Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en van enige Bijstandsbesluiten (beŽindiging van het recht op bijstand krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers voor 16-en 17-jarigen en invoering van het recht op kinderbijslag voor 16-en 17-jarige werklozen) (17697); Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet (vermindering doorbetaling AOW-gehuwdenpensioen bij overlijden van ťťn van de echtgenoten) (17711).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

A.Ch. (Andrťe) van EsMevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Vorige week sprak mijn fractiegenoot de heer Willems, in het kader van de behandeling van een groot aantal socialeverzekeringswetten, al van de 'afbraak van de sociale voorzieningen'. Dat sloeg toen met name op de WAO'ers, waarvan een aantal de koopkracht met zo'n 10 a 11% zag worden verminderd. Onmiskenbaar en overduidelijk zijn de tekenen die erop wijzen, hoe de afbraak van de WAO verder gestalte zal krijgen. Het verschil tussen de werkloze, die na tweeŽneenhalf jaar moet terugvallen op de bijstand, en de WAO'er, die zijn of haar leven lang 80% van het laatstverdiende loon krijgt, wordt in steeds breder kring onrechtvaardig geacht. Dit betekent dat te voorzien valt dat over enkele jaren ook de WAO'er na verloop van tijd gewoon teruggebracht zal worden naar de bijstand . Daarmee zal de afbraak van de WAO compleet gestalte hebben gekregen. Die afbraak van de sociale verzekeringen werd vorige week in alle toonaarden ontkend, maar nog geen week later wordt een drastisch begin gemaakt met het snijden in een andere fundamentele sociale voorziening: de RWW. Ook hier is het woord 'afbraak' van toepassing: te beginnen aan de onderkant door de eerste leeftijdsjaren waarop aanspraak op dit recht zou kunnen worden gemaakt, domweg uit de regeling te schrappen. Vandaag zijn dus opnieuw de jongeren aan de beurt, nu nog de 16-en 17-jarigen en binnen afzienbare tijd waarschijnlijk ook de 18-jarigen. Wat opstijgt uit die stroom van bezuinigingsvoorstellen, is de onmiskenbare geur van het gezinsdenken: het opnieuw en versterkt opdringen van de gezinsmoraal. Zonder blikken of blozen verklaarde Minister De Koning onlangs, op een bijeenkomst van de Jonge Socialisten, dat 16-en 17-jarigen geen zelfstandig inkomen nodig hebben en gewoon onderdeel van het gezin behoren uit te maken. En Minister Brinkman verklaarde dat deze groep jongeren er nog heel goed af komt -dat zij een behoorlijke koopkracht hebben en weinig lasten. De tegenspraak tussen aan de ene kant die gezinsmoraal en het daarvan afgeleide beleid om de echte minima op te sporen en te beschermen (voor zover daar overigens nog sprake van kan zijn) en aan de andere kant de wens tot individualisering wordt met de dag duidelijker.

Het streven naar zelfstandigheid en individualisering, dat in de stelselwijziging van de sociale zekerheid haar beslag had moeten krijgen, wordt vrijwel dagelijks ondermijnd door maatregelen. Daarbij wordt juist niet de zelfstandigheid van individuen tot uitgangspunt genomen, maar de kostwinner -het kostwinnerschap -die meestal in zijn kielzog een gezin meesleept. Dat leidt onvermijdelijk tot steeds grotere botsingen. Dit achterhaalde conservatieve denken is nu eenmaal in strijd met de ontwikkelingen, zoals deze zich de afgelopen 15 jaar aan het voltrekken zijn. Vandaag zijn het dus de jongeren die teruggeworpen worden op het gezin. Vandaag mogen zij hun toch al geringe zelfstandigheid inleveren. Gewoon weer terug in de schoot van het gezin, zonder dat de Regering zich zelfs lijkt te realiseren dat zij, in strijd met haar eigen beleid, tegelijkertijd in veel gevallen opnieuw een aanslag op het gezinsinkomen pleegt. Het zelfstandige inkomen van jongeren vormt immers vaak een bijdrage aan het gezinsinkomen die juist hard nodig is. Bij de regeringsverklaring sprak mijn fractiegenoot de heer Van der Spek ook over de jongeren en over de normloosheid die verschillende fracties ter rechter zijde bij de jongeren signaleren -de normloosheid die met alle geweld, met inzet van een groter en beter uitgerust politie-en justitie-apparaat, bestreden zou moeten worden. Welke normen willen deze conservatieve denkers de jongeren opleggen? Ik sprak zojuist over de gezinsmoraal die sterker dan ooit op komt zetten, de gezinsmoraal die ook de basis vormt van dit voorliggende wetsvoorstel. Een onlosmakelijk onderdeel van deze ideologie is de stelling dat arbeid adelt' en voor velen geldt zelfs dat 'het brood in het zweet des aanschijns verdiend moet worden'. Wie zich niet met volle inzet werpt op het krijgen en houden van werk, wordt al snel een misbruiker van de sociale voorzieningen of ťťn van het snel groeiende leger der normlozen dat met harde hand bestreden moet worden. Maar er is niet veel werk meer, om het maar eens eufemistisch te zeggen. Wie het wil hebben, zal er voor moeten vechten. Hij zal moeten proberen dit zonodig ten koste van anderen te krijgen. In mijn visie is dit ťťn van de bronnen van onder andere de toenemende vreemdelingenhaat. Buitenlanders wordt immers verweten dat zij onze banen afpikken, dus 'zij eruit in ons belang' wordt de moraal.

Eigen bijdrage geneesmiddelen Sociale wetgeving

De conservatiefliberale visie mist de uitwerking op de jongeren niet. Zij is mede de bron van de toenemende verrechtsing op scholen. Daar zie je van dag tot dag de norm van het recht van de sterkste groeien. Een beroep op solidariteit wordt gezien als slapheid. Dit wordt mede door het gevoerde overheidsbeleid versterkt. Vorig jaar maakte de Regering in haar regeringsverklaring nog haar bezorgdheid kenbaar over de toenemende opstandigheid bij de jeugd. Ik maak mij eigenlijk meer zorgen over de toenemende apathie, de toenemende moedeloosheid, het toenemende gevoel van 'in de kou gezet te worden'. Sinds vorig jaar heeft men verschillen-de maatregelen doorgevoerd die de opstandigheid of de moedeloosheid vergroten. Er is een wachtperiode van zes maanden ingesteld voor de RWW. Pikant detail is dat de Regering toen via een intensieve informatiecampagne de jeugd erop wees, zich vooral bij het arbeidsbureau in te laten schrijven om op 1 januari een uitkering te krijgen. Er is een jeugdwerkplan gelanceerd, waarbij de jeugd via het schoffelen van de gemeenteparken arbeidservaring mocht opdoen -let hierbij overigens op de arbeidsmoraal. Er zijn maatregelen getroffen om jongeren in deeltijdbanen te laten werken tegen een evenredig verminderd, toch al gehalveerd minimumjeugdloon. Bijstandsuitkeringen zijn gehalveerd en nu bespreken wij het beŽindigen van uitkeringen voor 16-en 17-jarigen. Verdere verlaging van het minimumjeugdloon voor volgend jaar is inmiddels al aangekondigd. Wie verbaast zich eigenlijk nog over de toenemende opstandigheid, moedeloosheid en rancune als de bezorgdheid daarover in dergelijke beleidsdaden wordt omgezet? Welke jongere moet nog geloven in het nut van het leveren van een bijdrage aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, waarmee natuurlijk ook dit wetsvoorstel gemotiveerd wordt? De halvering van het minimumjeugdloon, enkele jaren geleden, was ook bedoeld om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Die jeugdwerkloosheid is dus inmiddels bijna verdrievoudigd. Het volstrekt ontbreken van maatregelen om bij voorbeeld via forse arbeidstijdverkorting echt en volwaardig werk te scheppen tegen een rechtvaardige beloning, heeft ertoe geleid dat vele jongeren zelf maar aan de slag zijn gegaan om hun eigen Tweede Kamer 21 december 1982

werk te creŽren. Dit gebeurt vaak in de vorm van kleinschalige werkprojecten of collectieven. Op zich zelf is dit een goede ontwikkeling, hoewel de perspectieven op langere termijn niet hoopvol kunnen zijn, zeker als concurrentie ook het drijvende mechanisme achter deze projecten blijft en als de werkgevers zo'n groot stempel kunnen drukken op subsidiŽ-ring door de overheid. Wekt het nog verbazing, mijnheer de Voorzitter, als morgen elders in deze Kamer de bezuinigingen op de gelden voor de EAJ-projecten besproken worden en er van onze kant alle mogelijke moeite voor gedaan moet worden om de werkgelegenheid van 760 jongeren veilig te stellen, dat de normen van deze Regering weinig aanlokkelijk zijn? Wel de arbeidsmoraal opdringen maar geen enkele substantiŽle bijdrage leveren om volwaardig werk te scheppen. Dat is de fundamentele tegenstrijdigheid in dit regeringsbeleid! Maar waag het niet als jongere te zeggen, dat niet werken ook leuk kan zijn, want de hele wals van conservatieve partijen, media en ook andere goedbedoelende volwassenen zal over je heen gaan en alle kortingsmechanismen op de uitkeringen zullen via de sociale diensten onmiddellijk in werking gesteld worden. Wie dergelijke fundamentele tegenstrijdigheden met elkaar tracht te verbinden en te verzoenen, met andere woorden wie probeert de moraal van werken hoog te houden zonder enig perspectief op werk te bieden of probeert de gezinsmoraal op te dringen dwars tegen de maatschappelijke ontwikkeling in die eerder op individualisering, zelfstandigheid en mondigheid gericht is, moet niet verbaasd zijn dat de maatschappelijke tegenstellingen zich gaan verscherpen. Integendeel, men maakt zich daar zelf verantwoordelijk voor, verantwoordelijk voor de polarisatie of -om in regeringstermen te spreken -verantwoordelijk voor de normloosheid. Ik kom toe aan een aantal specifieke opmerkingen en vragen bij het wetsontwerp om de RWW voor 16-en 17-jarigen af te schaffen. Het is duidelijk, dat afschaffing van de RWW in een aantal gevallen niet alleen ingrijpende gevolgen heeft voor de jongeren zelf maar in veel gevallen met name ook voor het gezinsinkomen Duidelijk is bij voorbeeld, dat de schoolverlaters van 16 en 17 jaar voor een belangrijk deel afkomstig zijn uit gezinnen met een laag inkomen. De

regering ontkent dat ook niet maar er wordt geen enkele consequentie uit getrokken. Ook andere nadelen worden voor lief genomen. Op de vraag wat er gebeurt met 16-en 17-jarige huishoudkinderen, voor wie afschaffing van de kinderbijslag in de pen zit, antwoordt de Regering in de nota naar aanleiding van het verslag droog, dat dan geen recht op kinderbijslag bestaat. Punt. Verder niets. Over de inkomensterugval, die ontstaat doordat de leeftijdstoeslag, die in het kader van de studiefinanciering met name aan de laagste inkomens toekomt, na het beŽindigen van de opleiding vanzelfsprekend niet wordt voortgezet, merkt de Regering op: Deze terugval kan inderdaad optreden. Punt. Verder niets. Een dergelijk antwoord wordt ook gegeven op vragen over de positie van de grensarbeiders. Het is bekend dat het niveau van argumentatie als het gaat om pure bezuinigingsmaatregelen niet zo hoog is. Wellicht zou ik de Regering echter toch mogen vragen of zij zich deze inkomensconsequenties heeft gerealiseerd en of zij er nog consequenties uit trekt. Of is dat de consequentie van slordige en haastige wetgeving, waarbij als enig criterium voor de noodzaak van het wetsontwerp geldt, dat het in het regeerakkoord staat en anders het te bezuinigen bedrag van f70 min. niet wordt gehaald? Er bestaat nog steeds enige onduidelijkheid over de vraag of de maatregel ook van toepassing is op uitwonen-de kinderen. In individuele gevallen bestaat altijd de mogelijkheid om bijstand aan te vragen, zo is de mening van de Regering. Deze bijstand is echter wel aan strikte voorwaarden gebonden. Die bijstand kan pas worden verkregen als de noodzaak van het verblijf buiten het gezin is aangetoond. Dat staat in de nota naar aanleiding van het verslag. Welke voorwaarden zijn dat? Hoe en door wie wordt bepaald wanneer de noodzaak is aangetoond? Is aan de sociale dienst de rol toebedeeld om te bepalen of 16-en 17-jarigen tot een gezin behoren of niet? Kan een jongere gedwongen worden weer terug te gaan naar het gezin? Ik noem het voorbeeld van een 16-jarige die werk heeft en op kamers is gaan wonen en vervolgens weer werkloos wordt. Moet die jongere dan terug naar het gezin? Hij of zij zal immers te kort hebben ē gewerkt om voor een WW uitkering in aanmerking te komen maar krijgt ook geen RWW. Dan wordt de jongere dus

wel gedwongen terug te keren in het gezin. Ik zeg dit niet helemaal voor niets. Wij hebben genoeg ervaringen met bijstandsuitkeringen voor weggelopen schoolgaande jongeren om te weten dat het niet allemaal koek en ei is en dat het altijd met de nodige moeite gepaard gaat. Een andere nieuwigheid is de inschrijving op het arbeidsbureau om de kinderbijslag te verkrijgen. Al bij de instelling van de wachttijd voor de RWW is door ons fundamenteel bezwaar gemaakt tegen de koppeling tussen inschrijving bij het arbeidsbureau en het krijgen van kinderbijslag, zij het dat toen de inschrijving nog kon worden gemotiveerd en gekoppeld aan de uitgestelde RWW. Daar is nu geen sprake meer van. De koppeling is er nu uitsluitend tussen de kinderbijslag en de inschrijving op het arbeidsbureau. Dat zal leiden tot merkwaardige en onaanvaardbare situaties. Wie consequent de gezinsmoraal wil opdringen zou moeten stellen, dat dan ook de ouders het kind moeten inschrijven bij het arbeidsbureau. Anders, om het nog absurder te stellen, moeten de ouders worden gestraft als hun kind zich niet inschrijft op het arbeidsbureau door hun de kinderbijslag te onthouden. Wie controleert overigens die inschrijving? Gaan de raden van arbeid de inschrijving op het arbeidsbureau controleren voordat tot uitbetaling van kinderbijslag wordt overgegaan? Nog een enkele opmerking over de huishoudkinderen die hun kinderbijslag volgende maand verliezen. Is het enige criterium om niet als huishoudkind te worden aangemerkt de inschrijving bij het arbeidsbureau? Dat lijkt mij in deze tijd een eenvoudige en zeer aan te bevelen formaliteit. Het zal duidelijk zijn, dat deze maatregel en deze voorstellen wat ons betreft van tafel moeten. Amenderen lijkt mij een zinloze bezigheid. Dat blijkt ook wel uit de voorstellen van een deel van de SER. Daar wordt voorgesteld meteen maar 20% op alle RWW-uitkeringen voor jongeren tot 20 jaar te korten. Er is in de inkomens van jongeren in de afgelopen jaren flink gehakt en gesneden, zonder dat daarbij enig perspectief werd geboden. Wie de jongeren serieus neemt kan daarmee niet blijven doorgaan. 'Je bent jong en je wil wat', luidt de slagzin van een omroeporganisatie. Dat is dan nu ook achterhaald. Je bent wel jong, maar je kunt niks meer.

Ik ben bang dat deze voorstellen, die misschien op de korte termijn een slok geld voor de overheid zullen opleveren, op de langere termijn heel wat negatievere gevolgen zullen hebben. Een hele generatie wordt als een kat in het nauw gedreven, die niets meer te veroveren en ook niets meer te verliezen heeft. Voor die generatie zal alleen nog gelden: vechten voor jezelf, in plaats van vechten voor elkaar, rancune in plaats van solidariteit, haat in plaats van idealen. Ik vind dit een zeer angstig toekomstperspectief, want ik kan nu al voorspellen wie daarvan de slachtoffers zijn. Daar ben ik het meest bang voor.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Grote groepen jongeren zijn op dit moment de dupe van de slechte financieel-economische situatie waarin wij ons bevinden: meer dan 220.000 jeugdige werklozen -dat is meer dan 37% van het totaal aantal werklozen in ons land -nog steeds geen adequaat jeugdwerkplan en een onbetaalde rekening in de vorm van het financieringstekort, die zonder een nieuw beleid naar de volgende generatie wordt doorgeschoven. De fractie van de VVD is gelukkig met het nieuwaangetreden kabinet dat, volgens het regeerakkoord -de VVD houdt daaraan vast -deze problematiek krachtdadig zal gaan aanpakken. Kan de Staatssecretaris ons overigens al een indicatie geven van het tijdstip waarop wij dat jeugdwerkplan tegemoet kunnen zien, wellicht binnen de afgesproken termijn van zes maanden. Het gaat bij het eerste wetsontwerp om een drietal zaken: de RWW-uitkering voor 16-en 17-jarigen gaat verdwijnen; voor diezelfde groep jongeren wordt het recht op kinderbijslag ingevoerd en er wordt een kleine wijziging aangebracht in de Ziekenfondswet. Dit wetsontwerp vormt een deel van het 1215 miljoenpakket dat in de kabinetsformatie is overeengekomen om de voor 1983 voorziene belastingverhoging te voorkomen. De fractie van de VVD acht het redelijk dat ook jongeren een bijdrage leveren aan dat totaal van ombuigingen. Juist de jongeren hebben er belang bij dat door middel van het voorgestelde beleid onze economie weer uit het slop komt. Indien de maatregelen die in het regeerakkoord zijn overeengekomen om het financieringstekort en de collectievelastendruk te beÔnvloeden achterwege blijven zullen juist de jongeren daarvan de dupe worden. Wij zijn van mening dat er alles aan is gelegen om te voorkomen dat de huidige crisis wordt afgewenteld op de jongeren, dat wil zeggen op de volgende generatie. Wij stemmen in met de in het wetsontwerp aangebrachte leeftijdsgrens. Wij zijn van mening dat er voor de ouders tot het achttiende jaar van het kind, een financiŽle verantwoordelijkheid blijft bestaan. Bovendien zijn wij het er niet mee eens dat onder de huidige omstandigheden aan jongeren van 16 en 17 jaar door de overheid een eigen inkomen wordt gegarandeerd indien die jongeren, om hen moverende redenen, besluiten niet langer gebruik te maken van het onderwijs en niet over voldoende eigen middelen van bestaan beschikken. Wij beschouwen zo'n inkomensgarantie niet als een taak van de overheid. Het gaat hier om jongeren die nog nooit over inkomen hebben beschikt. Daarom is er naar ons oordeel ook geen sprake van een achteruitgang van het totale inkomen binnen het gezin. Bovendien hebben jongeren die nog op school zitten ook geen eigen inkomen, terwijl studerende kinderen vaak meer kosten met zich brengen. Deze maatregel is noodzakelijk als ombuiging, maar daarnaast vindt de fractie van het VVD het ook principieel juist dat aan 16-en 17-jarige schoolverlaters niet per definitie een bijstandsuitkering wordt verstrekt. Ook jongeren moeten de mogelijkheid hebben van eigen ontplooiing en van financiŽle onafhankelijkheid van de ouders. Wij hebben daarbij altijd de leeftijdsgrens van 18 jaar gehanteerd en dat achten wij nog steeds een redelijke grens. Overigens, de eerste verantwoordelijkheid voor die financiŽle onafhankelijkheid ligt bij hem of haar die deze onafhankelijkheid wenst. Die verantwoordelijkheid moet niet op voorhand op de overheid worden afgewenteld. Bovendien, bestaat er wel echte onafhankelijkheid als daarvoor niet zelf de verantwoordelijkheid wordt gedragen? De zorg van de staat zal zich, juist waar het de sociale zekerheid betreft, naar het oordeel van de fractie van de VVD moeten concentreren op degenen, die 18 jaar en ouder zijn. Vandaar dat mijn fractie akkoord kan gaan met dit wetsontwerp. Mijnheer de Voorzitter. Ik wil nog een enkele opmerking maken over het Tweede Kamer 21 december 1982

wetsontwerp 11711, waar het de AOW betreft. Het betreft hier een uniformering van de termijn, waarop na het overlijden van een van de partners nog recht bestaat op de 'gehuwdenuitkering'. Die uniformering betekent een gelijkstelling van de termijn met bestaande regelingen in een aantal andere sociale verzekeringswetten en met overeenkomstige regelingen in het Burgerlijk Wetboek. Mijn fractie kan akkoord gaan met deze uniformering. Overigens teken ik hierbij aan, dat er meer aan de orde is. De uniformering kan zich uitstrekken over meer zaken dan uitsluitend de termijn. Ik heb begrepen, dat een van de collega's in een later stadium in dit debat op dat punt een oordeel van de Kamer zal vragen. Ik zou graag zien, dat de Staatssecretaris daarop invoerig inging, zodat ook mijn fractie daarover een oordeel kan bepalen.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter. Telkens weer blijkt, hoe belangrijk de visie is die men heeft op mens en samenleving bij het innemen van een politieke stellingname. Ook bij relatief kleine wetsvoorstellen, met een relatief gering financieel belang gaat dit op. Mevrouw Van Es heeft daarvan in haar bijdrage ruimschoots blijk gegeven. Wie tegen de samenleving aankijkt als een verzameling losse individuen, elk met eigen rechten tegenover de anderen, ook tegenover de overheid, zal onoverkomelijke bezwaren hebben tegen een wetsontwerp inzake de I6-en 17-jarigen, dat thans ter tafel ligt. Maar wie de deelgenoten in de samenleving primair aanziet op hun levensverbanden en ook aanspreekt op de verantwoordelijkheden, die deze met zich brengen, zal aanmerkelijk minder moeite hebben met het voorstel om de RWW-uitkering voor I6-en 17-jarigen af te schaffen. Het betekent overigens niet, dat men er enthousiast voor moet zijn. Natuurlijk is het een teleurstelling, als men een gering eigen inkomen, waarop men had gerekend, aan zijn neus voorbij ziet gaan. Natuurlijk is het niet leuk, om nog langer financieel afhankelijk te zijn, net als je mocht verwachten, financieel onafhankelijker te worden. Zo'n teleurstelling wordt echter bijna ondraaglijk in een samenleving, die door het materialisme is gestempeld en waarin het verkrijgen van een eigen inkomen zo'n beetje als de enige vorm van zinvolle levensvervulling en levensontplooiing wordt gezien. Helaas werkt de Regering mee aan dit klimaat. Ik denk in dit verband aan het voorstelwaarover wij nog komen te spreken -tot afschaffing van het recht op kinderbijslag voor zogenoemde huishoudkinderen. Ik betreur het dat de Regering dit voorstel geÔsoleerd als de zoveelste bezuinigingsmogelijkheid heeft gepresenteerd, zonder een relatie te leggen met het treffen van extra maatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid voor jeugdigen. De Kamercommissie voor Sociale Zaken voert dezer dagen een mondeling overleg over de EAJ. Ik had het terecht gevonden wanneer een deel van het hier te realiseren ombuigingsbedrag zou zijn aangewend voor de uitbreiding van de EAJ-regeling. Die mogelijkheid is voor volgend jaar nog aanwezig, als de evaluatieperiode met gunstig gevolg is afgesloten. Een principebereidheid daartoe van de zijde van de Regering zou ons zeer welkom zijn. Terugkomend op het voorstel zelf, meen ik, dat het niet juist is de bijstandsregeling te veel te gebruiken voor grote groepen. De bijstand moet primair een aanvulling zijn in individuele gevallen, wanneer alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. In de visie van mijn fractie zijn de ouders primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun minderjarige kinderen. Er zijn inderdaad vele minderjarige kinderen die reeds vroeg in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Dat is zowel voor de ouders als voor de desbetreffende kinderen een plezierige omstandigheid. Het zou echter onjuist zijn kinderen, die dit niet kunnen doen, altijd te vergelijken met werkende kinderen. De vergelijking met door hun ouders onderhouden kinderen ligt meer voor de hand. Zal de financiŽle vooruitgang, die er tot nog toe was, wanneer men van scholier tot werkzoekende promoveerde, niet mede een overweging zijn geweest bij de beslissing om de school te verlaten? Nu die financiŽle vooruitgang er niet meer zal zijn, zal een meer evenwichtige keuze tussen al dan niet doorleren mogelijk worden.De keuze wordt niet meer beÔnvloed door financiŽle nevenargumenten. Als het effect van de voorgestelde maatregel is, dat de desbetreffende groep langer onderwijs gaat volgen dan tot nog toe in die groep gebruikelijk was, dan is dat winst. Daarmee kan de positie op de arbeidsmarkt worden versterkt.

Overigens, voor de volledigheid: als ik spreek over minderjarige kinderen, doel ik niet op de juridische meerderjarigheidsgrens van 21 jaar; de grens is naar mijn gevoel vloeiend en zou in dit geval op 18 jaar gesteld kunnen worden. Het aanspreken van de ouders op de financiŽle verantwoordelijkheid voor hun kinderen is een eerste rechtvaardigingsgrond voor dit voorstel. Een tweede rechtvaardiging kan zijn gelegen in het feit, dat andere groepen, die gebruik maken van de sociale zekerheid, preferente rechten hebben. Ik denk aan de AOW'ers, die vaak vele jaren lang premie hebben betaald voor hun uitkering. Ik denk aan die arbeidsongeschikten, die door hard werken met ere gebruik mogen maken van de WAO en de AAW. Jongeren hebben nog niet gewerkt, hebben geen premie betaald. Zij kunnen dus moeilijk rechten claimen. Bij veel andere groepen is er vaak sprake van het levensonderhoud voor echtgenoten en kinderen. Bij de jongeren is U dit slechts in een uitzonderingssituatie het geval. Al met al acht mijn fractie voldoende redenen aanwezig om ten aanzien van dit wetsontwerp tot een positieve beoordeling te komen. Mijnheer de Voorzitter! Nog enkele vragen vergen beantwoording. In de eerste plaats wil ik het hebben over de medeverzekering in het ziekenfonds en bij de particuliere ziekenfondsverzekering. In het laatste geval wordt veelal verwacht dat kinderen vanaf 16 jaar zelfstandig worden verzekerd. Als er in de praktijk een algehele onderhoudsplicht is van de ouders voor kinderen tot 18 jaar zou deze grens ook verhoogd moeten worden. De Regering zou daarover het overleg met de particuliere ziektekostenverzekeraars kunnen openen. De SER heeft de mogelijkheid geopperd om in geval van vrijwillige ziekenfondsverzekering de premiereductieregeling van toepassing te verklaren. Hoe reageert de Regering daarop? Mijnheer de Voorzitter! De Staatssecretaris heeft helaas onvoldoende inhoudelijk geantwoord op de vragen waarom de meeruitgaven in de kinderbijslag gecompenseerd moeten worden door korting op het percentage leeftijdsafhankelijke bijslag voor 12-18-jarigen. Het achterwege laten van deze korting zou de pijn van de voorgestelde maatregel kunnen verzachten. Te zamen met de vervanging van WWV door RWW zou toch nog de voor 1983 beoogde f150 miljoen aan Tweede Kamer 21 december 1982

ombuigingen kunnen worden gerealiseerd. De korting kan dan achterwege blijven, te meer omdat deze toch geen structurele dekking geeft. Als de Regering die korting toch wil doorzetten, zou nog voldoende over kunnen blijven om maatregelen te nemen speciaal ten behoeve van de werkgelegenheid voor jongeren. De Regering zou daarmee blijk geven van het ernst maken met bezuiniging Ťn werkloosheidsbestrijding.

©

E. (Elske) ter VeldMevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Wie de afgelopen zomer van school kwam, wachtte een mooie zomer, maar weinig kans op een baan. De werkloosheid onder de jeugdige schoolverlaters neemt onvoorstelbare vormen aan. Meer dan 70.000 jongeren onder de 19 jaar zochten in oktober jl. nog een baan. Wat staat in de brochure van Sociale Zaken? Ik citeer uit de werkwijzer voor jongeren 1982: 'Als je van school komt, en je kunt helemaal geen baan vinden, dan kun je na verloop van enige tijd in aanmerking komen voor een werkloosheidsuitkering. Een zogenaamde RWW-uitkering. Voor minderjarige werkloze schoolverlaters gaat de uitkering niet direct na de studie in. Dat gebeurt pas als er twee volle kwartalen zijn verstreken. Stel dat je zo in mei, juni de school verlaat en het lukt je niet om aan de slag te komen. Dan kun je in de meeste gevallen pas vanaf 1 januari een RWW-uitkering krijgen.' Al die schoolverlatende jongeren hebben zich aan die voorwaarden gehouden. Zij hebben zich gemeld bij de gewestelijke arbeidsbureaus, zij hebben zich gemeld bij de gemeentelijke sociale diensten en zij hebben gesolliciteerd. Nog onlangs stond in Vrij Nederland beschreven hoeveel tijd juist deze jongeren besteden aan solliciteren. Alle bedrijven gaan zij af op de brommer om alsjeblieft maar ergens aan de slag te komen. Zij hebben zich rot gesolliciteerd. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben geschokt door de opmerking van de VVD dat de overheid geen taak zou hebben, een uitkering te regelen voor jongeren die nu om hem of haar moverende redenen op zo jonge leeftijd de school verlaten. Hieruit spreekt een volledige onbekendheid met de maatschappelijke realiteit. Op de lagere school al wordt de voorselectie gepleegd: jij gaat naar de LTS, jij naar de LHNO, jij mag naar de MAVO. Voor anderen geldt HAVO, VWO en wellicht daarna een universitaire of een hogere beroepsopleiding. Wie echter op 11-, 12-jarige leeftijd naar het lagerberoepsonderwijs gaat en daar niet op het hoogste niveau 'afstudeert', voor die jongeren bestaat niet eens een vervolgopleiding. Voor hen zou het kort middelbaar beroepsonderwijs moeten worden ingevoerd, integraal. Nu bestaat de mogelijkheid van vervolgonderwijs echter niet eens. Zelfs de mogelijkheden om deel te nemen aan bedrijfsopleidingen en leerlingenstelsel zijn afgesloten. De jongeren over wie wij nu spreken, zijn namelijk werkloos van school af, hebben geen baan en geen mogelijkheid om door die baan ook te kunnen deelnemen aan verder onderwijs. Dat is de werkelijkheid, en dan, na eindeloos solliciteren, na een halfjaar, het recht op een lage uitkering. Deze uitkering zou dan, voor deze jongeren, die in de zomer van 1982 van school zijn gekomen, abrupt niet ingaan. Wel in de wachtkamer, wel voorbereidingsbijeenkomsten van de Gemeentelijke Sociale Dienst over hoe het straks gaat met zo'n uitkering, en dan op de vooravond van de dag waarop het recht feitelijk ingaat weg, niks, blijf maar thuis, ga maar naar moeder. Voor ons gaat werk voor het inkomen, maar waar liggen dan de plannen voor arbeidsplaatsen? Inleveren voor werkgelegenheid? Daarvan is hier geen sprake. Bovendien, dan zou dit inleveren toch niet juist en alleen door deze groep mogen gebeuren. Wij hebben er in het verslag al op gewezen, dat nog niet zo lang geleden de jeugdlonen en daarmee de uitkeringen aanzienlijk zijn verlaagd. Daarna is geen daling van de jeugdwerkloosheid opgetreden. De Regering zegt, dat dit haar grote zorgen baart. Al eerder heb ik gesteld, dat het er niet om gaat te stellen dat de sociale zekerheid onbetaalbaar wordt. Waar het om gaat, is de vraag op wie de lasten worden afgewenteld van de slechte verdeling van de betaalde arbeid. Deze problematiek behoort hier te worden behandeld. Over een jeugdwerkplan weet de Regering slechts te melden, dat er in januari een brief naar de Stichting van de Arbeid gaat. Er wordt de jongeren geen perspectief geboden. Het falen van het economisch beleid wordt afgewenteld op de zwakste groep uit onze samenleving, ook op de jongeren van nu, de generatie van morgen, zoals de VVD dat zo mooi zegt, die niets wordt geboden, geen opleiding, geen werk en geen uitkering. Dat kan niet. Ga maar naar moeder. De ouders krijgen kinderbijslag. In een debat over deze uitkeringen, onlangs voor de AVRO-microfoon, zei mevrouw Oomen: De jongeren hebben met een RWW-uitkering een hoger besteedbaar inkomen dan hun ouders. Mijnheer de Voorzitter! Daarmee erkent zij dat juist de ouders van deze jongeren een heel laag inkomen hebben. Men moet zich eens indenken, wat het zou betekenen, als deze ouders worden geacht nog f54 per week bij te dragen om in het onderhoud van deze jongeren te voorzien ten einde voor kinderbijslag in aanmerking te kunnen komen. De jongeren over wie wij het nu hebben komen niet uit rijke gezinnen. Wat heet? Het overgrote deel van deze jeugdige schoolverlaters komt uit gezinnen met een zeer laag inkomen. Wij hebben daarop in het verslag al gewezen. Dat zijn gezinnen, waar reikhalzend wordt uitgezien naar de dag, waarop deze jongeren hun eigen salaris binnen brengen, waar zelfs de uitkering van deze jongeren een bijdrage levert in het gezinsinkomen. Ik wijs ook op de Algemene Bijstandswet; men wordt geacht f 10 in de week af te dragen aan kostgeld.

De heer Linschoten (VVD): Mevrouw Ter Veld legt een duidelijke relatie tussen het inkomen van deze jongeren en de wijze waarop zij een bijdrage aan het gezinsinkomen kunnen leveren. Als de jongeren op school blijven en niet werkloos zijn, worden de ouders geconfronteerd met de kosten van de opvoeding van hun kinderen zonder dat daar een uitkering van de jongeren tegenover staat. Vindt zij deze situatie terecht?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik wijs erop dat de vroege schoolverlaters, de zestien-en zeventienjarigen, voor een zeer groot deel komen uitgezinnen met zeer lage inkomens. Het is zeer jammer en betreurenswaardig dat het langduriger deelnemen aan het onderwijs vaker voorkomt bij mensen met een iets ruimere beurs. Ook wijs ik erop dat wij gelukkig in Nederland een systeem kennen van inkomensafhankelijke bijdragen ook in opleidingen voor zestien-en zeventienjarigen. Het is geen grote bijdrage. Deze mag wat mij betreft meer zijn. Daar wordt dus in een bepaalde mate soelaas geboden.

De heer Linschoten (VVD): Dat neemt niet weg, dat mevrouw Ter Veld aan jongeren die besluiten om van school af te gaan, een eigen inkomen wil Tweede Kamer 21 december 1982

toekennen, terwijl zij dat zelfde inkomen niet toekent aan jongeren die op school blijven. Dat is een verschil.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik wijs erop dat er een verschil in situatie is. De uitkering voor zestien-en zeventienjarige schoolverlaters is geen uitkering in de zin van een zelfstandig inkomen, maar een bedrag dat hen in staat stelt om in het gezin van hun ouders in een zekere mate zelfstandig te functioneren. Ook dan worden zij geacht een tientje in de week bij te dragen aan kostgeld. In die gezinnen kan dat nogal wat uitmaken.

De heer Linschoten (VVD): U hebt ons aangevallen op onze stelling dat het eigenlijk niet de taak van de overheid is om jongeren, als zij op jonge leeftijd besluiten om van school te gaan om welke reden dan ook -daar kunnen best vele sociale problemen achter zitten -een inkomen te verschaffen. Waarom zou dat de taak van de overheid zijn? Als men een eigen inkomen wil hebben, op welke leeftijd dan ook, mag men daarvoor dan geen eigen verantwoordelijkheid dragen?

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De taak van de overheid is enerzijds klaar te staan met adequate opleidingsmogelijkheden en anderzijds een dusdanig werkgelegenheids-beleid te voeren dat deze jongeren geen aanspraak behoeven te maken op een dergelijke uitkering, maar met hun eigen krachten en mogelijkheden in staat zouden zijn om hun talenten te gebruiken en werk te vinden. Dat verwachten wij van de overheid, dat zou de fractie van de VVD ook van de overheid moeten verwachten en dat is het beleid dat ik ook verwacht van de fractie van de VVD.

De heer Linschoten (VVD): Ik ben het met u eens dat dit de uiteindelijke doelstelling zou moeten zijn. Daarom blijft mijn fractie er ook aan vasthouden dat er binnen een half jaar een jeugdwerkplan op tafel ligt en dat jongeren perspectief wordt geboden. Dat perspectief zal alleen maar een ondergrond kunnen krijgen als het sociaal-economisch beleid in het algemeen daarvoor een draagvlak biedt. Juist daarom zijn bij voorbeeld maatregelen als deze noodzakelijk!

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Wij hebben een week gedebatteerd over een aantal sociale wetten. Mijn fractie heeft een aantal voorstellen gedaan om aan te geven hoe dat anders zou kunnen. Het voorstel om nu de RWW-uitkering af te schaffen, was daar echter niet bij. Toch ben ik van mening dat mijn fractie een evenwichtig beleid heeft voorgesteld, waarin de lasten eerlijk verdeeld waren en waarin de werkgelegenheid wel degelijk uit zou kunnen groeien tot het normale niveau. Ik ben er overigens blij mee, dat ook de heer Van Linschoten wijst op het belang van bestrijding van de jeugdwerkloosheid en ik hoop dat wij dat ook, bij voorbeeld wanneer het gaat om de EAJ-projecten, in de praktijk zullen merken. Mijnheer de Voorzitter! Om de RWW-uitkering per 1 januari niet uitte keren, lijkt toch niet op behoorlijk bestuur? Deze jongeren hebben in de wachtkamer gezeten en net op het moment dat zij aan de beurt zouden zijn is het 'stop'! Als je er werkelijk voor wil zorgen dat deze jongeren hun vertrouwen in de overheid verliezen, dan moet je dat zo doen! Je moet er dan niet verbaasd over zijn dat dit gevolgen heeft voor de wijze waarop in de toekomst de jongeren de overheid tegemoet zullen treden. Ik doe daarom een dringend beroep op de Regering Ťn de Kamer om in geen geval deze maatregel op 1 januari a.s. te doen ingaan. Ik heb daartoe een amendement ingediend. Zou een andere uitkeringsregeling denkbaar zijn? Ik wijs op het SER-advies. Het grootste deel van de leden van de SER dringt er daarin op aan om voor werkloze schoolverlaters een uitkeringsrecht in het kader van de RWW te blijven hanteren. Hierop wil ik graag de visie van de Regering vernemen. Voor ons blijft uitgangspunt dat deze jongeren in de eerste plaats als werkloze schoolverlaters moeten worden gezien, werklozen die een baan zoeken en daar ook recht op hebben. Een vergelijking met scholieren is dan schrijnend. De Regering ziet dat niet in. Zoals ik al zei, hun situatie is wezenlijk anders; het zijn geen scholieren, niet in de laatste plaats, omdat adequate onderwijsvoorzieningen ontbreken. Het zijn werklozen, werkzoekenden, van wiens talent en mogelijkheden onze samenleving thans kennelijk geen gebruik ziet te maken; een vernietiging van menselijk kapitaal. Als werklozen moeten deze jongeren ook kunnen worden aangesproken. Als hen passend werk wordt aangeboden -wat een geluk zou dat zijn -dan moeten zij dit aanvaarden. Als het arbeidsbureau hen in de gelegenheid stelt tot scholing, dan moeten zij daar gebruik van maken. Zij behoren te voldoen aan de plichten die deze samenleving stelt en zij hebben dan ook rechten. Mijnheer de Voorzitter! Thans wordt geadviseerd over ťťn geÔntegreerde regeling voor alle werkloosheidsuitkeringen, de WW, de WWV en de RWW. De SER hoopt daarover nog voor de zomer advies uit te brengen. In dat kader adviseert een deel van de SER in het spoedadvies om, eventueel vooruitlopend op deze integrale regeling, te kijken naar de positie van werkzoekenden zonder of met een zeer kort arbeidsverleden. Daarbij behoort dan ook bekeken te worden hoe de positie van werkloze schoolverlaters moet worden geregeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat -met als enig argument het regeerakkoord; dat is toch geen rechtsgrond? -niet zorgvuldiger wordt omgegaan met het uitkeringsrecht van werklozen. Ik vind dat de Regering met de spoed en de wijze waarop dit wetsvoorstel is ingediend en de behandeling daarvan onzorgvuldig omgaat met deze rechten. Als er een wijziging had moeten komen van de bijstandswet, dan zou de normale procedure zijn geweest dat er advies was gevraagd aan het Adviescollege Algemene bijstandswet. Dan had het besluit twee maanden voor de ingangsdatum al ter inzage gelegen. Bij zo'n wetswijziging, zeker wanneer het gaat om zo'n belangrijke vraag als voor welke jongeren, ouders aanspraak kunnen maken op een kinderbijslaguitkering, zou een SER-advies noodzakelijk zijn geweest. Naar ons oordeel behoort over een toekomstige regeling voor werkloze schoolverlaters in het licht van de al eerder genoemde adviesaanvraag, de SER en het Adviescollege Algemene Bijstandswet verzocht te worden, een interimadvies uit te brengen over het of en het hoe van een specifieke regeling voor werkloze schoolverlaters. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil hiertoe een motie indienen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Ter Veld en Buurmeijer wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; constaterende, dat de Regering het voornemen heeft per 1 januari a.s.

aan 16-en 17-jarige werkloze schoolverlaters geen RWW-uitkering meer te verstrekken; overwegende, dat dit voornemen de bij de jongste groep schoolverlaters gewekte verwachtingen volstrekt negeert;

van oordeel, dat regelingen voor jongeren dienen te zijn ingepast in een beleid gericht op de creatie van arbeidsplaatsen en scholingsmogelijkheden; tevens van oordeel, dat in dit licht bezien de Regering in gebreke blijft bij het bieden van perspectief aan deze categorie jongeren; constaterende, dat door de meerderheid van de leden van de SER wordt aangedrongen op een regeling voor werkloze schoolverlaters in het kader van de RWW; dringt er bij de Regering op aan: a. af te zien van haar voornemen en b. in het licht van de in de SER in gang zijnde studie over een geÔntegreerde werkloosheidsregeling, hierop vooruitlopend een gerichte adviesaanvrage te doen uitgaan aan de SER en het Advies College Algemene Bijstandswet om te komen tot een aanvaardbare regeling voor werkloze schoolverlaters, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 11 (17697).

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Misschien in de ogen van de bewindspersoon een klein probleem -want alles wordt afgedaan als geen probleem, zolang de bijstandsgrens nog niet bereikt is -is de situatie van de pendelarbeider. Nu al leidt dit tot problemen waar in de wachtperiode geen kinderbijslag wordt uitgekeerd. Hoe denkt de bewindspersoon dit probleem bij onverhoopte aanname van zijn voorstellen op te lossen? Mijn fractie is uitermate verbaasd over de wijze waarop wordt omgesprongen met de budgettaire neutraliteit. Strikt genomen -zo zegt de Regering zelf -betekent het wetsvoorstel een ombuiging in de Kinderbijslagwet van f30 miljoen, die daarna weer wordt aangewend om de kinderbijslag van de 16-en 17-jarigen te kunnen bekostigen. De argumentatie luidt dat anders de ombuigingen niet kunnen worden gerealiseerd. Zo is de ombuigingstaakstelling verheven tot het doel dat alle middelen heiligt. Wij achten dit onaanvaardbaar. Ook voor andere fracties moet een dergelijk omspringen met een afspraak over budgettaire neutraliteit niet te pruimen zijn. Ik heb daarom een amendement voorbereid, zodat in ieder geval dat artikel kan worden afgewezen. Ik sprak over een beleid dat gericht is op het bieden van toekomst. Een beleid dat enig perspectief aan jongeren biedt, moet een beleid zijn waarin de samenleving zich tot het uiterste inspant om werkgelegenheid te creŽren, eerlijk te verdelen en onderwijsmogelijkheden voor jongeren uit te breiden. Het mag niet zo zijn dat jongeren die nu van school zijn afgekomen en straks van school afkomen, te horen krijgen: mooi dat je wat geleerd hebt, maar wij hebben je niet nodig; blijf nog evenhoe lang -in de wachtkamer. De samenleving heeft op dit moment geen behoefte aan jullie.

©

C.I. (Ien)  DalesMevrouw Dales (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil slechts een enkele opmerking maken over wetsontwerp 17711. Mijn fractie is er tevreden over dat de Staatssecretaris de in successie door de SER, de Raad van State en de fracties van de PvdA en het CDA geuite opvatting dat de gelijktrekking van de overlijdensuitkeringen niet beperkt mag blijven tot de duur daarvan, nu ook deelt. Wij zien ook in -gegeven de voortgeschreden tijd is het allemaal niet meer anders -dat hiervoor nog enige tijd van onderzoek en voorbereiding nodig is. Wij vinden evenwel, dat de feitelijke toezegging die de Staatssecretaris doet over de door hem te nemen actie, veel te vaag is. De term 'te gelegener tijd' geeft de Kamer geen enkel houvast. De gelegenheid die de bewindsman 'bij voorbeeld' zegt te kunnen aangrijpen, namelijk de herziening van de AOW in verband met de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, is niet op enige datum gefixeerd. Naar wij hebben vernomen, is de Sociaal-Economische Raad nog niet eens met de werkzaamheden begonnen voor het ter zake gevraagde advies, zodat zelfs ongerustheid ontstaat over de vraag of het geheel aan wetswijziging, benodigd voor de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, wel gereed zal zijn op de datum waarna geen afwijking van de derde richtlijn van de EG meer is toegestaan.

Het zou goed zijn, als de Staatssecretaris de Kamer een inventarisatie doet toekomen van alle wijzigingen die in dat kader nodig zijn, alsmede een tijdsplanning. Daarop komen wij echter nader terug tijdens de UCV over het emancipatiebeleid. Thans zien wij ons genoodzaakt, de Staatssecretaris een datum te vragen, waarop de voorstellen voor verdere gelijktrekking van de overlijdensregeling aan de Kamer worden aangeboden. Een en ander is in een motie vervat. Ik heb de eer, mijnheer de Voorzitter, u die thans te overhandigen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Dales, Ter Veld en Buurmeijer wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat in wetsontwerp 17711 slechts de duur van de overlijdensuitkering in de AOW wordt gelijk getrokken met de duur van de overlijdensuitkeringen zoals die zijn vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet, de WWV en de WAO; overwegende, dat zowel de Sociaal-Economische Raad, in een unaniem advies, als de Raad van State erop hebben gewezen dat het om redenen van uniformering in bijzondere mate de voorkeur verdient om de overlijdensuitkering niet alleen naar de duur, maar ook naar de inhoud gelijk te trekken met andere sociale verzekeringswetten;

van oordeel, dat de verdere uniformering van de overlijdensuitkering in de AOW op korte termijn haar beslag dient te krijgen;

verzoek de Regering, vůůr 1 mei 1983 een ontwerp van wet in te dienen dat tot strekking heeft de bedoelde uniformering in brede zin tot stand te brengen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 6(17711).

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Ik stel het op prijs, mevrouw Dales te feliciteren met haar maidenspeech als kamerlid. Ik hoop van harte dat zij hier meermalen het woord zal voeren, en op uitvoeriger wijze dan zij zoeven heeft gedaan. Alle begin is misschien moeilijk!

Mijnheer de Voorzitter! De uitersten raken elkaar. In ťťn adem spreken wij vanavond over bezuinigingen ten koste van jonge werklozen in de leeftijd van 16 en 17 jaar en van AOW-ers van wie een der huwelijkspartners is overleden. Het eerste voorstel stuit bij mijn fractie op minder weerstand dan het tweede. In de samenleving is dit ogenschijnlijk anders, wanneer men let op alle ophef rondom het voorstel om het recht op bijstand krachtens de RWW voor 16-en 17-jarigen met ingang van 1 januari aanstaande te beŽindigen. Heel iets anders is de vraag, of er in alle opzichten kan worden gesproken van een recht. Daarop kom ik nog terug. Met betrekking tot het afschaffen van die bijstand aan werklozen maak ik eerst enkele opmerkingen van algemene aard. De aangekondigde maatregel treft jongeren van 16 en 17 jaar, zoals ik al heb gezegd. Dat zijn voor de wet minderjarigen. Ten gunste van hen geldt de wettelijk vastgestelde zorgplicht van de ouders. Artikel 404 van boek -1 van het Burgerlijk Wetboek laat daarover geen onduidelijkheid bestaan. De verantwoordelijkheid voor opvoeding en onderhoud van minderjarigen ligt ten principale geheel en al bij de ouders of voogden en niet bij de overheid, hoe vervelend, triest en demotiverend het ook kan zijn, wanneer werkzoekenden in de desbetreffende leeftijdsklasse niet aan de slag kunnen komen en daardoor geen eigen inkomen kunnen verwerven. Hoe je het ook wendt of keert, 16-en 17-jarigen zijn voor alles kind en dat is aan de hoede van de ouders toevertrouwd. In de schriftelijke voorbereiding van het wetsontwerp is de vraag aan de orde geweest, of de werkloze jongeren van 16 en 17 jaar met betrekking tot hun inkomenspositie moeten worden vergeleken met een werkende jongere of een scholier. Op zich zelf is dat een begrijpelijke en relevante vraag, maar voor mijn fractie is het duidelijk dat wij in de eerste plaats te maken hebben met een minderjarige. Ik herhaal dat een minderjarige ten laste van de ouders of de voogden komt. Vandaar dat het handhaven of weer toekennen van kinderbijslag een volstrekt logische en juiste beslissing is. Aan de ouders is het om een eventuele afspraak te maken over de besteding van de op die manier uitgekeerde gelden.

Mijnheer de Voorzitter! In de discussie rond het nu in bespreking zijnde voorstel wordt met verontwaardiging uitgeroepen dat jongeren van 16 en 17 jaar weer in een afhankelijke positie ten opzichte van de ouders worden gebracht. Ik denk dat dit in veruit de meeste gevallen nog nooit anders is geweest en dat het als vanzelfsprekend wordt ervaren. Bovendien vraag ik mij af, wie ooit heeft bedacht dat jongeren van die leeftijdscategorie -dus de leeftijdscategorie van 16 en 17 jaar -zo nodig zelfstandig moeten zijn. Wat is de drijvende kracht achter die opvatting? Misschien komt daar in de loop van dit debat wel wat meer zicht op. Als het goed is, zal een kind nergens zo gelukkig zijn als in het eigen gezin. Ik wil daarmee niet om de werkelijkheid heen lopen en ik besef zeer wel dat er zulke gestoorde relaties kunnen zijn tussen ouders en kinderen dat er een scheiding tot stand moet komen, en wel in beider belang. Ik ben er echter van overtuigd dat de schuld in zo'n situatie lang niet altijd bij de ouders, maar juist bij het kind ligt, mede door druk vanuit de samenleving om op zo jeugdig mogelijke leeftijd zelfstandig te gaan leven en wonen. Ook hier zien wij iets van het wegvallen van normen en waarden. Denk aan de door God gegeven gezagsrelaties in een gezin. Het wegvallen van die normen en waarden werkt ontwrichtend, tot schade van mens en samenleving. Hoe het ook zij, de ouders blijven verantwoordelijk en niet de overheid, dus niet de samenleving. Een andere opmerking van algemene aard betreft onze visie op de taak en verantwoordelijkheid van de overheid. Nu dit kabinet de maatregelen inzakede 16-en 17-jarige werklozen alleen om budgettaire motieven wil nemen, ontstaan er in de samenleving weerstanden. Ik heb daar al op gewezen bij de debatten naar aanleiding van de regeringsverklaring. Als de Regering niet tot een nieuwe afbakening van de eigen taken komt en die nieuwe afbakening niet aan de burgerij duidelijk maakt, dan zal het in de komende tijd -en naar moet worden gevreesd zelfs in de komende jaren -protesten blijven regenen. Benadeelden voelen zich gepakt en zelfs bedrogen, omdat hen verworvenheden en rechten zouden worden afgepakt. Men is eraan gewend dat men alle problemen van financiŽle en sociale aard kan afwentelen op de overheid.

Dit keer zijn het de jongeren -en onder hen vele dropouts -die zich onheus behandeld achten. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de overheid in wezen geen verantwoordelijkheid draagt voor de inkomensderving van minderjarigen? Zo neen, is hij dan van plan om het recht op een bijstandsuitkering voor jongeren weer te herstellen zodra de financieel-economische situatie dit toelaat? De derde opmerking van algemene aard betreft het gebruik van het begrip 'recht'. In de zin van de wet is het volkomen juist dat wordt gesproken van een 'recht'. Sinds 1965 is een bijstandsregeling voor jonge werklozen van 16 en 17 jaar wettelijk vastgelegd. Naar mijn vaste overtuiging is dat besluit uit 1965 volstrekt onjuist geweest. Het voegde een nieuwe loot toe aan de stam van de verzorgingsstaat, die nu zo onder druk staat en om financiŽle redenen stukje bij beetje wordt afgebroken. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de uitspraak van Minister De Koning, nog vandaag in deze Kamer gedaan, namelijk dat wij met elkaar boven onze stand hebben geleefd, ook van toepassing is op het royale gebaar ten opzichte van de jeugdige werklozen? Nu er een einde wordt gemaakt aan de regeling dat jonge werklozen van 16 en 17 jaar geen recht op bijstand hebben, heeft dat de instemming van mijn fractie. Wel hebben wij nog enkele vragen. Geldt het vervallen van een bijstandsuitkering voor jongeren van 16 en 17 jaar niet voor jongeren die nu al zelfstandig wonen? Als dat zo is, wat is daarvan de reden? De Staatssecretaris verwacht blijkens de nota naar aanleiding van het verslag niet dat jongeren ter wille van een uitkering sneller zelfstandig gaan wonen. Het recht op individuele bijstandsverlening voor 16-en 17-jarige alleenstaanden is aan strikte voorwaarden gebonden, zo lees ik. Zijn dat nieuwe voorwaarden of gelden die ook al voor degenen die nu al zelfstandig wonen? Welke criteria zijn dan van toepassing? Is het trouwens billijk en rechtvaardig, op deze wijze twee categorieŽn werkloze jongeren te maken? Waarom wordt niet als uitgangspunt gekozen dat voor elke jongere in de desbetreffende leeftijdscategorie het recht op bijstand vervalt? Wat is erop tegen, als zij naar het ouderlijke huis teruggaan in het geval dat zij nu zelfstandig wonen? Kan dit niet tot meer gunstige effecten leiden?

In het verlengde hiervan kom ik op het volgende. Voor werkloze jongeren die op 31 december aanstaande nog geen 18 jaar zijn, maar wel recht op een uitkering hebben, is de voorgeschreven wijziging niet van toepassing, zo wordt in artikel 6 voorgesteld. Ook dit acht mijn fractie onjuist, zowel op principiŽle als op juridische gronden. Er mag geen rechtsongelijkheid ontstaan. Vanuit deze gedachte heb ik een amendement ingediend op artikel 6, waarmee een nieuwe tekst wordt voorgesteld. Ik heb er begrip voor dat 17-jarigen die nu reeds een uitkering hebben, een geweldige strop hebben als deze van de ene op de andere maand wegvalt. Daarom stel ik een gefaseerde beŽindiging in drie maanden voor. Men kan dit vergelijken met de wijze waarop wij eerder op deze dag hebben gesproken en besloten over de beŽindiging van de vereveningstoeslagen bij de WAO. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat 20.000 16-jarigen per 1 januari aanstaande in aanmerking kwamen voor een bijstandsuitkering en dat 4000 jongeren voor de zogeheten overgangsregeling in aanmerking komen. Dit is een groot verschil, dat ik niet nader heb kunnen onderzoeken. Is er een verklaring voor dit verschil? Welke effecten zal het niet verlenen van een bijstandsuitkering aan jonge werklozen hebben op gezinnen met de laagste inkomens, waar de uitkering van de jongeren een welkome bron van inkomsten of extra inkomsten is? Hoe zit het precies met de gezinnen in Limburg en andere grensprovincies, waarvan de vader in het buitenland werkt en de kinderen geen werk kunnen vinden? Dit komt op grote schaal voor in Zuid-Limburg. Kinderbijslag kan dan niet worden verkregen, zo heb ik begrepen. Eventueel kan iets extra's uit de bijstand worden verkregen. Hoe zit dit en wat betekent dit concreet? Ik wijd nog enkele woorden aan het voorstel, de overlijdensuitkering in de AOW te beperken van vijf tot twee maanden. In het begin van mijn betoog heb ik reeds gezegd dat mijn fractie met dit voorstel heel wat meer moeite heeft dan met het andere. Als wij al moeten beknibblen op het inkomen van de oudsten en dikwijls zwaksten onder ons, moeten hiervoor zeer zwaarwegende motieven aanwezig zijn. Voor de maatregel worden andermaal slechts budgettaire drijfveren aangegeven. Wel wordt als extra dimensie toegevoegd dat de maatregel de harmonisatie met de uitkeringsrechten van andere sociale wetten bevordert. Dit is echter slechts een positieve bijkomstigheid. De opbrengst van de gehele operatie moet ongeveer 50 miljoen gulden zijn. In de schriftelijke voorbereiding heb ik gevraagd of in het geheel van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen enkele andere mogelijkheid bestond om dit bedrag te bezuinigen. Bovendien moeten er prioriteiten worden gesteld. Mijn fractie acht het betreurenswaardig dat kosten ten bate van de emancipatie van meer belang worden geacht dan de uitkering aan AOW'ers van wie de echtgenoot of echtgenote is overleden en die doorgaans toch al een zeer moeilijke periode in hun leven doormaken. Ik hoop dat de Staatssecretaris op dit aspect ingaat. Tot slot vraag ik of de Sociale Verzekeringsraad zo snel op de nieuwe maatregelen kan inspelen dat terugvordering achteraf uitgesloten is Het lijkt mij uiterst pijnlijk, als door welke oorzaak ook een navordering moet plaatsvinden. Kan de Staatssecretaris garanderen dat dit niet zal gebeuren?

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Opnieuw behandelen wij een bezuinigingsvoorstel, deze keer wel erg duidelijk voorzien van gelegenheidsargumenten. In 1980 werd de zogenaamde referte-eis voor schoolverlaters ingevoerd. De wachttijd van een halfjaar voor de RWW werd toen verdedigd met een verwijzing naar de WW en de WWV, waarin ook sprake was van een 'dageneis'. Twee jaar geleden werden schoolverlaters dus nog vergeleken met werknemers om een wijziging van de RWW te beargumenteren. Nu is opnieuw de RWW aan de orde en komt het beter uit, de schoolverlaters te vergelijken met scholieren. Het lijkt misschien voor de hand te liggen, maar het is een absurde vergelijking voor degene die weet welke enorme sommen geld de overheid besteedt aan onderwijssubsidies voor schoolgaande jongeren en wat hiertegenover staat voorwerkende en werkloze jongeren, namelijk praktisch niets. Ik verwijs de Staatssecretaris en de woordvoerder van de VVD-fractie naar het onderzoeksrapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, getiteld: 'Profijt van de overheid'.

Ik begrijp overigens best dat deze vergelijking uitstekende perspectieven biedt voor een verder bezuinigingsbeleid, desnoods net zo lang tot alle werkloze jongeren weer op de kinderbijslag van hun ouders zijn aangewezen.

De heer Linschoten (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Mag ik mevrouw Beckers op ťťn ding wijzen? Het betreft hetzelfde soort verschil in perspectief, dat mevrouw Ter Veld zoeven aanbracht. Natuurlijk zijn daar verschillen. Het gaat er ook niet om dat er, naar ons idee, niet erg veel gedaan moet worden voor jongeren die in deze situatie verkeren, juist om te zorgen dat zij weer enig perspectief krijgen en juist om ervoor te zorgen dat zij weer een baan krijgen op niet al te lange termijn. Maar het perspectief dat deze jongeren moet worden geboden is in eerste instantie perspectief in de zin van economische mogelijkheden om weer aan een baan te komen in de toekomst -niet het perspectief om met ingang van 1 januari een inkomen te krijgen zonder dat zij nog ooit hebben gewerkt.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Ik was zonet al van plan u te interrumperen, mijnheer Linschoten, en ik wil er nu toch wel iets over zeggen. Als ik u dit soort vergelijkingen hoor maken, word ik eigenlijk alleen maar ontzettend boos. Het lijkt wel, alsof een aantal mensen hier wereldvreemd rondloopt. Ziet u dan niet het verband tussen deze jongeren en dit soort maatregelen, en bij voorbeeld het inkomensplaatje dat deze weken hier de ronde heeft gedaan? Dit zijn de mensen die straks weer uitkomen op -4, -5į/o, enz., terwijl de mensen met de hoge inkomens -de mensen die wel een behoorlijke opleiding hebben gehad, die gestudeerd hebben -buiten schot blijven. Het is precies deze redenering die u ophangt, mijnheer Linschoten, die dit hele mechanisme van die samenleving in stand houdt. Dit soort jongeren hebben geen kansen en zij zullen ook geen kansen krijgen.

De heer Linschoten (VVD): Vandaar ook dat wij van dit kabinet vragen, dat er kansen komen voor dit soort jongeren. Daarvoor is het noodzakelijk dat er een gezond financieel-economisch beleid wordt gevoerd. Naar het oordeel van de fractie van de VVD passen dit soort maatregelen in dat gezonde financieel-economische beleid, juist om op langere termijn een stuk perspectief te bieden voor Tweede Kamer 21 december 1982

deze jongeren die in enorme problemen zitten.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Ik versta onder een gezond sociaal-economisch beleid iets anders dan u, mijnheer Linschoten, maar dit lijkt mij nu te verte voeren. Mijnheer de Voorzitter! Ik realiseer me dat je cynisch wordt van een week vol met bezuinigingsdebatten en ik ben dat ook een beetje. De jongeren waarom het gaat, reageren anders. Ik citeer: ' Ik las in de kranten dat de uitkering waar ik per 1 januari recht op heb, wordt ingetrokken en daar baal ik goed van. Hartelijk bedankt, zou ik zo zeggen! '. Dit is het begin van een brief die wij van een 16-jarige schoolverlater kregen. De demonstraties en protestbijeenkomsten spreken nog een veel duidelijker taal. Maar het is ook nogal wat om vlak voor Kerst te horen dat je per 1 januari beloofde uitkering vervalt en dat je in plaats daarvan kinderbijslag krijgt, die tot zo'n f200 minder per maand kan zijn en die, als tegemoetkoming in de kosten van de ouders die het kind grotendeels onderhouden, in de huishoudpot kan verdwijnen en dit vaak ook moet. Inschrijving op het Arbeidsbureau blijft echter voorwaarde. En zo krijgt de kinderbijslag het karakter van een werkloosheidsuitkering, zonder dat de werkloze zelf daarop een uitkeringsrecht heeft. Daartegen heeft mijn fractie de grootste bezwaren. Mijnheer de Voorzitter! Ik vraag mij af en probeer maar weer aan de weet te komen, of het kabinet zich een beeld heeft gevormd om welke jongeren het gaat. Uit de meest recente cijfers van het CBS blijkt dat in maart 1982 31% van de jongeren die het voorgaande jaar van school waren gekomen, werkloos was. Probleemgevallen zijn: schoolverlaters met nauwelijks meer dan basisonderwijs en meisjes meteen LBO-opleiding. In drie van de vier gevallen had men in die 9 maanden nog geen baan kunnen vinden. Het Statistisch Magazine, 1982, nr. 3, heeft de uitkomsten van een eerste onderzoeknaar de arbeidsmarktpositie van vroegtijdige schoolverlaters gegeven. De in begin 1981 onderzochte groep is in grote meerderheid 16 en 17 jaar, heeft na het basisonderwijs geen schooldiploma meer behaald en komt uit het lager beroepsonderwijs. De werkloosheid onder deze categorie bleek -schrikt u niet -40% te bedragen. Daarbij moet men bedenken dat op dat moment de geregistreerde werkloosheid onder de totale beroepsbevolking ongeveer 8% was en onder de beroepsbevolking onder de 19 jaar 22%. Het gaat dus echt om de jongeren die nauwelijks enig uitzicht hebben. Sindsdien is de situatie nog verslechterd. De schatting is dat per 1 januari aanstaande zo'n 20.000 16-en 17-jarigen uit de wachttijd komen. Het recht op werk heeft voor hen geen betekenis. Nu wordt hen dan ook nog het recht op een zelfstandige uitkering afgenomen. Is het dan zo'n wonder dat zij daartegen te hoop lopen? De schriftelijke behandeling van het wetsontwerp is erg snel gegaan, zo snel dat de SER noodgedwongen met het advies kwam nadat het verslag was uitgebracht. In het SER-advies trekt het voorstel van het CNV, ondersteund door 9 Kroonleden, de aandacht. Dit voorstel, een afzonderlijke rijksgroepsregeling voor schoolverlaters, heeft ťťn belangrijk voordeel vergeleken bij het wetsontwerp: minderjarige schoolverlaters krijgen allen een individueel recht op een uitkering, zij het op 80% van het huidige RWW-niveau. Wat ons echter steeds meer tegenstaat is de suggestie, die telkens weer gedaan wordt, dat slechte voorstellen goed zouden worden omdat ze geld opleveren en dat als alle argumenten wegvallen, dat bezuinigingsargument tenslotte toch de doorslag moet geven. Dat geldt in zekere zin ook voor het deel van de SER. Deze komt met een minder slechte oplossing dan die van de Regering, maar wel ťťn waarbij even hard en even eenzijdig op jongeren wordt bezuinigd. In het regeringsvoorstel dragen zelfs de 12-tot 16-jarigen bij aan de bezuiniging, doordat hun ouders in 1983 niet 107,5% maar 106% van de kinderbijslagbedragen krijgen voor 6 tot en met 11-jarige kinderen. Overigens stel ik hierbij de vraag of en hoe per 1 januari 1984 die kinderbijslag voor 12-tot 17-jarigen wordt verhoogd tot 115%. De meeruitgaven die uit de wetmatige verhoging voortvloeien moeten immers in 1984 gefinancierd worden. Hoe moet dat gebeuren? De bezwaren van de PPR-fractie tegen het voorliggende wetsontwerp zijn de volgende: een toegezegd inkomensrecht wordt de huidige 16-en 17-jarige op het allerlaatste moment ontnomen; zij blijven twee jaar langer afhankelijk van hun ouders of worden dat weer nadat zij al gewerkt en geld verdiend hebben;

de negatieve inkomenseffecten komen bij de lagere inkomensgroepen veel harder aan dan bij de hogere (vroegtijdige schoolverlaters komen bovendien meer voor bij de lagere inkomensgroepen); de kinderbijslagwetgeving heeft nooit de bedoeling gehad te gaan optreden als een werkloosheidsvoorziening en dan nog wel twee jaar lang, en niet alleen voor schoolverlaters maar ook voor werkloze 16-en 17-jarigen die korter hebben gewerkt dan de referteperiode. Wij kunnen daarom geen enkele waardering voor deze maatregel opbrengen. Het is een maatregel die bovendien bijeffecten kan hebben, in de zin van een kans op ontwrichting van het samenlevingsverband waarin jongeren opgroeien. De regeling kan jongeren ertoe brengen van huis weg te lopen om op die manier recht op een uitkering te krijgen. Dat kan toch niet de bedoeling van dit kabinet zijn? Er lijkt met meer maatschappelijke kosten geen rekening te zijn gehouden, vooral niet met de positie van bijstandsgezinnen en gezinnen met andere lage inkomens. De gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met de uitzichtloze positie waarin dergelijke gezinnen verkeren. Het niet Krijgen van een RWW-uitkering voor een 16-of 17-jarige -een uitkering waarop was gerekend -is vooral voor hen een gevoelige klap, zeker nu in 1983 ook nog eens de kinderbijslag voor jongere kinderen wordt verlaagd. In een aantal gevallen kunnen ook problemen ontstaan met de vrijwillige ziekenfondsverzekering. Bij een gereduceerde premie gaat het altijd nog om zo'n f82 per maand. Moet dit uit de kinderbijslag worden betaald? De Ziekenfondsraad die op de valreep ook nog even mocht adviseren, ziet problemen voor jongeren die 18 jaar worden en dan pas vanaf de eerste dag van het volgende kwartaal RWW krijgen. Zonder nadere wettelijke regeling zijn deze jongeren, volgens deze raad, enige tijd onverzekerd. Kan de Staatssecretaris duidelijk maken wat hiervoor de oplossing is? Het allerergste van dit voorstel is, naar mijn mening, dat de politiek weer onbetrouwbaar blijkt. Er is een belofte gedaan. Het ergste is dat die politiek opnieuw de mond vol heeft van solidariteit en eigen verantwoordelijkheid, maar intussen zelf arme groepen en randgroepen kweekt; dat zij mensen die het niet meer weten geen enkele hand toesteekt, hen integendeel steeds dieper wegdrukt in een grauw bestaan waar ze zelf maar moeten zien hoe ze eruit komen.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Zoals in dit debat al meermalen is gezegd spreken wij over een overhaast voorstel. Er is sprake van onzorgvuldig handelen waar het betreft de procedure. Adviezen kunnen niet of nauwelijks worden verstrekt. Ik zal het allemaal niet herhalen. Ik wil in dit verband de Staatssecretaris wel een vraag stellen. Wat verstaat hij onder een zorgvuldige procedure als het gaat om dergelijke ingrijpende maatregelen? Ik neem ten minste aan dat de Regering gedachten heeft over een goede procedure rond het indienen van wetsontwerpen en over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan alvorens kan worden gesproken van een zorgvuldige procedure. Ik hoor daarover graag iets meer. Anders komen wij telkens in deze discussie terecht. Met name van de kant van het CDA en de VVD is enkele malen gesuggereerd dat jongeren in een luxepositie zitten. Ik krijg echter steeds meer het gevoel -hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de jongeren -dat jongeren zelf een luxe aan het worden zijn. De maatschappij kan deze jongeren niet meer 'financieren'. Er is als het ware geen plaats meer voor hen. Misschien komt deze gedachte in dit gezelschap wat raar over maar ik kan in ieder geval de verzekering geven dat heel wat jongeren met dat gevoel rondlopen. Afgezien van allerlei meningsverschillen over wetsontwerpen, onder andere het onderhavige, ben ik van mening, dat de Regering zich zorgen zou moeten maken over het bij jongeren steeds sterker heersende gevoel, dat zij in deze maatschappij in een randpositie terechtkomen en dat zij eigenlijk overbodig zijn. Als er een groep is die heeft ingeleverd in de afgelopen jaren dan zijn het de jongeren. De verlaging van het minimumjeugdloon was niet gering. Het ging niet met een paar procenten. Het was een rigoureuze verlaging. Jongeren van 16 en 17 jaar hebben 45 tot 40% ingeleverd van het minimumjeugdloon en aanvullend de RWW-uitkering. Steeds vaker hoor je de vraag: moeten wij straks de vloer vegen tegen betaling van zakgeld of is ons perspectief dat wij moeten gaan betalen om een baan te krijgen. Ook vorige kabinetten hebben dit soort maatregelen verdedigd met het argument dat het nodig is om perspectief te krijgen, ook voor deze jongeren. In het debat over de verlaging van de minimumjeugdlonen in december 1980 heeft de toenmalige minister van Sociale Zaken, Albeda, gezegd: 'Mij valt op dat de zaak door de jongeren heel sterk wordt gezien als een aantasting op hun inkomen, hoewel het nog maar de vraag is of men goed in de gaten heeft dat het niet in de eerste plaats gaat om een poging van een groep met redelijke bestedingsmogelijkheden wat af te halen maar om de arbeidsmarktpositie van de jongeren.' Het betekende toen een halvering van de minimumjeugdlonen en uitkeringen. De werkloosheid onder de jongeren is echter gestegen. Het argument waarmee toen de jeugdlonen en de uitkeringen zijn verlaagd hield geen steek. Er was geen perspectief. De werkloosheid is toegenomen. Nu zegt de Regering met gebruikmaking van hetzelfde argument dat door deze groep moet worden ingeleverd. Je zou als jongere, maar ook als ieder ander die serieus het debat volgt, wel gek zijn als je dan niet meteen vraagt: hoe zit het dan met dat inleveren van november 1980 en de werkgelegenheid die toen is beloofd? Waarom wordt niet dezelfde of nog meer haast gemaakt met een gericht werkgelegenheidsbeleid voor jongeren? Waarom wordt opnieuw begonnen met het aantasten van uitkeringen, wat al eerder is gebeurd? In dit verband noem ik ook nog de wachtperiode voor de RWW van een halfjaar. Die is in 1980 ingevoerd met het argument dat dit in de RWW moest worden rechtgetrokken in verband met de wachtperiode bij de WW en de WWV. Ook hieruit blijkt dat een schoolverlater nu niet bepaald op een luxe positie kan bogen. Daar komt nog bij dat de kinderbijslag voor partieel leerplichtigen inmiddels ook is afgeschaft. Volgens het SER-advies waren er in november 1981 64.000 geregistreerde werkloze schoolverlaters. Ik heb geen tijd gehad om de recente cijfers op te zoeken; ik zou graag van de Staatssecretaris vernemen om hoeveel jongeren het nu gaat. Van die 64.000 waren zo'n 30.000 16 en 17 jaar. Die hebben samen per jaar -ik neem een gemiddelde van f200 per maand -al zo'n 60 miljoen ingeleverd. Deze groep heeft dus al heel wat ingeleverd. Vandaar dat wij dit voorstel afwijzen. Wij hebben daar nog een aantal andere argumenten voor. Zo juist is het argument van de gezinnen met de lage inkomens al genoemd. De 16-en 17-jarigen, die de school verlaten en op de arbeidsmarkt verschijnen, zijn meestal jongeren uit de laagst betaalde gezinnen. Het is dan wel mooi dat de Staatssecretaris zegt: wij vertrouwen deze kinderen weer aan hun ouders toe. Dat is voor deze jongeren erg bedisselend, terwijl bovendien de gezinnen met die lage inkomens door het regeringsbeleid met een niet onaanzienlijke inkomensdaling te maken krijgen. Daar komt de zorg voor de 16-en 17-jarigen dan weer bovenop, want de kinderbijslag is onvoldoende om die kosten op te vangen. Ik wijs in dit verband op een brief van de gemeente Tilburg, waarin wordt gesproken over de positie van de eenoudergezinnen en met name over de problemen voor deze gezinnen als die 16-en 17-jarigen weer op dat gezin terugvallen. De brief is aan de Staatssecretaris gericht, dus ik neem aan dat hij hem gelezen heeft. Tilburg is toch niet een in meerderheid linkse gemeente en als zo'n gemeente al zo duidelijk wijst op de problemen die door deze maatregelen gaan ontstaan, verwacht ik toch dat de Staatssecretaris uitgebreid ingaat op de in deze brief genoemde argumenten. Doet hij dat niet, dan gaat hij aan deze concrete problemen voorbij. De oplossing ervan laat hij dan gewoon aan deze gezinnen en aan de gemeenten die ermee te maken krijgen, over.

Staatssecretaris De Graaf: Mevrouw Brouwer sprak van ,'terugvallen op'. Dat zou betekenen dat de uitkering, als die eenmaal is toegekend, zou worden ingetrokken. Dat is niet de bedoeling. De maatregel geldt alleen voor nieuwe gevallen.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat begrijp ik, maar misschien is het de Staatssecretaris bekend dat in een eenoudergezin, dat toch al in zo'n slechte positie zit, wordt gerekend op de uitkering die een 16-of 17-jarige krijgt als hij of zij van school gaat. Vaak heeft men al moeten lenen om de vaak aanzienlijke kosten van de schooltijd te kunnen betalen. Waarom duurt het overigens zo lang voordat dat jeugdwerkplan er komt? Waarom ligt er nog geen ontwerp op tafel? Hoe gaat dat met 16-en 17-jarigen die straks alleen kinderbijslag krijgen? Moet ik dan niet denken aan werken met behoud van uitkering, waarover wij nog een discussie krijgen, maar werken met behoud van kinderbijslag? Is dat het toekomstperspectief? Of zie ik dat niet goed? Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans te spreken over de vraag of ouders nu wel of niet verantwoordelijk zijn voor minderjarigen. Juridisch Tweede Kamer 21 december 1982

gezien, is dat het geval. Maatschappelijk gezien, is een ontwikkeling waar te nemen, die in tegenovergestelde richting gaat. De kinderen zijn eerder zelfstandig en stellen zich ook eerder zelfstandig op en willen zelfstandig in hun levensonderhoud voorzien. Het is niet waar, dat degenen, die bezwaar tegen dit wetsontwerp hebben uitgaan van de visie van losse individuen. Zij gaan uit van een visie van een recht op zelfstandig bestaan van individuen, ook van kinderen dus, die de overheid niet in een afhankelijke positie kan dwingen. Als dit gebeurt -onder meer door de financiŽle consequenties van dit wetsontwerp -dan zal daarop een maatschappelijke reactie komen. De jongeren die zelfstandig willen gaan wonen, zullen niet zeggen: Ik ga nu maar niet, ik blijf in het gezin. Het is mogelijk dat er al problemen in het gezin zijn. Deze maatregel zal er waarschijnlijk toe leiden, dat de kinderen het huis eerder zullen verlaten. Zij willen de mogelijkheid hebben om financieel zelfstandig te zijn. Ik wijs in dit verband op een brief van de gemeente Slochteren, waarin wordt aangegeven, dat het wetsontwerp voorbij gaat aan de maatschappelijke realiteit. In grote steden verlaten de kinderen steeds meer de ouderlijke woning. Deze maatregel zal die ontwikkeling bevorderen. Welke groep wordt door deze maatregel getroffen? Zij treft met name de jeugdigen met een lagere opleiding. Het is niet terecht deze groep te gaan vergelijken met de groep, die nog op school zit. Deze groep heeft een opleiding afgemaakt, staat nu voor de -zeer hoge -drempel van de arbeidsmarkt. In feite is deze jongere alleen te vergelijken met een werknemer, met die uitzondering, dat hij geen werk heeft. Dat is natuurlijk niet de schuld van de schoolverlaters. Ook van de kant van de VVD is gesteld -ik vind dit een gelegenheidsargument -dat die werkloze schoolverlater kan worden vergeleken met iemand die nog op school zit. Stel, dat die vergelijking wordt doorgetrokken tot 27-jarigen. Er zijn 26-jarige studenten, die een studietoelage ontvangen. Moet ik degenen die werkloos zijn en nog geen 27 jaar zijn vergelijken met studenten? Gaat die vergelijking op?

De heer Linschoten (VVD): Neen. Mevrouw Brouwer zal het toch wel met mij eens zijn, dat studenten tot hun 27ste jaar geen inkomen van de overheid, zoals hier bedoeld, ontvangen. Als men die vergelijking zou maken -zij trekt de zaak wel uit haar verband -gaat zij wel degelijk op.

Mevrouw Brouwer (CPN): Neen, door het maken van die vergelijking haalt men de zaken uit hun verband. Waarom moeten wij 16-en 17-jarige ex-scholieren, die werk zoeken vergelijken met scholieren en dan zeggen: Hun inkomenspositie vormt de kinderbijslag, en daarom moet ook aan deze groep kinderbijslag worden gegeven? Het gaat erom, dat deze jongeren afhankelijk zijn van werk voor hun inkomen. Het probleem is, dat er geen werk is.

De heer Linschoten (VVD): Ik heb die vergelijking gemaakt in relatie tot de manier, waarop jongeren bijdragen in het totale gezinsinkomen. Als aan 16-en 17-jarige werkloze jongeren een RWW-uitkering wordt toegekend, dan gaat het gezin over meer inkomen beschikken dan in het geval die jongeren op school hadden gezeten. Dat creŽert een andere situatie Daarop was mijn opmerking, waar het de vergelijking met mensen op school betreft, toegesneden. Dat mag u niet op de manier waarop u het doet uit zijn verband rukken.

Mevrouw Brouwer (CPN): De vergelijking die u maakte is mij wel duidelijk. Maar als deze jongere werk heeft gevonden en daarvoor normaal betaald krijgt, zal hij nog een hogere bijdrage aan het gezinsinkomen leveren.

De heer Linschoten (VVD): En terecht, naar mijn oordeel.

Mevrouw Brouwer (CPN): Hoezo terecht? Als er werk is, is het terecht dat hij een 'hoog' inkomen heeft. Heeft een schoolverlater geen werk dan moet hij daarvoor bloeden en krijgt hij alleen kinderbijslag. Dat is de conclusie, die hieruit moet worden getrokken.

De heer Linschoten (VVD): Het hangt heel erg samen met de vraag in hoeverre je in dit verband de taak van de overheid ziet. Wie is verantwoordelijk voor het realiseren van een inkomen van een bepaald individu? De VVD-fractie zegt: in geval van werklozen van 16 en 17 jaar vinden wij niet dat de overheid per definitie op voorhand verantwoordelijk is voor het inkomen van die personen. Als de persoon in kwestie in staat is, zelf een inkomen te verwerven, derhalve die verantwoordelijkheid zelf op zijn schouders neemt, is het ook terecht dat hij over een inkomen beschikt, al dan niet bijdragend aan de gezinssituatie.

Mevrouw Brouwer (CPN): En wie is volgens de VVD-fractie verantwoordelijk voor het werk, dat deze schoolverlater graag zou willen hebben? Is dat een taak van de overheid?

De heer Linschoten (VVD): Ik heb zojuist, dacht ik, in het interruptiedebat met mevrouw Ter Veld aangegeven dat wij een heel nadrukkelijke verantwoordelijkheid zien voor de overheid om perspectief voor jongeren te bieden, waar het werk betreft. Daarom heb ik ook gevraagd om een jeugdwerkplan. Dat is echter een geheel andere vraag dan die inzake de verantwoordelijkheid voor de overheid om voor het inkomen te zorgen. Als het gaat om het financieel-economische beleid dat leidt tot werkgelegenheid, juist voor jongeren, dan is er wel degelijk sprake van een zekere verantwoordelijkheid voor de overheid. Maar die twee zaken moet u niet met elkaar vergelijken. Het gaat om verschillende soorten perspectieven. Juist als het gaat om werkgelegenheid zien wij een taak voor de overheid. Dit is een andere zaak.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat is natuurlijk onzin. Omdat er geen werkgelegenheid is, is er voor deze mensen geen inkomen. Je kunt die zaken niet los van elkaar maken. Ik constateer alleen maar dat de overheid haar verantwoordelijkheid niet waar maakt, doordat zij de 16-en 17-jarigen geen werk biedt. Als daarvan grote groepen jongeren de dupe worden, zal de overheid, als zij geen werk kan bieden, een inkomensgarantie moeten geven. Schoolverlaters kiezen daar niet voor. Op dit moment hebben zij niet de keuze tussen wel werken en niet werken.

De heer Linschoten (VVD): Juist deze maatregelen geven aan dat de overheid eindelijk haar verantwoordelijkheid pakt door ervoor te zorgen dat er op termijn werkgelegenheid komt, ook voor jongeren.

Mevrouw Brouwer (CPN): Kunt u garanderen dat jongeren, die per 1 januari a.s. geen uitkering meer krijgen, binnen een halfjaar werk krijgen? Als u dat kunt garanderen, kunt u daarover met die jongeren in discussie gaan.

De heer Linschoten (VVD): Het financieel-economische beleid, dat deze week hier aan de orde is geweest, biedt naar mijn oordeel de meeste Tweede Kamer 21 december 1982

kansen op werkgelegenheid voor jongeren en anderen in de toekomst. Het biedt perspectief op economisch herstel. Daarom is het allemaal begonnen. Dit aspect van het geheel verliest u voortdurend uit het oog.

Mevrouw Brouwer (CPN): Dat doe ik niet. Ik ben begonnen met een uitspraak te citeren van Minister Albeda. Hij beloofde dat er werkgelegenheid zou komen in relatie tot een verlaging van de jeugdlonen. Er is geen werk gekomen. Jongeren hebben voortdurend moeten inleveren. Als u een financieel offer vraagt van de jongeren, is het toch redelijk dat de jongeren vragen: waar is het werk gebleven dat er zou komen als gevolg van alles wat wij hebben ingeleverd? Daarop heeft u geen antwoord. Eerst zegt u, dat het logisch is dat de minimumjeugdlonen verlaagd zijn omdat dit de kosten voor het bedrijfsleven verlaagt...

De heer Linschoten (VVD): Dat hebt u mij niet horen zeggen.

Mevrouw Brouwer (CPN): Nee, maar dat is van de kant van uw fractie al eens gezegd. Vervolgens zegt u: nu mag een schoolverlater vergeleken worden met een leerling die op school zit. Straks maakt men een vergelijking met iemand zonder inkomen en zal de kinderbijslag misschien worden afgeschaft. Er is geen enkele zekerheid voor deze groep jongeren meer op dit moment. Het enige waarop zij nu aan kunnen is dat hun uitkering niet wordt uitbetaald en dat zij terug moeten vallen op het gezin. Dat zij dat niet pikken, is heel terecht. Mevrouw Ter Veld heeft gesteld dat de jongeren in het voorjaar al voorgelicht zijn op school. Gevraagd is bij voorbeeld: wat wil je worden, bouwvakker, metaalarbeider, enz.? Te zelfder tijd is gezegd: u moet u laten inschrijven, want u krijgt een uitkering per 1 januari. In ieder geval hadden zij dan nog het perspectief: na een half jaar heb ik, al heb ik geen werk, een zelfstandig inkomen. Dat is er niet gekomen. Integendeel, de overheid zegt nu: wij hebben dat indertijd wel gezegd, maar wij trekken nu de uitkering in; jongeren hebben per 1 januari geen recht op een uitkering. Ik denk dat de heer Linschoten nooit in deze positie is geweest. Vindt de Staatssecretaris het geen onbehoorlijk bestuur om jongeren te laten inschrijven voor werk, hun te beloven een uitkering per 1 januari te geven en nu vlak voor 1 januari te zeggen dat het niet doorgaat? Ik denk dat de overheid hiermee de beginselen van behoorlijk bestuur met voeten treedt. Ik zou hierop toch nog een reactie van de Staatssecretaris willen hebben. Ik heb begrepen dat de kinderbijslag van twaalftot achttienjarigen verlaagd wordt om de kinderbijslag voor de betrokkenen te financieren. Kan de Staatssecretaris meedelen of de kinderbijslag ook in de toekomst zal worden gebruikt voor de financiering van dergelijke doeleinden? Dat zou inhouden dat het recht op kinderbijslag en de hoogte daarvan ieder halfjaar onzeker wordt. Dat zou de zoveelste slechte zaak zijn.

©

M.G.H.C. (Ria)  Oomen-RuijtenMevrouw Oomen-Ruijten (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik zie op het ogenblik mevrouw Dales niet. Ik had haar graag gefeliciteerd met haar eerste optreden als kamerlid. Straks zal ik in de marge van dit WO ook nog even spreken over de pendelaarsproblematiek. Als ik dit zeg, komt mij in herinnering het debat dat wij over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gehad. Ik heb zeer goede herinneringen aan de zeer kordate oplossing, die mevrouw Dales als staatssecretaris toen koos. De positieve verworvenheden van ons sociaal stelsel konden wij opbouwen in een tijd van welvaart en groei. Door de slechte financieel-economische positie van dit moment, worden wij gedwongen tot bezuinigen om op die manier de kern van ons voorzieningensysteem te kunnen behouden. Ombuigen, bezuinigen, kritisch doorlichten en het leggen van verantwoordelijkheden daar waar deze thuishoren zijn nu, pijnlijk soms, aan de orde. De specifieke maatregel die nu ter discussie staat, raakt jonge mensen in hun financiŽle mogelijkheden van verzelfstandiging. Wij realiseren ons dat terdege. In de afweging en de keuzen die wij nu moeten maken, kan het echter niet zo zijn dat de overheid alleen de verantwoordelijkheid moet dragen voor de financiŽle zelfstandigheid. Waar de onderhoudsplicht voor deze groep jonge mensen immers ligt bij de ouders of verzorgers, achten wij een gelijkstelling in financiŽle zin met scholieren niet onjuist. Jarenlang hebben wij een voortrekkersrol kunnen spelen, ook in vergelijking met ons omringende landen, waar schoolverlatersuitkeringen niet aan de orde zijn.

De verwachtingen die schoolverlaters koesteren ten aanzien van hun financiŽle positie straks, zullen niet kunnen worden gehonoreerd. Dat lokt protesten uit. Begrijpelijk, de weg terug is niet gemakkelijk begaanbaar. Toch meent de fractie van het CDA, dat de achteruitgang in financieel opzichtte rechtvaardigen is. Regelmatig immers hebben wij al betoogd, dat werk prioriteit moet hebben, het geven van perspectief aan jonge mensen, het zelf laten bouwen aan hun toekomst. Dat is dan ook de reden, dat wij de beantwoording van onze vragen naar gelijktijdige presentatie van enig perspectief, dat zou kunnen zijn ingekaderd in het jeugdwerkplan, mager vinden. De aankondiging van de brief in januari die onderdeel zal zijn van het overleg met de Stichting van de Arbeid, lijkt het zicht op werk, scholing of werkervaring in tijd te doen vervagen. Wil de Minister concreter ingaan op het jeugd werkplan en met name op het tijdsbestek dat ē nog te gaan is? Wij hebben de indruk dat heel snel een aantal zaken op een rijtje zou kunnen worden gezet. Een groot aantal suggesties ter zake is al gedaan, ook door deze bewindsman. Betracht spoed, stel een termijn, jongeren hebben daar recht op! In het SER-advies wordt gesproken over het in kwalitatieve en kwantitatieve zin niet afgestemd zijn van beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. Wij zouden die conclusie van de SER wat willen verbreden: Sociale Zaken, blijf betrokken bij de ontwikkelingen op onderwijsgebied; ga niet op de rem staan bij educatieve voorzieningen, neem mede het voortouw! In het kader van de arbeidsvoorzieningsmaatregelen wil ik nog even aanstippen de melding van schoolverlaters bij het GAB. Om in aanmerking te komen voor kinderbijslag moet men inderdaad ingeschreven zijn bij het GAB. Wij hebben echter niets aan een passieve en inhoudsloze melding. Hoe denkt de bewindsman inhoud te geven aan een actief bemiddelingsbeleid en begeleiding voor deze categorie mensen? Is hij van plan regelingen te treffen met de GAB's? Wij hechten daaraan zeer grote waarde. De suggestie wordt wel gehoord om de RWW-uitkeringen te verlagen tot het kinderbijslagniveau om zo beter inhoud te kunnen geven aan een actieve inschrijving bij het GAB. Gaarne vernemen wij ook hierover de mening van de bewindsman Het CDA is er tevreden mee dat niet beoogd Tweede Kamer 21 december 1982

wordt de mogelijkheden van individuele bijstandsverlening in bijzondere omstandigheden af te bouwen. Wel zouden wij graag weten wat de financiŽle effecten daarvan zijn, ook in relatie met de voorstellen om uitwonende 16-en 17-jarigen, zoals gebruikelijk als deze grotendeels ten laste komen van ouders of verzorgers, in aanmerking te laten komen voor dubbele kinderbijslag. Voorzitter! De suggestie van de SER om het recht op kinderbijslag voor alle 16-en 17-jarigen zo te formuleren dat alle 16-en 17-jarigen recht op kinderbijslag kunnen doen gelden als aan de geldende onderhoudsvoorwaarden is voldaan, spreekt ons aan. Of men nu onderwijs volgt, invalide is of geen baan heeft doet niet meer ter zake. Het uitsluitend stellen van de onderhoudsvoorwaarden zou aldus betekenen dat alleen geen kinderbijslag wordt toegekend aan hen die over voldoende eigen inkomen beschikken en daardoor dan ook niet in belangrijke mate ten laste komen van ouders of verzorgers. Deze benadering zou, aldus de SER, kunnen leiden tot een vereenvoudiging van de wetgeving en de uitvoering. Graag vernemen wij de visie van de Regering daarop. Een interessante suggestie is in de SER gedaan door het CNV en door enkele kroonleden. Men stelt voor, een schoolverlatersuitkering op 80% van het RWW-niveau. Een dergelijke regeling zou tot een besparing van 65 min. kunnen leiden, zonder dat dit effecten heeft in de kinderbijslagsfeer. Voor meerderjarige schoolverlaters zou een dergelijke regeling ook overwogen kunnen worden. Wij zouden graag vernemen wat de bewindsman van deze regeling denkt. De CDA-fractie is vooralsnog van oordeel dat voor 16-en 17-jarigen wel een betere positie zou ontstaan op de wijze als is voorgesteld, maar dat de prijs ervan toch wel betaald moet worden door de 18-, 19-en 20-jarigen die daarvoor een stuk financiŽle onafhankelijkheid zouden moeten opgeven. Ook de effecten van deze maatregel voor de voorstellen die nog ter behandeling komen, zouden wij graag vernemen. Het meedenken en initiatieven ontwikkelen, waarderen wij overigens zeer positief. Ik kom nu op de ziektekosten. De 16/17-jarigen die in aanmerking komen voor kinderbijslag kunnen ook medeverzekerd worden volgens de Ziekenfondswet. De redenering op dat punt is mij in ieder geval niet duidelijk. Het medeverzekerd zijn kost 6 min. Daar tegenover staat dan volgens de Regering een daling van de lasten met 4 min. vanwege het feit dat een aantal jeugdigen die nu in het kader van de RWW zelfstandig verzekerd is, niet terugkeert als gratis medeverzekerde in de verplichte ziekenfondsverzekering, hetgeen dan weer een daling van de lasten voor de ziekenfondsen met zich brengt van 4 min. Wij verkrijgen op dat punt graag opheldering. In het verslag hebben wij aandacht besteed aan de positie van de jongeren van pendelaars. Maar al te gemakkelijk wordt onze vraag naar een regeling voor deze groep afgedaan met de verwijzing naar de bijstand. De bewindsman zal zich toch ter dege realiseren dat het verkrijgen van een bijstandsuitkering met alle consequenties van dien -het eigen huis; op iedere spreekbeurt hoor je dat -niet realistisch is? Wij hebben gezocht naar een oplossing zonder deze nadelige consequenties en daarover wil ik de Kamer een uitspraak voorleggen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Oomen-Ruijten, Linschoten, Hermsen en De Korte wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat door de voorgestel-de beŽindiging van bijstand aan 16-en 17-jarige schoolverlaters sprake is van een onrechtvaardige situatie in die gevallen waarin door de verschillen tussen de kinderbijslagwetgeving in Nederland en de buurlanden voor de ouders geen recht bestaat op kinderbijslag; verzoekt de Regering, een oplossing voor dit probleem in de sfeer van de Algemene Bijstandswet met ingang van 1 januari 1983 mogelijk te maken, die erop neerkomt dat een vervangen-de uitkering ter hoogte van het gemiddelde kinderbijslagbedrag aan deze jeugdigen wordt uitgekeerd, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 12 (17697).

Mevrouw Oomen-Ruijten (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb deze motie al in eerste termijn ingediend, omdat ik daarover graag de visie van de Regering verneem.

Wij zijn van mening dat wanneer -zoals ook door de Regering wordt bevestigd -er geen kinderbijslag wordt toegekend vanuit BelgiŽ en Duitsland, deze jonge mensen hier niet mogen worden uitgesloten van hun uitkering. Deze jeugdigen komen volledig ten laste van de ouders, omdat men in het werkland van ouder of verzorger immers niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dus geen kinderbijslag ontvangt. Wij zijn principieel van mening dat wanneer van deze jeugdigen wordt gevraagd hier ter beschikking te komen van de arbeidsmarkt, dan ook de financiŽle consequenties ter zake voor onze rekening moeten worden genomen. Met betrekking tot deze kinderbijslagproblematiek verkeren met name de pendelaars naar Duitsland in een volstrekt andere en nadelige positie. Het zou goed zijn, die principiŽle benadering in dezen nog eens een keer te bekijken. Zou het niet beter zijn om wat de kinderbijslag betreft het werkland voorrang te verlenen? Wanneer is de Regering voornemens om ter zake oplossingen te geven? Wij bedenken nu steeds ad hocmaatregelen enoplossingen. Ik vraag dan ook bij deze gelegenheid of de Staatssecretaris bereid is alle knelpunten die er op het sociale verzekeringsgebied zijn voor de pendelaars in kaart te brengen en een termijn te noemen waarop deze tot een oplossing kunnen worden gebracht. Ik wil ten slotte nog wijzen op de financiŽle consequenties vanaf 1984 wanneer de kinderbijslag van 130% zal zijn gerealiseerd.

©

J.G. (Jeltien)  Kraaijeveld-WoutersMevrouw Kraaijeveld-Wouters (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Aan de orde is een voorstel tot vermindering van de doorbetaling van het AOW-gehuwdenpensioen bij het overlijden van een van de echtgenoten. Het doel van het wetsontwerp is te komen tot een besparing, zo wordt ons duidelijk uit de memorie van toelichting. De CDA-fractie kan akkoord gaan met dit voornemen van de Regering. Het is opnieuw een niet aangename, maar wel verantwoorde maatregel naar onze opvatting. Tegelijkertijd houdt de maatregel in een uniformering van de termijn van overlijdensuitkeringen. De maatregel beoogt niet meer dan gelijkschakeling van de duur der termijnen, zo stelt de Regering. Wij kunnen daar wel mee instemmen, maar wij willen het volgende nadrukkelijk onder de aandacht van de Staatssecretaris brengen.

Het is onze opvatting dat volledige harmonisatie van de diverse overlijdensregelingen tot stand moet worden gebracht. Ik doel op de diverse overlijdensregelingen in het Burgerlijk Wetboek en de sociale verzekeringswetten. Uit de stukken lezen wij dat de Staatssecretaris zich wel kan vinden in onze opvatting. Als wij de nota naar aanleiding van het verslag lezen, moeten wij constateren dat de Staatssecretaris erg traag, erg lauw, reageert op dat wij gerealiseerd willen zien. Verdergaande harmonisatie zou kunnen worden overwogen, schrijft hij. Hij stelt zich voor te gelegenertijd hiertoe te komen, bijvoorbeeld bij de herziening van de AOW in het kader van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Wat dat betreft wil ik mij kortheidshalve aansluiten bij de opmerkingen die mevrouw Oales daarover heeft gemaakt. Hij stelt ook dat onderzoek naar de oorzaak van de thans bestaande verschillen nog enige tijd vergt. Onze opvatting is dat dit echt niet zo lang hoeft te duren. Als wij nagaan wat de reden van het verschil is waarmee de AOW ons confronteert, lezen wij dat in ťťn zin; redegeving betreffende die vijf maanden in de AOW is eigenlijk niet te geven; de keuze voor deze termijn is niet nader gemotiveerd en derhalve arbitrair. Einde van het onderzoek wat de AOW betreft! Wij kunnen dan doorgaan naar het punt waarom het werkelijk gaat: het tot stand brengen van harmonisatie. Ik denk dat dit ook voor de andere wetten geldt. Op zichzelf kan het natuurlijk goed zijn om een ogenblik terug te zien naar de oorsprong van het verschil. Bij het tot stand brengen van de harmonisatie kan dat uiteraard een bepaalde relevantie hebben. Wij wensen echter, dat de Staatssecretaris actief wordt om de door ons zo gewenste harmonisatie te bewerkstelligen. Daarbij willen wij opmerken -niet alleen om ons eigen verhaal een bepaalde kracht te geven, die er op zichzelf al in zit -als wij het advies van de Raad van State en dat van de SER lezen, dat wij constateren dat wij ons in goed gezelschap bevinden. Daarop wil de Staatssecretaris nog wijzen. Wij zijn dus bijzonder benieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris op de door de fractie van de Partij van de Arbeid ingediende motie hieronv trent. Tweede Kamer 21 december 1982

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de Voorzitter! Allereerst wil ik ingaan op het wetsontwerp 17697. De voorzieningen op het terrein van de sociale zekerheid zijn opgebouwd in een tijd van toenemende welvaart. Nu wij tijden moeten beleven van financiŽle, economische malaise kunnen wij er niet omheen, het sociale voorzieningenstelsel kritisch te bezien. De noodzaak van ombuigingen staat vast. Ook jongeren zullen naar de mening van mijn fractie een bijdrage moeten leveren aan het noodzakelijke pakket van ombuigingen. Als nu geen ombuigingen worden verwerkelijkt, zullen de lasten in de nabije toekomst nog zwaarder zijn. Juist de jongeren van nu zullen dan die lasten in volle omvang moeten dragen. Mijn fractie heeft begrip voor maatregelen die ombuigingen mogelijk maken. Criteria van recht en billijkheid moeten vanzelfsprekend wel worden aangelegd. In dit licht kan mijn fractie, het geheel overwegend, zeggen, het voor ons liggende wetsontwerp te kunnen aanvaarden. Hiervoor geef ik drie redenen. 1. Mijn fractie vindt het in principe goed, dat jongelui van 16 en 17 jaar voor hun onderhoud, bijzondere omstandigheden zoals ontwrichte gezinssituaties daargelaten, in de eerste plaats zijn aangewezen op hun ouders. Aan de ouders wordt immers de zorg over de aan hen toevertrouwde kinderen opgedragen. De financiŽle verantwoordelijkheid voor kinderen in deze leeftijd berust daarom primair bij de ouders als een noodzakelijke ondersteuning van de integrale verantwoordelijkheid van ouders voor minderjarige kinderen. Deze verantwoordelijkheid berust niet bij de overheid. Zij heeft zich voortdurend af te vragen, of geen grensoverschrijdingen, ook in f inanciŽ-le zin, zijn gepleegd. Is de Staatssecretaris het hiermee eens en heeft hij de aan de orde zijnde maatregel inderdaad als een grensoverschrijding beschouwd? De leeftijd van 18 jaar kan juridisch als een belangrijk keerpunt worden beschouwd in de uitkeringsrechten -de stukken maken daar melding van -moreel is dit bepaald niet het geval in de relatie tussen ouder en kind. Wat is de visie van de Staatssecretaris hierop? 2. Het gaat niet om een directe inkomensachteruitgang, maar om uitstel van de verwachte inkomenstot-

standkoming of "toeneming. De betrokkenen blijven in dezelfde positie verkeren als toen zij nog schoolgaand waren. Een vergelijking met schoolgaande leeftijdgenoten is zakelijk voor dit ogenblik niet onjuist, maar daarbij moet worden aangetekend, dat het toekomstperspectief soms zelfs in belangrijke mate verschillend is. Een nog schoolgaande verwerft zich waarschijnlijk een betere startpositie dooreen verder ontwikkeld opleidingsniveau dan een leeftijdsgenoot die betrekkelijk vroeg het volledige dagonderwijs heeft verlaten. Welke consequenties moeten naar het oordeel van de bewindsman aan deze constatering worden verbonden? Overigens mag de voorgestelde maatregel best tot neveneffect hebben dat men weer dagonderwijs gaat volgen. Er moeten dan wel passende voorzieningen aanwezig zijn. Daarop kom ik straks nog terug. 3. Jongeren hebben nog geen rechten opgebouwd door premie-afdrachten van hun werkgever, reserveringen, en dergelijke; dit in tegenstelling tot ouderen, die reeds langere tijd in het stelsel van sociale voorzieningen meelopen. Ik wil daarmee overigens niet gezegd hebben dat de jongeren maar lucht voor de overheid moeten zijn. Het is naar mijn mening echter wel een overweging bij de afweging van de ombuigingen waarin wij deze weken verwikkeld zaten of waarin wij in de komende tijd nog verwikkeld zullen zitten. Mijnheer de Voorzitter! De jeugdwerkloosheid is een zaak die mijn fractie ernstig zorgen baart. Bestrijding van de jeugdwerkloosheid krijgt terecht een hoge prioriteit. Ik heb begrepen dat het jeugdwerkplan, dat het karakter heeft van een meerjarenprogramma, in hoofdlijnen zal worden gecontinueerd. Toch vraagt mijn fractie een geactualiseerde versie. Eigenlijk vragen wij naar concretisering van het plan. Het is te hopen dat de inspanningen waartoe dit werkplan verplicht, evenals andere inspanningen welke nog nodig zullen blijken te zijn, spoedig daadwerkelijk effect zullen sorteren. Zou een dergelijk effect niet motiverend en bemoedigend kunnen uitwerken op jeugdigen die nu nog zonder werk zitten? Beter dan welke financiŽle ondersteuning bij het levensonderhoud dan ook zal een eigen baan inspirerend werken. Met belangstelling en enig ongeduld ziet mijn fractie uit naar de tegen medio januari 1983 toegezegde notitie aan de Stichting van de Arbeid. 1461

Ontwikkeling van het kort MBO, uitbouw van het leerlingwezen, en dergelijke kunnen goede diensten bewijzen. Dat zouden elementen in die notitie zijn, zo heeft Minister De Koning dezer dagen gezegd. Laat met deze beleidsinstrumenten -kort-MBO, leerlingwezen, en dergelijke -dan ook haast worden gemaakt! Ter zijde wordt in de nota naar aanleiding van het verslag opgemerkt dat ten gevolge van een verlengde onderwijsdeelname de groep van 16-en 17-jarige schoolverlaters in absolute zin steeds beperkter van omvang wordt. Deze bewering wordt niet toegelicht. Kan de bewering mij dan worden uitgelegd? Zij staat overigens op blz. 15 van de gestencilde versie van de nota naar aanleiding van het verslag. Het is inderdaad een eigen belang van de jeugdigen om een arbeidsplaats te vinden. Inschrijving bij een Gewestelijk Arbeidsbureau als werkzoekende is daarbij vaak dienstig. Mijn fractie heeft zich op dit punt door de geleverde argumenten laten overtuigen. Inschrijving geldt als uitsluitende voorwaarde voor het recht op kinderbijslag. Tegenover een recht staat een plicht. Dat recht behoeft in het licht van de zojuist door mij geformuleerde uitgangspunten niet te zijn een zelfstandig uitkeringsrecht. Uit onderzoekingen blijkt dat jongeren die betrokken zijn bij de nu besproken maatregel, verhoudingsgewijze wat meer in de lagere inkomensgroepen voorkomen dan in de hogere inkomensgroepen. Duidelijke cijfermatige gegevens zijn echter niet beschikbaar, aldus de bewindsman. Neemt hij zich dan voor, deze gegevens te verwerven? In het kader van de doordenking van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid, het op te stellen c.q. uit te bouwen jeugdwerkplan en de planning van nieuwe onderwijsvoorzieningen -denk aan het kort-MBO -kunnen deze gegevens van betekenis zijn, dunkt mij. Ik heb nog een vraag. Hoe werkt de maatregel uitten aanzien van gezinnen met werkloze jongeren van 16 en 17 jaar, waarvan ook de kostwinner langdurig werkloos is? Kan in zulke gevallen geen ingrijpen-de grens aan totaal inkomen worden overschreden? Hoe is hieraan tegemoet te komen? Kan dit slechts door de vangnetfunctie van de Algemene Bijstandswet? Welke consequenties heeft de voorgestelde maatregel voor de ziekenfondsen? Welke moeilijkheden ontstaan vanaf de datum waarop de leeftijd van achttien jaar wordt bereikt, tot de ingangsdatum van het eerstvolgende kwartaal? De mededeling dat de bewindsman de verwachting door een fractie uitgesproken, dat de consequentie van de maatregel om jeugdigen terug te brengen onder het financiŽle regime -dit woord heeft in dit verband voor mij een positieve lading -van de ouders kan zijn dat problematische gezinssituaties die er, helaas, in toenemende mate zijn, waarbij ik denk aan het zeer grote aantal echtscheidingen, worden aangegrepen of gecreŽerd om zelfstandig te kunnen zijn, niet deelt, heeft mijn fractie niet geheel gerustgesteld. Misbruik of oneigenlijk gebruik ligt niet in de rede, aldus de nota naar aanleiding van het verslag. Welke strikte voorwaarden worden echter gesteld? Hoe is het toezicht geregeld en werkt het op dit ogenblik, bij voorbeeld bij de uitvoering van de Algemene Bijstandswet? Ons bereiken nogal eens signalen die moeilijkheden doen vrezen. Wil de bewindsman hierop eens ingaan? Hoe wordt bij voorbeeld de noodzaak tot verblijf buiten het gezin aangetoond? Welke criteria worden hiervoor gebruikt? Ik heb zojuist enkele vragen gesteld. Uiteraard hoor ik deze graag beantwoord, maar zoals ik al zei, staan wij positief tegenover dit wetsontwerp. Ik maak slechts enkele opmerkingen over het wetsontwerp voor de nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet. Mijn fractie kan zich verenigen met de algemene strekking van het wetsontwerp. Dit geldt ook voor het feit dat met het wetsontwerp niet wordt beoogd, volledige uniformiteit te bewerkstelligen in de overlijdensregelingen ingevolge het Burgerlijk Wetboek en de socialeverzekeringswetten. Met het onderhavige voorstel wordt slechts beoogd, de duur van de overlijdensuitkering in de AOW in overeenstemming te brengen met de duur van de andere overlijdensuitkeringen. Deze doelstellingen bejegenen wij positief en brengt ons ertoe, ook dit wetsontwerp te steunen.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Het is een dubbeltje op z'n kant en het dubbeltje is nog niet omgevallen. Anders gezegd, de fractie heeft grote moeite met het wetsontwerp, maar zij heeft hierover nog geen eindbeslissing genomen.

Er zijn onzes inziens ernstige bezwaren tegen het regeringsvoorstel. Deze bezwaren zijn ook door de fractie van D'66 in het verslag genoemd. Het gaat hierbij om de volgende vijf, voor ons belangrijke, punten: 1. De maatregel die de Regering voorstelt, staat haaks op het door de Regering zelf beoogde jeugdbeleid, dat is gericht op optimale ontplooiing van jongeren, inclusief het honoreren van de drang bij jongeren tot onafhankelijkheid. 2. Er is sprake van een belangrijke teruggang in inkomen, zowel voor jongeren zelf als voor hun ouders. 3. Werkgelegenheidsmaatregelen ten behoeve van 16-en 17-jarigen zijn onvoldoende voorhanden. 4. De oneigenlijke werkloosheidsfactor in de Algemene Kinderbijslagwet wordt versterkt. 5. Bij jongeren die zich na afloop van het schooljaar 1981/1982 hebben laten inschrijven zijn verwachtingen gewekt. Na afloop van een wachttijd van 130 dagen hadden zij gerekend op een RWW-uitkering. Ondanks deze bezwaren hebben wij toch de bereidheid, te denken aan beperking van uitgaven in de sfeer van de RWW voor jongeren. Wij gaan ervan uit dat de sterk stijgende kosten van het socialezekerheidsstelsel het voortbestaan van het stelsel zelf in gevaar kunnen brengen. Op die grond kunnen wij ons voorstellen dat een leeftijdsgrens wordt ingevoerd, die bereikt moet worden voordat de volledige rechten van het sociale zekerheidsstelsel ontstaan. Verondersteld wordt dat dan beneden die leeftijd de band met de ouders nog zo groot is, dat er nog een beroep op die ouders voor onderhoud mag worden gedaan. Een leeftijdsgrens van 18 jaar zou daarbij uiteindelijk kunnen worden gesteld. Deze 18 jaar zal niet alleen gelden als grens tussen kinderbijslag en studiefinanciering, maar er bestaat thans in beginsel bij voorbeeld ook al een zelfstandig woonrecht vanaf 18 jaar. Als men deze gedachten als uitgangspunt neemt, kan er wel worden gedacht aan beperking van uitgaven in de sfeer van de RWW-uitkering voor jongeren, ook al realiseren wij ons de aangegeven nadelen, zodat zo'n beperking hard aankomt. In het licht van alternatieve beperkingen, die voor vele uitkeringstrekkers in ons sociale zekerheidsstelsel nog harder aankomen, is zo'n maatregel wellicht verdedigbaar. Maar het is ons niet onverschillig op welke wijze deze gedachtengang wordt uitgewerkt.

Wat dit betreft gaat onze voorkeur uit naar de hoofdopzet, zoals weergegeven in het advies van de Sociaal-Economische Raad door de leden van CNV, MPH en enkele kroonleden. Het is bekend dat zich in de Sociaal-Economische Raad over dit onderwerp drie groepen hebben afgetekend. De eerste groep, een groep van werkgevers en een kroonlid, steunt de regeringsplannen. De tweede groep wijst die regeringsplannen juist volledig af: dat is de groep bestaande uit FNV-vertegenwoordigers en een tweetal kroonleden. Daarnaast zien we dan een derde alternatief: het voorstel van CNV, MHP en enkele kroonleden, met als kern de invoering van een afzonderlijke Rijksgroepsregeling voor schoolverlaters, welke een zelfstandig recht op een uitkering toekent aan de jongeren zelf en niet aan de ouders of verzorgers. Dit voorstel kan de bezwaren die aan de huidige regeringsvoorstellen kleven, zoals vermindering van de zelfstandigheid van jongeren en afwijkende bedragen naar gelang van het aantal kinderen in het gezin, enigszins beperken. Leeftijdsgrens en uitkeringsbedragen zouden dan later nader vastgesteld kunnen worden. Maar nu doet zich een ernstig probleem voor. Ik heb al gezegd dat mijn fractie enige sympathie heeft voor dit derde alternatief van een groep leden van de Sociaal-Economische Raad. Op het moment dat de Regering het wetsontwerp bij de Kamer indiende en op het moment dat ook het verslag werd vastgesteld, was het SER-advies echter nog niet uitgebracht: dit was toen niet bekend en kon dus ook niet worden meegewogen in de standpuntbepalingen. Op dit moment is het ook niet meer mogelijk via amendering, waarbij ik mij nog afvraag of amendering niet beschouwd zou kunnen worden als zijnde destructief, omdat men een voorliggend wetsontwerp dan wil amenderen in een richting die toch uitgaat van een andere grondslag dan de Regering voor ogen heeft gestaan. Maar al zou men het wetsontwerp willen amenderen in de richting van het derde alternatief, dan kan men het toch niet doen als men uitgaat van de ingangsdatum die de Regering voor ogen staat, te weten 1 januari 1983. Dan zouden de amendementen vandaag of anders morgen moeten zijn ingediend, want anders is het niet meer mogelijk dat ook de Eerste Kamer het wetsontwerp nog tijdig kan behandelen, tenzij we zouden uitgaan van een terugwerkende kracht.

Terecht wordt echter in ons land de terugwerkende kracht, bij zowel de Regering als ook in de Kamer, als regel als ongewenst beschouwd, zeker ook als het zou gaan om het inperken van rechten die zonder zo'n wet per 1 januari zouden ingaan. De oorzaak van dit geheel zit hem in een te gehaaste wetgeving. Door deze gehaaste wetgeving dreigt de zin van het uitbrengen van een advies door de Sociaal-Economische Raad geheel te vervallen, want het blijkt niet meer mogelijk te zijn om de suggesties die in het SER-advies worden gedaan in feite nog in wetgeving om te zetten. Voor een zorgvuldige, in onze ogen ook verantwoorde wetgeving is het op die grond noodzakelijk, te denken aan een uitstel van de ingangsdatum van het wetsontwerp, bij voorbeeld tot 1 april 1983. Dat betekent dat daardoor het wetsontwerp later afgehandeld zou moeten worden, namelijk in het eerste kwartaal van het volgend jaar, en dat het mogelijk wordt om de voorstellen van de SER -het gaat ons met name om het derde genoemde alternatief -nader te overwegen. De Staatssecretaris staat nu op het punt om te interrumperen, want zo'n latere ingangsdatum betekent dat de mogelijkheden voor uitgavenbeperking aanzienlijk worden ingeperkt. Ik begrijp dat heel goed en ik ben er ook niet blij mee, want de noodzaak om tot een inperking te komen is bij ons zeker bekend. Wij zien echter geen beter alternatief. Het gaat er namelijk om, dat het niet mogelijk is om op een andere wijze tot een verantwoorde wetgeving te komen. Op die grond wil ik de Kamer een motie voorstellen.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Nypels wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat het moment van indiening van het onderhavige wetsontwerp niet de mogelijkheid bood om de Sociaal-Economische Raad tevoren over de voorgestelde maatregelen te doen adviseren; overwegende, dat door de SER inmiddels een advies is uitgebracht, waarin door een deel van de Raad, bestaande uit de leden van CNV en MHP alsmede enkele kroonleden, een alternatief voorstel is uitgewerkt waarin als essentieel element is opgenomen dat ook jongeren van 16 en 17 jaar een zelfstandig uitkeringsrecht toekomt volgens een afzonderlijke rijksgroepsregeling voor schoolverlaters; gelet op het feit dat een verantwoorde amendering van het huidige wetsontwerp in de richting van het genoemde voorstel niet meer mogelijk is voor 1 januari 1983; verzoekt de Regering, het huidige voorstel te heroverwegen en een voorstel in te dienen met als uitgangspunt de door genoemd deel van de SER geformuleerde regeling, voorzover deze van toepassing is op 16-en 17-jarigen, en dit wetsvoorstel te richten op een ingangsdatum van 1 april 1983, en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 13(17697). Ik neem aan, dat de heer Nypels deze motie in stemming gebracht wil zien, voordat het wetsontwerp in stemming komt.

De heer Nypels (D'66): Dat zouden wij bijzonder op prijs stellen. Mijnheer de Voorzitter! Met betrekking tot het regeringsvoorstel zelf bestaat bij ons nog een speciaal bezwaar. Bijna alle voorgangsters hebben daar ook op gewezen. Het gaat om de wijze waarop de groep jongeren behandeld wordt die zich per of vůůr 1 juli 1982 als werkzoekende heeft laten inschrijven bij de arbeidsbureaus. Zij hadden als gevolg daarvan uitzicht op een zelfstandige RWW-uitkering met ingang van 1 januari aanstaande. Dit recht kan men niet zomaar aan hen ontnemen. Dat roept bij ons onoverkomelijke bezwaren op. Zoiets geeft een deuk in het vertrouwen in het optreden van de overheid. Voor alle zekerheid, omdat wij geen garantie hadden dat de Regering en de Tweede Kamer ons voorstel om het wetsontwerp later af te handelen zouden volgen, hebben wij daarom een amendement ingediend dat ertoe strekt als overgangsregeling deze groep ingeschrevenen de in het vooruitzicht gestelde RWW-uitkering te geven. Ook hier realiseren wij ons, dat daardoor de door de Regering voorziene uitgavenbeperking grotendeels niet zal worden gerealiseerd. Daarbij moet ik eveneens opmerken dat wij dat betreuren. Maar dit kan voor ons geen reden zijn om tot een andere standpuntbepaling te komen. Wij beschouwen dit namelijk als een onvermijdelijkheid om te komen Tweede Kamer 21 december 1982

tot een goede wetgeving, gericht op herziening van ons socialeverzekeringsstelsel. Een goede wetgeving kan niet betekenen dat wij onvoldoende of niet rekening houden met bestaande rechten of rechten die in het vooruitzicht zijn gesteld. Abrupte wijziging van wetgeving wijzen wij af. Er is voor ons nog een belangrijk argument om niet zo maar tot herziening van de wetgeving te komen, zoals de Regering voorstelt. Al eerder hebben wij met de Staatssecretaris in de Kamer geworsteld over wetsontwerpen waarbij de inkomenspositie van jongeren was betrokken. Dat heeft ertoe geleid dat mijn onvolprezen fractiegenote mevrouw Groenman een motie heeft ingediend, een motie die is aangenomen, over het streven naar een samenhangend inkomensbeleid voor jongeren. De Regering antwoordt op onze vraag in het verslag hoe het daarmee staat, dat met voortvarendheid wordt gewerkt aan de uitvoering van die motie.Dat juich ik op zich zelf vanzelfsprekend toe. Er staat echter bij dat de complexiteit van samenhang van regelingen het tot nu toe onmogelijk maakt over dit onderwerp advies te vragen aan de Raad voor het Jeugdbeleid. Dat is nu juist een van de problemen waarmee wij zitten. De zaak is zo complex dat zelfs een adviesaanvraag nog niet in de ogen van de Regering tot de mogelijkheden behoort. Als wij door het ontbreken van een advies over een samenhangend inkomensbeleid niet meer weten over de totale inkomenseffecten voor jongeren van bepaalde maatregelen moeten wij extra voorzichtig zijn met wetgeving. Dat is voor ons dan ook de reden om te zeggen dat de Regering en een aantal fracties in de Kamer zich moeten bezinnen voor zij beginnen en dat zij in ieder geval de adempauze moeten nemen die nodig is om tot beter overdachte wetgeving, met de suggesties van de SER, te komen. Wetsontwerp 17711 zullen wij steunen, gezien de ernst van de financiŽle problemen in de collectieve sector. Wel verzoeken wij de Regering, beide aanvullende suggesties van de SER betreffende het onderwerp van dit wetsontwerp nader te overwegen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: De Staatssecretaris zal morgen aan het einde van de ochtend of het begin van de middag antwoorden.

 
 

Meer informatie

 
 

Minidossiers

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.