De voortzetting van de behandeling van: de brief van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Financiën en van Economische Zaken over de koopkrachtontwikkeling in 1983 - Handelingen Tweede Kamer 1982-1983 15 december 1982 orde 2


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: de brief van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Financiën en van Economische Zaken over de koopkrachtontwikkeling in 1983 (17666, nr. 4); de wetsontwerpen: Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (gedeeltelijk achterwege laten van de herziening van de kinderbijslagbedragen per 1 januari 1983) (17467); Nadere wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten, de Wet Werkloosheidsvoorziening en de Wet op de Loonbelasting 1964 (afschaffing minimumdagloon WAO en herziening minimumdagloonbepalingen in de WW en de WWV) (17647); Wijziging van de wet van 20 december 1979, Stb. 711 (beëindiging vereveningstoeslagen) (17674); Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nadere regeling van de samenloop van uitkering met inkom sten uit arbeid) (17675); Wijziging van de wet van 4 juni 1981, Stb. 350 (vaststelling en verdeling van de premie voor de werkloosheidsverzekering) (17676); Beperking van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal Woensdag 15 december 1982 Aanvang 10.15 uur

sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 januari 1983 (17677); de verslagen van mondeling overleg over het Besluit landelijke normering Bijstandswet (17600 XVI, nr. 15 en 17600 XV, nr. 15); het verslag van mondeling overleg over de Tijdelijke wet arbeidsvoorwaarden collectieve sector (17636, nr. 2), en van: de motie-Linschoten en De Korte over gelijke berechtiging van gehuwden en ongehuwd samenwonenden bij nadere socialeverzekeringswetgeving (17647, nr. 9); de motie-Willems over de financiële situatie van één-oudergezinnen (17600 XV, nr. 16); de motie-Beckers-de Bruijn over de staffeling van de jeugdlonen (17666, nr. 5); de motie-Groenman over gezinnen met twee inkomens (17666, nr. 6); de motie-Groenman over de vrijlating van bijverdiensten in de bijstand (17600 XV, nr. 17). De (algemene) beraadslaging wordt hervat.

©

M.A.M. (Thijs)  WöltgensDe heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Hoewel het op dit moment erg vroeg is in het parlementaire leven van deze dag, is het mogelijk, de bekende freule te citeren en van gekkenwerk te spreken, als wij zien welke omvang de onderhavige wetsontwerpen hebben en in welk tempo zij moeten worden afgewerkt. In dit gekkenwerk ontbreekt een zekere methode niet geheel en al. Niet alleen komt het overeen met de ombuigingen die de Regering zich heeft voorgenomen, maar er is ook een selectie in aangebracht. Wij behandelen een aantal wetsontwerpen die uitkeringstrekkers en andere mensen op het minimum raken. Hierover zullen wij vandaag meer spreken, want het is de kern van de huidige problemen. De Kamer was Tweede Kamer 15 december 1982

Ingekomen stukken Koopkrachtbeeld voor 1983

Achter de regeringstafel zitten v.l.n.r. de bewindslieden De Graaf, De Koning, Ruding en Koning, tijdens het debat over het koopkrachtbeeld voor 1983

echter bijna klaar met de wettelijke voorbereiding van een aantal fiscale maatregelen die vooral voor de hoge inkomensgroepen nadelige effecten kunnen hebben en die per 1 januari 1983 hadden kunnen ingaan, als de Staatssecretaris van Financiën niet alles in het werk had gesteld om dit in elk geval te voorkomen, wat niet onbegrijpelijk is voor een VVD'er. In dit verband staan nog enkele potjes op het vuur. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een CDA'er, is ijverig om te voorkomen dat iets niet wordt bezuinigd per 1 januari aanstaande en treft daarom alle maatregelen die wettelijk nodig zijn om de minima en de anderen alle voornemens van het kabinet te laten ondergaan. Dezelfde Staatssecretaris heeft ons verrast met enkele wetsontwerpen waarvoor de vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog vanmiddag gaat bespreken of zij nog snel tussendoor kunnen worden behandeld in de enkele dagen die de Kamer nog resten tot het kerstreces. Deze benadering komt hoe dan ook in strijd met de zorgvuldigheid die tegenover iedereen moet worden betracht, ook tegenover de groepen waarover de Staatssecretaris voor belastingzaken spreekt. Wij moeten hiermee zorgvuldig omgaan, ook in het geval van zo'n onrustig bezit als de belastingen zijn geworden. Het gaat hierbij ook om de inkomenspositie van andere groepen die afhankelijk zijn van publieke uitkeringen in de vorm van sociale zekerheid of ambtenarensalarissen. Dit ging over de omvang van de operatie en de richting waarin een selectie wordt gemaakt bij het opjagen van de Kamer in deze omvangrijke operatie. Ik noem de twee wetsontwerpen waarover ik sprak. De Staatssecretaris weet dat het ging over het wetsontwerp voor een periodieke uitkering, waarvoor de Kamer met extra haast een eindverslag heeft gemaakt, en het wetsontwerp over de renteaftrek, waarover wij nog niets hebben gehoord. Wij weten dat het kabinet het laatste wetsontwerp op het punt van de hypotheekrente heeft teruggetrokken, hetgeen op zichzelf duidelijk maakt in welke inkomenspolitieke dimensies het kabinet denkt. Ik meen mij echter te herinneren dat de Ministervan Financiën mij heeft toegezegd dat het wetsontwerp nog altijd doorgang kan vinden voor de aftrekbaarheid van andere rente dan in hypothecair verband. Wellicht kan hierover in dit debat nog terloops opheldering worden verschaft. Wij hebben voorafgaande aan dit debat een grote hoeveelheid papier gekregen, waarin het gehele inkomensbeleid wordt uiteengezet: brieven van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ook stukken van maatschappelijke groeperingen. Feitelijk zijn wij bezig met een enorme papieren operatie. Als wij in de brieven van de Minister kunnen lezen dat het gaat om een verbetering van het inkomensbeeld, is dit een verbetering ten opzichte van het beeld in vroegere papieren. Het gaat dan echter nog altijd om een verbetering van een verslechtering. Feitelijk gaan de inkomens, ook van de laagste categorieën, ondanks de verbetering per 1 januari aanstaan-de nog altijd erop achteruit. Uiteraard zijn ook wij niet in staat om dit helemaal te voorkomen, maar wij moeten ons wel goed realiseren dat wij nog steeds spreken over het feit dat per 1 januari heel veel inkomens er ook in nominale termen drastisch op achteruitgaan. Wij behoeven dan alleen maar te kijken naar wat er met WAO-uitkeringen kan gebeuren, hetgeen ook nog kan cumuleren met andere effecten uit deze wetsontwerpen. Het gaat dus niet om de verbetering van de inkomenspositie maar om de verbetering van een'plaatje' dat gemaakt is en dat op zich feitelijk een grote verslechtering voor veel uitkeringstrekkers kan betekenen. Ondanks alle aangebrachte bijstellingen geeft het inkomensbeeld dat de Regering presenteert, te zien dat de minima meer inleveren dan vier keer modaal. Dit geldt in alle gevallen, als je tenminste de eerlijkheid hebt om het vervallen van de solidariteitsheffing per 1 januari in het beeld te verdisconteren. De heer De Korte heeftwat dat betrefteen merkwaardige opmerking gemaakt. Hij zei dat de VVD tegen de solidariteitsheffing was en dat zij die heffing niet in het inkomensbeeld verdisconteren omdat zij er niets mee te maken hebben. Dat is natuurlijk niet juist. Feitelijk vervalt die heffing en daarmee ontstaat een situatie die ertoe leidt dat met name de hoogste inkomensgroepen -ik begrijp wel dat de heer De Korte daar heel gemakkelijk over kan doen -er verhoudingsgewijs beter voor komen te staan. De Regering gebruikt het argument dat de solidariteitsheffing een eenmalige operatie was. Bovendien zou de Regering hebben gezegd dat de solidariteitsheffing niet verdisconteerd moest worden in de collectievelastendruk. Staatssecretaris Koning: De heer Halberstadt en de heer De Galan; uw partijgenoten! De heer Wöltgens (PvdA): Inderdaad.

Ik heb toentertijd het wetsontwerp mogen behandelen en in tegenstelling tot de heren De Korte en Koning, die destijds nog kamerlid was, hebben wij dit wetsontwerp gered. Wanneer het om een authentieke interpretatie van de bedoeling van dit wetsontwerp gaat, achten wij ons iets meer daartoe gerechtigd dan de huidige Staatssecretaris. Het uitgangspunt was inderdaad dat deze eenmalige solidariteitsheffing niet meegerekend mocht worden bij de berekening van de collectievelastendruk. Dat is echter geheel iets anders dan het niet betrekken van het effect van deze solidariteitsheffing op het inkomensbeeld. Afgezien van de financiering van het werkgelegenheidsprogramma had de solidariteitsheffing heel uitdrukkelijk de bedoeling, per 1 juli het inkomensbeeld bij te stellen. Dat werd toen nog verdedigd door het interim-kabinet Van Agt III. Dan gaat het natuurlijk niet aan, net te doen alsof het vervallen van de solidariteitsheffing geen enkel effect meer heeft op het inkomensbeeld. Het is bovendien des te merkwaardiger waar de Regering, in de behoefte om aan te tonen welk een nivellering zich in de afgelopen jaren heeft voltrokken, bij de nivellering die in het jaar 1982 heeft plaatsgevonden uiteraard wel de solidariteitsheffing meeneemt in de bepaling van het inkomensbeeld. Het is dan natuurlijk te gek om bij het inkomensbeeld voor 1983 opeens te zeggen dat de solidariteitsheffing daarin niet mag worden verdisconteerd. Wanneer je het vervallen van de solidariteitsheffing per 1 januari in het inkomensbeeld brengt, dan is de situatie in alle gevallen zo -ook in het voor de Regering meest gunstige geval -dat de minima nog net meer inleveren dan vier keer modaal. Het is duidelijk dat die lastenverdeling nog steeds als onaanvaardbaar van de hand moet worden gewezen. Een dergelijke verdeling komt erop neer dat de minima op -3,5% terecht komen en 4 maal modaal op + 0,6. Waarom is deze inkomensverdeling onaanvaardbaar? Ook al omdat de wijze waarop zij tot stand is gekomen grotendeels het gevolg is van rechtstreekse overheidsmaatregelen. Het is niet op ons afgekomen, zodat de overheid het moet 'repareren', neen, het is iets dat de overheid niet alleen zichzelf maar vooral de betrokkenen heeft aangedaan. Het geval is namelijk dat de overheid ongeveer 6,5 mld. uit de fondsen voor sociale zekerheid terugtrekt, hetgeen haar in staat stelt de belastingdruk feitelijk met 1,4% van het netto nationaal inkomen te laten dalen. Dat betekent in wezen dat de overheid de belastingdruk met 4 a 5 mld. kan laten dalen, omdat zij uit de sociale fondsen zo'n 6,5 mld. terugtrekt. Terwijl de verlichting van de belastingdruk ook aan de hoogste inkomensgroepen ten goede komt -door de progressie en de inflatiecorrectie profiteren deze groepen verhoudingsgewijs daarvan nog meer -drukt een verzwaring nu net alleen maar op inkomens tot de grens voor premieheffing voor sociale zekerheid. Als de rijksbijdrage wordt stopgezet, moeten de premies worden verhoogd en dat betekent, dat die verzwaring vooral drukt op de inkomens tussen minimum en 2 maal modaal. Dat is de denivelleringsoperatie die ertoe leidt dat de overheid die dit bewerkstelligt, zich nu plotseling geroepen voelt iets eraan te doen. Het is dezelfde overheid die verantwoordelijk is voor het tot stand komen van dit volstrekt ongelijke inkomensbeeld. Een ander element waarop ik in dit verband wil wijzen, is dat bij stijging van de premies de aftrekbaarheid van de premie niet aan een grens is gebonden, maar voordeliger wordt naarmate het inkomen hoger is. Dit element is qua invloed misschien beperkt, maar pakt in toenemende mate irritant uit voor de inkomensverdeling. In de komende jaren zullen de premies vanwege het volume-effect moeten stijgen. De schijf van het belastbare inkomen wordt hoger en verhoudingsgewijs wordt de aftrekbaarheid van de premies voordeliger. Wij willen de Regering uitnodigen maatregelen voor te bereiden, die in elk geval voor 1 januari 1984 kunnen ingaan -dat kan per half jaar dan wel per kwartaal -en die ertoe kunnen bijdragen, dat het voordeel van premieverhogingen in de belasting veel gelijkmatiger wordt verdeeld dan thans het geval is. Een dergelijke ongelijkmatigheid denivelleert hoe langer hoe meer naarmate de premies stijgen. Mijnheer de Voorzitter! In tegenstelling tot hetgeen in het amendement-De Vries en De Korte aan verwachtingen is gewekt bij de discussie in juni van het afgelopen jaar over de aanpassing van de minimumlonen en de uitkeringen, honoreert de Regering de 'uitschuifoperatie' slechts voor iets meer dan de helft. Er zijn verwachtingen gewekt, dat per 1 januari deze operatie zou worden hersteld, maar in feite gebeurt dat niet. Ik vraag de woordvoerders van de VVD en het CDA hoe zij het kunnen verantwoorden dat zij op 1 juli de verwachting wekten, deze operatie te zullen gebruiken om bij voorbeeld de WAO-premies niet te snel te laten dalen, maar dat zij deze belofte per 1 januari geheel laten schieten terwijl de verlaging voor de WAO'ers op 1 januari even hard doorgaat als op 1 juni.

De heer De Korte (VVD): Op het gevaar af, in herhalingen te vallen, wil ik als medeondertekenaar van het amendement nog eens uitdrukkelijk vermelden dat per 1 januari niet per se hetgeen is vooruitgeschoven moet worden uitbetaald. Dus wat dat betreft, bent u gewoon voorbarig. U doet net alsof de rest helemaal weg is. Dat hebben wij nooit gezegd en dat blijkt ook uit niets. U staat hier dus gewoon verwarring te zaaien.

De heer Wöltgens (PvdA): Moet ik het zo begrijpen dat het helemaal niet de bedoeling van het 'uitschuifamendement' van de heren De Vries en De Korte was dat de op zichzelf normale indexering die per 1 juli had moeten plaatsvinden voor de minimumlonen en de daaraan gekoppelde uitkeringen per 1 januari a.s. zou worden hersteld? Dat is dus nooit de bedoeling geweest?

De heer De Korte (VVD): Het gaat om een 'uitschuif' die als tijdelijk was bedoeld. Dat is in het debat daarover ook zeer nadrukkelijk gezegd. Daar is echter helemaal niet bij gezegd wanneer de realisering uiteindelijk precies zou plaatsvinden, of om welke delen daarvan het zou gaan.

De heer Wöltgens (PvdA): O, dus dat kan best in het jaar 1990 gebeuren! Even aannemend dat diezelfde minima dan nog zouden kunnen profiteren van het geheugen van de heren De Korte en De Vries, dat hun ertoe brengt alsnog even de 1,84% uit het jaar -wat was het -anno domini 1982 te herstellen! Dat is natuurlijk te gek om los te lopen! Wanneer men op 1 juli geen indexering geeft die gewoonlijk op dat moment plaatsvindt, en men noemt dat een 'uitschuifoperatie', dan is natuurlijk de eerstvolgende normale datum aan de orde om die 'uitschuifoperatie' te realiseren. Ik vind het werkelijk een bijna ridicule argumentatie, die de heer De Korte niet geheel waardig is, dat hij het volstrekt in het midden zou hebben gelaten wanneer Tweede Kamer 15 december 1982

De heer De Korte (VVD) onderbreekt het betoog van de heer Wöltgens (PvdA) die 'uitschuifoperatie' zal worden hersteld. Heeft hij enig idee wanneer u dat dan zou willen herstellen, op welke wijze en met welke inhaalmogelijkheden? Het nadelig effect cumuleert natuurlijk.

De heer De Korte (VVD): Onder andere direct nu, zoals door de Regering is aangegeven met de nuancering die ik daarbij in mijn bijdrage heb gegeven.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Mag ik mijn fractiegenoot interrumperen en hem vragen hoe hij het uitlegt wanneer de heer De Korte zegt: 'Het is natuurlijk de bedoeling dat het een tijdelijk gepresenteerde maatregel is. Wij zullen hierop terugkomen tijdens de behandeling van de notitie over de grondslagen. Het is een tijdelijk bedoelde maatregel. Er is dan ook iets veranderd in het amendement. Wat ons betreft, zullen wij elkaar voor 1 januari weer spreken over dit onderwerp.'

De heer De Korte (VVD): Zo is dat, precies!

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik ga verder: 'Ik heb dan ook gezegd dat ik goed begrepen had dat het een tijdelijke maatregel was, waar wij toen grote bezwaren tegen hadden, en dat die op 1 januari zou worden hersteld. Dat is door de heer De Korte toen niet tegengesproken.' Dit houd ik mijn fractiegenoot nog eens als achtergrond voor.

heer De Korte (VVD): Ik vind het heel charmant dat de heer Wöltgens zulke hulptroepen om zich heen weet te vergaren. Wat ik heb gezegd, past natuurlijk precies in wat er hier gebeurt. Vóór 1 januari zouden wij hierover komen te spreken. Welnu, het is nu vóór 1 januari. Vervolgens zouden wij bij de stelselwijziging hierop nader terugkomen. Wij zijn nog niet eens aan de stelselwijziging toe, die naar ik meen voor eind 1984 zal plaatsvinden! Zo ziet men dat die ' uitschuif' dus niet naar 1990 wordt verplaatst.

Mevrouw Ter Veld (PvdA)undefined: Mijnheer de Voorzitter! Nog één opmerking...

De Voorzitter: Neen, u krijgt straks uw eigen beurt nog!

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Ik wilde nog even een citaat van de heer De Vries voorlezen.

De Voorzitter: Dat komt dan wel wanneer de heer Gerritse aan de beurt is!

De heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik meen ook dat ik het de heer De Korte niet moet aandoen, de voosheid van zijn argumentatie over deze operatie verder nog te bespreken. Het is te meer erg dat hij heeft gezegd, het verschil van 1,84% per 1 januari a.s. niet te willen herstellen aangezien hij niet alleen akkoord gaat met het voorstel van de Regering van 1%, dat hij al min of meer beschouwt als uitvoering van de gedachte van tijdelijkheid in het amendement-De Vries/De Korte, maar nog veel verder gaat! Wat heeft hij namelijk gisteren gezegd? Feitelijk zouden de minima per 1 januari met een half procent omhoog moeten gaan; dan zouden wij in juli kunnen bezien of de prijzen misschien niet een half procentje zijn gedaald, zodat wij hun eigenlijk helemaal niets meer hoeven te geven, terwijl zij toch op 1% zouden uitkomen. Bij die redenering zijn allerlei vraagtekens te plaatsen. De heer De Korte is zich hiermee in alle mogelijke bochten aan het wringen om te ontkomen aan datgene wat de Regering als dekking heeft voorgesteld voor de echte minima: de extrabelastingheffing voor de tweeverdieners. Hij is dus niet eens te beroerd om daarbij die minima, waarbij hij zelf de verwachting heeft gewekt dat zij per 1 januari 1,84% krijgen, nog minder te geven dan de Regering van plan is te geven. Hij wil namelijk maar een Vz% geven en dat is natuurlijk helemaal te gek.

De heer De Korte (VVD): Is de heer Wöltgens helemaal vóór de belasting op de tweeverdieners voor de lagere en de midden inkomens?

De heer Wöltgens (PvdA): Afgezien van de modaliteiten, kan de Partij van de Arbeid zich vinden in het soort belasting voor tweeverdieners.

De heer De Korte (VVD): De geachte afgevaardigde laat het dus van de modaliteiten afhangen, of hij ervoor is?

De heer Wöltgens (PvdA): Wij krijgen ongetwijfeld een wetsontwerp over deze zaak. Wij zullen het wetsontwerp op eigen merites beschouwen.

De heer De Korte (VVD): Dat wil dus zeggen dat de heer Wöltgens de interruptie van zijn fractievoorzitter nog even in de mist houdt. De interruptie is hier en daar wel zodanig uitgelegd, dat de fractie van de PvdA daar van nu af aan glad vóór is. Ik begrijp dus nu, dat wij nu nog moeten afwachten hoe dat wordt.

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Het is natuurlijk heel begrijpelijk dat de heer De Korte smeekt om steun voor zijn individualiseringsgedachte die hij hier nogmaals wilde verdedigen door de belastingprogressie nog verder op te drijven -het is een zeer sympathieke gedachte van de heer De Korte, en door de minima nog 1/2% te korten, ik kom daarover nog te spreken -en dat hij Tweede Kamer 15 december 1982

heer Wöltgens (PvdA)

nu zit te smeken totdat de Partij van de Arbeid eindelijk over de brug komt. Hij kan dan opgelucht zeggen, dat is vermoedelijk van tafel, hiermee kan ik mijn achterban bedienen.

De heer De Korte (VVD)undefined: En de uwe, mijnheer Wöltgens, want u heeft met uw achterban altijd voorop gelopen met die discussie.

©

J.M. (Joop) den UylDe heer Den Uyl (PvdA): Het spreekt vanzelf, mijnheer de Voorzitter, dat de Partij van de Arbeid elke maatregel, zoals de heer Wöltgens zegt, op zijn eigen merites zal beoordelen. Wat dat betreft kunnen er wel eens heel interessante toestanden ontstaan. Ik kan de heer De Korte de verzekering geven, dat de Partij van de Arbeid de VVD niet zal verlossen uit de zak waarin zij nu zit met dit CDA-voorstel.

heer Wöltgens (PvdA): Bovendien, mijnheer de Voorzitter, stelt ons dat in staat om enkele van de inventieve ideeën van de heer De Korte om daarvan weg te komen toch te gebruiken voor de dekking van die verbeteringen die wij zelf graag willen aangebracht zien. Mijnheer de Voorzitter! De uitschuifoperatie wordt dan 1%, dat had 1,84% moeten zijn, en op dat niveau worden nu de uitkeringen verder bevroren. De Regering stelt zelfs min of meer in het vooruitzicht dat ook per 1 juli een dergelijke bevriezing zal plaatsvinden.

Feitelijk is er dus al een ontkoppeling aan de hand. Het is dus zo dat per 1 januari de ontwikkeling van de lonen afwijkt van de ontwikkeling van de uitkeringen. Ik wil nog opmerken, en dat is de laatste keer dat ik vandaag de heer De Korte nog probeer te pesten, dat de VVD ergens op een congres nog niet zo lang geleden, in het kader van de permanente verkiezingscampagne, heeft medegedeeld, dat zij hoe dan ook zal vasthouden aan de koppeling van de AOW aan de feitelijk verdiende lonen. De heer De Korte knikt -ik zeg dat met zoveel woorden zodat het ook in de Handelingen terecht kan komen -positief, hij zegt dus: inderdaad daar staan wij helemaal achter. Dat is dus per 1 januari helemaal niet meer het geval, mede dankzij zijn eigen ingrijpen en zijn eigen voorstel om de minima nog iets minder te geven dan de Regering zelf heeft voorgesteld.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mag ik verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag waarin ook het kabinet er nog eens aan herinnert, dat de fractie van het CDA heeft gezegd zo blij te zijn dat in dit geval de koppeling aan het minimumloon in stand blijft. Ik heb dus hele sterke getuigen.

heer Wöltgens (PvdA): Dat noemt de heer De Korte heel sterke getuigen.

U begrijpt wel dat dit argument mij niet geheel aanspreekt. Het zou hetzelfde zijn als de heer De Korte zou proberen te overtuigen door mij voortdurend op de heer Den Uyl te beroepen en op hetgeen hij heeft gezegd. Wij moeten wel met intrinsieke argumenten werken en niet met een soort gezagsargument waarvan wij beiden de politieke waarde en dus ook de relatieve waarde weten te waarderen. Per 1 januari vindt dus feitelijk een ontkoppeling plaats. Daarnaast heeft de Regering ook nog aangekondigd dat zij per 1 juli eventueel de uitkeringen wil gaan bevriezen. Als alles goed gaat in het bedrijfsleven en in de decentrale onderhandelingen behoeft dat geen verdere ontkoppeling te betekenen. Als de ontwikkelingen in de onderhandelingen verlopen zoals zij in het gunstigste geval voor het inkomensbeeld zijn voor te stellen, hoeft dit natuurlijk op zich geen ontkoppeling te betekenen. Het kan een ontkoppeling inhouden, als de feitelijke ontwikkelingen in de bedrijfstakken anders verlopen. Als het kabinet de Kamer tijdig voor 1 juli rapporteert dat het feitelijk verloop in de bedrijfstakken anders is dan het verloop van de inkomensontwikkeling zoals men dat zich ten opzichte van de uitkeringen heeft voorgesteld, moet het kabinet maatregelen voorbereiden die ertoe strekken dat in ieder geval per 1 juli de koppeling alsnog wordt hersteld. Op dit punt wil ik u, mijnheer de Voorzitter, graag een motie overhandigen.

Motie

Voorzitter: Door de leden Wölt-gens, Ter Veld en Buurmeijer wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; constaterend, dat de Regering voornemens is ook per 1 juli het minimumloon en de sociale uitkeringen te bevriezen; van oordeel, dat de ontwikkeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen parallel dient te verlopen aan de loonontwikkeling; nodigt de Regering uit, alvorens zij met voorstellen komt met betrekking tot de indexering van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 juli 1983, de Kamer te rapporteren over de feitelijke loonontwikkeling in het bedrijfsleven;

nodigt de Regering uit, alsdan voorstellen te doen, die ertoe leiden dat de parallelle inkomensontwikkeling alsnog gewaarborgd wordt, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 7 (17666).

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik meen te hebben aangetoond dat de Regering, wat de minima betreft, per 1 januari feitelijk overstapt van een systeem van na-indexering naar voorindexering. Hierbij zegt de Regering dat op de gewenste loonontwikkeling vooruit moet worden gelopen en dat het inkomen voor de minima moet worden bevroren. Vanuit deze optiek is het merkwaardig dat de Regering, als het om de inflatiecorrectie gaat, eigenlijk blijft vasthouden aan een systeem van na-indexering. Hierbij is de inflatie van het voorafgaande jaar bepalend voor de mate waarin men de tarieven aanpast aan de inkomens. Als men bij het systeem van de inflatiecorrectie, zoals nu bij de sociale uitkeringen, overstapt op het voorindexeren, blijkt feitelijk dat de inflatiecorrectie voor minder dan 60% moet worden toegepast. Er vindt eigenlijk een geweldige overschatting plaats van de inflatieontwikkeling door de wijze waarop nu wordt nageïndexeerd. Dit is een overschatting van meer dan 41%. In het afgelopen jaar was de inflatie 6%. Bij een gunstige ontwikkeling kan de inflatie in het komende jaar 3,5% zijn. Dat is een geweldige overschatting! In dit licht en in het licht van de gelijke behandeling van het fiscale aspect en hetgeen op het vlak van de sociale zekerheid wordt gedaan, zou een rechtvaardiging moeten worden gevonden voor een verdere aanpassing van de inflatiecorrectie dan de ring zich in eerste instantie met 80% heeft voorgenomen. Kennelijk mocht deze heilige koe van de minder grote regeringspartij niet worden geslacht! De Regering is bereid geweest om iets te doen aan de tarieven van de loon-en inkomstenbelasting. Dit ging gepaard met veel gekreun! Het zou eigenlijk niet goed zijn om dat te doen en het zou ook de laatste keer moeten zijn dat zoiets wordt gedaan, zei de Regering. Op papier lijkt het erop dat de belastingen worden verhoogd.

Dit is echter puur een papieren operatie. Het is niets anders dan een beperking van de belastingverlaging die per 1 januari 1983 ten opzichte van 1982 feitelijk optreedt. De solidariteitsheffing vervalt. De b.t.w.-operatie is ook vervallen. De belastingdruk was in de MEV al met ongeveer 1% omlaag gebracht! De inflatiecorrectie is ten opzichte van de gegevens in de MEV iets omlaag gegaan. Er is per saldo sprake van een verlichting van de belastingdruk van 1,4%. De hele operatie rond de belastingverhoging is in feite dus niets anders dan een beperking van de belastingverlaging die feitelijk per 1 januari 1983 plaatsvindt.

heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De heer Wöltgens kan toch niet alleen over belastingmaatregelen spreken? Dat is toch niet zinnig. Hij moet dit toch in samenhang zien met premiemaatregelen. Hij moet dus over belasting-en premiemaatregelen praten, dat wil zeggen over de lastendruk.

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De heer De Korte kan zich niet voorstellen, hoe dankbaar ik hem ben voor deze interruptie. Ik kom hier namelijk dadelijk nog op terug! Het is ongelooflijk, maar er zijn enkele onderwerpen waarover wij het volstrekt met elkaar eens dreigen te worden. Ik hoop dat dit enig effect in dit debat zal gaan opleveren! Ik kom daarop dus nog terug. Ik wil nu even naar de belastingen kijken, want de Regering kijkt zelf ook maar 'even' naar de belastingen. Zij zegt dat zij de belastingschroef aandraait. Wij kennen allen deze, al of niet wetenschappelijk onderbouwde, 'borrelpraat': dat alles is dol gedraaid, dat het te gek geworden is en dat men dat de mensen niet meer mag aandoen. Een en ander leidt tot ontwijking, zwart circuit, enzovoorts, alsof het naar beneden van de belastingschroef plotseling de moraal geweldig zal opschroeven. Wat de gehele belastingoperatie betreft die plaatsvindt en die onder het mom van een belastingverzwaring wordt gebracht, wordt de VVD toch nog even bediend, namelijk door het hoogste tarief terug te brengen tot 69%. Ik sluit mij gemakshalve aan bij hetgeen mevrouw Groenman daarover heeft gezegd. Het was echt niet nodig geweest het zo te doen. Als men vond dat de verschillen in percentages tussen het laatste en voorlaatste tarief iets te klein dreigde te worden, had men ook het hoogste tarief iets meer kunnen verhogen zodat de oude afstand hersteld was. Hoewel het relatief gezien nogmaals om belastingverlagingen gaat, kan het toch geen kwaad even op de argumenten in te gaan die de Regering gebruikt tegen het aanschroeven van de progressie en alles wat daarmee samenhangt. Deze behoren overigens bijna tot een standaardrepertoire bij hetgeen over dit soort onderwerpen wordt verteld. Om het effect van de progressie eerlijk te kunnen beoordelen -ik ben dit geheel en al met de heer De Korte eens -, moet men natuurlijk niet alleen naar de belastingtarieven kijken, maar naar de combinatie van belasting-en premiedruk, dus naar de gecombineerde tarieven. Iedereen, inclusief de heer De Korte, weet, dat door de gestelde grens bij de premieheffing, lastendruk feitelijk na deze grens degressief verloopt, omdat het aandeel van de druk vanuit de premies bij het stijgen van het inkomen boven deze grens hoe langer hoe geringer wordt. De gemiddelde druk verloopt dus degressief naarmate het inkomen hoger is. Ik ben het met de heer De Korte eens dat dit alleen al een argument is om te zeggen dat het beeld er anders uitziet als men alleen maar de belastingen beziet en als men de premies daarbij betrekt. Het is bekend dat de sterkste progressie eigenlijk plaatsvindt tussen ongeveer het minimumloon en anderhalf maal modaal, en niet bij de inkomensgroepen waarover de Regering nu maar even besloten heeft van deze het hoogste tarief te verlangen.

De heer De Korte (VVD)undefined: Mijnheer de Voorzitter! De sterkste progressie vindt plaats bij circa anderhalf maal modaal. De heer Wöltgens sprak zoeven niet over de individuele druk, maar over de totale druk van de belastingen. Daarover hield hij een fantastisch mooi verhaal. Hij zei dat het om een vermindering ging van een belastingvermindering, of iets dergelijks. Hij sprak toen over het totaal. Nu gaat hij opeens mijn woorden uitleggen in de zin dat een en ander bedoeld was per individu. Ik wil de heer Wöltgens als hij zo'n mooie beschouwing geeft over de totale belastingen er aan helpen herinneren, dat hij daarbij ook de totale premies moet betrekken, niet die per individu.

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Als de heer De Korte Tweede Kamer 15 december 1982

zegt dat wij naar de totale collectieve lasten moeten kijken, zijn wij het ook weer helemaal met elkaar eens. Wij zouden het er dan ook gemakkelijk over eens kunnen worden hoe wij deze collectieve lastendruk zullen verdelen over belastingen en premies. Als wij ertoe in staat zullen zijn dit toch enigszins rechtvaardig te doen door personen met hogere inkomens iets meer te laten inleveren dan die met de laagste inkomens, moet men komen tot hetgeen ik al gezegd heb, namelijk dat het verlagen van de belastingdruk, gecombineerd met het verhogen van de premiedruk, tot deze onrechtvaardige verdeling, waarover wij nu spreken en die nu enigszins wordt bijgesteld, leidt.

De heer De Korte (VVD)undefined: Mijnheer de Voorzitter! Daarover verschillen wij dan van mening. Het gaat erom dat de totale druk in 1983 nog steeds zal toenemen. Dit is onze zorg en daarom gaat het verhaal van de heer Wöltgens niet op!

©

M.A.M. (Thijs)  WöltgensDe heer Wöltgens (PvdA): Oké! De totale collectieve lastendruk stijgt. Wij moeten de gecombineerde effecten van belastingen en premies bezien. Plotseling blijkt dan het progressieverhaal er wel geheel en al anders uit te zien dan het verhaal, zoals het vaak wordt verteld. Zeker als hierbij ook allerlei andere secundaire maatregelen worden betrokken, in de sfeer van huursubsidies, studiebeurzen en alle zogenaamde inkomensprijzen. Als men het geïntegreerde marginale tarief bekijkt, ziet men dat de progressie zich inderdaad bij inkomensgroepen van één a anderhalf maal modaal veel sterker voltrekt dan bij de hoogste inkomensgroepen, waarvoor de Regering nu een aantal maatregelen heeft genomen en waarover zij nu met enig gekreun zegt dat zij dat eigenlijk niet had moeten doen. Het individuele voelen van de progressie van de inkomstenbelasting doet zich vooral voor bij degenen die er in inkomen op vooruitgaan. Zij voelen die progressie het sterkste. Juist die inkomensvooruitgang is er op dit moment veel minder sterk , om niet te zeggen dat voor verreweg de meeste inkomenstrekkers het tegendeel het geval is. Ook dat maakt het verhaal van de progressie, dat in de jaren '60 en '70 nog een hoge actualiteitswaarde had, in de huidige situatie aanmerkelijk minder van belang, dan door de Regering in haar inkomensbrief wordt gesuggereerd Er is ook een interessante discussie mogelijk over de waarde en onwaarde van inkomensplaatjes. De Regering, wetend dat een groot aanbod tot het dalen van de waarde van een goed kan leiden, heeft dan ook zo ontstellend veel inkomensplaatjes geproduceerd dat de waarde ervan inderdaad al een heel stuk lager is geworden. In elk geval wordt het overzicht over wat er precies aan de hand is, erg moeilijk gemaakt. Wij moeten niettemin de discussie over de waarde of onwaarde van de inkomensplaatjes aangaan. Wij moeten niet zonder meer voorbijgaan aan hetgeen de Regering daarover heeft op te merken. Het is overigens opvallend dat de Regering, als zij wil illustreren hoe de nivellering in de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden, zich juist beroept op deze inkomensplaatjes. De Regering zegt dat dit een statistisch geheel is, wat er eigenlijk toe leidt dat er vaak maatregelen worden genomen die helemaal niets te maken hebben met de maatschappelijke werkelijkheid, maar die veel meer afgestemd zijn op dat statistische model. De Regering maakt daarvan onmiddellijk zelf gebruik door met name alleen maar de kinderbijslag voor de eerste twee kinderen te ontdooien. Ik vind het huichelachtig, als je er eerst op wijst hoezeer je eigen beleid dreigt te worden afgestemd op een onjuist gebruik van de inkomensplaatjes, dat je vervolgens één van de belangrijkste maatregelen, die je neemt, geheel en al afstemt op het statistische effect dat je kunt bereiken en daardoor derde, vierde en vijfde kinderen helemaal niet betrekt in de ontdooiing van de kinderbijslag. Wij weten dat er op de inkomensplaatjes, zoals wij die krijgen, een heleboel is aan te merken. Er is heel wat onderzoek van sociale diensten geweest, waaruit blijkt dat er hele grote groepen minima zijn die veel verder achteruitgaan dan uit het statistische inkomensplaatje blijkt. Wij weten omgekeerd dat er mensen zijn met een inkomen van vier keer modaal -wij hebben hiervan in het verleden in een debat over onder meer de ministerssalarissen een spectaculair voorbeeld gehad -die feitelijk geheel en al kunnen ontkomen aan belastingdruk. Met andere woorden, zodra wij het beeld gaan individualiseren en kijken naar de grote groepen minima, zoals zij bij de sociale diensten bekend zijn, en omgekeerd kijken naar de feitelijke belastingdruk, op zeer hoge inkomens, dan blijkt inderdaad dat die inkomensplaatjes op zichzelf zeer betwistbaar zijn. De betwistbaarheid van die inkomensplaatjes leidt er bepaald niet toe dat wij bij voorbaat moeten zeggen dat zij een veel te nivellerend beeld geven. De feitelijke situatie zou best wel eens veel denivellerender kunnen zijn, dan uit de statistische inkomensplaatjes blijkt. Een gedifferentieerder inkomensbeeld blijft evenwel welkom. Als het op het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mogelijk zou zijn om met behulp van bij voorbeeld het Sociaal en Cultureel Planbureau een gedifferentieerder beeld te ontwerpen, waarbij ook rekening wordt gehouden met een dynamiek van de inkomensontwikkeling voor groepen van personen, dan is dat zeer welkom. Op dit moment en zo lang dat nieuwe inzicht er niet is, heeft de voortdurend herhaalde twijfel aan de waarde van inkomensplaatjes eigenlijk vooral de functie om te ontsnappen aan een norm voor inkomensverdeling. Dit zou een verloedering betekenen van de beleidsopvatting, die in dit huis jarenlang als consensus heeft bestaan, dat bij een lastenverdeling en bij een verdeling van extra opbrengsten gestreefd moet worden naar een zekere mate van eerlijkheid, waarbij de ondersten ontzien worden en waarbij de bovensten verhoudingsgewijs iets meer inleveren. Op het moment dat je deze plaatjes helemaal wegschuift zonder er iets voor in de plaats te stellen, betekent dit dat je eigenlijk ook de basis ontneemt aan iedere normstelling in je eigen inkomensbeleid. Dat wijzen wij volstrekt van de hand. In de discussie met de heer De Korte heb ik al gezegd, dat wij grosso modo en in beginsel positief staan ten opzichte van de dekkingsvoorstellen die de Regering nodig acht om haar eigen verbeteringsvoorstellen voor 1983 te financieren. Wij zullen elk wetsontwerp in de belastingsfeer op zijn eigen merites beschouwen. Dat geldt zowel voor de voorgenomen tariefopbouw, de verzwaring van de tarieven, als voor de gewijzigde belastingheffing voor tweeverdieners. Wat het laatste betreft ben ik het met de heer De Korte in één opzicht in elk geval wel eens. Hij heeft er namelijk op gewezen dat het van de gekke is dat deze belastingheffing voor tweeverdieners gekoppeld wordt aan de uitkering voor de echte minima. Het is ook te gek om los te Tweede Kamer 15 december 1982

lopen dat een dergelijke rechtstreekse koppeling plaatsvindt. De Minister van Financiën komt uit KVP-kringen. Hij kan dus begrijpen als ik zeg dat men door deze koppeling een soort Vincentiusheffing instelt voor de armsten in onze samenleving. Dat moet natuurlijk helemaal niet gebeuren. Zo'n doelheffing waarbij de ene groep betaalt en de andere groep profiteert, is een fragmentarisatie van de solidariteit waarvoor wij op geen enkele manier een opening moeten bieden. Wat betekent die koppeling trouwens? Als in 1984 de noodzaak weer zou bestaan om een koopkrachtoperatie voor de echte minima te realiseren, wordt dan de belasting voor tweeverdieners dienovereenkomstig weer verhoogd? Stel dat de economie weer zou aantrekken en dat het mogelijk zou zijn om de minima niet meer in koopkracht te laten dalen, wordt die belastingheffing voor tweeverdieners op dat moment dan onmiddellijk weer afgeschaft? Ik hoop dat de Staatssecretaris van belastingzaken het met mij eens zal zijn dat een belastingheffing een rechtvaardiging in zich zelf dient te vinden en niet alleen in de vraag of men geld nodig heeft van een andere groep. Men heeft geld nodig, maar dat geld dient dan uit de algemene middelen te komen. Of een extra belasting voor tweeverdieners aan de algemene middelen een bijdrage moet leveren, is iets wat men op zijn eigen merites moet beoordelen. Ik hoop dat de Regering heel uitdrukkelijk afstand neemt van de koppeling die zij daar heeft gelegd. Wij hebben al opgemerkt dat het nieuwe inkomensbeeld voor ons nog steeds niet aanvaardbaar is. Nogmaals, het is een verbetering van een op zich zelf drastische verslechtering. Wij leggen daarom de volgende voorstellen aan de Kamer voor. Wij doen hierbij een beroep op de verschillende regeringspartijen om deze voorstellen op hun eigen merites te beoordelen. In de eerste plaats vinden wij dat de Kamer die het amendement van de heren De Vries en De Korte heeft aangenomen, moreel verplicht is de Regering te vragen de uitschuifoperatie van 1 juli, per 1 januari goed te maken, dus de minima per 1 januari met 1,84% omhoog te laten gaan. Dat is dus 0,84% meer dan de Regering heeft voorgesteld. In de tweede plaats doen wij een beroep op de Kamer ter wille van de verbetering van het inkomensbeeld de kinderbijslag verder te verhogen dan de Regering heeft gedaan. Zij ontdooit de kinderbijslag namelijk. Wij pleiten voor een verhoging van 5%. De financiering daarvan zal ik straks aangeven. Een dergelijke operatie zou dan niet beperkt moeten blijven tot de eerste twee kinderen. Ik vind het ook onbegrijpelijk dat de fractie van het CDA ermee akkoord zou kunnen gaan dat de ontdooiing alleen voor de eerste twee kinderen zou gelden en voor alle volgende kinderen niet. Hoe vaak heb ik hier meegemaakt dat de heer Hermsen, de kampioen van de kinderbijslag, toen wij spraken over kinderbijslagoperaties, de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de heer Den Uyl bewogen heeft om hoe dan ook van de kinderbijslag af te blijven. Welnu, de 'bond van kinderrijke gezinnen' bestaat niet meer. Het is nu echter een Regering waarin het CDA de grootste rol speelt en waarin een lid van het CDA Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is, die zegt: De derde, vierde, vijfde en zesde kinderen? Niets mee te maken, statistisch zijn alleen de eerste twee kinderen van belang en dus richten wij onze maatregelen alleen maar op het verbeteren van de positie van de eerste twee kinderen. De heer Gerritse (CDA): Men kan het natuurlijk ook anders zien. Men kan zeggen dat de middelen die ter beschikking staan beperkt zijn. Hoe kan men die dan het beste besteden? Er zijn meer eerste en tweede kinderen dan derde, vierde en vijfde kinderen. Waar derde, vierde en vijfde kinderen zijn, zijn ook eerste en tweede kinderen. Men bereikt ze daar allemaal mee. De heer Wöltgens (PvdA): Ik moet zeggen dat de woorden van de heer Gerritse niet van enige logica ontbloot zijn. Dat gebeurt trouwens zelden. Voor het overige zie ik geen enkele samenhang met de opmerkingen die ik over de kinderbijslag heb gemaakt. Het is toch volstrekt idioot om aan de hand van de redenering dat waar derde, vierde en vijfde kinderen zijn, er ook eerste en kweede kinderen zijn, te zeggen dat men zich dus beperkt tot de verbetering van de kinderbijslag voor de eerste en tweede kinderen. Het derde, vierde en vijfde kind wordt dus even terzijde geschoven. Met de eerste twee kinderen moeten ook de volgende kinderen betrokkken worden in de rechtvaardigheidsgedachte van de heer Gerritse.

heer Gerritse (CDA): Misschien kan de heer Wöltgens nog perspectieven bieden met de ongetwijfeld mooie wijze van financieren voor deze extra uitgaven die hij op tafel gaat leggen?

De heer Wöltgens (PvdA)undefined: Daarover kom ik nu te spreken. Een volgend element in onze bijdrage aan de verbetering van het inkomensbeeld dat door de Regering is voorgelegd -ik denk dat ik hierbij zonder meer op de steun mag rekenen van de fractie van het CDA -is een beperking van de inflatiecorrectie tot 50%. Mijn motivatie hierbij is een gelijke behandeling van de inflatiecorrectie en de indexering voor de laagste inkomens -dit is dus een vóórindexatie per 1 januari 1983 -, en dan kom ik op ongeveer 50%. Ik meen dit tijdens het debat over de regeringsverklaring ook van woordvoerders van het CDA te hebben gehoord. Als het CDA zoekt naar de middelen, waarover de heer Gerritse het had en waarmee hij graag nog iets zou willen doen voor de laagste inkomensgroepen, hoop ik dat het bereid is om zijn voorstel en dat van onze fractie met betrekking tot die inflatiecorrectie te volgen.

De heer Gerritse (CDA): Wij zullen ongetwijfeld het voorstel, dat mij nu wat ingewikkeld in de oren klinkt...

De heer Wöltgens (PvdA): Het is heel eenvoudig!

De heer Gerritse (CDA): Ik wil het graag op papier zien. Wij zullen dan ook kijken in hoeverre de heer Wöltgens ons nu goed citeert en ons dingen in de schoenen schuift die wij niet hebben gezegd, maar die hij graag van ons had gehoord.

De heer Wöltgens (PvdA): Los van de vraag of die dingen zijn gezegd of niet -dit is echter wel het geval -, zou men de maatregel ook op z'n intrinsieke waarde mogen beoordelen. Alleen al vanuit de motivatie om bij de inflatiecorrectie hetzelfde te handelen als wij bij de indexatie van de minimumlonen en de daaraan gekoppelde uitkeringen doen -dit zou de CDA-fractie op zich zelf moeten aanspreken -, is het te verdedigen dat de inflatiecorrectie voor 1983 tot 50% wordt gereduceerd.

heer Gerritse (CDA): De heer Wöltgens kijkt mij vol verwachting aan. Ik kan hem alleen maar de verzekering geven dat wij de zaak natuurlijk op haar intrinsieke waarde zullen bekijken. Wij zullen de zaak ook bekijken op de wijzigingen voor de lastendruk en op hetgeen wij daarover in het regeerakkoord hebben gezegd.

heer Wöltgens (PvdA): Ik heb mijn best gedaan om aan de hand van alle inkomensbeeldjes die wij in de loop van de tijd hebben gekregen wat inkomenseffecten uitte rekenen. Ik heb die als bijlage aan mijn speech toegevoegd. Er zitten wat tikfouten in, waardoor er rekenfouten lijken te zijn ontstaan. Ik zal de heer Gerritse hiervan in ieder geval een gekuiste versie doen toekomen. Ik zal er dus wat kleine veranderingen in aanbrengen en deze berekeningen na mijn speech ook aan de Voorzitter overhandigen.

Voorzitter: Ik neem aan, dat tegen het opnemen van een noot in de Handelingen geen bezwaren bestaan. [De noot is opgenomen aan het eind van deze weekeditie.]1

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Door de voorstellen van de Partij van de Arbeid wordt het inkomensbeeld zodanig gewijzigd, dat de minima er minder dan 2% in koopkracht per 1 januari op achteruit zullen gaan. Door de net door mij gelanceerde voorstellen zullen de minima er minder dan die 2% op achteruitgaan. Vier keer modaal zal er in koopkracht 4,7% op achteruitgaan, overigens op basis van projectie 2 -dit moet de Regering ook en dit komt er dan ook wat beter uit; daarover wil ik niet twisten -, maar inclusief het effect van de afschaffing van de solidariteitsheffing. De Regering komt voor de minima uit op -3% en voor de hoogste inkomens, inclusief het effect van het afschaffen van de solidariteitsheffing, (vier keer modaal) op -2,9%. In dat opzicht zijn de PvdA-voorstellen heel wat beter te aanvaarden, omdat de minima daarbij minder dan 2% inleveren en de hoogste inkomens (vier keer modaal) 4,7% er in koopkracht op achteruitgaan. Afgezien van de financiering die voortvloeide uit de beperking van de inflatiecorrectie -dit heeft bovendien tot gevolg dat voor de echte minima minder nodig is dan volgens de regeringsvoorstellen nodig zou zijn, omdat het verschil tussen nul en onze koopkrachtontwikkeling voor de minima ook geringer is; dit levert dus ook iets extra's op en wij schatten dat in totaal op ongeveer f700 min. -, vinden wij dat ook de verhoging van de kinderbijslag te verdedigen is op grond van een opvatting die hier gisteren door de heer De Korte naar voren is gebracht.

Wat gebeurt er namelijk per 1 januari? Volgens de regeringsvoorstellen vindt er per saldo een vermogenstoevoeging aan de fondsen plaats ten bedrage van ongeveer f3 mld. Dit wil nog helemaal niet zeggen, dat die fondsen daardoor alle opeens 'positief' zullen staan. Door deze operatie zullen de nationale besparingen echter met 3 mld. worden opgevoerd. Gelet op de hele publieke sector is dat een nogal drastische ingreep, die ongetwijfeld deflatoire effecten heeft. Er is dus ook erg veel voor te zeggen -ik steun daarin de opvattingen die de heer De Korte gisteren heeft bepleit -om de operatie niet in die omvang doorgang te laten vinden, maar deze uit te smeren over bijvoorbeeld twee jaar. Een dergelijke vertraging in de verbetering van de vermogenspositie van de fondsen zou het mogelijk moeten maken om de kinderbijslagoperatie die wij voorstellen, te dekken. Uiteraard gaat het dan niet om structurele dekking; zij geldt slechts zolang dat uitstel duurt. Niettemin kan die dekking een rol spelen. Ik vind dat de heer De Korte daarvoor voortreffelijke argumenten heeft aangedragen, overigens een beetje in het verlengde van de brief van de drie vakcentrales. Mocht er behoefte bestaan om op den duur tot een wat meer structurele dekking van de genoemde kinderbijslagoperatie te komen, dan wijs ik op hetgeen prof. Wolfson onlangs in Economisch-Statistische Berichten heeft geschreven. Hij geeft aan dat er door de benzineprijsverlagingen van de laatste tijd allerlei vreemde effecten optreden: de energieconsumptie zou kunnen toenemen, waardoor er minder besparingseffecten optreden, onze afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen zou daardoor toenemen enz. Deze zaken vallen een beetje buiten het kader van dit debat, maar er is wel verband met onze oude motie waarin werd gevraagd, tot een flexibele benzineaccijns te komen. Immers, zeker nu de Regering besloten heeft om de tarieven van het openbaar vervoer nogal te verhogen, moet de verhouding tussen de concurrentiepositie van het openbaar vervoer en die van het vervoer per auto niet al te zeer scheef getrokken worden. Dat is dus een mogelijkheid, zeker in het licht van de sterk gedaalde benzineprijzen. Al met al hebben wij een bedrag van ruim 1 mld. aangegeven. Als de Regering het graag helemaal uitgesplitst wil zien, dan ben ik graag bereid, dat te doen. Dit bedrag biedt ons voldoende ruimte om te komen tot herstel van het inkomensbeeld, maar ook om amendementen te dekken die fractiegenoten bij andere wetsontwerpen die deze week nog aan de orde zullen komen, zullen indienen. Met name gaat het daarbij om de vereveningstoeslagen en de arbeidsongeschiktheidsaftrek en voor de bejaardenaftrek. Die amendementen zijn overigens nodig om met name de drastische effecten waarvan ik al sprak, die cumulatief werken, met name voor WAO'ers, WSW'ers en nog een aantal andere groepen, die er soms veel meer dan 10% op achteruit dreigen te gaan, te compenseren. Die effecten zie je overigens niet in de inkomensplaatjes die in het algemeen worden gepresenteerd. Mijnheer de Voorzitter! Onze voorstellen getuigen in wezen van grote terughoudendheid. Wij hebben immers afgezien van een aantal structurele ingrepen om de inkomensverdeling aan te passen, om deze eerlijker te maken, bijvoorbeeld wat de premiegrenzen en de aftrekbaarheid van de premies betreft. Ik heb wel aangekondigd, op dat punt eventueel een motie te zullen indienen. Wij zijn overigens al jaren lang voorstanders van maatregelen ter zake van de premiegrenzen en de aftrekbaarheid van de premies. Zelfs in onze voorstellen op het gebied van de belasting, dus inclusief die 50% inflatiecorrectie en 0% voor de inkomens boven de premiegrens, daalt nog steeds de belastingdruk in 1983 vergeleken met die in 1982. Die terughoudendheid werd ons onder andere ingegeven door de hoop die wij ontleenden aan de opstelling van de CDA-fractie, zowel bij de behandeling van de belasting-en premietabellen, die nog met het vorige kabinet zijn behandeld, als bij het debat over de regeringsverklaring, waarbij de fractievoorzitter van het CDA nadrukkelijk het verbeteren van het inkomensbeeld tot hoofdonderwerp van zijn inbreng maakte. Hopelijk is er op basis van al die eerdere uitspraken een meerderheid in deze Kamer te vinden om de Regering ertoe te brengen om veel verder te gaan dan de betrekkelijk marginale concessies die zij nu ten opzichte van het oorspronkelijke inkomensbeeld heeft gedaan. Op een essentieel punt als eerlijke lastenverdeling moet een echte inhoudelijke beoordeling altijd voorrang hebben boven vragen van coalitietactiek, politiek en strategie.

De heer Gerritse (CDA): Ik kan de heer Wöltgens toezeggen, dat die inhoudelijke beoordeling bij ons zal plaatsvinden. Ik moet echter één kleine correctie aanbrengen in wat hij heeft gezegd. Hij heeft namelijk gezegd, dat de heer De Vries het herstel van het inkomensplaatje tot het hoofdpunt van zijn betoog gemaakt heeft tijdens de algemene beschouwingen. Het was weliswaar een zeer belangrijk onderwerp, maar het hoofdpunt tijdens dat debat was voor het CDA het herstel van de werkgelegenheid.

heer Wöltgens (PvdA): Oké. Dat is er naar mijn gevoel niet helemaal uit gekomen. Op dat punt hadden wij namelijk voorstellen die meer werkgelegenheid opleverden dan die het CDA op dat moment verdedigbaar achtte. Maar goed, ik wil daarover niet twisten.

De heer Gerritse (CDA)undefined: U weet toch,

De heer Wöltgens (PvdA): Laat de lastenverdeling het tweede grote hoofdpunt zijn geweest. Dit heeft de heer De Vries gedaan. Laat de fractie van het CDA in dit debat heel uitdrukkelijk waar maken, dat dit voor haar als een van de hoofdpunten zal gelden.

heer Gerritse (CDA): De heer Wöltgens weet, dat deze hoofdpunten nauw met elkaar samenhangen. Wat men op het ene terrein doet, heeft effecten op het andere terrein. Men zal tot een evenwichtige afweging moeten komen van de maatregelen op deze terreinen.

De heer Wöltgens (PvdA)undefined: Mijnheer de Voorzitter! Ik dien nu een motie in met betrekking tot die inkomensverdeling. Ik wil graag met de heer Gerritse discussiëren over de vraag op welke wijze de voorstellen die wij hier doen de werkgelegenheid enig nadeel kunnen berokkenen. Het tegendeel is veel eerder het geval. In een situatie waarin de consumptie in Nederland veel sneller daalt dan in de ons omringende landen, kan het best wel eens voorkomen, dat het herstel van de koopkracht van die inkomens die voor een zeer groot gedeelte, eigenlijk helemaal, moeten worden besteed voor consumptieve doeleinden, een positief effect heeft op de werkgelegenheid in de sectoren die zijn aangewezen op afzet in het binnenland -dat is nog altijd 70% -, de sectoren waarin nu feitelijk de allergrootste 'uitstoot' van arbeidskrachten plaatsvindt. Wat dat betreft, kan de heer Gerritse te zamen met de fractie van de PvdA twee vliegen in één klap vangen. Het zijn beide twee hoofdpunten. In één slag kan aan beide iets worden gedaan.

Motie

Voorzitter: Door de leden Wölt-gens, Ter Veld en Buurmeijer wordt de volgende motie voorgesteld:

Kamer, gehoord de beraadslaging;

van oordeel, dat de door de Regering aangebrachte bijstelling van de inkomensontwikkeling en verdeling voor 1983 nog steeds onbevredigend is; nodigt de Regering uit, naast verdergaande maatregelen in de sfeer van de kinderbijslag en in de sfeer van de indexering van minimumloon en sociale uitkeringen in de loon-en inkomstenbelasting alsnog een verdere beperking van de inflatiecorrectie aan te brengen, waarbij de inflatiecorrectie teruggebracht wordt tot 50%, met dien verstande dat voor inkomens boven de premiegrens werknemersverzekeringen in het geheel geen inflatiecorrectie wordt toegepast, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 8(17666).

heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik zie dat de heer Gerritse nog een vraag wil stellen.

De heer Gerritse (CDA): De heer Wöltgens heeft ons een bijlage beloofd. Is het mogelijk, dat wij die eerder krijgen dan dat de Handelingen verschijnen? Kunnen wij daarover dus snel beschikken?

De heer Wöltgens (PvdA): Ik zal mijn best doen. Ik verander even een paar getalletjes.

©

E. (Elske) ter VeldMevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik zal nu spreken over het wetsontwerpen inzake de beëindiging van de vereveningstoeslagen, de anti-cumulatiebepaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering met een arbeidsinkomen en de verandering van de minimum dagloonbepalingen. Al deze wetsontwerpen betreffen de uitkeringsgerechtigden. Zij hebben veelal doordat zij werkloos of arbeidsongeschikt zijn geworden in het al dan niet dichtbije verleden een forse duikeling gemaakt in hun inkomen. Hun toekomstperspectief is niet erg gunstig. Mensen die in de WAO gekomen zijn, hebben zich moeten aanpassen aan een nieuw inkomensniveau, veelal 20% of meer bruto lager dan het inkomen dat zij daarvoor plachten te verdienen. Een dergelijke aanpassing heeft al eens offers ingehouden voor de uitkeringsgerechtigde en zijn of haar gezin. De toekomst, hoewel uitzicht op werk veelal blijkt te ontbreken, kan dan toch weer met enig vertrouwen tegemoet worden gezien. Daarop mocht men tenminste op rekenen. Mensen die werkloos zijn, hebben eveneens een forse inkomensschok doorgemaakt: 20% achteruit en 25%; wellicht volgt daarna op korte termijn een RWW-uitkering, wat vaak nog grotere offers vraagt van de werkloze en zijn of haar huisgenoten. Zonder een actief werkgelegenheidsbeleid en zonder herverdeling van betaalde arbeid zien ook zij de toekomst somber in. Zonder dat in de persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigden veranderingen zijn opgetreden, zullen de onderhavige wetten leiden tot een nieuwe negatieve inkomensverandering. Zelfs wanneer deze wetten vanwege hun intrinsieke waarde juist zouden zijn, vereist de behandeling en de invoering van deze wetten een grote zorgvuldigheid en moet bij de tenuitvoerlegging behoedzaam worden opgetreden. Het gaat immers nooit om hoge inkomens. De hoogste uitkering is altijd aanmerkelijk lager dan 2 x modaal en een modale uitkering bedraagt slechts 80% of 75% van het modale inkomen. De Regering laat onverbloemd merken dat terugdringing van het financieringstekort haar eerste prioriteit is. Dat daartoe maatregelen worden getroffen die mensen meervoudig kunnen treffen, wordt niet ontkend. De noodzaak tot ombuigen wordt daartoe als rechtsgrond naar voren gebracht. Dat wellicht niet altijd de juiste procedure wordt gevolgd -ik denk in dit verband aan spoedadviezen van de SER en het ontbreken van adviezen aan de Sociale Verzekeringsraad -schijnt te moeten worden goedgemaakt door de grote spoed die nodig zal zijn om het geld zo snel mogelijk bij de uitkeringstrekkers weg te halen. In zulke situaties moet men niet verbaasd zijn dat, wanneer de normale wegen voor inspraak en betrokkenheid Tweede Kamer 15 december 1982

bij dit soort wetsontwerpen ontbreken, mensen een gevoel van onmacht krijgen, dat wellicht niet altijd op de juiste wijze wordt geuit. Een van de waarschuwingen daaruit moet zijn dat juist de wetten in de sociale zekerheid een zeer zorgvuldige en goede voorbereiding vragen en in deze Kamer en daarbuiten goed moeten kunnen worden doorgesproken. Als het gaat om het terugdringen van relatieve voorrechten, betekent dit nog dat mensen in vergelijking met de week daarvoor, een enorme inkomensachteruitgang kunnen doormaken. Dat is moeilijk, want bezuinigen vereist voorbereiding. Men moet zich kunnen aanpassen aan nieuwe, gewijzigde omstandigheden. Daarbij komen vragen naar voren als welke abonnementen moeten worden opgezegd en of de krant per kwartaal moet worden betaald. Kan het lidmaatschap van de voetbalclub voor zoon of dochter nog doorgaan? Men kan immers niet midden in het seizoen opzeggen. Verder valt te denken aan de inschrijving van het zwemabonnement, moet dat weer worden afgeschreven? Wat moet er gebeuren met de lopende lening en de afbetaling op de wasmachine? Het blijft allemaal drukken op het budget en het kan niet plotseling per 1 januari worden veranderd. Cumulatieve effecten van meerdere voorstellen zullen steeds weer dezelfde of een deel van dezelfde groep treffen. In de inkomensplaatjes komt dat niet tot uitdrukking, wel in de portemonnaie van de mensen waar het om gaat. Ik heb overwogen of een hardheidsclausule mogelijk is. Ik denk dan aan een regeling die moet voorkomen dat mensen nooit meer dan een beperkt percentage achteruit kunnen gaan als gevolg van een ongunstig cumulerend effect van alle maatregelen. Hebben de bewindslieden hun gedachten hierover laten gaan? Zoveel wijsheid moet toch meer zijn dan wat ik alleen kan opbrengen! Inkomenseffecten van meer dan f200 per maand op relatie lage inkomens moeten deze bewindslieden toch ook hoofdbrekens hebben gekost! Zonder uitputtend te willen zijn wijs ik op een aantal voorstellen die dit soort effecten bewerkstelligen. Ik denk dan aan de afschaffing van de bejaarden-en arbeidsongeschiktheidsaftrekking en de vrijstelling motorrijtuigenbelasting, aan de eigen bijdrage medicijnen en de eigenbijdrageregeling van de AWBZ. Verder denk ik aan de bezuinigingen op de noodzakelijke hulpverlening, de gezins-en bejaardenzorg, die van wezenlijk belang is voor een aantal mensen met een AAW-of WAO-uitkering. Dat komt allemaal bovenop deze wetten en algemene maatregelen, zoals de bevriezing van de uitkeringen. 10 % van de Nederlandse bevolking is gehandicapt. Dat is een kleine groep mensen, maar toch niet degenen met de sterkste schouders. Die kleine groep draait echter op vele noemers op voor die ene teller, namelijk de meter voor het terugdringen van het financieringstekort. Ik kom nu toe aan wetsontwerp 17674 over de beëindiging van de vereveningstoeslagen. Het is bepaald onplezierig, weer te moeten spreken over het aantasten, nu zelfs het volledig beëindigen van toeslagen, een vast en bevroren bedrag, door de hele Kamer toegekend aan uitkeringsgerechtigden van vóór 1980. Vanaf de invoering is deze toeslag steeds opnieuw in discussie gebracht. Het principe 'eens beloofd blijft beloofd' schijnt hier niet te gelden en dat terwijl, als het gaat om de solidariteitsheffing, wordt gezegd dat is beloofd dat het slechts eenmalig zou zijn. De groep mensen die recht heeft op een vereveningstoeslag, is kleiner geworden. Van werkloze werknemers die een WWV-uitkering ontvangen, zijn de jongste gerechtigden nu toch wel ouder dan 60 jaar. WAO'ers zijn natuurlijk in een bredere schakering onder de rechthebbenden aanwezig. De groep zal echter steeds kleiner worden en het bedrag, dat is bevroren, kan niet toenemen en neemt zelfs af. In deze zin is er dan ook geen sprake van een structurele ombuiging bij beëindiging van de uitkeringsrechten. Toen in juni 1982 de maximering van de vereveningstoeslagen vanaf modaal, voorgesteld door het interinv kabinet-Van Agt III, aan de orde was, hebben wij de maximering noodgedwongen geaccepteerd. Een grondige discussie over de vereveningstoeslagen is toen niet gevoerd, want het amendement van de leden Bert de Vries en De Korte veranderde de lijn van de discussie en leidde tot wat nu de uitschuifoperatie wordt genoemd. Verlaging van alle uitkeringen en van het minimumloon was toen medefinancieringsbron voor de vereveningstoeslagen, een tijdelijk respijt. De verwachtingen gewekt met de toekenning van de vereveningstoeslagen, rechtvaardigen een voortzetting. De Regering stelt nu echter abrupte beëindiging voor.

In juni 1982 achtte de geachte afgevaardigde de heer De Korte het mogelijk en rechtvaardig, bedoelde toeslagen in termijnen af te breken. In tegenstelling tot de voorgestelde abrupte beëindiging zou een ontmanteling in vijfenhalf jaar in ieder geval de zware cumulatieve effecten van deze maatregel met het voorstel uit het wetsontwerp 17675, over de anticumulatie van inkomens en uitkeringen, beperken en spreiden. Daarom dien ik het amendement van de heer De Korte, nu hij het zelf niet heeft ingediend, in aangepaste vorm opnieuw in. Het amendement is destijds niet in discussie gekomen. Ik heb het zodanig aangepast dat de vereveningstoeslagen op dezelfde termijn worden beëindigd als door de heer De Korte en de fractie van de VVD in juni jongstleden werd beoogd. Het amendement heeft nr. 6 bij wetsontwerp 17674. De bedoeling van het amendement is dus, plotselinge en zeer grote negatieve inkomenseffecten, waarover alle fracties zich bezorgd maken, te spreiden. Voor ons is de aanvaarding van dit amendement van groot belang bij de beoordeling of het juist is, op dit moment wetsontwerp 17675, voor een beperking van de uitkering waar deze samenloopt met inkomen uit arbeid, in te voeren. Dit wetsvoorstel getuigt van een zorgvuldige voorbereiding. Hiervoor spreek ik uitdrukkelijk mijn dank uit. Het is daarom des te meer te betreuren dat de Regering heeft gemeend, in verband met de budgettaire consequenties het advies van de Sociale Verzekeringsraad niet meer te kunnen afwachten. Het wetsontwerp is immers zeer technisch van aard en bovendien kunnen noch mogen de uitvoeringsaspecten ervan worden genegeerd. Voor de wijziging van artikel 33 van de AAW en artikel 44 van de WAO zien wij geen problemen. Deze wijziging betreft een bestendiging van de huidige situatie en geeft deze een wettige grondslag. Over de artikelen 34 van de AAW en 45 van de WAO merk ik op dat het mij niet alleen niet juist, maar ook niet wel mogelijk lijkt, bij kort durende, niet passende arbeid, dus arbeid die niet naar billijkheid kan worden opgedragen, een anticumulatieregeling toe te passen. Verwijzing naar de werkloosheidsregelingen is niet geheel op haar plaats. Bij de werkloosheidsuitkering wordt wekelijks opgave gedaan van eventuele inkomsten uit arbeid met behulp Tweede Kamer 15 december 1982

van werkbriefjes. Ligt een dergelijke regeling ook in het verschiet voor alle WAO-en AAW-uitkeringsgerechtigden? Dit is toch niet doenlijk? Wij stellen het op prijs, wanneer de Regering voor de uitvoering van deze bepaling het advies van de SVR afwacht en de Kamer alsdan over de werkwijze ter zake inlicht. Het kan de bewindslieden niet verbazen dat onze grootste problemen ontstaan, waar het gaat om de wijziging van artikel 35 van de AAW en artikel 46 van de WAO, betreffende de samenloop van uitkering en inkomen uit hoofde van een dienstbetrekking ingevolge de WSW. Wij zijn niet ten principale tegenstanders van een individuele anticumulatiebepaling. Mijn fractie onderschrijft de bedoeling, regelingen voor werknemers in WSW-verband zoveel mogelijk gelijk te stellen met die voor werknemers, WAO'ers en AAW'ers in dit geval, in het vrije bedrijfsleven. Ik heb een tussenvraag. Als de ratio van het wetsontwerp is dat deze lijn behoort te worden gevolgd, is het onbegrijpelijk dat op 16 juli jongstleden de prijscompensatie voor WSW-werknemers met 1% werd gekort, als waren zij vergelijkbaar met werknemers in de collectieve sector. Het is het een of het ander. Ik stel het bijzonder op prijs, hierover duidelijkheid te verkrijgen. Ik wacht het antwoord met grote interesse af om wellicht nog een uitspraak van de Kamer hierover te vragen. Ik kom terug bij de anticumulatiebepalingen. De voorgestelde bepalingen kunnen voor de betrokkenen tot een aanzienlijke inkomensdaling leiden, gespreid over een aantal jaren. Zoals ik al in het kader van het wetsontwerp over de vereveningstoeslagen heb opgemerkt, moeten deze effecten in hun onderlinge samenhang worden bezien. Wanneer voor uitkeringsgerechtigden van voor 1980 de vereveningtoeslagen in één keer worden afgeschaft, kan naar ons oordeel de wet op de anticumulatie niet op 1 januari 1983 ingaan. Immers, juist arbeidsongeschikten die in de WSW werken en die al voor 1980 arbeidsongeschikt waren, zullen vaker promotie hebben gemaakt en daarmee een hoger inkomen hebben opgebouwd. Hun teruggang in inkomen wordt dan wel erg groot. Het is dus niet ten principale; wel vanuit de noodzaak van een behoedzame invoering dat wij een dergelijk samenvallen uiterst ongewenst achten.

Nu ik spreek over WSW-werknemers, wil ik ertoch mijn erkentelijkheid voor uitspreken dat bewindslieden niet nu ook nog de eigen bijdrage voor de vervoerskosten willen invoeren. Naar ons oordeel dienen de maatregelen voor WSW-werknemers -het zijn er nogal wat: inzake de reisuren, de vergoeding voor de reistijd, de peildatum voor de vakantietoeslag -nog voor invoering met de Kamer te worden besproken. Ik wijs erop dat een mondeling overleg ter zake al bij de Minister is aangemeld, dat wat ons betreft zeker voor de begrotingsbehandeling zou moeten plaatsvinden. Ik kom tot het wetsontwerp met betrekking tot de minimumbepalingen, op stuk nr. 17647. Dat is een interessante proeve van een mogelijke uitwerking, en het verder denken over een stelselherziening van de sociale zekerheid. In feite immers is de minimumdagloonbescherming in de werknemersverzekering en aanverwante regelingen daarin de kern van de stelselherziening. Werknemersverzekeringen zijn naar hun aard gekoppeld aan de gederfde beloning voor arbeid. Het arbeidsinkomen is individueel; ergo, ook de verzekering voor dit inkomen is individueel. De differentiatie tussen gehuwden en alleenstaanden vindt ten aanzien van het arbeidsinkomen plaats door middel van de belastingen. Dit zou dan ook moeten gelden voor de uitkeringen. Vanuit die optiek heb ik er dan ook uitdrukkelijk om gevraagd, op het minimumniveau aan een bruto gelijke uitkering te denken ter hoogte van het wettelijk minimumloon, waarbij voor ieder, als gevolg van de belastingdruk, een eigen nettonetto koppeling wordt gerealiseerd. Juist nu een ander belastingmodel voor tweeverdieners aan de orde is gesteld, leg ik opnieuw die relatie tussen belasting en sociale zekerheid. Ware het niet beter, in afwachting van de nieuwe belastingvoorstellen dit wetsontwerp aan te houden om de voorstellen in hun samenhang te kunnen beoordelen? Willen de bewindslieden mij anders nu inzicht geven in de inwerking van die belastingvoorstellen op het onderhavige wetsontwerp? Trouwens, niet alleen de samenhang met de belasting leidt tot mijn vraag om aanhouding van dit wetsontwerp, maar ook de al eerder gemaakte opmerking dat de minimumdagloonbescherming de kern -de VVD noemde het '

de wortel' -van de

stelselherziening van de sociale verzekering is, waar het de werknemersverzekeringen betreft. Nu hebben wij over deze stelselherziening amper beraad gevoerd in mondeling overleg tot tweemaal toe Daaruit is mij geenszins duidelijk geworden welke koers de Regering nu uitzet. Met andere woorden: wat is het bestek? Zou het niet beter zijn, juist aangezien over deze belangrijke zaak van stelselherziening een SER-advies wordt aangevraagd, het SER-advies af te wachten? Ik raad de bewindslieden ernstig aan, zulks te doen en het wetsontwerp thans niet af te handelen. Mijnheer de Voorzitter! Dit betekent niet dat ik nu stop met mijn betoog. Het wetsontwerp is ingediend, en vraagt dus toch om een reactie op de inhoud. In het stelsel van sociale zekerheid behoort -ik heb het al eerder betoogd -het individuele uitkeringsrecht het uitgangspunt te zijn. Ik verwijs hierbij naar de met brede steun aangenomen motie-Beckers, voorgesteld op 17 september 1981, waarin wordt uitgesproken dat bij de vormgeving van het inkomens-beleid het principe van individualisering een uitgangspunt moet zijn en dat de sociale zekerheid daarop ook moet worden afgestemd. Een individuele 'vloer' als bescherming van de individuele werknemer, waarbij vooral ook aan deeltijdwerkenden moet worden gedacht, is daarbij essentieel. Voor werknemers met gezinslasten zal op een minimumniveau een toeslag mogelijk moeten zijn; niet in een aparte gezinstoeslagenwet doch geïncorporeerd in iedere wet zelf. Vanzelfsprekend behoeft een individuele ' vloer' niet te worden gegarandeerd aan degenen van wie de uitkering te zamen met het eigen arbeidsinkomen die 'vloer' te boven gaat; evenmin behoeft een minimum 'vloer' een hogere uitkering te garanderen dan de werknemer daarvoor zelf verdiende. Wel behoort het zo te zijn dat deeltijdwerkenden die de individuele 'vloer' met hun inkomen overstijgen niet door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid daaronder geraken. Een amendement dat een dergelijke ' vloer', met de beperking die ik hiervoor heb aangegeven, regelt heb ik daartoe voorbereid. Ik zeg 'ik', maar ik wil uitdrukkelijk mijn dank uitspreken aan het departement en de deskundige en plezierige hulp van de ambtenaren. Het amendement is veel simpeler dan het lijkt. Het zou namelijk zoveel werk zijn om in iedere zin woorden als

'de bedoelde' tussen te voegen, dat een aantal teksten opnieuw zijn overgenomen. Een amendement voor de vloer van de werknemers met gezinslasten was niet noodzakelijk; het wetsvoorstel regelt immers zelf de minimum bescherming voor de werknemers met gezinslasten. Ik wijs erop dat ook de Sociale Verzekeringsraad in zijn advies de positie van deeltijdwerkenden aan de orde stelt. Overneming van mijn amendement zou dan ook de daar gesignaleerde problemen opheffen. Niet alleen de inhoud van het wetsontwerp leidt bij ons tot het voorstel, het wetsontwerp aan te houden, wij maken ons -ik moet het steeds weer herhalen -vanwege de cumulatieve effecten van de vele wetsontwerpen op de inkomenspositie van de uitkeringsgerechtigden, grote zorgen. De bewindslieden hebben in de schriftelijke beantwoording van de vragen te weinig aandacht geschonken aan de positie van de oudere uitkeringsgerechtigden. Het argument dat een zorgvuldige uitvoering geld kost, kan toch niet gelden! Een structurele ombuiging vindt desalniettemin plaats, ook als voor de oudere uitkeringsgerechtigden geen afbouw van de minimumdagloonbescherming zou plaatsvinden. Werknemers van 57,5 jaar en ouder, die min of meer vrijwillig -en wat wordt met vrijwillig bedoeld; wij hebben daarover nog een mondeling overleg -in aanmerking zijn gekomen om bij collectief of semi-collectief ontslag als eersten hun arbeidsplaats te verliezen, hebben daarbij een uitzicht op een inkomensniveau als thans nog gebruikelijk is. Om nu ook bij deze groepen -te weten oudere alleenstaanden, gehuwden waarvan de partner een klein inkomen of uitkering heeft -waarbij de uitkering op het minimumniveau berekend wordt, de bescherming van het minimum dagloon te laten zou ons te ver gaan. Vanzelfsprekend geldt dit dan ook voor de oudere WAO'ers. Daarvoor zou een gelijke overgangsregeling tot stand moeten komen. Een daartoe strekkend amendement heb ik eveneens ingediend. Wij behandelen hier in grote haast een groot aantal wetsvoorstellen, voorstellen die voor kleinere en grotere groepen mensen tot een aanzienlijke inkomensachteruitgang kunnen leiden. Daarom vraag ik de bewindslieden met klem, de door mij naar voren gebrachte kritiek uiterst serieus te nemen. Het is voor mijn fractie van groot belang hoe de bewindslieden om zullen gaan met de door ons ingediende amendementen. Het gaat er niet om dat wij geen oog zouden hebben voor de positie van ' s lands financiën. Het gaat er echter om dat wij bij dit debat ook en juist de aandacht moeten eisen voor de financiële positie van de mensen waar het bij deze wetsvoorstellen om gaat.

©

J.F. (Flip)  BuurmeijerDe heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik spreek namens mijn fractie over twee onderwerpen: het Besluit landelijke normering inzake hoofd-en nevenverdiensten en de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector. Inmiddels hebben wij twee keer een mondeling overleg gehad over de wijziging van het Besluit landelijke normering. Bij die gelegenheid heeft onze fractie gezegd het een winst te vinden dat hoofd-en nevenverdiensten in één benadering zijn ondergebracht, zodat zij niet meer worden onderscheiden. Ook hebben wij kunnen instemmen met de bepaling dat de maximering van de bijverdienste van dien aard is, dat de afstand tussen degenen die het minimumloon verdienen door zich actief op de arbeidsmarkt te kunnen opstellen en degenen met een uitkering, niet te groot wordt, met name dat die afstand negatief zou zijn voor diegenen die nog actief op de arbeidsmarkt zijn. Wij hebben de erkenning dat die afstand niet te groot mag zijn, wel uit inkomenspolitieke overwegingen gemaakt en vanuit die opvatting willen wij ook de rest van de maatregelen beoordelen. Het gaat dan om de verhouding van 1/3-2/3 in het deel dat vrij mag blijven bij het hebben van neveninkomsten en het gedeelte dat in feite afgedragen wordt te verleggen naar 30%-70%; de vervalling van het eerste vrij te laten bedrag aan bijverdiensten, de zogenaamde bodemvrijlating en de termijn van twee jaar waarover bijverdiend mag worden. De Regering doet een aantal van deze voorstellen onder het mom van bezuinigen. Ik meen dat het daarbij gaat om een marginale verlichting van de bijstandsuitgaven die echter door betrokkenen wel degelijk gevoeld worden en die op hun positie een zeer nadelige invloed hebben. Wij zien ook geen noodzaak om, waar al een maximum is vastgesteld voor bijverdiensten, nog eens met detailregelgeving de verhouding een paar procentjes naar de andere kant te laten doorslaan. Voor echtparen is het bedrag dat mag worden bijverdiend evenals dat voor de éénoudergezinnen verlaagd van 25 naar 15%. Met deze maxima is verlegging van de verhouding onzes inziens niet meer nodig. Hetzelfde geldt ook voor de termijn van 2 jaar. De Minister moet weten dat dit bij de sociale diensten een volstrekt overbodige bureaucratische rompslomp geeft als dit wordt gehandhaafd. Men zal daar dan moeten controleren op een manier die niemand voor ogen heeft, terwijl op basis van de huidige formuleringen van de Algemene Bijstandswet en de daarbij behorende richtlijnen er al zoiets als een individuele toetsing bestaat van hetgeen aan uitkeringen aan individuele uitkeringsontvangers wordt verstrekt. Bovendien is er ook nog het periodieke onderzoek. Dat is naar onze mening voldoende. Dientengevolge behoeft de termijn van 2 jaar niet te worden ingevoerd. Ons voornaamste bezwaar richt zich echter op het verdwijnen van de faciliteit voor de één-oudergezinnen. Artikel 10 van het Besluit landelijke normering bepaalt dat van inkomsten uit arbeid op de eerste f 148,80 per maand bij eenoudergezinnen niet wordt gekort. Hiervoor golden een aantal redenen. Gezinsverantwoordelijkheid laat vrijwel uitsluitend een partiële werkkring toe. Hoofden van eenoudergezinnen moeten zich extra inspanning getroosten om te kunnen werken. Er is een extra stimulans nodig om aan arbeid en maatschappelijk verkeer deel te nemen voor deze categorie van bijstandontvangers. In de voorgaande fase van de discussie tussen de Regering en de Kamer is van vrijwel alle zijden van de Kamer gemeld dat deze overwegingen nog steeds gelden. Het is nog steeds noodzakelijk een onderscheid te maken tussen gezinnen en eenoudergezinnen. Voor de hoofden van de eenoudergezinnen geldt nog steeds dat zij slechts een zeer beperkte mogelijkheid tot het verrichten van arbeid hebben. Een vrijlatingspercentage alleen biedt voor deze categorie van bijstandontvangers weinig profijt. Minder eufemistisch uitgedrukt, maar precies de werkelijke gevolgen aangevend, betekent de opheffing van de vrijlatingsfaciliteit voor eenoudergezinnen een onaanvaardbare inkomensteruggang voor hen die thans wel het voordeel van deze faciliteit hebben.

Zeer recent heeft een aantal sociale diensten in en rond Alkmaar dat nog eens overtuigend geïllustreerd. Zij berekenden een negatief verschil van f110 per maand bij een bijverdienste van f325 per maand. Behalve alle maatregelen in de inkomenssfeer die deze groep al krijgt te verwerken, is de opheffing van de vrijlatingsfaciliteit niet aanvaardbaar. Wat betreft het laatste voorstel van de Minister stel ik met instemming vast dat het onderscheid tussen eenoudergezinnen en andere groepen bijstandontvangers is hersteld. Over het principe bestaat dus geen verschil van mening meer. Het heeft lang geduurd, maar het verheugt ons dat de Regering terugkomt op haar oorspronkelijke keuze helemaal niets te doen. Echter, met deze gunstige verandering van de positie, doet het schrijnend aan dat het nieuwe voorstel langs de millimeterschaal van de bezuinigingsaanpak is gelegd. Nog schrijnder is het, dat de Minister voorstelt de eenoudergezinnen een bodemvrijlating toe te kennen ten koste van het te vrijwaren bedrag van andere bijstandontvangers. De Minister pleegt een verwerpelijke ruil van een kleine vrije voet en een lager percentage van het te behouden deel. Hier worden eenoudergezinnen uitgespeeld tegen de andere groepen die op het minimumniveau moeten leven. En dat alles om budgettaire redenen! Doordat de Minister door de regeringspartijen hiervan niet is afgehouden, wil ik de rekensom nog wel eens maken, tenzij de regeringspartijen de lijn uit het mondeling overleg doorzetten. Het gaat in het geheel van uitgaven in de bijstandsfeer om een zeer klein bedrag. Als de Regering om dit luttele bedrag zoveel onrecht wil aanrichten, wil ik graag nog eens de rekensom maken. De financiële opbrengst van de nieuwe regeling is in onze berekening ongeveer 85 min. Let wel: niet de meeropbrengst ten opzichte van de oude situatie maar de uitkomst van de totale bijverdiensteregeling. Uit de laatste brief van de Minister valt te reconstrueren dat de oude regeling èn de nieuwe regeling budgettair neutraal waren als het teruggavegedeelte op éénderde zou blijven. Door dit te verhogen van 66,6 naar 70% -dus het gedeelte dat niet mag worden behouden -zou 4 min. extra worden bezuinigd. Door gedragsreacties -gisteren heeft mevrouw Groenman daarover Tweede Kamer 15 december 1982

ook reeds gesproken -zou dit op vijf a tien miljoen uitkomen. Men heeft vervolgens het gemiddelde van dit bedrag, 7,5% opgeboekt als bezuiniging. Wij achten dit bedrag veel te hoog. In onze berekening komen wij tot maximaal 2 min. Ik denk dat het realistisch om dit met elkaar vast te stellen. Ik heb namelijk de indruk dat de Regering de regeringsfracties steeds een veel hoger bedrag voorhoudt, waardoor die denken: wij mogen ons daaraan niet onttrekken. Nogmaals, naar onze berekeningen gaat het om niet meer dan 2 min. die men dacht te gaan bezuinigen. Welnu, het voorstel om een vrije voet van 10% van het nettominimumloon voor eenoudergezinnen in te stellen gaat om maximaal 6 min. méér dan de nu voorgestelde regeling. Dat is dus aanzienlijk minder dan de 12 min. die de Regering ons voorrekende tijdens het eerste mondelinge overleg. Het mindere, in onze visie vrijwel marginale bedrag, is toch niet te veel voor de Regering en de regeringspartijen om te blijven doorgaan met de handhaving van een 10%-regeling. Wij doen dat wel. Ik vraag ook hier aan die fracties die dit in het mondeling overleg steeds hebben gedaan dat ook te blijven doen. Wij doen het en wel met overtuiging, omdat het gaat om de meest kwetsbare groep mensen die op de Bijstandswet zijn aangewezen. Om de Regering en de regeringsfracties een duidelijke keuzemogelijkheid te bieden, heb ik de eer op dit punt een motie in te dienen.

Motie

Voorzitter: Door de leden Buurmeijer, Ter Veld en Wöltgens wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat het huidige Besluit Landelijke Normering bepaalt dat van inkomsten uit arbeid de eerste f 148,80 per maand bij één-oudergezinnen niet gekort wordt op de bijstandsuitkering; overwegende, dat deze vrijlatingsfaciliteit voor één-oudergezinnen een stimulans is om de beperkte arbeidsmogelijkheden te benutten; overwegende, dat de Regering desalniettemin de eerste volledige vrijlating bij inkomsten uit arbeid wil verlagen tot het niveau van 5% van het netto minimumloon;

dringt er bij de Regering op aan, een eerste volledige vrijlating voor één-oudergezinnen bij inkomsten uit arbeid op het niveau van 10% van het netto minimumloon in het nieuwe Besluit Landelijke Normering op te nemen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 18 (17600 XV).

heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik hoop dat de reactie van de Regering van dien aard is, dat stemming over de motie niet nodig is. Hoop moeten wij houden voor de mensen om wie het gaat. Ik kom nu bij het tweede onderwerp waarover ik deel neem aan het debat namelijk: de uitbreiding van de werkingssfeer van de Tijdelijke Wet arbeidsvoorwaarden collectieve sector. De nieuwe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zei onlangs in het mondeling overleg, dat hij het gevoel had te trekken aan een dood paard. Ik dacht als hij daarmee zegt dat je dat niet te lang moet blijven volhouden, dan zijn wij het snel eens. Tot nu toe krijg ik de indruk echter dat de Minister daarmee blijft doorgaan. Dan denk je: waar wil hij uitkomen? Nog in juni van dit jaar heb ik namens onze fractie bij gelegenheid van de verlenging van die tijdelijke Wet verklaard, dat wij vooralsnog geen argumenten aanwezig achten om de medewerkers van de bedrijfsverenigingen, ziekenfondsen en het omroepbestel onder de werkingssfeer van deze wet te brengen. Wel hebben wij bij die gelegenheid, waarbij de huidige Staatssecretaris toen als minister aanwezig was, gezegd: pak het nu eens anders aan. Kom naar de Kamer met een notitie waarin de principiële vraag: waarvoor staat de Regering bij de beheersing van de collectieve sector, welke positie dient zij in te nemen als het gaat om de arbeidsvoorwaarden van degenen die gefinancierd worden uit de collectieve sector? Wat blijkt? Van een dergelijke, naar mijn mening ook juiste, uitnodiging aan de Regering om de discussie over wetsontwerp 16505 weer te brengen waar hij hoort, tussen Kamer en Regering, wordt in feite afgeweken. Er komt, zoals ik laatst heb gezegd, eigenlijk met een mentaliteit van een boekhoudertje die even nog een paar cijfertjes vindt, althans denkt te vinden, nog een notitie naar de Kamer 1182

waarin uitsluitend de drie genoemde categorieën alsnog onder de tijdelijke wet ondergebracht moeten worden, terwijl de Kamer de principiële vraag nog steeds niet beantwoordt. Ook de Regering doet dit niet, want ik heb tot nu toe begrepen, dat de stellingname van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van het kabinet-Van Agt-ll, dat de Regering zich nader bezint op de voortgang van het wetsontwerp 16505, nog steeds geldt. Mijnheer de Voorzitter! Ook naar aanleiding van een notitie die geleverd is, is gebleken in het mondeling overleg -de Minister heeft dat toen ook ruiterlijk toegegeven -dat er geen nieuwe argumenten aanwezig waren en toch blijft men dan volhouden. Dit geldt ook voor de partijen die bij alle voorgaande debatten over deze zaak hebben deelgenomen. Als er geen nieuwe argumenten zijn, houdt dit in dat niet tot een andere stellingname kan worden gekomen. Dit geldt in het bijzonder voor één van de kamerleden. Anders dan de Ministers en de andere kamerleden die vandaag over dit onderwerp spreken, heeft collega De Korte, die de hele geschiedenis heeft meegemaakt, constant dezelfde houding aangenomen. Ik heb de heer De Korte gevraagd, of hij de motie, die nog 'boven de markt hangt', alsnog gaat indienen. Hij zaaide op dit punt twijfel. Ik blijf hem echter uitdagen, door te blijven gaan op de weg die steeds is ingenomen. In het mondeling overleg hebben wij tot op dit moment geen nieuwe argumenten gehoord. Deze verwacht ik ook vandaag niet. Het kan evenwel zijn dat de Minister vandaag iets uit zijn hoed gaat toveren. Als dit niet het geval is, kan er geen sprake van zijn dat wij overgaan tot de uitbreiding van de werkingssfeer. Mijn laatste opmerking heeft betrekking op de omstandigheden waaronderdit zal gebeuren. Gistermiddag hebben wij een wetsontwerp aangenomen inzake opschortingsmogelijkheden voor de sociale partners om het stichtingsakkoord uit te kunnen voeren en om de aanbevelingen hieromtrent mogelijk te maken. Wat gebeurt er nu? Juist op het moment dat Regering en Kamer toejuichen dat de sociale partners deze verantwoordelijkheid hebben genomen en in overleg gaan om prijscompensatie en andere loonbestanddelen te bespreken in het kader van werkgelegenheidsbevorderende maatregelen, komt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -deze heeft op dit punt toch een hele duidelijke verantwoordelijkheid -met een voorstel. Dit voorstel houdt in dat er nog enkele categorieën zijn die aan dit proces niet moeten meedoen. Ik vraag mij dan af, of de overheid het zoveel beter doet. Gisteren heeft de Minister duidelijk gemaakt dat hij van mening was dat er geen ruimte bestond voor overleg met de ambtenaren en de trendvolgers. Moet dan juist op dit moment worden voorgesteld om de drie eerder genoemde beleidssectoren onder de tijdelijke wet te brengen? Dat is naar mijn mening ongepast. Het mist ieder element van overtuiging die nodig is ten aanzien van de uitvoering van het Stichtingsakkoord en het beroep dat hierop vanuit de Kamer is gedaan. De fractie van de PvdA stemt niet in met de voorstellen die de Minister heeft gedaan. Wij gaan ervan uit dat de regeringsfracties geen ander standpunt innemen dan dat zij in juli jl. deden. Als de Minister hierin zonder argumenten en met miskenning van het Stichtingsakkoord blijft volharden, zal de Kamer hieromtrent duidelijkheid moeten geven. Ik heb dan ook de eer u, mijnheer de Voorzitter, hierbij een uitspraak voor te leggen.

Motie

Voorzitter: Door de leden Buurmeijer en Nypels wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende het voornemen van de Regering, enkele niet trendvolgende ca.o.'s binnen de collectieve sector onder de werkingssfeer te brengen van de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector; overwegende, dat dit voornemen een wijziging inhoudt van de feitelijke situatie, die bestaat sinds de laatste verlenging van de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector;

verzoekt de Regering, van haar voornemen tot feitelijke uitbreiding van genoemde werkingssfeer terug te komen, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 3(17636).

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Als ik goed heb geteld, behandelen wij nu negen, niet geringe, onderwerpen tegelijkertijd. Bij de voorbereiding van dit verhaal ging ik nog uit van een spreektijdbeperking. Ik zou dan per onderwerp nog geen vier minuten hebben. Dit was dan net genoeg om de titels van de wetsontwerpen uit te spreken en om nog enige overwegingen te mompelen. Gelukkig zag ook de Kamer dit in. Wij hebben nu geen spreektijdbeperking. Toch is er nog een en ander op te merken over de behandeling van deze onderwerpen. Vast blijft staan, dat bij voorbeeld de schriftelijke behandeling in een sneltreinvaart heeft plaatsgevonden. Dit is des te bedenkelijker, daar door de gevolgde procedures ook officiële adviesorganen niet of nauwelijks de tijd hebben gehad om grondig te adviseren. Ik lees zelfs dat de Emancipatieraad enige keren niet of te laat om advies is gevraagd. De raad heeft dan ook maar eens aan de bel getrokken. Ik denk -en daar wil ik even stil bij blijven staan -dat dit de parlementaire controle van onderwerpen als de onderhavige geen goed doet. Integendeel, ik denk dat hierdoor de parlementaire controle aan inhoud inboet. Door een fractie, en zeker een kleine fractie, kan deze controle nauwelijks nog op een verantwoorde manier worden uitgeoefend. Er zitten te veel haken en ogen aan de onderwerpen. Het gaat om te grote belangen. Op deze wijze vindt geen zorgvuldige behandeling plaats. Wij hebben de indruk dat, als wij de adviezen die er dan wel zijn, lezen en die voor een groot deel negatief of kritisch zijn, deze zonder veel argumenten opzij worden geschoven. Er worden nu wetsontwerpen behandeld die blijkbaar slechts een handjevol mensen, de staatssecretarissen en de ministers, zien zitten. Dat legt een zeer zware verantwoordelijkheid op de fracties die de Regering steunen en op de wijze waarop zij met deze onderwerpen omgaan. De vraag is aan de orde of zij op deze manier dergelijke zwaarwegende onderwerpen ook willen behandelen. Zij doen dat. Oké. Zijn zij echter bereid om op deze wijze verder politiek te bedrijven? Dat kan heel zwaarwegende gevolgen hebben. Ik heb reeds gesproken over de parlementaire controle. Het heeft ook gevolgen voor de politiek die in confrontatie staat Tweede Kamer 15 december 1982

met veel adviesorganen en grote groepen mensen in de samenleving. De gevolgen zullen dan ook niet uitblijven. Wij hebben de afgelopen dagen kunnen zien dat de gemoederen over deze onderwerpen verhit zijn. Grote groepen mensen die op een volstrekt redelijke manier zeer doordachte bezwaren kenbaar hebben gemaakt, vragen zich op dit moment vaak vertwijfeld af op welke wijze de Regering gedwongen kan worden, te luisteren. Gisteren hebben wij het al gehad over de spoorwegmensen, onderwijzend personeel, jongeren en, vooral in dit verband, de arbeidsongeschikte en werkloze mensen. Elske ter Veld heeft al gezegd dat het om zeer velen gaat die zeer bezorgd en verontrust zijn over het beleid en die niet lijdzaam willen afwachten bij een beleid dat in hun ogen een ramp betekent voor hun eigen positie. Bovendien houdt dat beleid een verdieping van de crisis in en biedt het weinig perspectief. 'Wij staan open voor een dialoog met de samenleving'. Ik heb al een paar keer gezegd dat dit in de regeringsverklaring werd geopperd. Mijn vraag aan de Regering en vooral aan de verantwoordelijke bewindslieden is, wat verstaat de Regering onder het begrip dialoog? Kan de Regering daaraan een nadere inhoud geven? Kan zij dit concretiseren voor deze onderwerpen? Als ik inga op de onderwerpen die vandaag worden besproken, moet ik zeggen dat de Regering opnieuw niet de indruk wekt een integraal beleid te voeren. De Regering kan beweren wat zij wil, maar zij is natuurlijk niet alleen verantwoordelijk voor het maken van financiële plaatjes. Voor de meeste groepen doet zij dat overigens ook nog slecht. De Regering is echter ook verantwoordelijk in sociaal en politiek opzicht. Nu deze onderwerpen ter tafel komen, mag je van de Regering verwachten dat zij een visie heeft over hetgeen zij in sociaal opzicht aan het doen is. Daarvan blijkt niets. Wij krijgen juist steeds meer de indruk, vooral omdat wij dit punt vaker naar voren hebben gebracht en met ons nog meer fracties in de Kamer, dat de Regering ook niet wil weten wat zij aan het doen is, totdat zij ermee wordt geconfronteerd op het Binnenhof en elders en daarna ach en wee roept. Je kunt dit noemen het voeren van een beleid met halfdichte ogen. Het is vooral 'gefocussed' op het financieringstekort. Ik heb het over 'halfdichte ogen' omdat het uitzicht op woedende mensen wellicht als minder aangenaam wordt ervaren. Een typerend voorbeeld vind ik dat de Regering nauwelijks aangeeft precies te weten hoeveel al deze maatregelen voor grote groepen van mensen gaan kosten. Hoeveel mensen worden hierdoor getroffen? Wat is het cumulatieve effect door zowel de wijziging van het minimumdagloon, de anti-cumulatieregeling en de bevriezing? Hoeveel gaat dit alles bij elkaar schelen voor de arbeidsongeschikte man of vrouw, voor de werkloze jongere en de bijstandsmoeder? Wij vrezen dan ook dat, nadat de wolken van dit debat zijn opgetrokken, de gevolgen per 1 januari duidelijk zichtbaar worden voor de mensen. Dat kan nog wel eens een schrikeffect teweegbrengen. Kortom, wij vinden dit een onverantwoordelijk beleid. Wij hebben ons sterk afgevraagd of het voor een parlementaire fractie wel verantwoord is, aan dergelijke behandelingen mee te doen. Ik wil in ieder geval niet nalaten op dit moment een nadrukkelijke waarschuwing aan de Regering te geven, namelijk dat de parlementaire controle ernstig gevaar loopt, als op deze wijze meer onderwerpen worden behandeld. De opmerking van de verantwoordelijke bewindslieden dat zij verheugd zijn dat de Kamer zo snel wil meewerken, klinkt enigszins ridicuul in de oren. Het gaat niet om snelheid; het gaat om parlementaire voorzichtigheid en om een doordacht beleid. Het gaat om zorgvuldig beleid. Het parlement is natuurlijk geen afzuigkap, in de trant van hoe sneller de vieze luchtjes erdoor zijn, hoe beter het is. Dit is dan een kwestie van snelheid maar ik zou daarbij toch wel een aantal andere aspecten willen betrekken. Het bedrag van f 2,5 mld. aan bezuinigingen gaat niet in de laatste plaats ten koste van die groepen in de samenleving, die toch al zwaar de dupe zijn van de crisis. Ik ben niet de eerste die dit opmerkt. Het betreft hier werklozen, arbeidsongeschikten en bijstandsgerechtigden. Het gaat erop lijken dat met name de sociale uitkeringen uitsluitend gebruikt worden als sluitpost op de begroting en als inkomensinstrument, vooral als het gaat om de financiële positie van de overheid zelf. Wij zijn vandaag dan ook ver verwijderd van de tijd waarin de arbeidersbeweging sprak over de noodzaak om het beheer van en de controle over de uitkeringsfondsen in eigen handen te houden. Nu blijkt echter hoe juist deze opvatting was. De sociale uitkeringen, die immers bestemd zijn voor bescherming tegen de gevolgen van ziekte en werkloosheid, worden nu gebruikt om de overheidsfinanciën te saneren.

Hierdoor ontstaat het gevaar dat er geen enkele toetsing plaatsvindt aan sociale rechtvaardigheid en aan het belang van verworven rechten. De Regering schuift met miljoenen. Ik spreek dan niet over geld maar over mensen. Maatschappelijk en ook volgens gangbare democratische normen is hetik spreek nu even niet over de inhoud van de maatregelen -onaanvaardbaar dat dit gebeurt zonder garanties van invloed van de mensen om wie het gaat. Ik wil in dit verband verwijzen naar het begin van mijn verhaal. De arbeidsongeschikten, werklozen, bijstandsvrouwen en anderen, hebben ook geen gelegenheid gekregen om deze wetsontwerpen diepgaand te bestuderen. Wat kunnen en moeten zij dan anders doen dan zich organiseren en op andere wijzen duidelijk maken wat zij willen en wat hun belangen zijn? Ik heb reeds eerder gezegd dat ik hier inspraak en democratische beïnvloeding ten sterkste aan de orde vind. Ik verlang van de verantwoordelijke ministers een antwoord op de vraag hoever deze Regering denkt te gaan met het aantasten van verworven rechten, met een beroep op louter budgettaire overwegingen. Ik zal mij hierbij de krokodilletranen van de VVD herinneren, die deze fractie gisteren stortte over de rampzalige positie van de werklozen. Ik ben benieuwd of de fractie van de VVD ook bij andere gelegenheden blijft zeggen, dat 20% inleveren van loon bij werkloosheid al genoeg is en dat dus in elk geval 80% van het loon behouden blijft in de WW. Graag zou ik hierover de opvatting van de Regering vernemen. Overigens zijn onze ervaringen met de uitschuifoperatie in dit opzicht weinig bemoedigend. Op hetgeen wat men het ene halfjaar hier zegt, blijkt men in het andere halfjaar toch weer terug te kunnen komen. Kan deze Regering overigens zeggen welke effecten de bezuinigingen, die wij nu bespreken, hebben op de belastingopbrengsten, op de premieopbrengsten, op de vermindering van de bestedingen en op de ongetwijfeld te verwachten verminder-de omzet voor het midden-en kleinbedrijf? Tot hoever denkt de Regering dat de huur-en gasschulden zullen stijgen ten gevolge van de verlaging van koopkracht voor de lage inkomens, voor grote groepen mensen met een uitkering en welk beleid denkt zij daarbij uit te stippelen?

Wij stellen vast dat het inkomensbeeld dat gepresenteerd is in de Miljoenennota ook te rechter zijde kritiek heeft opgeleverd, maar dat dit beeld op dit moment nog maar nauwelijks gewijzigd is. Goed, er zijn enkele verbeteringen aangebracht. Dat valt niet te ontkennen. Gezien de positie, waarin de mensen met lage inkomens en middeninkomens zitten, kunnen wij echter niet spreken van een redelijk en aanvaardbaar inkomensbeeld. Het eerste beeld b.v. van -3,5% voor de minima en modaal en -0,5% voor vier keer modaal blijft onaanvaardbaar, zeker daar, waar de beperking van de inflatiecorrectie niet aan de orde komt. Mijn fractie wil er daarbij aan herinneren dat het steeds duidelijker wordt dat dit inkomensbeeld inderdaad niet geheel klopt. Ik bedoel dan de percentages die worden uitgerekend. Dit is gisteren al door de heer De Korte gezegd, maar ik heb daar een andere uitleg voor. Immers, de prijscompensatie die geschoond is, is volstrekt onvoldoende -dat blijkt steeds vaker -om het verlies aan koopkracht op te vangen. Er is een veel grotere inkomensdaling dan officieel wordt berekend. Er valt dan ook te vrezen dat ook dit inkomensbeeld in de praktijk voor de mensen met lage inkomens nog veel harder zal uitpakken. Wij willen in dit verband wijzen op het rapport uit Nijmegen, en op Onderzoekingen van hetKonsumenten Kontakt. Ik wil even stilstaan bij de brief van twintig sociale diensten uit Noord-Holland, die hebben berekend dat één-oudergezinnen sinds 1979 aan prijscompensatie zoveel te weinig is gegeven dat f200 per maand aan koopkracht verloren is gegaan. Met andere woorden, de bijstandsuitkering is f200 per maand achteruitgegaan. Dit is niet gebeurd volgens de officiële cijfers, maar wel volgens de cijfers van de prijsstijgingen, omdat de prijscompensatie daarvan slechts een gedeelte vergoedt. Dit is met name te wijten aan de enorme stijgingen van woonlasten en gemeentelijke tarieven. Deze onderzoekingen en deze rapporten komen neer op een inkomensdaling voor de minima van zelfs 6% a 7%. Dat is dus aanzienlijk meer dan de officiële cijfers noemen. In dat verband is het ook wat vreemd dat de Regering triomfantelijk kan melden dat zij de minima 1% extra geeft. Het gaat namelijk niet om een koopkrachtverbetering. Dit is al eerder gezegd. De heer De Korte heeft gisteren op een bepaald moment gesproken over het feit dat de minima er 0,5% op vooruitgaan. Ik vroeg mij af waar hij het over had. Toen bleek dat hij een teruggang van -3% in vergelijking met 3,5% beschouwt als een vooruitgang met 0,5%. Hij bedoelt zeker te zeggen dat dit een relatieve achteruitgang is. Ik denk echter dat dit buiten deze Kamer wat vreemd wordt opgevat. Als wij in die termen moeten gaan praten, praten wij al snel over eerst -4,5% en dan vinden sommigen het een verbetering als het -3,5% wordt. Ik kom in dit verband op de 1%. Het is al eerder gezegd dat het in feite om een gedeeltelijke uitbetaling gaat van wat de minima en de sociale uitkeringen al sinds 1 juli jl. tegoed hebben. Ook met het voorstel van de Regering blijft er dus 0,8% zitten van de prijscompensatie per 1 juli jl. en 2,06% per 1 januari a.s. Ik constateer dat de ontkoppeling daarmee een feit is, hoe de Regering dit ook presenteert. Ik ccnstateer ook dat de uitschuifoperatie blijkbaar een wisseltruc is geweest. Deze levert echter wel een blijvende achterstand op van de minima en de sociale uitkeringen. Je kunt zeggen dat het minimumloon en de uitkeringen aan elkaar zijn gekoppeld, maar dan alleen voor zover zij beide al per 1 juli jl. ontkoppeld zijn. Bovendien blijkt er een nieuwe laag in het loongebouw te zijn bij gekomen, namelijk de jeugdlonen. Deze krijgen een aparte behandeling en krijgen die 1% zelfs niet gecompenseerd. Ik zie het gildestelsel wat dat betreft voor mij: de leerlingen, gezellen en meesters. Gewoon jezelf zijn. De een is echter leerling, de ander meester, met het bijbehorend loon en het perspectief dat je, als je leerling bent, leerling blijft. Er is weinig ander perspectief. Jongeren weten wat dat betreft waar zij aan toe zijn. De bevriezing gaat ambtenaren gemiddeld zo'n f100 per maand kosten. Een werknemer met een ca.o.-loon van f2800 gaat er zeker ook f 100, waarschijnlijk zelfs nog meer, op achteruit. Dan is er ook de ongecompenseerde verhoging van gemeentelijke tarieven. Deze zullen, zoals blijkt uit allerlei onderzoekingen, aanzienlijk zijn ten gevolge van de slechte positie van de gemeenten. Zelfs de mens met een behoorlijk inkomen krijgt het benauwd. Uit de stakingen van ambtenaren en onderwijzend personeel, maar ook van anderen, blijkt vooral hoe onjuist het gevonden wordt dat de overheid haar Tweede Kamer 15 december 1982

positie als werkgever blijft gebruiken voor het afleggen van dictaten. Mijns inziens wordt er op grote groepen roofbouw gepleegd. Zoals bij roofbouw het geval is, worden de perspectieven alleen maar slechter. Dat niet wordt ingezien hoeveel mensen met een laag en middeninkomen al in de knel zitten en onmogelijk nog iets kunnen inleveren, tekent het beleid dat ver verwijderd staat van de maatschappelijke werkelijkheid. Ik kom nu te spreken over een aantal concrete maatregelen met betrekking tot het kostwinnersbegrip. Vergaande maatregelen zijn immers in dit pakket verstopt. Wordt het koswinnersbegrip in de werknemersverzekeringen geïntroduceerd, ook in de fiscale wetgeving wil deze Regering de straf op het werken van de gehuwde vrouw opnemen, nota bene -ik ga hier niet verder op in -om de echte minima een extraatje te geven. Onzes inziens is het instituut van de echte minima eigenlijk een schande. Bovendien constateren wij dat de Regering hiermee vrouwen die toch tot de laagstbetaalden van de samenleving behoren, in feite voor elkaar laat betalen, terwijl hoogbetaalde heren buiten schot blijven. Tot de echte minima behoren vooral de bijstandsvrouwen. De maatregelen die de Regering wil nemen, zullen worden gezien als een straf voor het werken van met name de gehuwde vrouw. De inkomenspolitiek tast het recht op een zelfstandig inkomen van vrouwen aan. Er wordt gezegd dat de mensen die beiden verdienen het zoveel beter hebben. De cijfers tonen echter al lang aan dat met name de gehuwde vrouwen uit de laagste inkomenscategorieën als schoonmaakster, kantinejuffrouw of winkelbediende een paar honderd gulden bijverdienen, vaak om het lage gezinsinkomen aan te vullen. Men moet dus constateren dat de gehuwde schoonmaakster en de arbeidsongeschikte timmerman hiermee zullen betalen voor de bijstandsmoeder en niet de hoogleraar en zijn vrouw, zoals zo vaak wordt beweerd. Uit het artikel van Marga Bruyn-Hund en het advies van de Emancipatieraad blijkt dat een dergelijke politiek de positie van vrouwen die het laagste geschoold zijn en het laagst betaald worden, verder zal schaden en niet zoals de Staatssecretaris van Emancipatiezaken voor mij onbegrijpelijkerwijze zegt dat het een stimulering zal zijn voor het werken van de gehuwde vrouw. Ik vraag mij overigens af waarom de Staatssecretaris van Emancipatiezaken niet bij dit debat aanwezig is. Er zijn immers aspecten genoeg die op haar terrein liggen. Wat zal de consequentie zijn van de voorstellen op het gebied van de inkomstenbelasting? De consequentie zal zijn dat de man van een gehuwde werkende vrouw zijn inkomen aanzienlijk ziet dalen. Het is, gezien de huidige omstandigheden heel goed mogelijk dat hij in dat geval zal zeggen dat zijn vrouw net zo goed vrijwilligster kan worden omdat hij er toch alleen maar slechter van wordt. Die werkelijkheid valt nu eenmaal niet te ontkennen. Geen vrouw maar ook geen man die het emancipatiestreven redelijk serieus neemt, kan zich wat onze fractie betreft hiermee verenigen. Kan de Regering trouwens al zeggen wat de cumulatieve effecten zullen zijn voor een gehuwde vrouw met een WAO-uitkering die op dit moment nog recht heeft op een minimumdagloon? Hoe moet men dit zien met het oog op een extra belastingmaatregel die in de maak is? Wat is overigens de stand van zaken met betrekking tot de kinderbijslagen? Zij werden de vorige week leeftijdsafhankelijk gemaakt en nu vanaf het derde kind bevroren. Als ik het goed heb, is er volgende week weer een verandering aan de orde, omdat de kinderbijslag van oudere kinderen minder zal worden verhoogd. De vraag is of dit niet een geheel verduistering van de behandeling van de onderwerpen teweeg brengt. Wellicht de meest grove en ver gaan-de aanval die in dit pakket wordt gedaan, betreft de positievan arbeidsongeschikten. Zij hebben te maken met de bevriezing van uitkeringen en de kinderbijslag, de afschaffing van de minimumdaglonen (tenminste voor groepen mensen) en zij krijgen te maken met een aantasting door bij voorbeeld een eigenbijdrageregeling AWBZ en medicijnen. Als er een verzekering is die wat de daglonen betreft min of meer geïndividualiseerd is, dan is het wel de WAO-uitkering en dit geldt ook voor de WW-uitkering. Daaraan wordt nu even een eind gemaakt en daardoor wordt de gehuwde vrouw in een slechtere positie geplaatst, hoewel zij dezelfde premie zal blijven betalen. De afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek en de nieuwe regeling voor de motorrijtuigenbelasting zullen voor degenen die in ernstige mate arbeidsongeschikt zijn de zoveelste aantasting betekenen van hun inkomen en dus ook van hun mogelijkheden. Is de Regering zich bewust van de ernstige, ook psychische, gevolgen die dit met zich kan brengen? Ik kom tot de behandeling van wetsontwerp 17203. Hierbij gaat het om het even afschaffen van de vereveningstoeslagen. Ik vind het eigenlijk een schande. Nota bene is nog vorig jaar door de regeringsfracties gesproken over maximering of geleidelijke afbouw. Dit is nu een voorbeeld van de volstrekt rechteloze positie van arbeidsongeschikten. In dit verband wil ik er overigens op wijzen, dat het hierbij ook gaat om oorlogsslachtoffers en ex-verzetsmensen. Zij zien hun uitkering verminderen. Wij zijn van mening dat dit onaanvaardbaar is en dat geen enkele economische crisis een dergelijk beleid rechtvaardigt. Mijn fractie stond en staat op het standpunt dat het hierbij om een erezaak gaat, om de positie van degenen die in de meest moeilijke omstandigheden voor de vrijheid van ons land en tegen het fascisme hebben gevochten. Ik zou graag zien dat de Regering zich hierover uitspreekt en ik overweeg om in tweede termijn in dit verband een motie in te dienen. De verslechterde anti-cumulatiebepaling treft eveneens de groepen die vaak al jaren de dupe zijn van slechte arbeidsomstandigheden en niet zelden hun gezondheid hebben geofferd aan de opbouw van ons land. De CDA-fractie heeft in de behandeling al gewezen op de positie van de ex-mijnwerkers. Het gaat ook om havenarbeiders en bouwvakkers, om mensen die er misschien nog iets bij kunnen doen in het kader van de WSW. Wij vinden het terecht dat daarvoor waardering ontstaat en dat deze ook tot uitdrukking komt in de mogelijkheid om iets meer dan de WAO-uitkering, en iets meer dan 90% daarvan, te ontvangen. Het is immers niet eenvoudig om als arbeidsongeschikte toch nog aan de slag te komen en te proberen om hetgeen je nog aan gezonde krachten hebt aan te wenden. Een soepeler regeling is voor deze groepen mensen juist van het allergrootste belang. Wat betekent de voorgestelde regeling? Voor sommigen werkzaam in de WSW leidt zij tot een enorme inkomensdaling, afgezien nog van de andere effecten. Bovendien gaat het volgens mij ook nog om een ander aspect, de genoemde termijn van zes Tweede Kamer 15 december 1982

maanden. In het wetsontwerp staat dat gedurende die termijn de uitkering behouden blijft. Daarna zou dat niet meer mogelijk zijn. Er zou een beleid gericht op een definitieve oplossing moeten worden gevoerd. Ik kan het niet anders zien dan dat het effect in de praktijk als volgt zal zijn. Een arbeidsongeschikte krijgt zes maanden de gelegenheid in een sociale werkplaats werkzaam te zijn. De 90%-regeling gaat dan gelden. Op zichzelf is dat al een verslechtering. Na die zes maanden zal worden bezien of de uitkering überhaupt nog uitbetaald blijft worden. Met andere woorden, de afschattingsprocedure volgens dit voorstel lijkt mij in de praktijk veel sneller aan de orde te zullen zijn dan thans het geval is. Ik vraag de Regering een nadere uitleg daarvan. Als het echt zo is, vraag ik mij af wat de ratio daarvan is. Zou er in een dergelijke regeling juist geen ruimte moeten blijven voor een individuele benadering? Waarom, zo vraag ik mij af, is gezocht naar een starre, centralistische regeling? Waarom deze aanzet tot bureaucratie? Waarom wordt geen ruimte gemaakt voor een individuele benadering op een zorgvuldige wijze door de bedrijfsverenigingen? De verslechteringen die nu zijn aangekondigd zijn voor arbeidsongeschikten een enorme klap. De vraag is dan ook wat de overheid ermee opschiet. Zullen op de lange termijn geen gevolgen zichtbaar worden die ook voor de Regering niet positief zullen zijn? Wij zijn van mening dat juist in een crisistijd ontplooiingsmogelijkheden zoveel mogelijk moeten worden beschermd. . Mijnheer de Voorzitter! Ten slotte nog iets over de regeling betreffende nevenverdiensten. In de vaste kamercommissie is daarover al uitgebreid gesproken. Ook onze fractie heeft vanaf het begin bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde wijziging van deze regeling. De oorspronkelijke opzet van de wijziging was om eenoudergezinnen in het vervolg gelijk te stellen met andere gezinnen. Door het aan de orde stellen van dit voorstel in de commissie is in ieder geval bereikt dat aandacht kon worden opgeëist voor de bijzondere positie van de eenoudergezinnen. En -dat moeten we toegeven -de Regering is in elk geval teruggekomen van haar aanvankelijke voorstel. Toch is ook dit voorstel nog niet aanvaardbaar. Wij wijzen in dit verband op de opvatting van de Emancipatieraad, dat de positie van een eenoudergezin wat de toepassing van de Algemene Bijstandswet betreft wezenlijk ongelijk is aan die van mensen in een andere gezinssituatie. Naar onze mening is ook een consequentie van de EEG-richtlijn ter zake dat ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld, en wel in de mate waarin zij ongelijk zijn. Het komt er eigenlijk op neer, dat de Regering probeert te halen, wat er van deze mensen te halen valt. Het lijkt me krentenwegerij om de vrije voet voor eenoudergezinnen toch maar te halveren. Bovendien -ook dit is eerder gezegd -worden de eenoudergezinnen en andere bijstandsontvangers in het voorstel van de Minister tegen elkaar uitgespeeld. De Regering kan denken, daarmee te bezuinigen, maar tijdens mondeling overleg is al meermalen aan de orde geweest, dat dat nog maar zeer de vraag is. Want wat zal de consequentie zijn? Een alleenwonende vrouw met kinderen moet oppas regelen, wegbreng" en ophaalregelingen treffen, dure inkopen doen bij gebrek aan tijd en zij zal zich dus wel twee keer bedenken om haar baantje aan te houden als zij er maar enkele tientjes van overhoudt. Dat is het grootste bezwaar tegen ook dit voorstel, omdat het inhoudt dat juist deze groepen nauwelijks nog gelegenheid zullen krijgen om te participeren op de arbeidsmarkt en zeker geen kans meer hebben om uit de bijstandsregeling te komen. Ik denk dat ook een ander punt een rol speelt. Als op deze wijze zo precies wordt gekeken naar de nevenverdiensten van bijstandsvrouwen, dan dringt zich natuurlijk een vergelijking met de positie van anderen op; niet alleen met die van mensen met het minimumloon of een bijstandsuitkering, maar ook met de positie van bij voorbeeld politiekeambtsdragers. Het is iedereen zo langzamerhand wel bekend, dat een staatssecretaris, ook al is hij slechts één of twee weken in functie geweest, een uitkering van anderhalve ton krijgt. Het gaat hierbij nu even niet om de aantallen, maar om de rechtvaardigheid. Denkt de Regering nu werkelijk dat bijstandsvrouwen en andere groepen die met verslechtering van hun positie te maken krijgen, begrip kunnen opbrengen voor een dergelijke verhouding? Naar onze mening zijn er voldoende argumenten aangevoerd om de oude regeling te handhaven, overigens ook om de termijn van twee jaar niet te laten doorgaan en om juist in deze tijd ruimte te laten voor individuele benadering van de mensen. Ik wijs er in dit verband op, dat gemeentelijke sociale diensten in grote aantallen eveneens op deze argumenten wijzen en de Regering vragen om een beleid, waarin ook zij de ruimte krijgen om de moeilijkheden van grote groepen mensen op juiste en rechtvaardige wijze op te vangen. Maatschappelijke rechtvaardigheid is belangrijk, zeker in deze tijd, en de Regering zou behalve over financiële kwesties ook eens over dit soort zaken moeten nadenken.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! De parlementaire klok tikt naar twaalf uur en op de valreep moeten er in dit Huis in hoog tempo nog allerlei maatregelen worden goedgekeurd om het kabinet-Lubbers waardig over de drempel van het nieuwe jaar te helpen. In principe is mijn fractie bereid, de Regering daarbij te steunen, zij het dat dit soort operaties meer dan ooit de behoefte aan een evenwichtig meerjarenbeleid doet gevoelen. De financieel-economische situatie dwingt op dit moment echter tot kloeke daden. Het voor ons uitschuiven van problemen kan alleen maar rampzalige gevolgen hebben. Daarom wil ik allereerst een woord van respect uitspreken voor de wijze waarop dit kabinet, gesteund door de ambtenaren, nauwelijks in enkele dagen tijd kans heeft gezien, het aanvankelijk gepresenteerde en weinig gelukkige 'koopkrachtplaatje', zoals dat is gaan heten, aanzienlijk bij te stellen. De situatie is nu bepaald meer evenwichtig. Dat is op zich zelf een compliment waard. Dit neemt niet weg, dat mijn fractie in meer dan één opzicht grote moeite heeft gehad met de korte tijd die beschikbaar is geweest om alles te lezen, te bestuderen en naar waarde te beoordelen. Er wordt namelijk nogal wat overhoop gehaald. Wij vragen ons af, of alle maatregelen in die paar dagen naar behoren konden worden doorgerekend. In elk geval is er eerder sprake van maatregelen ad hoc dan van een evenwichtig en uitgekiend pakket van voorstellen. Dat bergt het risico in zich, dat er onzorgvuldig wordt gehandeld. In de brief van de Regering van 9 december, aan ons gericht, wordt er al vcor gewaarschuwd, dat er niet al te veel betekenis moet worden toegekend aan het zogeheten koopkrachtplaatje. Dit is vandaag al eerder Tweede Kamer 15 december 1982

gezegd. De Regering zegt zelf, dat de geschetste voorstelling van zaken slechts 'exemplarisch' is voor een bepaalde modale situatie. Wij weten helaas maar al te zeer dat het ook niet meer is dan een momentopname. Ondanks alle vernuft waarmee prognoses worden gemaakt, de relativiteit daarvan blijkt keer op keer. In deze bijdrage wil ik aandacht besteden aan de brief inzake het koopkrachtbeeld. Vervolgens wil ik ingaan op een aantal voorstellen in de sfeer van het stelsel van sociale zekerheid, waar een niet onaanzienlijk bedrag moet worden bezuinigd. Voordat ik dit doe, kom ik terug op wat ik namens de fractie van de RPF naar voren heb gebracht tijdens het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring. Bij die gelegenheid heb ik aandacht besteed aan de bittere noodzaak van een bezinning op de taak en de verantwoordelijkheid van de overheid. Op tal van plaatsen -hierbij denk ik met name aan de memorie van toelichting op de begroting van Sociale Zaken -laat de Regering weten, dat de fundamentele verworvenheden van de verzorgingsstaat, ondanks de economische malaise, moeten worden veilig gesteld. Dat wordt als uitgangspunt genomen en krampachtig verdedigd, al wordt dat steeds moeilijker in het oerwoud van koppelingen. Tegelijkertijd worden er tal van maatregelen aangekondigd en voorbereid, die toch aan het wezen van die verzorgingsstaat knagen. Ik heb enkele weken geleden vanaf deze plaats de Regering aangeraden, zich in alle ernst eens af te vragen wat ook op het financiële, economische en sociale terrein de taken van de overheid zijn. Wil men tot een wezenlijke schoonmaak in de Nederlandse economie komen, dan zullen de collectieve lasten moeten worden verlicht. Dat kan alleen serieus gebeuren, als die overheid voor zich zelf de dingen eens op een rijtje zet en wil uitmaken welke taken geheel of gedeeltelijk niet op het bord van die overheid thuishoren en moeten worden afgestoten dan wel 'afgebouwd'. Als die afweging eerlijk wordt gemaakt -de fractie van de RPF is er vast van overtuigd dat dit bitter hard nodig is -zal het mogelijk zijn, de Durger duidelijk te maken dat bepaalde voorzieningen moeten worden gestaakt en zogeheten verworvenheden in feite helemaal geen rechten kunnen zijn. Als het Nederlandse volk dat gaat beseffen, hoe pijnlijk die ervaring op zich zelf ook zal blijken te zijn, zal het aantal demonstranten op het Binnenhof drastisch afnemen. Ik zeg dit niet, omdat ik geen ruimte wil laten voor demonstratie of actie. Het zal dan echter om fundamentele zaken moeten gaan. Overigens begrijp ik in deze dagen de demonstranten zeer wel. Immers, in hun ogen worden hun rechten afgepakt en wordt hun juist onrecht aangedaan, als de overheid er niet voor zorgt, dat de situatie blijft zoals zij was. Zo zijn wij langzamerhand opgevoed. Wij moeten echter vaststellen dat dit een slechte zaak is geweest, dat wij ver boven onze stand zijn gaan leven en ons meer luxe hebben gepermitteerd dan verantwoord was. Erkent de Regering dat? Uit de groeicijfers van het bruto nationaal produkt en het loonniveau, die de Minister van Financiën ons enige weken geleden gaf, leid ik af dat wij de lonen met 1/6 zouden kunnen verminderen om de verhoudingen van 1973 weer te bereiken. Dat betekent zo'n 15% verlaging van het inkomen. Als dat juist is, valt het dan niet te rechtvaardigen dat wij met elkaar naar draagkracht een stevige stap terug moeten doen? Deelt de Regering die benadering? Wij moeten weer met onze voeten op het koude zeil gaan staan, dan zijn wij snel wakker! Wij moeten onze ruggen rechten om de zaken eerlijk onder ogen te zien. De wijze, waarop dit kabinet bereid en in staat is gebleken, oorspronkelijke plannen in enkele weken tijd bij te stellen, geeft vertrouwen dat het realisme, dat uit de regeringsverklaring sprak, geen eendagsvlieg is geweest. Zonder een grondige bezinning op de taak van de overheid enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid van de burger anderzijds zal het moeilijk, zo niet onmogelijk zijn om de samenleving te doordringen van het feit dat wij niet alleen in andere tijden leven, maar ook, ongeacht de economische situatie, een wezenlijk andere financië-le huishouding moeten voeren. Als in deze Kamer wordt gesproken over gespreide verantwoordelijkheid, betekent dit zonder twijfel ook dat de overheid taken moet overhevelen en overlaten naar en aan de burgers om daarmee de eigen tering naar de nering te zetten. Is de Regering bereid tot die fundamentele bezinning op haar taak als overheid en wil zij aan de hand daarvan een meerjarenplan opzetten?

brief die de Regering de Kamer op 9 december heeft gestuurd over de koopkrachtontwikkeling voor 1983, biedt in de uitwerking een heel wat evenwichtiger aanblik dan de plannen uit de regeringsverklaring. Moesten de laagste inkomens aanvankelijk 4,5% inleveren en de hoogste inkomens niets, nu is de zaak precies omgekeerd, als wij ons tenminste houden aan de cijfers van het kabinet. Door allerlei ingrepen gaan de echte minima er niet op achteruit in koopkracht, terwijl de hoogste inkomens 4% moeten inleveren. Ik wil vooropstellen dat de zorg voor de minima en met name voor degenen, die van een minimumloon of -uitkering een gezin moeten onderhouden, ons evenzeer ter harte gaat als ieder ander. Dat de hoogste inkomens stevig in de bus moeten blazen, is eveneens begrijpelijk. Wie betaalt nu uiteindelijk het gelag? Zijn dat niet de middengroepen van modaal en 2 x modaal, vooral door de onverwachte belastingverhoging waarmee met name de VVD wel behoorlijk van haar voetstuk is gevallen? Het laatste geldt te meer, nu de belastingprogressie steiler wordt dan ooit tevoren. Juist die ontwikkeling wilde de VVD, in combinatie met het CDA, niet alleen tegengaan maar ook afzwakken. De belastingdruk neemt met 0,25% van het netto nationaal inkomen toe, wat zo'n 0,4% extra belastingdruk betekent. Dat houdt een sterk nivellerend effect in, wat geldt voor een niet onaanzienlijke groep werknemers, die op die manier een zwaar offer moeten brengen. Wij achten dat offer onredelijk zwaar. Het voorstel van de Regering zou kunnen worden verklaard als een compromis tussen haar en de vakbeweging. Is daarbij wel voldoende aandacht geschonken aan het algemeen belang? Komt langzamerhand het inkomen van modaal en 1,5 a 2 x modaal niet heel dicht in de buurt van de minima en is datte verantwoorden? Kan de Regering aangeven, hoe groot het inkomensoffer is dat de zogeheten middengroepen in bij voorbeeld de afgelopen vijfjaar hebben gebracht in vergelijking met bij voorbeeld enerzijds de minima en anderzijds 4 x modaal? Welke effecten heeft dit gehad op de koopkracht van deze middengroepen? Kan de Regering verder aangeven, hoe groot het verschil in netto besteedbaar inkomen nog is tussen het modale en het minimuminkomen?

Rechtvaardigt dit verschil de verscheidenheid aan te leveren arbeidsprestatie? Wordt er van lieverlede niet onevenredig veel aandacht besteed aan de positie van de minima, waardoor de middengroepen in de knel komen? Is de Regering niet bang dat voor de zoveelste keer deze groepen de tol betalen, omdat zij met deze samenleving niet 'on speaking terms' zijn? Op basis van welke overweging durft de Regering de zwaarste lasten op deze schouders te leggen? Nu de inkomens van modaal en twee maal modaal een forse veer dreigen te laten, verneem ik graag welke nadelige gevolgen dit kan hebben voor de ziekenfondspremie. Een grotere toeloop van minder draagkrachtigen naar het ziekenfonds zal verhoging van de ziekenfondspremie naar mijn mening in de hand werken. Het kabinet heeft voor de minima, vooral voor wat wij de echte minima noemen, speciale beschermende maatregelen getroffen. Dank zij alle koppelingsmechanismen, die overigens een modaal kamerlid al snel elk richtingsgevoel doen verliezen, betekent dit dat ook de uitkeringen omhoog gaan en zelfs de minimumjeugdlonen met de hieraan gekoppelde uitkeringen voor jongeren. De Regering heeft het laatste niet gewild en denkt aan doorbreking van de staffeling. Wordt dit de eerste koppeling op afstand? Is dit ook voor de minimumuitkeringen niet wenselijk? Ondanks alle terecht geuite zorg over de gigantische werkloosheid komt steeds de klacht uit de samenleving naar voren dat mensen met een uitkering geen lust hebben, voor enkele tientjes per week meer te gaan werken. Ik vermoed dan ook dat de opmerking van Minister-President Lubbers tijdens de debatten over de regeringsverklaring dat werk belangrijker is dan inkomen, door velen niet wordt gedeeld. Overigens voeg ik hieraan toe, om misverstanden te voorkomen, dat ontkoppeling niet ertoe mag leiden dat de uitkeringsgerechtigden onder het bestaansminimum moeten leven. Wij denken hierbij uiteraard aan koppeling op afstand. Een aantal plannen wil het kabinet verwezenlijken met ingang van het nieuwe jaar. Voor 1 april aanstaande staan nieuwe maatregelen op stapel, die ongetwijfeld nog aan de orde komen. Nu reeds betuigt mijn fractie instemming met het plan, de dubbele inkomens per huishouden extra te belasten. Dit is het immers, wanneer de Regering stelt dat een beroep op de tweeverdieners, zoals zij worden genoemd, zal worden gedaan. Ik acht het volstrekt juist dat twee inkomens per gezin zwaarder worden belast. Waarom wordt in dit verband echter niet gesproken over huishoudingen? Deze term is ook in de belastingwetgeving niet onbekend. Op dit terrein doet zich namelijk het levensgrote probleem voor dat tal van mensen die gezamenlijk een huishouding voeren, niet gehuwd zijn. Het getuigt van een incorrecte behandeling, als de overheid hen die als echtpaar tweeverdieners zijn, meer laat betalen, maar hen die ongehuwd samenwonen niet. Dit maakt bovendien het sluiten van een wettig huwelijk financieel onaantrekkelijk. Heeft de overheid dit aspect in de voorbereidingen over het hoofd gezien? Geldt de aangekondigde belastingmaatregel ook voor tal van andere vormen van huishouding? Ik denk hierbij aan twee verpleegsters die samen een huishouding hebben, en twee ongetrouwde zusters die beiden een baan hebben. Kan de Regering al iets vertellen over de uitvoeringsmethoden en de controleerbaarheid? Is zij bij de uitwerking van de plannen ertoe bereid, rekening te houden met de aspecten die ik naar voren heb gebracht? Verder vraag ik waarom de effecten van het niet meer opvoeren van de solidariteitsheffing niet zijn verwerkt in de twee opgezette basisprojecties. In hoeverre kan dit het beeld voor de groep van twee maal en eventueel drie maal modaal aanzienlijk vertekenen? De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal voorstellen gedaan om tot beperking van de uitgaven te komen. Sommige voorstelen zijn inmiddels al gewijzigd en mogelijk worden op dit moment nog veranderingen voorbereid. Men weet het in deze hectische dagen maar nooit! Het doel is in elk geval, ongeveer 2,5 miljard gulden te bezuinigen door op tal van plaatsen in het stelsel van sociale zekerheid iets weg te snijden. Dit is een weinig gelukkige wijze van werken. Mijn fractie heeft er begrip voor dat het in de gegeven situatie nauwelijks anders kon gaan, maar ik onderstreep de noodzaak, op zo kort mogelijke termijn tot integrale herziening van het stelsel van sociale zekerheid te komen. Ook hierbij moet een afweging worden gemaakt van datgene wat tot de verantwoordelijkheid van de overheid en datgene wat tot die van de burgers behoort. Er liggen zes wetsontwerpen voor ons die de Kamer als een cluster behandelt. Mijn fractie stelt het op prijs, als de Regering alsnog een bondig overzicht van de gedane voorstellen maakt, waardoor op een gemakkelijke wijze een totaalinzicht wordt gegeven van de financiële ins en outs. Kan de Regering dit alsnog per brief realiseren, voordat de Kamer in tweede termijn aan het woord komt? Het gehele pakket van maatregelen overziende, blijkt overduidelijk dat de WAO-gerechtigden in sommige gevallen een zwaar, zeg maar rustig: zeer zwaar offer moeten brengen. Dit leidt mij tot de vraag of voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën WAO'ers. Wij vragen ons af of het niet billijk is, te differentiëren naar de mate van arbeidsongeschiktheid. Kan daaraan iets worden gedaan? Immers, een volledig arbeidsongeschikte heeft geen enkel zicht op een terugkeer in het arbeidsproces, en is dus te vergelijken met een AOW-gerechtigde. Wij vragen ons af of het op grond daarvan niet gerechtvaardigd is, deze categorie iets meer te ontzien dan andere WAO'ers die nog in staat zijn een aangepaste of gedeeltelijke werkkring te aanvaarden. Het gaat om een zeer wezenlijk probleem, waarbij onrechtvaardige ontwikkelingen dreigen op te treden, zodat wij op dit punt een duidelijke verklaring van de Regering verwachten over de gronden waarop deze maatregelen worden verdedigd. In dit verband verwijs ik naar de tabel in de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsontwerp 17677, waaruit blijkt dat sommige WAO'ers er 10% of meer op achteruit zouden gaan. Is die klap ineens niet te groot? Is een meer gefaseerde maatregel niet mogelijk? De gezinnen die van een hoge WAO-uitkering leven, moeten toch de tijd hebben hun uitgavenpatroon op een onverwacht nieuwe situatie aan te passen? Die werkwijze wordt ook gevolgd bij diverse andere voorstellen. Valt er wat dit betreft voor de WAO'ers nog iets te doen? Uiteindelijk is het wetsontwerp tot verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1982 geëindigd in de bevriezing van de bedragen voor derde en volgende kinderen per 1 januari 1983. Mijn fractie acht dit, na al het gerommel hierover, een Tweede Kamer 15 december 1982

verbetering ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp, waarin de gehele kinderbijslag werd bevroren. De koopkracht van de mensen die de zorg hebben voor hun kinderen wordt nu enigszins ontzien. Dat vindt de RPF een goede zaak. Wij zijn geen warme voorstander van het snoeien van de kinderbijslagbedragen. Dat betekent uiteraard niet dat de kinderbijslag te allen tijde moet worden ontzien. Het denken aan en in verbanden, met name gezinsverbanden, in plaats van individuen brengt ons tot de constatering dat uitkeringen waarvan meer personen moeten worden onderhouden het meest moeten worden ontzien. Zo constateren wij met enige zorg dat kinderrijke gezinnen met lagere inkomens een niet onaanzienlijk offer moeten brengen. Is het te verwachten dat in de koopkrachtcorrectie voor de echte minima in 1983 rekening zal worden gehouden met dit offer? Kan de pijn van de beoogde besparing van f55 min. niet evenwichtiger worden verdeeld over alle kinderbijslagbedragen? Kan de Staatssecretaris in globale zin aangeven wat dan het stijgingspercentage van de kinderbijslag per kind zou zijn? Wij zouden zo'n regeling prefereren boven de nu voorgestelde. De wijzigingen met betrekking tot de minimumdaglonen in WAO, WW en WWV die in wetsontwerp 17647 aan de orde komen, hebben bij mijn fractie instemming ontmoet. Het is niet voor het eerst dat wij hier pleiten voor een inkomensbeleid dat meer is afgestemd op huishoudens dan op individuen. Bovendien loopt deze wijziging niet vooruit op de integrale discussie over het stelsel van sociale zekerheid, omdat op het beginsel van loondervingsverzekering in wezen al inbreuk wordt gemaakt bij de invoering van een minimumdagloon. Mijn fractie acht een minimumdagloon niettemin gerechtvaardigd wanneer meer mensen daarvan afhankelijk zijn. De nu voorgestelde wijziging voorziet daarin. Dit voorstel zou voor ons ook aanvaardbaar zijn geweest wanneer definancieeleconomische situatie rooskleuriger was. Ik hecht eraan, dit aan de orde te stellen omdat in deze tijd budgettaire argumenten een principiële heroverweging vaak overschaduwen. Heroverwegingen zouden niet alleen moeten plaatsvinden wanneer het geld op is. In de kantlijn van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp en in de nota naar aanleiding van het verslag wordt wel een niet-budgettair argument genoemd: de Regering constateert dat een ontwikkeling gaande is in de richting van een andere verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid binnen gezinnen. Deze ontwikkeling wil zij, waar mogelijk, bevorderen zodat steeds minder een beroep behoeft te worden gedaan op de bescherming van de desbetreffende minimumdagloonregeling. Graag horen wij van de indieners waarop de Regering deze zienswijze op de verdeling van de ontwikkeling van de betaalde en onbetaalde arbeid baseert. Deeltijdarbeid kan zich immers nog steeds niet in een grote populariteit verheugen. Het is bovendien de vraag of het tot de taak van de overheid moet worden gerekend, een dergelijke ontwikkeling te bevorderen. Welke argumenten pleiten daarvoor? Zal het bevorderen van deze ontwikkeling niet ten koste gaan van de enkelverdieners met een volledige werkkring? Uit wat ik op bladzijde 18 van de memorie van toelichting lees, zou je kunnen opmaken dat de Regering met enig leedwezen constateert dat wij in Nederland nog niet zo ver zijn dat de partners in een gezin in gelijke mate betaald werk verrichten. Is het overigens niet zo, dat in ons land veruit de meeste gehuwde vrouwen geen betaald werk buitenshuis hebben? Wil de Regering dit door gericht beleid gaan veranderen? Zo ja, op grond waarvan wil zij dit doen en doet een dergelijk streven geen afbreuk aan het wettig huwelijk, waarbij de vrouw uit eigen vrije wil haar levensbestemming vindt in de zorgfunctie? Ik stoot mij er overigens bij herhaling aan, dat dikwijls wat denigrerend wordt gesproken over het verrichten van onbetaald werk in het gezin. Wat is onbetaald? Ligt in de beloning van de kostwinner niet tegelijkertijd de beloning van zijn echtgenote? Het is een kwestie van verdeling van taken en verantwoordelijkheid binnen een gezin. In een leger is de frontsoldaat toch even functioneel en waardevol als bij voorbeeld de fourier? Terugkerend naar de regeringsvoorstellen, wil ik vragen of de Regering doordrongen is van de fiscale consequenties van het vervangen van een volledige werkweek door twee halve werkweken. Deze vragen zijn in dit debat niet direct aan de orde, maar ze worden wel opgeroepen met de eerder genoemde motivering door de Regering.

In het verslag hebben wij enkele vragen gesteld over de uitvoerings-en overgangsmaatregelen. Er valt naar ons oordeel niet aan te ontkomen dat de omvang van het aantal inkomensonderzoeken ten gevolge van deze wijziging toeneemt. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt ook expliciet vermeld, dat de invoering een uitbreiding van de werkzaamheden voor de uitvoeringsorganen van de WW en de WWV meebrengt. Op zichzelf heeft mijn fractie daar geen enkel probleem mee, maar zou het niet juister zijn om ook hiervan het budgettair effect mee te wegen? Of is de Regering van oordeel, dat het om zeer geringe bedragen gaat? Voorts hebben wij erop gewezen, dat deze regeling, althans tijdelijk, nadelig uitwerkt voor degenen die tijdens de WW-periode lager betaald werk aanvaarden. Wij zijn de Staatssecretaris erkentelijk voor het feit dat hij wil bezien of in de nadere regelen voor deze situaties een oplossing mogelijk is. Voor het aanvaarden van lager betaald werk behoren immers geen belemmeringen te bestaan. Ook de toezegging dat bij een werkloosheidsperiode die minder dan 15 dagen is onderbroken, wordt gehandeld als ware de werkloosheid niet onderbroken, heeft ons met tevredenheid gestemd. Het vorige kabinet wilde de zogenaamde vereveningstoeslagen nog maximeren; dit kabinet wil ze geheel beëindigen. Die laatste ingreep is aanmerkelijk forser, te meer als wij bedenken dat deze toeslagen al met ingang van 1 januari 1983 in hun geheel vervallen. Hoewel mijn fractie begrip heeft voor het argument dat een ongelijkheid in uitkeringsniveau tussen gerechtigden wier uitkering vóór respectievelijk na 1 januari 1980 inging, niet juist is, zijn wij minder gelukkig met de abruptheid van deze ingreep. Een verwijzing naar de slechte financieel-economische situatie is voor ons niet het einde van alle tegenspraak. De betreffende uitkeringsgerechtigde zal naar onze mening de tijd moeten hebben om zijn uitgavenpatroon enigszins aan te passen aan een inkomensdaling van circa 4%. Is het op grond daarvan niet gerechtvaardigd, de afbouw van de toeslagen gefaseerd te doen verlopen, ongeacht het feit, dat het beoogde besparingsbedrag dan niet volledig zal worden gerealiseerd? De overheid moet naar recht en billijkheid handelen en niet vanuit haar sterke positie Tweede Kamer 15 december 1982

burgers met zware lasten van een slecht financieel beleid uit het verleden confronteren. Dat element zit er nu wel in, ongeacht het feit dat de maatregel op zich juist is. Het is hierbij net als op de autoweg: je moet pompend remmen om ongelukken te voorkomen. Ook de nadere regeling van de samenloop van uitkeringen WAO en AAW met inkomsten uit arbeid, zoals in wetsontwerp 17675 aan de orde wordt gesteld, zou men kunnen zien als het kortwieken van de wimpel op de vlag van de sociale zekerheid. Op zichzelf is het volstrekt redelijk dat de WAO'ers die arbeid verrichten in het kader van de wet Sociale Werkvoorziening en WAO'ers die werkzaam zijn in het vrije bedrijfs-of beroepsleven, op gelijke voet worden behandeld. Het feit dat de zogenaamde WSW-lonen enkele jaren geleden op gelijke hoogte zijn gebracht met de buiten de WSW geldende lonen, rechtvaardigt deze gelijke behandeling. Los daarvan staat de vraag of een anti-cumulatie-grens van circa 90% van het dagloon reëel is. Mijn fractie heeft de indruk dat dit het geval is. De argumenten in de memorie van toelichting bij dit wetsontwerp tonen op overtuigende wijze aan, dat 90% een grens is die het meest voor de hand ligt. Het tegenargument, dat verlaging van de grens niet motiveert om aanvullende werkzaamheden te verrichten, heeft ons niet overtuigd. In de praktijk blijkt er bij gehandicapten ruim voldoende belangstelling te bestaan voor het aanvaarden van een arbeidsplaats. De behoefte om aan het arbeidsproces deel te nemen en daarmee een zinvolle tijdsbesteding te hebben, blijkt overwegender dan de behoefte aan extra inkomen. Het enige vraagteken dat wij bij dit voorstel plaatsen, is daarom meer uitvoeringstechnisch dan principieel van aard. In het advies van de Raad van State en in het verslag wordt aandacht besteed aan de verandering van artikel 34 van de AAW resp. artikel 45 van de WAO. Hierin wordt het karakter van de inkomsten omschreven als ' al dan niet tijdelijk' in plaats van het tot nu toe gebruikte 'kennelijk tijdelijk'. Wij hebben de indruk dat daarvoor nog onvoldoende duidelijkheid bestaat. Wij blijven ons namelijk afvragen of dit geen consequenties heeft voor de uitvoering. Betekent dit niet dat de bedrijfsverenigingen voor elk wissewasje, ook als slechts twee dagen is gewerkt, aan de gemeenschappelijke medische dienst advies moeten vragen over herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage? Mijnheer de Voorzitter! In het geheel van voorstellen is ook het plan begrepen om de premie voor de werkloosheidsverzekering bij algemene maatregelen van bestuur ten laste te laten komen van de werknemers. Het is zeker geen plezierige maatregel, te meer omdat juist ook door deze beslissing de middengroepen weer het zwaarst worden getroffen. Mijn fractie kan niettemin alle begrip ervoor opbrengen dat niet wordt teruggekeerd naar de situatie tot juli 1981, waarin het Rijk de helft van de WW-premie betaalde en de werkgever en -nemer ieder een kwart. Die regeling zou het Rijk in 1983 zo'n 2,5 mld. kosten, zo heeft de Minister ons voorgerekend. Dat kan Bruin niet trekken. Bovendien is in de stukken aangetoond, dat de rijksoverheid nog ruimschoots de helft van allewerkloosheidslasten voor haar rekening moet nemen, nu de werkloosheidsplaag zo structureel van aard blijft. Het kost de gemeenschap handenvol geld om de vele duizenden langdurig werklozen aan een uitkering te helpen. Cijfers over de periode 1973-1982 liegen er niet om. De lasten voor het Rijk zijn uit hoofde van de WW, de WWV en de RWW-uitkeringen gestegen van 0,7 mld. in 1973 tot 6,8 mld. in 1982. Dat is een vertienvoudiging! Dat geeft duidelijker dan wat ook aan hoe ernstig de situatie is. Met de nu voorgestelde plannen gaat de Regering echter nog een stap verder dan in de zomer van 1981 door nu de gehele WW-premie op het bord van de werknemer te schuiven. Dat wordt gedaan, doordat enerzijds de werkgever zwaarder wordt belast met hogere premies voor de volksverzekeringen en anderzijds het bedrijfsleven juist lastenverlichting is toegezegd om de werkgelegenheid te bevorderen. Daarin kan en wil mijn fractie de Regering volgen, maar daarmee is de kous niet af. Opnieuw moet worden geconcludeerd dat alleen financiële problemen de Regering tot dit plan hebben gebracht. In feite wordt er ruimte gelaten voor de gedachte dat het in betere tijden best weer anders kan worden. Daaraan durven wij op het ogenblik nog niet te denken en daarom wordt gewezen op de aangekondigde wijziging in het stelsel van sociale zekerheid. In dat kader moet ook worden gedacht aan integratie van alle werkloosheidsvoorziening.

Daarover zou het parlement reeds het volgende jaar kunnen discussiëren. Tot die tijd moet in elk geval de werknemer de last van de volledige werkloosheidspremie voor zijn rekening nemen. Nu valt op dit moment nog weinig concreets te zeggen over zo'n geïntegreerde regeling, laat staan over de verdeling van de premielast. Echter, is het in het kader van de eigen verantwoordelijkheid die een burger -en dus ook een werknemer -heeft, niet te verdedigen dat de werknemer de gehele werkloosheidspremie voor zijn of haar rekening dient te nemen? Wij dienen ons bovendien te realiseren dat werkgevers en overheid in niet onbelangrijke mate bijdragen in de premies voor tal van andere volks-en werknemersverzekeringen; dat alles via het omslagsysteem of, anders gezegd, op basis van de solidariteitsgedachte. Nu in het bijzonder voor de laagste inkomens extra voorzieningen zijn getroffen, waarbij ook de verhoogde premielast weer op redelijke wijze wordt gecompenseerd, acht mijn fractie dit onderdeel van de regeringsplannen volledig aanvaardbaar. Er resten nog enkele vragen. De Regering heeft niet de maximaal noodzakelijk geachte premieverhoging van 4,85% willen doorvoeren maar is op 4,3% blijven staan, waarbij een tekort van 500 min. bij het Algemeen Werkloosheidsfonds is aanvaard. Ik ben niet in staat daarvan alle consequenties te overzien. Welke gevolgen heeft deze beslissing voor de praktijk van het functioneren van het fonds? Nu de premie toch zo aanzienlijk omhoog moest, was het dan niet raadzaam geweest maar meteen door te bijten en de volle premie van de werknemer te heffen? Kom je over de kop, dan kom je meestal ook wel over de staart. Een tweede vraag betreft de mogelijkheid, de premie te verlagen wanneer er minder beroep wordt gedaan op de werkloosheidsuitkering. Is bij benadering te zeggen met welk percentage de WW-premie kan dalen als het aantal werklozen met bij voorbeeld 100.000 afneemt? Mijnheer de Voorzitter! Steeds minder werkende mensen moeten de lasten dragen voor hen die werkloos worden en het eerste half jaar aangewezen zijn op een uitkering uit het werkloosheidsfonds. Is het redelijk en mogelijk dat instanties die werklozen met behoud van een uitkering aan werk kunnen helpen een bijdrage storten in de sociale fondsen, waardoor mogelijk de premieheffing wat lager kan uitvallen?

Mijn fractie heeft niet goed begrepen waarom de Emancipatieraad zich zorgen maakt over een ongelijke behandeling van gehuwde vrouwen als het gaat om de verhoging van de WW-premie. Ook de gehuwde werkende vrouw ontvangt toch bij eventueel verlies van een baan gedurende een halfjaar een uitkering uit het werkloosheidsfonds, zij het dat die uitkering wellicht wat lager uitvalt dan voor kostwinners? Dit geldt echter toch ook voor de ongehuwde werkende man of vrouw? Mijnheer de Voorzitter! De Regering is teruggekomen op het aanvankelijk voornemen het minimumloon en de daaraan gekoppelde sociale uitkeringen te bevriezen. Dat die plannen er aanvankelijk waren maakt duidelijk hoe zorgwekkend de financiële situatie van het Rijk is. Als zelfs de laagstbetaalden niets meer kan worden geboden, moet de nood toch wel hoog gestegen zijn. Een dergelijke maatregel is slechts te scharen onder de categorie 'bittere noodzaak'. Inmiddels zijn de zaken bijgesteld. Een extra belastingheffing bij de hogere inkomens moet daarvoor het benodigde geld opbrengen. De maatregel verdient stellig geen schoonheidsprijs, maar gelet op het doel dat wordt gediend wel waardering. De pil voor de laagstbetaalden wordt in elk geval iets verguld. Gelet op alle koppelingsmechanismen zou mijn fractie de aandacht willen vragen voor het minimumjeugdloon, dat door een koppeling aan de minimumlonen die voor ouderen gelden is opgehangen. Is er een mogelijkheid dat op zo kort mogelijke termijn deze jeugdlonen wat meer en de reguliere minimumlonen respectievelijk de sociale uitkeringen wat minder te laten inleveren? Dat lijkt mij beslist niet onredelijk. Met het oog op de kans tot toetreding tot het arbeidsproces is dit ook in het belang van de jongeren zelf. Ziet de Regering brood in een dergelijke aanpak, te meer nu in de brief van 9 december al wordt aangekondigd, dat de zo geheten staffeling binnenkort zal worden doorbroken? Mijnheer de Voorzitter! Nog een enkel woord naar aanleiding van het verslag van het mondeling overleg inzake de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector. Het voornemen van de Regering, de werknemers bij omroep, uitvoeringsorganen sociale verzekeringen, het GAK, de GMD en de ziekenfondsen aan te wijzen als nieuwe zogenaamde trendvolgers, heeft bij mijn fractie op zijn minst vragen opgeroepen. Over de aangekondigde maatregel is nogal wat onrust ontstaan. Dat is gisteravond ook weer gebleken bij de omroep. Ik behoef dit allemaal niet breed uit te meten. Wij zien voorshands niet in dat de Minister een dergelijke maatregel met overtuiging kan verdedigen. Althans de tot nu toe aangevoerde argumenten zijn voor mijn fractie niet sterk genoeg om voor een dergelijke aanpak het groene licht te geven. Eerlijk gezegd kunnen wij ons de onrust bij de betreffende werknemers voorstellen, omdat zij als trendvolgers worden aangewezen nu de trend een dalende lijn vertoont. Kan de Minister nieuwe argumenten aandragen die ons overtuigen waarom deze ingreep noodzakelijk is, terwijl de toegezegde principiële discussie op dit punt in de Kamer niet heeft plaatsgevonden. Nu in deze dagen zoveel instemming wordt getoond met het akkoord in de Stichting van de Arbeid is het toch een minder gewenste zaak dat vrije c.a.o.-onderhandelingsbevoegdheden aan bepaalde bedrijfstakken wordt ontnomen. Met veel belangstelling wacht ik de reactie van de Minister af. Mijnheer de Voorzitter! Concluderend aan het eind van dit lange betoog, stel ik dat de fractie van de RPF begrip heeft voor de bijzonder moeilijke positie waarin dit kabinet op de drempel van het nieuwe jaar verkeert. In grote lijnen wil mijn fractie de voorgestelde plannen van de Regering steunen maar niet anders dan dat wij ons realiseren dat er geen redelijk alternatief is. Ik hoop dat dit kabinet ons in 1983 een dergelijke wedstrijd vol paniekvoetbal wil besparen en ons op korte termijn een meerjarenplan zal voorleggen. Hopelijk heeft dit kabinet dan een begin gemaakt met een bezinning op de eigen taak en verantwoordelijkheid om vanuit die gedachte te komen tot sanering van de overheidstaken en daarmee het terugdringen van de collectieve uitgaven. Daarop zitten wij te wachten en daarop moet de burger worden voorbereid. De (algemene) beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.30 uur geschorst.

©

De Voorzitter: Geen van beide Kamers der Staten-Generaal heeft uitdrukkelijke goedkeuring gevraagd van de internationale overeenkonv sten, gedrukt onder de nummers 17663 en 17664, die op 12 november 1982 aan de Kamer zijn overgelegd.

Ik stel voor, deze stukken voor kennisgeving aan te nemen. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik ook voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van deze vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.