De gezamenlijke behandeling van: de brief van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Financiën en van Economische Zaken over de koopkrachtontwikkeling in 1983 - Handelingen Tweede Kamer 1982-1983 14 december 1982 orde 9


Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van: de brief van de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Financiën en van Economische Zaken over de koopkrachtontwikkeling in 1983 (17666, nr. 4); de wetsontwerpen: Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (gedeeltelijk achterwege laten van de herziening van de kinderbijslagbedragen per 1 januari 1983) (17467); Nadere wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten, de Wet Werkloosheidsvoorziening en de Wet op de Loonbelasting 1964 (afschaffing minimumdagloon WAO en herziening minimumdagloonbepalingen in de WW en de WWV) (17647); Wijziging van de wet van 20 december 1979, Stb. 711 (Beëindiging vereveningstoeslagen) (17674); Nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver zekering (nadere regeling van de samenloop van uitkering met inkomsten uit arbeid) (17675); Wijziging van de wet van 4 juni 1981, Stb. 350 (vaststelling en verdeling van de premie voor de werkloosheidsverzekering) (17676); Beperking van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 januari 1983(17677); de verslagen mondeling overleg over het Besluit landelijke normering Bijstandswet (17600 XVI, nr. 15 en 17600 XV, nr. 15); het verslag van een mondeling overleg over de tijdelijke Wet Arbeids voorwaarden collectieve sector (17600, nr. 2). De (algemene) beraadslaging wordt geopend.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil beginnen met de notitie 'Koopkrachtontwikkeling 1983' en daarover iets in algemene zin zeggen. Tijdens het debat over de regeringsverklaring is ook door ons geconstateerd, dat het inkomensbeeld voor 1983 onbevredigend was. Wij hebben toen de bereidheid uitgesproken, aan een verbetering van dat beeld bij te willen dragen. Dit leek ons met name van belang om het stichtingsakkoord te helpen verwezenlijken. Overigens is het praten over het z.g. 'inkomensplaatje' een volkssport aan het worden, ondanks het feit dat weinigen enig inzicht in de spelregels hebben. Het lijkt ook een typisch Nederlandse volkssport. Vraagt men Fransen of Engelsen naar modaal, tweemaal modaal, of viermaal modaal in hun land, dan wordt er onbegrijpend teruggekeken. Terecht waarschuwt het kabinet om té veel betekenis aan het koopkrachtplaatje voor 1983 toe te kennen. In dat plaatje wordt een standaardisatie toegepast naar jaar op jaar verandering en naar één specifieke groep inkomenstrekkers, nl. gehuwde werknemers met twee kinderen beneden de 16 jaar en een niet werkende vrouw. Zij maken maar een beperkt deel uit van alle inkomenstrekkers, nl. ca. 15%. Voorts wordt alle aandacht gefixeerd, althans daar lijkt het op, op de inkomensontwikkeling in 1983. In dat verband wil ik ook het kabinet vragen, waarom het nalaat een inkomensbeeld voor 1984 en daarna te geven. Levert dat bij voorbeeld evenredigheid op? De achter ons liggende nivellering wordt verder ook gemakshalve vergeten. Vergeten wordt, dat in de afgelopen tien jaar de koopkracht van de minima, exclusief de echte mini-mumtoeslag in 1981 en 1982, met 14% is gestegen. Die van modaal is gelijk gebleven, die van twee maal Minister De Koning van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

modaal met 10% gedaald en die van viermaal modaal met 14% gedaald. Vergeten wordt, dat inmiddels de netto-inkomensverhouding tussen minimum en modaal, zo'n 47% van de werknemers, 1 op 1,3 is en dan heb ik nog niet eens de tertiaire inkomensinstrumenten daarbij gerekend, dat tussen minimum en anderhalf maal modaal, 88% van de werknemers, die verhouding 1 op 1,9 is en tussen minimum en driemaal modaal, 99% van de werknemers, 1 op 3. Het ideaal van het kabinet-Den Uyl in 1975 was nog een maximale verhouding van 1 op 5. Wij zitten nu bijna voor 99 van de 100 mensen op de helft daarvan. Het streven van de VVD-f ractie is gericht op een evenredig beeld voor de werknemers in bedrijven voor de gehele kabinetsperiode, dus op gelijke percentages in netto termen gezien inleveren door de werknemers. Dat de overgang van het sterk nivellerende verleden naar de toekomst met evenredigheid voor een beperkte groep werknemers boven drie maal modaal een eenmalige vertekening in 1983 oplevert, accepteren wij. Anders zouden wij de progressie zeer scherp moeten laten toenemen, terwijl het middenlangetermijnbeleid, zie de Contourennota, juist het tegengestelde wil bereiken. Met betrekking tot de inkomenspositie van niet werkenden en van de werknemers in de collectieve sfeer houden wij vast aan hetgeen daarover in het regeerakkoord met het oog op de sanering van de financiële positie van het Rijk is overeengekomen. De hedendaagse fixatie op procenten en tienden van procenten koopkracht gaat overigens geheel voorbij aan hetgeen de grote slachtoffers van de economische crisis, de werklozen, hebben te verstouwen. Als men in de WW komt, krijgt men nog 80% van het loon. In de WWV wordt het vervolgens 75%, terwijl men ten slotte in de RWW terugvalt op het niveau van de bijstand, waarbij tientallen procenten worden ingeleverd. De werkloze met een maximale uitkering gaat na 2,5 jaar zelfs met f963 in de maand terug, nadat hij eerst zijn huis eventueel nog heeft moeten 'opeten'. Dat is een regelrechte ramp voor de betrokkene en zijn gezin. De hedendaagse fixatie op het inkomensbeleid voor 1983 gaat ook voorbij aan de rampzalige positie van het bedrijfsleven, die er de oorzaak van is dat een groot aantal mensen wordt uitgestoten uit het arbeidsproces.

Het herstel van dat bedrijfsleven, als bron van duurzame werkgelegenheid, moet nog altijd de hoogste prioriteit hebben. Het stichtingsakkoord wil prijscompensatie omzetten in werkgelegenheid, maar in veel wankelende bedrijven heeft men geen ruimte meer voor enige vorm van prijscompensatie op 1 januari of 1 juli aanstaande. Is er nog hoop op rendementsherstel als alle prijsconv pensatie wordt omgezet in verkorting van de arbeidsduur? Ten aanzien van het inkomensbeeld voor 1983 zet het kabinet ons twee basisprojecties voor. Basisprojectie 1 geeft na verwerking van de reparatiemaatregelen een evenredig inkomensbeeld te zien voor ruim 9 van de 10 werknemers. Alleen boven twee keer modaal is er voor één jaar een breuklijn. Ik heb al gezegd waarom wij dit accepteren. In deze basisprojectie gaat men ervan uit dat de prijscompensatie gewoon bij de werknemers terecht komt. Dit voldoet goeddeels aan de verlangens van de drie verenigde vakcentrales, de FNV, het CNV en de VMHP, als het gaat om het door hen gewenst geachte inkomensbeeld.

De heer Wöltgens (PvdA): Bent u zich er daarbij van bewust dat u de effecten van het vervallen van de solidariteitsheffing niet hebt meegerekend?

De heer De Korte (VVD): Ik heb het uitgangspunt gekozen dat het kabinet heeft genomen bij het presenteren van de basisprojecties, want dan is het wat gemakkelijker discussië-ren.

De heer Wöltgens (PvdA): Het maakt de discussie voor u misschien gemakkelijker, maar voor het feitelijk bezien van de inkomensontwikkeling zou het wellicht verstandig zijn om rekening te houden met het feit dat er een solidariteitsheffing is geweest.

De heer De Korte (VVD): Die heffing was er niet op ons verzoek. Bij de invoering ervan wisten wij al dat er na afschaffing een denivellerend effect zou optreden.

De heer Wöltgens (PvdA): En u wilt daar niets aan doen?

De heer De Korte (VVD): De veroorzaker van dit effect staat thans achter de interruptiemicrofoon.

De heer Wöltgens (PvdA): Moet ik hieruit concluderen dat u zich op geen enkele manier verantwoordelijk voelt voor een rechtvaardige lastenverdeling, indien er sprake is van een inkomenbeeld dat niet door de VVD is veroorzaakt?

De heer De Korte (VVD): Ach, u vraagt naar de bekende weg. Daarom zeg ik het zo. Mijnheer de Voorzitter! Het gaat natuurlijk niet om basisprojectie 1, want dat is immers het beeld van de slechtste uitkomst van het stichtingsakkoord. In die situatie zou het akkoord namelijk geen resultaat hebben, zodat de c.a.o.-werknemers gewoon hun prijscompensatie krijgen. Relevant is derhalve basisprojectie 2, want daarin gaat men uit van het volledig slagen van het stichtingsakkoord. Loonafspraken, de prijscorrv pensatie en effecten van korting en aftopping van de vakantietoeslag worden omgezet in verkorting van de arbeidsduur. Het kabinet ziet dit als het ideale beeld. Na verwerking van de reparatiemaatregelen zou over het dan ontstane inkomensbeeld voor 1983 het volgende zijn op te merken. De mensen met een minimumloon gaan in vergelijking met basisprojectie 1 minder werken, terwijl zij in koopkracht 0,5% vooruit gaan. Alle andere werknemers daarboven gaan met 1,5% tot 3,5% in koopkracht achteruit, als gevolg van de nagestreefde verkorting van de arbeidsduur. Wringt dat niet? Is het niet onlogisch dat een bepaalde groep bij minder werken meer overhoudt? De verhouding tussen minimum en modaal wordt er -zo ziet het er tenminste naar uit -verder door 'ineengedrukt'. Al eerder, op 24 februari 1981, is in deze Kamer met een redelijke meerderheid een motie aangenomen, 16401, nr. 44, waarmee de indieners juist koste wat kost wilden voorkomen dat dat zou gebeuren. In de tweede plaats leveren de middengroepen -kijken we weer naar basisprojectie 2 -het grootste offer. Van een evenredig beeld, waarvan ook de vakbeweging sprak, is dan geen sprake van. Wij althans kunnen het niet anders zien. De in het inkomensbeeld niet opgenomen extra belasting voor tweeverdieners, waarvan er veel voorkomen in de lagere inkomensgroepen, maar ook in de middengroepen, komt daar dan natuurlijk nog bovenop. In de derde plaats geldt dat de uitkeringstrekkers de netto-inkomensontwikkeling van de minimumloners volgen. Zij gaan er dus vergeleken met basisprojectie 1 in basisprojectie 2 een half procent op vooruit. Kortom, het lijkt alsof er een omzetting plaatsvindt van de koppeling op afstand in een koppeling met voorsprong. Ik zou in ieder geval graag van het kabinet vernemen, of Tweede Kamer 14 december 1982

deze conclusie juist is. Want als dat zo is, wordt er in de huidige omstandigheden dan niet erg veel van de actieven gevraagd? Die vraag mag ook gesteld worden in verband met de bereidheid van de werknemers om van het Stichtingsakkoord een volledig succes te maken. Veroorzaken de reparatiemaatregelen dan niet het tegendeel van wat ermee beoogd wordt? Zijn ze dan niet te veel toegesneden op de ex antesituatie, die wij niet wensen, en te weinig op het ex postdoel, dat we allen willen bereiken? Voor ons zijn dit belangrijke vragen aan het kabinet. Wij moeten ons ook ten spoedigste beraden op de gevolgen van arbeidsduurverkorting voor de werking en de inrichting van het koppelingsmechanisme, vooral wat de minimumloners betreft. Is de Regering bereid, op korte termijn een notitie daarover aan de Kamer te sturen, opdat wij daarover in ieder geval gedachten kunnen formuleren? Vervolgens de bevriezingsvoorstellen en de 1%-verhoging. Aan de voorgenomen bevriezing van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen (wetsontwerp 16677) en een zelfde beperking van de salarissen in de quartaire sector is naar onze mening niet te ontkomen. Wij hebben ernaar gevraagd en daarop antwoord-de de Regering dat zonder die maatregel het financieringstekort nog eens met een half procent zou toenemen en de sociale premies met een half procent zouden moeten worden verhoogd om de positie van de sociale fondsen niet verder te verslechteren. Door het amendement-De Vries en De Korte is een deel van de verhoging van het minimumloon per 1 juli 1982, namelijk 1,8%, uitgesteld. Het kabinet heeft door middel van een nota van wijzigingen aangegeven, daarvan 1% per 1 januari aanstaande te willen realiseren. In principe is de VVD-fractie bereid, het kabinet daarin te steunen. Toch nog een vraag. Zou het eigenlijk niet verstandiger zijn, die verhoging van 1% in twee stappen door te voeren? Waarom rijst bij ons die vraag? In zekere zin is er een samenhang met wat ik zoeven heb betoogd. In de eerste plaats is de uitkomst van het Stichtingsakkoord nog onzeker. Wij hopen dat het helemaal lukt. Dan zullen ook de kosten van levensonderhoud een half procent lager uitvallen dan nu is geraamd.

Daarmee wordt automatisch de helft van de door de Regering beoogde verbetering van de koopkracht met 1% ex post bereikt. Dat zien wij toch goed? Ik zie dat de heer Wöltgens de Regering voor wil zijn en mij antwoord wil geven.

De heer Wöltgens (PvdA): Neen, dat probleem is mij veel te ingewikkeld. Ik wil even op iets veel eenvoudigers ingaan. De heer De Korte heeft in juni van dit jaar samen met de heer De Vries een amendement ingediend om een 'uitschuifoperatie' te bewerkstelligen, het niet laten doorgaan van de toen aan de orde zijnde indexatie van 1,84% voor de minimumlonen en de daaraan gekoppelde uitkeringen. De bedoeling was, die indexatie een halfjaar uit te stellen, dus tot 1 januari 1983. Nu is het bijna 1 januari, en wat zegt dezelfde heer De Korte: 1% is eigenlijk al te veel, per 1 januari; wellicht kunnen we met een half procent volstaan. Komt dat er eigenlijk niet op neer, dat hij eerst bepaalde verwachtingen wekt bij een groep, die hij al een halfjaar nadeel heeft bezorgd en dat hij die vervolgens nog eens -in zijn opvattingen dus dubbel -pakt?

De heer De Korte (VVD): De heer Wöltgens heeft goed begrepen dat het over een uitschuifoperatie ging. Bij die uitschuifoperatie stond echter niet dat dit voor een halfjaar zou gelden. Er stond dat die uitschuif zou worden gerealiseerd op het moment waarop dat met betrekking tot de inkomensbeelden verantwoord was. Het is goed dat dit hier nog eens wordt gesteld, omdat de indieners toen een tijdelijke uitschuif beoogden. Zij hebben daarbij niet gezegd wanneer die rechten zouden worden ingevuld. Het kabinet neemt daar dus nu 1 % van op. Je kunt ook de methode toepassen die ik nu vragenderwijs opwerp. Bij een volledige omzetting van de prijscompensatie van de werknemers treedt de zoeven al gesignaleerde verdere ineendrukking tussen minimumloon en modaal loon op. Wordt een '/2% uitschuif per 1 januari gegeven, dan gebeurt dat in mindere mate in die eerste helft. Bovendien treedt dan in die eerste helft niet de anomalie op van koopkrachtverbetering voor minimumloners, terwijl ze minder werken. Dat is juist de periode waarin het Stichtingsakkoord werkzaam is en wij moeten bezien in hoeverre dat tot volledig succes leidt.

Wij zullen dan ook in het eerste halve jaar de mogelijkheid hebben, de post van f225 miljoen te gebruiken voor de echte minimavoorzieningen. Op dat moment hebben wij de belasting op tweeverdieners als dekkingsmaatregel nog niet nodig. Het kabinet wenst nog geen definitieve beslissing over de in-dexaanpassing per 1 juli 1983 van 1,8% te nemen. Een tweede stap van die '/2% zou ten bate van de minima in samenhang daarmee kunnen worden bezien. Dit alles moet gezien worden in het kader van de voortgang van de uitwerking van het Stichtingsakkoord. Zou dit Stichtingsakkoord onverhoopt niet het succes opleveren dat het behoort op te leveren, dan krijg je basisprojectie 1 terug en dan heb je die volle 1 % zonder meer nodig, omdat er anders geen evenredig beeld ontstaat. De VVD-fractie is zich er dan ten volle van bewust dat wij f225 miljoen budgettaire dekking moeten aangeven. Dan rijst bij ons de vraag of dit moet gebeuren met betrekking tot de belastingheffing op de tweeverdieners of dat dit kan gebeuren door een intensivering van de maatregel die nu kan worden aangeduid als de schijvenmaatregel, zodat je daar dan in plaats van f600 miljoen, f825 miljoen uit kan krijgen. Wij zitten dan op basisprojectie 1 en daar zie je ook dat -en dat weet ook de heer Wöltgens want die kijkt alle getallen goed na -er helemaal geen nivellerend effect in zit. Je zou dan van zo'n schijvenmaatregel nauwelijks nadelig effect ondervinden.

De heer Wöltgens (PvdA): Ik kan mijn verheugenis bijna niet op als ik hier de heer De Korte hoor pleiten voor een aanscherping van de tarieven en de inkomstenbelasting. Wij zullen met amendementen en voorstellen komen waarin dat ook wordt bepleit en ik hoop dat wij op de warme instemming van de heer De Korte kunnen rekenen. In elk geval blijkt uit zijn verhaal dat er kennelijk in die inkomstenbelastingsfeer meer mogelijk is dan het kabinet tot nu toe heeft gedaan.

De heer De Korte (VVD): Het is bij ons niet 'en' 'en'. Ik spreek voorts over een situatie waarin wij moeten bekijken hoe het verder gaat met betrekking tot de uitvoering van het stichtingsakkoord. Zou onverhoopt het beeld van basisprojectie 1 opdoemen, dan vinden wij dat verantwoord. Ik wil thans een opmerking maken over de belasting op tweeverdieners. De maatregel voor de circa 400.000 echte minima -inclusief kleine Tweede Kamer 14 december 1982

zelfstandigen; ik herhaal dit met grote nadruk -ten bedrage van f225 miljoen moet er in 1983 komen. Dat staat buiten kijf. Hun inkomensoffer moet zoveel mogelijk tot nul worden teruggebracht. Het kabinet slaagt daar onzes inziens vrij goed in. Wij hebben twijfels over de voorgestelde wijze van dekking. Ik heb dus al gesproken over mogelijke alternatieven, afhankelijk van de projectie waarin wij zullen belanden. Waarom heeft de VVD-fractie moeite met deze maatregel, al is die als tijdelijk bedoeld? Ik som enkele punten op. Ik vraag ook aan het kabinet om die nog eens goed te wegen. Ik de eerste plaats maakt de maatregel in onze optiek een onderscheid tussen gehuwde tweeverdieners en samenwonenden beneden 35 jaar enerzijds en samenwonenden boven 35 jaar anderzijds. Dat verschil in behandeling wordt zelfs vergroot. Zien wij dit goed? In de tweede plaats lijkt de maatregel een stap op weg naar gelijke fiscale behandeling van werkende vrouwen en mannen. Dat zegt het kabinet ook, maar zij is het toch eigenlijk niet, want zaken als aftrekposten, de behandeling van vermogensbestanddelen (kijk maar naar de Nota 'Op weg') blijven erbuiten. Voetoverheveling, zoals daarin wordt voorgesteld, blijft erbuiten. In de derde plaats wordt de discussie over de Nota 'Op weg' naar ons gevoel eerder bemoeilijkt dan vergemakkelijkt, als 225 miljoen een bijzondere bestemming krijgt en niet gebruikt kan worden om andere onrechtvaardigheden binnen het huidige systeem te verwijderen. In de vierde plaats zouden wij nog eens van het kabinet willen horen hoe het de uitvoeringsproblemen ziet. Wij hebben het idee dat die toch wel erg groot zullen zijn en dat controle op een eerlijke naleving niet eenvoudig zal zijn. Gaan gehuwde vrouwen bij voorbeeld niet ophouden met werken, zodra men de belastingvrije som van f7381 nadert? Worden geen huwelijken uitgesteld? Over de kinderbijslag kunnen wij kort zijn. Dat is een beetje een heen-enweerverhaal geworden tussen het kabinet en het parlement. Aanvankelijk nam het kabinet zich voor, de kinderbijslagbedragen te bevriezen (eerste nota van wijzigingen wetsontwerp 17476), maar met een tweede nota van wijzigingen laat het die aanpassing achterwege voor eerste en tweede kinderen. Het kabinet heeft hiermee aan een van de wensen van de vakbeweging tot reparatie van het koopkrachtbeeld in 1983 willen voldoen. Wij gaan in die overweging mee, hoewel wij er de kanttekening bij plaatsen dat het de collectieve uitgaven weer met 150 miljoen verhoogt. Dan een onderwerp dat ook door de vakbewegingsvertegenwoordigers naar voren is gebracht; ik zou zeggen: het verenigd front van vakcentrales. Wij hebben niet vaak meegemaakt dat die drie zo gebroederlijk zijn opgetrokken. Dit is de kwestie van de vertraging van het herstel van de fondsreserves. De drie vakcentrales hebben ons voorgehouden het tijdpad van het herstel van de fondsreserves enigszins te vertragen. Het geeft een positief koopkrachteffect door lagere premies van ca. een half percent. Het kabinet voelt er niet voor vanwege de fondsposities en de doorwerkingskosten van 500 miljoen voor de schatkist. Die doorwerkingskosten staan niet in het voorstel van de drie vakcentrales vermeld. Zou het kunnen zijn dat zij de maatregel alléén voor de bedrijvensector willen laten gelden? Dat kan toch? Als wij daar nu eens van uitgaan, dan zouden er toch positieve kanten aan kunnen zitten? Ik vraag dit aan het kabinet. Ik geef het in overweging om de volgende redenen. Aannemende dat het stichtingsakkoord lukt (weer dus basisprojectie 2) dan is het gevaar van bestedingsuitval niet denkbeeldig. En voor een wiebeltaxmaatregel mist het kabinet de ruimte bij een nog oplopend financieringstekort. Trager herstel van de fondsreserves zou een aanvaardbare conjuncturele lastenverlichting kunnen zijn in 1983. Als het stichtingsakkoord succesvol is, zal er ook minder uitstoot van arbeidskrachten zijn in 1983 en dan mag worden aangenomen dat het beroep op de fondsen minder kan worden dan nu is aangenomen. Een trager herstel van de fondsreserves zal natuurlijk financieringsproblemen geven op bepaalde piektijden met betrekking tot de uitbetalingen, maar pooling van de fondsen zou wellicht hieraan kunnen tegemoetkomen. Voorts maakt de ingezette rentedaling het tussentijds lenen op de kapitaalmarkt misschien minder problematisch dan nog recentelijk het geval was. Deze door de vakcentrales voorgestelde premieverlichting werkt niet ongunstig voor de middengroepen en die moeten in basisprojectie 2 de grootste koopkrachtoffers brengen.

Zou dit niet een compensatie in gunstige zin kunnen betekenen? Wij zouden het kabinet willen vragen deze argumenten terdege te wegen Ik kom dan aan de beëindiging van de vereveningstoeslagen. Bij de invoering van de Wet aanpassingsmechanismen op 20 december 1979 (WAM voor ons allen) was de VVD-f ractie met het toenmalige kabinet van mening dat er voor de bovenminima in de WAO een geleidelijk af te bouwen toeslag moest komen. Op aandrang van een kamermeerderheid kwam er uiteindelijk een bevroren toeslag. Onder het kabinet-van Agt II is een maatregel ontworpen om deze toeslag voor de bovenmodale WAO-ers af te schaffen. Deze maatregel is door het interim-kabinet Van Agt III overgenomen en als zodanig bij de Kamer ingediend. Tegen die vorm van afschaffing heeft de VVD zich in juni van dit jaar scherp verzet. Wij hebben toen gepleit voor een gefaseerde vermindering tot nul over de gehele linie. Het wetsvoorstel is ingetrokken na aanneming van het 'uitschuifamendement' van de leden B. de Vries en De Korte. Daardoor werd het budgettaire probleem voor 1982 opgelost. Deze voorgeschiedenis laat zien dat kabinetten van zeer verschillende politieke samenstelling bezig zijn geweest om de WAM-toeslag af te schaffen. Het kabinet-Lubbers/Van Aardenne is nu aan de beurt, een poging in die richting te wagen. Ofschoon het cumulatieve effect van deze maatregel in samenhang met de andere voorgestelde maatregelen ons bepaald zorgen baart -wij verwijzen daarbij naar de tabel van de koopkrachtontwikkeling voor WAO'ers in 1983, zoals gepresenteerd in de nota naar aanleiding van het verslag op wetsontwerp 17677 -zijn wij ervan overtuigd dat wij niet anders kunnen dan het kabinet steunen. Wij hebben dit voor ons zelf nog eens willen beredeneren. Wij zullen het kabinet in dezen om de volgende redenen steunen. 1. De zeer zorgwekkende financieel-economische toestand meteen financieringstekort van 12% in 1983 en een collectieve-uitgavendruk van 70% maakt ingrijpende maatregelen in de sociale sfeer onvermijdelijk. Uit de beschikbare ombuigingsmogelijkheden dient daarbij allereerst gekozen te worden voor maatregelen waarbij relatieve voordeelposities worden teruggebracht tot nul, alvorens algemene offers worden gevraagd. De voorgestelde maatregel houdt de beëindiging van een voordeelpositie in.

2. De rechtsongelijkheid die door de WAM-toeslag is ontstaan tussen uitkeringsgerechtigden vóór en na 1 januari 1980 vraagt om correctie. Naar de mate dat de nieuwe gevallen een groter deel van het bestand uitmaken, valt deze rechtsongelijkheid moeilijker te verantwoorden. 3. De WAO wordt gefinancierd via het omslagsysteem. Als het draagvlak op jaarbasis daarvoor gaat ontbreken door een afbrokkelend bedrijfsleven en een teruglopend aantal actieven, is aanpassing van de uitkeringen een logisch gevolg van de financieringswijze. Wij zijn het eens met het kabinet dat er in die zin geen sprake kan zijn van onaantastbare verworven rechten. Dat gold blijkbaar ook voor de kabinetten-Van Agt II en -Van Agt III. Het lijkt mij voor de fracties van de PvdA en D'66 goed om zich dat te realiseren! 4. De afschaffing van de verevenings toeslag doorkruist de discussie over de stelselwijziging niet. Juist met het oog daarop had de afschaffing vroeger of later toch moeten plaatsvinden. 5. De modale WAO'er met een vereveningstoeslag gaat er gecumuleerd met 7,5% in koopkracht op achteruit. Dat is een bedrag van f82 per maand. Voor de WAO'er op het maximum gaat het om een achteruitgang van f173 per maand. Dat zijn enorme offers. Toch worden de werklozen met relatief veel hogere teruggangen in inkomensposities geconfronteerd, zoals ik al zei. Een werkloze met een modale WW-uitkering gaat er na een half jaar bij de overgang naar de WWV alleen om die reden met f64 per maand op achteruit en na twee jaar bij de overgang naar de RWW met nog eens f99 per maand. Daarbovenop komt de teruggang die voor iedereen geldt. Enfin, hetzelfde verhaal geldt in sterkere mate voor degenen die daar boven zitten. Het allersterkste geldt het voor de maximale WW-uitkering, waar bij overgang naar de RWW f 963 per maand moet worden ingeleverd, met opeten van het eigen huis. In dit licht bezien zitten uitkeringsgerechtigden in de WAO, die hun vereveningstoeslag kwijtraken, altijd nog in een voordeelpositie. Zij zitten eigenlijk nog in een redelijk beschermde inkomenspositie. Het maakt ook duidelijk wat voor regelrechte ramp vooral langdurige werkloosheid voor individuele werklozen en hun gezinnen betekent en hoezeer het nodig is dat wij al deze offers brengen om de ergste nood van de werkloosheid te lenigen. 6. Ten slotte worden de minima in de WAO -ook al zijn ze van vóór 1 januari 1980 -niet door de afschaffing van de vereveningstoeslag gedupeerd. Zij volgen via de nettonettokoppeling de koopkracht van het minimumloon en zij ontvangen daarenboven de voorziening voor de echte minima. Ik ben in mijn afweging zeer uitvoerig geweest, omdat dit in onze optiek noodzakelijk is. Ik veronderstel dat iedereen dezelfde moeilijke afweging zal moeten maken. Nu wij deze afweging met pijn in het hart hebben gemaakt, zeggen wij toch: het moet maar. Een eenmaal verleend voordeel kan in tijden van aanzienlijke inkomensoffers bij discontinuering een extra nadeel worden. De maatregel voor de WW-premie strekt ertoe dat de tot 1 januari aanstaande geldende tijdelijke vaststelling en verdeling van de WW-premie voortduurt totdat de integratie van de werkloosheidsregeling haar beslag krijgt. Deze integratie maakt deel uit van de plannen tot herziening van het stelsel van sociale zekerheid. In het vroege voorjaar zal de desbetreffende adviesaanvrage aan de SER en de Emancipatieraad gereed zijn. Dan kan in het parlement dus de discussie over de wijziging van het stelsel worden voortgezet. Het tijdpad overziende, komen wij echter tot de conclusie dat een wettelijk geregelde integratie van de werkloosheidsregelingen op z'n vroegst vanaf 1 januari 1985 kan bestaan. Hierbij dient immers te worden bedacht dat de organisatie van een geïntegreerde regeling de nodige voeten in de aarde zal hebben. Zijn de bewindslieden het derhalve met ons erover eens dat deze tijdelijke regeling vermoedelijk tot 1 januari 1985 moet voortduren? Anders dan het SER-advies voor 1983 luidde, heeft de Regering bepaald dat de WW-premie in 1983 voor 100% voor rekening van de werknemers komt. Het volgen van het SER-advies zou een terugkeer betekenen naar de situatie voor 1 juli 1981, waarin de helft van de premie voor rekening van het Rijk kwam en de andere helft ervan in gelijke delen voor rekening van werkgevers en werknemers. Wij kunnen dan ook niet anders dan het kabinetsvoorstel steunen, om de volgende redenen. De lasten voor het Rijk uit hoofde van de RWW-en WWV-uitkeringen zijn in de afgelopen jaren opgelopen van 0,7 miljard in 1973 naar 6,8 miljard gulden in 1982. Hiermee komt, zoals aangegeven door het kabinet, al ruim de helft van de werkloosheidslasten voor rekening van het Rijk. Voorts stijgt het financieringstekort in 1983 verder tot 12%. In dit kader past het, de rijksbijdragen aan de fondsen, dus ook het AWF, waar mogelijk terug te trekken. De derde reden is dat het bedrijfsleven het economisch herstel moet dragen. Daarom moeten de lasten voor werkgevers in termen van de loonsom minstens worden gestabiliseerd en zo mogelijk worden verlaagd. Met het oog hierop kan men niet anders concluderen dan dat de WW-premie geheel door de werknemers moet worden gedragen. Dit brengt mij op de premiehoogte. In het regeerakkoord is overeengekomen dat de premies van de werknemersverzekeringen naar het kostendekkende niveau dienen te worden opgetrokken. Hierbij moeten de werkgeverspremies, zoals ik heb gezegd, worden ontzien. Met welk tempo moet dit echter gebeuren? Dit is eigenlijk een vervolg op mijn betoog naar aanleiding van datgene wat de vakcentrales hebben voorgesteld. Naast de kostendekkende premie is een opslag nodig voor de toegenomen behoefte aan financieringsdekking in verband met de gestegen omzet. De feitelijke premie is derhalve afhankelijk van de vermogenspositie van de fondsen. Deze is in de afgelopen jaren fors uitgehold en moet dus worden aangezuiverd. Moet dit echter allemaal in één jaar gebeuren? Wat is de 'vermogensinhaal' in 1983 op basis van de nu vastgestelde WW-premie van 4,3%? Moeten de vermogensposities van de fondsen, zoals ik al heb gezegd, niet gezamenlijk worden gezien? Mede in het licht van het vertraagde tijdpad waarover ik zoeven sprak, vraag ik het kabinet welke mogelijkheden de WW-premie ter zake biedt. Op de agenda staat ook de brief over de niet-trendvolgers in de collectieve sector. Hierover heeft verleden week een mondeling overleg plaatsgehad. Bij deze niet-trendvolgers gaat het om de werknemers van de uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid, ziekenfondsen en omroeporganisaties. Zij zijn ongeveer 35.000 in getal. Het wel of niet onder de feitelijke toepassing van de tijdelijke Wet arbeidsvoorwaarden collectieve sector brengen van deze groepen is een onderwerp dat met hardnekkigheid in deze vergaderzaal terugkeert.

Wij herinneren ons discussies hierover met de ministers Albeda, Den Uyl en De Graaf en nu is het de beurt aan Minister De Koning. Hij komt met, naar hij vindt, nieuwe argumenten. Ik was woordvoerder voor de VVD bij alle voorgaande gelegenheden en heb dus de mogelijkheid, alle argumenten van toen en nu te wegen. Ik moet de Minister daarom zeggen dat ikgeen nieuwe argumenten hoor. Misschien kan hij hierop nog eens ingaan. Ik concludeer dan ook tot het volgende. In de eerste plaats: indertijd is aan de betrokken groepen bij alle discussies toegezegd, dat zij niet onder de werkingssfeer van de tijdelijke wet zouden worden gebracht tot er een meer structurele wet zou komen. Ik verwijs naar het nog steeds in behandeling zijnde wetsontwerp nr. 16505. De memorie van antwoord is binnen. Zo'n toezegging kan natuurlijk niet anders dan met klemmende redenen worden ingetrokken. In de tweede plaats: zitten die klemmende redenen aan de budgettaire kant van de zaak? De Minister heeft tot op heden geen antwoord kunnen of willen geven op de vraag wat het kabinet budgettair in 1983 scheelt. Ik wil niet over een lange periode praten, want ik vind dat het veel eerder moet worden geregeld. In het geval van de omroepwerknemers bovendien, stelt de meest betrokken Minister zelf de onderhandelingsruimte vast en achteraf worden de c.a.o.-resultaten goedgekeurd. Wat is er eigenlijk nog voor een betere beheersing nodig? In de derde plaats: de betrokken groepen vielen ook tijdens de bestekkortingen buiten de tijdelijke wet. Bij de bestekkortingen ging het evenzeer als nu om de beheersing en de terugbrenging van de collectieve uitgaven. Of zie ik dit verkeerd? In de vierde plaats: de betrokken groepen hebben toch niet bij toeval in het verleden de parallellie met de arbeidsvoorwaarden in de particuliere sfeer gekozen. Zij deden dit toen het gunstiger was om trendvolger te zijn. Dat was in het begin van de jaren '70. De argumenten om trendvolger te blijven lijken ons nauwelijks zwakker geworden, eerder sterker, als je alleen al kijkt naar de mogelijkheden tot privatisering in het technische bedrijf van de omroep en zelfs in het ziekenfondswezen en in het sociale verzekeringswezen. In de vijfde plaats hebben wij het gevoel dat uit weinig blijkt, dat de betrokken groepen uit de pas zijn gelopen en dat zij zich niet keurig zouden hebben gedragen. Voor het komende jaarzullen zij in het verlengde van het stichtingsakkoord hun loonafspraken c.q. prijscompensatie geheel omzetten in werkgelegenheid. Onze conclusie kan dan weinig anders zijn dan dat wij de Minister zouden willen verzoeken, te doen wat zijn voorgangers al deden, namelijk nog even wachten tot de meer structurele wetgeving er is. Wij hopen dat het wetsontwerp nr. 16505 onder zijn deskundige leiding met hernieuwde inzet spoedig zal kunnen worden afgerond. Wij zijn al een heel eind.

De heer Buurmeijer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Mag ik de heer De Korte een vraag stellen? Zijn gehele pleidooi kan naar mijn mening maar op een manier uitmonden. Gaat hij zijn motie die hij in juli in de eerste termijn indiende, nu weer opnieuw tot leven brengen? Die motie hangt namelijk nog boven de markt.

De heer De Korte (VVD): Als ik de motie nu in stelling had willen brengen, dan had ik dat op dit moment gedaan. Ik wacht echter af, hoe het debat zich op dit punt ontwikkelt. Ik wacht af wat het kabinet zegt, wat u bij voorbeeld zegt. Wij behoeven niet voor niets weer moties ter tafel te brengen.

De heer Buurmeijer (PvdA): Dat gevoel had ik in juli ook, maar ik meende dat u de motie vergat en daarom herinner ik u er even aan.

De heer De Korte (VVD): Mijn herinnering ter zake is erg goed. Ik heb al gezegd dat ik alle debatten hierover heb mogen meemaken. Ik weet wat er dus allemaal heeft gespeeld, zeker als het van mijn eigen hand kwam. Tot slot de bijdrage met betrekking tot de normering in de bijstand. In een aantal mondelinge overleggen heeft de fractie van de VVD gepoogd, de vrijstelling van bijverdiensten van bijstandstrekkers in een andere vorm te gieten dan in eerste aanleg door het kabinet werd voorgesteld. Onlangs heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken ingestoken op de voorstellen van de commissie. Met name de eenoudergezinnen worden in de nieuwe voorstellen van het kabinet in een gunstiger positie gebracht. De eerste f 72,60 van de bijverdiensten worden buiten de korting gehouden. Jammer vindt de VVD, dat om dit te bereiken weliswaar de maximale vrijlating van f217 onaangetast wordt gelaten, maar het vrijlatingspercentage van 30% naar 25% wordt teruggebracht. Vooral van de zijde van de VVD is opgemerkt dat rekening zou moeten worden gehouden met inverdieneffecten op aangrenzende terreinen, zoals de huursubsidie en dergelijke. Van de kant van de Regering worden die op nihil gezet. Nog een vraag over de eenmalige uitkeringen. De Staatssecretaris stelt in zijn brief: Hun gunstige effect op het bedrag benodigd voor de eenmalige uitkeringen aan de echte minima zijn te verwaarlozen gezien de bandbreedte bij hettoetsingsinkomen, slechts in een zeer uitzonderlijk geval tot de echte minima zullen behoren. Ongelooflijk moeilijk proza, overigens. Is het niet juist zo, dat eenoudergezinnen, vanwege de betere mogelijkheden voor hen om bijverdiensten te hebben, niet meer tot de echte minima zullen behoren? Stimulering tot arbeidsdeelneming is het hoofdargument bij de vrijlating van een deel van de bijverdiensten. Dit is nu, zij het in beperktere mate dan voorheen, in de voorstellen van het kabinet opgenomen. Dat vinden wij een goede zaak.

©

R.L.O. (Robin)  LinschotenDe heer Linschoten (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Namens mijn fractie zal ik spreken over wetsontwerp 17647 betreffende de minimumdaglonen en wetsontwerp 17675 betreffende de samenloop. Over wetsontwerp 17647 merk ik het volgende op. De Staatssecretaris heeft in ons verslag naar aanleiding van dit wetsontwerp kunnen lezen, dat de VVD-fractie niet heeft staan juichen bij het ontvangen van deze voorstellen. Het is uiterst onbevredigend om, in afwachting van de afronding van de discussie over de toekomst van ons stelsel van sociale zekerheid, nu om wille van overigens naar het oordeel van de VVD-fractie noodzakelijke bezuinigingen beslissingen te nemen die de wortels van ons stelsel van sociale zekerheid raken. Keuzes die te maken hebben met gelijke behandeling van verschillende samenlevingsvormen, de vraag in hoeverre de aanwezigheid van andere inkomens in een woonleefeenheid de rechten kunnen bepalen van individu-en binnen die eenheid zijn voor de VVD-fractie zo fundamenteeel, dat wij van oordeel zijn dat eigenlijk niet op een achternamiddag om wille van uitgavenbeperkingen definitieve besluiten ten aanzien van deze materie kunnen worden genomen.

Voorwaarde voor de VVD-fractie om akkoord te kunnen gaan met dit wetsontwerp is de toezegging van de Staatssecretaris, dat het hier om een zaak gaat die op geen enkele wijze keuzes in het kader van die stelselwijziging uitsluiten, ook niet wat dit kabinet betreft. Ik stel deze vraag zo nadrukkelijk omdat de Minister uit het vorige kabinet die zijn handtekening onder dit wetsontwerp heeft gezet, De Graaf, in de memorie van toelichting stelt: 'De doelstelling van de Regering om in de toekomst de minimumuitkeringen ingevolge de WAO, de WW en de WWV beter aan te passen aan de relatieve behoefte van de individuele uitkeringsgerechtigde kan worden bereikt door de in die wetten opgenomen minimumdaglonen alleen te laten gelden voor degenen, die gezinslasten hebben.' Ik verneem graag van de huidige Staatssecretaris wat dienaangaande de opvatting is van het huidige kabinet. Aan welke voorwaarden moeten personen overigens voldoen om geacht te worden gezinslasten te hebben? Kunnen het alleen personen zijn die gehuwd zijn, personen die kinderen hebben of zijn er andere categorieën -mijn fractie meent van wel -die aan dat criterium voldoen? Als dit wetsontwerp voor het einde van het jaar in het Staatsblad wordt geplaatst zal met ingang van 1 januari meer rekening worden gehouden met de gezinssituatie bij minimumuitkeringen wat betreft de WAO, de WW en de WWV. Het gaat om een voorstel van het vorige kabinet, dat volgens de miljoenennota in 1983 een besparing oplevert van zo'n 55 min. Op het ogenblik komen voor de optrekking tot het minimumloon van de WW-en de WWV-uitkering in aanmerking hoofden van gezinnen, kostwinners die geen hoofd van een gezin zijn en een ieder die ouder is dan 35 jaar. Voor de optrekking van de uitkering zullen in aanmerking blijven komen uitsluitend gehuwde werklozen en ongehuwde werklozen die een kind jonger dan 18 jaar tot hun last hebben, indien overigens naast een uitkering, eventueel samen met hun echtgenoot, doorgaans niet meer inkomsten uit arbeid worden genoten dan 25% van het minimumloon. Dit brengt drie vrij wezenlijke veranderingen ten aanzien van deze problematiek met zich. In eerste instantie wordt er, waar het de WAO betreft, een kostwinnersbeginsel ingevoerd. In tweede instantie wordt het kostwinnersbeginsel dat in de WAO wordt ingevoerd maar in een aantal andere wetten al bestond nu geherdefinieerd. De mensen die vroeger onder het kostwinnersbegrip vielen vallen er nu niet meer allemaal onder. Het derde punt is dat rekening gaat worden gehouden met de inkomsten van de echtgenoot. De VVD-fractie vindt het onbevredigend dat deze drie onderwerpen nu al bij dit wetsontwerp in termen van ombuigingen aan de orde komen. Wij hadden liever gezien dat beslissingen met betrekking tot dit soort zaken zouden kunnen worden uitgesteld tot wij conclusies trekken in de discussie over de stelselwijziging. De verouderde term 'hoofd van het gezin' verdwijnt uit de sociale wetgeving. Namens de VVD-fractie vraag ik de Staatssecretaris of ook het criterium 'gehuwd' niet als verouderd moet worden beschouwd in het kader van de sociale wetgeving, gezien datgene wat zich op dit moment in onze maatschappij voordoet. Verkeert een ongehuwde werkloze niet menigmaal in dezelfde situatie als zijn gehuwde collega? Hoe verhoudt zich dat tot de gelijkberechtiging? Hoe verhoudt dat criterium 'gehuwd' zich tot de Europese richtlijnen inzake de sociale wetgeving? Voor december 1984 moet het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, ongeacht hun huwelijkse staat, in de sociale zekerheid zijn geregeld. Mijnheer de Voorzitter! Ik heb de eer op dit punt een motie aan de Kamer voor te leggen.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Linschoten en De Korte wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat het wenselijk is in het kader van de sociale verzekeringen geen verschil te laten bestaan tussen de rechtspositie van gehuwden en ongehuwd samenwonenden; overwegende, dat dat verschil in diverse regelingen bestaat en ook bij wetsontwerp 17647 niet aan de genoemde wenselijkheid wordt voldaan; verzoekt de Regering, bij nadere wetgeving in de sfeer van sociale verzekeringen aan de wens van gelijke berechtiging van gehuwden en ongehuwd samenwonenden te voldoen, en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 9(17647).

De heer Linschoten (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Verdeling van arbeid, deeltijdarbeid, duobanen staan op dit moment in het centrum van de belangstelling. Ook dit kabinet heeft aangegeven, een voorstander te zijn van noodzakelijke verdeling van arbeid. Het debat van vanmiddag met betrekking tot het parapluwetje heeft wat dit betreft een aantal zaken duidelijk gemaakt. Kan de Staatssecretaris aangeven, wat naar zijn oordeel de rechtspositie in de sfeer van de sociale zekerheid zou moeten zijn van een ongehuwd kinderloos persoon, die bereid is een zodanig deel van zijn werk en inkomen in te leveren, ten behoeve van iemand, die op dit moment werkloos is, zodat hij nog net in staat is naar zijn eigen oordeel op een normale manier in zijn bestaan te voorzien? Wellicht kan de Staatssecretaris zijn antwoord plaatsen tegen de achtergrond van dit wetsontwerp. Mijnheer de Voorzitter! De fractie van de VVD is als zodanig niet ongelukkig met het alvast gedeeltelijk afschaffen van de minimumdagloonregelingen. Onze voorkeur gaat uit naar een sociaal verzekeringssysteem -met de nadruk op het woord 'verzekering' -zonder minimumdagloonregelingen, maar met een goed vangnetsysteem, zodat voorkomen wordt, dat mensen tussen wal en schip geraken. Ik zou de Staatssecretaris willen vragen of hij dit wetsontwerp wellicht beschouwt als een eerste stap in die richting. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans te spreken over het wetsontwerp nr. 17675. Het gaat eigenlijk om een drietal wijzigingen: De samenloop van inkomsten uit arbeid, die als passend moet worden gezien ten opzichte van een AAW-of WAO-uitkering; ditzelfde in relatie tot niet passende arbeid en de relatie tussen het WSW-loon en de WAO-of AAW-uitkering. De fractie van de VVD is gelukkig met het feit, dat het kabinet conform het advies van de SER een regeling voorstelt, waarbij de WSW-werknemers gelijk worden behandeld als de overige werknemers. Door de voorgestelde nieuwe regeling zullen betrokken werknemers in geval van zo'n samenloop niet meer ontvangen dan ongeveer 90% van hun WAO-dagloon. De anti-cumulatiegrens komt in beginsel te liggen op 90% van de AAW-grondslag, respectievelijk 90% van het WAO-dag-Tweede Kamer 14 december 1982

loon. Bovendien worden alle inkomsten uit arbeid verricht in een periode, waarover AAW-of WAO-uitkering wordt ontvangen, in de anti-cumulatie betrokken. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de met betrekking tot de artikelen 33 en 34 van de AAW en de artikelen 44 en 45 van de WAO in de praktijk gegroeide werkwijze, zoals deze kunnen blijken uit de door de Federatie van bedrijfsverenigingen uitgegeven richtlijnen, alsmede uit de uitvoeringspraktijk, in hoofdzaak in de wet vast te leggen, waardoor een gelijke behandeling in gelijke gevallen wordt gewaarborgd, en naar het oordeel van de fractie van de VVD de rechtszekerheid wordt bevorderd. Mijnheer de Voorzitter! Het leggen van de anti-cumulatiegrens bij 90% is naar het oordeel van de fractie van de VVD een redelijk gemiddelde: tussen de 80% uitkering in geval van volledige uitkering en de 100% salaris bij volledige hervatting van passende arbeid. Resumerend merk ik op, dat een grotere rechtszekerheid en een grotere rechtsgelijkheid ontstaan. Voor alle inkomsten uit arbeid wordt een gelijke anti-cumulatiegrens voorgesteld, of het nu WSW-loon of ander loon betreft, of het inkomsten voor bepaalde of onbepaalde duur betreft, in alle gevallen een gelijke behandeling. Dit zijn de argumenten, op grond waarvan de fractie van de VVD met dit wetsontwerp akkoord kan gaan.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil beginnen met een enkele opmerking over de procedure, die is gevolgd bij de voorbereiding en die wordt gevolgd bij de afhandeling van de wetsontwerpen, waarover wij nu spreken. Het is buitengewoon betreurenswaardig dat dergelijke, ingrijpende wetsontwerpen met grote gevolgen voor erg veel mensen in dit land in zo'n korte tijd en na zo'n snelle en chaotische procedure door het parlement worden gejaagd. Het gaat hierbij om wetsontwerpen, waarmee pak weg f2,5 miljard aan de uitkeringstrekkers ontnomen wordt; als het een beetje tegenzit, worden ook de minima nog op een fikse inkomensachterstand gezet. Dat is dus de kwaliteit van de Nederlandse parlementaire besluitvorming. Wat een van de belangrijkste debatten dit jaar had moeten worden, wordt in een mum van tijd aan het eind van het jaar door de Kamer afgeraffeld.

Al bij het debat over de regeringsverklaring is van onze kant forse kritiek geuit op het inkomensbeeld, waarin de hoge inkomens vrijwel zonder koopkrachtverlies het komende jaar tegemoet konden zien. Het was technisch niet mogelijk, maatregelen te ontwerpen, die de hogere inkomens evenredig of meer zouden treffen, betoogde de Minister-President toen, overigens zonder succes. Want aan de heer Van Dam komt de eer toe dat die redenering in enkele minuten werd doorgeprikt en dat duidelijk werd dat puur beleidsmatige overwegingen aan dat scheve inkomensplaatje ten grondslag lagen. Pure onwil dus van de kant van het kabinet en de regeringspartijen om die plannen bij te buigen. Drie weken later blijkt die onwil opnieuw. Met veel pijn en moeite levert de minimumloner 1% minder in, maar toch nog altijd even veel als de vier en vijf keer modalen, ten minste als de maatregelen die de vier en vijf keer modalen zouden moeten treffen doorgaan. Daarvan staat namelijk, zoals vanmiddag nog is gebleken, nog helemaal niets vast. Enige argumentatie voor deze forse looningrepen kan tegenwoordig volledig achterwege blijven. Verwezen wordt slechts naar de slechte financieeleconomische situatie van ons land. Het wordt al niet meer nodig geacht, zich af te vragen of korten op uitkeringenen lonen wel een oplossing biedt voor die economiscche situatie. Naar onze mening is dat zeker niet het geval, integendeel. Verdere ingrepen worden er alleen maar waarschijnlijker door. Het is tot nu toe ook steeds zo gegaan. Ook wordt voortdurend verwezen naar de forse nivellering, die blijkaar in de afgelopen jaren is opgetreden, waardoor het steeds minder voor de hand zou liggen om de hoge inkomens meer in te laten leveren dan de lage. Die nivellering heeft zich echter slechts aan de onderkant in enigermate voltrokken. In een eerder door ons gepubliceerd alternatief voor het sociaal-economische beleid hebben wij eens op een rijtje gezet wat er in Nederland jaarlijks circuleert aan netto lonen en uitkeringen, aan huishoudens toevallende winsten, renten en dergelijke. Dat blijkt naar cijfers van het Centraal Planbureau over 1982 f232 miljard geweest te zijn. Dit betekent altijd nog -een eenvoudige rekensom leert het -per Nederlander, jong of oud, gemiddeld een bedrag netto te besteden van f16500. Let wel netto; alle premies en belastingen zijn er al af. Mijn vraag aan de Regering is deze vrij eenvoudige rekensom na te rekenen met ons en te verklaren waar dat geld dan wel zit. Naar onze mening kan alleen maar geconstateerd worden dat er nog voldoende ruimte is om te nivelleren en de hoge inkomens dichter bij de lage te brengen. Mijnheer de Voorzitter! Wat zijn de consequenties wanneer niet tot verdere nivellering wordt overgegaan? Het betekent dat de minimumloners enkele procenten erop achteruit zullen gaan. Steeds omvangrijker worden de geluiden, bij voorbeeld ook van de kant van de sociale diensten, dat het huidige minimumloon en de uitkeringen geen bestaansminimum meer garanderen. Wordt het geen tijd, een gedegen budgetonderzoek uitte laten voeren naar dat minimumloon, waarin ook meegenomen worden al die cumulerende aanslagen die op dat minimumloon in de afgelopen jaren in diverse vormen zijn gepleegd en niet in prijscompensatie of anderszins mee zijn genomen? Is de Regering bereid zo'n onderzoek toe te zeggen en op korte termijn te doen uitvoeren? Opnieuw wordt door de Regering om de koopkracht van de echte minima -alleen van hen -enigzins op peil te houden gesproken over een eenmalige uitkering. Een eenmalige voor de derde keer. Hun koopkrachtverlies wordt daardoor met 3% beperkt. Ook in 1982 hadden die echte minima al een eenmalige uitkering, namelijk van f450. Althans, die moeten zij nog krijgen. Om hun koopkracht echter gelijk op te laten lopen met die van de gewone minima, waarvan de koopkracht met 3% daalt, zullen zij in 1983 in ieder geval weer een uitkering van f450, de uitkering van 1982, moeten krijgen. Om hun koopkrachtverlies daar bovenop nog eens te beperken met 3%, betekent nog eens een uitkering van zo'n f600. In totaal moeten de echte minima in 1983 een eenmalige uitkering krijgen van ruim f 1000. De Regering trekt echter volgens de brief van 9 december over de koopkrachtontwikkeling in 1983 maar 225 min. uit voor deze operatie. In 1982 was 160 min. uitgetrokken. Het is dus duidelijk dat er iets niet klopt. Of de echte minima gaan er in 1983 2,5% op achteruit, namelijk 3%, zoals allemaal en 2,5% vanwege het aflopen van de eenmalige uitkering 1982. Daarvan wordt goedgemaakt 3% vanwege de eenmalige uitkering 1983. Of de andere redenering is waar, dat zij er nul op achteruitgaan, namelijk 3%, zoals alle minima, Tweede Kamer 14 december 1982

waarvan afgetrokken 3% vanwege de eenmalige uitkering in 1983. In dat geval kan 225 min. nooit genoeg zijn. Kan de Regering over deze zaak opheldering verschaffen? Het moge in ieder geval, hoe dan ook, duidelijk zijn dat daarnaast nog eens inleveren voor arbeidstijdverkorting zeker voor de minimumloners volstrekt tot de onmogelijkheden behoort. Over de dekking voor deze operatie, de belasting op de dubbele inkomens, kom ik te zijner tijd bij de behandeling van de belastingvoorstellen nog terug. Wij vroegen ons overigens wel af waarom deze belasting alleen geldt voor de dubbele inkomens van man en vrouw, of dat ook wordt gedacht aan de dubbele inkomens van eenverdieners of de driedubbele en zelfs vierdubbele inkomens van eenverdieners of tweeverdieners. Het is natuurlijk schandalig dat de Regering haar verantwoordelijkheid voor een goed koopkrachtbeeld in 1983 voor het belangrijkste deel uit handen geeft en feitelijk aan de sociale partners de opdracht geeft om een aanvaardbaar inkomensplaatje te realiseren, uit politieke onwil om zelf een aantal verstrekkende maatregelen te nemen. Er zijn natuurlijk genoeg mogelijkheden voor de Regering om de hoge inkomens meer te laten inleveren dan de lagere. Ik wil daarvan enkele voorbeelden en ook suggesties geven. Ik hoor daarop graag de reactie van dit kabinet. Valt bij voorbeeld niet de afschaffing van de maximumpremiegrens voor sociale verzekeringen te overwegen, zodat iedereen premie gaat betalen naar de hoogte van het inkomen? Levert dat niet des te meer op, als de uitkeringen aan een maximum gebonden blijven? Valt niet, net als bij de WAO de invoering van een franchise in de WW in te voeren, met procentueel een hogere premie daarboven? Waarom worden niet alsnog maatregelen om de aftrekbaarheid van de hypotheekrente aan te pakken voorgesteld? Kan de progressie in de belastingen niet verder worden vergroot? Als aan de echte minima een eenmalige uitkering kan worden gegeven, kan dan niet hetzelfde gebeuren door aan de echte hoge inkomens een forse eenmalige bijdrage te vragen? Zouden ook geen maatregelen ontworpen kunnen worden in de belastingsfeer, waardoor allerlei aftrekposten voortaan in vaste bedragen in plaats van percentages worden gegeven? Zijn al dit soort maatregelen niet mogelijk?

Is de Regering bereid om aan de sociale partners de suggestie voor te leggen om het vakantiegeld in een vast bedrag voor ieder gelijk uit te keren? Dat zou bij een herverdeling van wat nu aan vakantiegeld wordt uitgegeven, een behoorlijke koopkrachtinjectie voor de lager betaalden kunnen betekenen. Ook een verdere aftopping van de vakantietoeslag zonder dat een korting van 0,5% wordt voortgezet, zou de hogerbetaalden meer laten bijdragen aan het betere koopkrachtbeeld dan de lagerbetaalden. Deze suggesties zijn naar onze mening haalbaar en uitvoerbaar, als de politieke wil daartoe aanwezig zou zijn. Het is echter duidelijk dat het laatste het grootste probleem is: het ontbreken van de politieke wil om de hoge inkomens te laten inleveren ten gunste van de lagere. Deze keuze valt nu steeds ten nadele van de minimuminkomens en de uitkeringstrekkers uit. Zij mogen het gelag betalen voor de economische crisis, waar zij zelf part noch deel aan hebben. Ik kom nu tot een aantal opmerkingen over een paar specifieke wetsontwerpen op het gebied van de sociale zekerheid. In de nota naar aanleiding van het verslag over de beëindiging van de vereveningstoeslag vindt de Regering de stelling van de fractie van de PSP, dat verzekering tegen arbeidsongeschiktheid in principe zou moeten betekenen, dat tot aan pensionering 80% van het laatst verdiende loon gekregen zou moeten worden, niet meer houdbaar. Ik weet niet sinds wanneer zij dat vindt, maar dat is nu het antwoord. Handig de nieuwe WAO-ers tegen de oude uitspelend stelt de Regering, dat anders een te grote afstand tussen de oude en de nieuwe WAO-ers zou ontstaan. Of de oude dus maar willen inleveren! Met dat soort gelegenheidsargumenten wordt de afbraak van de sociale zekerheid ingezet. Nu betaalt men premie zonder zeker te zijn dat men te zijner tijd ook krijgt waarvoor men zich verzekerd heeft. Het gaat om het principe. Nu betaalt men premie, met een recht op een uitkering. Dat contractueel vastgelegde recht wordt nu systematisch afgebroken. Men kan op dit moment geen enkele zekerheid meer aan het betalen van een premie ontlenen. Hoe groot zou toch de verontwaardiging niet zijn, als een particuliere verzekeringsmaatschappij bij voorbeeld slechts f 100.000 uitbetaalde in plaats van de f200.000 waarvoor men zijn inmiddels afgebrande huis verzekerd had? Als die afbraak van de sociale verzekeringen te voorzien is -die trend is inmiddels al enige tijd ingezet -is het toch een plicht te rebelleren, om burgerlijk ongehoorzaam te zijn en geen medewerking te verlenen aan deze maatregel? Het is aan ons, geschokt of ontzet te zijn over een beleid waarbij in één week tijd zo'n twee en een half miljard ontnomen wordt aan de uitkeringstrekkers. Het is aan ons, geschokt te zijn over de volstrekte perspectiefloosheid waarmee deze maatregelen worden doorgevoerd. Er is geen enkel perspectief op meer werkgelegenheid of een eerlijke verdeling van inkomens.

Staatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Mag ik vragen wat de heer Willems bedoelt als hij zegt, dat er reden is op de uitvoerders een beroep te doen om wat eventueel door een parlementaire meerderheid wordt besloten niet uit te voeren? Betekent dit dat bij de directeuren van de sociale diensten oproept, eventueel genomen democratische besluiten niet uit te voeren?

De heer Willems (PSP): De fractie van de PSP heeft in een oproep aan de sociale diensten en gemeentebesturen heel uitdrukkelijk gevraagd, zich goed te bezinnen over de uitvoerbaarheid van de voorstellen, met name over de betaling van de RWW aan 16-en 17-jarigen. Er zijn al heel veel reacties uit het land gekomen, van sociale diensten, gemeentebesturen en uiteraard ook van jongerenorganisaties. De brieven van de directeuren van sociale diensten, van de organisatie DIVOSA en van gemeentebesturen dwarrelen dagelijks op onze bureaus. Zij menen geen fatsoenlijk beleid meer te kunnen voeren voor de mensen waarvoor zij verantwoordelijk zijn en die zij uitkeringen moeten geven.

Staatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! De heer Willems zegt dat het onuitvoerbaar is. Ik zeg dat het niet onuitvoerbaar is. Blijft hij een oproep doen aan de directeuren van sociale diensten om eventueel genomen democratische besluiten niet uit te voeren? In zijn reactie gaat hij hier omheen. Ik wil graag duidelijkheid, want ik heb het bericht dat de fractie van de PSP heeft doen verschijnen ook gelezen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er nogal van geschrokken ben.

De heer Willems (PSP): Dat kan ik mij voorstellen. Ik hoop overigens dat de Staatssecretaris evenzeer geschrokken Tweede Kamer 14 december 1982

is van alle andere protesten die ongetwijfeld op zijn bureau zijn terechtgekomen. Er komen natuurlijk niet voor niets waarschuwingen dat parlementaire besluiten die de minima niet alleen tot diep in hun portemonnee, maar ook tot in het diepst van hun bestaan raken onuitvoerbaar dreigen te zijn. Dat leidt tot protesten en oproepen. Wij moeten in de vorm van protesten, acties enz. duidelijk maken hoever wij willen gaan. Sociale diensten en gemeentebesturen zullen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor de burgers waarvoor zij staan.

Staatssecretaris De Graaf: Ik constateer, dat ik geen antwoord krijg op mijn vraag.

De heer Willems (PSP): Dan zal de vraag wel niet duidelijk zijn. Ik meen vrij duidelijk te hebben gesteld wat wij met de oproep beogen. Wij sluiten daarmee aan op de protesten die allerwegen opkomen en die ook sociale diensten ons laten horen. Met dit soort maatregelen, bij voorbeeld dat zij 16-en 17-jarigen geen bijstand meer mogen geven, kunnen zij niet meer werken. Zij moeten bijstandsvrouwen eigenlijk uitkeringen geven waarvan zij weten dat die te gering zijn om van rond te komen. Uit de huishoudboekjes zien zij dat die mensen er niet van kunnen leven en alleen maar meer en meer schulden maken waarvoor geen oplossingen te vinden zijn. Of een sociale dienst uiteindelijk tot zo'n stap overgaat is haar eigen verantwoordelijkheid. Wij roepen de diensten op hun verantwoordelijkheid te nemen en zich erop te bezinnen dat dergelijke maatregelen hen voor een keuze stelt. In deze zin heb ik ook willen reageren op de berichten van de Minister-President dat hij zo geschokt zou zijn door een dergelijke oproep van de PSP. Het is overigens niet voor de eerste keer dat de PSP in dergelijke zin oproept. Ook in het verleden, ook in oorlogstijd en daarvoor, maar ook nu weer komen er steeds meer oproepen om ons wel te bezinnen op wat er in dit land aan de hand is en op de vraag of parlementaire besluiten nog wel die geldigheid hebben die zij voor ons eigenlijk zouden moeten hebben.

De Voorzitter: Ik maak bezwaar tegen de vergelijking met de oorlog. Wij leven in een parlementaire democratie. Alle wetten eindigen metde formule: 'Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden'. Het staat de heer Willems vrij om tegen te stemmen. Hetgeen er aan vooraf ging, heb ik laten passeren, omdat het interessant was, maar ik vind het wel een oproep tot onwettigheid.

De heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Het is niet aan dit kabinet en ook niet aan de Minister-President van een kabinet waarvan een aantal leden uitstekend de weg weet als het gaat om bescherming van de eigen inkomens, zich geschokt te voelen als opgeroepen wordt om geen medewerking te verlenen aan de uitvoering van dit soort maatregelen.

De Voorzitter: Ik verzoek de heer Willems hier niet mee door te gaan! Ik kan niet toestaan dat in dit Parlement tot onwettigheid wordt opgeroepen.

De heer Willems (PSP): Toch, mijnheer de Voorzitter, zijn er momenten waarop dat gebeurt...

De Voorzitter: Ik verzoek u er niet mee door te gaan, want anders ontneem ik u het woord. Gaat u verder met uw speech.

De heer Willems (PSP): Wellicht dat wij dan op een andere plaats deze discussie kunnen voortzetten, want ik vind haar wezenlijk belangrijk.

De Voorzitter: Ik moet u ervoor waarschuwen dat u buiten deze Kamer niet meer parlementair onschendbaar bent!

De heer Willems (PSP): Maar daarom is de discussie nog wel belangrijk!

De Voorzitter: Zeker, maar een oproep tot onwettigheid is strafbaar!

De heer Willems (PSP): Ik zou dan graag met u willen praten over de vraag waar dat ophoudt, want het is zeer wezenlijk om ons daarop te bezinnen.

De Voorzitter: Gaat u nu maar door!

De heer Willems (PSP): Graag! Het moge duidelijk zijn, mijnheer de Voorzitter, dat geen van de voorgestel-de wetsontwerpen -u suggereerde dat al -onze steun zal verkrijgen. Aan het begin van mijn betoog sprak ik reeds over het onaanvaardbaar scheve inkomensbeeld. Dat wordt mede veroorzaakt door de WW-premie geheel ten laste van de werknemers te brengen. Ook dat is voor mijn fractie onaanvaardbaar, niet alleen vanwege de koopkrachteffecten die opnieuw de laagste inkomens het hardst treffen, maar met name omdat het de verantwoordelijkheid van de werkgevers voor de economische crisis en de daaruit voortvloeiende werkloosheid ontkent. Verdeling van die premie over werkgevers en werknemers is dan ook, mede gelet op de zeer geringe bijdrage die de werkgevers bij de huidige voorstellen leveren, alleszins redelijk. Bovendien verzacht dat in enige mate het koopkrachtverliesvan de laagstbetaalden, want nu krijgen de werknemers alles op hun rug. De overheid trekt om budgettaire redenen vrijwel uit alle fondsen fikse bedragen terug en de lasten van de werkgevers moeten eveneens worden ontzien. De werknemers mogen derhalve voor de premiebetaling opdraaien. Ik zou daarom krachtig willen bepleiten om de voorstellen van de SER over te nemen en dit wetsontwerp af te stemmen, niet alleen omdat dat de inkomenstrekkers enigermate ten goede zal komen, maar met name omdat de verantwoordelijkheid voor de werkloosheid nadrukkelijk ook en wel op de eerste plaats bij overheid en werkgevers dient te liggen. Mijnheer de Voorzitter! Wat het wetsontwerp met betrekking tot de kinderbijslag betreft, merk ik op, dat om via die kinderbijslag te proberen het koopkrachtverlies te beperken op zich genomen al een dubieus middel is, simpelweg, omdat het alleen opgaat voor degenen die kinderen hebben en bovendien omdat ook voor de hogere inkomens de bevriezing van de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind ongedaan wordt gemaakt. Tot slot wil ik nog een enkele opmerking maken over de regeling voor bijverdiensten van bijstandstrekkers. Om steeds duister wordende redenen is het blijkbaar strikt noodzakelijk om een besparing van op zijn hoogst 7,5 min., waarvan de 'inverdiensten' buiten beschouwing zijn gelaten, te realiseren op de nieuwe regeling voor bijverdiensten. Het resultaat van wekenlang discussiëren met de Staatssecretaris over deze materie, waarbij met name de financieel toch al precaire situatie van eenoudergezinnen in het geding was, is een buitengewoon ingewikkel-de regeling die slechts nog met zeer grote moeite te begrijpen is. Eén ding van die regeling is in elk geval heel helder: de eenoudergezinnen, veelal de bijstandsmoeders, gaan erop achteruit. Dat is in deze tijden en met de nu voorliggende maatregelen onverantwoord en onaanvaardbaar.

Vandaar dat ik de Kamer in een motie wil vragen, de inkomensachteruitgang voor de eenoudergezinnen ongedaan te maken, door af te zien van de toch al buitengewoon geringe bezuiniging.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Willems wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat één-oudergezinnen, die van de bijstand afhankelijk zijn, zich financieel bezien in buitengewoon moeilijke omstandigheden bevinden; overwegende, dat verdere verslechtering van die financiële situatie maatschappelijk onaanvaardbaar moet worden geacht;

overwegende, dat zich onder de groep één-oudergezinnen veel bijstandsvrouwen bevinden voor wie het noodzakelijk is een aanvullend inkomen uit arbeid te verwerven om nog een redelijk bestaansniveau te bereiken; overwegende, dat wijziging van de oude regeling slechts een zeer geringe bezuiniging oplevert, maar met name de één-oudergezinnen financieel treft; verzoekt de Regering, in de nieuwe regeling voor bijverdiensten voor bijstandsontvangers de vrijlating voor één-oudergezinnen op het oude niveau te handhaven, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 16 (17600 XV).

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Ruim zes jaar na de presentatie van de 1%-nota zal het er nu van moeten komen. Er zullen netto ombuigingsresultaten moeten worden geboekt. Vrijwel alle bezuinigingsmaatregelen van de afgelopen jaren zijn, wat hun effect betreft, geneutraliseerd door extra uitgaven. Het interimrapport van de studiegroepbegrotingsruimte spreekt hierover duidelijke taal. Nu zal er een forse netto-ombuiging moeten plaatsvinden. Wie het ontwerp-advies inzake het middellangetermijnbeleid van de SER goed op zich laat inwerken, zal misschien nog blij zijn dat wij er het volgend jaar nog met een bevriezing van af komen en dat er geen reële verlagingen behoeven te worden aangebracht. Gelet op deteruglopende inkomsten van het Rijk en het toenemend beslag op de collectieve sector, ontstaat jaarlijks een gemiddelde extra financieringslast van 4,5 mld. Dan is er nog niets gebeurd aan het herstel van de markt enz. De commissie van economische deskundigen wijst erop dat er bij de wederzijdse afstemming van de collectieve en de marktsector in principe vier sluitposten denkbaar zijn, namelijk het looninkomen, het overig inkomen, de collectieve uitgaven en het financieringstekort. Het overig inkomen en het financieringstekort waren tot nu toe steeds de sluitposten. Het tekort moet echter omlaag, terwijl de winstquote moet stijgen. De onbetaalde rekeningen voor de komende jaren zullen moeten worden betaald door het looninkomen en de collectieve uitgaven. Geconcludeerd wordt, dat de nog te nemen maatregelen nog ingrijpender dienen te zijn dan die welke thans worden genomen. De voorstellen die nu ter tafel liggen, zullen dan ook moeten worden gezien in een perspectief voor de middellange termijn. Gaan wij alle voorstellen met een microscoop bekijken, dan zullen wij ongetwijfeld veel oneffenheden en scherpe kantjes ontdekken, waarop wij ons blind kunnen staren. Dan verliezen wij echter de grote lijn uit het oog. Dat neemt uiteraard niet weg, dat wij ons uiterste best zullen moeten doen om tot een zo rechtvaardig mogelijke lastenverdeling te komen. De discussies gaan tot nu toe meer over aanvechtbare koopkrachtplaatjes dan over de ontwikkeling van de collectieve sector. Daarmee wordt de aandacht van het hoofdprobleem afgeleid naar een neveneffect. Dat heeft ertoe geleid dat het totale beleidspakket enigszins chaotisch is geworden. Eerst wordt een algehele bevriezing voorgesteld, daarna een gedeeltelijke ontdooiing. Eerst worden rijksbijdragen aan sociale fondsen teruggetrokken, later wordt er toch weer 600 min. aan toegevoegd. Kinderbijslagen worden in sommige gevallen verhoogd, daarna gekort en dan, al naar gelang de rangorde, bevroren of ontdooid. Het beeld wordt er al met al niet doorzichtiger op. Met de voorgestelde bevriezingen wordt voor 1983 een substantiële ombuiging bereikt. Met de sociale partners is een akkoord gesloten dat geldt voor een wat langere termijn. Is het niet zinvol om in navolging van dit akkoord ook te besluiten tot bevriezing van de inkomens in de collectieve sector gedurende een langere periode? Voor zover het om sociale uitkeringen gaat, zou die bevriezing in principe kunnen duren tot 1 januari 1985, als de wijziging van het stelsel haar beslag zal dienen te krijgen. Ongetwijfeld zal die wijziging tot een forse neerwaartse bijstelling van een aantal uitkeringen aanleiding geven. Als er een bevriezingsperiode van 2,5 jaar is geweest, zullen die aanpassingen naar beneden toe minder groot behoeven te zijn. Dat verzacht ook weer de overgangsproblematiek na 1985. Wat is het oordeel van de Staatssecretaris hierover? Waarom wordt eind juni overigens opnieuw een spoedprocedure verwacht als nu al zeker is dat de bevriezing per 1 juli zal worden gecontinueerd? De in de brief van 9 december jongstleden voorgestelde verhoging van alle uitkeringen met 1% per 1 januari 1983 is begrijpelijk in het licht van de gewenste lastenverdeling. De maatregel is echter minder goed te begrijpen als we kijken naar de ombuigingen die op middellange termijn noodzakelijk zijn. Bovendien wordt het beeld voor 1983 er enigszins onevenwichtig door. Immers, de ambtenaren en de trendvolgers zijn nu de enigen die echt de nullijn volgen en er zelfs nog onder blijven, omdat het vrijwel zeker is, dat de vakantietoeslag voor deze groeperingen gekort en afgetopt worden. Bovendien moeten de ontwikkelingen op dit punt in het ca.o.-overleg worden afgewacht, terwijl de uitkeringstrekkers niets merken van deze maatregelen in de vakantietoeslag. Na lezing van de brief van 9 december vroeg ik mij af, of verbetering van het koopkrachtplaatje niet had kunnen worden bereikt door niet alle uitkeringen en het minimumloon met 1 % te verhogen, maar door de premieverschuiving die nu wordt voorgesteld, niet zo rigoureus door te voeren. De premielast voor de werkloosheidsverzekering wordt nu exclusief op de werknemers gelegd. Belangrijkste motivatie daarvoor is de gewenste lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Dat is uiteraard goed. Het gebruikte middel, de premieverschuiving, heeft echter een ongewenste bijwerking; het beïnvloedt namelijk de inkomensverhoudingen op een verkeerde manier. Bijgevolg wordt Tweede Kamer 14 december 1982

een nieuw middel voorgesteld, namelijk verhogingen voor de minima en de uitkeringen. Het tweede middel verergert weer de kwaal waarvoor het eerste middel was bedoeld; het veroorzaakt namelijk weer een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven, zij het van kleinere omvang dan bij premieverschuiving. Bovendien heeft het tweede middel, de extra verhoging voor de minima, weer een aantal andere vervelende bijwerkingen, zoals het verder op elkaar drukken van de minima en de bovenminima. Zou het dan niet beter zijn geweest, de aanvankelijk voorgestelde premieverschuiving wat minder rigoureus te doen zijn? Zou het niet, wanneer de WW-premie niet voor 100% door de werknemers behoefde te worden opgebracht, maar gedeeltelijk ook door de werkgevers, tot een ongeveer vergelijkbaar resultaat voor het inkomensplaatje kunnen leiden, zonder dat de inkomensverhoudingen te veel ineengeschoven worden? Hoe staat de beperking van de totale lastenverlichting voor het bedrijfsleven overigens in verhouding tot de lastenverlichting die automatisch wordt gerealiseerd door de -gelukkig opgetreden -renteval? Is de vermindering van de lastenverlichting die het gevolg is van dit voorstel, in dit licht daarom aanvaardbaar? Ik kan er verder mee instemmen dat het aandeel van het Rijk in het werkloosheidsfonds tot 0% wordt teruggebracht. Gelet op de uitgaven voor WWV en RWW neemt de overheid toch nog ruim de helft van alle kosten van de werkloosheid voor zijn rekening. En daarmee is in ieder geval voldaan aan de aanvankelijke bedoeling van de wetgever. Een belangrijk element in het beleidspakket voor 1983 bestaat uit het terugtrekken van de rijksbijdragen aan de sociale kassen. Mijn fractie acht dat een verbetering, omdat het verzekeringskarakter hiermee weer sterker naar voren komt. Weliswaar heeft deze operatie op het eerste gezicht denivellerende effecten, maar dat is slechts schijn: er gebeurt niet meer dan dat vroegere oneigenlijke nivelleringsmaatregelen ongedaan worden gemaakt. Als men om inkomenspolitieke redenen niet de premies, maar de belastingen wenste te verhogen, dan kon men weten dat bij afschaffing van die maatregel het omgekeerde inkomenseffect optreedt. Hetzelfde geldt voorde maatregelen inzake de vakantietoeslag en de nu voorgestelde tijdelijke verscherping van de progressie. Zou het daarom geen aanbeveling verdienen, de wijziging van de schijven en de tarieven die nu wordt voorgesteld, voor zover zij tijdelijk is, buiten beschouwing te laten bij de berekening van de koopkracht voor 1984? Hetzelf-de geldt immers ook voor de solidariteitsheffing in dit jaar. Kan de voorgestelde verscherping van de progressie niet heel goed tijdelijk zijn omdat het scheve koopkrachtbeeld voor 1983 voornamelijk wordt veroorzaakt door het terugtrekken van de rijksbijdragen en de premieverhoging die dientengevolge noodzakelijk is? Ik weet niet, in hoeverre de voorgenomen terugtrekking van rijksbijdragen uit het ouderdomsfonds en het kinderbijslagfonds -voorstellen daartoe bereikten ons vandaag -het koopkrachtbeeld voor 1983 ook nog zal beïnvloeden. Daarop zo mogelijk nog graag een reactie. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom toe aan het wetsontwerp dat beoogt de vereveningstoeslagen te beëindigen. Met dit voorstel heeft mijn fractie de meeste moeite. Dat is niet met het oog op de overweging dat verworven rechten niet zouden mogen worden aangetast. Hantering van die stelling zou iedere ombuiging in de sociale zekerheid bij voorbaat onmogelijk maken. Bovendien zou het niet juist zijn om over verkregen rechten te spreken omdat, zoals in de nota naar aanleiding van het verslag terecht wordt gesteld, bij de sociale zekerheid geen sprake is van een stelsel van kapitaaldekking. In dat geval zou er wel gesproken kunnen worden van het aantasten van verkregen c.q. verworven rechten. In dit geval gaat het om verwachtingen die zeer recent zijn gewekt en die nu worden beschaamd. Als de wetgever na tien of twintig jaar wil terugkomen op een eens getroffen regeling omdat de omstandigheden inmiddels drastisch zijn gewijzigd, dan kan men niet spreken van onzorgvuldig handelen. Als het echter gaat om een termijn van drie jaar, wordt het moeilijker om van zorgvuldigheid te blijven spreken. Kamer en kabinet hebben bij de invoering van de Wet Aanpassingsmechanismen bewust gekozen voor een handhaving op het oude niveau van lopende gevallen, terwijl men toen al wist -althans kon weten -dat ingrijpende bezuinigingsvoorstellen nog zouden moeten volgen.

Staatssecretaris De Graaf: Waaruit is die bewuste keuze gebleken? Destijds is ook op de minima een toeslag gegeven en die is wel afgebouwd. Met name met het oog op de koopkrachtontwikkeling heeft geen afbouw plaatsgevonden, maar die is wel steeds voorzien. Mij is althans niet bekend dat het een bewuste keuze was om dit te laten zoals het was.

De heer Schutte (GPV): Er is wel een zekere garantie gegeven om de meest schrijnende gevallen tegemoet te komen. Ik heb er ook geen moeite mee dat hierop wordt teruggekomen. Ik heb er meer moeite mee dat het nu in een keer gebeurt. Ik zal verderop in mijn betoog suggereren, in twee jaar in te krimpen. Het principe blijft hiermee overeind. Uit een oogpunt van tegemoetkoming aan in zekere zin bestaande verwachtingen en om een grote terugval in een keer te voorkomen, hebben wij gezocht naar alternatieven. De betrokkenen mochten dus redelijkerwijze veronderstellen dat het oude niveau globaal en voor enige tijd gehandhaafd zou worden. Nu is inmiddels de situatie zodanig verslechterd dat niemand meer het privilege gegund kan worden om zijn oude inkomensniveau te handhaven. Dat staat vast. Dit geldt ook voor de WAO-ers van voor 1980. Een inkomensachteruitgang in een jaar die kan oplopen tot 11% is bepaald onredelijk, zeker als 4% hiervan is toe te schrijven aan de afschaffing van de WAM-toeslagen. Ook het beëindigen van relatief bevoorrechte posities -en daarvan is hier sprake -moet met enige geleidelijkheid worden toegepast. Daarom heeft mijn fractie in het verslag gepleit voor het spreiden van het afschaffen van de WAM-toeslagen over twee jaar. Dat kan de inkomensachteruitgang van deze groep met 2% beperken. Ik ben de Staatssecretaris erkentelijk voor zijn vriendelijke beoordeling van deze alternatieven, maar de argumenten die hij daarvoor heeft aangevoerd vond ik niet zo zwaar. Ik wil hierop nog reageren. Een verhoging van de vereveningsbijdrage -het eerste alternatief -zou een, zij het tijdelijke, inbreuk op het principe betekenen. Ik acht dat aanvaardbaar omdat het gaat om een zeer tijdelijke maatregel voor een jaar. Bovendien is de hele idee van de vereveningsheffing op zichzelf al een inbreuk op de verzekeringsgedachte die centraal staat in ons stelsel van sociale zekerheid. Spreken van een inbreuk op een principe is in dit verband een erg zwaar geladen term. Een tweede bezwaar van de Staatssecretaris is dat het inkomensni-Tweede Kamer 14 december 1982

veau van de nieuwe gevallen onder dat van de oude gevallen komt te liggen. Dit bezwaar zou volgens hem ook gelden bij een eventuele premieverhoging. Dat verschil bestond toch al? Dat is nu juist de situatie die moet worden beëindigd. Bij de doorvoering van elk van de twee alternatieven -zowel verhoging vandevereveningsbijdrage als van de premies -zouden de beide inkomensniveaus dichter bij elkaar komen te liggen dan bij continuering van de toeslag. Er wordt dus wel een stap in de goede richting gedaan, maar alleen een minder grote stap dan de Staatssecretaris zelf voorstelt. Het tweede bezwaar is eigenlijk geen echt bezwaar. Een tijdelijke vermindering van de koopkracht met 0,1% over de gehele linie door verhoging van de relevante premies om voor een zwaar getroffen groep een vermindering van de achteruitgang met 2% te bewerkstelligen, acht ik, alles overwegend, aanvaardbaar. Mijnheer de Voorzitter! Het voorstel tot afschaffing, respectievelijk herziening van de minimumdagloonbepalingen heeft de instemming van mijn fractie. Het versterkt het verzekeringskarakter van de WAO en de WW. Ik acht het juist dat de bescherming van het minimumniveau alleen daar plaatsvindt, waar het echt nodig is. Waar de behoeftefunctie centraal komt te staan, is het correct om te bezien of de betrokkenen (of zijn of haar echtgenoot) niet eerst zelf in hun behoeften kunnen voorzien, alvorens de samenleving het minimumniveau garandeert. Overigens wil ik in dit verband opmerken dat het akkoord gaan van mijn fractie met dit wetsontwerp nog niets zegt over onze stellingname bij volgende voorstellen tot wijziging van het stelsel van sociale zekerheid, wijzigingen die mogelijk zullen voortbouwen op dit stelsel. Mijn fractie wenst dit voorstel als een geïsoleerde maatregel te zien en wil zich nog niet vastleggen voor de komende discussie over de sociale zekerheid. Ik stem ermee in dat de adviesaanvrage aan de SER over deze zaak zal worden toegespitst op de integratie van werkloosheidsregelingen en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daar doen zich inderdaad de meeste knelpunten voor. Elementen van vrijwillige aanvulling zullen in de adviesaanvrage naar mijn gevoel mede betrokken moeten worden.

Ik heb mij in het kader van het wetsontwerp wel gestoten aan de opmerking in de memorie van toelichting dat de maatschappij nog niet zo is ingericht dat de partners in een gezin in gelijke mate betaalde arbeid verrichten. De Regering wil die gelijke verdeling van arbeid stimuleren maar dan nog wel uitzonderingen toelaten voor die gevallen waarin dit nog niet zover is. Ook de Emancipatieraad wil nog wel zo tolerant zijn om in de praktijk nog met in zijn ogen ongetwijfeld wat achterlijke gevallen rekening te houden. Of het wenselijk is dat beide partners in een gezin betaalde arbeid verrichten, is iets wat de betrokkenen zelf wel kunnen uitmaken. Er is geen behoefte aan een overheid die op dit punt denkt voor de burger. Er is wel behoefte aan een overheid die ervoor zorgt dat een gezin waar de moeder vrijwillig kiest voor een verzorgende taak, de kans krijgt om voluit te functioneren in deze samenleving, opdat zo'n gezin niet als uitzondering op de algemene regel wordt getolereerd en de feitelijke omstandigheden van het inkomensbeleid en het socialezekeheidsstelsel er niet toe dringen dat beide partners betaalde arbeid moeten gaan verrichten. Dat legt beperkingen op aan de vormgeving van het nieuwe socialezekerheidsstelsel. De Staatssecretaris heeft een-en andermaal terecht opgemerkt dat het huwelijk zoals het in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, uitgangspunt moet zijn. Ik ben het met hem eens, maar dit mag er niet toe leiden dat alternatief samenleven in het kader van de sociale zekerheid financieel aantrekkelijker wordt gemaakt. Ik denk bij voorbeeld aan de cumulatie van twee AAW-uitkeringen bij samenwonenden en aan de samenloop van twee uitkeringen voor echte minima. Rekening houden met relatieve behoeften op het minimum niveau van de sociale zekerheid acht mijn fractie een goede zaak maar dit mag er niet toe leiden dat het wettelijk huwelijk daardoor financieel ten achter wordt gesteld bij andere samenlevingsvormen. Diezelfde moeite heb ik met het voorstel tot wijziging van de belastingvrije voet. Het is volkomen terecht dat de dubbelverdieners nu zwaarder aangeslagen zullen worden in de belastingheffing. Het spreekt mij bovendien aan dat de opbrengst hiervan zal worden gebruikt voor de financiering van de uitkering aan de echte minima. Dit lijkt mij een vorm van echte solidariteit. Maar ook hier worden de gehuwden zwaarder getroffen dan de ongehuwd samenwonenden, zeker als deze ouder zijn dan 35 jaar en een hogere belastingvrije voet hebben. In dit verband wil ik een aantal vragen stellen aan de Staatssecretarisvan Financiën. Is het feit dat steeds meer jongeren op steeds vroegere leeftijd gaan samenwonen, niet aanleiding het verschil in fiscale behandeling van ongehuwden van boven en onder de 35 jaar eens fundamenteel te gaan heroverwegen? Er zou daarbij gezocht moeten worden naar mogelijkheden om het verschil in draagkracht dat ontstaat door het samenwonen, ook bij de tariefaftrekken tot uitdrukking te brengen. Dat zou als plezierig neveneffect kunnen hebben dat het fiscale voordeel van het ongehuwd samenwonen enigszins kan worden verminderd. Hetzelfde zou mijns inziens ook kunnen worden bereikt door de progressie te verminderen. Hoe steiler de progressie, hoe zwaarder het aanvullende inkomen van de huwelijkspartner zal worden belast, terwijl het inkomen van de samenwoningspartner aan het eigen, veel lagere tarief onderworpen blijft. De Staatssecretaris zei zaterdag jl. voor de VARA-radio terug te willen naar een maximaal tarief van 60%. Nu lijkt het meer op verhaaltjes voor het slapen gaan voor de liberale kiezers, als in werkelijkheid de progressie wordt verscherpt.

Staatssecretaris Koning: Dat is voor degenen die ' s middags een uurtje gaan rusten!

De heer Schutte (GPV): Ik erken dat het op zich zelf van moed getuigt, dit op dat uur voor die omroep te zeggen! Het is echter de vraag, of vermindering van de progressie ook direct een vermindering van de fraude tot gevolg zal hebben. Ik denk dat de verslechtering van de moraal op dit punt meer verklarende waarde heeft. Progressievermindering kan in ieder geval een aantal positieve functies vervullen. Des te meer reden dus om de wenselijkheid uit te spreken dat de nu voorgestelde verscherping van de progressie zeer tijdelijk zal zijn. Het koopkrachtbeeld voor 1983 ziet er na de aanvullende maatregelen aanvaardbaar uit. Wij zullen ons erbij moeten neerleggen dat wij niet alles precies zo met een schaartje geknipt krijgen als wij wel zouden wensen. Bovendien is de betrekkelijkheid van het koopkrachtplaatje genoegzaam Tweede Kamer 14 december 1982

bekend. Bij de vrijeberoepsgroepen vinden op dit moment vergaande inkomensveranderingen plaats. Die blijven geheel buiten beeld. Wel moet worden opgemerkt dat de groep rond twee keer modaal wel erg zware offers moet brengen. Dat is juist de groep die op vrijwel geen enkele inkomensafhankelijke overdrachtuitgave rechten kan doen gelden en alles zelf moet financieren. Welke mogelijkheden zijn er nog om de 6% achteruitgang voor deze groep iets te matigen? Ik denk zelf aan een aftopping van de vakantietoeslag op een wat hoger niveau dan dit jaar -voor zover het kabinet daar zelf nog greep op heeft -of aan een iets andere verdeling van de tijdelijke verhoging van de inkomstenbelasting voor het volgende jaar. Mijn laatste vraag betreft het niet bevriezen van de kinderbijslag voor de eerste twee kinderen. Ik constateer dat het kabinet dus geen aanvullende maatregelen wenst te treffen voor de grotere gezinnen. Is de gedeeltelijke inbreuk op het kinderbijsslagsysteem, namelijk met de rangorde oplopende bedragen, een als tijdelijk bedoelde maatregel of bestaan er plannen om langzamerhand tot gelijke kinderbijslagbedragen te komen, onafhankelijk van de rangorde?

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Bij het vanmiddag gehouden debat over de voorzieningen ter bevordering van nader overleg in bedrijfstakken en ondernemingen over werkgelegenheid heb ik namens de PPR-fractie de eigen verantwoordelijkheid van het kabinet benadrukt voor een inkomensbeleid dat het predikaat 'solidariteit' verdient. Ik heb de conclusie getrokken dat ook na de brief van 9 december 1982 het inkomensbeeld -voor zover dat door het kabinet wordt bepaald -een scheef beeld blijft en met solidariteit weinig te maken heeft. De brief zelf geeft een zo gunstig mogelijke voorstelling van zaken. Eerst worden wij ervoor gewaarschuwd, niet al te veel af te gaan op het gebruikelijke koopkrachtplaatje, omdat dit een vertekend beeld geeft. Vervolgens wordt gesteld dat de gewenste koopkrachtontwikkeling het resultaat moet zijn van een gezamenlijke inspanning van sociale partners en overheid. Dan wordt van de sociale partners gevraagd, naast de prijscompensatie ook een voortgezette korting en aftopping van de vakantietoeslag in bespreking te nemen, waarna een viertal heel positief geformuleerde maatregelen van het kabinet wordt vermeld. Dat is een te mooie voorstelling van zaken; alsof het ongehoorde koopkrachtplaatje dat maandenlang op tafel heeft gelegen -van -4,5% tot 0% -niet eerder gecorrigeerd had kunnen worden en alsof dat koopkrachtplaatje een gegeven en een aanvaard feit was, waarbij dit kabinet nu belangrijke verbeteringen aanbrengt. Zo is het natuurlijk niet. Het gaat om het beeld dat het kabinet via zijn eigen maatregelen die in de brief van 9 december zijn aangegeven, wil realiseren. Dat beeld is: -3,5% voor de minima tot -0,5% voor viermaal modaal. Voor mijn fractie is en blijft dat beeld onaanvaardbaar. Het is kennelijk ook nog niet definitief, want gisteren kwam via het televisienieuws ook nog even de huiskamers binnen dat de premies van de AOW en de kinderbijslag omhoog gaan. Kan de Minister mededelen welk extra verlies aan koopkracht hierbij voor de verschillende inkomensgroepen in het geding is? Kan ook worden medegedeeld welke plannen het kabinet onverhoopt nog meer in petto heeft? Op deze basis, die niets meer met solidariteit te maken heeft, wordt de werknemers gevraagd, nog wat extra's in te leveren. Dit zou minstens min 3,5% voor minimaplus en zelfs min 4,5% tot min 5% voor modaal betekenen. Dit is verschrikkelijk veel gevraagd. Ik heb vanmiddag gezegd dat het stemgedrag van mijn fractie over de onderhavige wetsontwerpen erop gericht zal zijn, dit scheve beeld recht te trekken. Het is mij opgevallen dat in de brief van 9 december jongstleden nogal de nadruk wordt gelegd op het vertekende beeld van de gangbare 'koopkrachtplaatjes'. Maar telkens wanneer dit in de schriftelijke voorbereiding van de wetsontwerpen die nu aan de orde zijn, vanuit de Kamer wordt onderkend en wordt gevraagd naar de effecten voor bepaalde groepen, geeft de Minister niet thuis en valt hij terug op het algemene 'plaatje'. Waar het gaat om de cumulatie van effecten voor WAO'ers, geeft hij niet of nauwelijks thuis. Waar praktijkonderzoeken aantonen dat éénoudergezinnen veel meer in koopkracht achteruitgaan dan de officiële cijfertjes doen geloven, geeft hij evenmin thuis. Ik vraag het kabinet of het mogelijk is, in de toekomst veel meer werk te maken van berekeningen van 'plaatjes' voor bepaalde groepen mensen. Hier heeft het kabinet zelf veel meer aan, omdat het dan weet wat het aanricht. Ook wij hebben er veel meer aan. De WAO'ers kunnen het wel, bij voorbeeld. Mijn fractie heeft in het verleden bij herhaling een structureel beleid voor de echte minima afgewezen. Het begint erop te lijken dat zo'n structureel beleid sluipend werkelijkheid wordt. Ik heb ooit eens hier tegen de grote voorstander hiervan, de heer De Korte, gezegd dat hij niet consequent was en hem gevraagd waar in zijn gedachtengang de echte maxima bleven. Het kon niet uitblijven: de uitkering aan de echte minima wordt dit jaar betaald door de huishoudens met dubbele inkomens. Helemaal consequent is dit niet, want het gaat hierbij niet om de echte maxima, de tweeverdieners met de hoogste inkomens, maar om alle dubbele inkomens, ongeacht de hoogte ervan. Ik laat er geen misverstand over bestaan dat ik een beleid voor de echte minima afwijs en dus ook een beleid voor de echte maxima. Dit gaat lijnrecht in tegen een gelijkwaardige individuele benadering van mannen en vrouwen. In het huidige voorstel zit echter een extra adder onder het gras. Er wordt geen enkel onderscheid gemaakt in de hoogte van de inkomens die de partners verdienen. Dit acht ik uit inkomenspolitieke overwegingen onjuist. Het betekent bovendien een terugslag of ontmoediging voor de vrouwen die naast het hoofdinkomen in het gezin een eigen bescheiden inkomen hebben. Deze vrouwen hebben zich vaak nog geen sterke positie verworven; naar mijn mening vormen zij de grote meerderheid. Ik betreur het dan ook in hoge mate dat de toezegging van de Minister-President, eerst een definitief standpunt te bepalen over de voorstellen die er zijn sinds het debat over de nota Op weg en pas daarna over een mogelijke belasting voor dubbele inkomens te spreken, niet gestand wordt gedaan, te meer omdat het idee van elk een eigen belastingvrije voet op zich zelf goed is. Ook op dit punt wordt weer een maatregel ad hoc voorgesteld, die vooruitloopt op de fundamentele discussie die nog moet worden gevoerd. Ik kan het niet anders zien. Ik kom bij de afzonderlijke wetsontwerpen in volgorde van de agenda. De bevriezing van de kinderbijslag voor de twee eerste kinderen is ongedaan gemaakt en geldt in de huidige voorstellen van het kabinet vanaf het derde kind. Dit is een Tweede Kamer 14 december 1982

verbetering, zeker omdat de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag voor velen een achteruitgang betekent. Het is echter niet genoeg en het achterwege laten van de aanpassing van de kinderbijslagbedragen aan het gezinsconsumptiecijfer heeft een denivellerend effect; de laagste inkomens hebben er de meeste pijn aan. Daarom is mijn fractie tegen dit wetsontwerp. Tegen het gelijktrekken van de minimumloonbepaling in de WAO, de WW en de WWV hebben wij op zichzelf geen bezwaar. Het is een eerste stap in de richting van één loondervingswet. Tegen de wijze waarop de gelijktrekking plaatsvindt, hebben wij echter wel degelijk bezwaar. Er zijn aanzienlijke negatieve inkomenseffecten die voor WAO'ers met een werkende partner kunnen optreden en daarnaast is de minimumbescherming voor de niet-kostwinner vervallen. Het kabinet zegt dat er geld nodig is. Dit is waar, maar het moet mij van het hart dat het kabinet een duidelijke politieke keuze maakt. Dit geld wordt niet op tafel gebracht via een eerlijk inkomensbeleid, waarbij wordt ingeleverd naar de hoogte van de inkomens van activiteiten en vanzelfsprekend ook van niet-actieven. Het wordt bij voorbeeld niet op tafel gebracht via een groter aandeel van de gemeenschap in de aardgaswinsten of via het aanpakken van de aftrekposten in de belasting of via effectieve maatregelen tegen belastingontduiking of belastingontwijking op grote schaal. Nee, telkens weer moeten diegenen betalen, die voor hun inkomen of uitkering het meest van de overheid afhankelijk zijn. En of je nu je hele leven premie hebt betaald of niet; of je door het werk dat je hebt gedaan, arbeidsongeschikt bent geworden; of je je met je 57V2 jaar zogenaamd vrijwillig werkloos hebt laten maken, omdat je tot je 65ste mocht rekenen op een bepaalde uitkering; of je bewust hebt gekozen voor deeltijdwerk, het maakt allemaal niets meer uit. Hoe zeker kunnen mensen nog zijn van hun sociale zekerheid, vroegen wij nog geen halfjaar geleden? Waar is het einde? Gaan wij zo door tot iedereen in de bijstand zit, als wij maar genoeg geld tekort komen? En wat dan? Over de cumulatie van deze maatregel met de algemene inkomensachteruitgang en met een groot aantal andere maatregelen, de belasting van Tweede Kamer 14 december 1982

de dubbele inkomens, de afschaffing van de vereveningstoeslagen, de WSW-maatregelen, de afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek, de eigen bijdrage aan de AWBZ, maar ook met bij voorbeeld de bezuinigingen op gezinszorg, openbaar vervoer en huursubsidies, maakt dit kabinet zich kennelijk geen zorgen. Daarvan is, zo wordt in de stukken opgemerkt, immers geen algemeen beeld te geven. Mijnheer de Voorzitter! Hoe is het mogelijk! Iets dat niet in grafieken en niet in algemene plaatjes kan worden gevat, bestaat kennelijk niet. Met de concrete situatie waarin mensen verkeren, hebben wij kennelijk niets te maken. Onze werkelijkheid zijn onze algemene berekeningen en onze stukken. Hoe kun je op deze manier vertrouwen wekken, nieuw vertrouwen wekken in politieke besluitvorming bij de talloze mensen die afhankelijk zijn van onze beslissingen deze week. Mijnheer de Voorzitter! Er is afgesproken dat er in deze Kamer een behoorlijke discussie zou worden gevoerd over de herstructurering van de sociale zekerheid. Bovendien is er een motie aangenomen die zegt, dat ook in een stelsel van sociale zekerheid moet worden uitgegaan van het principe van de individualisering. Dwars hierdoorheen wordt nu onder meer in de WAO eventjes het kostwinnersbegrip ingevoerd. Het is, zoals de Emancipatie Raad in haar ongevraagde advies zegt: Introductie van het kostwinnersbegrip daar waar het voordien niet werd gehanteerd, betekent een achteruitgang van de positie van de gehuwde vrouw niet kostwinner, van de gehuwde man wiens vrouw een eigen arbeidsinkomen heeft en van de ongehuwde; en is in strijd met de tweede en derde EG-richtlijn. De raad tekent hierbij aan, dat de derde richtlijn van kracht is geworden op het moment van kennisgeving, namelijk in 1978, en dat de termijn van 6 jaar is bedoeld om de nodige bepalingen in werking te doen treden om aan de richtlijn te voldoen. Het is dus niet zo, dat Nederland tot eind 1984 vrijheid van handelen zou hebben. Eerder gedane uitspraken van Minister De Ruiter hebben dit in het verleden ook uitdrukkelijk bevestigd. Mijn fractie vindt de voorstellen over de minimumdagloonbepalingen een enorme stap terug. Het gaat er helemaal niet om, dat volledige individualisering in de huidige situatie

nog niet mogelijk is zolang de partners in een gezin niet in gelijke mate betaalde arbeid verrichten. Het gaat om het uitgangspunt dat de WAO, de WW en de WWV voorzieningen zijn tegen inkomensderving voor individuele loontrekkenden. Het behoefte-element wordt verder algemeen erkend. De vraag is, hoe hierin voorzien kan worden, terwijl toch een eerlijke individuele benadering plaatsvindt. Er zijn meer mogelijkheden dan deze. Ze zijn en worden in deze Kamer aangedragen. Maar wij behoeven straks niet meer te discussiëren, want de zaak ligt al voor het grootste gedeelte vast. Ik betreur dit uitermate. Ik kom nu aan het voorstel over de vereveningstoeslagen. In juni van dit jaar ging het nog om een tijdelijke bevriezing van de bovenmodale uitkeringen. Toen al voorspelden wij dat van die tijdelijkheid niets terecht zou komen. Een halfjaar later is het erger dan dat: algehele afschaffing van de vereveningstoeslagen drie jaar nadat zij in het kader van de Weg aanpassingsmechanismen werden toegekend en nadat werd afgesproken, dat de bedragen niet zouden worden gewijzigd. De opmerking in de memorie van toelichting dat de ongelijkheid tussen oude en nieuwe gevallen van toenemend belang is naar de mate waarin de nieuwe gevallen een relatief groter deel van het bestand gaan uitmaken vind ik een heel slechte. Alsof het waarborgen van zo uitdrukkelijk toegekende rechten er minder op aan zou komen naarmate de groep waarom het gaat kleiner wordt! Ik hoop dat de Kamer dit niet op zich laat zitten. Ook wetsontwerp 17675 over de samenloop van WAO-uitkeringen met inkomsten uit arbeid draagt bij tot verslechtering van de positie van arbeidsongeschikten. Tegen een anti-cumulatieregeling kunnen moeilijk bezwaren van principiële aard worden ingebracht. De bezwaren die er zijn richten zich op de uitwerking: het feit dat de aanmoediging voor WSW'ers, WAO'ers en AAW'ers om te gaan werken gedeeltelijk wordt weggenomen. Een anti-cumulatiegrens van 90% lijkt dan wel het juiste midden tussen 80%, (volledige uitkering) en 100%, (volledige hervattting van passende functie) maar belemmert dat passende arbeid wordt aanvaard. De anti-cumulatiegrens zou in elk geval kunnen worden verhoogd tot 95% of zelfs 100%. De bezwaren gelden ook de inkomensachteruitgang van vooral WSW'ers door de anti-cu-

mulatiegrens van 90%. Ongeveer 20.000 tot 25.000 WSW'ers kunnen door de voorgenomen samenloop worden getroffen. De budgettaire besparing bedraagt ongeveer f20 min. Vooral echter ligt er het feit, dat dit wetsontwerp de zoveelste maatregel is die negatief effect heeft op inkomens van uitkeringsgerechtigden, vooral WAO'ers. Uit de memorie van antwoord blijkt, dat de negatieve gecumuleerde in-komenseffecten oplopen van -1,3tot -3,2%. Hierbij is nog geen rekening gehouden met het voornemen een eigen bijdrage vervoer woon/werkverkeer te vragen, de betaling in loon van reistijd af te schaffen en een ander opbouwsysteem in te voeren voor de berekening van vakantietoeslag. Dan is er ook nog de aangekondigde nulgroei in de sociale werkplaatsen. Al met al wordt zo een van de allerzwakste groepen zonder pardon teruggedrukt in een louter WAO/AAW-bestaan. Het voorstel om de premie voor de werkloosheidsverzekering geheel ten laste te brengen van de werknemers wijzen wij af, gezien het scheve inkomensbeeld dat mede daardoor op tafel ligt. Wij vinden dat het kabinet het advies van de SER ernstig zou moeten nemen en in afwachting van een nieuwe werkloosheidsregeling en het daarbij behorende financieringsstelsel terug zou moeten naar de situatie van voor 4 juni 1981, waarin werknemers en overheid elk een deel van de werkloosheidspremie betaalden. Ik wijs verder op het ongevraagde advies van de Emancipatieraad van 26 oktober, die de premieverhogingen voor gehuwde vrouwen onverteerbaar noemt. Zij mogen, aldus de Emancipatieraad, wel extra premie betalen maar krijgen er via de nieuwe kostwinnerscriteria alleen maar minder rechten en achteruitgang voor terug. Opvallend is verder, dat in de stukken die naar de Raad van State zijn gestuurd sprake is van een premiestijging voor de werknemers van 2,2% en in de witte stukken van 1,7% en dat binnen een maand. Hoe komt dat? Ik kom op de plannen inzake het minimumloon en de uitkeringen, waarbij de bevriezing inmiddels is vervangen door een stijging van 1%. Ondanks de verzachting van de oorspronkelijke voornemens blijft staan, dat een onevenredig deel van de enorme bezuinigingen moet worden opgebracht door de lage inkomens en de uitkeringstrekkers.

Dat zijn de arbeidsongeschikten. Dat zijn ook de jongeren die hier in het vizier komen. Er komt een verdere afstand tussen het minimumjeugdloon en het minimumloon, met als argument de positie van het midden-en kleinbedrijf. Over dit argument hebben wij bij het debat over de verlaging van de minimumjeugdlonen, onder het kabinet-Van Agt I, uitvoerig gesproken. De andere kant is in ieder geval niet waar: de vermindering van het jeugdloon die toen heeft plaatsgevonden heeft zeker niet geleid tot een betere positie van het midden-en kleinbedrijf. Ik dien op dit punt een motie in.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Beckers-de Bruijn wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; overwegende, dat het niet doorberekenen van de verhoging per 1 januari 1983 van het minimumloon in de minimumjeugdlonen, ertoe leidt dat de minimumjeugdlonen -wederom -achterblijven bij het minimumloon; verzoekt de Regering, af te zien van het voornemen de staffeling van de jeugdlonen te doorbreken, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 5 (17666).

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Tijdens het debat over de regeringsverklaring heb ik getracht duidelijk te maken, dat wij bezig zijn grote groepen kansarmen te kweken. Het wordt op dit moment aan alle kanten duidelijk gemaakt. Het gaat om mensen die onder de armoedegrens terecht komen en daar nooit meer vandaan komen, zij zijn zonder enig uitzicht. Het betreft vooral hoofden van éénoudergezinnen en oudere mensen; de vrouwen zijn daarbij in de meerderheid. Naast het onderzoek van de sociale dienst te Rotterdam ligt er nu een studie van het sociologisch instituut te Nijmegen, die duidelijk maakt hoe waar dit is. Van bijna 1300 langdurig werklozen en éénoudergezinnen in Nijmegen -gedurende het gehele jaar 1981 waren die mensen op de bijstand aangewezen -is de inkomenspositie onderzocht.

De conclusie van het onderzoek is, dat zij ondanks de echte minima-uitkeringen, die zijn verstrekt, sinds 31 december 1980 5 tot 6% achteruit zijn gegaan. Dat is nog niet de situatie, die eind 1982 bereikt zal zijn. Mijn conclusie is dat het echte minima-beleid niet alleen onjuist is, voor wie streeft naar individualisering, maar dat het bovendien geheel onvoldoende is, ook wat betreft de beoogde uitkering voor dit jaar. Mijnheer de Voorzitter! Over de positie van de bijstandsvrouwen is tot tweemaal toe overleg gevoerd met de Staatssecretaris. Van het geld, dat een bijstandsontvanger met een bijbaan verdient, wordt nu eenderde niet van de uitkering afgetrokken. In een éénoudergezin wordt de eerste f 148,80 van wat de ouder per maand verdient, niet afgetrokken. Dat wordt nu respectievelijk 25% en f 72,60. Dat is geen verbetering, maar een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. De rechtvaardiging voor deze halve maatregel wordt gezocht in de stimulans, die ervan uit zou gaan om betaald werk te zoeken. In de huidige werkloosheidsverhoudingen is dat een fictie. Er zijn geen banen, en dan wordt juist het tegenovergestelde bereikt. Het wordt niet meer aantrekkelijk om op de arbeidsmarkt te gaan, zeker niet voor bijstandsvrouwen, die vaak aanvullende kosten moeten maken om te kunnen werken. Bovendien is er van vele kanten op gewezen, dat door het beperken van de extra vrijlating in bijverdiensten voor éénoudergezinnen het zwart werken in de hand wordt gewerkt. Overheidsmaatregelen mogen dat niet nadrukkelijk bevorderen. Het zijn bekende argumenten, Mijnheer de Voorzitter, maar daarom niet minder steekhoudend. Uiteindelijk zegt dan de Minister in het mondeling overleg van 1 december: Er is afgesproken, om een bezuiniging te bereiken van f5 min. a f 10 min. Hierop kan geen inbreuk worden gemaakt. Zelfs een suggestie om de regeling op te schorten tot na de UCV in februari, wenste hij niet te volgen vanwege de noodzakelijk geachte bezuiniging. De argumenten pro en contra zijn uitgeput. De vlucht in het zwart werken wordt van de zijde van het kabinet niet reëel geacht. Dat kan pas achteraf worden geconstateerd. Evenmin wil de Staatssecretaris aannemen, dat de prikkel om te gaan werken, zal afnemen. En dan komt hij met zijn tegemoetkoming: een algemene verlaging van Tweede Kamer 14 december 1982

het vrijlatingspercentage van 30 naar 25, waarmee een eerste volledige vrijlating voor éénoudergezinnen mogelijk wordt van f72,80. De groep bijstandsontvangers moeten m.-

Groenman met het doel, te komen tot individualisering in de belastingsfeer. Principiële beslissingen zullen dan ook in het kader van de nota Op weg moeten worden genomen. Is de Regering bereid om nog vóór het zomerreces verder te discussiëren met de Kamer over deze nota, aan de hand van een regeringsstandpunt ter zake? Betekent de opmerking in de koopkrachtnotitie, dat het geschetste nu aan de orde zijnde voorstel geen oplossing biedt voor de problematiek die in de nota Op weg ter discussie is neergelegd, dat de Regering de hoofdlijnen van deze nota onderschrijft? Is de Regering niet met mij van mening, dat ook het nu gedane voorstel principieel vooruitloopt op de discussie over de nota Op weg? Is het bovendien niet zo, dat de eventuele baten die door een koerswijziging in het fiscale stelsel zouden kunnen optreden, reeds nu worden aangewend, terwijl ik altijd heb begrepen dat dergelijke baten zouden worden aangewend ten gunste van het emancipatiebeleid? Maatschappelijke ervaringen die met het huidige voorstel worden opgedaan, zullen bij de verdere meningsvorming een rol spelen, stelt de Regering. Ik ben zo vrij iets van de maatschappelijke uitwerking te schetsen, waaruit blijkt dat het voorstel anti-emancipatoir uitwerkt. De categorie dubbele inkomens bestaat immers vooral uit echtparen, waarvan beide partners een relatief laag inkomen hebben. Het percentage buitenshuis werkende vrouwen van mannen met een laag inkomen, is beduidend groter dan van mannen met een hoog inkomen. Enkele jaren geleden verdiende slechts 8% van de dubbelverdieners samen meer dan bruto f 60.000. Als de belastingvrije voet voor de vrouw wordt opgetrokken tot f 7381 en die van de man wordt verlaagd van ruim f 12.000 tot f 7381, betekent dit dat juist die gezinnen, waarin de vrouw net iets boven het bedrag van f7381 verdient de dupe worden. Men speelt ook niet quitte in vergelijking met de huidige situatie, omdat men in de nieuwe situatie samen uitkomt op een belastingvrije som die f500 lager ligt dan die van beide opgeteld in de huidige situatie. Het resultaat van het verschil van f500 is dan, dat het voordeliger wordt voor de minst verdienende partner, meestal de vrouw, om net onder het bedrag van f7381 te blijven. Mij hebben berichten bereikt dat zelfs op het Departement van Financiën veel ongeruste telefoontjes komen, als het gaat om het afsluiten van arbeidscontracten voor 1983. Gevraagd wordt dan, wat men moet doen om niet financieel gestraft te worden. Wij zien de maatschappelijke uitwerking voornamelijk daar liggen, waar het voorgestelde systeem de arbeidsparticipatie van vrouwen aanzienlijk belemmert. De meeste werkende gehuwde vrouwen hebben baantjes die tussen de f7000 en de f 10.000 per jaar opleveren. Men speelt niet alleen niet quitte vergeleken bij de huidige situatie, waarin een kostwinner een hoge belastingvrije voet heeft en een niet-kostwinner een lage, maar ook niet, omdat de verlaag-de belastingvrije voet bij de man hem meer kost dan de verhoogde voet bij de vrouw oplevert. Mannen verdienen immers aanzienlijk meer dan vrouwen. Dat het nieuwe systeem een prikkel voor vrouwen zou zijn om te gaan werken, gaat als argument niet op, in de eerste plaats niet, omdat er geen werk is en in de tweede plaats niet, omdat de prikkel slechts geldt ter hoogte van de haar toekomende hogere belastingvrije som. Vrouwen zitten al relatief vaak in onaantrekkelijke laag geschoolde en onderbetaalde banen en zullen daar op deze manier ook blijven. Naast de effecten op de arbeidsparticipatie van vrouwen, mogen de maatschappelijke effecten die te maken hebben met de grote verschillen tussen ongehuwde en gehuwde tweeverdieners niet onvermeld blijven. Het wordt voordeliger om niet te trouwen of zelfs om te scheiden. Hoezeer mijn fractie ook aan individualisering hecht, dit gaat ons te ver. Verder vraag ik mij af of dit voorstel niet haaks staat op het streven naar deeltijdarbeid. Dubbele inkomens zijn soms feitelijk enkele inkomens, omdat men juist door in deeltijd te werken elk de helft van het gezinsinkomen inbrengt. Hoe ziet de Regering dat? Kortom, mijn fractie is van mening dat een dergelijk voorstel, dat toch een principiële stap is, niet mag zonder een afgeronde discussie over de nota 'Op weg', waarbij dan ook alle aftrekposten aan de orde dienen te komen. Er moet dus ook individualisering plaatsvinden waar het de hypotheekrente en studiekosten hetreft. Bovendien kan individualisering in de fiscale sfeer niet zonder individualisering in de sfeer van de sociale zekerheid. Ook hier bestaat nog steeds een groot aantal onrechtvaardigheden dat de arbeidsparticipatie van vrouwen afremt. Ik memoreer alleen al dat vrouwen geen zelfstandig recht op een WWV-of RWW-uitkering hebben indien zij niet als hoofdkostwinner zijn aan te merken. Wij hebben dus bezwaren tegen de voorgestelde belastingmaatregelen, waarbij zowel de gekozen referentiepunten bij de wijziging in de belastingschijven als het vooruitlopen op de nota 'Op weg' vragen oproepen. Extra belastingheffing op dubbelverdieners wordt door ons principieel afgewezen in de huidige voorgestelde vorm. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben zo vrij naar aanleiding van mijnvoorgaan-de opmerkingen een uitspraak aan de Kamer voor te leggen.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Groenman wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer, gehoord de beraadslaging; constaterende, dat het voorstel wordt gedaan om voor gezinnen waarin twee inkomens worden verdiend aan beide partners een gelijke belastingvrije voet toe te kennen; overwegende, dat dit een zeer ingrijpende wijziging betekent van het bestaande belastingstelsel; voorts overwegende, dat de voorstellen uit de nota 'Op weg' welke via structurele maatregelen een verzelfstandiging van de gehuwde werkende vrouw in de belastingheffing beogen, nog nader uitgewerkt dienen te worden; verzoekt de Regering, van haar voornemen af te zien om in 1983 bovengenoemde maatregel in te voeren, en nadere stappen in deze zin af te laten hangen van de voortgang van de nota 'Op weg', en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 6(17666).

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik zou de Regering nog een suggestie ter overdenking willen voorleggen, voorafgegaan door een vraag. Is in de voorbereiding van de koopkrachtmaatregelen overwogen, het stelsel van belastingvrije sommen zoals dat nu bestaat geheel of gedeeltelijk om te bouwen tot een stelsel van zogenaamde tax credits? Dat betekent dat niet van het belastbaar inkomen, maar van de verschuldigde Tweede Kamer 14 december 1982

belasting een voor ieder gelijk bedrag wordt afgetrokken. Zo niet, dan zou ik voorzichtig in overweging willen geven, dat bij nadere besluitvorming over de koopkrachtverdeling in 1983 of volgende jaren mee te nemen als mogelijk instrument om de verdeling van koopkracht evenwichtiger te doen geschieden, zonder daarvan overigens enig gevolg te behoeven ondervinden voor de totale belastingopbrengst. Zo'n ombouw komt er immers op neer dat het effect van de belastingvrije som, die nu in feite wordt afgerekend tegen het marginale tarief van de desbetreffende belastingbetaler en dus gunstiger is naarmate het inkomen hoger is, verandert in een effect dat beneden een te kiezen draaipuntinkomen positief is voor de koopkracht en daarboven negatief en negatiever naarmate het inkomen hoger is. Naar de mening van mijn fractie mag de Regering ten aanzien van het inkomensbeleid niet berusten in de constatering, dat de bestaande instrumenten voor het voeren van dit beleid in de laatste jaren al bijna tot de grenzen zijn opgerekt. Wanneer de resulterende koopkrachtverdeling onaanvaardbaar wordt geacht, dient gezocht te worden naar nieuwe instrumenten, waarvan dit er wellicht één kan zijn. Mijnheer de Voorzitter! Ter afsluiting van mijn bespreking van de koopkrachtnotitie van de Regering maak ik enige opmerkingen over de gedeeltelijke ontdooiing van de aanvankelijk voorgestelde bevriezing van de minimumlonen en de sociale uitkeringen. Reeds in ons verslag over wetsontwerp 17677 heb ik erop gewezen dat de bevriezing zoals aanvankelijk voorgesteld samen met de andere wetsontwerpen, waarop ik nog terugkom, wel samenhang vertoont in zijn ingrijpendheid, doch een samenhang in beleid mist. Ook is door ons gesteld dat een onevenredig deel van de zeer forse bezuinigingen moet worden opgebracht door uitkeringstrekkers. Dat is ons inziens slecht te verdedigen als ook vaststaat, dat er over de hele linie, dus ook in de marktsector, ingeleverd wordt. Natuurlijk hebben ook wij het tot stand komen van een centraal akkoord op hoofdlijnen toegejuicht. Dat neemt niet weg dat wij van mening zijn, dat de Regering een eigen verantwoordelijkheid houdt waar het de parallelliteit in inkomensontwikkeling betreft tussen inkomens in de collectieve sector en die in de marktsector. Ook nu dring ik er met klem op aan, dat de Regering zich die eigen verantwoordelijkheid bewust blijft. Wij denken dan aan een in het vooruitzicht te stellen positieve sanctie op het welslagen van de CAO-onderhandelingen, waarin zowel het opschorten van de prijscompensatie als de continuering van de korting en de aftopping van de vakantietoeslag aan de orde dient te komen, in ruil voor arbeidstijdsverdeling. Ik zal die positieve sanctie nader toelichten. De fractievoorzitter van D'66 heeft bij het debat over de regeringsverklaring gesteld, dat onze fractie in het door de Regering voorgestelde sociaal-economisch beleid onvoldoen-de perspectief ziet op economisch herstel en terugdringing van de werkloosheid. Voor dat sociaal-ecomisch beleid hebben wij toen een concreet alternatief genoemd, bestaande uit het vier jaar lang bevriezen van alle inkomens, in combinatie met gedeeltelijke compensatie van de koopkrachteffecten via een verlaging van de loon-en inkomstenbelasting, zodanig dat deze verlaging vooral de laagste inkomens ten goede komt. Wij zijn van mening dat een dergelijk plan, dus een algehele inkomensmatiging gecombineerd meteen herverdeling van arbeid en een beperkte en gedifferentieerde verlaging van de loon-en inkomstenbelasting, de beste kansen biedt op economisch herstel en terugdringing van de werkloosheid. Dit hele verhaal zal u niet vreemd voorkomen. Het CPB heeft dit voorstel doorgerekend en daaruit bleek, dat zowel een gunstig financieringstekort in 1986 het resultaat zou zijn als een aanzienlijke terugdringing van de werkloosheid. Over inkomenspolitieke doelstellingen op de lange termijn gesproken; het blijkt toch dat D'66 zich die althans wèl heeft gesteld. Terugkomend op die gedeeltelijke ontdooiing, maar dus ook nog bevriezing voor 0,8% die naar het oordeel van de Regering structureel moet zijn, en tevens terugkomend op de door ons bepleite en liefst met garanties omklede eigen verantwoordelijkheid van de Regering waar het de parallelliteit in inkomensontwikkelingen tussen de inkomens in de collectieve sector en die in de markt-sector betreft, wil ik het volgende suggereren. Indien blijkt, dat de ca.o."Onderhandelingen niet tot het gewenste matigingsresultaat leiden -ons vertrouwen daarin is kennelijk kleiner dan dat van de Regering -dan zou de Regering reeds nu moeten overwegen hoe zij tot een ingreep in de lonen wil komen Slagen de onderhandelingen wèl over de gehele linie en strekken zij zich ook uit, zoals het min of meer in het centraal akkoord overeen is gekomen, over meer jaren, dan zou de positieve sanctie daarop moeten bestaan uit een verlaging van de loon-en inkomenstenbelasting. Voor de goede orde: wij bedoelen dus zowel het opschorten van de prijscompensatie als de continuering van de korting op en de aftopping van de vakantietoeslagen. Wat dit laatste betreft, wijs ik erop dat dit wel is meegenomen in de gunstigste basisprojectie die het mooiste koopkrachtbeeld oplevert, maar zekerheid daarover hangt af van de decentrale onderhandelingen. Een vooruitzicht op verlaging van de loon-en inkomstenbelasting zal de pijn die vooralsnog vooral op de uitkeringstrekkers drukt, naar onze mening beter te dragen maken. Voor hen immers staat geen arbeidstijdverkorting tegenover datgene wat wordt ingeleverd. Hoe oordeelt de Regering over deze suggestie? Is zij niet met ons van mening dat zij zelf de eerste verantwoordelijkheid heeft waar het gaat om het voorkomen van het los laten van de nettonettokoppeling? Arbeidstijdverkorting moet in vrije onderhandelingen tot stand kunnen komen en daar heeft de overheid op haar eigen terrein een voorbeeldfunctie te vervullen. Met de inkomensontwikkeling heeft de overheid naar ons gevoel zich wél te bemoeien en daarbij willen wij dat de Regering bereid is om negatieve of positieve sancties te hanteren Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans bij de verschillende wetsontwerpen. Over wetsontwerp 17677 heb ik al een aantal principiële opmerkingen gemaakt. Ik concentreer mij dan ook nu op de andere wetjes die overigens wel alle een relatie hebben met dat wetsontwerp 17677 in die zin dat ze allen te zamen nogal wat consequenties hebben. Ik betreur het ten zeerste dat wetsontwerpen die zo veel en zo vaak cumulatieve inkomenseffecten hebben op verschillende inkomensgroepen in een vloek en een zucht worden behandeld, zodanig dat een gewoon kamerlid onmogelijk alle consequenties kan overzien. Ik betreur het eveneens zeer dat de SER niet adequaat heeft kunnen adviseren. Mijn fractie hecht eraan nog eens onze criteria te formuleren waaraan een bezuinigingsbeleid moet voldoen. Deze zijn een samenhangen-Tweede Kamer 14 december 1982

de beleidsvisie, het voorkomen van een opeenstapeling van negatief uitwerkende maatregelen voor bepaalde groepen, de rechtvaardiging in zich van de gekozen maatregelen en de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen. Wat die samenhangende beleidsvisie betreft, wil ik verwijzen naar onze eigen sociaal-economische visie, waarmee dezelfde effecten kunnen worden bereikt als die welke de Regering nu voor ogen staan en die bovendien gemakkelijk te verkopen is aan mensen door het perspectief dat geboden wordt bij de door hen gebrachte inkomensoffers. Wat de opeenstapeling van maatregelen met negatieve effecten betreft, zijn wij van mening dat met name arbeidsongeschikten en gehandicapten de dupe worden, aangezien zij niet alleen van de sociale zekerheidsmaatregelen en de algehele bevriezing financiële lasten ondervinden, maar ook van bij voorbeeld de afschaffing van de vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting, van de eigen bijdrage in de AWBZ en straks wellicht voor medicijnen, de afschaffing van de arbeidsongeschiktheidsaftrek, enz. Ik verwijs voor de effecten van maatregelen die cumuleren voor de gehandicapte mens naar het overzicht van de Stichting Nederlandse Gehandicapten Raad. De gehandicapten zelf hebben zich daar uitgesproken. Dat overzicht liegt er niet om! Mijn opmerking in ons verslag vroeg ook niet voor niets naar de rol van de coördinerend bewindspersoon voor het gehandicaptenbeleid. Het ontnuchterend antwoord was, dat deze bewindspersoon niets van doen heeft met die inkomenspositie van gehandicapten. Het is heel goed om dat te weten, zodat wij daar nog eens op terug kunnen komen. Als deze bewindspersoon zich wel mag bezighouden met de maatschappelijke positie van gehandicapten, maar niet met de financiële, is dat wel erg mager. Dan heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die het samenhangend inkomensbeleid kennelijk bewaakt, een extra zware taak. Ook de categorie zogenaamde één-oudergezinnen wordt cumulatief getroffen. Op die groep kom ik zeker nog terug bij de behandeling van het verslag van het mondeling overleg over de bijstandsnormering. Mijnheer de Voorzitter! Ten aanzien van beide categorieën heb ik mij in het verslag al afgevraagd of er zoiets als een kostenbatenanalyse is gemaakt voor de wat langere termijn. Ik herhaal die vraag. Is het niet zinvol om nu te investeren in de ontplooiing van met name de genoemde groepen, zodanig dat betrokkenen op den duur niet meer afhankelijk behoeven te zijn van uitkeringen? Afgezien van het psychologisch argument, dat deze groepen op dood spoor dreigen te worden gerangeerd, zou goedkoop nu wel eens duurkoop in de toekomst kunnen blijken te zijn. Het derde criterium is voor mijn fractie dat bezuinigingen een rechtvaardiging in zich moeten hebben en niet puur om het bezuinigen mogen geschieden. De afschaffing van de WAM-toeslagen heeft bij voorbeeld die eigen rechtvaardigingsgrond niet. Over het geheel genomen hebben bezuinigingsmaatregelen op het terrein waarop een Regering haar invloed kan doen gelden geen intrinsieke rechtvaardigingsgrond als het doel niet duidelijk is en er een onrechtvaardige behandeling van groepen door ontstaat. Ik kom dan eerst tot de bespreking van het kinderbijslagvoorstel, wetsontwerp 17467. De bedragen voor eerste en tweede kinderen worden niet bevroren. Die voor de verdere kinderen in een gezin wel. Dat betekent volgens mij dat wordt gewerkt in de richting van afschaffing van het meewegen van de gezinsgrootte in de kinderbijslagbedragen. Wij stemmen daar uiteraard mee in. Dat tegemoet wordt gekomen aan de financiële problemen van ouders met jonge kinderen, die veelal in een relatief lage salariscategorie zitten, aangezien het vaak lage aanvangssalarissen betreft, is mooi. Wij hebben reeds voor een dergelijke tegemoetkoming gepleit bij de behandeling van het wetsontwerp betreffende de leeftijdsafhankelijkheid van de kinderbijslag. Bij de toen door ons bepleite overgangsregeling om over zes jaar de leeftijdsafhankelijkheid geheel te hebben gerealiseerd, trad geen enkele inkomensmutatie op. De Minister en de Kamer wilden hiermee echter niet instemmen. Ik blijf dat nog steeds vreemd vinden, zeker nu in het thans aan de orde zijnde voorstel wel rekening wordt gehouden met ouders van jonge kinderen. Hoe structureel zijn eigenlijk de effecten van deze nu voorgestelde kinderbijslagregelingen? Wat gebeurt er per 1 juli 1983? Misschien staat het in de stukken, maar dan heb ik het over het hoofd gezien. Met de dekking van de voorgestelde maatregel in de belastingsfeer, kunnen wij niet zonder meer akkoord gaan zoals ik al aangaf. Thans kom ik te spreken over wetsontwerp 17675, betreffende de nadere regeling van de samenloop van uitkering met inkomsten uit arbeid. Het antwoord in de nota naar aanleiding van het eindverslag op onze in het verslag gestelde vraag naar de billijkheid van de gekozen anti-cumulatiegrens van 90% komt mij redelijk voor. De PvdA-fractie heeft in haar verslag gevraagd naar de regeling van het korten van verdiensten bij uitkeringen in andere regelingen. In antwoord daarop deelde de Regering mede, dat de regeling voor ex-politieke ambtsdragers gunstig afsteekt bij andere regelingen. Zij mogen namelijk aan uitkeringen en inkomen uit arbeid 100% van de als politieke ambtsdrager ontvangen wedde houden. Welke redenering schuilt daar achter? Verdient het geen aanbeveling om ook voor ex-politieke ambtsdragers een regeling te treffen die overeenkomt met die voor gewone mensen die èn een uitkering én een inkomen uit arbeid genieten? De beperking in de samenloop van de WAO-uitkering met een WSW-loon zal ongeveer 20.000 WSW-werknemers treffen, zo staat te lezen in de notitie van de Stichting Nederlandse Gehandicaptenraad. De Regering zegt dit overigens zelf ook. Heeft zij enig inzicht in het aantal WSW-werknemers dat er het in dezelfde notitie genoemde bedrag van f600 per maand op achteruit gaat? Het komt ons voor dat met name voor die groep de afbouwperiode veel te kort is, zeker als er een aantal andere maatregelen bij komen, zoals verlaging van de tegemoetkoming in de vervoersvoorziening, de verschillende eigen bijdragen enz. Ook zien wij bij dit wetsontwerp dat deeltijdwerk in de WSW niet bepaald wordt bevorderd. In het verslag vroeg ik naar een voorbeeld van een AAW-uitkeringsgerechtigde en een WAO-uitkeringsgerechtigde die geen kostwinnaar is en op wie het wetsontwerp van toepassing zou kunnen zijn. Als antwoord kreeg iktoen in de nota naaraanleiding van het eindverslag voorbeelden van ongehuwde werknemers van 30 jaar. Ik bedoelde echter voorbeelden van gehuwde AAW'ers en WAO'ers, waarop straks wellicht de minimumdagloonbepalingen van toepassing worden, zoals bij voorbeeld een gehuwde vrouw die reeds nu geen minimumdagloonbepaling ondervindt als zij in deeltijd werkt in bij voorbeeld Tweede Kamer 14 december 1982

het kader van de WSW. Wellicht ondervindt zij dit straks ook niet meer als zij in volle tijd werkt. Zo'n vrouw zou namelijk wel eens extra gedupeerd kunnen worden als voor haar ook nog de thans voorliggende anti-cumulatiebepaling AAW met inkomsten uit arbeid gaat gelden. Ik hoop dat ik nu duidelijker ben geweest en dat de Regering mij alsnog kan informeren over een dergelijke situatie. Ook in dit verband betreuren wij het dat met de adviezen van de Sociale-Verzekeringsraad over de uitvoeringstechnische kant geen rekening kan worden gehouden. Wat betekent dan eigenlijk de opmerking van de Regering dat kanttekeningen van deze raad zorgvuldig zullen worden bestudeerd? Ik ben benieuwd naar de antwoorden op de vragen die ik naar aanleiding van dit wetsontwerp heb gesteld, maar ik ga er alsnog van uit, dat mijn fractie met dit wetsontwerp kan instemmen, omdat het ertoe strekt, dat WSW-werknemers zoveel mogelijk gelijk worden gesteld met werknemers in het bedrijfs-en beroepsleven. Bij samenloop van loon-en arbeidsongeschiktheidsuitkering worden zodoende WSW-werknemers en overige werknemers gelijkgesteld. Wel blijft het ons streven, voor arbeidsongeschikten meer mogelijkheden te creëren om te participeren op de 'normale' arbeidsmarkt. Als de Regering met een beroep op de moeilijke financiële positie van het Rijk en sociale fondsen verdedigt dat het inkomensniveau van een bepaalde groep, in dit geval de gehandicapten, omlaag moet -en dat gaat fors -dan zal zij daarnaast moeten laten blijken dat het haar ernst is met pogingen die ertoe moeten leiden dat de maatschappelijke positie van die groep wordt versterkt. Is de Regering bereid om in het overleg met de sociale partners aan de hand van een werkgelegenheidsnotitie van haar hand ook de problematiek van het inschakelen van gehandicapten in de marktsector ter tafel te brengen? Dan wetsontwerp 17674, over de beëindiging van de vereveningstoeslagen. Onze bezwaren daartegen komen erop neer, dat wij er een aantasting van verworven rechten in zien. Verder bevat het wetsvoorstel geen rechtvaardiging in zichzelf; het is slechts op bezuinigingen gericht. Ten slotte geldt dat ook hierbij een opeenstapeling van negatieve effecten voor een bepaalde groep zichtbaar wordt, in dit geval weer de gehandicapten en de arbeidsongeschikten. De groep uitkeringsgerechtigden die voor de vereveningstoeslag in aanmerking komen, neemt geleidelijk af, terwijl bovendien de betekenis van de toeslag gelet op het gelijk blijven van de bedragen steeds afneemt. Wij hadden reeds bezwaren tegen het aanbrengen van een maximum in de toeslagen, maar nu zeker tegen de totale afschaffing. De Regering stelt dat de vereveningstoeslag kan worden beschouwd als een achteraf blijkende overgangsregeling, gericht op het wegnemen van relatieve voordelen. Zij heeft daarom geen behoefte aan een echte overgangsregeling. Wij vinden dat een ondeugdelijk argument, omdat de vereveningstoeslag aan de betrokkenen nooit als een overgangstoeslag is gepresenteerd. In dit geval hechten wij aan verworven rechten van een speciale categorie en zien wij geen reden, vóór het wetsontwerp te zijn. Mijnheer de Voorzitter! Voorts wetsontwerp 17676, over de vaststelling en de verdeling van de premies voor de werkloosheidsverzekering. Het wetsontwerp heeft in die zin een technisch karakter dat de per 31 december 1982 aflopende wet van juni 1981 wordt verlengd tot een definitieve financieringsregeling in het kader van een geïntegreerd stelsel van werkloosheidsregelingen zijn beslag heeft gekregen. De lasten van het Rijk uit hoofde van de RWW en de WWV zijn inderdaad aanzienlijk, maar de verantwoordelijkheid van de Regering voor de werkloosheid is dat eveneens. Het afschaffen van de RWW voor schoolverlaters, waar wij vooralsnog sceptisch tegenover staan, zal betekenen dat het aandeel van het Rijk in de financiering van dewerkloosheidslasten met ca. 2% terugloopt. Het is goed dat in het kader van de algehele herziening van het stelsel advies wordt gevraagd aan zowel de SER als de ER. Met name de premiedruk voor vrouwen baart ons zorgen, omdat het ons voorkomt dat er voor hen minder rechten tegenover staan, zeker als de minimumdagloonbepalingen een aanpassing aan het kostwinnerscriterium gaan bevatten. Over minimumdagloonbepalingen kom ik aanstonds te spreken. In het kader van dit wetsontwerp rijst de vraag, hoe de premieverdeling voor de WAO zal worden, eveneens een zaak die werknemers aangaat. Hoe zal die verdeling worden als de SER een verdeeldadvies zal uitbrengen? Als de Regering haar eigen voorstel volgt, dalen de premielasten voor werkgevers. Waarom moet dan in het kader van dit wetsontwerp de werkloosheidspremie uitsluitend door werknemers worden opgebracht? Is die nieuwe WAO-premieverdeling verwerkt in het inkomensbeeld dat in de koopkrachtnotitie naar voren komt? Ik zou overigens best willen dat hier een stoel stond, mijnheer de Voorzitter. -Het is moeilijk om zo lang te staan.

De Voorzitter: Als het voor u echt moeilijk is, dan hebt u alle vrijheid om een stoel te vragen.

Mevrouw Groenman (D'66): Ik zal het in gedachten houden. Ik hoop het nu nog even vol te houden. Thans wetsontwerp 17647, de afschaffing van het minimumdagloon in de WAÓ en de herziening van de minimumdagloonbepalingen in de WW en de WWV. Wij zijn daar om een aantal redenen allerminst gelukkig mee. In de eerste plaats omdat de discussie over de herziening van het stelsel van de sociale zekerheid nog niet is afgerond en in de tweede plaats omdat in dit wetsontwerp geen recht wordt gedaan aan de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid, waartoe niet alleen de Derde EEG-richtlijn ons dwingt, maar waartoe ook een goed Nederlands emancipatiebeleid zou moeten leiden. Ten slotte blijkt ook hier weer cumulatievan negatieve inkomenseffecten voor arbeidsongeschikten. Bij de discussie over de stelselherziening hebben wij geen keuze willen maken tussen de twee alternatieven die voorlagen. Wij geven namelijk de voorkeur aan ons eigen voorstel. Wij pleiten voor één inkomensdervingsregeling -ik wil dit nog een keer uitleggen -waarin het uitkeringsrecht wordt gesplitst in enerzijds het recht op een basisuitkering van onbeperkte duur en betaald uit de algemene middelen voor iedereen die werkloos of arbeidsongeschikt is. Anderzijds zou er in deze visie een bovenminimale uitkering moeten bestaan, maar daar hebben wij het nu niet over. De bereidheid, passende arbeid te aanvaarden is voor die basisuitkering wel een voorwaarde. Deze basisuitkering zou voor ieder individu gelijk moeten zijn, zonder dat het kostwinnersprincipe daarbij een rol speelt. Ik heb er geen bezwaar tegen als dit als een variant op het tweetrajectenstelsel zou worden Tweede Kamer 14 december 1982

beschouwd, maar dan wel op basis van de individualiseringsgedachte. Wij zijn van mening dat er of nergens minimumdagloonbepalingen moeten bestaan of voor ieder individu gelijke bepalingen. De Regering merkt op dat ook de minimumdagloonbepalingen -althans die voor de WW en de WAO -en de financiering van die verzekeringen een solidariteitselement bevatten. Immers, bij een premieheffing ontvangen de laagste inkomens een verhoudingsgewijze hogere uitkering dan de hogere inkomens. De minimumdaglonen verzwakken de equivalentie in de financiering van de WW en de WAO. In dat perspectief gezien zouden degenen die aanspraak maken op de bescherming van de minimumdagloonregeling relatief te weinig premie betalen, terwijl degene die deze bescherming niet geniet, in feite de juiste premie betaalt. Mag ik daaruit opmaken dat gehuwde werkende vrouwen voor wie de bescherming niet geldt, maar die wel dezelfde premie betalen, solidair zijn met gehuwde werkende mannen, zijnde kostwinners? Geldt die zelfde solidariteit ook voor alleenstaanden met gehuwde werkende kostwinners? Ik vind dit een vreemd soort solidariteit. Overigens ben ik van mening dat de Regering de stellingname van de Emancipatieraad waar het de tijdelijke overgangswet betreft voor het recht op een toeslag of verhoging beslist onjuist interpreteert. Wij kiezen vooralsnog voor het standpunt dat afschaffing van de minimumdagloonbepalingen in strijd is met de derde EG-richtlijn, maar ook daarover is nog niet echt een discussie met de Kamer gevoerd. Nu de minimumdagloonbepalingen verder verslechteren waarbij ook de alleenstaanden niet meer boven een bepaalde leeftijd worden gespaard, heeft dit niet onze instemming. Wij vinden dat daar, waar de Regering een spanning signaleert tussen enerzijds het rekening houden met de relatieve behoefte die varieert met de omstandigheden waarin ieder individu verkiest alleen of samen te leven en anderzijds het streven naar individualisering van uitkeringsrechten, deze te gemakkelijk oplost door toch weer naar de gezinsnorm terug te grijpen. Voor ons is uitgangspunt niet de gezinssituatie, maar de individuele situatie met correcties voorlopig en tijdelijk voor die gevallen waarin meer personen afhankelijk zijn van één inkomen. Wij willen die correcties zoeken in de fiscale sfeer door het toekennen van een eigen belastingvrije voet voor ieder individu met de mogelijkheid van voetoverheveling in eenverdienerssituaties. Bij de discussie over de nota 'Op weg' komen wij hier zeker op terug. De Regering gaat overigens voorbij aan de motie van mevrouw Beckers-de Bruijn betreffende de individualisering in de sfeer van de sociale zekerheid en de belastingen door een levenshoog hek op te werpen waar het de afbakening betreft tussen het werkterrein van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Financiën. Ook vergeet de Regering de motie-Bischoff van Heemskerck van maart 1981, waarin door de Kamer is ingestemd met het uitgangspunt dat bij komende bezuinigingsronden de inkomenspositie van vrouwen er relatief niet verder op achteruit zou mogen gaan. Overigens zegt de Regering in de nota naar aanleiding van het eindverslag dat gestreefd wordt naar individualisering bij de loondervingsfunctie. Hoe moet ik dat in het geheel van dit wetsontwerp plaatsen? De maatregelen betekenen een achteruitgang in de positie van werknemers, waarvan ook de partner betaald werk verricht en alleenstaanden ouder dan 35 jaar. Bij de behandeling van de ziektewetvoorstellen heeft de SER erop gewezen dat ook in de ziektewet het hanteren van een kostwinnersbegrip voor het minimumdagloon in strijd is met de richtlijnen van de EG. Toen antwoord-de de Regering dat te zijner tijd eventueel alle minimumdagloonbepalingen gezamenlijk dienen te worden aangepast. Is de Regering niet van mening dat nu de andere kant wordt uitgegaan? In onze visie op het stelsel van sociale zekerheid zou de basisuitkering van onbeperkte duur voor werklozen en arbeidsongeschikten de minimumdagloonbepaling overbodig maken. Bij de derde EG-richtlijn gaat het om een geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijkberechtiging op het gebied van de sociale zekerheid. Wetten of maatregelen die ongelijkheidselementen bevatten dienen voor eind 1984 te worden aangepast. De derde EG-richtlijn is echter nu al van kracht en het nu uitbreiden van kostwinnersbepalingen past daar echt niet in. Ten slotte wil ik over dit punt nog de vraag stellen of de Regering, als het minimum dagloon in de WAO komt te vervallen, van plan is in het kader van de AAW een regeling te treffen, waarbij voor deeltijdwerkers de garantie ontstaat voor een uitkering op het eventueel evenredig gekort sociaal minimum niveau. Ingaande 1 april 1980 is immers een wijziging gebracht in de dagloonregelingen van de WAO, waarin is bepaald dat het evenredig gekorte minimum dagloon niet langer van toepassing is op deeltijdwerkers. De Sociale-Verzekerings Raad wil daar wel weer van af. Zal de Regering hem daarin steunen? Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot het verslag van het mondeling overleg over de regeling met betrekking tot de nevenverdiensten van mensen in de Algemene Bijstandswet. In de zomer van dit jaar is door de Regering een ontwerp-regeling gepubliceerd in de Staatscourant, waarvan pas na vragen en herhaalde vragen van de kant van D'66 duidelijk werd dat daaruit aanzienlijke koopkrachtgevolgen konden voortvloeien, vooral voor één-oudergezinnen in de bijstand, omdat die tot nog toe een extra vrijlating kenden. Waarop is de stelling van de Minister gebaseerd (gegeven tijdens het eerste mondeling overleg hierover) dat ongeveer even veel bijstandsvrouwen erop vooruit zouden gaan wanneer hun bijverdienste voortaan als hoofdverdienste zou worden aangemerkt, als erop achteruit zouden gaan? Nog afgezien van het feit dat dit niet klopt als gevolg van de jurisprudentie van de Kroon met betrekking tot de extra vrijlating, heb ik ook heel andere geluiden gehoord over de verhouding hoofdverdienste/ nevenverdienste. Van één sociale dienst heb ik gehoord, dat de verhouding daar 1 op 7 is, één hoofdverdienste tegen zeven nevenverdiensten. Waarop is het gegeven 1 op 1 gebaseerd? Heeft de Staatssecretaris daarover nadere gegevens? Over het onderwerp bleek twee keer een mondeling overleg nodig te zijn waarin beide keren door een meerderheid van de Kamer werd duidelijk gemaakt dat de maatregel, juist vanwege de effecten voor bijstandsmoeders, zo niet door kon gaan en dat met name iets moest veranderd ten aanzien van de eerste bijverdiensten, toegespitst op bijstandsmoeders. Door de woordvoerster van het CDA is in het eerste mondeling overleg bepleit 10% van het netto minimumloon als bodembedrag voor de eerste bijverdienste in één-oudergezinnen vrij te laten en daarboven 30%. In het tweede mondeling overleg werd deze vrijlatingsbodem gesteld op f 101,64, zijnde 7% van het netto minimumloon. Door de Staatssecre-Tweede Kamer 14 december 1982

taris is nu een bodemvrijlating van f72,60 voorgesteld, te betalen uit een verlaging van het algemeen vrijlatingspercentage van 30 tot 25%. Ik constateer dat die extra vrijlating, althans extra ten opzichte van het ontwerp-regeringsvoorstel, gefinancierd wordt uit een geringer algemeen vrijlatingspercentage en dat behalve één-oudergezinnen zelf ook echtparen en alleenstaanden daaraan dus meebetalen. Naar het oordeel van mijn fractie mag het niet zo zijn dat minimum inkomens inleveren voor andere minima, louter om wille van het behoud van een bezuiniging van 7,5 miljoen op een totaal aan bijstandsuitgaven van zo'n 7 miljard, waarvan ongeveer 1,5 miljard voor de één-oudergezinnen. De maatregel moest in totaliteit 7,5 miljoen opbrengen. Mij is gebleken dat daarin dan ook nog verwerkt is een saldo voor de geschatte positieve en negatieve gedragsreacties, positief omdat mensen meer gestimuleerd zouden worden om te werken, omdat er minder van de verdiensten overblijft, negatief omdat de maximim vrijlating lager is. Mij ontgaat het hoe dergelijke zachte, alleen kwalitatieve en niet onderbouw-de redeneringen toch voor een bedrag, welk dan ook, kunnen worden ingeboekt, maar misschien moet je daarvoor psycholoog of zo zijn. Overigens: zouden al gunstige bedragsreacties mogen worden verondersteld, dan zouden deze niet of nauwelijks kunnen worden gehonoreerd bij gebrek aan voldoende werkgelegenheid. Om welk bedrag gaat het overigens precies bij die gedragsreacties? Een andere vraag is, of bij de bepaling van het bezuinigingsbedrag rekening is gehouden met het extra uitte keren bedrag aan eenmalige uitkeringen. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil u graag een motie overhandigen waarin ik heb geprobeerd met een minimale extra uitgave ten opzichte van de bezuiniging van 7,5 miljoen de regeling nog iets meer aanvaardbaar te maken. Het voorstel zou 3 miljoen kosten, zodat nog een bezuiniging van 4,5 miljoen resteert, al moet ik er bijzeggen dat deze is gebaseerd op precies dezelfde gegevens waar ik eerder vraagtekens bij heb gezet.

Motie

De Voorzitter: Door het lid Groenman wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer, gehoord de beraadslaging; gelet op de huidige regelingen ten aanzien van de vrijlating van bijverdiensten in de bijstand en op het voorstel van de Regering, gedaan in de brief van 8 december 1982;

van mening dat de maatregelen welke te dien aanzien nu worden voorgesteld zware gevolgen kunnen hebben voor de koopkracht van bijstandsontvangers en met name voor die van één "oudergezinnen; verzoekt de Regering, voor één-oudergezinnen in de bijstand: 1. een eerste vrijlating te doen gelden van 10% van het nettominimumloon, zijnde f 145,20; 2. als maximale vrijlating te laten gelden 15% van het nettominimumloon, zijnde f217,75, te bereiken bij een nettoverdienste van 50% van het nettominimumloon, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 17 (17600 XV).

Mevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Voor de duidelijkheid zeg ik over dit voorstel nog dat het ten opzichte van het kabinetsvoorstel gunstig is wanneer minder dan f580,80 wordt bijverdiend -de vrijlating is dan f 199,65 -en enigszins ongunstig daarboven. Mijnheer de Voorzitter! Eigenlijk vind ik het te gek om op deze wijze te praten over een groep waarvan duidelijk is dat zij in overgrote meerderheid in een weinig uitzichtvolle positie verkeert, zowel qua inkomen als qua overige maatschappelijke positie. Dat blijkt niet alleen uit gegevens van het landelijk comité vrouwen in de bijstand, maar ook uit rapporten van hulpverleningsorganisaties, zoals de FIOM en de Nederlandse Organisatie van Welzijnswerkers. Het blijkt tevens uit onderzoeken van onafhankelijke instituten, zoals de Rijksuniversiteit Groningen en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het blijkt voorts uit hetgeen de directeuren van de 20 sociale diensten uit de kop van Noord-Holland ons hebben laten weten. De vele onderzoeken met een gelijke uitkomst zijn voor ons een teken aan de wand. Voor mijn fractie zijn zij reden om op z'n allerminst kritisch naar de normering in de bijstand te kijken. Wij hebben in dat kader in het verleden al eens voorgesteld, dat deel van de eenmalige uitkering dat naar één-oudergezinnen gaat, om te zetten in een structurele verhoging van de bijstandsnorm voor één-oudergezinnen. Naar ons is gebleken verzoekt het College van Advies voor de Algemene Bijstandswet om aan hem een adviesaanvrage te richten over de normeringssystematiek. De Staatssecretaris zegt daarover dat het pas kan, wanneer beslissingen zijn genomen over de stelselherziening sociale zekerheid. Ik wil precies het omgekeer-de beweren: verantwoorde beslissingen over een nieuw stelsel kunnen pas worden genomen als wij een goed inzicht hebben in alle relevante gegevens. Ik dring daarom opnieuw aan op een spoedige adviesaanvrage aan dit college, en wel over de werking van het huidige normeringsstelsel, zodanig dat wij over de resultaten van het advies in ieder geval kunnen beschikken in de besluitvormende fase van de stelselherziening sociale zekerheid. Kunnen de bewindslieden dat toezeggen? Dit was mijn bijdrage namens de D'66-fractie over de 'zwaarweerwetten', die wat ons betreft echt meer betekenen dan een storm in een glas water! De (algemene) beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: Ik stel voor, het verslag van de vorige vergadering goed te keuren. Daartoe wordt besloten. Sluiting 22.55 uur.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.