De behandeling van de Voortgangsnota Bestek '81 - Handelingen Tweede Kamer 1978-1979 25 april 1979 orde 2


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de Voortgangsnota Bestek '81 (15081, nrs. 28-29).

©

J.M. (Joop) den UylDe heer Den Uyl (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Het kan het kabinet niet zijn ontgaan dat de Voortgangsnota geen goed onthaal heeft gevonden. Vriend noch tegenstander hebben er veel goede woorden voor over gehad. Heeft ook dit beleidstuk weer te lijden gehad onder de slechte presentatie, die kabinet en regeringspartijen elkaar in roerende eensgezindheid aanpraten? Van Steenkamp tot mevrouw Smit, van Albeda tot Rietkerk heeft de uitvlucht voor falend beleid dat 'de presentatie' te wensen overlaat. Maar wat valt er eigenlijk te presenteren? Wat levert een balans van het tot dusver gevoerde beleid nu eigenlijk op? Waar is het kabinet mee bezig? De inzet is niet gering. Vrij Nederland bracht kort geleden het verhaal over de lotgevallen van een m.a.v.o.-eindexamenklas in Helmond. Zeker, Minister Albeda zal wel gelijk hebben

Ingekomen stukken Bestek '

81

#9632

\

II

0

lm *. Ml

\ i

h' ---É

'V

Achter de regeringstafel v.l.n.r. de Ministers Albeda, Van Agt, Andriessen en Van Aardenne tijdens het debat over de voortgangsnota Bestek '

81

dat 60% van de schoolverlaters binnen 3 maanden werk vindt. Maar wat met die 40%? Wat moeten die meisjes en jongens, die geen werk vinden of erg beroerd werk en die de horizon van hun bestaan zien afgesloten in een neerdrukkend maatschappelijk klimaat, met een werkloosheid die toch weer verder toeneemt en die onaanvaardbaar hoog is? Het kabinet heeft Bestek '81 gepresenteerd als een beleidsplan voor de middellange termijn, met als doelstelling de werkloosheid terug te dringen tot 150.000 in deze kabinetsperiode. ' Het heilsplan' zei de heer Van Agt. Niet zo'n gelukkige term, maar je mag als kabinet best pretenties hebben en de zaak van de werkgelegenheid is er belangrijk genoeg voor. Het kabinet heeft er dan ook recht op dat zijn beleid getoetst wordt aan eigen doelstellingen. En dat ga ik doen. Die doelstellingen waren in Bestek in niet al te concrete cijfers uitgewerkt. Verder dan een verwijzing naar de projectie van de Centrale Economische Commissie, die als bijlage bij Bestek was gevoegd, wilde het kabinet niet gaan. Ik heb dat weinig moedig genoemd in het Bestekdebat van vorig jaar oktober. Natuurlijk weet iedereen dat de economische ontwikkelingen zich niet langs een liniaal laten afmeten. Maar wie weigert -dat doet het kabinet stelselmatig -de cijfermatige gevolgen van zijn beleid naar beste berekening op papier te zetten, die zet het beleid zelf op de tocht. Ook nu weer weigert het kabinet een meerjarenraming te geven van de gevolgen van het gevoerde beleid. Ik vind dit een nogal ergerlijke vorm van verstoppertje spelen. Ik vind dat het kabinet nu eindelijk wél een dergelijke raming op tafel moet leggen. Ik vraag het kabinet dat niet later te doen dan in september bij de indiening van de begroting voor het volgende jaar. Intussen maak ik de vergelijking tussen de jaarlijkse procentuele veranderingen volgens het aangepaste scenario 1 in Bestek, dat het voorgenomen beleid het dichtst benadert, en de cijfers die het Centraal Planbureau voor dit jaar op tafel heeft gelegd. Volgens Bestek is de jaarlijkse procentuele verandering van de loonsom per werknemer 4 a 4,5%. Het CPB noteert voor ' 79 6,5 a 7%. Dat is tweeënhalf procent hoger. Volgens Bestek stijgt het prijspeil van de particuliere consumptie 3%, volgens het CPB in '79 4,5 a 5%. De toeneming van het volume van de particuliere consumptie is volgens Bestek 1,5 a 2%. Voor '79 noteert het CPB 3%. Het volume van de bedrijfsinvesteringen neemt volgens Bestek toe met 5,5% per jaar. Voor '79 noteert het CPB-0,5%. Dan zwijg ik nog maar over het overschot op de betalingsbalans van 2,5% van het nationale inko-

Bestek'81

De fractieleiders Rietkerk (VVD) en Lubbers (CDA) tijdens het debat over de voortgangsnota Bestek '

81

men en van een financieringstekort van 4,5%, waarop de prognose in Bestek voor 1982 rekent. De berekeningen van Bestek '81 zijn volstrekt achterhaald. Het is absurd dat het kabinet een Voortgangsnota de wereld in stuurt zonder in te gaan op het feit dat de uitgangspunten achterhaald zijn. Dat had het kabinet zich niet mogen veroorloven. De beschrijving van de economische situatie in de eerste paragrafen van de Voortgangsnota is op zichzelf realistisch. Er is een pijnlijke omslag in het saldo van de lopen-de rekeningen van de betalingsbalans. Een voortzetting van de daling van het inflatietempo ligt niet in het verschiet, eerder het tegendeel, zo staat in de Voortgangsnota. De loonsomstijging komt ten minste een punt hoger uit dan in het najaar werd geraamd. De volumegroei van de consumptie is groter dan wenselijk is. Het financieringstekort moet voor 1979 T/2 miljard hoger worden geraamd dan in de Miljoenennota gebeurde. En het allerbè-langrijkste: de werkloosheid daalt niet maar neemt nog weer op jaarbasis met enkele duizenden toe. Zoals ik al zei, de schets van de feitelijke ontwikkeling in de inzet van de nota is realistisch. Ook acht ik het op zich juist, dat daarin gewezen wordt op althans één lichtpuntje, namelijk de ver wachting dat de werkgelegenheid in de bedrijven voor het eerst sinds vele jaren in 1979 geen daling zal ondergaan. Die verwachting blijkt echter goeddeels te moeten worden toegeschreven aan de geraamde toeneming van werkgelegenheid in de gesubsidieerde sector, sociaal-medische diensten, sociaal-cultureelmaatschappelijke dienstverlening, voor zover die uit collectieve middelen wordt gefinancierd. Dat is iets anders dan men in het algemeen onder 'bedrijven' verstaat. Uit de antwoorden op de vragen blijkt dan ook, dat de werkgelegenheid in de industrie verder afbrokkelt. Desondanks zijn we blij met dit lichtpuntje. Het is echter wel iets heel anders dan de heer Wiegel op 2 april jl. meen-de te moeten constateren toen hij uitriep: ' De werkloosheid neemt voor het eerst niet toe'. Voor één keer een blik op de cijfers had hem beter kunnen doen weten. Nog bonter maakt de heer Van Agt het, die plotseling is gaan uitroepen, dat de inflatie nog maar de helft bedraagt van die in de Bondsrepubliek. Bekijk je dat cijfer over 7 maanden, dan blijkt dat de stijging in de Bondsrepubliek 2,4% en in Nederland 2,3% is. Dat klinkt al heel anders. Het enige reële is natuurlijk als men zou kijken naar de ontwikkeling van voortschrijdende 12-maandsgemiddelden. Dan blijkt dat vanaf december jl. aan de sinds jaren gestaag voortdurende daling van dat gemiddelde in ons land een einde is gekomen, en dat het Centraal Planbureau dit jaar voor het eerst sinds 1976 een kleine stijging verwacht. Een dergelijke kleine stijging verwacht de Europese Commissie ook in de Bondsrepubliek, waar dan niettemin de inflatie nog 2h blijft van die in ons land en waar de werkloosheid terugloopt, in tegenstelling tot ons land. Wat de Minister-President op zoek naar lichtpuntjes deed, kan hij natuurlijk helemaal niet maken. Het zijn waarschijnlijk dit soort zaken waarop wordt gedoeld als wordt gezegd dat de presentatie beter kan. Trouwens, wat wil het kabinet nu? Een realistische voorstelling van de benarde situatie waar wij in verkeren of een lichtpuntjesbeleid tot het volstrekte duister erop volgt? Welke conclusie trekt het kabinet nu uit de evidente verslechtering van de situatie? Wordt het Bestekbeleid op de helling gezet? Onderwerpt het kabinet uitgangspunten van Bestek aan een heroverweging, vraagt het zich af of het wel op de goede weg is? Die gewone reactie zou het hebben gesierd. Nee, niets van dit alles! Het is doorhollen op de ingeslagen weg, maar dan wel zonder de consequenties te durven trekken. In de Miljoenennota ' 79 werd in ferme taal een noodremprocedure aangekondigd. Die noodrem zou worden bediend als het financieringstekort grenzen zou overschrijden. Het scharnierpunt was 6%. In de Voortgangsnota echter vervagen de criteria voor het hanteren van de noodrem, en wordt de ferme taal nu aangewend voor een plan dat in hoofdlijnen al klaar had moeten liggen. Een half miljard versnelde belastinginning en een half miljard vertraging van overheidsuitgaven. Het financieringstekort is f 1,5 miljard hoger dan in de Miljoenennota 1979 geraamd. Waarom een noodplan van één miljard en niet van anderhalf miljard? Wil de Regering dat toelichten? Of is dit kabinet in nood uitermate rekbaar met zijn normen? Dat is het beeld, dat uit de Voortgangsnota naar voren treedt. Ondertussen zitten wij met een reële rente van 4%, ongehoord hoog voor dit land. Verkrapping van de kredietmarkt is slecht voor het werkgelegenheidsherstel. . Wij zijn tegen deze noodremprocedure. Wij achten die versnelde belastinginning een grofwerkend middel en vrezen dat de vertraging van de overheidsbestedingen slechte gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, want dat treft natuurlijk de overheidsinvesteringen. Andere vormen van temporisering bestaan niet. Maar wat het kabinet gedaan heeft is zich opblazen in

Bestek'81

het gebruik van ferme taal om die bal-Ion weer leeg te laten lopen toen er beleid gevoerd moest worden. Nu zal het kabinet en nu zal de heer Lubbers wel weer klagen dat de oppositie gemakkelijk spreken heeft, of dat zij zo weinig creatief is en weinig alternatieve denkbeelden aandraagt. Wel, ik laat de feiten spreken, feiten die ook de heer Lubbers niet onbekend kunnen zijn. Ik wijs op de inkomensbeheersing die tijdens het vorige kabinet werd gerealiseerd, op de gestage daling van de inflatie die daarvan het gevolg was. Op de groei van het bruto nationaal produkt in 1976 met 5%, de groei van de bedrijfsinvesteringen in 1977 met ruim 15%. Mijn fractie heeft im mei vorig jaar een alternatief beleid uiteengezet. Dat beleid scharniert om 3 elementen. Ten eerste: een consequent verdergaande inkomensmatiging, gepaard gaande met een sterke verkleining van inkomensverschillen. Ten tweede: een langeretermijnstructuurbeleid, waarin onderlinge afstemming en dus ook sturing van particuliere en publieke investeringen centraal staat. Ten derde: een consequente voortgang op de weg naar spreiding van zeggenschap over investeringen en arbeidsmarktbeleid door een aantal wetgevende hervormde maatregelen. Dit alles met de bedoeling de mensen mee te laten denken en beslissen over de aanwending van hun inkomensoffer ter wille van nieuwe werkgelegenheid. Mijn fractie heeft dit alternatief beleid laten doorrekenen door het Centraal Plan Bureau. Men vindt de effecten weergegeven in het SER-advies over de collectieve sector. Mijn fractie heeft in oktober vorig jaar, opnieuw met behulp van het CPB, een zeer concrete uitwerking gegeven van dit alternatieve beleid voor het jaar 1979. Natuurlijk is dat niet volmaakt en kunnen er best fouten inzitten, maar de kamermeerderheid heeft dit alternatieve beleid alleen maar weggewoven en weggestemd. Zij moest zo nodig de inflatiecorrectie voor 100% doorvoeren. Wij hebben ook als oppositie niet geaarzeld te pleiten voor een verdergaande inkomensmatiging. De VVD vond dat maar niks. De heer Rietkerk heeft mij achtervolgd met een uitkomst, die het CPB op middellange termijn berekende, dat de modale werknemer in onze opzet overigens exclusief incidenteel zelfs op min 1/2% zou uitkomen met dat beleid. Dat vond de heer Rietkerk maar niks. Wie heeft er nu eigenlijk de ernst van de situatie onderkend? Wie heeft het er het afgelopen anderhalf jaar gestaan voor een consequent beleid? De arbeidsplaatsplannen, die de fractie van de PvdA bij een aantal begrotingshoofdstukken heeft ingediend, onderbouwd, toegelicht, opnieuw: niet feilloos, best mogelijk, zijn alleen maar weggeschoven, als gold het incourante fondsen voor rijke beleggers. Opvoering van het programma voor energiebesparing werd weggestemd en dan maar roepen, mijnheer Lubbers, dat de oppositie zo weinig creatief is en dan maar klagen, dat alles zo moeilijk is, en dan maar heen en weer gaan tussen 'alle hens aan dek' -de heer Wiegel op zijn zondags -en 'er zijn toch van die mooie lichtpuntjes.'.

Minister Wiegel: Op zijn zaterdags.

De heer Den Uyl (PvdA): Het was toch helemaal achteraan zaterdag; het was bijna zondag. Het kabinetsbeleid mist elke....

De heer Lubbers (CDA): De heer Den Uyl heeft gezegd dat hij voor één keer op een opmerking van mij wilde in-gaan, maar de wijze waarop hij het doet, doet mij de vraag stellen of hij niet bereid is dit bij herhaling te doen, want dat verlevendigt inderdaad de politieke discussie. Als hij tot twee keer toe in zijn betoog aanroept het Centraal Plan Bureau om het door hem ingediende plan namens zijn fractie hier een zekere autoriteit te verlenen, is hij het dan met mij eens dat het goed zou zijn in herinnering te roepen het oordeel van het Centraal Plan Bureau over de in dat model ingevoerde hypothesen?

De heer Den Uyl (PvdA): O, zeer zeker; dat heeft iedereen kunnen lezen. Dat hebben wij compleet gepubliceerd. Dat oordeel was op de hoofdpunten gunstig na de zeer gunstige uitkomsten voor de werkgelegenheid. Het bevatte op onderdelen duidelijk kritiek en waarschuwingen. Die hebben er ook toe geleid, dat wij het plan voor 1979 op enkele onderdelen hebben aangepast. Ik betoog niet dat, als een oppositie een alternatief plan ontwerpt, dit in zijn uitwerking het laatste woord zou kunnen zijn. Waar het mij wel om gaat, is dat uitgaande van de scharnierpunten die ik noem een reëel alternatief beleid op tafel is gelegd en dat, toen het werd gepubliceerd in mei vorig jaar, onder andere aan de heer Aantjes en op een vergeten achternamiddag ook een keer aan de heer Van Agt de uitspraak ontlokte dat het uitermate ernstig moest worden genomen, omdat het toch een beter uitgangspunt en een beter gezichtspunt bevatte, aangezien het uitging van de solidariteit van werkenden en niet werkenden en van daaruit kwam tot een ander beleid. Dat is dan weer weggeschoven en later kregen wij te horen dat wij niet creatief waren. Dat is wat er gebeurt, mijnheer Lubbers, en dat neem ik u kwalijk.

De heer Lubbers (CDA): Ik heb nooit ontkend dat er waardevolle elementen in dat plan zaten. Dat heb ik hier in de Kamer uitgesproken en dat wil ik bij herhaling blijven doen. Ik wil ook, om uw terminologie te gebruiken, wel zeggen dat er lichtpuntjes in zaten. Het is echter een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken als men stelt, dat onder autoriteit van het Centraal Planbureau een concreet alternatief heeft voorgelegen, dat een behoorlijk realiteitsgehalte had. Daarop sloegen nu juist de kritische opmerkingen van het Centraal Planbureau. Ik dacht, dat dit indertijd maatschappelijk werd beoordeeld en in de praktijk van Nederland ook werd veroordeeld. Het is dan wat te gemakkelijk om te zeggen dat het plan in de Kamer werd weggestemd, terwijl het in feite wegspoelde door een te grote luchthartigheid van veronderstellingen.

De heer Den Uyl (PvdA): Ik voorspel hier de heer Lubbers dat hij, door de nood gedwongen, geen andere weg zal hebben dan de aansluiting bij de uitgangspunten van het alternatief, dat de PvdA op tafel heeft gebracht. Uit tal van uitspraken blijkt, dat dit de heer Lubbers achtervolgt. Hij ziet dat de zaak vastdraait als gevolg van de wijze, waarop het kabinet bezig is. Het kabinetsbeleid mist elke geloofwaardigheid als het gaat om het realiseren van de werkgelegenheidsdoelstelling. De heer Wiegel heeft intussen op zijn congres voor de afwisseling het weer eens geprobeerd met de ernstige noot van ' alle hens aan dek in zwaar weer'. Wat dacht hij? Waar is het morele recht van het kabinet om tot medewerking op te roepen voor vrijwillige matiging als er geen enkele ernst wordt gemaakt met de spreiding van macht en verantwoordelijkheid, die het draagvlak zou moeten vormen voor het andere beleid? De VAD is ontdaan van haar oorspronkelijke bedoeling. Zowel FNV als CNV wijst deze VAD af. Over de herziening van de Onteigeningswet heerst de stilte van het graf. Het wetsontwerp sectorstructuurbeleid, door een grote meerderheid in de Kamer in oktober 1978 met spoed ge-

Bestek '

81

vraagd, is nog niet in zicht. Na anderhalfjaar heeft het kabinet nóg geen standpunt bepaald met betrekking tot de Postbank. De behandeling van het wetsontwerp ter zake ligt dus plat. Op 28 maart schreef de Minister-President aan de Kamer, dat het aanvullende wetsontwerp in het kader van de WIR in de loop van de 'volgende week' bij de Kamer zou worden ingediend. Wij zijn nu vier weken verder en het is er nóg niet. Ik twijfel er niet aan, of het zal de dag na dit debat wel bij de Kamer belanden.

Minister Van Agt: Waarschijnlijk vandaag, mijnheer de Voorzitter!

De heer Den Uyl (PvdA): Dat vermoed-de ik al. Het is meer dan 14 dagen te laat. Wij hadden het ontwerp goed kunnen gebruiken. U zegt nu, dat het vandaag wordt ingezonden. Het is een gewoonte geworden, mijnheer de Voorzitter. Het arbeidsplaatsencriterium in de WIR is op sterk water gezet. De verwijdering van het vergunningenelement uit de wet op de selectieve investeringsregeling is door de Minister van Economische Zaken aangekondigd. Het kabinet mag zich er werkelijk niet over beklagen dat het maatschappelijke draagvlak ontbreekt, ook al verzint de heer Albeda met de vindingrijkheid hem eigen elke week wel weer een nieuwe vorm van overleg. De vraag is wat er hersteld kan worden, gelet op de harde feiten. In onze opvatting komt daarbij een scharnierfunctie toe aan de ontwikkeling van de inkomens van de werkenden, waarbij matiging wordt omgezet in het scheppen van arbeidsplaatsen. De koppeling van de sociale uitkeringen aan de loonontwikkeling heeft bij een beheerste inkomensontwikkeling voor de werkenden uiteraard ook een matigend effect op de ontwikkeling van de overdrachtsuitgaven. Dat is nu juist de grote waarde van die koppeling en daarmee is de grote betekenis aangegeven van de solidariteit van werkenden met niet-werkenden, die door het kabinet met Bestek'81 in het hart wordt getroffen. Een loonsomontwikkeling in 1978 met een toeneming van het reëel vrij besteedbaar inkomen van de modale werknemer met 3% en van vier maal modaal met 2% is niet verantwoord. Die stijgingen vallen voor het kleinste gedeelte toe aan initiële, voor het grootste gedeelte aan incidentele loonstijgingen. Het kabinet heeft, na een jaar verloren te laten gaan, een commissie ingesteld om te studeren ophet 'incidenteel'.

Van enige wil om tot beheersing te komen, blijkt niets! Intussen ligt de arbeidsvoorwaardenontwikkeling voor dit jaar praktisch vast. De uitkomsten liggen fors boven wat in Bestek werd verondersteld. Is dit wat het kabinet bedoeld heeft? Het zoekt het nu in nieuwe kortingen op de sociale uitkeringen. In december verleden jaar -memorie van toelichting op de kleine ontwerpjes -heeft Minister Albeda aangekondigd dat hij kans zag een nieuw indexeringsmechanisme voor 1 juli as. wettelijk te regelen, althans dat hij daarnaar streefde. Het ziet er niet naar uit; de adviesaanvragen aan de SER zijn laat, tè laat uitgegaan. Nu kondigt het kabinet aan, per 1 juli een nieuw voorschot te willen toepassen op weg naar een nieuw aanpassingsmechanisme. Een voorschot, dat behoort bij het merkwaardige taalgebruik van het kabinet; in gewoon Nederlands betekent 'voorschot' een nieuwe korting. Het komt erop neer -zo blijkt uit de cijfers toegevoegd aan de Voortgangsnota -dat dan het netto minimumloon 1 % sterker zal stijgen dan de sociale minima en het inkomen van de modale werknemer 0,5% meer. De solidariteit van werkenden en niet werkenden wordt doorbroken; de ontvangers van sociale uitkeringen worden op achterstand gezet; het kabinet laat de niet actieven in de inkomensontwikkeling duidelijk achterblijven bij die van de werkenden; de zwaksten worden tot sluitpost gemaakt van een niet sluitend beleid. Daar verzetten wij ons tegen. Als het kabinet niet wil afzien van deze heilloze weg, dan zal ik de Kamer daarover opnieuw een uitspraak vragen, omdat opnieuw een korting zonder een gefundeerde en gemotiveerde herziening van het aanpassingsmechanisme een klap in het gezicht is van al degenen die bereid zijn, juist ter wille van de solidariteit, mee te werken aan de gezondmaking van onze economie. Natuurlijk, in de nu vastlopende ontwikkeling zouden bijzondere maatregelen geboden zijn. Er valt -niet populair, mijnheer de Voorzitter, maar ik spreek het opnieuw uit, ook van deze oppositieplaats -naar ons oordeel niet te ontkomen aan bepaalde belastingverhogingen. Dat is iets anders dan het noodmiddel van versnelde inning van belastingen met alle pijn dat men volgend jaar dan weer te weinig krijgt. Wij hebben voor die belastingverhoging in ons alternatief programma van oktober 900 min. ingezet in het kader van ons beleid ter verkleining van in-komensverschillen en van een gericht investeringsbeleid. Die 900 min. zouden naar ons oordeel alsnog gerealiseerd moeten worden op jaarbasis.

Wij zijn ook van oordeel dat de onbeperkte aftrek van rente op schulden, ook van rente op consumptief krediet, niet kan worden gehandhaafd. Ik wijs op nog iets anders; nu het er naar uitziet dat de Wet op de investeringsrekening onvoldoende effectief is gelet op de noodzakelijke groei van de investeringen achten wij op korte termijn een evaluatie van de werking van de WIR-premies geboden. Wij hebben in oktober, niet zonder pijn, voorgesteld, een kwart van de voor de WIR uitgetrokken bedragen gericht te besteden in het bijzonder ten behoeve van de warmte-isolatie en de energiebesparing. Het is ridicuul dat Nederland internationaal een verplichting tot energiebesparing met 5% -dat is niet gering -op zich neemt en dat het kabinet dan met zo'n inhoudsloze paternalistische oproep komt als het drie weken geleden debiteerde.

Minister Van Agt: Mijnheer de Voorzitter! Zou ik de geachte afgevaardigde mogen vragen wat er nu eigenlijk paternalistisch is aan een verzoek aan de mensen, een uitnodiging, om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen? Is het niet veeleer zo, dat het dadelijk zwaaien met maatregelen, dwang en sancties paternalisme is, immers blijk gevend van de vooronderstelling bij de Regering dat de mensen wel als kinderen zullen moeten worden gedwongen en gestuurd?

De heer Den Uyl (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De opmerking van de Minister-President is exemplarisch. Hij demonstreert namelijk ten voeten uit dat hij naar mijn oordeel niet begrijpt wat er aan de hand is en hoe mensen denken. Mensen willen ernstig worden genomen en zij begrijpen donders goed, juist mondige burgers, dat 5%-energiebesparing niet tot stand komt met wat gas terugnemen op de weg of met een knopje licht eerder omdraaien. Zij begrijpen heel goed -en dat zijn de mondige burgers van vandaag -dat daarvoor ingrepen nodig zijn in de industrie, in het vervoer, in de openbare voorzieningen en in het huishoudelijk gebruik. Zij hebben er alle begrip voor, als daarvoor een samenstelling van maatregelen op tafel wordt gelegd. Paternalistisch is nu juist dat bevoogdende in de trant van: mensen, doe eens aardig mee, schouder aan schouder, de armen in elkaar en allemaal een beetje inschikken. Dat is typisch paternalistisch en dat bestrijd ik. De Minister-President en het kabinet demonstreren het onbegrip. Zij nemen de mensen niet ernstig, want die begrijpen heel goed dat de situatie ern-

Bestek '81

stig is. Zij willen daarom ernstig worden genomen en zij verwachten van een regering een concreet beleid en concrete maatregelen. Ik hoop dat ik duidelijk ben geweest. In elk van de belangrijke energieverbruikende sectoren, industrie, vervoer, openbare voorzieningen en gezinshuishoudingen, zijn concrete maatregelen mogelijk en geboden om de noodzakelijke energiebesparing te realiseren. Zij kosten geld en vereisen wettelijke voorschriften. Dat is waar, maar ze verschaffen de mensen ook veel werk en ze verdienen zichzelf meer terug dan waar elders ook. Ze ontlasten de betalingsbalans en maken kernenergie in elk geval in dit land overbodig. Ik kondig hierbij aan dat mijn fractie op afzienbare termijn meer uitgewerkte voorstellen daartoe aan de Kamer zal voorleggen, waar het kabinet zo duidelijk in gebreke blijft. Wij geloven in de mondige burger die zeer wel begrijpt dat men geen ijzer met mooie praatjes breekt. Een deel van de WIR-gelden achten wij ook beter besteed aan definanciering van een sectorstructuurbeleid en aan exportbevordering. De Regering heeft in 1978 de steun aan individuele bedrijven praktisch gehalveerd ten opzichte van de voorafgaande jaren. De Regering aarzelt zichtbaar met de in-standhouding van belangrijke industriële produkties in ons land, ik noem schepen en auto's. Wij bepleiten gerichte steun aan deze sectoren en aan de kwaliteitsverbetering van onze in-dustrie. Ik herhaal dat wij vinden dat een deel van de voor de WIR-premies uitgetrokken bedragen daarvoor zeer verantwoord kunnen en behoren te worden besteed. Het is volslagen onaanvaardbaar dat wij waarnemen dat de consumptieve bestedingen aan buitenlandse goederen, inclusief reizen, met sprongen toenemen, terwijl onze industrie verkommert. Een beperking van de consumptiegroei, jawel, maar dit behoort dan wel te passen in een doelbewust consumptiebeleid dat het consumptiegedrag beïnvloedt met het oog op de gevolgen van verschillende consumptieve bestedingen voor werkgelegenheid, betalingsbalans en onze manier van leven. Ik herinner mij een uitspraak van de heer Andriessen dat zo'n beetje het einde van de wereld in zicht was als de overheid het consumptieve patroon bewust zou gaan beïnvloeden, gedaan in Elseviers Weekblad. Ik tref daarin precies aan de mentaliteit, waarom men faalt in wat nodig is om een consumptiebeleid te ontwikkelen.

De Minister-President zag het blijkbaar plotseling gloren toen hij onlangs opperde meer differentiatie in de b.t.w.-tarieven te brengen: hoger voor veel energieverbruikende produkten, lager voor bij voorbeeld reparaties. Dat is uitstekend, dat is helemaal volgens het PvdA-programma. Ik vraag mij af wie dat de Minister-President mag hebben ingefluisterd.

Minister Van Agt: Dat was een suggestie, gedaan met de benen op tafel.

De heer Den Uyl (PvdA): Ja, wat de één zich kan veroorloven, kan de ander weer niet! Daarom liet waarschijnlijk het ministerie van de heer Andriessen prompt weten van niets te weten. Men heeft daar in zoverre gelijk, dat je met dit soort mogelijkheden niet kunt spelen. Een voornemen tot tariefsverhoging van bij voorbeeld elektrische apparaten jaagt de verkoop op en heeft precies het omgekeerde van het beoogde effect. Misschien krijgen wij echter nog snel een doordacht, concreet voorstel. Hierbij ben ik bereid, het Ministerie van Financiën alle rust toe te wensen om dat goed voor te bereiden. Het is een beetje zoals met evaluaties. Als je op dit gebied effect wilt bereiken, is enige zorgvuldigheid wel gewenst. Ik hoor dus graag, of de Regering op dat punt iets voornemens is. Ik ben niet bij voorbaat tegen, als er ook eens iets creatiefs komt. Het kabinet kondigt aan dat het maatregelen voorbereidt tot afremming van de groei van het consumptieve krediet. Wij zijn daar niet op tegen, al vrezen wij wel dat, zoals het nu in de Voortgangsnota is geformuleerd -meer weten wij niet -het neerkomt op 'rommelen in de marge'. De groei van het hypothecaire krediet is bij voorbeeld vele malen groter dan die van het consumptieve krediet in de in de nota bedoelde vormen. Wij weten allen dat het hypothecaire krediet evengoed kan worden gebruikt voor het opvoeren van consumptieve bestedingen. Wij achten maatregelen tot af remming van het consumptieve krediet, uitsluitend in de sfeer waarin het kabinet dit voorstelt, daarom onevenwichtig en ontoereikend, indien zij niet gepaard gaan met maatregelen ter beperking van de groei van andere kredietvormen die evenzeer voor de opvoering van consumptieve bestedingen kunnen worden gebruikt. Wij vinden ook dat dergelijke maatregelen niet genomen mogen worden, zonder dat zij vergezeld gaan van maatregelen tot bescherming van de consument, dus maatregelen die de agressieve reclame-en colportagepraktijken aan banden leggen. Wij zullen, zo nodig, ook de Kamer hierover een uitspraak vragen. De Regering wil bewerkstelligen, dat bij de trendvolgers eenzelfde korting op het inkomen plaatsvindt als bij de ambtenaren. De heer Wiegel heeft op het VVD-congres gezegd, dat, als de trendvolgers daartoe niet goedschiks besluiten, de Regering wellicht met noodwetgeving zal moeten komen om matiging af te dwingen. Ik vind dat niet aanvaardbaar. De Kamer heeft door het aanvaarden van de motie-Rietkerk vastgesteld, dat de nettosalarissen van bepaalde groepen trendvolgers op een lager niveau liggen dan de nettosalarissen van dezelfde of vergelijkbare functies bij de overheid. De Kamer heeft als haar mening uitgesproken, dat bij het te voeren beleid gestreefd moet worden naar opheffing van dat verschil. Er zijn ook belangrijke verschillen tussen ambtenaren en trendvolgers wat het betalen van sociale premies betreft. Het kabinet heeft de korting op de ambtenarensalarissen opgehangen aan de bijzondere rechtspositie van de ambtenaren. Het kan nu niet de trendvolgers, die deze rechtspositie niet hebben, op dezelfde manier behandelen als de ambtenaren. Ik wil heel duidelijk zijn. Betekent dit nu dat wij van mening zijn dat bij de trendvolgers ex-tra matiging uit de boze is? Neen, zeker niet! Wij pleiten ook hierbij voor aftopping vanaf f 45.000, met de garantie dat het geld van de aftopping wordt 'aangeleverd' voor de nieuwe arbeidsplaatsen. Dat is ook de enige grond om te komen tot een extra matiging. Ik vind het kortzichtig dat het kabinet voorstellen daartoe van de kant van de bonden heeft afgewezen. Ik wil van het kabinet horen, of het bereid is, daarop terug te komen en alsnog op dergelijke voorstellen in te 'stappen'. Wat de heer Wiegel met die uitspraken doet -dit is overigens het werkterrein van de heer Albeda; maar goed, zij zitten nu naast elkaar -is spelen met vuur. Dit ombuigingsbeleid, niet te redelijk geformuleerd, zal vroeg of laat vastlopen in een moeras van protest en tegenwerking. Nu citeer ik Trouw van vanmorgen. Ik had mijn tekst geschreven toen ik het hoofdartikel daarover in Trouw had gelezen. Ik kan het alleen maar onderschrijven. Mijn fractie maakt zich ook grote zorgen over de woningbouw en wat het kabinet daarover in antwoord op vragen in de nota heeft meegedeeld.

Door de langdurige vorstperiode is een produktie-achterstand ontstaan van ruim drie miljard. Wij juichen het

Bestek'81

toe dat aan dienstplichtige bouwvakkers uitstel van eerste opkomst wordt verleend. Die produktie-achterstand zal echter ongetwijfeld effect hebben op de rijksbegroting. Welke effecten zijn dat, onderverdeeld naar de verschillende sectoren? Het is niet ondenkbaar -ik ben wantrouwend op dat punt -dat het kabinet van plan zou zijn die 'meevaller' van het achterblijven van de uitgaven als gevolg van de langdurige vorstperiode aan te wenden in het kader van de noodremprocedure. Daartegen waarschuw ik. Daarom stellen wij nu reeds heel duidelijk dat het naar onze mening volstrekt onjuist zou zijn die pro-duktie-achterstand, met name waar het de woningbouwwet geldt, te laten voor wat die is. Kunnen de middelen niet meer als gevolg van de vorst in 1979 worden besteed, dan zal dit alsnog in 1980 moeten gebeuren. De woningwetbouw staat immers nog om een andere reden onder grote druk. Bij de behandeling van de begroting van Volkshuisvesting heeft mijn fractie al gewezen op een fiks gat in de meerjarenramingen ten gevolge van de kostenstijging in de woningbouw, die ruim 1 % uitgaat boven de gemiddelde prijsstijging. Op het laatste ogenblik heeft het kabinet toen de prijsstijging uit 1978 voor 1979 en latere jaren gecompenseerd door de financiering van 1700 beschutte woningen uit de rijksbegroting naar de kapitaalmarkt te verschuiven. Uit het antwoord op vraag 99 blijkt dat nu ook in 1979 alvast een voorlopige prijsbijstelling heeft plaatsgevonden. Dat is dus nieuw. Opvallend is dat in dit verband alleen wordt gesproken van gestegen bouwkosten en niet van stichtingskosten. Worden die niet gecompenseerd? Welke gevolgen heeft dit voor de bouwproduktie? Meegedeeld wordt voorts dat voor de toegepaste correctie budgettaire middelen voorhanden waren. Er waren budgettaire middelen voorhanden zo maar, uit het niets. Een geheim potje? Wat betekent dit? Betekent dit dat de vereiste middelen binnen de begroting van Volkshuisvesting zijn gevonden? Ten koste van welke uitgavenpost is dit dan gegaan? Dat wordt toch niet gefinancierd uit de eerder genoemde drie miljard produktie-achterstand? Wij willen hierover graag volledige opheldering, want als de voorgenomen half miljard temporisering van de overheidsuitgaven ook maar voor één gulden de woningwetbouw betreft, willen wij daar nu reeds een fel protest tegen aantekenen.

Dit debat valt tussentijds. De Voortgangsnota bevat amper conclusies, hooguit vooraankondigingen, nauwelijks concrete maatregelen. De nota staat bol van notities die nog moeten komen. Bij de echte Voorjaarsnota wordt het debat dus voortgezet. Wij trekken echter wel enkele tussentijdse conclusies. Mijn fractiegenoot Van der Doef zal nog nader ingaan op specifieke maatregelen in de sfeer van de overdrachtsuitgaven van de arbeidsmarkt. Er zijn maatregelen bij die onze instemming hebben. De brief over de kostenbeheersing in de gezondheidszorg komt apart aan de orde. Wij zijn best bereid oog te hebben voor de ingewikkeldheid van de problematiek. Wij verbazen ons echter over de hardnekkigheid waarmee het kabinet opnieuw probeert bijbetalingen in de gezondheidszorg in te voeren, en daarmee ook opnieuw klimaatbedervend te werk gaat. Wie zich zo hoog te paard zet als dit kabinet van het begin af aan heeft gedaan, wie zich aan zulke ferme taal te buiten gaat als de Minister van Financiën pleegt te doen, verdient geconfronteerd te worden met de negatieve uitkomsten van het beleid, of met het gebrek aan beleid. Zowel in 1978 als in 1979 heeft de in-komensontwikkeling ongewenste effecten gehad. Het kabinet heeft eenzijdig de last van de ombuiging gelegd op de ontvangers van sociale uitkeringen. Het heeft het gerichte structuur-beleid afgezwakt in plaats van uitgebreid, wat nodig was. Het heeft de groei van de hogere inkomens amper beperkt. Een groei van 4x modaal, met 2% netto, is in al die jaren van het vorige kabinet niet voorgekomen, en dat terwijl juist nu verkleining van inkomensverschillen meer dan ooit is geboden. Het kabinet heeft door te weigeren, de kindertoelage inkomensafhankelijk te maken, kwetsbare groepen onredelijk getroffen en daarbij helaas de steun van een kamermeerderheid, in-clusief het CDA, gekregen. Het kabinet heeft geweigerd, het belastinginstrument te gebruiken om de sterkste schouders ook echt de zwaarste lasten te laten dragen. Het heeft een reeks van wetgevende maatregelen die de strekking hebben maatschappelijke voorwaarden te scheppen voor een breed draagvlak, op een laag pitje gezet. Het kabinet heeft de kans laten lopen om op beperkte schaal in enkele bedrijfstakken een begin te maken met verkorting van arbeidstijd om zo een ongeordende ontwikkeling te voorkomen.

Nu zijn wij in nood en aarzelt het kabinet; wel of niet de noodremprocedure en hoe verpakt? Toepassing daar-van -ik waarschuw daarvoor -zal verbittering wekken en nauwelijks helpen. Hoge rentestanden en een krappe kredietruimte zijn voor het werkgelegenheidsherstel niet bevorderlijk. De VVD -de heer Rietkerk laat er weinig onduidelijkheid over bestaan -wil meer van hetzelfde, meer bezuinigingen op overdrachtsuitgaven, meer ombuigingen. Het CDA, althans de heer Lubbers, zoekt wanhopig -ik neem dat waarnaar meer selectieve maatregelen, al krijg ik daarbij de in-druk dat zij vooral niet te veel op PvdA-voorstellen mogen lijken. De heer Van Houwelingen -die toch ook nog meedoet -hield onlangs een lezing aan de Amsterdamse universiteit over investeringsplanning en werkgelegenheid, waarin hij een wet op de economische ordening en een taakstellend meerjarenplan bepleitte, die als twee armen aan een lichaam zouden passen bij de economieresolutie van het PvdA-congres. Ook de heer Lubbers kent de boodschap wel. Het CDA pleegt van tijd tot tijd immers lippendienst aan een nieuwe levensstijl en aan de noodzaak tot hervorming van de samenleving. Het kabinet heeft daaraan uiteraard geen boodschap. De politieke praktijk is dat de CDA-fractie het falende kabinetsbeleid op alle hoofdzaken dekt. Daarom is zij volledig verantwoordelijk voor dat falende beleid. Er is een ander beleid mogelijk, waarvan wij eerder hebben getracht de omtrekken te schetsen. Het komt neer op het intensiveren en aanvullen van het beleid dat enkele jaren geleden op stapel werd gezet en dat nu in feite wordt uitgehold en ontkracht. Er zou best een ander beleid mogelijk zijn, er is alleen maar een ander kabinet voor nodig.

©

R.E.F.M. (Ruud)  NijhofDe heer Nijhof (DS'70): Mijnheer de Voorzitter! 'Nederland gelukkigste land van Europa', aldus de conclusie uit een recent onderzoek van het Franse weekblad Le Point. Je zou het niet zeggen na kennisname van de Voortgangsnota inzake Bestek '81. De Bestekoperatie loopt sinds oktober 1978; het begrotingsjaar 1979 krap vier maanden. Dat is niet lang. Het panorama van de sociaal-economische situatie dat thans geschetst wordt, biedt weinig opwekkends. De centrale doelstelling van Bestek '81 -het terugdringen van de werkloosheid tot 150 000 in 1981 -is nog even ver van

Bestek'81

haar realisering af als een half jaar geleden, terwijl daarnaast vele economische factoren een verslechtering hebben ondergaan. De enige lichtpunten lijken te zijn dat in het bedrijfsleven aan de jarenlange daling van de werkgelegenheid een einde schijnt te zijn gekomen en de verwachting van het CPB dat de goederenuitvoer in 1979 evenveel zal toenemen als de wereldhandel, wat dan voor het eerst sinds 1973 het geval zal zijn. 'Het kabinet staat voor een aantal moeilijkheden, die andere kabinetten niet gehad hebben, hoewel zij voor het ontstaan er-van mede de basis hebben gelegd', aldus NRC-Handelsblad d.d. 28-3-1979 in een commentaar op de Voortgangsnota en noemt dan het feit 'dat de omslag van de betalingsbalans in niet geringe mate veroorzaakt lijkt te zijn door arbeidskosten, die in vergelijking met het buitenland te hoog zijn', Voorts dat 'door de inflatie van het verleden een gewenning aan prijsstijging is ontstaan, waardoor de gemiddelde burger geleerd heeft dat het aangaan van schulden voordelen kan hebben'. Ook de stijging van het consumptief krediet komt niet uit de lucht vallen. Het is overigens een vreemde zaak, zoals ook de FNV in haar brief van 18 april jl. constateerde, dat de Voortgangsnota zo weinig zegt over de werkloosheidssituatie zelf. Hoe hard ziet de Regering haar eigen centrale doelstelling nog: het terugdringen van de werkloosheid tot 150 000 in 1981? Wat is de receptuur die nu tegenover deze ontwikkelingen wordt gesteld? Vrijwel ongewijzigd beleid en vooruitschuiven! De Voortgangsnota beperkt zich goeddeels tot een nadere inventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot het rekenprogramma van besparingen tot een bedrag van f 10 miljard uit Bestek '81. Op een bedrag van f 375 miljoen na zijn er geen gaten geslagen in de f 10 miljard, hetgeen een compliment waard is. Bij dat ene compliment zal het echter moeten blijven. De situatie, zoals geschetst in de Voortgangsnota en in het Centraal Economisch Plan 1979, geeft mij geen aanleiding terug te komen op mijn kritiek in oktober jl. op de eenzijdige aanpak van de werkloosheid in Bestek '81. De economische theorie in Bestek ' 81 beperkt zich te exclusief tot de arbeidskostentheorie. Deze analyse is op zich zelf niet onjuist, maar onvolledig. Het langs deze weg voorgestel-de beleid is een voorwaarde tot herstel, maar niet voldoende. Een aanpak over een breder front is noodzakelijk;

de weg waarlangs, hebben wij in oktober jl, al aangegeven. Voorts pleit ik niet voor een liberale mentaliteit tegenover de problemen, maar voor een actief en gericht beleid. Nederland heeft sinds de bevrijding, nu 34 jaar geleden, een aantal malen eerder voor ernstige financieel-economische problemen gestaan. Ik denk aan de jaren 1945-1948, van geldsanering, vermogensheffingen, wederopbouw, aan de Koreacrisis van 1951-1952 en aan de overbesteding van 1956-1957. Die crises zijn aangepakt door een breed stel maatregelen, in hoge mate genomen na overleg met of advies van het bedrijfsleven (Stichting van de Arbeid, Sociaal-Economische Raad enz.). Kenmerk van die maatregelen was dat zij niet alleen de overheidsfinanciën betroffen, maar ook de inkomens van de bevolking, en voorts dat zij snel in gang werden gezet. Thans is het anders. Sinds 1974/75 wordt erkend dat Nederland voor ernstige problemen staat; voortdurende inflatie, hoge werkloosheid, snelle in-krimping van het bedrijfsleven. Minister Duisenberg zette dit uiteen namens het kabinet-Den Uyl in zijn Miljoenennota 1976, van september 1975, bijna vier jaar geleden. Maar ditmaal wordt er slechts traag gehandeld, ook als een kabinet zegt te weten wat het wil. Zo kwam het kabinet-Den Uyl pas in juni 1976 met de zogenaamde 1%-nota over de te nemen maatregelen. Een groot deel van die maatregelen betrof de ambtenarensalarissen en de sociale uitkeringen. De CDA-ministers Boersma en De Gaay Fortman kwamen echter niet met een concrete uitwerking van de plannen. Dit kabinet trad eind 1977 op. Halverwege vorig jaar kwam Bestek '81, met voorstellen die geleidelijk, verspreid over drie jaar, zouden worden ingevoerd. Misschien was het pakket te klein; in elk geval was het voorgenomen tempo van uitvoering te traag. Minister Andriessen zette deze nouding uiteen in zijn 'Woord vooraf' bij de Miljoenennota 1979. De laatste zin luidt: 'Uit het inzicht ook dat er geen wondermiddelen bestaan waarmee een geleidelijk gegroeide situatie door een simpele ingreep op korte termijn fundamenteel kan worden gewijzigd'. Ook echter als een situatie geleidelijk fout is gegroeid, dan nog kan het pakket maatregelen waarmee wordt ingegrepen wel degelijk op korte termijn ingaan. De ervaring leert dat dan gewoonlijk ook snel een wijziging ten goede optreedt. Het feit dat het kabinet zijn maatregelen zo uit wil spreiden.

leidt tot eindeloze herhaling van discussies, bij voorbeeld met de adviesinstanties en met de beide Kamers van de Staten-Generaal en bemoeilijkt voor de bevolking inzicht in wat er gebeurt of wordt voorgesteld. Ik bepleit dan ook een aanzienlijk actievere en snellere aanpak. Bij de discussie in oktober jl., alsme-de bij de discussie over het arbeidsvoorwaardenbeleid in december jl., is van verschillende zijden gepleit voor inkomensmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Een, zo niet het belangrijkste, besluit van het Bestekdebat in oktober betrof de 'ruilmotie-Aantjes', waarin de uitkomsten van het arbeidsvoorwaardenoverleg voor ' 79 als alternatieve en aanvullende mogelijkheden voor onderdelen van Bestek '81 werden gezien. Daarmee werd een deel van de besluitvorming van het parlement als het ware uitbesteed aan de sociale partners. Door FNV-voorzitter Kok werd destijds deze procedure gekwalificeerd als 'wisselgeld van valse munters'. Ik ben het overigens met proffessor De Galan eens, dat dit een wat vreemde uitdrukking was van Kok. Het ging immers om het inleveren van extra matiging van de arbeidskosten tegenover het onder meer niet laten doorgaan van de matiging van de stijging van de sociale uitkeringen. Deze solidariteit nu is niet opgebracht: met het 'ruilen' is het huilen gebleven. Het inkomensstaatje op pag. 16 van de Voortgangsnota bewijst het nog eens. Het punt van de solidariteit is ook nu weer brandend actueel, gelet op het voornemen van het kabinet, per 1 juli aanstaande opnieuw de stijging van de sociale uitkeringen te matigen met een '/2% 'minder meer', een, politiek gesproken, wat dwaas voornemen, omdat in ieder geval op basis van de octoberdiscussie voorspeld kan worden, dat een meerderheid van de Kamer alleen dan met dit voorstel akkoord zal gaan, als gekozen wordt voor een gedifferentieerd percentage. Is het Kabinet alsnog bereid, met een gedifferentieerd voorstel te komen? Vrijwillige inkomensmatiging blijkt de achilleshiel te zijn van dit kabinet, zoals het dat ook was van het vorige. Gemiddeld over de periode 1973-1977 liet de arbeidsinkomenquote een scherpe stijging zien, van 85 in 1973 naar 93,8 in het topjaar 1975 met een daling tot91,4 in 1977. Nadien heeft een verdere daling plaatsgevonden naar 90,5 in 1978 en 90 in 1979, hoewel het laatste cijfer nog erg twijfelachtig lijkt. Dit betekent dat voor het 'overig inkomen' bestaande uit inkomen uit huur, pacht, winst, etcetera, maar in

Bestek '81

het bijzonder voor de factor winst, bijzonder weinig overblijft. Het is dan ook sterk de vraag, of de weg der vrijwilligheid ten aanzien van inkomensmatiging nog begaanbaar is. Ik kom op dit punt straks terug. Een deel van onze welvaart is schijnwelvaart: men geeft in toenemende mate meer geld uit dan men verdient. Blijkt dit ten aanzien van de particuliere consumptie uit de toename van het consumptief krediet, ten aanzien van de overheid blijkt het uit de toename van het financieringstekort. De manoeuvreerruimte die de overheid de afgelopen jaren had, dankzij de gunstige positie van de betalingsbalans, is thans verdwenen nu het overschot van f 7.5 miljard uit 1976 is omgeslagen in een tekort van f 1.5 a f 2.5 miljard nu. Deze gunstige positie van de betalingsbalans was er vooral dankzij ons aardgas. Het aardgas is op dit moment nog steeds de belangrijkste niet-belastingontvangst van de overheid. De snelle stijging van de overheidsuitgaven in de periode 1973-1977 was mede mogelijk dankzij het aardgas. Het geleidelijk aan wegvallen van het inkomen uit aardgas in de tachtiger en negentiger jaren en de gelijktijdige noodzaak, meer energiedragers in te voeren, betekent dat óf de belastingen sterk moeten stijgen in de komen jaren (indien men het huidige peil van de collectieve voorzieningen wil handhaven) öf de overheidsuitgaven sterk verminderd moeten worden. Met deze toekomst dient nu rekening te worden gehouden. Mijn conclusie, het weinig opwekkende sociaal-economische panorama overziende, is, dat meer en concretere maatregelen geboden zijn dan in de 'vooruitschuifnota' over de uitvoering van Bestek '81 wordt geboden. In Bestek '81 komt de volgende passage voor: 'Bij een grotere reële loonstijging zou vanwege de sterke loongevoeligheid van de collectieve uitgaven een verdergaande ombuiging van de uitgavengroei dan wel een verzwaring van de collectieve lastendruk onvermijdelijk worden'. In de Voortgangsnota nu komt op blz. 16 een interessant staatje voor waaruit niet blijkt dat 'de doelstelling van koopkrachthandhaving tot en met het 'modale' inkomensniveau wordt gerealiseerd' zoals de toelichtende tekst op dit staatje stelt, doch wordt overschreden. Er is namelijk sprake van een reële stijging van 1,5% voor minimumloners en 1 % voor modaal (een en ander exclusief incidenteel).

Een reële loonstijging houdt verbetering en niet handhaving van de koopkracht in. Dit betekent -ik heb het al eerder gezegd bij mijn opmerkingen over de discussie rond het arbeidsvoorwaardenoverleg -dat een 'ruil' van matiging van de inkomens ten behoeve van de collectieve uitgaven niet heeft plaatsgevonden. Sterker nog, niet alleen zijn de inkomens gestegen, maar ook de behoeft aan inkomen van ca. 1/3 der gezinnen is gestegen door stijging van het consumptief krediet. Weliswaar is er soms verbale bereidheid tot matiging gedemonstreerd, maar het feitelijke gedrag is omgekeerd. Een feit hierbij is, dat deze hogere consumptie zich sterk gericht heeft op goederen met een hoge in-voerquote, zodat de voordelen ervan in het buitenland terechtkomen. Een 'madurodam'-beperking door afremming van het consumptief krediet is niet voldoende. Van vrijwillige matiging is niets terecht gekomen, evenmin als van solidariteit (ruilmotie-Aantjes). Het is bepaald impopulair om te bepleiten, maar onvermijdelijk: de Regering dient te regeren. Het is niet toelaatbaar dat zij geen directe zeggenschap heeft over een zo belangrijke sector als de inkomensvorming nu de ontwikkelingen hier de centrale doelstellingen van het sociaal-economisch beleid sterk ondergraven. In dit kader dient ook het vooropstellen van garanties inzake koopkracht kritisch beoordeeld te worden. In de eerste plaats omdat, wanneer de overheid goederen of diensten in natura verschaft (collectieve goederen zoals ontwikkelingshulp of individuele goederen zoals onderwijs) dit niet behoort tot de 'koopkracht' en zo een eenzijdig accent wordt gegeven aan de inkomens die via de markt kunnen worden besteed. In de tweede plaats omdat garantie van koopkracht feitelijke onmogelijk is; denk aan forse stijgingen van prijzen van energie, aan oorlog e.d. Kabinet en parlement kunnen wel van allerlei inkomens de welvaartsvastheid garanderen, dus de verhouding tot andere inkomens, maar niet de koopkracht. Door kabinetsuitspraken inzake koopkracht lokt het kabinet zelf afwenteling van belastingen (of verlaging van subsidies) uit. Het is een oorzaak van de ontsporing van onze economie dat in de laatste tien jaar de verhoging van sociale premies en van belastingen in het algemeen heeft geleid tot verhoging van bruto lonen en salarissen en dus ten laste kwam van de 'smalle marges' van het overig inkomen. Dit is veroorzaakt door formules inzake koopkracht als zoeven vermeld, door automatische prijscompensatie die leidt tot inkomensverhoging als in-directe belastingen en aardgasprijzen stegen etc. Ik denk aan de discussie over b.t.w. op energiedragers van verleden jaar. Deze afwenteling valt niet te verdedigen. De openlijke massale afwenteling zoals overheid en belangengroepen die de laatste tien jaar in hoge mate feitelijk bepleiten is in de tijd ongeveer samengevallen met het eind van de geleide loonpolitiek. Onder het eerste CDA-VVD-kabinet, dat van De Quay, omstreeks 1959, werd de uniforme geleide loonpolitiek vervangen door de naar bedrijfstakken gedifferentieerde geleide loonpolitiek. Tien jaar later, onder het kabinet-De Jong, werd de geleide loonpolitiek beëindigd. De te forse kostenstijgingen en de voortdurende inflatie zijn ongeveer toen begonnen (hetgeen niet wil zeggen dat dit de enige oorzaak was; oorzaken waren ook het nieuwe stelsel van omzetbelastingen, de krapte op de arbeidsmarkt e.d.). Herbezinning op dit beleid is dringend noodzakelijk. Dit pleidooi zal de PvdA -met leden als Van den Doel, De Galan en Tinbergen -ongetwijfeld aanspreken. Regering en parlement zullen effectief moeten kunnen kiezen uit de mogelijkheden die er zijn in de huidige situatie: stijging belasting/premiedruk, ombuigingen in de collectieve sector en inkomensmatiging. De wetgever zal daarom randvoorwaarden (met name inzake de hoogte van de arbeidskosten) moeten vaststellen waarbinnen de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden dient plaats te vinden. Bindende beslissingen moeten kunnen worden genomen als deze randvoorwaarden worden overschreden. De wijze waarop deze randvoorwaarden (hoogte arbeidskosten) worden ingevuld -keuze voor arbeidstijdverkorting, vervroegde uittreding, materiële verbeteringen enz. -zou kunnen worden bezien in het arbeidsvoorwaardenoverleg tussen de contractpartners. Gaarne verneem ik in het bijzonder hierover het oordeel van de Minister van Sociale Zaken. In de Voortgangsnota wordt weinig concreets vermeld over het beleid ten aanzien van ambtenaren wat betreft het gat dat is geslagen door de gedifferentieerde korting van 0,3-0,7 in plaats van 0,5% over de gehele linie. In antwoord op de vragen hierover wordt steeds verwezen naar de voorstellen in te dienen in het Georganiseerd Overleg. Kan thans, zo zou ik de Minister van Binnenlandse Zaken willen vra-

Bestek'81

gen, een nadere concretisering van deze voorstellen worden gegeven? Ik betreur het dat bij het afsluiten van de c.a.o.-bejaardenwerk en elders onder 'trendvolgers' -in het bijzonder voor wat betreft het punt van de aftopping -de jarenlang gevolgde gedragslijn -werknemers in deze sectoren dezelfde salarisverhoging te geven als ambtenaren -is doorbroken. Kan men ten aanzien van het punt van de trendmatiging wellicht nog verdedigen dat dit niet volledig opportuun was aangezien er substantiële verschillen zijn in salarisniveau, met name wat netto bedragen betreft, en rechtspositie tussen ambtenaren en trendvolgers, ten aanzien van de aftopping gaat dit geenszins op. Voorts is door de Regering uitdrukkelijk toegezegd dat middelen, vrijkomende door aftopping, zullen worden aangewend voor de creatie van arbeidsplaatsen. Ik zou daarom willen uitspreken dat maatregelen, die alsnog beogen hier tot aftopping te komen, mijn volle instemming hebben. Kan de Minister van Sociale Zaken ter zake zijn oordeel geven? Hoe denkt de Regering de ontstane budgettaire gevolgen voor 1979 en later in deze sector op te lossen? Wordt ingrijpen via noodwetgeving overwogen? Dit vraag ik naar aanleiding van een opmerking van de Minister van Binnenlandse Zaken in Het Parool van 23 april jl. In het kader van de inkomensontwikkeling graag ten slotte nog een vraag aan de Minister van Economische Zaken. Onlangs zijn wij geconfronteerd met berichten over een prijsverhoging door de OPEC-landen van de olie van 10%. Tot op heden werden olieprijsstijgingen doorgegeven in de prijsstijging voor de gezinsconsumptie en via het bestaande loonindexeringsmechanisme volledig gecompenseerd in de ontwikkeling van de lonen. Is een pleidooi -het CEP deed het ook -tot zuivering van het prijsindexcijfer op dit punt niet op zijn plaats? Het gaat hier feitelijk om een prijsverhoging waar Nederland geen vat op heeft en een overheveling van welvaart van Nederland naar de OPEC-landen. Continuering van het huidige beleid zal mede leiden tot het verder aantrekken van de inflatie. Een van de weinige nieuwe beteidsvoorstellen in de Voortgangsnota is de gedachte om te komen tot een beperking van het consumptief krediet. Eenderde van de Nederlandse gezinnen staat bij kredietgevers in het krijt: een bedrag van zo'n 9 miljard voor 1,6 miljoen gezinnen. Dat betekent een stijging in 1978 van 16% en in 1977 van 31 %. Daarnaast is er sprake van 'verborgen' consumptief krediet voor verhoging van hypotheek of tweede hypotheek. Persoonlijke lening en continu krediet zijn schering en inslag. Het is opmerkelijk dat een toch moeilijk als liberaal te kwalificeren maatregel als een bestedingsbeperking via beperking van het consumptief krediet door het kabinet wordt overwogen. Hier overheidsingrijpen, terwijl bij de inkomensvorming en het energieverbruik het beleid nog volop op liberale leest geschoeid is. De hoogte van verstrekkingen aan consumptief krediet zijn verontrustend omdat hier weinig bereidheid tot inkomensmatiging uit spreekt en het heeft bijgedragen aan een toenemende in-voerpenetratie bij de consumptieve bestedingen. De in de Voortgangsnota gehanteerde argumenten hangen overigens niet zozeer samen met zorg over de stijging van consumptief krediet sec doch primair met de situatie op de betalingsbalans. Het overal genoemde uitspringende cijfer van 10 miljard, bestaat uit de omslag van een overschot van 7,5 miljard in 1976 naar een tekort van 2,5 miljard in 1978. Bestek '81, goed voor 10 miljard, de grens over, zo zou men kunnen zeggen. Hoewel ik op zichzelf met maatregelen ter beperking van het consumptief krediet kan instemmen bestaan er twijfel bij mij over de effectiviteit van maatregelen in deze sfeer. Zoals bekend valt een deel van de kredietverlenende instellingen niet onder het toezicht van de Nederlandsche Bank. Zou in dit kader ook niet de reclame ten gunste van het opnemen van consumptief krediet beperkt moeten worden? Ik denk verder vooral ook aan de activiteiten van bemiddelaars ('kleine adverteerders') tussen consument en kredietverstrekker. Ontduiking via tweede hypotheek e.d. lijkt moeilijk te voorkomen, aanpassing van afbetalingssystemen evenmin. Graag verneem ik het oordeel van de Minister van Financiën over deze knelpunten. Verder vraag ik zijn oordeel over de suggestie rente over schulden niet meer, althans niet volledig, aftrekbaar te stellen. Kan verder uitsluitsel gegeven worden over uitspraken van de Minister-President over een extra belasting op energieverslindende apparaten, terwijl reparaties en andere arbeidsintensieve verrichtingen uit het huidige 18%-tarief gelicht zouden gaan worden? Bij de bespreking van hetfinancieringstekort in de Voortgangsnota is geen woord 'Frans' te vinden. De kloeke taal die nog werd uitgesproken bij de behandeling van Bestek ' 81 dat het financieringstekort de 6% niet mocht overschrijden is verstomd nu blijkt dat het weleens op 6,5% zou kunnen uitkomen. Dat is geen 'gat' van Andriessen meer, maar een 'krater'! De Voortgangsnota vermeld lakoniek dat 'het kabinet het nog niet geboden acht om nu al te besluiten tot een daadwerkelijke effectuering van de noodremprocedure. Het is nog te vroeg'. Wel wordt aangekondigd, dat maatregelen ten bedrage van 1 miljard in het kader van de noodremprocedure worden voorbereid. De huidige raming van het financieringstekort komt uit op 14,2 mld. in plaats van 12,7 mld., dus 1,5 mld. hoger. Waarom dan geen noodremplan van 1,5 mld., zo zou ik de Minister van Financien willen vragen. De oplossing van deze problematiek waar het kabinet nu voor kiest acht ik sterk onvoldoende. Het sneller innen van.belastingen en temporiseren van uitgaven is niets anders dan het vooruitschuiven van de problemen. In hoeverre is een versnelde inning van belastingen van invloed op een stijging van de collectieve lastendruk, die toch al ligt op 0,5% terwijl stabilisatie van de collectieve lastendruk doelstelling van beleid vormt? Welke uitgaven zullen worden getemporiseerd? Ik kom over de betalingsbalans te spieken, 72% van de Nederlandse uitvoer vindt zijn weg in Europa; ruim 30% van de Nederlandse uitvoer wordt afgezet in de Bondsrepubliek. Van de omslag van f 10 mld. op de betalingsbalans tussen 1976-1978 is f 5.5 mld. toe te schrijven aan de achterblijvende export. Naast problemen rond onze 'product mix' zijn het vooral de hoge arbeidskosten die onze concurrentiepositie verslechteren. De betalingsbalans hangt uit het lood. In niet onbelangrijke mate gaat ons geld ten aanzien van goederen met een hoge invoerquote zowel als ten aanzien van investeringen) de grens over. lnkomensmatiging en matiging van de overdrachtsuitgaven (volumebeleid) blijven het parool. D De heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Het karakter van dit debat wordt bepaald door het karakter van de Voortgangsnota. Deze geeft een overzicht van: a. algemene economische en monitaire ontwikkeling; b. uitvoering van Bestek'81. Overeenkomstig een verzoek van de Kamer, is die uitgebracht naar aanleiding van de aankondiging van de Minister van Financiën, eventueel van

Bestek '81

Rietkerk een noodremprocedure gebruik te zullen maken indien het begrotingstekort de 6% zou overschrijden. De fractie is het kabinet erkentelijk voor deze nota en voor het antwoord op de vele vragen, naar aanleiding daar-van gesteld. Wij hebben evenwel nog een voorjaarsnota te verwachten. Bovendien zullen nog beslissingen moeten worden genomen met betrekking tot de per 1 juli a.s. door te voeren maatregelen van de tweede fase van Bestek '81. Vandaar dat ik mij in dit debat tot de in deze nota aangesneden punten in engere zin wil beperken. Ik wil beginnen met het alternatief, dat de oppositie op tafel heeft gelegd. Ik heb vorige week de oppositie weinig realistisch en ook ongeloofwaardig genoemd. Bovendien heb ik gezegd, dat zij onwaarachtig is, wanneer het gaat om de positie van de sociaal-zwakkeren. Ik heb er behoefte aan dat oordeel thans te herhalen. Ik stel vast, dat ook vanmorgen de heer Den Uyl geen ander alternatief op tafel heeft gelegd. Het ging weer om zijn oude idee van enige jaren geleden om het toch vooral in de lonen te zoeken, Die moeten worden gereguleerd en genivelleerd. In de quartaire sector zal tot uitbreiding van de werkgelegenheid moeten worden overgegaan, nu ook via de WIR. De heer Den Uyl heeft vanmorgen een drietal scharnierpunten van zijn beleid genoemd, namelijk de inkomensmatiging, de sturing van de particuliere en publieke investeringen en de zeggenschap over investeringen. In het algemeen deel ik zijn opvatting over inkomensmatiging over de gehele linie. De twee andere punten hebben betrekking op politieke wenselijkheid. Hij heeft niet aangetoond, dat langs die weg de problemen beter worden opgelost dan met de maatregelen van dit kabinet. De heer Den Uyl heeft het uitblijven van de Postbank genoemd. Ik wijs erop dat de grote klap van het consumptief krediet in 1977 kwam, toen de Rijkspostspaarbankzich als nieuwe marktpartij op nogal agressieve wijze meldde. Toen moesten de particuliere banken wel volgen. Ik heb niet de in-druk, dat de totstandkoming van een postbank het consumptief krediet zal afremmen. Dit overigens ter zijde. Mijnheer de Voorzitter! Als wij overeenkomstig de plannen van de Partij van de Arbeid de overdrachtsuitgaven meer ongemoeid laten -ze maken thans al 40% van ons nationaal inkomen uit -en het vooral in de lonen gaan zoeken, dan zou het resultaat wel eens kunnen zijn, dat op beide fronten geen resultaat wordt geboekt. Ik wil in dit verband verwijzen naar het antwoord op vraag 20, waaruit blijkt dat, ondanks drievoudig ingrijpen in de lonen, het reëel vrij beschikbaar inkomen in de jaren 1974 tot en met 1978 gestegen is met respectievelijk 2,7%, 3,8%, 0,9%, 2,4% en 3%. De nu bijgestelde endogene raming voor 1979 van 2% is helaas 1% boven de ombuigingen, deze uitkeringen er re-eel koopkracht op vooruit zullen middelde uit de periode van het kabinet-Den Uyl. Ik meen dat de benadering van het huidige kabinet heel wat realistischer is dan de loonplannen die de heer Den Uyl ons heeft voorgehouden en waarvoor ik bij geen enkele vakcentrale nog enig enthousiasme heb kunnen bespeuren. Ik vind die lijn eigenlijk ook de zaak op de kop zetten. De overheid zou dan moeten nalaten, matiging tot stand te brengen in de collectieve sector, die wel rechtstreeks tot haar verantwoordelijkheid behoort en zij zou wel die zelfde matiging moeten gaan opleggen in de particuliere sector, waarvoor toch, naar ik meen ook nog wel in de gedachte van de heer Den Uyl, de eerste verantwoordelijkheid bij het bedrijfsleven moet liggen. Als ik dit heb gezegd, dan wil ik hieraan toevoegen dat ook naar ons oordeel matiging in de loonsector dringend is geboden en dat wij teleurgesteld zijn over het feit, dat de geraam-de stijging met nog eens 1% zal worden overschreden. Dat betekent dat er een extra lastenstijging van 2 mld. voor het bedrijfsleven zal ontstaan, hetgeen de werkgelegenheid zeker niet ten goede zal kunnen komen. Wij kunnen niet doorgaan met een loonkostenpeil dat gemiddeld 35% hoger ligt dan in de rest van Europa en als ik het goed heb 15% boven dat in West-Duitsland. Daartegenover staat gelukkig, dat ook de vakbeweging begrip toont voor de noodzaak tot loonmatiging en gelukkig alsnog bereid lijkt af te zien van onverantwoorde vormen van arbeidstijdverkorting. In het licht van het betoog van de heer Den Uyl vind ik dat de interventie van de heer Van der Doef van enige weken geleden wat merkwaardig aandeed, want daarmee heeft hij toch geprobeerd het kabinet ertoe aan te zetten, alsnog een bepaalde opening voor verdergaande arbeidstijdverkorting tot stand te brengen. Ik vind die benadering dan ook niet geloofwaardig en als ik kijk naar de cijfers in de bijlage bij de Voortgangsnota betreffende de inkomensontwikkeling van degenen die sociale uitkeringen genieten, vind ik die benadering ook onwaarachtig, voor zover daarmee telkens weer wordt gesteld dat deze uitkeringstrekkenden gepakt zullen worden. Het blijkt uit de cijfers dat tot en met het modale inkomen, ondanks de ombuigingen, deze uitkeringen er reëel in koopkracht op vooruit zullen gaan. De heer Den Uyl heeft zojuist weer betoogd dat door dit beleid voor de sociale uitkeringen de zwakste sluitpost zouden worden. Ik vind deze redenering volstrekt onjuist. Als tegen de wens van het kabinet en tegen de opvatting van de heer Den Uyl in toch in de praktijk van de loononderhandelingen een wat hogere reële inkomensstijging in de particuliere sector plaatsvindt, dan mag men toch niet gaan zeggen dat dus daardoor de sociaal zwakkeren worden gepakt. Ik vind dat een volstrekt onjuiste benadering. In-dien de heer Den Uyl, die er zojuist prat op ging dat hij eventueel bereid was te komen tot een negatief resultaat voor de modale inkomens, dat plan zou doorvoeren, dan zouden in die situatie de sociaal zwakkeren er natuurlijk feitelijk verder op achteruitgaan. Het gaat toch niet alleen om de verhouding, maar ook om de reële positie van de betrokkenen in dit verband en die is bij dit beleid dat zij er in koopkracht altijd nog op vooruit zullen gaan.

De heer Den Uyl (PvdA): Ik heb u twee keer het woord 'onwaarachtig' horen gebruiken, mijnheer Rietkerk. U ontkent niet, dat de ontvangers van sociale uitkeringen bewust op achterstand worden gezet ten opzichte van de inkomens van werkenden. U ontkent blijkbaar dat de ontvangers van sociale uitkeringen daarmee worden gepakt. Dat vind ik nu een toonbeeld van onwaarachtigheid. U weet, dat het inkomen niet alleen een kwestie is van absoluut peil. Het is evenzeer een zaak van wat men krijgt ten opzichte van anderen.

De heer Rietkerk (VVD): Maar als u het uitsluitend beperkt tot de verhouding met anderen, wordt het beeld volkomen vertekend en vals gemaakt. U heeft maandenlang gesteld, dat de ontvangers van sociale uitkeringen zouden worden gepakt. Gepakt betekent dat de mensen er slechter van worden. Dat is de suggestie, die u steeds en overal heeft uitgedragen. Welnu, de cijfers geven aan, dat de koopkracht van die mensen er zelfs op vooruitgaat.

Bestek'81

De heer Den Uyl (PvdA) interrumpeert de heer Rietkerk (VVD)

De heer Den Uyl (PvdA): U draait er volkomen om heen.

De heer Rietkerk (VVD): Mag ik even uitspreken?

De heer Den Uyl (PvdA): Niet als u dergelijke dingen zegt en herhaalt.

De heer Rietkerk (VVD): Ik handhaaf in dat verband het begrip 'onwaarachtig' en ik voeg eraan toe dat, wanneertegen de wens van Regering en oppositie in, in de particuliere sector een sterkere loonstijging optreedt dan iedereen noodzakelijk en verantwoord achtte, men daaruit niet mag afleiden dat dus de sociaal-zwakkeren de dupe worden. Dat is een volstrekt onredelijke redenering.

De heer Den Uyl (PvdA): Mag ik nu even, ja of neen? Uw opmerking is onzin; dat beweert niemand. Niemand beweert, dat de sociaal-zwakkeren worden gepakt omdat de lonen sterker stijgen dan werd voorzien of dan u goed vindt. Ik constateer -en dat wordt door u niet ontkend -dat in het beleid de solidariteit van werkenden en niet-werkenden wordt doorbroken en dat de ontvangers van sociale uitkeringen op achterstand worden gezet. Dat blijkt uit de cijfers.

De heer Rietkerk (VVD): Door wie?

De heer Den Uyl (PvdA): Door ü omdat u die kortingen toepast en verdedigt!

De heer Rietkerk (VVD): Als de vakbeweging hogere lonen weet te bereiken dan in de plannen werd voorzien en er daardoor natuurlijk enig verschil ontstaat tussen het uitkeringsniveau en het loonniveau, leidt u daar dan uit af, dat ik of het kabinet daarmee de sociaalzwakkeren op achterstand zet? Bovendien zijn er nog gevolgen voor de indexering.

De heer Den Uyl (PvdA): Wat is dat voor onzin?! Het is toch niet zo dat het feit, dat werkgevers hogere lonen betalen dan u zou wensen, er de oorzaak van is dat de ontvangers van sociale uitkeringen op achterstand komen? U en het kabinet veroorzaken dat. U wilt tot twee maal toe een grove methode van korten op de sociale uitkeringen toepassen. Zoals uit het staatje blijkt, worden de ontvangers van sociale uitkeringen als gevolg van die kortingen op achterstand gezet. Dat cijfer kunt u niet ontkennen. U draait er wel zes maal om heen, maar ik stel vast, dat het gebeurt en dat u er geen enkel weerwoord op hebt.

De heer Rietkerk (VVD): Ik ontken het wel degelijk en mijn weerwoord is, dat de plannen tot bijstelling van de ontwikkeling van sociale uitkeringen het vorige jaar op tafel zijn gelegd en zijn vastgesteld. Toen bestond er een heel redelijke verhouding met de inkomensontwikkeling volgens de plannen in de particuliere sector. Nadien -de heer Den Uyl zal dit toch niet ontkennen -is er een andere loonontwikkeling geweest dan men verwachtte.

De heer Den Uyl (PvdA): Dat heeft er totaal niets mee te maken. De achterstand blijkt uit het inkomensstaatje, dat het Centraal Planbureau heeft overgelegd. Dat staatje is het produkt van de kortingsoperaties, die het kabinet doorvoert en die het verder wil doorvoeren. Dat moet u een keer onder ogen zien. U komt vier keer met de mededeling, dat het plan van mijnheer Den Uyl toch maar irreëel is. Het realiteitsgehalte zit hem hierin, dat het uitgaat van de solidariteit, die voor mij een kernbegrip vormt, en dat bij een inkomensbeheersing met betrekking tot de werkenden -ik ben daarvan een voorstander onder bepaalde voorwaarden -de overdrachtsuitgaven in hun ontwikkeling worden teruggehouden. Wat ü doet heeft tot gevolg dat, bij een onvermogen om te sturen, de ontvangers van sociale uitkeringen worden gepakt.

De heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De heer Den Uyl suggereert ten onrechte dat de cijfers van het Planbureau exclusief de laatste loonontwikkeling zouden zijn; er is een endogene raming van de feitelijke ontwikkeling op loongebied sindsdien en daar is dat nieuwe cijfer op gebaseerd. Ik vind ook dat de heer Den Uyl -ik heb dat met die ongeloofwaardigheid bedoeld -bovendien nalaat duidelijk te maken op welke wijze hij de matiging voor de particuliere sector dan verwezenlijkt zou willen zien.

De heer Den Uyl (PvdA): Nu wijkt u daarnaar weer uit!

De heer Rietkerk (VVD): Ik geef twee antwoorden op twee punten die u naar voren bracht.

De heer Den Uyl (PvdA): Neen, u vroeg hoe Den Uyl die inkomensontwikkeling wilde beheersen.

De heer Rietkerk (VVD): Dat mag ik toch wel vragen?

De heer Den Uyl (PvdA): Ja, maar daarmee moet u niet om het kernpunt van deze discussie heengaan, namelijk of bewust door het kabinetsbeleid de ontvangers van sociale uitkeringen op een achterstand worden gezet. Dat ontkent u blijkbaar niet meer en nu werpt u de vraag op hoe dan in mijn opvatting de beheersing van de inkomensontwikkeling zou dienen plaats te vinden. Ik ben best bereid om daarop te antwoorden, maar dan moet u eerst de feiten erkennen.

De heer Rietkerk (VVD): Ik blijf dat ontkennen, omdat de cijfers waar u zich op beroept cijfers zijn inclusief de ontwikkeling in het bedrijfsleven die in de eerste plaats niet voor de verantwoording van dit kabinet komen. In de tweede plaats blijf ik vragen als u stelt dat uw aanpak zo realistisch is hoe u

Bestek '81

dat denkt te verwezenlijken. Met een nieuwe Machtigingswet of wilt u misschien artikel 8 van de Loonwet weer invoeren? Dat was ons enige loonpolitieke instrument, maar een van de eerste daden van zijn kabinet was om dat artikel te schrappen.

De heer Den Uyl (PvdA): Gelukkig wel!

©

J.G. (Koos)  RietkerkDe heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil eraan toevoegen dat in mijn visie het plan van de heer Den Uyl erop neer zou komen dat enige miljarden in de collectieve sector niet zouden worden omgebogen en dat wij dan dus met nog grotere problemen zouden worden geconfronteerd dan waarvoor wij nu al staan. Dan zou er namelijk niet alleen in de loonsector, maar ook in de lasten van de collectieve sector nog een stijging optreden. Volgens mij moeten wij daaraan nu juist met z'n allen een eind maken als wij met dit kabinet de werkloosheid en de inflatie willen aanpakken. Nu geeft deze Voortgangsnota nog grote zorgpunten, omdat blijkt dat onze betalingsbalans voor het eerst sinds lange tijd negatief zal worden en dat het begrotingstekort de grenzen van het aanvaardbare overschrijdt. De in-flatie is wat teruggedrongen en ook de stijging van de loonkosten is gelukkig wat getemperd. Het aandeel van ons land in de wereldhandel lijkt zich wat te herstellen en ook de achteruitgang van de werkgelegenheid in bedrijven is tot staan gekomen, maar ik voeg er nog wel aan toe -ook de heer Den Uyl heeft daarop gewezen -dat helaas de industriële sector nog een duidelijke achteruitgang vertoont. Ik zou dan ook willen stellen -ik neem aan, dat het kabinet deze opvatting deelt -dat wij het dus vooral zullen moeten hebben van de dienstverlenende, van de commerciële sectoren en met name van de innovatie in die sectoren. Tegenover deze pluspunten staat als minpunt dat de reële rente nog steeds op een naar Nederlandse maatstaven zeer hoog niveau blijft hangen, hetgeen de investeringen in de bedrijvensector en in de bouw wel negatief moet beïnvloeden met alle gevolgen voor de werkgelegenheid. Ik zou de Minister van Financiën in dit verband willen vragen of het te hoge niveau van het begrotingstekort hierop geen belangrijke invloed heeft en of het gevaar niet dreigt dat daardoor aan het positieve effect van de matiging van de groei van de collectieve lasten zoals dat met Bestek wordt beoogd afbreuk wordt gedaan.

De hoge rente beïnvloedt samen met de hoge loonkosten onze concurrentiepositie zeer sterk en ik kan de conclusie uit het eerste deel van de Voortgangsnota van harte onderschrijven dat een versterking van de concurrentiepositie dringend nodig is om tot herstel van het extern evenwicht op middenlange termijn te komen. Dat brengt mij dan wel tegelijk tot de opvatting van mijn fractie dat de Minister van Financiën er goed aan doet, de maatregelen met betrekking tot het begrotingstekort die hij voor het jaar ' 79 overweegt nu ook metterdaad door te voeren. Ik vind dat hij nu wel aan die noodrem moet trekken. De Minister heeft geschreven dat hij nog onvoldoende kan overzien in welke mate de gevreesde overschrijding van de 6% zal plaatsvinden. Wij hebben echter de indruk dat er geen enkele indicatie is dat die ontwikkeling zal meevallen. De drie factoren om in te grijpen zijn bekend: a. het actuele tekort (op kasbasis, maar indirect ook op transactiebasis) van meer dan 6%; b. de financierbaarheid daarvan; c. de monetaire vooruitzichten. Wij hebben de indruk dat -en ik vraag de Minister van Financiën of die juist is -deze drie factoren er bepaald niet gunstiger op zijn geworden. Daarom willen wij hem dringend in overweging geven metterdaad tot de vervroegde belastinginning, tot het uitschuiven van bepaalde rijksuitgaven en tot de voorgenomen beperking van het consumptieve krediet te komen. Ik weet dat deze maatregelen alleen de problemen van 1979 en niet die van 1980 en 1981 zullen verlichten, maar het komt ons toch voor dat nu niet langer met de bijsturing voor dit jaar mag worden gewacht. Daarnaast zijn nog enkele andere zaken nodig. Allereerst meen ik dat zeker onder deze minder gunstige ontwikkelingen aan de uitvoering van het totale Bestekplan niet mag worden afgedaan. Dat brengt met zich dat alsnog beslissingen zullen moeten worden genomen om de ombuigingen volledig door te voeren. Dat geldt zowel voor de ambtenaren als voor de trendvolgers en de sociale sector. Een aantal van de reeds tot stand gekomen maatregelen zal voor de tweede helft van '79 alsnog moeten worden vastgesteld. In dit verband wil ik er wel mijn grote teleurstelling over uitspreken dat de Sociaal-Economische Raad over de gevraagde adviezen op dit gebied niet zodanig tijdig heeft geadviseerd dat structurele aanpassingen van met name de wetgeving op het gebied van de overdrachtsuitgaven vóór 1 juli a.s. mogelijk is gebleken. Wij hebben vanaf het begin erop gehamerd dat dit verre de voorkeur zou verdienen boven de verschillende stapjes. Nu dat helaas niet mogelijk is gebleken, zal het kabinet, wil het zijn Bestekplan integraal doorvoeren, er niet onderuit kunnen om vóór de tweede helft van dit jaar met nieuwe voorstellen te komen. Ik betreur het in dit verband ook dat er in de kring van de trendvolgers nog weinig begrip is gebleken voor de noodzaak, ook vanuit die sector een bijdrage tot het matigingsbeleid te leveren. Ik weet dat er verschillen bestaan tussen deze sector en die van de ambtenaren. Ik heb zelf een motie in-gediend om aan die problematiek nadere aandacht te geven. Dit argument kan echter niet opgaan in de relatie tot de andere sectoren, waar ook ombuigingen zijn doorgevoerd. Bovendien is hettoch geen onredelijke benadering om diegenen die voor hun inkomensontwikkeling er de voorkeur aan hebben gegeven het trendbeleid van de ambtenaren daar ook aan te houden, wanneer daar toevallig eens een wat minder gunstige loonontwikkeling uit voortvloeit. In dit verband wil ik ook nog, zij het kort, een enkele opmerking maken over de aanvullende maatregelen die blijkens de Voortgangsnota alsnog voor de socialeverzekeringssector worden aangekondigd. De toegezegde nota tot beperking van het onvrijwillige beroep op uitkeringen, de nota op het volumebeleid, hebben wij nog steeds niet ontvangen. Ik betreur dat. Deze problematiek is al jarenlang bekend. Het kabinet is nu al weer 1 V» jaar aan de slag. Dan had het ons zeker in het licht van de grote problemen, waarvoor wij staan, een dergelijke nota kunnen aanbieden. Ik hoop dat die nu zeer spoedig zal komen. Wat de overige maatregelen betreft, kan ik mij daar in het algemeen wel mee verenigen, hoewel ik er wel vraagtekens bij zet, of een aantal algemene voorstellen het berekende concrete miljoeneneffect zal opleveren, zoals in de nota wordt gesuggereerd. Hoe stelt bij voorbeeld het Ministerie van Sociale Zaken zich voor, de toepassing van de hier al vaak besproken artikelen 12 en 21 van de AAW en de WAO te verbeteren? Ik vind het geheel nogal vaag en word daarin bevestigd door antwoorden op vragen,

Bestek '

81

waaruit blijkt dat voor de effecten van concrete, voorgestelde maatregelen geen kwantificering in kostenbesparing kan worden gegeven. In dit verband blijven wij ons afvragen, of niet concrete resultaten te bereiken zijn door bij voorbeeld aan de thuis wonende jongeren, die geen kostwinners zijn, een lagere uitkering te geven dan nu, door bij voorbeeld de WAO-schattingen meer op de medische arbeidsongeschiktheid te richten en de daarop afgestemde uitkeringen aan te vullen met werkloosheidsuitkeringen en -om een ander voorbeeld te noemen -door na te gaan of het toch niet verantwoord is om ook de oude daglonen in het kader van de overwogen herzieningen mee op te schonen. Op het volgende punt ga ik nu niet verder in. Ik vermeld het alleen maar. Wij blijven er verder op hameren dat alle inspanning gericht zal moeten worden op het verminderen van de discrepanties op de arbeidsmarkt. Er wordt veel over gepraat; daarvoor worden veel suggesties aangedragen. Ik zal ze niet herhalen. Ik vraag het kabinet echter wel, nu met doeltreffende maatregelen op dit gebied te komen. Bij dit alles wil ik ook nog wel met klem naar voren brengen, dat wij van mening zijn dat het kabinet, met al zijn problemen, er vooral voor zal moeten zorgen dat voorkomen wordt dat er toch weer extra lastenverzwaringen voor het bedrijfsleven tot stand komen en dat daarmee de positie wordt uitgehold. Het is theoretisch natuurlijk denkbaar tot een verbetering van het begrotingstekort te komen door een belastingverhoging. Met de onvermijdelijke afwenteling daarvan op het bedrijfsleven zal men het paard alleen maar achter de wagen spannen, omdat dan de concurrentiepositie van de bedrijven zou verslechteren, het betalingsbalanstekort nog groter zou worden en de werkgelegenheid verder in het gedrang zou komen. Ik vraag mij in dit verband trouwens ook af, of naast de door het kabinet terecht aanvaarde doelstellingen van werkloosheidbestrijding, inflatiebestrijding, rendementsverbetering, koopkrachthandhaving en het in de hand houden van het begrotingstekort wellicht ook niet bewust een nadere doelstelling binnen de beleidslijnen moet worden opgenomen. Dat is een beleid, gericht op het voorkomen van een slechte betalingsbalans. Tot voor kort was dat niet nodig. In de laatste tijd gaat dit mijns inziens op zich nu juist een zeer belangrijk element vormen. Waarom? Omdat de kern van al deze problemen toch heel duidelijk ligt in onze exportpositie. Daarop moet alle aandacht gericht blijven. In dit verband, maar ook los daarvan, wil ik er ook nog op wijzen, dat wij voor dat zo belangrijke energievraagstuk nog geen bevredigende oplossing hebben gevonden. Terecht heeft het kabinet belangrijke bedragen beschikbaar gesteld voor de isolatie. Het wekt ook terecht op om ten minste 5% vrijwillig te besparen. Of dat lukken zal, weten wij niet. De aanzet en de oproep tot vrijwillige bijdrage steunen wij van harte, maar wij sluiten niet uit, dat er ook op dit gebied nog meer inspanning nodig is. Ik beperk mij tot één suggestie in dit verband. Is het niet te overwegen om, nu Harrisburg ons allen opnieuw de plicht voorhoudt om met name met betrekking tot de kernenergie en de veiligheid daarvan de grootste zorgvuldigheid te betrachten, daartegenoverte bezien, of dan wellicht aan de exploitatiemogelijkheden van de nog beschikbare fossiele brandstoffen niet meer aandacht moet worden besteed dan tot nu toe gedaan is, zelfs ook in het kader van het milieubeleid? De Voortgangsnota schildert geen vrolijk beeld. Alles wijst erop, dat wij in toenemende mate in een schijnwelvaart terecht dreigen te komen, wanneer wij niet bereid zijn, met elkaar over de gehele linie te matigen. In dat kader stemmen wij in met het voornemen om het consumptieve krediet aan banden te leggen, hoewel wij niet de indruk hebben dat daarmee de ontwikkeling geheel ten goede zal kunnen worden gekeerd. De oplossing zal toch voorlopig gezocht moeten worden in een realistische, algehele matiging van ons allen. Daarbij ligt het voor de hand, dat van de hogere inkomens meer offers mogen worden gevraagd dan van de lagere. Het kabinet heeft die gedachte ook in zijn beleid gevolgd, bij Bestek, bij de ambtenaren, in de nota van mevrouw Veder-Smit en in het prijsbeleid van de Ministervan Economische Zaken. Ik heb er behoefte aan ook nu nog eens duidelijk te stellen dat wij met die in het regeerakkoord gemaakte afspraak instemmen, niet uit overwegingen van afgunst en niet omdat wij willen nivelleren ter wille van het nivelleren, maar omdat wij het redelijk vinden van de echte hoge inkomens onder de gegeven omstandigheden iets meer te vragen. Wij kunnen daarmee instemmen, zij het dat wij daarbij van mening blijven dat de middeninkomens hiervan niet de dupe mogen worden, omdat zij relatief voor de zwaarste lasten staan en geen beroep op vele, anderen wel toekomende collectieve voorzieningen kunnen doen. Overigens zal een te grote afremming van de hogere inkomens ook de Minister van Financiën weinig helpen bij het terugdringen van zijn begrotingstekort. De door hem overwogen maatregelen in deze nota zijn niet van structurele aard, maar beogen een tijdelijke bijsturing voor 1979.

De heer Dolman (PvdA): Aan welke in-strumenten denkt u om de inkomens te beperken? Welke categorieën van hogere inkomens wilt u beperken?

De heer Rietkerk (VVD): Ik heb gewezen op het feit dat dit kabinet, zelfs meer dan het vorige, op een duidelijk aantal beleidsterreinen aanzetten voor een beperking heeft gegeven.

De heer Dolman (PvdA): U behoeft niet te herhalen wat u al heeft gezegd. Dat is duidelijk genoeg. Ik vroeg of u voor de rest van het jaar nog voor andere categorieën van hogere inkomens maatregelen verwacht.

De heer Rietkerk (VVD): Er wordt elke dag een tarievenbeleid gevoerd. Elke dag wordt een prijsbeleid van de Minister van Economische Zaken gevoerd. Ik heb mij erbij aangesloten dat juist in die sector wordt meegewerkt aan matiging. Ik noem dit als voorbeeld. Nog niet zo lang geleden hebben wij een aftopping op de salarissen van ambtenaren tot stand gebracht, waarvan wij de grens weliswaar te laag vonden, maar waartegen wij ons niet als zodanig hebben verzet.

De heer Dolman (PvdA): U bepleit dus niet een maatregel voor hogere looninkomens in het bedrijfsleven en hogere inkomens van zelfstandigen, buiten de vrije beroepsbeoefenaars?

De heer Rietkerk (VVD): Daarmee be-. ginnen wij. Is de partij van de heer Dolman voorstander van een loonmaatregel voor de vrije sector in het bedrijfsleven?

De heer Dolman (PvdA): Zoals de woordvoerder van mijn fractie heeft gezegd, zijn wij voor terugdringen van de inflatiecorrectie, wat dus in het bijzonder de hogere inkomens, over de gehele linie en niet hier en daar, treft.

De heer Rietkerk (VVD): U zou dus een loonmaatregel willen treffen...

De heer Dolman (PvdA): Nee, nee. Ik heb gesproken over een inflatiecorrectie over de gehele linie. Ik vroeg of u, die in het bijzonder voor bruto-inkomensbeleid heeft gepleit, ten aanzien van de overblijvende zelfstandigen,

Bestek '81

dus niet de vrije beroepsbeoefenaars, en de loontrekkenden in het bedrijfsleven specifieke maatregelen bepleit.

De heer Rietkerk (VVD): Wij zouden geen voorstander zijn van een wettelijke maatregel, want dan zou men moeten beslissen of men als overheid in die loonvorming moet ingrijpen en dan mag men zich niet tot een groep van 5% beperken. Als men de ontwikkeling niet verantwoord vindt, moet men het over de gehele linie doen. Ik was vrijwel aan het eind van mijn betoog. De ontwikkeling van het begrotingstekort en die van de liquiditeitscreatie, die daaruit een belangrijke impuls krijgt, doet bij mij de vraag rijzen, die de Minister van Financiën in het verleden overigens zelf ook heeft gesteld, of wij structureel gezien toch niet zo spoedig mogelijk naar een duidelijke verlaging van die grens van het begrotingstekort, tot beneden die 6% van het nationaal inkomen, toe moeten. Dat is echter een zaak waarover wij in de komende maanden ongetwijfeld nog nader zullen spreken.

©

R.F.M. (Ruud)  LubbersDe heer Lubbers (CDA): Mijnheer de Voorzitter! De heer Den Uyl heeft vastgesteld dat mijn collega-fractielid, de heer Van Houwelingen, armen heeft gegeven -hopelijk zitten er ook handen aan -aan de economieresolutie die dit weekeinde in bespreking komt op het congres van de PvdA. Dat doet mij deugd. Misschien kunnen wij er ook nog wat voeten aan geven, want dan hebben wij een resolutie met handen en voeten. Ik heb weer met veel aandacht geluisterd naar het betoog van de heer Den Uyl. Op een aantal punten zal ik daarop nog terugkomen tijdens de behandeling. Er was één punt in zijn betoog dat hij naar mijn mening wat improviserend bracht. Dat was eigenlijk ook het meest boeiende gedeelte, namelijk daar waar hij sprak over een omschrijving van het begrip 'paternalisme'. Ik heb dat tot mij laten doordringen en naar mijn mening klopt er iets niet mee. Ik dacht: ' Daar heeft hij toch minder verstand van.'. Het is al heel wat dat je dat mag zeggen. Ik dacht dat tot het moment dat de hele redevoering achter de rug was en hij wegliep. Toen dacht ik: 'Neen, Ruud, ook dit heb je weer fout gezien. Hij spreekt misschien siecht over paternalisme, maar hij is het eigenlijk zelf.'. De kritiek die direct kwam na het verschijnen van de Voortgangsnota, was erop gericht dat zij weer zo sterk ging over de financiële aspecten van het Bestekbeleid. Naar mijn mening was die kritiek echter niet helemaal terecht, want het was om die reden en vanuit die optiek dat de Voortgangsnota werd gevraagd. Inmiddels beschikken wij over het Centraal Economisch Plan 1979, waaraan ook de Voortgangsnota al wat gegevens ontleent. Dat stelt ons in staat, de zaak hier in een wat breder kader te plaatsen. Dat gebeurt dan ook vanochtend. Ik roep mijnerzijds een tweetal stellingen in herinnering. De eerste stelling is dat een ombuigingsbeleid een noodzakelijke voorwaarde is voor een betere werkgelegenheid, maar dat daar onverbrekelijk een inkomensbeleid bij hoort. Niet de ombuigingen zelf, maar de arbeidskostenmatiging levert immers een bijdrage aan het werkgelegenheidsherstei in bedrijven en geeft ruimte voor meer banen bij de overheid en in de kwartaire sector. Het voorkomen van lastenstijging en een inkomensbeleid zijn beide wezenlijk. Het is dus geen kwestie van of, of, maar van én, én, dus f 10 miljard aan ombuigingen èn een inkomensbeleid. Een actief inkomensbeleid is ook nodig voor het arbeidsmarktbeleid. Een tweede stelling is dat werkgelegenheid niet als vanzelf ontstaat door ombuigingen, want het vraagt een gerichte benadering door de overheid én door werkgevers en werknemers in regio's, bedrijven en sectoren. Deze stelregel brachten wij concreet tot uitdrukking in onze pleidooien voor het arbeidsmarktbeleid, voor het volumebeleid in de sociale verzekeringen, bij de a.p.o.'s, het sectoraal beleid, de regio's, de kwartaire sector en het arbeidsplaatsencriterium. Ik zal die betogen vandaag niet herhalen, maar roep ze -uit oktober verleden jaar -wel zin voor zin in herinnering. Ik doe dat niet ter wille van het intellectuele gelijk, maar in het licht van de ernst van de situatie; om wille van hen die een baan zoeken, maar ook om wille van hen die angstig zijn, hun baan te verliezen en hen die er nu niet bij stilstaan, maar wie het straks wel overkomt. Ik doe het ook om wille van die stroom die keurig geëtiketteerd als arbeidsongeschikt wordt afgevoerd door bedrijfsleven en overheid, omdat er geen plaats meer is of die vreselijk objectief en effectief wordt afgewezen als zij/hij zich weer voorwerk meldt. Dit jaar zijn er weer 33.000 mensen meer in de wetten op de arbeidsongeschiktheid. Het is vanuit die ernst dat ik mijn betoog verder zal houden. Het gaat niet om ombuigingen op zich zelf, het gaat om werkgelegenheid, maar daarvoor is wel f 10 miljard aan ombuigingen nodig. Waar de PvdA die in het verleden ronduit afwees of saboteerde, is zij naar mijn oordeel mede verantwoordelijk voor het gebrek aan werkgelegenheid vandaag.

De heer Den Uyl (PvdA): Wat bedoelt de heer Lubbers met 'afwees en saboteerde'? Waar slaat dat op?

De heer Lubbers (CDA): Dat slaat op de betogen van de heer Den Uyl, in het verleden gehouden, waar hij zei dat wij rustig het risico konden nemen om met een veel minder grote ombuiging -ik roep een bedrag van f 4 miljard in herinnering -te volstaan, daar de rest werd geregeld met het pakket van maatregelen waarover de heer Den Uyl vanochtend ook heeft gesproken, namelijk een zeer stringent inkomensbeleid, met een karakter en een aard dat door zeer grote delen van de samenleving -ik durf rustig te zeggen: overgrote meerderheden -als irreëel is teruggewezen.

De heer Den Uyl (PvdA): Afgezien van het feit, dat de PvdA dus de ombuigingen, voortvloeiende uit de 1 %-operatie van f 8 miljard, heeft verdedigd en in belangrijke mate ook uitgevoerd (f 8 miljard, waarvan f 4 miljard 'onderweg' was), is het zo, dat in ons alternatief, dat de heer Lubbers kent, de groei van de overdrachtsuitgaven in feite meer wordt omgebogen als een produkt van de inkomensbeheersing dan op de manier waarop het kabinet nu bezig is. Daarom vraag ik mij af, waarop de heer Lubbers de termen afwijzen of saboteren baseert. Het is nogal wat!

De heer Lubbers (CDA): Ik bestrijd, dat de PvdA zelfs het 1 %-beleid, zoals door het vorige kabinet ontwikkeld, heeft uitgevoerd. Terecht zegt de heer Den Uyl, dat het voor een deel is uitgevoerd, maar het is niet zonder betekenis -als men de verantwoordelijkheid wil dragen -om zeer sterk erop te korten. De heer Den Uyl herinnert zich nog zeer goed, hoe het hiermee rond de verkiezingen is gegaan. Hij herinnert zich ook nog heel goed, dat onmiddellijk na de verkiezingen, in de besprekingen over de formatie, de heer Den Uyl een weg heeft gezocht (hetgeen zijn goed recht was) om verlost te zijn van de politieke verantwoordelijkheden die nu eenmaal met aanzienlijke ombuigingen gepaard gaan, maar vanaf dat moment heeft hij nog nooit duidelijk kunnen maken, dat er een werkelijk alternatief voor was. Daarom zeg ik, dat bij het ontbreken van zo'n alternatief de PvdA nu niet de eerstgeroepene is om te zeggen -zij heeft er immers sterk voor gepleit, de betref-

Bestek '81

fende operaties later in gang te zetten in in mindere mate -dat de verantwoordelijkheid voor de werkgelegenheidsontwikkeling bij anderen ligt. Zij kan het kabinet -ook ik zal dit in mijn betoog doen -terecht aanspreken op datgene wat thans moet gebeuren, maar zij geeft een verkeerde voorstelling van zaken als zij zegt, dat deze problemen zijn begonnen toen het huidige kabinet hier kwam te zitten. Mijnheer de Voorzitter! Ik moet evenzeer vaststellen, dat ombuigingen alleen dan echt werkgelegenheid kunnen betekenen als er een duidelijk in-komensbeleid is en de mensen concreet zien waarvoor zij matigen. Pas dan kan zo'n beleid, gericht op herstel van de werkgelegenheid, effectief zijn. Dit is -hierover zijn wij het wèl eens -de voornaamste opgave. Ik blijf de VVD dan ook vragen, zich van dit belang bewust te zijn. Natuurlijk, bij dit belang behoren ook de woorden 'tien miljard', maar het betreft een belang dat met deze woorden nog maar een allereerste begin van oplossing krijgt. Ik wil nu ingaan op de feiten zoals zij zich thans specifiek aan ons voordoen. In de eerste plaats noem ik de ombuigingen zelf. Hiertoe hebben wij ons verleden jaar in hoofdlijnen bereid verklaard. Wèl hebben wij op een aantal punten kritische kanttekeningen gemaakt. Zij betroffen met name de inkomenspolitieke vormgeving of het ontbreken hiervan. In andere gevallen betroffen zij het karakter van de aanpak, zoals in de gezondheidszorg, ten aanzien waarvan wij vroegen om een integrale, structuur doorbrekende aanpak. De Regering is ons op tal van punten tegemoet gekomen. Wij signaleren dit met erkentelijkheid en enten hierop weer onze bereidheid om daar waar in het ombuigingsschema gaten vallen steeds zoveel mogelijk de problemen in dezelfde sector op te lossen, niet als automatisme, maar als richtsnoer. Hetzelfde richtsnoer mag voor ons ook gelden als het gaat om de tegenvaller in de belastingopbrengsten, zoals zij in de nota worden gepresenteerd. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot het punt van de kostenmatiging. Kostenmatiging en inflatiebestrijding gaan hand in hand. Een strak prijsbeleid en inkomensmatiging zijn de hiertoe gehanteerde instrumenten. Zoveel mogelijk stabilisatie van collectieve lastendruk is een belangrijk hulpmiddel, maar vormt -zoals dit jaar blijkt -geen garantie. Het strakke prijsbeleid verdient voortzetting, ondanks de zeer hoge arbeidsinkomensquote. Ter on-

dersteuning van deze stelling wijs ik op het feit, dat het bedrijfsleven daar het meest in de knel zit, waar het met het buitenland moet concurreren. Welnu, deze benarde positie wordt niet verergerd door het prijsbeleid en de door het prijsbeleid bereikte lagere loonkostenontwikkeling geeft wel verlichting. Daarnaast is er in een aantal sectoren bepaald geen onderbesteding -ik druk mij zacht uit -die het prijsbeleid overbodig zou maken. Voortzetting van het gevoerde prijsbeleid is dus noodzakelijk. Hetzelfde moet gelden voor de tarieven van de overheid. Een strak prijsbeleid en zoveel mogelijk stabilisatie van collectieve lasten halen natuurlijk niets uit als er geen effectieve en toereikende matiging tot stand komt. Welnu, de algemene loonkostenmatiging, ingezet door het kabinet-Den Uyl, gefavoriseerd door sub-stantiële loonsomsubsidies via rijksbijdragen aan de sociale verzekering en voortgezet door dit kabinet, is slechts een gedeeltelijk succes geworden. In het Centraal Economisch Plan voor dit jaar kunnen wij lezen, dat er een initiële verbetering in de sfeer van de bedrijven optreedt van 1,2%. Hierin is dan wel begrepen het kosteneffect, verbonden aan verbetering van secundaire arbeidsvoorwaarden, zoals vrijwillig vervroegd uittreden, hetgeen zich gelukkig nu vrij ruim verspreidt. In dit verband herinner ik aan onze suggestie, vorig jaar bij de Besteksbehandeling gedaan, om een 0,5% uit de prijscompensatie hiervoor te bestemmen. Deze suggestie is niet gevolgd, naar ons oordeel ten onrechte: de rekening ervan wordt nu in minder werkgelegenheid betaald. De loonsomontwikkeling komt ca. 1 % hoger uit dan volgens de beleidsdoelstellingen en evenzeer vinden wij 1% in de tabel voor de reële koopkrachtontwikkeling welke voor 1979, excl. incidenteel, zal gelden. Deze ontwikkeling roept drie problemen op: De algemene kostenmatiging komt in de knel en daarmee de werkgelegenheidsontwikkeling in de markt-én de collectieve sector. De parallelliteit in inkomensontwikkeling in dit jaar tussen actieven en sociale verzekeringstrekkers dreigt verloren te gaan. Het beslag van de particuliere sector en met name de consumptie op de nationale bestedingsruimte dreigt te groot te worden. Dit wordt nog versterkt door het sterk groeiend krediet voor consumptieve doeleinden.

Bestek '81

Wij moeten zonder meer vaststellen, dat het bedrijfsleven -werkgevers en werknemers -te kort schiet in de beheersing van de loonsomontwikkeling. Werknemers en werkgevers richten nogal eens verwijten aan de overheid. Zij zouden ze aan zichzelf moeten richten. Natuurlijk, op het punt van de inflatiebestrijding hoeft men zeker niet alleen zwartgallig te zijn. De daling van het inflatietempo heeft zich tot dit voorjaar krachtig voortgezet en de doelstelling waar ik enkele jaren geleden nog wel eens om uitgelachen werd, namelijk onder het Duitse inflatieritme te komen, is gehaald, althans op dit ogenblik. Laten wij ons echter goed realiseren dat de daling in 1978 voor een groot deel te danken was aan de toen zelfs gedaalde invoerprijzen. Initiële en incidentele loonstijging te zamen was 3%, eigenlijk genoeg voor een lichte nieuwe inflatoire impuls. Als voor dit jaar op dit stuk 2,5% wordt verwacht, is dat geen reden de vlag uit te steken, gelet op deze beleidsdoelstelling. Spreken wij over inkomensbeleid, dan gaat het ook om arbeidsmarktverhoudingen. Wij moeten vaststellen dat er een opwaartse salarisbeweging is, doordat er een gebrek aan vakbekwaam personeel is en zij die onaangenaam werk doen meer salaris moeten krijgen. Dat zal zich overwegend in de zogenaam-de component incidenteel uitdrukken. Met andere woorden, laat men zich in ondernemingen en sectoren toch realiseren dat deze noodzakelijke salarisverbeteringen voor deze groepen goeddeels gecompenseerd moeten worden door verminderingen elders. Dit betekent lagere aanvangsalarissen voor bepaalde groepen, tragere leeftijdsopbouw en geringere uitloop bij de hoger betaalden. De loonsom per werknemer kan reëel slechts zeer weinig omhoog. Dat vraagt om planmatige ontwikkeling van de onderdelen van de loonsom; herverdeling van de loonsom in bedrijf en bedrijfstak. Zulk een overleg over een planmatige en geleidelijke herverdeling en aanpassing van de beloningsverhoudingen is van betekenis voor het c.a.o.-overleg, maar hoort ook thuis in de ondernemingen, elk afzonderlijk. Het kan goed aansluiten bij arbeidsplaatsenoverleg, bij overleg in-zake vacaturevervulling, vakopleiding, etc. Wij hebben vorig jaar gesteld dat een onbeheerste ontwikkeling van het incidenteel in strijd is met de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de

sociale partners, onrechtvaardig uitwerkt tegenover de zwakkeren en het werkgelegenheidbeleid schaadt. Wij ontkomen niet aan geleidelijk herverdeling van inkomens. Ook de arbeidsmarktverhoudingen vragen er om. Maar dat mag niet in het wilde weg gebeuren, anders leidt het alleen maar tot meer inflatie en werkloosheid. Er is hier een duidelijke samenhang met de aftopping in de prijscompensatie. Aftopping is niet op de eerste plaats een nivelleringsinstrument. Zij dient wel heel nadrukkelijk twee doelen: -zij geeft een eigen bijdrage aan de kostenmatiging en betekent zo direct en indirect meer werkgelegenheid; -daarnaast geeft zij een aanknopingspunt om ook voor de inkomensbestanddelen onder dat niveau een matigingsbeleid te voeren. Vorig najaar zeiden wij hier dat maximering van de prijscompensatie ook bij wet gerealiseerd kan worden, maar dat dit ons het laatste en niet het eerste middel leek. Welnu, vandaag moeten wij constateren dat de aftopping tot nu toe niet gerealiseerd is, behalve voor de ambtenaren. Daarom geven wij de Regering in overweging alsnog met een wettelijke regeling te komen. In aansluiting op wat bij ambtenaren gebeurt moet dat dan betrekking hebben op in-komensbestanddelen boven de f 50.000, inclusief de AOW-premie, en effectief zijn voor alle Nederlanders, gerekend naar netto-inkomensniveau. Dit kan dus zelfs slaan op de allerhoogste sociale uitkeringen. Een dergelijke aftopping achten wij noodzakelijk waar immers de Regering -overigens terechtinspanningen pleegt om via doorbreking van verkeerde automatismen te voorkomen dat via de doorwerking van toeslagverwerkingen in bouw-en uitzendc.a.o. het gebouw van salarissen en uitkeringen verder omhoog gedrukt wordt.

De heer Dolman (PvdA): Aan welke soort van instrumenten denkt de heer Lubbers? Hij denkt blijkbaar niet aan fiscale maatregelen en niet aan maatregelen betrekking hebbend op alle Nederlanders, maar aan maatregelen die slaan op alle loontrekkenden in het bedrijfsleven. Dat begrijp ik toch goed?

De heer Lubbers (CDA): Inderdaad, alle loontrekkenden in het bedrijfsleven, bij de overheid en in de non-profitsector. Het beleid moet worden voortgezet in het steeds effectiever wordende

Bestek'81

van het werk) niet gevolgd is. Wij kunnen hier echter geen aanleiding in zien onze verantwoordelijkheid ter zake van wat in dit parlement aan de orde is, te ontgaan. Laat het intussen volstrekt duidelijk zijn dat dit soort aanpassingen geen fundamentele oplossing biedt voor het vraagstuk van de betaalbaarheid van ons sociaal verzekeringsstelsel op langere termijn. Dat zal op de eerste plaats een volumebeleid, dus een gerichte vermindering van de aantal uitkeringstrekkers vergen. Wij wachten terzake de beleidsnotitie van Staatssecretaris De Graaf met spanning af. Maar vooruitlopend daarop, willen wij nu reeds wijzen op de verantwoordelijkheid van de sociale partners, de bedrijfsgenoten zelf. Zeker, het onderwerp begint te leven. Dit blijkt uit studies bij de werknemers-en werkgeversorganisaties, maar het gaat allemaal nog ontzettend moeizaam en traag. Dit jaar weer 33.000 arbeidsongeschikten meer -ik zei het reeds -en een ziekteverzuim dat vaak het dubbele bedraagt van vergelijkbare bedrijven net over onze grens. Dat is onaanvaardbaar; daarmee slaat onze trots over ons sociaal verzekeringsstelsel om in schaamte. Daarmee verwordt dat succesrijk verzekeringsstelsel tot een nederlaag; dat wordt het als de aanwezigheid van de sociale verzekering het alibi wordt de verschijnselen ziekte en arbeidsongeschiktheid niet zelf terug te dringen. Wij roepen de overheid op met richtinggevende voorstellen te komen en het bedrijfsleven daarop in te haken. Wij zeggen héél concreet: overheid, voer de motie Weijers uit; zorg dat arbeidsongeschikten weer ingeschakeld worden in je eigen diensten, in de quartaire sector. Wij zeggen ondernemingen nogmaals dat het een denkfout is te menen dat arbeidsongeschiktheid principieel buiten de onderneming thuishoort; zij hoort juist deels daarbinnen ingepast te worden. Terecht lezen wij in antwoord op vraag 91 dat 'het instellen van commissies arbeidsverzuim op de eerste plaats een initiatief zal moeten zijn van de bedrijven zelf'. Vorig jaar hebben wij hier met het oog op deze problemen het begrip apo willen verbreden, maar dan ook wel nadrukkelijk werkgevers en werknemers tot die verantwoordelijkheden -de lusten èn de lasten -opgeroepen. Zaad in tot nu toe droge bodem. Toch dringt de tijd; de erosie, uitholling van verantwoordelijkheden gaat door.

Wat stelt een ondernemingsraad, die zich hier niet in verdiept, eigenlijk voor? Het volumebeleid in de sociale verzekeringen is evenzeer als de noodzaak van veranderende beloningsverhoudingen niet alleen zaak van overheid, maar ook van het bedrijfsleven zelf. Een bedrijfsleven dat daarop gerichte structuren blijft ontlopen, klaagt ten onrechte over de overheid. Laat ons intussen oppassen het vraagstuk van de arbeidsongeschiktheid geheel afzonderlijk van de werkgelegenheidsproblematiekte bezien; dat zou onjuist zijn. De ons overgelegde cijfers tonen het duidelijk aan; de WAO groeit het sterkst daar waar de werkgelegenheid het meest tekort schiet. Werkgelegenheidsbeleid zelf is dus ook een onderdeel van het volumebeleid in de sociale verzekeringen. Reeds vier jaar lang is de werkgelegenheid in ons land vrijwel stabiel. De zichtbare werkloosheid is ook opvallend stabiel. Er is echter natuurlijk wel degelijk een verborgen werkloosheid èn in de arbeidsongeschiktheidswetten èn bij velen die wegblijven van de arbeidsmarkt. Ten behoeve van het te voeren beleid moet opgemerkt worden dat de rond 210.000 werklozen in 1979 een geheel andere samenstelling vertonen dan in 1976. Met name zijn zeer sterk toegenomen de categorieën jeugdigen -thans meer dan 70.000 jeugdigen onder 23 jaar als werklozen ingeschreven, waarvan circa de helft langer dan 3 maanden -en vrouwen, waarvan het werkloosheidspercentage haast twee keer zo hoog is als van mannen. Tegelijkertijd valt op, dat het aantal geregistreerde vacatures -de openstaande vraag -op een veel hoger niveau is komen te liggen. Al deze tendensen komen sterker uit in sectoren en regio's. Het antwoord op dit alles moet zijn een specifiek arbeidsmarktbeleid. Gelukkig is dit beleid bezig meer handen en voeten te krijgen. Wij zullen daar verder mee moeten gaan. Aansluitend op de zojuist genoemde categorieën wil ik twee elementen daarvan in het bijzonder noemen. De gezinsverdunning, kleinere gezinnen, vervaging van het begrip ' kostwinnerschap', dat alles vraagt om een intensieve bevordering van de deeltijdbanen. Daarnaast met betrekking tot de jeugdigen: intensivering van (aanvullende) vakopleidingen. Jonger dan 23 jaar en meer dan 3 maanden werkloos -het gaat hierbij om circa 35.000 jongeren -is toch eigenlijk ontoelaatbaar. Jongeren die langdurig werkloos zijn, moeten toch via de arbeidsbemidde-

Bestek '81

ling, zonodig via aanvullende opleiding tot vakbekwaamheid, in de bedrijven te plaatsen zijn. In ieder geval is een zeer doortastend beleid nodig ter zake van de 16-18-jarigen -de specifieke opleidingsmogelijkheden moeten verbeteren en uitbreiden -alsme-de de voortgezette opleiding in het leerlingenstelsel. Overigens: hetstimuleren van schoolverlaters is prima, maar hoort daar niet spiegelbeeldig bij een actie vanuit de bedrijven om nu reeds aan te geven, welke jongeren zij kunnen gaan opnemen? Natuurlijk, voor dit specifieke beleid is ook een algemene kostenmatiging van belang. Deze is wezenlijk bij de bestrijding van de werkloosheid en de bevordering van de werkgelegenheid, maar daarnaast is van belang de beschikbaarheid van mensen in de marktsector, voor wie zelfs bij de huidige Iconkostenverhoudingen wel werk is. Dit punt wordt te weinig onderkend. Het zou wel eens sterk medebepalend kunnen zijn voor het feit dat de ontwikkeling van het produktievolume in de bedrijven beperkt blijft tot slechts 2,5%, ondanks een situatie die sterk op overbesteding lijkt. Meer gerichte opleiding en betere beloningsverhoudingen, over die remedie sprak ik eerder. Mijnheer de Voorzitter! Vier jaar geleden, toen de toenmalige sociaal-economische driehoek en de Minister-President het beleid uitzetten, waarvan wij de effecten vandaag meten, bracht collega Duisenberg niet alleen de wenselijkheid van forse ombuigingen naar voren. Hij wees er ook op dat terugbrenging van de werkloosheid tot 150.000 in 1980 alleen zou kunnen bij een sterk geïntensiveerd arbeidsmarktbeleid. Dat is juist geformuleerd toen, het is nog steeds zo. Sterker, de openstaande vraag is fors gestegen, wat wijst op de mogelijkheid om bij een goed arbeidsmarkt-beleid te komen tot een stijging in de werkgelegenheid. Het beleid ter zake van kostenmatiging en stimulering van investeringen stuit, zou men haast zeggen, nu op de grenzen van het arbeidsmarktbeleid. Deze opmerking, om eens even terug te kijken naar 1975/1976, brengt mij bij de beleidslijnen die toen zijn uitgezet. Dat hield in een schaarbeleid: enerzijds ombuigingen gericht op kostenmatiging, anderzijds een expansief beleid via grote rijksbijdragen aan de sociale verzekeringen, aan de Wet op de investeringsrekening, Hofstra en diverse vormen van gericht beleid. De financiering van dit alles gebeur-de op basis van aardgasbaten en een fors overschot op de betalingsbalans. 4690

Lubbert Dat was een beleid, gebaseerd op een sterke gulden. Dit beleidspakket, in 1976 sterk aangevat, afgezwakt in de verkiezingen in 1977 en weer versterkt in Bestek '81 -wat ook rekening moest gaan houden met weer een 1/2% minder groei -was juist. Het heeft tot gedeeltelijke successen geleid. De inflatiebestrijding is inderdaad redelijk succesvol geweest. De arbeidsinkomensquote is inderdaad gaan dalen, al was het maar met 1 % per jaar in stede van de beoogde 2%. Voor het eerst sinds 1971 brokkelt de werkgelegenheid in de bedrijvensector inclusief de non profit-sector als geheel dan ook niet verder af, terwijl die bij de overheid blijft toenemen. Een sterk herstel van de investeringen -al had het natuurlijk beter gekund -moet zonder meer toegeschreven worden aan de Wet op de investeringsrekening. Het beleidspakket botst nu echter tegen twee randvoorwaarden: een té hoog financieringstekort en een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans. Verder vallen op een te sterk groeiende consumptie, gedeeltelijk via een te sterke ontwikkeling van de primaire inkomens, gedeeltelijk via de kredietverlening. Deze ontwikkelingen zullen het kabinet dwingen een aanvulling op het beleid te overwegen. Zo'n herbezinning kan het best integraal gebeuren, dat wil zeggen alle onderlinge samenhangen goed overwegend. Daar zal het Kabinet de komende maanden voor moeten benutten. Ten behoeve daarvan vraag ik aandacht voor de volgende punten. 1. De achillespees blijkt de primaire inkomensontwikkeling te zijn. Over in-houd en karakter van noodzakelijk in-komensbeleid sprak ik eerder in dit betoog. Het probleem zit niet primair bij ambtenaren of vrije beroepen. Het zit in het bedrijfsleven zélf. Een verlenging van de wet op de niet c.a.o.-inkomens zal dienstbaar zijn, maar zelfs dan zal het bedrijfsleven nader kleur moeten bekennen. De inkomensontwikkeling -zowel de algemene matiging als de beloningsverhoudingen -zal effectiever moeten zijn. Wij passen er voor, bij het ontbreken van zulk een beleid voor 1980 geconf ronteerd te worden met weer veel meer ombuigingsnoodzaak. Eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven ter zake staat voorop maar tegelijk moeten wij, nu drie maanden voordat het kabinet zijn volgende Miljoenennota maakt, ter wille van de werkgelegenheid wijzen op ons CDA-program, waarin te lezen staat: 'een wetsvoorstel wordt voorbereid -na overleg met de sociale partners -dat de overheid de bevoegdheid geeft een algemene matiging met bijbehorende maximering in de prijscompensatie voor te schrijven'. 2. Uit angst of onmacht voor een in-komensbeleid, bij een te groot financieringstekort, tóch maar kiezen voor dienovereenkomstig meer ombuigingen, is kortzichtig. Immers, die extra ombuigingen zullen öf minder werkgelegenheid betekenen in of via de collectieve sector, öf zij moeten gevonden worden in salarissen en overdrachten, maar dan hebben wij het weer over een inkomensbeleid, waar men dan evengoed rechtstreeks op kan afstevenen. Daarbij is natuurlijk wel denkbaar dat men dit beleid voert vanuit een trendzettend beleid van de overheid, maar zulk een beleid moet natuurlijk toch zijn doorwerking hebben in het bedrijfsleven. 3. Groei en structuur van de consumptie nodigen uit tot hernieuwde bezinning op de betekenis van de belastingen, met name de verhouding tussen directe en indirecte belastingen. Pleit een selectieve groeiaanpak op zich al voor accent op de indirecte belastingen -sprak ik hier het vorige jaar niet van bepaalde selectieve indirecte belastingen -de argumenten hiervoor worden nu nog versterkt door onze tekorten op de lopende rekening. De marginale invoerquote van de consumptie is zeer sterk toegenomen en daar mag men best consequenties uit trekken. 4. Die zelfde te sterke consumptiegroei wordt sterk bevorderd door de kredietverlening. Het consumptieve krediet, maar ook de hypotheken spelen daarbij een grote rol; ook moet ik aandacht vragen voor andere vormen van krediet. Alles bij elkaar gaat het om een gigantische ontwikkeling. Het beleid poogt thans, de banken te beheersen wat betreft hun kredietexpansie. De methodes die nu worden gevolgd, met name het punt dat de banken over voldoende eigen middelen moeten kunnen beschikken om hun kredietverlening op te voeren, geeft natuurlijk wel enige afremming, maar betekent in de praktijk toch dat zij zich zeer behoorlijk wenden tot diezelfde kapitaalmarkt, daarmee de rente omhoog stuwen, of de overheid van diezelfde markt wegdrukken. Wij komen terug in types van problematiek zoals wij die vroeger ook in Nederland hebben gekend. Het gaat misschien allemaal veel sneller dan wij gedacht hebben. Wij zullen verder moeten komen dan het op zichzelf zeer te waarderen punt van de restrictie van de consumptieve kredietverlening, het Madurodambestedingsbeperkingsplan zoals collega Nijhof het zo mooi uitdrukte. Gaat men verder, dan stoot men op meer samenhangen-de problemen. Als men over de comsumptie-ontwikkeling nadenkt, komt men onder meer op de relaties met de fiscale structuren. Het punt van de renteaftrekken komt bij voorbeeld aan de or-de bij de beslissingen over de voorstellen-Hofstra en daarmee samenhangende vraagstukken. Wij laten het voor vandaag rusten, maar willen het kabinet er wel op wijzen in welke bre-de mate er in de Kamer vandaag over gesproken is. De tijd dringt; bij de te maken afwegingen doet men er goed aan mee te wegen de sterk verminder-de spaarquote waar wij nu mee worden geconfronteerd en de mede dankzij renteaftrek conspicious -in goed Nederlands opvallende aandachttrekkende -consumptie. Het siert om door de cijfers heen te zien naar de realiteiten van de samenleving. 5. Ten slotte wil ik erop wijzen, dat de extra inspanningen in het kader van de WIR en bijdragen aan de socialeverzekeringsfondsener is meer "gedaan zijn onder de verwachting van in-verdieneffecten. Welnu, de WIR heeft geleid tot meer investeringen, maar hebben de bijdragen in de sociale verzekeringen inderdaad tot de beoogde arbeidskostenmatiging geleid? De volumeontwikkeling in de sociale verzekeringen is tot nu toe in ieder geval geen succes. Toch zijn de rijksbijdragen aan de sociale verzekeringen inmiddels opgelopen tot 9,8 mld. en dat betekent dat zij -uitgedrukt in de uitgaven in die sectorzijn opgelopen van 5,2% in 1974 tot 14,9% in 1979. Moeten de sociale partners er niet op gewezen worden, dat dit bij de nood van het financieringstekort zo niet door kan gaan? Bij ontbreken van succesvol volumebeleid kan hier niet van een automatisch recht gesproken worden. In het geheel van het toentertijd opgezette expansiepakket spreek ik juist hierover, omdat de ontwikkeling van particuliere op consumptie gerichte inkomens, profiterend van deze rijksbijdragen, zich het verst verwijderd heeft van het voorgenomen beleid. Dit alles kan voor 1980 en volgen-de jaren worden besproken met de sociale partners. Het is niet goed een beleid ieder half jaar weer fors bij te stellen. Maar an-

Bestek '

81

derzijds is een aantal trends onmiskenbaar. De Regering doet er goed aan voordat zij over enkele maanden haar nieuwe Miljoenennota maakt overleg te plegen met de sociale partners, hen te confronteren met de alternatieven en in het licht daarvan besluiten te nemen voor een noodzakelijke aanvulling op de koers. Wij hebben daarvoor wederom bouwstenen aangedragen. Dat brengt mij terug bij het specifieke financieringsprobleem waar wij nu voor staan. Bij al onze zorgen over dat fors uitvallende tekort, hebben wij bepaalde punten toch op prijs gesteld. Gemeten vanuit de doelstelling werkgelegenheid heeft de Regering veel aan gericht beleid gedaan. Ik denk bij voorbeeld aan het noorden en Zuid-Limburg, beleid voor zwakke regio's is beleid dat dubbel telt. Een werkloosheidspercentage voor bij voorbeeld 10 is niet tweemaal zo erg als 5, maar valt in feite in de categorie onaanvaardbaar. Daarom terecht zeer in-tensief regionaal beleid. Ook de regionale VUT is natuurlijk wél een goede zaak. Wij zijn blij met het plan Gardeniers-Albeda in de quartaire sector. De motie-Van Rooijen vroeg erom. Wordt dit plan nu effectief uitgevoerd? Het was niet bedoeld als een tegemoetkoming aan de Kamer, neem ik aan, maar het was bedoeld als een daadwerkelijk plan voor werkgelegenheid. Kan het nog dit jaar? Wij zijn ook ongeduldig -om het zacht uit te drukken -over het sector-beleid en het arbeidsplaatsencriterium. Dit alles is de ene kant van de medaille, de expansieve kant. De andere kant is de aankondiging van de noodrem. Er zijn tegenvallende belastingopbrengsten, zo wordt ons gemeld. Welnu, compenseer die dan in dezelfde sector, zo is onze eerste reactie. Dit soort reacties hebben wij geleerd van de Ministervan Financiën. Versnelde inning, akkoord. Voor zover de problematiek incidenteel is, is deze methode zelfs voor de hand liggend. Voor zover de tegenvallers structureel zijn, helpt het natuurlijk niet écht, maar voor structurele tegenvallers geeft ook temporisering van de uitgaven -nog afgezien van het feit, dat uitgerekend de investeringen erdoor getroffen worden -geen echt soelaas. Zoals ik zojuist al zei: ieder half jaar nieuwe maatregelen is niet goed. Wij zouden eigenlijk nieuw inzicht moeten hebben in aard en tijdelijkheid van de overschrijding van het financieringstekort. Ter goed begrip: ook wij willen geen overschrijding van de 6%. Voor zover het gaat om relatief kleine bedragen, hoeven wij er nu niet verder over te spreken. Vorig najaar zei ik immers op deze plaats: 'Is het niet verstandig ons in te stellen op een procedure, die samen kan lopen met de voorbereiding van de voorjaarsnota, waarin naast de compensaties conform de regels voor het stringente begrotingsbeleid wellicht een extra inspanning de gehele rijksbegroting betreffend zal moeten worden geleverd?' Tot zover geen probleem, tenminste zolang de Ministervan Financiën meent niet tot substantiële extra ombuigingen te hoeven komen. Dit als reactie op wat de Voortgangsnota over het financieringstekort schrijft. Dit echter lezend en herlezend, ontstaat de neiging verder door te denken. Het is intussen natuurlijk niet uitgesloten, dat de financieringssituatie verder verslechtert en de Minister van Financiën dwingt toch reeds in dit jaar nadere besluiten te nemen. Daartoe ten slotte het volgende. In dit betoog spraken wij met nadruk over de te sterke inkomensontwikkeling en over de nog sterkere consumptie-ontwikkeling. Is een verkleining van het tekort nog dit jaar nodig -en kan dit niet in verdere ombuigingen gevonden worden -dan moet men zich niet dogmatisch voor hogere inkomsten voor het rijk afsluiten. Juist de 1 % hoger uitkomende inkomensontwikkeling dan verwacht werd, moet het mogelijk maken de afwenteling van daartoe nodig beleid, bij voorbeeld selectieve indirecte belastingmaatregelen, te vermijden. Dat moet toch juist in deze specifieke situatie bespreekbaar zijn? Tot nu toe vindt de Minister van Financiën iets dergelijks niet nodig. Ik verwijs naar de Voortgangsnota. Dat kan echter wel actueel wórden. Nieuwe maatregelen kunnen aanhaken op nieuwe cijfers, op tegenvallende belastingopbrengsten, op te sterke inkomensontwikkeling of op de verscherping van de energiecrisis. Vooral dat laatste is een nieuw feit, waarvan wij de gevolgen niet moeten onderschatten. Wij komen daar nog afzonderlijk over te spreken aan de hand van de brief van de Minister van Economische Zaken. In dit debat wil ik vaststellen, dat wij die gevolgen niet door passiviteit mogen afwentelen op de werklozen van vandaag én van morgen. Zijn er aanvullende inkomsten voor het rijk nodig, dan vergt zulks overleg en beraad. Daarop loop ik nu niet vooruit en niet omdat de Regering kennelijk zélf rekening houdt met de mogelijkheid dat zulk een tussentijdse beleidsbijstelling niet nodig is en omdat het natuurlijk veel waard is een goed en open beraad met de sociale partners voor 1980 niet bij voorbaatte bruskeren. Dat element kan worden meegewogen. Ik vat mijn betoog kort samen, waarbij ik de belangrijkste hoofdstukken aanduid. -In de voortgangsnota zelf, als overwegend financieel stuk, kunnen wij ons globaal vinden. -Wij hebben veel aandacht gevraagd voor inkomens-en arbeidsmarktbeleid. -Wij hebben een kader geschetst voor de oplossingen van de vragen die ruim vóór 1 juli beantwoording behoeven. -Wij hebben aandachtspunten geformuleerd voor een tussentijdse aanvulling om de doelstellingen van Bestek '81 veilig te stellen in veranderen-de omstandigheden, te bespreken met de sociale partners en in beginsel vanaf begin 1980 door te voeren. Daarbij is nu toch eigenlijk wel haast geboden. Ik zeg in beginsel vanaf 1980 want wij hebben, voor het geval er nog dit jaar op korte termijn ernstiger financiële problemen voor de rijkskas blijken, met het oog daarop ook onze opvattingen willen geven. Laten wij de ernst van de situatie goed zien. Zorgvuldige vormgeving aan ombuigingen en inkomensbeleid zullen hand in hand moeten gaan, evenzeer hand in hand als kostenmatiging en gericht beleid. Daarover hebben wij ook nu weer gesproken. Overheid en bedrijfsleven, individuele bedrijven en burgers, ieder heeft het zijne te doen. Wij kunnen elkaar niet tot alibi blijven. De Regering geve richting aan de te leveren inzet. De beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 13.12uur tot 14.00 uur geschorst.

©

De Voorzitter: Naar aanleiding van het verzoek van het lid Kombrink in de vergadering van gisteren heb ik een brief ontvangen van de bewindslieden van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening inzake de Woningbouw 1979 (15558). Deze brief zal worden gedrukt en rondgedeeld. Regeling van werkzaamheden

De Voorzitter: Ik stel voor, aan de orde te stellen en te behandelen bij de aanvang van de vergadering van donderdag 3 mei a.s.:

Bestek '81 Ingekomen stukken Regeling van werkzaamheden

Gesprek tussen mevrouw LambersHacquebard ID'661 en de heer Den Uyl (PvdA)

Wetsontwerp Wijziging van de Algemene militaire pensioenwet en andere overheidspensioenwetten (15461). Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ook stel ik voor, de stemmingen over de tijdens de openbare commissievergadering over de Brieven van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne inzake het recombinant DNA-onderzoek en nader gewisselde stukken (14438) ingedien-de moties -indien voldoende ondersteund -te weten: de motie-Beckers-de Bruijn over het kennis geven aan andere belanghebbenden dan de aanvrager van een advies omtrent recombinant DNA-werkzaamheden (14438, nr. 8); de motie-Beckers-de Bruijn over openbaarheid van gegevens, overwegingen en adviezen van de commissie ad hoc (14438, nr. 9); de motie-Beckers-de Bruijn over het gebruik maken van de resultaten van de commissie ad hoc door de breed samengestelde commissie (14438, nr. 10); de motie-Beckers-de Bruijn over een maatschappelijke beoordeling van recombinant DNA-werkzaamheden (14438, nr. 11); de motie-Beckers-de Bruijn over eventuele niet-vreedzame toepassingen van recombinant DNA-werkzaamheden(14438, nr. 12); de motie-Beckers-de Bruijn over een vertegenwoordiging in de breed samengestelde commissie van het veiligheidstoezicht bij laboratoria (14438, nr. 13); de motie-De Boois over het inlichten door de commissie ad hoc van de organen die sterk bij de advisering en de wetgeving zijn betrokken (14438, nr. 14); de motie-Lansink over een discussienota ter zake van een kaderwet voor de wetenschapsbeoefening (14438, nr. 15); de motie-Lansink over de in Europees verband af te stemmen veiligheidsmaatregelen tegen conjecturale risico's in verband met DNA-onderzoek(14438, nr. 16); te houden bij de aanvang van de vergadering van dinsdag, 15 mei a.s. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Verder stel ik voor, de stemmingen over de tijdens de openbare commissievergadering over de Nota inzake de kankerbestrijding (15426, nr. 3) ingediende motiesindien voldoende ondersteund -te weten: de motie-Lansink over het opstellen van een vijfjarenplan ter zake van de kankerbestrijding (15426, nr. 5); de motie-Krouwel-Vlam over de verantwoordelijkheid van de overheid voor de gezondheid van de bevolking (15426, nr. 6); de motie-Wessel-Tuinstra over een landelijk kanker registratiesysteem (15426, nr. 7);

de motie-Beckers-de Bruijn over de opzet van het kankerregistratiesysteem (15426, nr. 8); de motie-Beckers-de Bruijn over de gezondheidsvoorlichting (15426, nr. 9); de motie-Lansink en Borgman over het wetenschappelijk onderzoek (15426, nr. 10); de motie-Lansink en Borgman over de financieringsmogelijkheden voor de kankerbestrijding (15426, nr. 11); de motie-Borgman en G. M. P. Cornelissen over het terugdringen van reclame voor tabak en tabaksartikelen (15426, nr. 12); de motie-Borgman over alternatieve kankertherapieën (15426, nr. 13); de motie-Verkerk-Terpstra over het opnemen van borstprothesen in het ziekenfondspakket (15426, nr. 14); de motie-Wessel-Tuinstra over voedingsonderzoek (15426, nr. 15); de motie-Beckers-de Bruijn over het voorgenomen prospectieve onderzoek van de Moermanmethode (15426, nr. 16); de motie-Krouwel-Vlam over de kankerresearch (15426, nr. 17); de motie-Krouwel-Vlam over het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker (15426, nr. 18); de motie-Verkerk-Terpstra over de samenstelling van verpakte voedings-en genotmiddelen (15426, nr. 19); te houden bij de aanvang van de vergadering van dinsdag, 15 mei a.s. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ten slotte stel ik voor, aan de orde te stellen en te behandelen bij de aanvang van de vergadering van woensdag, 9 mei a.s.: de verslagen van de Commissie voor de Verzoekschriften over een aantal in haar handen gestelde adressen(15324, nrs. 54 t/m 69). Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Omdat de Staatsssecretaris van Binnenlandse Zaken in het buitenland verblijft, moet de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van artikel 5 van de Financiële-Verhou dingswet 1960 (15158) worden uitgesteld. Ik stel nader voor, dit wetsontwerp te behandelen in de vergaderingen van 22 en 23 mei a.s.

Daartoe wordt besloten.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.