Brief van De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Uitvoering van de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 141

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGE-

LEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-Gravenhage, 20 augustus 1984 Overeenkomstig mijn tijdens het mondeling overleg op 21 juni 1984 (18123, nr. 13) gedane toezeggingen zend ik u hierbij toe 1. het verslag van het gesprek dat op 19 juli 1984 door het Hoofd en enkele medewerkers van de Directie Bijstandszaken is gevoerd met vertegenwoordigers van de VNG en DIVOSA over de voorgenomen invoering van een 60%-norm voor alleenstaanden die te zamen met een of meer andere personen een woning bewonen (bijlage 1);2 2. mijn commentaar op de adviezen van het College Algemene Bijstandswet, de Emancipatieraad en de Raad voor de Volkshuisvesting (bijlagen 2, 3en4).2

Het gevoerde gesprek met de VNG en DIVOSA geeft mij geen aanleiding mijn standpunt ten aanzien van de bijstandsnormen in geval van woningdeling te wijzigen. Zoals uit het verslag blijkt geven VNG en DIVOSA aan dat hun bezwaren in hoofdzaak van principiële aard zijn. De VNG acht een verandering in de zogenaamde allin norm overigens denkbaar op grond van zwaarder wegende argumenten. De principiële kant van de maatregel is reeds uitvoerig in het overleg met uw commissie aan de orde geweest. Dat geldt ook voor een aantal van de opmerkingen die op de uitvoering als zodanig betrekking hebben. Op enkele bezwaren zal ik nog ingaan. De veronderstelling dat nu inkomensgegevens van inwonende kinderen een rol zouden gaan vervullen bij de uitkering van de ouders berust op een te extensieve interpretatie van de tekst van artikel 10c. In de nieuwe regeling wordt de bestaande korting wanneer niet afhankelijke kinderen inwonen verhoogd. De uitzonderingsbepaling beoogt die korting buiten toepassing te stellen als het kind zelf een bijstandsuitkering krachtens de R.w.w. heeft als thuisinwonend kind en tevens een hardheidsclausule te zijn voor incidentele gevallen. Dit artikel zal worden verduidelijkt. Dat de maatregel problemen zou geven voor woongroepen van bejaarden kan ik niet inzien. Bejaarden ontvangen AOW en zijn niet afhankelijk van bijstand. De fraudegevoeligheid van het criterium is niet groter of kleiner dan van de andere criteria die bij bijstandsverlening van belang zijn, inkomen, samenlevingsverband, opgave kostgangers enz.

1 Kamerstuk 18100 XV, nr. 86 komt hiermee te vervallen. 2 Nedergelegd op de bibliotheek.

Afzonderlijk is nog met vertegenwoordigers van DIVOSA gesproken over de uitvoeringskosten. Het door VNG en DIVOSA genoemde bedrag van f35 min. als indicatie voor het eerste jaar en van f 17V2 min. vervolgens bleek gebaseerd tezijn op een benadering door één grote gemeente die vervolgens in verhouding tot het landelijk aantal bijstandscliënten is opgehoogd. Deze benadering bleek uit te gaan van een veel verder strekkende werking dan de maatregel feitelijk inhoudt, met name het nagaan van inkomens van inwonenden. Voorts hadden niet alle berekende kostencomponenten causaal verband met de nieuwe maatregel. Verondersteld werd dat de behandelingstijd van alle bijstandsaanvragen zou worden verlengd, niet slechts van die waarop de maatregel nieuw betrekking heeft. Daarbij was van een extreem hoge mutatiegraad uitgegaan, toegerekend aan de nieuw te onderscheiden groep neerkomend op ca. 5 mutaties extra per jaar. Deze indicatie kan dan ook geen reëel inzicht geven in de uitvoeringskosten van de woningdelersmaatregel. Mijn oordeel dat de maatregel slechts beperkte uitvoeringskosten meebrengt is gebaseerd op de volgende gegevens: 1. De omstandigheid dat behalve de bijstandscliënt zelf ook anderen in zijn woning wonen en in welke verhouding is ook nu reeds relevant voor de bepaling van de uitkering (inwonende kinderen -kostgangers -onderhuurders -concubinaten). Dit gegeven wordt dan ook gevraagd op de bij de gemeenten in gebruik zijnde inlichtingenformulieren en is als zodanig dus niet nieuw. 2. Controle van de gegevens van een bijstandsaanvraag met het bevolkingsregister is ook nu reeds een normale procedure om onterechte uitkeringen te voorkomen. 3. Zoals ik eerder heb betoogd gaat het in een belangrijk deel van de relevante categorie uitsluitend om wijziging van een bestaande korting. Dit betreft ouders met inwonende kinderen, kostgangers of onderhuurders in totaal 32000 gevallen. Voor een groter deel, 48 000 gevallen gaat het om meerderjarige bijstandscliënten die bij ouders inwonen. Dit gegeven wordt ook nu reeds vastgesteld en is dus beschikbaar. Het resterende kleinste deel, 14000 gevallen, zal inderdaad moeten worden beoordeeld op woningdeling. De «extra» uitvoeringskosten zullen dan ook landelijk een bedrag van f3 min. niet te boven gaan. Wel zullen er eenmalig in gemeenten aanloopkosten kunnen voorkomen afhankelijk van de flexibiliteit van hun administratief systeem. Dat zal echter per gemeente anders zijn. Ik blijf dan ook van mening dat, mede gezien het feit dat deze maatregel voor de gemeenten tot een besparing aan uitkeringskosten van f20 min. zal leiden (het 10% aandeel), de uitvoeringskosten geen groot probleem zijn. Antwoorden op enkele vragen die niet tijdens het mondeling overleg zijn beantwoord, zal ik u voor de bijeenkomst van uw commissie nog doen toekomen.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.