Lijst van antwoorden - Uitvoering van de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

LIJST VAN ANTWOORDEN Ontvangen 4 november 1983

1 en 2 Aangenomen kan worden dat in het merendeel van de plaatselijke adviescommissies R.w.w. en WWV nog steeds vertegenwoordigers zitting hebben op titel van de voormalige vakcentrales NVV en NKV. De samenstelling van de R.w.w.-commissie is in de R.w.w. imperatief voorgeschreven. Zij bestaat voor wat de werknemers betreft uit 3 vertegenwoordigers van de bij de Stichting van de Arbeid aangesloten vakcentrales. In het ontwerp tot herziening van de R.w.w. is opgenomen, dat uit die kring ten hoogste drie vertegenwoordigers worden benoemd. Het zal dan tot de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders behoren in welke mate de onderscheidene vakcentrales zullen zijn vertegenwoordigd.

3 In de Algemene Bijstandswet is voor de beslissing op een bijstandsaanvraag geen termijn vastgelegd. Artikel 35 geeft de mogelijkheid voor het indienen van een bezwaarschrift indien een beschikking op een aanvraag meer dan een maand uitblijft. De gemeenten streven in het uitvoeringsbeleid over het algemeen wel naar een wenselijk geachte periode van één maand. Daar waar onder de werkdruk van de hoeveelheid bijstandsaanvragen de periode tussen aanvraag en besluitvorming uitloopt worden doorgemeenten tussenvoorzieningen getroffen op basis van een eerste (voorlopige) beoordeling van de gegevens van de cliënt. Deze voorlopige voorziening geeft echter enerzijds voor de cliënt onduidelijkheden ten aanzien van de rechtmatigheid van een aanspraak op een uitkering en geeft anderzijds voor de gemeenten extra administratieve problemen. De omvang van de overschrijding van de behandelingsduur en de wijze waarop de gemeenten deze problemen oplossen, geven mij geen aanleiding maatregelen te overwegen.

4 Zoals is aangekondigd in de memorie van toelichting op de begroting 1984 zal een lagere norm gaan gelden in situaties waarbij men met één of meer anderen een woning bewoont en men derhalve niet of niet ten volle voor de gebruikelijke woonlasten staat. Deze norm zal in de loop van 1984 worden ingevoerd.

5 In het kader van het regelmatige overleg tussen gemeenten en de rijksconsulenten Bijstandszaken zal bijzondere aandacht worden geschonken aan de bijstandsverlening aan woonwagenbewoners, gericht op het volgen van de ontwikkelingen na de intrekking van het Voorlopig Aanwijzingsbesluit. Op die wijze zal evaluatie plaatsvinden. De Centrale registratie is, zoals bekend, feitelijk opgeheven per 1 januari 1983. Van problemen als gevolg van deze opheffing is tot nu toe niets gebleken. Aan dit onderdeel zal eveneens aandacht gegeven worden in het contact tussen gemeenten en consulenten.

6 De mogelijkheden om op korte termijn te komen tot vereenvoudiging van regelgeving en procedures zijn zeer beperkt. Over een aantal voornemens is (verder) overleg met gemeenten nodig en is voorts medewerking van andere beleidssectoren vereist. Aan de intrekking van de Rijksgroeps-regeling thuisloze personen, alsmede aan wijziging van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen en het Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria wordt thans gewerkt. De formele procedures hiertoe zullen zo spoedig mogelijk in gang worden gezet. Ook zal de defiscalisering van periodieke en incidentele bijzondere bijstand per 1 juli 1984 de bijstandsuitvoering vereenvoudigen. Tevens is een wijziging van de administratieve regelen bijstand in voorbereiding die een aanpassing beoogt van de huidige bepalingen ter zake van de wijze van verantwoording van de door de gemeente verleende bijstand.

7 Een volledige werkweek zal in de regel een hoger inkomen opleveren dan een bijstandsuitkering. Slechts bij een werkkring op basis van het minimumloon zal als gevolg van de nieuwe vrijlatings-en kortingsbepalingen deeltijdarbeid enig voordeel hebben. Signalen dat om deze reden een verminderde bereidheid zou bestaan om een volledige werkweek te accepteren, zijn tot dusver niet vernomen. In dit verband dient voorts niet uit het oog te worden verloren dat de vrijlating van inkomsten in beginsel voor een beperkte periode geldt. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat het ongemotiveerd weigeren van arbeid en dientengevolge ook het weigeren van arbeid gedurende een volledige werkweek voor de betrokkene een sanctie tot gevolg kan hebben.

8 De sluitstukfunctie impliceert dat de omvang van bijstandaanspraken afhankelijk is van inhoud en bereik van andere bestaansvoorzieningen. De wijze waarop maatregelen in andere sectoren consequenties hebben voor de bijstand is verschillend. Sommige maatregelen zullen in de bijstand een analoge aanpassing tot gevolg moeten hebben, andere zullen daarentegen tot enige uitbreiding van het bereik van de bijstand leiden. Per onderwerp wordt met de beleidssectoren overleg gevoerd over de vraag welke consequenties een (voorgestelde) maatregel voor de bijstand kan hebben. Zulks leidt ertoe dat op sociaal-minimumniveau tot gezamenlijke criteria wordt gekomen, zoals het geval is bij de individuele huursubsidie en de eigen bijdrage AWBZ. Afstemming vindt derhalve naar mijn mening in voldoende mate plaats.

9 Er heeft geen evaluatie plaatsgevonden met betrekking tot de toepassing van de circulaire van 6 februari 1980 betreffende de bijstandsverlening aan van huis weggelopen minderjarigen in verband met het feit dat 16-en 17-jarigen sinds 1 januari 1983 geen recht op R.w.w. hebben. Aangezien ons tot nu toe geen signalen hebben bereikt dat het aantal 16-en 17-jarige weglopers toeneemt, wordt een dergelijke evaluatie op dit moment niet overwogen. Te zijner tijd zullen gegevens beschikbaar zijn

vanuit de CBS bijstandsstatistiek. Er zijn op dit punt geen aparte samenwerkingsafspraken gemaakt met de Raden voor de Kinderbescherming, omdat bemoeienis met van huis weggelopen minderjarigen (waarvoor geen maatregel van Kinderbescherming is getroffen) in het algemeen niet behoort tot de taak van de raden. Overigens zal een dezer dagen een aangepaste circulaire aan de gemeenten uitgaan in verband met het feit dat er andere bekostiging plaatsvindt bij opname van van huis weggelopen minderjarigen in pleeggezinnen, als gevolg van de met ingang van 1 januari 1983 in werking getreden Tijdelijke Subsidieregeling Maatschappelijke Dienstverlening (TSMD).

10 In de evaluatie van de Algemene Bijstandswet zijn globaal drie fasen te onderscheiden: De eerste fase betrof een verkennende studie, welke werd samengevat in de «Nota inzake de ontwikkeling van plaats en functie van bijstand en de Algemene Bijstandswet», die op 2 april 1981 aan de vaste Commissie voor CRM werd aangeboden. In de tweede fase vindt verdergaande analyse plaats op enkele hoofdthema's van de evaluatie en worden relevante ontwikkelingen op andere beleidsterreinen in het beeld betrokken. Fase twee is thans nog niet geheel voltooid. Afronding van deze fase op belangrijke onderdelen kan nog dit jaar worden gerealiseerd, zodat aansluitend een begin kan worden gemaakt met fase drie. In deze slotfase zullen de resultaten uit de beide voorgaande fasen naar verwachting vóór de zomer hun neerslag krijgen in een afrondende evaluatienota. Gezien deze stand van zaken wil ik thans niet op de conclusies, waartoe de evaluatie leiden zal, vooruitlopen. 11 De noodzakelijke kosten van het bestaan omvatten zowel de algemene als de bijzondere noodzakelijke kosten. De algemene noodzakelijke kosten zijn het totaal van de kosten die, gelet op de omstandigheden van de betrokkene (echtpaar, één-oudergezin, alleenstaande) en mede in relatie tot de hoogte en de ontwikkeling van de laagste inkomens, als passend worden beschouwd. Dit totaal kan derhalve niet worden beschouwd als de optelsom van afzonderlijke uitgaven.

12 In het evaluatierapport van 1981 wordt vastgesteld dat er vanaf de invoering van de ABW een spanning heeft bestaan tussen objectivering (rechtsaanspraken op een genormeerde sociale zekerheid) en individualisering (op de individuele omstandigheden afgestemde hulpverlening). Beide elementen zijn in de wet opgenomen. Tevens wordt geconstateerd dat de ontwikkelingen verder zijn gedomineerd door voortgaande objectivering van de sociale zekerheid. Sedert de invoering van de ABW is het bereik van de bijstand ter voorziening in bijzondere bestaanskosten teruggedrongen. Aanvankelijk voor kosten van ziekte en invaliditeit (ZWF, AWBZ, AAW), later ook voor kosten van maatschappelijke dienstverlening (gezinsverzorging, kinderopvang, TSMD, recent bejaardenoorden). Daartegenover is het bereik van de bijstand als inkomensvoorziening uitgebreid (werklozen, gescheidenen, minderheden). Deze verschuiving leidt tot een verder accent op geobjectiveerde aanspraken op sociaal-minimumuitkeringen. Een tentatieve conclusie kan zijn dat de spanning tussen geobjectiveerde bijstand en individueel afgestemde bijstand daardoor is afgenomen. Individualisering krijgt vooral de betekenis dat in bijzondere gevallen van de geobjectiveerde bijstand (de bijstandsnormen) wordt afgeweken als de individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. In die zin blijft dit een kenmerk van de ABW.

13 Het uitgangspunt van de Algemene Bijstandswet is dat de bijstand wordt afgestemd op de behoefte en draagkracht van de persoon of leefeenheid, afhankelijk van de leefsituatie. Voor echtparen en ouder(s) met kinderen is dit uitgangspunt uitgewerkt in de gezinsbijstand. Nietgehuwde samenwonende partners, van wie de situatie vergelijkbaar is met die van een gezin, worden thans reeds materieel op gelijke wijze behandeld als gehuwden. De mogelijkheden worden onderzocht hoe in het kader van de Algemene Bijstandswet een verdere gelijkstelling kan worden bereikt ten aanzien van de uitkeringsrechten van samenwonende partners ongeacht burgerlijke staat of geslacht.

14 Ik vestig er de aandacht op dat in de toelichting op de Rijksbegroting voor 1984 (kamerstuk 18100 hoofdstuk IXB, nr. 2, blz. 60) met betrekking tot bepaalde uitkeringen, waaronder de periodieke bijzondere bijstand, het voornemen tot defiscalisering kenbaar is gemaakt. De regering heeft echter over het advies van het College ABW in meer algemene zin nog geen standpunt bepaald.

15 Momenteel wordt als onderdeel van een nadere uitwerking van de voorstellen uit de adviesaanvrage aan SER en ER over de herziening van het stelsel van sociale zekerheid bestudeerd op welke wijze een zekere verzelfstandiging van uitkeringsrechten in de Algemene Bijstandswet kan worden gerealiseerd.

16 Op grond van de op 1 januari 1983 in werking getreden Tijdelijke Subsidieregeling Maatschappelijke Dienstverlening (TSMD) worden door het ministerie van WVC die instellingen van maatschappelijke dienstverlening bekostigd, waarvan tot dan de verzorgingskosten van de bewoners */oor zover niet uit eigen middelen betaalbaar, werden gefinancierd ingevolge de Algemene Bijstandswet. Dit betekent een taakvermindering voor de Gemeentelijke Sociale Diensten. Deze hebben thans nog slechts een taak voor een klein aantal bewoners van de instellingen, die geen inkomen hebben en derhalve recht hebben op een bijstandsuitkering voor persoonlijke uitgaven (zoals zak-en kleedgeld en ziekenfondspremie).

17 De thans lopende beleidsgesprekken tussen de rijksconsulenten en de gemeenten zijn erop gericht, meer inzicht te krijgen in de prioriteiten die de sociale diensten thans stellen, uitgaande van het minimumtakenpakket. Een voorlopige constatering is, dat als gevolg van de toenemende stroom van nieuwe bijstandscliënten, door de sociale diensten een sterker accent gelegd wordt op één van de onderdelen van het minimumtakenpakket, namelijk: de financiële hulpverlening. Een meer definitief en gedetailleerd oordeel zal aan het eind van dit jaar voorhanden zijn.

18 De personeelsbezetting van de sociale diensten is primair een zaak die behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen. De problemen die zich daarbij voordoen zijn niet uitsluitend van kwantitatieve aard. Zij vertonen ook kwalitatieve en organistorische aspecten. Door een verbeterde organisatie, waarbij tevens gedacht moet worden aan verdergaande automatisering, kan aan veel problemen inzake de toenemende werkdruk worden tegemoet gekomen. Bekend is dat in veel gemeenten daaraan aandacht wordt besteed. Er is geen algemene norm te stellen voor de personeelsbezetting die nodig is voor een aanvaardbare uitvoering.

19 In samenhang met onder andere informatie afkomstig van de Rijksconsulenten Bijstandszaken, het IVA-vervolgonderzoek en het VNG-onderzoek naar de kleine gemeenten, is op grond van het rapport «Ontwikkelingen rondom de gemeentelijke sociale dienstverlening» een beeld gevormd van de wijze waarop de gemeenten de Algemene Bijstandswet uitvoeren. Zoals blijkt uit mijn brief van 1 augustus jl., heb ik hierin geen aanleiding gezien mijn standpunt ten aanzien van het minimumtakenpakket te herzien. Wel is hierin reden gezien de rijksconsulenten in hun contact met de gemeenten intensiever aandacht te laten besteden aan onder meer de prioriteitsstelling van gemeenten binnen het takenpakket, heronderzoek, intergemeentelijke samenwerking.

20 De extra tegemoetkomingen van rijkszijde aan het Gemeentefonds zijn bedoeld om de gemeenten in staat te stellen hun verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering van de Algemene Bijstandswet ook bij een stijgend aantal cliënten waar te blijven maken. Daartoe zal in veel gevallen uitbreiding van het personeelsbestand hebben plaatsgevonden. Of bedoelde gelden, die een onderdeel vormen van de algemene uitkering, inderdaad voor dit doel zijn aangewend is echter niet vast te stellen.

21 Het is niet aan mij om regulerende en sanerende maatregelen te overwegen ten aanzien van het takenpakket van de sociale diensten, daar dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Zoals in het antwoord op vraag 19 is aangegeven, acht ik momenteel een herziening van het minimumtakenpakket niet noodzakelijk. Het minimumtakenpakket fungeert als streefmodel. Voor de financiële hulpverlening op grond van de Algemene Bijstandswet vormt de wet en de op grond daarvan geformuleerde regelingen en bepalingen het toetsingskader.

22 In de verschillende standpunten die door mijn voorgangers en mij zijn ingenomen ten aanzien van het bijstandsmaatschappelijk werk, is aangegeven tot hoever de taken van de gemeenten vanuit de Algemene Bijstandswet bezien op het vlak van de niet-financiële hulpverlening kunnen reiken. Hierin ligt een belangrijk element van afstemming besloten. Op welke wijze daar op lokaal niveau uitwerking aan wordt gegeven, acht ik geen aangelegenheid van landelijk te bepalen beleid. Wel ben ik voornemens in het kader van het Programmeringscollege Maatschappelijke Dienstverlening een belangrijke financiële bijdrage te leveren aan een onderzoek inzake de rol van de maatschappelijke dienstverlening ten behoeve van ontvangers van sociale zekerheidsuitkeringen. Daarin zal de afstemming tussen bijstandsmaatschappelijk werk en algemeen maatschappelijk werk aan de orde komen. Hiermee beoog ik, zoals dat ook met ander onderzoek op dit terrein werd bedoeld, aanknopingspunten te bieden voor het lokaal te bepalen beleid. De afstemming tussen algemeen maatschappelijk werk en bijstandsmaatschappelijk werk is, zowel wat financiering als planning betreft, momenteel geregeld in de Rijksbijdrageregeling Maatschappelijke Dienstverlening. Het gegeven dat besloten is af te zien van de invoering van de Kaderwet Specifiek Welzijn brengt hierin geen verandering.

23 Het budgettair effect voor de overheid van de vermogenstoets is niet nauwkeurig te bepalen. De vermogenstoets betreft immers juist degenen die door de aanwezigheid van vermogen geen beroep hoeven te doen op bijstand. Bij de orde van grootte van dit effect moet gedacht worden aan een bedrag van miljarden guldens, ook al omdat bij afschaffing van de vermogenstoets gedragsreacties zullen optreden die de vorming van vermogen in plaats van inkomen zullen begunstigen.

24 Een uitkering op sociaal minimumniveau waarbij geen rekening wordt gehouden met de inkomsten van verdienende partners zou buiten het kader vallen van de Algemene Bijstandswet. Toekenning van een aanspraak ter grootte van 50% van de huidige bijstandsnorm voor een echtpaar zou het aantal personen dat aanspraak zou maken echter met f 2 a f3 min. kunnen doen toenemen, waarmee dan enkele tientallen miljarden gemoeid zouden zijn.

25 In de toelichting op de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt op blz. 49 gesproken van een «toenemende bemoeienis van de sociale diensten met mensen, die schulden of andere lasten niet meer kunnen betalen». Deze bemoeienis betreft primair de niet-materiële dienstverlening, die de sociale diensten, met name in de vorm van schuldbemiddeling en budgetadvies, desgevraagd bieden aan mensen die niet meer aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen. Deze dienstverlening neemt toe, doch leidt niet tot een groei van de bijstandsuitgaven, aangezien als regel geen bijstand wordt verleend ter delging van schulden. Slechts in zeer bijzondere individuele omstandigheden kan bij schulden bijstand worden verleend, welke in beginsel wordt teruggevorderd. Voor het verkrijgen van een schuldsaneringskrediet kan een beroep worden gedaan op een gemeentelijke kredietbank of een particuliere bank, waarbij de GSD, indien de cliënt dit wenst, kan bemiddelen. Cumulatie van maatregelen ter beperking of beëindiging van rechten elders en/of lastenverzwaringen, kan in principe tot een toename van de bijstandsverlening voor bijzondere noodzakelijke bestaanskosten leiden, doch de cijfers tonen aan dat dit thans niet het geval is.

26 Al sinds geruime tijd wordt overwogen een aanvullend budgetonderzoek te laten uitvoeren ten einde te kunnen beschikken over voor diverse aspecten van het sociale zekerheidsbeleid relevante gegevens. Ook de Kamer heeft om een dergelijk onderzoek verzocht. Zoals bij verschillende gelegenheden dezerzijds naar voren is gebracht, kan onderzoek, hoe ook opgezet of uitgevoerd, geen antwoord geven op de vraag of een bepaald inkomen toereikend is. Dat is en blijft een politieke vraag, voor de beantwoording waarvan inzicht in bij voorbeeld de bestedingsmogelijkheden van uitkeringsontvangers en anderen evenwel van waarde kan zijn. Zoals ook u bekend is, verricht het CBS reeds sinds geruime tijd jaarlijks een budgetonderzoek. Hoe waardevol de daardoor verkregen gegevens ook mogen zijn, voor het sociale zekerheids-en inkomensbeleid zijn ze niet voldoende. Enerzijds zijn deze gegevens niet betrouwbaar genoeg voor bij voorbeeld een zo specifieke en relatief beperkte groep als de minima, anderzijds bestaat er ook behoefte aan andere gegevens dan die met betrekking tot de feitelijke bestedingen. Hierin ligt dan ook de reden tot aanvullend onderzoek te willen komen. De voorbereiding van opdrachtverlening voor zo'n onderzoek heeft aanzienlijk langer geduurd dan aanvankelijk werd voorzien. Een van de belangrijkste redenen daarvoor werd gevormd door de noodzaak van een nauwkeurige omschrijving van de gegevens die door middel van onderzoek verzameld zouden moeten worden. Er bestaan verschillende methoden van op dit gebied betrekking hebbend onderzoek die elk hun eigen merites hebben, doch geen van alle op zich zelf een afdoende antwoord kunnen geven. Zeker ook als rekening wordt gehouden met voorwaarden die algemeen aan onderzoek moeten worden gesteld als betrouwbaarheid van de resultaten, eraan verbonden kosten, termijn waarop de resultaten bekend kunnen zijn en dergelijke. Ten einde daar meer inzicht in te verkrijgen wordt momenteel door het Instituut voor Sociaal Beleidsonderzoek een inventarisatie verricht van de mogelijkheden van onderscheiden vormen van budgetonderzoek voor de beantwoording

van actuele (beleids)vragen. De opdracht daartoe is verstrekt door de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid, waarin de sociale partners, de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen en mijn departement participeren. De resultaten van deze studie worden begin volgend jaar verwacht. Inmiddels zijn echter ook een aantal andere opdrachten verstrekt voor onderzoek op dit terrein. Zoals eveneens vermeld in de memorie van toelichting op de begroting van mijn departement voor 1984, heeft de COSZ tevens opdracht verleend tot een onderzoek naar bestaansonzekerheid, een onderwerp dat directe raakvlakken heeft met budgetonderzoek in engere zin. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door twee vakgroepen van de Rijksuniversiteit te Leiden. Thans wordt binnen de COSZ overlegd over de mogelijkheid nog dit jaar ook aan een ander instituut opdracht te verlenen voor een meer kwantitatief onderzoek naar hetzelfde onderwerp. Overwogen wordt voorts opdracht te verlenen aan de Rijksuniversiteit te Leiden voor een analyse van de gegevens van de enquête die 10 september jl. in een groot aantal zogeheten GPD-bladen is verschenen naar in dit verband relevante aspecten van inkomen(sverwerving) en bestedingen. Er wordt reeds overleg gevoerd met de betrokken onderzoekers over de gewenste wijze van uitwerking en de voorwaarden waaronder dit onderzoek kan worden uitgevoerd. In het licht van het hiervoor vermelde over de partiële waarde van afzonderlijke onderzoeken in dezen, zal nog worden bezien of met ander onderzoek aanvullende informatie zal dienen te worden verkregen.

27 Neen. De 90%-norm voor één-oudergezinnen vindt een adequate motivering in het verschil van 10% tussen de norm voor een tweeoudergezin en een één-oudergezin. Dit blijkt ook uit een vergelijking tussen het bedrag aan bijstand en kinderbijslag vooréénrespectievelijk tweeoudergezinnen, zoals uiteengezet in de brief van 18 juni 1982 van de minister van CRM aan de Tweede Kamer (17500 hoofdstuk XVI, nr. 109).

28 Onder het delen van de huishouding wordt verstaan het voor gezamenlijke rekening samen met één of meer anderen bewonen van een woning.

29 De bijstandsaanvrager dient ten genoegen van de gemeente aan te tonen in welke omstandigheden hij verkeert, zo ook wanneer het gaat om de omstandigheden die recht geven op een norm van hetzij 60% hetzij 70%. Daarbij is overigens niet het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding in het geding maar alleen het al dan niet voor gezamenlijke rekening samen met één of meer anderen bewonen van een woning. De opbrengst van deze verlaging is geraamd op basis van het huidig aantal bijstandsgerechtigden dat tot deze categorie behoort.

30 Het ontwerp tot herziening van de R.w.w. bevat aanvullende en verduidelijkende bepalingen ten aanzien van: -de rechten en plichten van werklozen en het toepassen van sancties bij het niet naleven van de verplichtingen; -de mogelijkheden om met behoud van uitkering onbetaald werk te verrichten en deel te nemen aan scholing en opleiding, rekening houdend met de adviezen van de SVR; -de voorwaarden met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waarbij rekening isgehouden met rolverdeling tussen partners en met deeltijdarbeid.

Voorts brengt het ontwerp wijziging in de taakstelling van de R.w.w.-commissies met meer accent op algemene uitvoeringsaspecten van de regeling. Het ontwerp zal binnenkort in de Nederlandse Staatscourant worden gepubliceerd.

De voorgenomen wijziging zal niet leiden tot een vermindering, noch tot een vermeerdering van de collectieve lasten. Het niveau van de aan werklozen en aan andere bijstandscategorieën te verlenen bijstand is geregeld in het Bijstandsbesluit landelijke normering. Het intrekken van de aparte rijksgroepsregelingen voor Gerepatrieerden en Ambonezen zal gepaard gaan met een overgangsregeling, welke zal zijn geënt op het verschil tussen de lopende uitkering en de normbedragen van het Bijstandsbesluit landelijke normering.

31 Het opnemen van specifieke strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet acht ik noodzakelijk in het kader van uitbreiding van het instrumentarium om misbruik tegen te gaan. Er bestaat in dit opzicht thans een discongruentie met andere sociale wetten. Een wetsvoorstel daartoe wordt voorbereid en zal binnenkort om advies aan het College Algemene Bijstandswet worden voorgelegd.

32 De wet verplicht degene die bijstand vraagt of ontvangt mededeling te doen van al datgene wat voor de verlening van bijstand van belang is (artikel 30, tweede lid). Wordt verlating door de echtgenoot als grond aangevoerd voor het verzoek om bijstand, dan zal de betrokkene zelf voldoende inzicht moeten verschaffen omtrent de werkelijke woon-en leefsituatie. De gemeente verifieert vervolgens de verstrekte gegevens. Het niet of in onvoldoende mate voldoen aan vorenbedoelde wettelijke plicht kan weigering of beëindiging van de bijstand tot gevolg hebben. In verband hiermede wordt een nadere wettelijke regeling van de bewijslast voor de hier bedoelde gevallen niet nodig en ook niet mogelijk geacht.

33 Ik acht het toepassen van sociale recherche door gemeenten ten behoeve van misbruikbestrijding wenselijk. Eenduidigheid in de zin van duidelijk omschreven taken en bevoegdheden, met name op het aspect opsporingsbevoegdheid -acht ik niet noodzakelijk. Dit is een zaak van gemeentelijke verantwoordelijkheid.

34 Hoewel periodiek heronderzoek een essentieel onderdeel is van bijstandsverlening, vertoont dit onderzoek een neergaande tendens. De Rijksconsulenten hebben achterstanden gesignaleerd ten opzichte van de verplichte minimumfrequenties. In het overleg met de gemeenten wordt er met klem op gewezen dat het heronderzoek een hogere prioriteit dient te krijgen. Dit zowel uit een oogpunt van rechtmatigheid en beheersing van bijstandsverlening, als ook gelet op de immateriële zorg voor cliënten. Intussen wordt in tal van gemeenten gewerkt aan maatregelen om te komen tot normalisering van het periodiek te verrichten heronderzoek en tot het inhalen van achterstanden.

35 Naar aanleiding van deze vraag wordt gewezen op het voornemen om in de Algemene Bijstandswet strafbepalingen op te nemen. In het kader van het voorkomen van misbruik is echter van primair belang, de zorgvuldigheid van onderzoek en heronderzoek. Dit heeft de aandacht van de rijksconsulenten, die er bij de gemeenten op toezien dat aan de voorgeschreven minimumfrequentie wordt voldaan.

36 In het gemeentefonds wordt geen doeluitkering verstrekt voor een juridisch toezicht op de uitvoering van de ABW. Zoals reeds vermeld in het antwoord op vraag 20 is dan ook niet vast te stellen of bedoelde gelden geleid hebben tot het aantrekken van meer personeel.

37 De wijziging van het verhaalsrecht heeft enkele principiële raakvlakken met het alimentatievraagstuk, waaromtrent ik thans nog overleg pleeg met de minister van Justitie. Hoewel ernaar wordt gestreefd het wetsontwerp nog dit kalenderjaar in te dienen, kan een wat later tijdstip van indiening niet uitgesloten worden geacht.

38 Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, waardoor ten onrechte bijstand is genoten, kan leiden tot verhaal op de betrokkene (artikel 58). Volgens bestaande jurisprudentie (arrondissementsrechtbank Utrecht) dient mede als betrokkene te worden aangemerkt degene met wiens aanwezigheid bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand rekening is gehouden en voor wie deze bijstand mede was bestemd. Is dit niet het geval dan kan niet op de samenwonende partner worden verhaald. Of bij samenwoning steeds verhaal op de partner wenselijk is zal tezamen worden overwogen met een eventuele nadere regeling in de wet voor bijstand aan samenwonende partners.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.