten bij de Wet van 8 september 1976 tot aanpassing van het Wetboek van Koophandel en van een aantal wetten in verband met de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet alsmede nadere wijziging van enkele sociale verzekeringswetten (Stb. 1976, 473) zijn a. het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18-27 jaar en b. het recht op kinderbijslag voor 'huishoudkinderen', die meer dan 45% arbeidsongeschikt zijn, vervallen. Wij onderscheiden de volgende categorieën kinderen, voor wie de wetswijzigingen financiële gevolgen hebben: 1. Kinderen, die reeds lang gehandicapt waren bij het inwerkingtreden van de AAW, de zogenaamde vroeggehandicapten. Voor deze categorie bestaat niet de wachttijd van 52 weken, zodat de uitkering krachtens de AAW per dezelfde datum ingaat als waarop het recht op kinderbijslag vervalt. 2. Kinderen, die in loondienst werkzaam zijn. Voor hen geldt bij intreden van invaliditeit in eerste instantie het recht op ziekengeld, gevolgd door een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 3. Kinderen, die studeren. Voor deze categorie is het recht op kinderbijslag per de eerste van de maand van het volgende kwartaal vervallen, terwijl voor het recht op AAW-uitkering 52 wachtweken in acht moeten worden genomen. Er ontstaat derhalve een hiaat van minstens drie kwartalen. Wel is het ons bekend dat de Raden van Arbeid bij onderbreking van de studie door een schoolgaand kind wegens ziekte de kinderbijslag gewoonlijk tot het einde van het cursusjaar doorbetalen. Uit informaties van het Departement van Onderwijs en Wetenschappen zou zijn komen vast te staan, dat ca. 60% van de studerenden voor WO en HBO geen studietoelage ontvangt. De kinderen, die wel in het genot zijn van een studietoelage zullen die niet aanstonds verliezen; de wetgever is evenwel niet bereid in een studietoelage een zeker invaliditeitsrisico op te nemen. Ook voor deze categorie zal wanneer invaliditeit intreedt, een hiaat van enige maanden of kwartalen kunnen voorkomen. 4. Een zelfde hiaat kan optreden ten aanzien van kinderen voor wie in hun kwaliteit van «huishoudkind» kinderbijslag werd genoten, wanneer voor hen de toestand intreedt dat zij 'ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat zijn om 55 % te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen'. In de memorie van antwoord op het wetsvoorstel 13847 nr. 6, blz. 2 en 3, heeft de bewindsman uitdrukking gegeven aan zijn gevoelen, dat voor invalide kinderen het totale pakket aanspraken ingevolge de AAW in financieel opzicht dat van de kinderbijslagwetten (tot 1 oktober 1976) overtreft. 5. De categorie kinderen, wier ouder(s) al dan niet in Nederland wonend, als KWL-of AKW-verzekerde kan (kunnen) worden aangemerkt, doch zelf in het land van herkomst zijn gebleven. Voor deze kinderen bestond ingeval van invaliditeit recht op kinderbijslag; door de wetswijziging is dit recht vervallen, terwijl deze kinderen aan de AAW geen rechten kunnen ontlenen. Ofschoon van regeringszijde de gunstige ontwikkeling in het verzekeringsstelsel benadrukt is, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken in het kader van de nadelen, die aan de wetswijziging kleven tijdens de openbare behandeling in de Tweede Kamer toegezegd te doen nagaant Tweede Kamer,zitting 1978-1979, 15355, nrs. 1-4

  • in hoeveel gevallen er sprake is van het vervallen van het recht op kinderbijslag zonder (aansluitend) recht op een uitkering krachtens de AAW; 2. van welke aard deze gevallen zijn. In verband met het vorenstaande heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken bij zijn brief dd. 3 november 1976 ons verzocht na te gaan of het mogelijk is via de uitvoeringsorganen van de kinderbijslagwetten en de Algemene Ar-beidsongeschiktheidswet gegevens te verkrijgen over het aantal en zo mogelijk ook de aard (financiële omstandigheden) van de hiervoor sub 1 t/m 4 bedoelde gevallen. Wij verzoeken U ons deze gegevens te verstrekken en een zelfde onderzoek in te stellen naar de hiervoor onder 5 aangeduide gevallen, en ons ook van de resultaten daarvan in kennis te stellen. Het is de bedoeling van de bewindsman zijn conclusies te trekken uit reeds bij de uitvoeringsorganen aanwezige gegevens en niet door nieuwe peilingen gegevens te verzamelen. Wij stellen het op prijs, indien U ons op de hoogte stelt van die U bekende gevallen, waarin door de eerder genoemde wetswijziging een onderbreking in het ontvangen van inkomsten werd geconstateerd. Indien U andere dan hiervoor aangegeven situaties bekend zijn, waarin sprake is van achteruitgang in bestaande rechten dan wel van onbedoelde voordelen, zullen wij het op prijs stellen daarover op overeenkomstige wijze te worden ingelicht. In dit verband denken wij ook aan de situatie van de gehuwde vrouwelijke wezen van 18 jaar en ouder die sinds 1 oktober 1976 niet meer op grond van invaliditeit aanspraak op een wezenpensioen hebben, een situatie waarop de Sociale Verzekeringsbank in een brief van 24 januari 1977 aan de Minister van Sociale Zaken, kenmerk D en W 8/77 Afd. P en R, waarvan wij een afschrift ontvingen, de aandacht heeft gevestigd.

De Sociale Verzekeringsraad, mr. J. H. Smits, wetst. secretaris Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

BIJLAGE II

Aan de Sociale Verzekeringsbank

24 mei 1977

Verandering recht op kinderbijslag door wetswijzigingen per 1 oktober 1976 IIijne heren, Zoals U bekend is, kon tot 1 oktober 1976 voor invalide kinderen van 18-27 jaar als ook aan de overige vereisten werd voldaan, aanspraak op kinderbijslag worden gemaakt. In verband met de wijziging van de kinderbijslagwetten bij de Wet van 8 september 1976 tot aanpassing van het Wetboek van Koophandel en van een aantal wetten in verband met de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet alsmede nadere wijziging van enkele sociale verzekeringswetten (Stb. 1976, 473) zijn a. het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18-27 jaar, en b. het recht op kinderbijslag voor «huishoudkinderen», die meer dan 45% arbeidsongeschikt zijn, vervallen. Wij onderscheiden de volgende categorieën kinderen, voor wie de wetswijzigingen financiële gevolgen hebben: 1. Kinderen, die reeds lang gehandicapt waren bij het inwerkingtreden van de AAW, de zogenaamde vroeggehandicapten. Voor deze categorie bestaat niet de wachttijd van 52 weken, zodat de uitkering krachtens de AAW per dezelfde datum ingaat als waarop het recht op kinderbijslag vervalt. 2. Kinderen, die in loondienst werkzaam zijn. Voor hen geldt bij intreden van invaliditeit in eerste instantie het recht op ziekengeld, gevolgd door een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 3. Kinderen, die studeren. Voor deze categorie is het recht op kinderbijslag per de eerste van de maand van het volgende kwartaal vervallen, terwijl voor het recht op AAW-uitkering 52 wachtweken in acht moeten worden genomen. Er ontstaat derhalve een hiaat van minstens drie kwartalen. Wel is het ons bekend dat de Raden van Arbeid bij onderbreking van de studie door een schoolgaand kind wegens ziekte de kinderbijslag gewoonlijk tot het einde van het cursusjaar doorbetalen. Uit informaties van het Departement van Onderwijs en Wetenschappen zou zijn komen vast te staan, dat ca. 60% van studerenden die voor WO en HBO geen studietoelage ontvangt. De kinderen, die wel in het genot zijn van een studietoelage, zullen die niet aanstonds verliezen; de wetgever is evenwel niet bereid in een studietoelage een zeker invaliditeitsrisico op te nemen. Ook voor deze categorie zal wanneer invaliditeit intreedt, een hiaat van enige maanden of kwartalen kunnen voorkomen. 4. Een zelfde hiaat kan optreden ten aanzien van kinderen voor wie in hun kwaliteit van «huishoudkind» kinderbijslag werd genoten, wanneer voor hen de toestand intreedt dat zij «ten gevolge van ziekte of gebreken buiten staat zijn om 55% te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen, die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen». In de memorie van antwoord op het wetsvoorstel 13847 nr. 6, blz. 2 en 3, heeft de bewindsman uitdrukking gegeven aan zijn gevoelen, dat voor invali-de kinderen het totale pakket aanspraken ingevolge de AAW in financieel opzicht dat van de kinderbijslagwetten (tot 1 oktober 1976) overtreft. 5. De categorie kinderen, wier ouder(s) al dan niet in Nederland wonend, als KWL-of AKW-verzekerde kan (kunnen) worden aangemerkt, doch zelf in het land van herkomst zijn gebleven. Voor deze kinderen bestond ingeval van invaliditeit recht op kinderbijslag; door de wetswijziging is dit recht vervallen, terwijl deze kinderen aan de AAW geen rechten kunnen ontlenen.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

Ofschoon van Regeringszijde de gunstige ontwikkeling in het verzekeringsstelsel benadrukt is, heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken in het kader van de nadelen, die aan de wetswijziging kleven tijdens de openbare behandeling in de Tweede Kamer toegezegd te doen nagaan: 1. in hoeveel gevallen er sprake is van het vervallen van het recht op kinderbijslag zonder (aansluitend) recht op een uitkering krachtens de AAW, 2. van welke aard deze gevallen zijn. In verband met het vorenstaande heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken bij zijn brief dd. 3 november 1976 ons verzocht na te gaan of het mogelijk is via de uitvoeringsorganen van de kinderbijslagwetten en de Algemene Ar-beidsongeschiktheidswet gegevens te verkrijgen over het aantal en zo mogelijk ook de aard (financiële omstandigheden) van de hiervoor sub 1 t/m 4 bedoelde gevallen. Wij verzoeken U ons deze gegevens te verstrekken en eenzelfde onderzoek in te stellen naar de hiervoor onder 5 aangeduide gevallen, en ons ook van de resultaten daarvan in kennis te stellen. Het is de bedoeling van de bewindsman zijn conclusies te trekken uit reeds bij de uitvoeringsorganen aanwezige gegevens en niet door de nieuwe peiling* gegevens te verzamelen. Wij stellen het op prijs, indien U in overleg met de Vereeniging van Raden van Arbeidwaaraan wij heden een afschrift van deze brief hebben toegezondenons op de hoogte stelt van die U bekende gevallen, waarin door de eerdergenoemde wetswijziging een onderbreking in het ontvangen van inkomsten werd geconstateerd. Indien U andere dan hiervoor aangegeven situaties bekend zijn, waarin sprake is van achteruitgang in bestaande rechten dan wel van onbedoelde voordelen, zullen wij het op prijs stellen daarover op overeenkomstige wijze te worden ingelicht. In dit verband denken wij ook aan de situatie van de gehuwde vrouwelijke wezen van 18 jaar en ouder die sinds 1 oktober 1976 niet meer op grond van invaliditeit aanspraak op een wezenpensioen hebben, een situatie waarop U in Uw brief van 24 januari 1977 aan de Ministervan Sociale Zaken, Uw kenmerk D en W 8/77 Afd. P en R, waarvan wij een afschrift ontvingen, de aandacht hebt gevestigd. Een schrijven van gelijke inhoud hebben wij aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen gericht.

De Sociale Verzekeringsraad, Mr. J. H.Smits, wetst. secretaris Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15355, nrs. 1-4

BIJLAGE III

Aan de Sociale Verzekeringsraad

24 juni 1977

Verandering recht op kinderbijslag door wetswijzigingen per 1 oktober 1976 IIijne heren.

Uw brief van 25 mei jl. (met bijlagen) heeft onderwerp van bespreking uitgemaakt in onze bestuursvergadering van 8 juni jl. Mede gelet op ter zake bij uw secretariaat ingewonnen nadere informatie, hebben wij het in uw brief verwoorde verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken aldus verstaan, dat de bedrijfsverenigingen wordt gevraagd of zij uit reeds ter beschikking staande gegevens en zonder daarnaar afzonderlijke onderzoeken in te stellen, inlichtingen kunnen verschaffen over de in uw brief aangegeven situaties, in het bijzonder over aantal en aard van gevallen, waarin sprake is van vervallen van het recht op kinderbijslag zonder (aansluitend) recht op een uitkering-AAW. Ons bestuur is -gelet op de hem door zijn adviseurs verstrekte informatie -tot de conclusie gekomen dat het de bedrijfsverenigingen niet mogelijk is zulke gegevens te verschaffen. Het gaat hier namelijk om bijzonderheden die niet van belang zijn voor de beoordeling van een eventueel recht op aawuitkering; zij worden dan ook niet-althans niet systematisch in elk individueel geval -onderkend en vastgelegd. Het wordt niet uitgesloten geacht dat andere uitvoeringsorganen wel enige informatie zullen kunnen verstrekken. In dit verband nam ons bestuur goede nota van het feit dat u zich terzake ook met de Sociale Verzekeringsbank in verbinding hebt gesteld.

Voorde Federatie van Bedrijfsverenigingen, mr. J. S. Brouwer de administrateur Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

BIJLAGE IV

Aan de Sociale Verzekeringsraad

1 december 1977

Verandering recht op kinderbijslag door wetswijzigingen per oktober 1976

Mijne heren,

In antwoord op uw bovenvermelde brief delen wij u mede, dat het door ons ingestelde onderzoek het volgende resultaat heeft opgeleverd. Door ons is als gevolg van de wijziging per 1 oktober 1976 van de kinderbijslagwetten in slechts vijf gevallen de verlening van kinderbijslag beëindigd vooreen invalide kind ouder dan 17 jaar. Deze vijf kinderen behoren tot de 5e in uw schrijven bedoelde categorie van kinderen. Uit bijgaande fotocopie van de brief van de Vereeniging van Raden van Arbeid van 6 oktober 1977 blijkt het resultaat van het harerzijds ingestelde onderzoek als gevraagd in uw brief van 24 mei 1977. Wij vestigen er uw aandacht op dat op pagina 1 van de brief van de Vereeniging onder categorie 1 slechts een deel van de 756 gevallen is gespecificeerd. Van de niet gespecificeerde gevallen was of de rangorde der kinderen niet te achterhalen of niet meer bekend of enkeldan wel tweevoudige kinderbijslag werd verleend. Voor het overige mogen wij naarde inhoud van deze brief verwijzen. Zoals u bekend is uit onze brief van 24 januari 1977, nr. D. en W. 8/77, aan de Minister van Sociale Zaken, van welke brief wij u op dezelfde datum een afschrift zonden, hebben wij in vier gevallen zonder dat recht ontstaat op een AA W-uitkering per 1 oktober 1976 een wezenpensioen krachtens de AI-gemene Weduwen-en Wezenwet beëindigd als gevolg van de wijziging van artikel 17, tweede lid onder 2° van deze wet. Uit het antwoord dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken op 15 augustus 1977 opgenoemde brief, van welk antwoord een fotocopie hierbij gaat, blijkt dat deze niet het voornemen heeft overgangsmaatregelen te treffen voor de gevallen, waarin per 1 oktober 1976 bestaande rechten krachtens kinderbijslagwetten en/of AWW zijn verloren gegaan zonder daarvoor in de plaats tredende aanspraken krachtens de AAW.

Namens het bestuur der Sociale Verzekeringsbank, K.Z.J.Weenink presidentdirecteur Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15355, nrs. 1-4

BIJLAGE V

Aan het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

6 oktober 1977

Geacht Bestuur,

In antwoord op uw brief van 13 juni 1977, nr. I. C. 1252/77, afdeling Interne Controle, delen wij u het volgende mede. Vooropgesteld dient te worden, dat bij de desbetreffende wetswijziging geen blijk is gegeven van de eventuele noodzaak de -thans -gevraagde gegevens te administreren. Voorzover mogelijk zijn de gevallen opgespoord en/of gereconstrueerd.

Een en ander betekent, dat het hierna volgende overzicht moet worden gekarakteriseerd als een indruk en niet als een exact beeld van de gevolgen van de invoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de daarmede gepaard gaande wijzigingen in andere sociale verzekeringswetten. Wij menen met enige nadruk dit voorbehoud te moeten maken omdat de ervaring leert, dat dergelijke overzichten vaak een eigen leven gaan leiden en op den duur zonder enige toelichting, in verslagen e.d. verschijnen.

Categorie 1

In totaal 756 gevallen waarvan 43 kinderen rangorde 1 31 kinderen rangorde 1 + 2 15 kinderen rangorde 2 8 kinderen rangorde 2 + 3 17 kinderen rangorde 3 16 kinderen rangorde 3 + 4 12 kinderen rangorde 4 13 kinderen rangorde 4 + 5 10 kinderen rangorde 5 7 kinderen rangorde 5 + 6 6 kinderen rangorde 6 4 kinderen rangorde 6 + 7 2 kinderen rangorde 7 2 kinderen rangorde 7 + 8 1 kind rangorde 8 1 kind rangorde 8 + 9 1 kind rangorde 9 + 10 1 kind rangorde 10 In 232 gevallen was er voorheen recht op enkelvoudige kb. In 108 gevallen was er voorheen recht op tweevoudige kb.

Categorie 2

Kinderen, die in het arbeidsproces zijn opgenomen vallen in het algemeen buiten de werkingssfeer van de kinderbijslagwetten. Voorzover zich gevallen voordoen b.v. in het kader van een opleiding voor een beroep, zijn de Ziektewet en aansluitend de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van toepassing, zodat nauwelijks van enig nadeel zou kunnen worden gesproken.

Categorie 3

Onder deze categorie zijn zes gevallen opgespoord welke kort samengevat er als volgt uitzien. Een twintigjarige student, die sedert 1 januari 1977 wegens een leverziekte door druggebruik wordt verpleegd in de Emilyhoeve te Loosduinen, doch op grond van zijn inschrijving aan een dagschool nog tot en met het 3e kwartaal 1977 voor enkelvoudig kb. in aanmerking blijft komen. Per 1 oktober a.s. zal het recht op kb. echter eindigen, wanneer betrokkene dan nog ziek is.

Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

Het betreft hier een aanvraag voor een kind, geboren 2 april 1958. Bedoeld kind moest in december 1975 (dus tijdens het studiejaar 75/76) wegens ziektezijn studie staken. De kb. werd nog toten met het 3e kwartaal 1976doorbetaald. Bij de beoordeling van het rechtop kb. over het 4e kwartaal 1976 is vast komen te staan dat het kind als ziek in de zin der KW-en moest worden aangemerkt. In verband met de wetswijziging d.d. 8 september 1976 werd op de aanvraag om kb. over het 4e kwartaal afwijzend beschikt. Het kind kon echter nog geen aanspraak maken op een AAW-uitkering aangezien op de peildatum 1 oktober 1976 nog niet aan de wachttijd van 52 weken was voldaan. Kind, geboren 3 augustus 1952, was studerend aan de TH te Delft. Werd in de maand augustus 1976 ziek en per 4 oktober 1976 opgenomen ineensanatorium. Vermoedelijk duur ziekte ± 1 jaar. Voor het studiejaar 76/77 wel in-geschreven aan de TH, evenwel niet met de studie aangevangen. Vanaf 1 oktober 1976 geen kb. meer toegekend. Tengevolge daarvan derft men de kb. vooreen leen 2e kind over 4 kwartalen, terwijl op de peildata daarvan nog geen AAW werd genoten. Kind, geboren 4 oktober 1957. Was schoolgaand. Kreeg op 8 juni 1976 tengevolge van een ongeval een ernstig nek-en rugletsel. Tot en met het 3e kwartaal 1976 kb. betaald. Vanaf 1 oktober 1976 ten gevolge van dat ongeval studie niet voortgezet. Ingaande 1 oktober 1976 kb. afgewezen, waardoor over 3 kwartalen voor een 5e en 6e kind geen kb. werd genoten; terwijl op de peildata van die kwartalen nog geen recht bestond op een AAW-uitkering. In één geval is er een hiaat van één maand vastgesteld.

Categorie 4

In het algemeen wordt niet nagegaan in hoeverre huishoudkinderen arbeids(on)geschikt zijn om het huishouden te verzorgen of mede te verzorgen. Of een huishoudkind al dan niet invalide is zal moeten blijken uit de beantwoording van de desbetreffende vraag op het aanvraagformulier (kb.-lijst), namelijk of een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschikheidswet is toegekend. In dat geval zal geen kinderbijslag (meer) worden toegekend doch ook dan kan nauwelijks van enig nadeel worden gesproken.

Categorie 5

In totaal 75 gevallen waarvan een 18-jarig invalide kind van Turkse nationaliteit per 1 april 1977 geen recht meer op kb. Vader in loondienst, gezin van 3 kinderen, waarvan 1 kind ouder dan 16 jaar en studerend. 18-jarig invalide kind van Marokkaanse nationaliteit, per 1 juli 1977 geen recht meer op kb. Vader sedert 1 augustus 1976 werkloos, gezin van 7 kinderen. 19-jarig invalide kind van Turkse nationaliteit, per 1 oktober 1976 geen recht meer op kb. Vader in loondienst, gezin van 8 kinderen. 19-jarig respectievelijk 17-jarig invalide kind uit één gezin van Marokkaanse nationaliteit, waarvan de oudste per 1 oktober 1976 en de jongste per 1 januari 1978 geen recht meer op kb. Vader heeft WAO-uitkering ad f57,63 per dag, gezin van 8 kinderen. 26-jarig invalide kind van Marokkaanse nationaliteit per 1 oktober 1976 geen recht meer op kb. Vader in loondienst, gezin van 2 kinderen. 20-jarig invalide kind van Marokkaanse nationaliteit per 1 oktober 1976 geen recht meer op kb. Vader in loondienst, loon f1650 per maand. Gezin van 6 kinderen waarbij 1 huishoudkind. 22-jarig invalide kind van Turkse nationaliteit per 1 oktober 1976 geen recht meer op kb. Vader in loondienst, gezin van 5 kinderen. Een in Nederland werkzame Marokkaan ontving voor zijn in Marokko verblijvende invalide kind, geboren in 1952, steeds dubbele kinderbijslag. In-gaande 1 oktober 1976 is voor dit kind in verband met de wijziging van de KW-en geen kb. meer toegekend. Ten gevolge daarvan derft betrokkene de Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

kb. voor een 7e en 8e kind, terwijl het kind geen AAW-uikering ontvangt. In 9 gevallen zijn er» uitgaande van blijvende invaliditeit van de betrokken kinderen en gelet op geboortedata -hiaten van respectievelijk 35,36,31,21, 31, 35, 36, 31 en 4 kwartalen. Portugees 20 jaar kwartaalbedrag f826.80 rangorde 5 + 6 Spanjaard 26 jaar kwartaalbedrag f 458.64 rangorde 5 + 6 Pakistaan 23 jaar kwartaalbedrag f 392.34 rangorde 5 Turk 22 jaar kwartaalbedrag f 826.80 rangorde 5 + 6 Turk 20 jaar kwartaalbedrag f 392.34 rangorde 4 Turk 24 jaar kwartaalbedrag f 868.92 rangorde 6 + 7 Turk 21 jaar kwartaalbedrag f 458.64 rangorde 1 + 2 Turk 22 jaar kwartaalbedrag f 614.64 rangorde 2 + 3 Turk 21 jaar kwartaalbedrag f614.64 rangorde 2 + 3 In een geval wordt kb. gederfd in rangorde 2 In twee gevallen wordt kb. gederfd in rangorde 6 In drie gevallen wordt kb. gederfd in rangorde 7 In een geval wordt kb. gederfd in rangorde 10 In een geval wordt kb. gederfd in rangorde 1

Van de overige 40 gevallen is niets bekend.

Andere situaties

In drie gevallen werd het wezenpensioen ingetrokken van gehuwde invalide wezen.

Onbedoelde voordelen

Vooreen invalide studerend kind van 18 tot en met 26 jaar kan recht bestaan op kinderbijslag. Tegengeworpen zou kunnen worden dat in verband met de aanstaande wetswijziging tot het tegengaan van oneigenlijk gebruik de belanghebbende wel niet meer aan het bedrag van belangrijke mate zal toekomen. Het lijkt echter niet denkbeeldig, dat in deze gevallen de onderhoudskosten zo hoog zijn, dat desondanks (naast AAW-uitkering) aanspraak op kb. blijft bestaan. Tenslotte zij nog vermeld, dat de situatie zich kennelijk kan voordoen dat een invalide kind wordt verpleegd in een AWBZ-inrichting. In zo'n geval zou de volle AAW-uitkering naar de inrichting gaan. Niettemin ontvangen de ouders dan geen kinderbijslag meer, terwijl in wezen hun kostenpakket niet wijzigt. Vertrouwende u met het vorenstaande van dienst te zijn.

Hoogachtend, Namens het Bestuur, W. Vergeer Directeur Tweede Kamer, zitting 1978-1979,15355, nrs. 1-4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.