Brief van De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Echte-minimabeleid

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 14

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGE-

LEGENHEID

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage, 17 september 1984 Tijdens de behandeling van de Notitie inzake enkele aspecten van het echteminimabeleid (Tweede Kamerzitting 1983-1984, 18192, nr. 2) in de uitgebreide commissievergadering van 5 maart jl. is met betrekking tot de financiële situatie van de echte minima het rapport «Minima zonder marge» enkele malen ter sprake gekomen. Bij deze gelegenheid heb ik toegezegd schriftelijk nader op dit rapport te zullen ingaan. Bij brief van 28 juni jl. verzocht de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit bij een afzonderlijke reactie te doen. In onderstaande reactie wordt eerst aandacht besteed aan het onderzoeksrapport als zodanig. Vervolgens wordt ingegaan op de op grond van het onderzoek door de betrokken sociale diensten getrokken conclusies ten aanzien van de positie van de echte minima. Ten slotte wordt gereageerd op de in het rapport opgenomen aanbevelingen met betrekking tot het ten aanzien van deze groep te voeren beleid. Alvorens op het rapport zelf in te gaan, wil ik niet verzuimen mee te delen dat ik waardering heb voor dit initiatief van tien gemeentelijke sociale diensten. De lokale overheden komen frequent en intensief in aanraking met de problematiek van deze groep. Het streven deze ervaringen, door feiten onderbouwd, in een rapport neer te leggen met het doel materiaal ten behoeve van het landelijk gevoerde beleid aan te dragen, lijkt mij ook een logisch uitvloeisel te zijn van de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de uitvoering van de Algemene Bijstandswet. Niettemin heb ik bezwaren tegen de onderzoeksmethodiek, de presentatie van de gegevens en de daaraan verbonden conclusies.

I. Kwaliteit van het onderzoeksrapport Met het rapport «Minima zonder marge» wordt beoogd een oordeel te geven over het overheidsbeleid voor zover dit de financiële positie van de echte minima raakt. In dit verband moet als eerste de vraag aan de orde worden gesteld, of in het rapport een juist beeld van de bestedingsmogelijkheden van deze groep wordt geschetst. Bij de beantwoording van deze vraag dringen zich de volgende kritiekpunten op hoofdlijnen op.

Afwijkende inkomens-en kostenniveaus Zoals ook uit de aanbevelingen blijkt, wordt in het rapport een duidelijk verband gelegd tussen de onderzoeksgegevens en de conclusies, die daaruit worden getrokken ten aanzien van in het bijzonder de hoogte van het sociaal minimum. Dit wordt bemoeilijkt door de omstandigheid dat de onderzochte groep huishoudens niet alle een inkomen ontvangen ter hoogte van dit sociaal minimum. Een deel van de huishoudens, die bij het onderzoek waren betrokken, ontving een inkomen dat het sociaal minimum in uiteenlopende mate te boven ging. Een groter deel echter ontving een inkomen dat beneden de voor de desbetreffende huishoudens geldende bijstandsnorm uitkwam. Het rapport biedt geen verklaring voor de aanzienlijke mate waarin de onderzochte huishoudens een inkomen hadden dat gelegen was onder het door de Algemene Bijstandswet gegarandeerde minimum bestaansniveau. Op grond van gegevens die mede betrekking hebben op huishoudens met een lager inkomen kunnen niet onverkort conclusies worden getrokken ten aanzien van het sociaal minimum. In het rapport wordt aan dit probleem geen aandacht geschonken. Een soortgelijke vertekening doet zich voor met betrekking tot de bestedingen. Op blz. 57 wordt vermeld dat ongeveer 14 procent van de huishoudens geen huursubsidies heeft aangevraagd, hoewel daar wel recht op zou bestaan. Ook deze omstandigheid bemoeilijkt het zicht op de conclusies die hieruit ten aanzien van het beleid moeten worden getrokken. Het beleid dat ten aanzien van de woonlasten wordt gevoerd is gebaseerd op de veronderstelling dat rechthebbenden inderdaad huursubsidie ontvangen. Bij de beoordeling van de bijstandsnorm moet daar dan ook van worden uitgegaan. Indien zou blijken dat de bestedingsproblematiek zich vooral concentreert bij degenen die ten onrechte geen huursubsidie ontvangen, liggen andere beleidsmatige conclusies in de rede dan in het geval ook degenen met huursubsidie zich in een ernstige financiële situatie bevinden. Zoals het rapport nu ter tafel ligt, is onduidelijk welke invloed van de niet aangevraagde huursubsidie is uitgegaan op de bestedingsmogelijkheden.

Inkomensbegrip In het rapport worden twee inkomensbegrippen gebruikt. Eén heeft betrekking op het totale inkomen en omvat alle periodieke inkomens van alle leden van het huishouden. In het andere gehanteerde inkomensbegrip is uitsluitend het inkomen van de kostwinner en de eventuele partner opgenomen. Bij beide definities zijn jaarlijks uitbetaalde inkomensbestanddelen buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat de reguliere, door iedereen op het niveau van het sociaal minimum ontvangen en ter vrije beschikking staande, inkomenselementen die door vakantiegeld en eenmalige uitkering worden gevormd, niet in het inkomen zijn opgenomen. Dit leidt tot een onderschatting van het besteedbaar inkomen per maand van een echtpaar met f75 vakantiegeld en f48 eenmalige uitkering, in totaal f123 (niveau 1983). Van de twee gebruikte inkomensbegrippen is het tweede, waarbij slechts rekening wordt gehouden met het inkomen van de kostwinner en zijn eventuele partner, minder geschikt om zich een beeld te vormen van de bestedingsmogelijkheden van de echte minima. Immers, in het tweede begrip is de kinderbijslag niet opgenomen. Ook kinderbijslag is een regulier inkomensbestanddeel dat de ouders ter vrije besteding staat. Aangezien in een huishouden met 2 kinderen gemiddeld f250 per maand kinderbijslag wordt ontvangen, geeft de tweede definitie een aanzienlijke onderschatting van het inkomen. Gezien dit, ook door de rapporteurs onderkende, belang van deze inkomensbron is het opvallend dat beide

inkomensbegrippen worden gehanteerd, hetgeen verwarring schept. In het hoofdstuk «Samenvatting en conclusies» worden bij voorbeeld de woon-en energiekosten niet betrokken op het totale gezinsinkomen, waarbij de kinderbijslag is inbegrepen, maar op uitsluitend het inkomen van de partners.

Vastelastenbegrip

Door aan het inkomen de vaste lasten te relateren, wordt in het rapport een beeld gepresenteerd van de bestedingsmogelijkheden van de sociale minima. Hoewel het algemeen gebruikelijk is onder vaste lasten de woon-en energiekosten en de kosten voor ziektekostenverzekering te verstaan, wordt in «Minima zonder marge» een uitgebreider pakket uitgaven tot de vaste lasten gerekend. Ook uitgaven aan telefoon, krantenabonnement, openbaar vervoer en lidmaatschappen worden als «vaste lasten» beschouwd. Deze brede definitie van het begrip vaste lasten leidt tot een vertekening van de bestedingspositie van de echte minima. Uit het inkomen dat resteert na aftrek van de vaste lasten zoals dat in het rapport wordt gedefinieerd, behoeven immers minder uitgaven te worden gedaan dan algemeen wordt begrepen onder «vrij besteedbaar inkomen» of «variabele uitgaven». Daarnaast wordt de suggestie gewekt dat al deze vaste lasten onontkoombaar zijn, dat de uitgaven aan deze posten onbeïnvloedbaar zijn. Hierin is namelijk de zin van het begrip vaste lasten gelegen: de mogelijkheden tot bezuiniging op de bestedingen worden beperkt door de uitgaven die niet of niet op korte termijn vermeden kunnen worden. Dat geldt niet voor alle uitgaven die door de onderzoekers in de categorie vaste lasten zijn opgenomen. Hoewel op blz. 76 wordt gesteld dat hiermee «geen politieke uitspraak over het al dan niet behoorlijke van deze uitgaven» wordt gedaan, is dat in feite wel het geval. De indruk wordt gewekt dat deze uitgaven alle onvermijdelijk zijn. Om deze redenen zou het de voorkeur hebben verdiend, de «overige periodieke uitgaven», de bestedingscategorie die de post «vaste lasten» meer doet zijn dan daar algemeen onder wordt verstaan, hier niet op te nemen. Voor een echtpaar met kinderen bedroegen volgens het rapport deze overige periodieke uitgaven gemiddeld f332 per maand.

Schulden Aan de schulden van de ondervraagden wordt terecht uitgebreid aandacht besteed. De aflossing van schulden, welke post niet is begrepen in de zojuist besproken «overige periodieke uitgaven», betekent een uitgave, waartoe men vaak langdurig verplicht is en die ten koste van het vrij besteedbaar inkomen gaat. In het rapport wordt helaas geen uitsluitsel gegeven over de vraag of de schulden zijn ontstaan tijdens afhankelijkheid van het bestaansminimum of juist zijn aangegaan in een periode waarin men een hoger inkomen had. Daarnaast is van belang te weten, welke bestedingen met de geleende middelen zijn gefinancierd en in welk totaal bestedingspatroon dit gebeurde. Zonder deze gegevens bestaat onvoldoende inzicht in de betekenis van de relatief hoge percentages één-ouder gezinnen en echtparen met kinderen die schulden hebben.

II. Conclusies van het onderzoeksrapport Mede op grond van het bovenstaande moeten de volgende kanttekeningen worden geplaatst bij de in het rapport gepresenteerde gevolgtrekkingen uit de onderzoeksresultaten.

Vaste lasten

Op blz. 138 wordt in tabelvorm een overzicht gegeven van het aantal huishoudens dat meer dan een bepaald percentage van het inkomen aan woon-en energiekosten besteedt. Volgens de tabel op blz. 138 zou een echtpaar met kinderen gemiddeld 33,6 procent van het inkomen aan woon-en energiekosten besteden. Deze aandelen zijn evenwel berekend naar het maandinkomen van uitsluitend kostwinner en partner, waarbij ten onrechte de eventuele kinderbijslag, het vakantiegeld en de eenmalige uitkering buiten beschouwing zijn gelaten. De woon-en energiekostenquotes zijn derhalve lager dan deze tabellen suggereren. De gegevens die in tabel 22 (blz. 68) zijn opgenomen laten een beter inzicht toe, omdat hier deze kosten ook zijn afgezet tegen het totale gezinsinkomen, dat wil zeggen het inkomen inclusief kinderbijslag. Uitgaande van het totale gezinsinkomen, zoals in dit rapport gedefinieerd, geeft een echtpaar 28 procent van het inkomen aan de woning en energie uit. Worden ook het vakantiegeld en de eenmalige uitkering bij het inkomen getrokken, dan wordt 26 procent van het inkomen aan de vaste lasten besteed.

Vrij besteedbaar inkomen

Een van de belangrijkste conclusies van het onderzoek, die ook in de publiciteit de.meeste aandacht heeft gekregen, is dat 10 procent van de huishoudens minder dan f300 per maand overhoudt «om van te leven» (blz. 141). Uit tabel 32 (blz. 98) blijkt dat dit percentage voor huishoudens met kinderen 8 bedraagt. Voor de beoordeling van dit gegeven worden de hierboven gemaakte opmerkingen in herinnering gebracht. Samenvattend komen deze hierop neer: -10 procent van de echtparen met kinderen had een inkomen dat meer dan f 100 per maand onder de bijstandsnorm gelegen was; -bedacht moet worden dat bij het in het rapport gehanteerde begrip «inkomen» het vakantiegeld en de eenmalige uitkering, samen f123 per maand, buiten beschouwing zijn gelaten; -over alle huishoudtypen te zamen beschouwd, zou 14 procent geen huursubsidie ontvangen omdat men deze niet had aangevraagd; -in het onderzoek wordt een ruim begrip «vaste lasten» gehanteerd; wat algemeen onder vaste lasten wordt verstaan betreft een uitgavenpakket dat, uitgaande van de in het rapport opgenomen gegevens, voor een echtpaar met kinderen gemiddeld f332 per maand minder bedraagt dan hetgeen in «Minima zonder marge» wordt gebruikt.

Deze opmerkingen overziende moet de conclusie worden getrokken dat huishoudens op het sociaal minimum een aanzienlijk groter bedrag ter vrije besteding overblijft dan op grond van het rapport «Minima zonder marge» zou worden verondersteld. De wijze waarop de onderzoeksgegevens zijn weergegeven laat het niet toe te berekenen hoeveel meer dit is. Daarvoor is het bij voorbeeld nodig te weten wat de uitgaven waren van de huishoudens met een inkomen onder het niveau van het sociaal minimum in combinatie met het tè>i onrechte niet ontvangen huursubsidie.

Schulden Op blz. 142 wordt gesteld dat «het voorkomen van schulden, om welke reden dan ook, een indicatie is dat de inkomsten van huishoudens op het niveau van het sociaal minimum achterblijven bij de uitgaven». Dit is slechts het geval indien de schulden zijn aangegaan in de periode dat men inderdaad een inkomen op het niveau van het sociaal minimum ontving. Het rapport biedt hierover, zoals hierboven reeds aangegeven,

geen uitsluitsel. Bovendien is het voor een -politieke -beoordeling van het voorkomen van schulden en de conclusie die op grond daarvan ten aanzien van het niveau van het sociaal minimum moet worden getrokken, nodig te weten voor welke uitgaven deze schulden zijn aangegaan en ook binnen welk totaal uitgavenpatroon deze tot stand kwamen. Ook hierover wordt geen informatie gegeven.

III. Aanbevelingen van het onderzoeksrapport Op grond van de onderzoeksresultaten wordt een aantal aanbevelingen geformuleerd ten aanzien van het met betrekking tot de echte minima te voeren beleid. Voor zover deze het op rijksniveau gevoerde inkomensbeleid betreffen, ga ik hieronder op enkele van deze aanbevelingen nader in. Vooraf dient echter nog een opmerking te worden gemaakt. Uit het bovenstaande is duidelijk, dat ik een aantal conclusies uit het rapport «Minima zonder marge» niet onderschrijf. Het vrij besteedbaar inkomen van de huishoudens met een sociaal minimum is meer dan de bedragen die in dit rapport worden genoemd. Derhalve deel ik ook niet de conclusie die in de inleiding van het hoofdstuk «Aanbevelingen» vermeld wordt, namelijk dat «het onderzoek heeft aangetoond, dat in een groot deel van de huishoudens met een minimum inkomen de inkomsten structureel achterblijven bij de uitgaven voor de vaste en variabele lasten». Het onderzoek bevat naar mijn oordeel te weinig informatie om de bewering te kunnen staven dat uit de huidige bijstandsnorm de uitgaven voor de noodzakelijke kosten van het bestaan niet gedaan zouden kunnen worden. Hieruit moet echter niet de conclusie worden getrokken dat het kabinet van oordeel zou zijn dat de financiële positie van de echte minima een onbezorgde houding zou toelaten. Integendeel. Daartoe gedwongen door de economische ontwikkelingen en de toestand van de overheidsfinanciën is de afgelopen jaren een beleid gevoerd dat van velen financiële offers heeft gevraagd. Deze koopkrachtdaling is vooral bij degenen met de laagste inkomens hard aangekomen. Het kabinet is zich daarvan bewust en tracht dan ook, binnen de mogelijkheden die het daarvoor aanwezig acht, de koopkracht van de echte minima zoveel mogelijk te beschermen. De voorstellen met betrekking tot de dit jaar te verlenen uitkering aan de echte minima mogen daar van getuigen: met een maximale uitkering voor een echtpaar met 2 kinderen, dat tot de groep van de meerjarige echte minima behoort, van f1115 wordt het inkomen op maandbasis met ruim f90 verhoogd.

In hoeverre de komende jaren de Wet herziening aanpassingsmechanismen (WAM) weer gehanteerd kan worden, zal echter naar de opvattingen van het kabinet afhankelijk moeten worden gesteld van de economische omstandigheden, hoezeer ook de vraag naar de hoogte van het bestaansminimum legitiem is en voortdurend aan de orde moet worden gesteld. Overigens moet worden bedacht dat ook bij toepassing van de WAM, afhankelijk van de algemene inkomensontwikkeling, koopkrachtverlies voor de minima kan ontstaan. Het in de Algemene Bijstandswet vastgelegde minimum met betrekking tot de noodzakelijke kosten van bestaan is een relatief minimum en wijzigt zich dus met wijzigingen in het algemene welvaartniveau. In aanbeveling 5 wordt met een pleidooi voor verhoging van de kinderbijslagbedragen de aandacht gevestigd op de specifieke problemen van gezinnen met kinderen. Het kabinet is ervan overtuigd dat de financiële problemen op het niveau van het sociaal minimum zich concentreren bij de echtparen met kinderen. Het kabinet is echter van mening dat de uitgangspunten van de kinderbijslag ook van kracht zijn op het minimumniveau. Dat will zeggen dat ook van ouders met een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm een eigen financiële verantwoordelijkheid voor de kinderen wordt gevergd. Mede vanwege de gevolgen daarvan voor de inkomensverhoudingen is het kabinet geen voorstander van een inkomensafhankelijke kinderbijslag, zoals ook in «Minima zonder marge» wordt bepleit. Een

algemene verhoging van de kinderbijslagbedragen, zoals in het rapport eveneens wordt bepleit, stuit naar de opvattingen van het kabinet op financiële bezwaren. Ook aan de naar voren gebracht gedachte van aparte compensaties voor de minima kleven nadelen. Het is immers een vorm van inkomensafhankelijke kinderbijslag. In aanbeveling 6 wordt een verhoging van de norm voor de alleenstaanden bepleit op grond van het gegeven dat deze groep met de hoogste woonkostenquoten wordt geconfronteerd. Dit pleidooi is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de woonkosten bij elke huishoudcategorie op eenzelfde procentueel aandeel van het inkomen beslag moeten leggen. Hiermee wordt echter geen recht gedaan aan de gedachten, die ten grondslag liggen aan de opbouw van de alleenstaandennorm. De keuze voor een norm van 70 procent, in plaats van 50 procent, voor alleenstaanden is immers juist gebaseerd op het gegeven dat het absolute bedrag voor de woonkosten voor een alleenstaande ongeveer gelijk is aan die voor een echtpaar en dat de overige bestedingen wel afhangen van de omvang van het huishouden. Hieruit volgt dat alleenstaanden bij een zelfde bestedingsniveau een groter aandeel van het inkomen aan woonkosten moeten en kunnen uitgeven. In de aanbevelingen 14, 15 en 16 wordt aandacht besteed aan de reserveringsruimte van het sociaal minimum. In het bijstandsbeleid wordt ervan uitgegaan dat van de bijstandsnorm tenminste 10 procent opzij kan worden gelegd voor uitgaven die niet regelmatig terugkomen, zoals de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Dit wel als «reserveringsruimte» aangeduide bedrag fungeert als norm voor de aflossing van leenbijstand. In «Minima zonder marge» wordt gesteld dat «de geconstateerde hoge mate van verschuldiging het begrip reserveringsruimte fictief maakt». Inderdaad blijkt uit tabel 35 (blz. 105), dat ongeveer de helft van de onderzochte huishoudens een of meer schulden heeft en dat ongeveer een derde een schuldsom heeft van meer dan f1000. Gemiddeld, zo blijkt uit tabel 41 (blz. 115), bedraagt de aflossing f145 per maand, als de huishoudens die hun schuld niet aflossen of geen schuld hebben buiten beschouwing worden gelaten. Uit deze gegevens volgt echter niet, dat het begrip reserveringsruimte een fictie zou zijn geworden. De helft van de huishoudens heeft geen schulden. Ook bij de huishoudens met kinderen, waar de schuldproblematiek zich lijkt te concentreren, is de aanwezigheid van schulden niet algemeen: ongeveer eenderde van deze huishoudens heeft geen schuld. Bij de huishoudens met schulden kan de problematiek zeer verscheiden zijn. Als de schuld is aangegaan voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, vervult de aflossing van de schuld de functie van een reservering achteraf. Financiële moeilijkheden kunnen zich voordoen indien de hoogte van de aflossing, bij voorbeeld van een schuld die is aangegaan bij een hoger inkomen, de mogelijkheden bij het minimumniveau te boven gaat of indien de noodzaak van de aanschaf van verscheidene duurdere goederen zich op één moment voordoet. In deze gevallen wordt door de sociale diensten gezocht naar op de individuele situatie toegesneden oplossingen. Een algemene buitenwerkingstelling van het uitgangspunt dat op bijstandsniveau een zekere reserveringsruimte bestaat, zoals in «Minima zonder marge» bepleit, doet geen recht aan het hierboven aangeduide diverse beeld. Ook in de situaties waarin aflossingsverplichtingen kunnen worden nagekomen, zouden deze verplichtingen met zo'n benadering ophouden te bestaan. Dit is uiterst onbillijk ten opzichte van degenen die, mogelijk gemaakt door een ander uitgavenpatroon, de grotere uitgaven hebben gedaan zonder daarvoor schulden aan te gaan. Het voorstel betekent in feite ook dat wordt aangenomen dat huishoudens op minimumniveau niet meer de financiële mogelijkheden zouden hebben de grotere uitgaven te doen. Indien de noodzaak daartoe zich voordoet, zouden de hieraan verbonden uitgaven blijkbaar moeten worden voldaan uit incidentele bijstand om niet. Dit komt overeen met een verhoging van de bijstandsnorm

met ongeveer f 150 per maand, zijnde de hoogte van de minimale reserveringsruimte voor een echtpaar. Bovenstaande opmerkingen laten onverlet dat het gegeven, dat bijna de helft van de onderzochte huishoudens schulden heeft, zorgwekkend is.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.