Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 28

' Leden: Joekes (VVD), voorzitter, Hermsen (CDA), Van Dis (SGP), Van der Hek (PvdA), K. G. de Vries (PvdA), Kombrink (PvdA), ondervoorzitter, Rienks (PvdA), Engwirda (D'66), WŲltgens (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Van Dijk (CDA), Couprie (CDA), Van lersel (CDA), Brouwer (CPN), Herfkens (PvdA), Wolters (CDA), Janmaat (Centrumpartij), Hummel (PvdA), Linschoten (VVD), Van Rey (VVD), De Grave (VVD). Plv. leden: Voorhoeve (VVD), Weijers (CDA), Schutte (GPV), Duinker (PvdA), Zijlstra (PvdA), Tazelaar (PvdA), Ter Veld (PvdA), Groenman (D'66), Beckers-de Bruijn (PPR), Tripels (VVD), Mateman (CDA), Van der Burg (CDA), Van Agt (CDA), Van der Linden (CDA), Van der Spek (PSP), Salomons (PvdA), Nijland (CDA), Stemerdink (PvdA), Nijhuis (VVD), RemptlHalmmans de Jongh (VVD), Hermans (VVD). 2 Leden: Haas-Berger (PvdA), Worrell (PvdA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA), Groenman (D'66), Andela-Baur (CDA), Jabaaij (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Hermans (PSP), Ter Veld (PvdA), Dales (PvdA), voorzitter, Ubels-Veen (EVP), Den Ouden-Dekkers (VVD), Weisglas (VVD), Eshuis (CPN). Plv. leden: Buurmeijer (PvdA), Niessen (PvdA), Oomen-Ruijten (CDA), vacature CDA, Wessel-Tuinstra (D'66), Gerritse (CDA), Herfkens (PvdA), Van der Heijden (CDA), Dijkstal (VVD), Beckers-de Bruijn (PPR), Stoffelen (PvdA), MŁller-van Ast (PvdA), vacature CDA, Franssen (VVD), Jorritsma-Lebbink (VVD). 3 De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Kappeyne van de Coppello, die eveneens voor dit mondeling overleg was uitgenodigd, had zich in verband met ziekte doen verontschuldigen. 4 Zie bijlage VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG Vastgesteld 20 mei 1983

De vaste Commissies voor FinanciŽn en voor het Emancipatiebeleid brengen hierbij beknopt verslag uit van het mondeling overleg, dat zij op 18 mei 1983 hebben gevoerd met de Staatssecretaris van FinanciŽn over de verdere behandeling van de nota Op weg. Aanleiding tot het overleg vormde de aanvaarding van de motie-Groenman (17600, XV, nr. 80), waarin de Regering wordt uitgenodigd voor 1 september 1983 een nader standpunt over de nota Op weg ter kennis van de Kamer te brengen.

In antwoord op de vraag van vele leden om het standpunt van het kabinet inzake de motie-Groenman nader uiteen te zetten, deelde de Staatssecretaris van FinanciŽn ter aanvulling van hetgeen hij daarop tevoren schriftelijk aan de commissies had doen weten mee, dat in het kabinetsbeleid ten aanzien van de belastingheffing van de werkende vrouw en haar man drie fasen moeten worden onderscheiden. De eerste fase behelst het onlangs bij de Kamer ingediende wetsontwerp 17885 betreffende de zogenaamde tweeverdieners. De tweede fase omvat het reeds in het vooruitzicht gestelde aangevulde tweeverdienerswetsontwerp, dat volgens plan per 1 januari 1984 kracht van wet dient te verkrijgen en waarin het aanhangige wetsontwerp zal worden geÔncorporeerd. Vervolgens treedt een derde fase in, waarin in het bijzonder aandacht zal worden geschonken aan de evenwichtigheid van de tarieflijnen in het na de volvoering van de tweede fase vigerende stelsel. In dat kader zullen de in de Kamer ontwikkelde denkbeelden ten aanzien van het toekomstige stelsel van belastingheffing in beschouwing worden genomen. Gegeven de complexiteit en de veelomvattendheid van de materie zal het niet mogelijk zijn dienaangaande reeds voor 1 september van dit jaar uitsluitsel te bieden. Niettegenstaande in de commissies begrip bleek te bestaan over de problemen die een spoedige standpuntbepaling over de nota Op weg met zich meebrengt, benadrukten de leden algemeen de onwenselijkheid van het beslissen over de in de eerste en tweede fase voor te leggen wetsontwerpen zonder dat over een samenhangende visie op de belastingheffing van man en vrouw tussen Kamer en Regering van gedachten kon worden gewisseld. Kan de Regering in gemoede van de Kamer verlangen zich een eindoordeel over het aanhangige wetsontwerp 17885 te vormen, terwijl generlei zicht bestaat op de algemene beleidsvoornemens die op dit terrein bestaan, zo vroeg het lid Kombrink (P.v.d.A.).

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15835, nr. 28

De behandeling van dit wetsontwerp vergt, aldus het lid Groenman (D'66), een beleidskader waarin de huidige onduidelijkheid over de opvattingen van het kabinet over de nota Op weg is weggenomen. Bij verscheidene gelegenheden is in het afgelopen half jaar door bewindslieden in het vooruitzicht gesteld dat die duidelijkheid ten spoedigste zou worden geboden. De leden Van lersel en Van Dijk (C.D.A.) noemden wetsontwerp 17885 de eerste bouwsteen van een bouwwerk dat verder nog onbekend was. Een verantwoorde en doelmatige wijze van werken noopt tot het verschaffen van meer inzicht in de hoofdlijnen van het beleid en het beoogde resultaat. Ook de leden Rempt-Halmmans de Jongh en De Grave (V.V.D.) en Van Dis (S.G.P.) uitten behoefte aan kennis van de beleidscontouren bij de behandeling van de aanhangige en aangekondigde wetgeving. Het lid Beckers-de Bruijn (P.P.R.), die dezelfde opvatting was toegedaan, had de indruk dat het kabinetsbeleid te zeer de eerste en tweede fase benadrukt en de fundamentele discussie over de beleidslijn voor zich uitschuift. Het lid Van der Spek (P.S.P.) ten slotte veronderstelde, dat bij de voorbereiding van wetsontwerp 17885 en het nog komende wetsvoorstel al dermate veel studie naar de Op wegmaterie is verricht, dat het mogelijk moet zijn op korte termijn een standpunt inzake Op weg te presenteren.

De Staatssecretaris van FinanciŽn merkte in zijn antwoord op, dat wetsontwerp 17885 zoals bekend bij de Kamer is ingediend om budgettaire redenen. In de discussies die aan de indiening voorafgingen, is vanuit de Kamer sterk aangedrongen op het voorkomen van ongelijke behandeling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden. De werkzaamheden die nu worden verricht aan het in de tweede fase voorziene wetsontwerp beogen dan ook tegemoet te komen aan de in de Kamer heersende opvattingen. Nochtans kan, aldus de bewindsman, begrip bestaan voor het verlangen bij de leden om meer inzicht te hebben in de opvattingen van het kabinet over de materie die de nota Op weg behandelt. Het ligt echter niet in het voornemen om een vervolgnota uit te brengen. Over de richting en inhoud van het beleid kan het beste van gedachten worden gewisseld bij de behandeling van voorgestelde wetgeving en de begroting FinanciŽn. Ten einde aan de gevoelens in de commissies tegemoet te komen zal worden getracht om in de memorie van toelichting op het in de tweede fase in te dienen wetsontwerp een zo goed mogelijk beeld te geven van de derde fase van het beleid c.q. -indien men daarin niet zou slagen -van de dilemma's waarvoor een oplossing dient te worden gevonden. Het streven is erop gericht dit wetsontwerp in september bij de Kamer in te dienen. Overwogen wordt deze wettelijke regeling, gegeven haar ingrijpende karakter, een beperkte geldingsduur (bij voorbeeld tot 5 jaar) te geven, ten einde reeds van de aanvang af uitzicht te bieden op een evaluatie en eventuele nadere overweging van de nieuwe wetgeving.

De Staatssecretaris wees erop, dat de hoeveelheid werk die de gedachtenwisseling over de derde fase vergt niet moet worden onderschat. De aandacht ten departemente is in het kader van de eerste en tweede fase geconcentreerd op de aspecten verzelfstandiging en het voorkomen van ongelijke behandeling. In de tweede fase speelt bij voorbeeld ook de integrale rolwisseling. In de derde fase zal de nadruk vallen op de verschillen in draagkracht tussen de onderscheiden groepen belastingplichtigen, zowel alleenstaanden als personen in uiteenlopende samenlevingsverbanden.

Van C.D.A.-zijde werd positief gereageerd op het voorstel van de Staatssecretaris. Fase twee zal in deze opzet van grote betekenis worden, zo stelde het lid Kraaijeveld-Wouters vast. Dan zal er helderheid op hoofdpunten moeten worden verschaft en dienen de uitgangspunten en doelstellingen van het beleid te worden besproken, zodat een perspectief ontstaat op de derde fase, die alsdan vooral de verdere uitvoering van het beleid zal behelzen. In dit verband is het van betekenis dat het aanhangige wetsontwerp in het tweedefaseontwerp zal worden verwerkt. De leden Van Dijk en Van lersel plaatsten overigens een vraagteken achter de door de Staatssecretaris gesuggereerde tijdelijkheid van het tweedefasewetsontwerp.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15835, nr. 28

Het lid De Grave kon zich met de benadering van de Staatssecretaris verenigen, mits deze inderdaad tijdig zal leiden tot de vereiste duidelijkheid over de beleidscontouren. Het lid Van Dis sloot zich daarbij aan.

Het lid Kombrink erkende dat de werkzaamheden aan het tweedefasewetsontwerp in overeenstemming zijn met de wensen van de Kamer, zij het dat deze wensen waren geuit gegeven de beslissing van het kabinet tot indiening van het nu aanhangige wetsontwerp 17885. Toentertijd was bovendien in de optiek van de Kamer nog geen sprake van een scheiding tussen eerste en tweede fase. De mededelingen van de Staatssecretaris betekenen, aldus dit lid, dat de motie-Groenman de facto alsnog naar vermogen zal worden uitgevoerd. In hoeverre de motie bevredigend zal worden uitgevoerd, zal de Kamer te gelegener tijd kunnen beoordelen. Onvoldoende uitvoering zal het risico inhouden -dat zal de bewindsman zich realiseren -dat het tweedefasewetsontwerp de eindstreep niet haalt. Aan de voorgestelde procedure kleeft nog een tweede risico, namelijk dat de gedachtenwisseling over het in te dienen wetsontwerp dermate fundamenteel is geworden, dat het wetsontwerp, wil men tijdnood vermijden, vroegtijdig bij de Kamer zal moeten worden ingediend. Dat zal nog wel eens problematisch kunnen blijken. Ook dit lid uitte zijn aarzelingen ten aanzien van de eventuele tijdelijkheid van de voor te stellen wettelijke regeling. Het lid Beckers-de Bruijn sloot zich bij dit betoog aan.

Het lid Groenman toonde zich weinig gelukkig met het voorstel van de Staatssecretaris. De gesuggereerde opzet leidt ertoe dat de eerste fase wellicht reeds achter de rug zou zijn wanneer een principiŽle discussie over de nota Op weg kan plaatsvinden. En dat, terwijl wetsontwerp 17885 geen verzelfstandiging tot gevolg heeft en daarmee in wezen een stap terug betekent ten opzichte van de nota Op weg. Het is verkieslijker, zo meende zij, wanneer een standpuntbepaling zou worden overgelegd los van enig wetsontwerp. Het moet toch mogelijk zijn om voor 1 september een standpunt te formuleren en in dat kader een schematisch beeld te geven van de verschillen tussen de voorgestelde wetgeving en de optiek van de nota Op weg. Samenvoeging van de eerste en tweede fase zou de noodzakelijke ruimte bieden voor de noodzakelijke fundamentele gedachtenwisseling. Het lid Van der Spek oordeelde dat de Regering het beste gewoon het stuk, waarom in de motie-Groenman is gevraagd, tijdig zou kunnen overleggen. Eventueel zou dat ook kunnen gebeuren in de memorie van antwoord inzake wetsontwerp 17885, ware het niet dat dit voorstel beter zou kunnen worden ingetrokken.

In antwoord op een desbetreffende opmerking van het lid Kombrink gaf de Staatssecretaris van FinanciŽn ten slotte te kennen voorshands vast te willen houden aan de inwerkingtreding van wetsontwerp 17885 per 1 juli 1983. Weliswaar dringt de tijd, zo meende de bewindsman, doch een tijdige voltooiing van de parlementaire behandeling is thans nog niet illusoir. Het binnenkort uit te brengen voorlopig verslag zal kunnen doen beoordelen in hoeverre het reŽel is om de beoogde ingangsdatum onverkort te handhaven.

De voorzitter van de vaste Commissie voor FinanciŽn, Joekes De voorzitter van de vaste Commissie voor het Emancipatiebeleid, Dales De griffier van de vaste Commissie voor FinanciŽn, Witteveen Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15835, nr. 28

BIJLAGE

Aan de voorzitters van de vaste Commissies voor FinanciŽn en voor het Emancipatiebeleid uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 mei 1983

Onderwerp: Nadere mededeling omtrent de uitvoering van de motie-Groenman (17600 XV, nr. 80)

Naar aanleiding van uw verzoek om nadere mededelingen omtrent de uitvoering van de motie-Groenman (17600 hoofdstuk XV, nr. 80) moge ik u mede namens mijn ambtgenote van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw mr. A. Kappeyne van de Coppello, het volgende berichten. Zo u dit wenst, ben ik gaarne bereid bij de aanvang van de gezamenlijke vergadering van uw commissies op woensdag 18 mei aanstaande een overzicht te geven van de bij ons levende gedachten omtrent de heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting van alleenstaanden en in samenlevingsverbanden wonende anderen. Ten overvloede moge ik u voorts verwijzen naar hetgeen ter zake is vermeld bij het wetsontwerp nr. 17885 houdende Wijziging van de inkomstenbelasting en van de loonbelasting voor het jaar 1983 (tariefgroepindeling van de gehuwde vrouw en de gehuwde man) alsmede aanpassing van enkele volksverzekeringen en naar hetgeen ik heb gesteld tijdens de uitgebreide commissievergadering van de vaste Commissie voor FinanciŽn op 28 februari jongstleden, meer in het bijzonder naar hetgeen is vermeld op de bladzijden 19.46, rechterkolom, eerste volle alinea, en 19.46, linkerkolom, de vierde en volgende alinea's.

De Staatssecretaris van FinanciŽn, H. E. Koning Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15835, nr. 28

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.