Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983 (17941).

De beraadslaging wordt geopend.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Vanochtend hebben de regeringspartijen het financieringstekort met zo'n f 100 min. verhoogd om het iets meer welgestelde deel van hun clientŤle te behagen. Alles heeft zijn prijs en komt het niet uit de lengte, dan komt het wel uit de breedte van de onderste lagen van de inkomenspiramide. Vanmiddag mogen wij een poging doen om de groei van het financieringstekort, vergeleken met ongewijzigd beleid, enigszins in te dammen. De prijs wordt betaald door kinderrijke gezinnen, de minima en de daaraan gekoppelde uitkeringen. Aldus beantwoordt de vraag wie er in dit land sociale tegenstellingen vergroot, 1082

Van der Zandschulp zichzelf. De vraag hoe zulks te rijmen valt met liberale principes over gelijke kansen of christendemocratische uitgangspunten van sociale gerechtigheid behoef ik gelukkig niet te beantwoorden. Precies een jaar geleden mocht ik in deze Kamer voor het eerst optreden als woordvoerder van mijn partij op het gebied van Sociale Zaken. Het betrof toen het agendapunt: benedenwaartse bijstelling van het minimumloon en de daaraan gekoppelde sociale uitkeringen in afwijking van de Wet aanpassingsmechanismen'. Eind 1982 hadden wij hetzelfde agendapunt. Nu, eind juni 1983, hebben wij weer hetzelfde agendapunt. Een halfjaarlijks ritme waarmee de Wet aanpassingsmechanismen, eens alom toegejuicht als een mijlpaal van sociale gerechtigheid, wordt 'kaltgestellt'. De inmiddels opgelopen achterstelling van minimumloon en uitkeringen bij de index van de regelingslonen bedraagt per 1 juli 4,8%, ongeveer f100 bruto, ongeveer f52 netto per maand. Redelijk als wij zijn, willen wij daarvan 0,5% aftrekken, namelijk het niet doorgeven van de verwerking van toeslagen in de bouw in de officiŽle bouwc.a.o. Het betreft hier immers geen reŽle loonsverbetering, maar alleen een optische, een andere benaming voor een daarvoor al bestaand loonbestanddeel. Resteert een reŽle achterstelling van het minimumloon van 4,8% min 0,5% is 4,3%. Voor die achterstelling valt geen rechtvaardiging te geven tenzij men wil verdedigen dat de inkomensverschillen groter moeten worden, maar die expliciete stellingname over een wenselijk te achten denivellering ben ik niet tegengekomen in de memorie van toelichting en de daarop volgende stukken. Ik ben daarin wel tegengekomen de budgettaire motieven die allesoverheersend zijn. Op zichzelf hebben wij begrip voor budgettaire motieven, maar wij hebben in het geheel geen begrip voor deze politieke vertaling ervan: een nogal eenzijdig afwentelen van bestaande problemen op de schouders van de mensen met de laagste inkomens. Naast dat budgettaire argument, waarvan wij de politieke vertaling dus afwijzen, sluipen er echter in de verdediging van de kant van het kabinet onzuivere motieven die de discussie dreigen te vertroebelen. Een eerste oneigenlijk argument wordt ontleend aan de constatering dat de werknemers in de marktsector per 1 januari voor ongeveer de helft hebben afgezien van prijscompensatie en per 1 juli in overgrote meerderheid, in ruil voor arbeidstijdverkorting. Aldus zouden de kabinetsvoorstellen betekenen dat de minima ongeveer in de pas lopen met de loonontwikkeling in de marktsector en zou de parallellie in de inkomensontwikkeling bewaard blijven. Dat moge als een geÔsoleerde momentopname juist lijken, het is een optiek ontleend aan gezichtsbedrog. Wij hebben namelijk bij de totstandkoming van de WAM besloten dat de minima niet in de pas zouden lopen, maar dat er sprake zou zijn van na-indexering met een vertraging van een halfjaar. In de vette jaren betekent zulks dat de koopkrachtverbetering voor de minima een halfjaar na-ijlt; in de magere jaren betekent dezelfde methodiek dat de koopkrachtverslechtering een halfjaar na-ijlt. Indien de economie in de toekomst weer aantrekt en koopkrachtverbetering weer mogelijk blijkt te zijn, dan volgen de minima wederom met een halfjaar vertraging. Op termijn bezien pakt het indexeringsmechanisme dus vrij objectief uit en is het verschil met de loonontwikkeling in de marktsector zeer gering. Uit bovenvermelde methodiek vloeit loischerwijze voort dat een ad hoeargumentatie over het dit jaar in de pas lopen niet valide is. Zo'n argumentatie dient dan ook naar mijn mening achterwege te blijven. Terzijde merk ik nog het volgende op. Toen het ging om de teruggave van de inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting, waarbij eveneens sprake was van na-ijleffecten is door de Regering en de regeringspartijen niet het argument gebruikt dat de dalende inflatie zou leiden tot overcompensatie en dat het na-ijleffect vervangen zou moeten worden door een in de pas iopen. Waarom spreekt men hier met twee tongen? Een tweede oneigenlijk element in de discussie wordt gevormd door verwijzingen naar wenselijk geachte arbeidstijdverkorting. Consequent als wij zijn, erkennen wij dat arbeidstijdverkorting straks ook consequenties zal hebben voor de hoogte van het minimumloon. Dank zij het koppelingsmechanisme worden die consequenties vanzelf betrokken in de na-indexering. Bij sterk uiteenlopende vormen van arbeidstijdverkorting bezwijkt echter een der ijkpunten, namelijk de uniforme werkweek. De gemiddelde arbeidstijd als nieuw ijkpunt biedt geen soelaas bij sterk uiteenlopende vormen van arbeidstijdverkorting.

Op zichzelf volgen wij de redenering van het kabinet dat een nieuw indexeringsmechanisme moet worden ontwikkeld. Werkelijk acuut is dat probleem op dit moment echter niet. De meeste ca.o.'s die arbeidstijdverkorting kennen, komen uit op een arbeidstijdverkorting van 5% per 1 januari 1985. De minima staan thans, per 1 juli, al op een achterstand van 4,3%. Zij anticiperen dus nu al op arbeidstijdeffecten die over gemiddeld anderhalf jaar optreden. In dit verband wil ik aan de Minister een vraag stellen die mij zo langzamerhand begint te intrigeren. De Minister heeft twee keer in de Tweede Kamer, namelijk bij het debat over de Voorjaarsnota en bij het debat over dit wetsontwerp, zijn betoog over de noodzaak van een snelle neerwaartse bijstelling van het minimumloon kracht bijgezet door te verwijzen naar de ca.o. voor de metaalindustrie, die volgens de Minister al op 1 april 1984 een arbeidstijdverkorting van 5% zou kennen. De kranten die ik lees melden echter dat de arbeidstijdverkorting van 5% bij de metaalindustrie ingaat op 1 januari 1985. Een districtsbestuurder van de Industriebond FNV die ik raadpleegde, hield het eveneens op 1 januari 1985 voor de metaalindustrie en op 1 oktober 1984 voor de zogenaamde kleinmetaal. Ik vraag mij nu dus af wie er uit de pas loopt. Is het de ene soldaat of de rest van de compagnie? Indien de Minister abuis zou zijn -ik weet het nog steeds niet zeker, maar ik ga het wel vermoeden -dan betekent dat toch dat er iets meer tijd resteert om het minimumloon aan te passen aan de consequenties van arbeidstijdverkorting dan de Minister tot dusverre meende. Een derde punt waarover op dit moment een althans voor mij onheldere en onafgeronde discussie ontstaan is, betreft de driehoeksrelatie tussen de arbeidsvoorwaarden in de marktsector, de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector en de aanpassing van het minimumloon. Ah ik het goed heb begrepen, wil de Minister bij de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector een trendsettend beleid gaan voeren, althans in 1983. In hoeverre dat beleid daarna wordt voortgezet, is mij niet duidelijk. Nu heeft het kabinet in de overheids-sector tot dusverre nog niet zo hard voorop gelopen als het erom gaat loonoffers om te zetten in arbeidstijdverkorting. Per 1 oktober moet er nu een inhaalmanoeuvre komen, waarover thans open overleg met de ambtenarenorganisaties plaatsvindt,

maar waarbij naar mijn indruk de uitkomst vooraf al is gedicteerd. Ik ga nu niet in op de voor-en nadelen van een eventueel trendsettend beleid voor het overheids-en semi-overheidspersoneel. Dat zou tot een heel ingewikkeld debat voeren. Dat heeft onder andere te maken met de pakketvergelijking, die er nog niet is, met een verschillend regime in socialezekerheidsregelingen en met het principieel politieke debat over de vraag of het overheidspersoneel gewoon werknemer is, dan wel in een bijzondere positie verkeert. Met het laatste hangt het debat over het stakingsrecht voor ambtenaren samen, waarover wij hedenmorgen het een en ander in de kranten konden lezen. Ik heb de indruk dat dit debat nog lang niet is afgerond. Als men al zou kiezen voor een trendsettend beleid voor overheids-en semi-overheidspersoneel, dan volgt daaruit, mijns inziens volstrekt niet logischerwijs, dat minimumloon en sociale uitkeringen gekoppeld zouden moeten worden aan een indexinkomensontwikkeling bij de overheid. En wel om de volgende redenen. Ten eerste: minimumlonen komen zowel voor in de marktsector als in de overheidssector. Ten tweede: premiebetalingen vinden eveneens zowel in demarktsector als, op een wat ingewikkelde wijze, in de overheidssector plaats. Ten derde: uitkeringen vinden zowel plaats aan mensen die worden uitgestoten uit, dan wel niet eens worden toegelaten tot de marktsector en de overheidssector. Indien een trendsettend beleid voor overheids-en semi-overheidspersoneel zich zou doorzetten, dan lijkt hiervan de logische consequentie dat de aanpassing van de minima geschiedt aan de hand van een gemengde index van regelingslonen in de marktsector en het arbeidsvoorwaardenbeleid van de overheid. Ik hoor graag van de Minister of ook hij dit ook een logische redenering vindt. De dreigende korting van 2% voor het minimumloon per 1 oktober komt bovenop de huidige achterstelling van 4,3%. Blijkens de adviesaanvrage aan de SER over de herinrichting van de methodiek van vaststelling van het minimumloon, zou er dan eventueel nog een extra voorindexering ten behoeve van arbeidstijdverkorting in 1984 overheen kunnen komen. Mocht zo'n nieuwe, herhaalde voorindexering al te fors uitvallen, omdat de markt-sector in sterke mate achter blijft, dan zou volgens die adviesaanvraag correctie mogelijk zijn, maar niet met terugwerkende kracht. Het laatste lijkt mij opnieuw een onzuiver element in zo'n nieuwe berekeningsmethodiek, die weer ten nadele van de minima uitpakt. In de discussie over de stelselwijziging wordt voorts opnieuw gezinspeeld op een verdere daling van de sociale minima. De Minister heeft de voorgenomen korting van 2% bij de minima per 1 oktober een stimulans voor arbeidstijdverkorting genoemd. Ik vind dat een ongerijmde uitlating. Als arbeidstijdverkorting inkomensoffers vraagt, liggen de grootste knelpunten en moeilijkheden bij de laagste inkomens. Daar meer vragen dan strikt nodig is, botst met rechtvaardigheidsgevoelens, doet het maatschappelijk draagvlak voor arbeidstijdverkorting afbrokkelen en zal naar mijn taxatie veeleer als een anti-stimulans voor arbeidstijdverkorting uitwerken. Ik maak nog enkele algemene opmerkingen over de inkomenspositie van de minima. De Minister legt in vrijwel elk interview uit, dat het begrip 'sociaal minimum' slechts een relatieve betekenis heeft en afhankelijk is van een bepaald niveau van welvaart in een bepaalde tijd en in een bepaald land. Dat lijkt mij een correcte redenering. In het debat in de Tweede Kamer voegde Ina Brouwer hieraan toe dat de hoogte van het sociaal minimum ook door de machtsverhoudingen in de maatschappij wordt bepaald. Dit lijkt mij een zeer correcte aanvulling. De machtspositie van mensen met minimumloon en sociale uitkering is zeer gering. Aan het algemene welvaartsniveau en aan de machtspositie in de maatschappij voeg ik nog een derde overweging toe, namelijk dat er bij de vergaande relativering van het begrip sociaal minimum toch onvoldoende rekening mee wordt gehouden dat het inkomen van de minima in toenemende mate uit vaste lasten is gaan bestaan. Ik denk vooral aan het sterk gestegen aandeel van de woonlasten in het totale inkomen, die relatief het zwaarst op de laagste inkomens drukken. De sociaal-wetenschappelijk onderzoeker Caspar Wiebrens van het Sociaal en Cultureel Planbureau becijferde vorig jaar dat een minimunv loner, (getrouwd, twee kinderen) in 1979, na aftrek van vaste lasten, door hem zo krap mogelijk berekend, 4700 gulden overhield, die men met enige welwillendheid als vrij besteedbaar kon beschouwen.

In 1982 was dat vrij besteedbare bedrag gedaald tot f 3800. Te vrezen valt dat het in 1983 nog verder geslonken is. De overheid zou als schild der zwakken extra zorgvuldig moeten omspringen met de laagste inkomens en inkomensdaling dienen te beperken tot datgene wat strikt nodig is als consequentie van herverdeling van werk. Tegelijkertijd zou de overheid creatief moeten zoeken naar enige vormen van structurele compensatie voor de alleenverdieners onder de laagst betaalden om te verhinderen dat mensen werkelijk in grote nood geraken. Van onze kant zijn daartoe al eerder suggesties gedaan, maar tot dusverre zijn die door het kabinet nog niet erg positief benaderd. In dit kabinetsbeleid sluipt naast het motief van herverdeling van werk ook naar ik vrees de gemakzuchtige constatering binnen dat de minima het gemakkelijkst te pakken zijn als het erom gaat gaten in de begroting te dichten. De lasten van de crisis worden zo in onevenredige mate op de minima afgewenteld. Zo zakken de minima door de vloer, die de wet aanpassingsmechanisme in het loongebouw heeft gelegd, en worden ze in onderaardse kelders geduwd, dit op dezelfde dag waarop wij bovenop het loongebouw nog een luxueus torentje bouwen voor bepaalde categorieŽn van huiseigenaren. Als ik mij goed herinner komt aan het CDA het auteursrecht toe van de term beschavingsnorm als het gaat om de koppeling van de minima aan de index van de regelingslonen. Helaas, het CDA lijkt in slechte jaren deze beschavingsnorm niet intact te kunnen of te willen houden. Eťn verdedigingslinie houden de Minister en het CDA tegenover de VVD nog wel in stand, de zogenaamde nettonetto koppeling. Dat is niet geheel zonder betekenis, maar die betekenis vermindert wel snel als men het hart uit het koppelingsmechanisme haalt, namelijk de index van de regelingslonen. Ik heb het verleden jaar als volgt geformuleerd. De index van de regelingslonen is de locomotief van het koppelingsmechanisme. Het kabinet ontkoppelt de wagons van minimumloon en minimumuitkeringen van deze locomotief. Het feit dat de wagons van minimumloon en minimumuitkeringen nog steeds aan elkaar gekoppeld zijn, is van minder betekenis als beide wagons op een zijspoor worden gerangeerd. Helaas, ik herhaal mijzelf, maar de Regering dient ook elk half jaar een zelfde slecht wetsvoorstel in.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Op het moment dat ik gisteren het uitgetikte verhaal voor vandaag op mijn bureau kreeg, bereikte mij de telefonische mededeling, dat beide wetsontwerpen, waarvan de behandeling aanvankelijk gezamenlijk zou plaatsvinden, toch apart zouden worden behandeld. Ik zal dan ook het fileermes moeten hanteren. Ik wil toch graag beginnen met een opmerking terzijde over beide wetsontwerpen, die bovendien op meer wetsontwerpen zou kunnen slaan. Deze beide wetsontwerpen zijn op 30 mei ingediend. Dat betekent, dat de bewindslieden de Tweede en de Eerste Kamer precies 28 dagen gaven voor de behandeling ervan maar ook geen dag meer. Als we ze vandaag niet zouden aannemen c.q. erover stemmen en dus de ontwerpen voor 1 juli het Staatsblad niet zouden bereiken, komt er uitstel en valt er wederom een gat. De bewindslieden weten immers dat de Centrale Raad van Beroep onverbiddelijk is wanneer het gaat om terugwerkende kracht in het nadeel van de verzekerde. Aan de overzijde is reeds gewezen op de krappe tijdslimiet. De heer Hermsen noemde in dit verband ook ons Huis en dat was erg aardig van hem. De Staatssecretaris heeft toen tot twee keer toe gezegd, dat het achteraf beschouwd wel eerder had gekund. Dat is een loyale erkenning en dat siert de Staatssecretaris. Dat neemt niet weg dat het allemaal misschien een tikje slordig is. Was het de eerste keer, dan zou men zeggen: vooruit maar. Ik vraag mij af of hierin een beetje een structureel element aan het komen is. Men vraagt zich dan af of het misschien -ik zeg dit met grote aarzeling -ontbreekt aan enige referentie, niet alleen ten opzichte van het parlement, maar ook tegenover andere organen, zoals bij voorbeeld de SER. Het is toch niet helemaal niets, als het dagelijks bestuur van deze raad zicht meent tot de Minister-President te moeten wenden, niet alleen omdat de raad te weinig tijd zou krijgen voor het uitbrengen van zijn adviezen, maar ook omdat hij meent te wťinigserieus te worden genomen. Ik vraag mij af of het laatstgenoemde vermoeden niet een beetje begrijpelijk is, wanneer -zoals toch is gebeurd -de inkt van een advies nog niet droog is op het moment dat het desbetreffende wetsontwerp verschijnt, waarin dan weinig of niets van 's raads mening is terug te vinden. Natuurlijk mogen bewindslieden zulk een advies niet volgen, maar het gaat mij meer om de manier waarop het spel wordt gespeeld. Ik zeg dit alles met groot begrip voor de moeilijke situatie waarin de bewindslieden verkeren en met groot begrip voor het ondankbare werk dat zij moeten doen. Vorige week heb ik tijdens het beleidsdebat met instemming de uitspraak van de Minister over de doeleinden van de verzorgingsstaat geciteerd: een redelijk bestaan voor iedereen, gemeten aan het economische, socialeen cultureleontwikkelingspeil van vandaag. Het economische peil is nu eenmaal een stuk lager dan in de jaren zeventig. Net als iedereen zullen de minimumloners en de trekkers van uitkeringen de gevolgen daarvan moeten ondervinden. Dat is hard. Wie zal dat ontkennen? Het kan echter nu eenmaal niet anders. Bovendien, wij wilden onze uitkeringen, toch welvaartsvast. Geldt dat alleen in goede en niet in kwade dagen? Wij mogen ons overigens hierbij wel realiseren dat deze categorie in de jaren zeventig een relatief grote materiŽle vooruitgang heeft gekend. Terwijl de koopkracht voor de minima in deze periode met 13% steeg -ik haal de uitspraak van de Minister, gedaan aan de overzijde van het Binnenhof aan -daalde het inkomen per inkomenstrekker -dit meldde NRC Handelsblad vorige week -met 2% per jaar. Daardoor is het op het niveau van 1972 teruggevallen volgens NRC Handelsblad. De stijging van het minimumloon krijgt nog eens een extra onderstreping door wat hier de vorige week naar mijn smaak ten onrechte werd genoemd, het douceurtje van f400 aan vakantietoeslag voor de hogere ambtenaren. Het is natuurlijk een schrale troost dat Nederland niet het enige land is, waarin moet worden bezuinigd. In hetzelfde artikel van NRC Handelsblad wordt de mijns inziens juiste conclusie getrokken, dat de verzorgingsstaten van West-Europa, die in de jaren zeventig hun socialezekerheidssysteem fors hadden uitgebreid, in de val zijn gelopen.'De onmacht van de noeste regeringen" wordt in het artikel van NRC Handelsblad gezegd 'om de problemen van toenemende uitgaven en lasten in een tijd van economische stagnatie aan te pakken, uit zich vaak in het hanteren van de botte bijl.

Uitkeringen worden niet meer aangepast aan de loonontwikkeling of zelfs de prijsstijgingen, premies en belastingen worden verhoogd, overheidsbijdragen worden verminderd of helemaal teruggetrokken; scherpe bewakingsdiensten worden ingesteld die misbruik moeten tegengaan'. Mijn fractie is de mening toegedaan dat, botte bijl of niet, het gewoon niet anders kan. Daarom zal zij het wetsontwerp steunen, zij het niet van harte. Geldt het laatste niet eveneens de verdediging door de Minister? De Minister heeft aan de overzijde van het Binnenhof gezegd, dat een uitschuifoperatie op zichzelf zou zijn gerechtvaardigd, ware het niet dat het kabinet om budgettaire redenen een permanente doorbreking van de aanpassingsmechanismen onontkoombaar acht. Hij wil wel, zoals hij dat zelf noemde, op de lat schrijven, maar hij toont zich dan toch een even eerlijke als dubieuze debiteur. Mag ik hieruit afleiden -misschien heeft hij het wel gezegd, maar ik heb geen tijd gehad om alles even nauwkeurig door te nemen -dat hij voor goed af wil van de koppeling van de collectieve sector aan de ontwikkeling op de marktsector en dat hij alleen de nettonettokoppeling wil handhaven? Hoe denkt hij in dit verband dan over de opvattingen van professor Van Praag in het laatste nummer van Economisch Statische Berichten, namelijk dat de gehele problematiek gemakkelijker kan worden opgelost wanneer wij het dogma laten vallen, dat het door ons aanvaarde minimumbehoefteniveau, de ondergrens moet zijn van de op de arbeidsmarkt gegeven beloningen. Het minimumloon en het minimuminkomen zouden onafhankelijk van elkaar op hun merites moeten worden beoordeeld. Het handhaven van het minimumloon komt Van Praag als onwenselijk voor. Als de minimumlonen onder het minimuminkomen zouden vallen, dient suppletie te worden gegeven via de sociale verzekeringen of de bijstand. Ik zie die inbouw in de sociale verzekering overigens nog niet zo. Wat de bijstand betreft, dreigt straks bij de herstructurering van het sociale zekerheidsstelsel een steeds groter beroep te worden gedaan op deze Wet. Heeft de Minister deze mogelijkheid verleden week in de Tweede Kamer ook niet genoemd, als de jeugdminimumlonen ten gevolge van de arbeidstijdverkorting te laag zouden

worden? Leidt dit grotere beroep op de Bijstandswet er niet toe dat na de vice-president van de Raad van State en eventueel de Minister-President, de rijksbetaalmeester de belangrijkste ambtsdrager in het Koninkrijk der Nederlanden gaat worden?

©

L.C. (Louis) van DalenDe heer Van Dalen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Er was een bijkomende overweging bij hetbevriezingsvoorstel om te voorkomen dat door deze bevriezing fricties zouden ontstaan in het loongebouw. Wij hebben daar met instemming kennisvan genomen. Wanneer immers de laagste inkomens niet mede ten behoeve van de arbeidstijdverkorting inleveren, wordt het loongebouw aanzienlijk ineen gedrukt. Aanzienlijk, omdat die indrukkende werking reeds bij de loonvorming aanwezig was. Dat zou betekenen dat bij de bovenminima de bereidheid zou afnemen om nog verder loon in te leveren voor een verdergaande arbeidstijdverkorting. Dat is inderdaad het geval. Wij horen geluiden uit de werkgeverskring, dat men nog verder zou willen gaan. Men doet een beroep op de overheid om het minimumloon nog verder te verlagen -men noemt zelfs een percentage van 5 -om meer te kunnen bezuinigen en, naar hun mening, het marktmechanisme nog beter te kunnen laten functioneren, ook inzake de arbeidstijdverkorting. Het kabinet heeft aangekondigd, niet meer dan 2% te gaan korten. In onze kring zijn wij al lang van mening dat terughoudendheid gepast is als het gaat om verhogingen van het minimumloon, omdat wij graag het koppelingsbeleid zo lang mogelijk willen handhaven. Er is echter nog een andere belangrijke reden. Het gaat hier namelijk om een inkomen waarvan de mensen redelijk moeten kunnen bestaan. Verleden week is tijdens het beleidsdebat over Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens onze fractie opgemerkt dat de onder-grens in het loongebouw en in de sociale verzekering niet zou mogen zakken beneden het bestaansminimum. Wij hebben al te maken met het feit dat er meer dan een half miljoen echte minima zijn, die tegemoet moeten worden gekomen met een eenmalige uitkering. Het is daarom goed dat wij ook voor de toekomst letten op wat vrij besteedbare bedragen voor deze laagste inkomensgroepen nog kunnen betekenen, als het gaat om de bestrijding van de noodzakelijke kosten om ook in onze samenleving als mens te kunnen blijven functioneren. Er is nu wel geantwoord dat wij met de vrije, individuele consumptiekeuze van de mensen zitten en dat het dan moeilijk is om daarnaar goede gerichte onderzoeken te verrichten, maar wij kunnen toch onderkennen dat bij de toenemende vaste lasten de marges voor die vrije, individuele consumptiekeuze steeds smaller worden. Wij weten dat het welvaartsniveau van de laagste inkomensgroepen op natuurlijke wijze economisch gerelateerd moet zijn aan het algemene welvaartsniveau. Wij weten ook dat de mogelijkheden om het welvaartsniveau zo rechtvaardig mogelijk over de diverse groepen van de bevolking te verdelen, steeds beperkter worden. In het jargon zegt men dan dat de instrumenten steeds botter worden. Wij mogen niet vergeten welke sociale bedoeling er was, toen het wettelijke minimumloon indertijd werd geÔntroduceerd. Tegelijkertijd is het van belang dat wij spreken over een substantiŽle inkomensmatiging over de gehele linie. Wij zijn hier steeds voor geweest en hebben dit in allerlei toonaarden tijdens de kamerdebatten bezongen. Daarom is het goed dat het kabinet een dringend beroep op de sociale partners deed in 1983 om hiernaar te streven. Dit beroep is niet tevergeefs gedaan. Wij hebben in de stukken kunnen lezen dat de contractloonstijging vrijwel nihil zal zijn en dat een parallelle ontwikkeling is ontstaan tussen de contractlonen en het minimumloon, respectievelijk de sociale uitkeringen. Dit achten wij een gelukkige ontwikkeling. De overheid kiest nu voor een trendsettend beleid. Het kabinet maakt zich hiervoor sterk. Het is echter goed dat het kabinet er zelf op toeziet, niet al te sterk vooruit te lopen, omdat wij met elkaar hebben gekozen voor de vrijheid en verantwoordelijkheid die men in de markt-sector graag heeft om zelf te kunnen bepalen wat wenselijk is. Ook is het wenselijk dat wij in het samenhangende meersporenbeleid met elkaar nationaal gezien afspraken maken over de verstandigste weg. Verleden week tijdens het beleidsdebat is al de waardering van onze fractie uitgesproken, omdat de Minister van Sociale Zaken kiest voor de weg van overleg. Hij heeft zelfs de hoop dat hij de sociale partners kan overtuigen.

Er zijn echter signalen dat niet alle partners overtuigd zijn van de noodzaak van de voorgestelde maatregelen. Er is zelfs, helaas, sterke verdeeldheid onderling. Mogelijk biedt de ontwikkeling in de komende maanden enig perspectief voor de resultaten van het overleg. Het is zeer verleidelijk, vandaag ook een voorschotje te nemen op de maatregelen die per 1 oktober aanstaande moeten worden genomen, omdat dan de 2%-korting aan de orde is. Wij zien echter ervan af, hierover nu inhoudelijk te discussiŽren, omdat er overleg is met de overheidsbonden. De vraag is of er sprake zal zijn van een dictaat. Wij geven wat dit betreft het voordeel van de twijfel aan de Minister van Binnenlandse Zaken, die het overleg voert. Hij is voorstander van overleg en zal zijn overtuigingskracht gebruiken. Minstens zo belangrijk is het dat er een adviesaanvrage bij de SER ligt over de herinrichting van de methodiek voor vaststelling van de niveaus van minimumloon en sociale uitkeringen in verband met de arbeidsduurverkorting. Bovendien is dit voorstel geheel anders van karakter en inhoud dan het voorstel waarover wij nu spreken. Het lijkt mij daarom goed, de zaken te scheiden en de beraadslaging daarover af te wachten. Door de gematigde nominale loonontwikkeling, die geaccumuleerde effecten in de samenleving kent, ontstaat onvermijdelijk op de middellange termijn een positief effect op het prijsniveau, lijkt ons. Wij zien al een zekere dalende prijstrend. Als deze doorzet, kan dit in de samenleving mildere instemming geven met de pijnlijke maatregelen die wij thans moeten treffen. Men kan dan immers achteraf de vruchten plukken van de opgebrachte ingetogenheid bij de loonvorming. Blijkens kranteberichten is het Centraal Planbureau weer druk bezig met allerlei berekeningen. De minister-raad is bezig met de rijksbegroting voor 1984. Misschien heeft de Minister al enig inzicht in het verdere verloop en kan hij het mogelijke perspectief van een voortgezette dalende prijstrend bevestigen. De vorige week is ook gesproken over de effecten, van de aangekondige premiewijzigingen per 1 juli en datgene wat hierop volgt. De Staatssecretaris heeft toen al duidelijk laten blijken welke overwegingen hij heeft om af te wijken van het standpunt dat ook in de Sociaal-Economische Raad is ingenomen.

Inmiddels is ook het advies van de Sociale Verzekeringsraad verschenen. Misschien is het voor dit debat goed dat de Staatssecretaris er nog even op ingaat waarom naar zijn mening verhogingen onvermijdelijk zijn. Zijn reactie kunnen wij dan in onze overwegingen betrekken. Wij zijn vooral benieuwd -daarvan hebben wij meermalen blijk gegeven -naar de verwijderde effecten, in samenhang met de inkomensafhankelijke regelingen in de tertiaire sfeer. Wij spreken steeds over de primaire en de secundaire sfeer; meermalen hebben wij ook gesproken over effecten in de tertiaire sfeer. Wij kunnen ons voorstellen dat het zeer moeilijk is, daarvan een goed inzicht te geven, en dat het zelfs twijfelachtig is of dat tot een bevredigende discussie kan leiden. Een winstpunt lijkt mij in elk geval dat het bij de discussie over de koopkrachtverhoudingen sterk relativerend zal werken. Wij hebben al eerder betoogd dat onze 'millimetermaatlatjes', met de suggestie dat wij de werkelijkheid volledig in het vizier hebben, eigenlijk niet meer het juiste zicht op de werkelijkheid geven. Wij denken vaak dat wij in dit opzicht kunnen sturen, ook door in te spelen op het overheidsbeleid. Wij zullen onze illusies misschien in realistische zin kunnen veranderen. Uit mijn verhaal kan men overigens afleiden dat wij er alle begrip voor hebben waarom voorzieningen achterwege worden gelaten en waarom deze maatregelen per 1 juli a.s. worden genomen. Wij vinden die maatregelen op zichzelf goed.

©

S.C. (Suzanne)  Bischoff van HeemskerckMevrouw Bischoff van Heemskerck (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Er is al een flinke ronde geweest in deze Kamer en in de Tweede Kamer. Wij vervallen nooit in herhaling. Ik beperk mij dan ook tot een aantal nog niet eerder gestelde vragen, in de wetenschap dat het natuurlijk gemakkelijker is om vanaf dit altaar kritiek te leveren dan vanachter de tafel de zaak te verdedigen. Dat moet de oppositie ook maar eens zeggen. Ik ga in op drie punten: de koppeling, het driesporenbeleid en de zorgvuldigheid. Over de koppeling is veel gesproken. Na alle berekeningen blijf ik toch van mening dat de koppeling op afstand al een feit is geworden. Ik probeer uit de redenering van de Minister een casuspositie te halen. Hij heeft gezegd dat de koppeling tussen de markt-en de overheidssector weg is, en dat hij anderzijds zeer hecht aan de netto-nettokoppeling, waaraan hij dan ook wil vasthouden. Ik kan mij voorstellen dat de afstand tussen de markt-en de overheidssector op de lange duur ook van invloed zal zijn op de nettonettokoppeling, die is aangebracht vanwege de 'gegijzeldenpositie' van de niet-actieven. Stel nu dat het minimum netto gelijk blijft aan dat in de overheidssector, en niet aan dat in de marktsector. Het minimumloon zal een paar jaar niet worden aangepast. Wat blijft er dan eigenlijk over van de reden tot het aangaan van die nettonettokoppeling? Ik kan na een aantal jaren niets anders zien ontstaan dan een matigende categorie minima in de overheids-, en een rijke categorie minima in de marksector. Ik zou graag zien dat de Minister op deze casuspositie inging. Mijn partij heeft weliswaar voor een trendsettend beleid gepleit, maar onze zorg is wat er zal gebeuren na een aantal jaren. Ik kom tot mijn tweede punt, het driesporenbeleid. De Minister zei het nog eens verleden week in onze Kamer: het overheidstekort moet kleiner worden, er moet een lastenverlichting komen en de werkgelegenheid moet worden gestimuleerd. In de Tweede Kamer heeft de Minister gezegd -als ik het mij goed herinner, was dit in antwoord op vragen van mevrouw Ter Veld -dat de komende premieverhoging wellicht enige lastenverzwaring zou betekenen voor het bedrijfsleven, vooral voor het midden-en klein bedrijf. Dit is in tegenstelling met wat in de Voorjaarsnota staat. Vanmorgen hebben wij een accijnsverhoging behandeld, die een mogelijke lastenverzwaring inhoudt voor het bedrijfsleven, te weten de verhoging van de accijns op benzine. Wordt dit niet te veel in het kader van het driesporenbeleid? Dan is er nog een belangrijker punt: de arbeidstijdverkorting en de werkgelegenheid -het derde spoor. Het gaat langzaam met de arbeidstijdverkorting. Nu weet ik dat daar veel technische moeilijkheden aan vastzitten. Maar ook is het zo dat als in grote mate de arbeidstijd wordt verkort -en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou hierin heel snel lopen -, de mogelijkheid tot bezuiniging op de inkomens in de collectieve sector per se minder wordt. Men kan de mensen immers niet vragen om eerst in te leveren voor hun arbeidstijdverkorting en vervolgens nůg eens in te leveren. Wordt er nu niet, in het kader van het eerste spoor -dat erg belangrijk is voor dit kabinet, gelet op de feiten -, tegen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gezegd: 'Minister, loop niet te hard met die arbeidstijdverkorting'? Of wordt er alle medewerking aan gegeven, dat de Minister arbeidstijdverkorting, met inlevering van inkomen, werkelijk op korte termijn kan uitvoeren? Tussen deze sporen is nl. sprake van een mogelijk conflict. Mijn derde punt betreft de zorgvuldigheid; de Raad van State heeft erop gewezen en ook de heer Heijmans heeft het zoeven gezegd. De Raad vraagt wat de gevolgen zullen zijn voor de extra bijdragen in de sfeer van de inkomensafhankelijke voorzieningen, indien de minima ook nu niet weer worden aangepast. De Regering antwoordt, dat zij daarop zal ingaan in haar inkomensnotitie. Het eigenlijke antwoord kennen wij nu dus nog niet. Er wordt aldus een maatregel genomen, terwijl het onbekend is, of een gedeelte van die maatregel misschien een ' vestzakbroekzak'-maatregel zal zijn. Is dit wel een zorgvuldig antwoord geweest op het advies van de Raad van State? Ik verneem graag een antwoord van de Minister hierop. Voorzitter: De Rijk Minister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! Uit de inbreng van de zijde van de Kamer is mij opnieuw duidelijk geworden dat er ook in dit Huis gemengde gevoelens leven omtrent de voorgenomen bevriezing van minimumloon en sociale uitkeringen. Wanneer ik nu op de gemaakte opmerkingen antwoord geef, mag men inderdaad verwachten -zoals ťťn van de sprekers heeft gezegd -, dat die gemengde gevoelens ook bij mij leven. Voordat ik inga op de verschillende betogen, wil ik eerst mijn waardering uitspreken voor het feit dat deze Kamer ook nu weer bereid is geweest, en daarin ook is geslaagd, om binnen zeer korte tijd na de afsluiting van het debat in de Tweede Kamer dit wetsontwerp te behandelen. Ik ben mij ervan bewust dat wij door de tijdsklem die bij dit soort voorstellen haast onvermijdbaar is, een sterke druk leggen op de Kamer en haar medewerkers. De heer Heijmans heeft daar terecht enkele opmerkingen over gemaakt.

De Koning Het betreft hier bepaald niet een gebrek aan deferentie van onze kant: het is het onontkoombaar gevolg van de snelle verslechtering in onze economie, van de noodzaak daar telkens slagvaardig op te reageren en van de langwerpige procedures die wij daarbij moeten volgen. Dit betekent dat de druk aan het einde van de hele keten van voorbereiding voortdurend groter wordt en dat deze Kamer, die het laatste woord te spreken heeft, die druk in bijzondere mate ondervindt. Ik ben mij er ook bewust van, dat de SER en in voorkomende gevallen ook de Stichting van de Arbeid vaak zeer onder druk worden gezet om zeer snel te adviseren. Ook daar is geen sprake van gebrek aan deferentie. Wanneer eens een keer onzerzijds een snelle -misschien wel een te snelle -beslissing wordt genomen naar aanleiding van een adviesaanvrage aan de raad, dan is dat niet uit achteloosheid maar omdat wij meenden snel te moeten beslissen, veelal overeenkomstig de adviezen van de raad of een deel van de raad en een enkele maal daarvan afwijkend. Er zal overigens met de voorzitter van de SER een gesprek plaatsvinden, waarin wij hierop nog eens de nadruk zullen leggen. Het debat vindt plaats erg kort voordat publikatie van de wet moet plaatsvinden, echter, het is bekend dat bevriezing van het minimumloon en van de sociale uitkeringen het vorige jaar reeds op Prinsjesdag werd aangekondigd. Niemand in het land wordt door deze maatregelen overvallen. De voornemens daartoe waren ruimschoots te voren bekend. In de Miljoenennota 1983 is door het vorige kabinet al aangegeven, dat er voor dit jaar, gezien de budgettaire situatie, geen ruimte zou zijn voor verhoging van het minimumloon, van de sociale uitkeringen en van de ambtenarensalarissen. Vanuit die situatie is een beroep gedaan op de sociale partners om in de marktsector tot een overeenkomstige inkomensmatiging te komen. Dit kabinet heeft de lijn doorgetrokken die door het vorige kabinet al was uitgezet. Gezien de financiŽle situatie was er ook naar ons oordeel geen andere weg te gaan. Ik wil nogmaals de nadruk erop leggen, dat het om beheersing van de collectieve lasten gaat. Die beheersing strekt zich uit over de gehele collectieve sector. Ook in de betogen die nu zijn gehouden en vooral in het betoog van de heer Van de Zandschulp wordt telkens weer de suggestie gewekt alsof alleen een maatregel wordt genomen ten aanzien van uitkeringen en minima. Natuurlijk heeft de verlaging van het wettelijk minimumlon haardoorwerking op de minima, maar het is een middel om de lastendruk in de gehele collectieve sector enigermate binnen de touwen te houden. Waarom moeten wij dat doen? Het is bekend dat wij ons een oplopen van het financieringstekort niet meer kunnen veroorloven. Loopt het financieringstekort nog verder op, stijgen de lasten van rente en aflossing nog verder, dan zal dit gevolgen hebben voor de uitvoering van de rijksbegroting, voor economisch herstel en daarom voor de werkgelegenheid. Wij zijn van mening, dat het herstel van de werkgelegenheid in het kader van het driesporenbeleid prioriteit behoort te hebben, k zeg dit op voorhand ook al tegen mevrouw Bischoff. Het herstel van de werkgelegenheid heeft prioriteit. Dat staat echter niet los van de ontwikkelingen die binnen het eerste spoor plaatsvinden. Als binnen het eerste spoor het financieringstekort -dit jaar 33 mld.; het totaalbeslag op de kapitaalmarkt 40 mld. -gedurende een aantal jaren zo blijft stijgen -de vorige week heb ik de cijfers gegeven -kan iedereen heel duidelijk de rampzalige gevolgen voor de economie en dus voor de werkgelegenheid daaruit aflezen. Mijnheer de Voorzitter! Ik erken, dat een deel van de in het verleden opgetreden loonstijging niet wordt doorgegeven aan de minimumloners en de uitkeringstrekkers. Onder andere de heer Van de Zandschulp heeft erop gewezen, dat wij dit jaar de ontwikkeling van de index van de regelingslonen niet volgen. Aan de overkant heb ik gezegd, dat de loonstijging op de lat blijft staan. Dat is een riskante opmerking, die het gevaar met zich brengt dat ik op voorhand als een dubieuze debiteur kan worden beschouwd. Toch ben ik van mening, dat het inderdaad juist is dat weliswaar thans de inkomens in de collectieve sector achterblijven maar dat wij niet moeten uitsluiten dat in een periode van economisch herstel de inkomens in de collectieve sector die achterstand weer kunnen goedmaken. Als mevrouw Bischoff vraagt wat er gebeurt als dit een aantal jaren duurt, is het antwoord dat het inderdaad in volgende jaren erg moeilijk zal zijn om in de collectieve sector de ontwikkeling in de marktsector te volgen als de ontwikkeling zo zorgelijk blijft.

Daaruit zal voortvloeien een blijvend beroep op de marktsector om zichzelf in te tomen en de pas in te houden. Je kunt echter niet uitsluiten dat dan de afstand tussen de collectieve sector en de marktsector nog wat verder kan groeien. Ons beleid blijft echter uitdrukkelijk gericht op het realiseren, zij het op termijn, van een parallelle loonontwikkeling. De heer Van de Zandschulp heeft ons al voorgerekend wat zou zijn gebeurd als de minimumlonen en de sociale uitkeringen wel conform de bedoelingen van de WAM de index zouden hebben gevolgd. Dit is dus niet gebeurd. Slechts op 1 januari jl. is uit koopkrachtoverwegingen het minimumloon met 1% verhoogd en verder is er van een achterblijven sprake. Over 1983 is de heer Van Dalen heeft er terecht op gewezen, sprake van een ontwikkeling van de lonen in de marktsector die ongeveer gelijk loopt aan die van de minimumlonen en van de sociale uitkeringen. Dit heeft natuurlijk alles te maken met de arbeidstijdverkorting die in de marktsector langzaam op gang begint te komen. Op 1 januari jl. is maar aan 50% van de werknemers de prijscorrv pensatie uitbetaald en voor de overige werknemers is die prijscompensatie aangewend voor herverdeling van arbeid. Op 1 juli zal in een nog kleiner aantal gevallen uitbetaling van de prijscompensatie plaatsvinden. Als ik de ca.o.'s daarbij in ogenschouw neem die de index van de regelingslonen bepalen, dan is in die ca.o.'s slechts in 4% van het aantal gevallen uitbetaling van de prijscompensatie vastgelegd. Voor 1,5 miljoen werknemers staat nu al vast dat de prijscompensatie voor andere doeleinden zal worden aangewend. Hiermee kom ik dan ook op het punt van de fricties in het loongebouw, waarop de heer Van Dalen is ingegaan. Zou het minimumloon per 1 januari jl. en per 1 juli aanstaande wel met het volledige percentage worden verhoogd, conform de ontwikkeling van de index van de regelingslonen, dan zou het minimumloon daardoor veel sterker stijgen dan de overige lonen in de marktsector en wellicht ook in de collectieve sector. Dan zou het loongebouw verder in elkaar gedrukt worden, zoals de heer Van Dalen terecht heeft opgemerkt. Het zou ook betekenen dat in veel bedrijfstakken de minimumloners wettelijk niet in staat zouden zijn om een inkomensoffer te brengen ter financiering van de arbeidstijdverkorting. Dit zou natuurlijk extra kosten

voor de bedrijven met zich brengen, maar het zou ook in strijd zijn met de afspraken die gemaakt zijn over de randvoorwaarden die in acht zouden worden genomen in het proces van arbeidstijdverkorting. Het is juist wat de heer Van de Zandschulp heeft gezegd, dat er altijd een zeker naijling is geweest en ook een zekere mate van uiteenlopen in aanpassing van het minimumloon en loonsverhogingen. Wij hebben overigens in het verleden vaak 'uitschuifoperaties' toegepast, soms om een uiteenlopen te voorkomen, in een geringere mate dan op het ogenblik bij deze gelegenheid het geval is. Zoals ik al zei, hebben wij nu voor het eerst te maken met een situatie van over het algemeen nominaal gelijkblijvende lonen. Je kunt zeggen dat de werknemers gezamenlijk een offer brengen ter verbetering van de werkgelegenheidssituatie. Juist onder deze omstandigheden moet een uiteenlopen van lonen, minimumloon en sociale uitkering voorkomen worden. Een enkele opmerking over het inkomensbeeld van 1983, een inkomensbeeld waarop veel kritiek is geleverd, die ten dele terecht is. Ik heb er bij het beleidsdebat op gewezen dat het kabinet een aantal instrumenten heeft ingezet om het inkomensbeeld te verbeteren. In de collectieve sector heeft dit zeker ook ten naaste bij het verlangde effect gehad, in de marktsector is dit niet het geval. Ik wil dan toch ook hierbij nog eens benadrukken dat koopkrachtmutaties van jaar tot jaar niet bepalend zijn, maar dat de koopkrachtontwikkeling op langere termijn bepalend is. Ik hoop binnenkort met een inkomensnotitie in het parlementte komen waarin op dat punt wordt ingegaan, waarin dat beeld op langere termijn wordt geschetst en waarin de instrumenten worden aangegeven die wij in de komende jaren daarvoor zullen gebruiken. Voorzitter, in die inkomensnotitie kunnen wij dan ook ingaan op vragen over de prijsindex van de gezinsconsumptie, de inkomensafhankelijke regelingen, de analyse van de koopkrachtontwikkeling en de representativiteit van het koopkrachtbeeld. De heren Van Dalen en Heijmans en mevrouw Bischoff Van Heemskerck hebben daarover gesproken. Men heeft gesteld dat de WAM eigenlijk niet functioneert. Sommige sprekerstrekken daaruit de consequentie dat de WAM of moet worden afgeschaft, of moet worden herzien.

In dit verband heeft de heer Heijmans nog eens gewezen op het betoog van de heer Van Praag. De netto-nettokoppeling heeft in het verleden wel gefunctioneerd en is voortdurend toegepast. Alleen de koppeling van het minimumloon en de bovenminimale sociale uitkeringen enerzijds en de gemiddelde loonontwikkeling anderzijds heeft slechts eenmaal -de eerste maal -werkelijk goed gefunctioneerd. Verder heeft zij slechts gedeeltelijk plaatsgevonden, of zij is uitgeschoven en pas op een later tijdstip gerealiseerd of zij heeft, zoals het afgelopen jaar het geval was, in het geheel niet gefunctioneerd, omdat het kabinet heeft moeten constateren, dat de financiŽle mogelijkheden daartoe ontbraken. Ik denk dat wij de band tussen de ontwikkeling van de lonen in de collectieve sector en de lonen in de marktsector wel moeten vasthouden, maar dat de uitwerking zoals die in de WAM gegeven is wel aanpassing behoeft. Mijn voorkeur in die aanpassing gaat uit naar een periodieke beleidsmatige aanpassing met tegelijkertijd de verplichting om na een bepaalde periode, bij voorbeeld een jaar, na te gaan in hoeverre de marktsector zich op dezelfde wijze heeft ontwikkeld als in de collectieve sector was voorzien. Als daarbij veel afwijkingen zijn, moet daarmee rekening gehouden worden en een correctie toegepast worden, zij het, dat er natuurlijk geen sprake kan zijn van terugwerkende kracht. Je kunt er echter wel rekening mee houden bij het vaststellen van de nieuwe beleidsmatig bepaalde aanpassingen. Wij wachten het advies van de SER ter zake af. Op basis daarvan zullen wij beoordelen of wijziging van de WAM nodig zal zijn. Ik verwacht dit wel. Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding van deze problematiek heeft de heer Heijmans nog gewezen op de twee functies van het minimumloon en op het betoog van professor Van Praag. Dat betoog is erop gericht deze twee functies van elkaar los te maken en het minimumloon niet meer te zien als een heilige koe, maar als een koe die noodzakelijk geslacht en verdeeld moet worden. Ik heb ook aan de overzijde van het Binnenhof gezegd, dat men naar mijn oordeel de twee functies van het minimumloon gekoppeld zou moeten houden, zowel de functie van mini-mumloon als minimale betaling voor geleverde arbeid als de functie van minimumloon als maatstaf voor het bestaansminimum. Ik wil de motivering daarvoor ook hier nog eens herhalen. Natuurlijk is het een bestaansminimum dat past bij een gegeven welvaartsontwikkeling in een bepaalde samenleving. Als wij echter het minimumloon voor werkenden hoger zouden vaststellen dan het bestaansminimum, dan de minimale uitkering, betekent dit dat wij arbitrair vaststellen dat er een hogere beloning voor dat werk bepaald kan worden. Niet partijen stellen dan vast wat voor een bepaald werk betaald kan worden, maar de overheid zou die bevoegdheid aan zich trekken. Ik denk, dat dit onjuist is. De overheid moet aangeven wat de benedengrens is. De benedengrens is datgene dat noodzakelijk is voor een redelijk bestaan bij een bepaalde ontwikkeling van de welvaart. Beloningen die daarboven uitgaan moeten worden overgelaten aan contractsluitende partijen. Mijnheer de Voorzitter! Er is een enkele opmerking gemaakt over het voornemen per 1 oktober aanstaande minimumloon en sociale uitkeringen met 2% te verlagen, vooruitlopend op arbeidsduurverkorting in de marktsectoren in de collectieve sector. Daarover is ook in het beleidsdebat vorige week uitvoerig gesproken. Ik wil er daarom nu slechts kort op reageren, omdat wij anders komen tot een herhaling van zetten en van argumenten. Ik heb al gesproken over mijn voorkeursvariant in de adviesaanvrage aan de SER. De 2% korting moet in die context worden geplaatst. Het kabinet gaat er hierbij van uit dat het zal lukken om in de collectieve sector overeenstemming te bereiken over een verder gaande arbeidsduurverkorting nog in 1983. Als dit onverhoopt niet mocht lukken, voorziet de Voorjaarsnota in een alternatief scenario waarin alle inkomensgroepen in de collectieve sector een inkomensoffer zullen moeten brengen. Ik ga er echter van uit dat in de collectieve sector toch een voorbeeldfunctie kan worden vervuld en dat de maiktsector dit in 1984 en latere jaren zal volgen. De heer Van de Zandschulp heeft mij in dit verband opmerkzaam gemaakt op een fout die ik gemaakt zou hebben ten aanzien van de datum van ingang van de 5% arbeidsduurverkorting in de metaalc.a.o. Ik denk dat hij gelijk heeft. De 5% arbeidstijdverkorting wordt in de metaal later ingevoerd, namelijk in 1985. Wel is er, vooruitlopend daarop, sprake van arbeidstijdverkorting, echter in de vorm van roostervrije dagen. Ik heb inderdaad een verkeerde datum hierbij genoemd.

De heer Van de Zandschulp heeft ook gevraagd, of er geen gemengde index moet komen waarbij de uitkeringen de ontwikkeling zouden volgen in de marktsector en de ontwikkeling van de salarissen van het overheidspersoneel. In mijn gedachtengang is dit helemaal niet nodig. In mijn gedachtengang wordt gestreefd naar parallelle inkomensontwikkelingen. Dit betekent dat, net zo goed als de collectieve sector in het verleden de marktsector heeft gevolgd, nu verwacht mag worden dat -zij het op termijn -de marktsector de collectieve sector zal volgen. Als dit niet gebeurt, zullen wij ons inderdaad moeten afvragen, of wij ons op lange termijn kunnen veroorloven om de collectieve sector trendsettend te doen zijn. Als de afstand tot de marktsector te groot wordt, geeft dit natuurlijk problemen die het volgen van die lijn niet langer toelaten. Met het trendsettend beleid zijn wij in feite pas begonnen in 1983. Ik doe geen uitspraken over de vraag, hoe het moet in 1984 en volgende jaren. Het is we! duidelijk dat, zolang de budgettaire noodsituatie van dit ogenblik blijft bestaan, wij buitengewoon terughoudend zullen moeten zijn met loonontwikkelingen in de collectieve sector. Verschillende sprekers hebben opmerkingen gemaakt ten aanzien van de sociale minima. De heer Van Dalen heeft aangedrongen op grote zorgvuldigheid bij het bepalen van inkomensontwikkelingen, met name voor de minima. De heer Van de Zandschulp heeft gewezen op de druk van de vaste lasten waardoor het vrij besteedbaar inkomen in de afgelopen jaren aanzienlijk is verkleind. Ik onderschrijf dit alles. Tegelijkertijd zeg ik dat wij geen mogelijkheid hebben om structurele voorzieningen te treffen om de achteruitgang in koopkracht voor de minima te compenseren. Dat is buitengewoon duur. Als wij dit deden, zouden de minima snel uitkomen boven de minimumloners. Als wij dit ook deden ten aanzien van de mimimumloners, zou het inkomen van mensen met een modaal inkomen vrij snel afzakken naar het gestabiliseerde minimumniveau. In financieel opzicht en in economisch opzicht is het niet wenselijk om de minima zo'n uitzonderingspositie te geven, hoe begerenswaardig deze ook moge zijn.

©

L. (Louw) de GraafStaatssecretaris De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Voor mij resteert nog het beantwoorden van twee vragen, namelijk ťťn van de heer Van Dalen en ťťn van mevrouw Bischoff. De heer Van Dalen heeft mijn mening gevraagd, over het inmiddels uitgebrachte advies van de Sociale Verzekeringsraad met betrekking tot de premiewijzigingen per 1 juli a.s. Ik kan hierover zeer kort zijn. De Sociale Verzekeringsraad heeft de besluiten van de fondsbesturen ongewijzigd overgenomen. De premiewijzigingen ter compensatie van de terugtrekking van rijksbijdragen zijn naar de opvatting van de raad overbodig. Vorige week heb ik hier al uiteengezet dat het kabinet er anders tegenaan kijkt. De financiŽle posities van de fondsen zijn fors verslechterd. Premieverhogingen worden door ons dan ook wel degelijk noodzakelijk geacht ten behoeve van de reservepositie van de fondsen. Daarbij hebben wij ons mede laten leiden door elementen als de geldmarktsituatie en de ontwikkeling van werkgeverslasten, alsmede door elementen waarmede de Sociale Verzekeringsraad, gegeven de hem opgedragen taak, geen rekening behoeft te houden. Mevrouw Bischoff zegt dat er sprake is van enige lastenverzwaring als gevolg van de premieverhoging voor zelfstandigen, in tegenstelling tot wat in de Voorjaarsnota daarover is vermeld. Inderdaad treedt er een geringe lastenverzwaring voor de kleine zelfstandigen op. Daarom is ook aangekondigd dat gedacht wordt aan een compensatie daarvan via uitbreiding van de reductieregelingen ten behoeve van kleine zelfstandigen. Dan is er dus geen sprake van tegenstrijdigheid met de Voorjaarsnota. In de Voorjaarsnota wordt overigens gesproken over het grosso modo gelijk houden van premielasten voor werkgevers in macrotermen.

De vergadering wordt van 15.13 uur tot 15.18 uur geschorst.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De Minister heeft nogmaals uiteengezet wat het belang is van de terugdringing van het financieringstekort en van de beheersing van de kosten in de collectieve sector. Daarin ligt het meningsverschil uiteraard niet. Mijn fractie heeft vanmorgen gestemd voor de verhoging van de benzineaccijns en tegen de aftrek voor het groot onderhoud en het schilderwerk.

Daaruit blijkt al dat wij dit soort overwegingen betrekken in onze stembepaling. Op zichzelf geeft een schildering van de problemen rond het financieringstekort en de uitdijende collectieve sector geen antwoord op de vraag waarom de minima in volstrekt onevenredige mate zouden moeten bijdragen aan de sanering van de overheidsfinanciŽn. Die vraag blijft onbeantwoord. Die achterstand is inmiddels 4,3%. Daarover bestaat geen verschil van mening. De Minister zegt dat dit wel op de lat kan blijven staan. Ik heb de term al meer gehoord. Een jaar geleden bij voorbeeld, werden de minima gekort met 1,84% en dat staat nog steeds op de lat. Inmiddels staat er dus nu 4,3% op de lat. Op 1 oktober staat er dan waarschijnlijk 6,3% op de lat; in 1984 staat er nog meer op de lat. Hoe meer er op die lat komt te staan, hoe moeilijker het te verzilveren valt. Ik zie dit met enige scepsis tegemoet. In dit verband stel ik toch een paar vragen aan de Minister. Als de Minister inderdaad bedragen op de lat wil laten staan, maar ze later toch wel wil verzilveren, dan vraag ik of hij bereid is de huidige achterstelling van de minima -inmiddels is het percentage opgelopen tot 4,3 -te hanteren als voorindexering voor arbeidstijdverkorting? Indien hij dat zou doen bij een eventuele overgang tot die zogenaamde beleidsmatige koppeling, hebben wij weer eventijd om adem te halen. Als de beleidsmatige koppeling door zou gaan, is de Minister dan bereid, als correcties nodig zijn, die ook met terugwerkende kracht te doen ingaan? Dat lijkt mij redelijk, want anders ontstaat er opnieuw een gat ten nadele van de minima. Is de Minister bereid wanneer hij tot zo'n beleidsmatige koppeling overgaat, zoals hij op dit moment van plan is, om dit soort zaken wel bij wet te regelen en niet bij algemene maatregelen van bestuur, zodat wij daarover ook kunnen meepraten en er iedere keer een debat plaatsvindt waarin gecontroleerd wordt hoe een en ander precies gaat en of er inderdaad gestreefd wordt naar een terugkeer van de parallellie tussen marktsector en collectieve sector? Vervolgens merk ik nog wat op over de zogenaamde fricties in het loongebouw. De Minister is daarvoor kennelijk nogal beducht. Ook de heer Van Dalen heeft gewezen op het probleem dat kan ontstaan bij een ongelijkmatige ontwikkeling van de

inkomens. Ik heb zoeven al uitgelegd dat die zogenaamde fricties in feite op gezichtsbedrog berusten. Niettemin kunnen zij in psychologisch opzicht een factor zijn. De eerste taak van verantwoordelijke lieden lijkt mij, als zij horen dat daarover enig gemurmureer ontstaat, toch maar weer uiteen te zetten dat het op gezichtsbedrog berust. Ik heb echter de indruk dat op het ogenblik net wordt gedaan alsof dergelijke fricties iets geheel nieuws zijn. Dat is natuurlijk niet zo. De frictie van de ongelijktijdige ontwikkeling zit ingebakken in de Wet aanpassingsmechanismen, die immers na-indexering kent. Die fricties komen op meer punten voor. Ik denk aan de nettoverschillen tussen de marktsector en de overheids-sector die al heel lang bestaan. Voor zover mij bekend is het nettominimumloon in de overheidssector op dit moment ook nog steeds iets hoger dan in de marktsector. Het probleem van de fricties bij ongelijktijdige ontwikkeling is naar mijn indruk toch , een al afgenomen probleem dat nog steeds ververder afneemt. In de tijd waarin de lonen nog reŽel groeiden en de inflatie torenhoog was, konden de optische fricties geweldig groot lijken. Met een afnemende inflatie nemen die fricties echter vanzelf in omvang af. Ik geef een voorbeeld over een termijn van een jaar. Op 1 juli vorig jaar zou de na-indexering van het minimumloon nog 4,3% moeten zijn. Nu, op 1 juli 1983, zou die na-indexering nog maar 1,8% moeten zijn. Dit duidt dus op een afnemend probleem bij een verminderde inflatie. Het frictieprobleem wordt mijns inziens wat gehanteerd als gŤlegenheids-en vŤrlegenheidsargument. Ik maak nog een opmerking over de positie van de alleenverdieners onder de minima, dan wel de laagst betaalden in het algemeen. Ik heb mijns inziens voldoende uiteengezet dat mijn partij de inkomensconsequenties van arbeidstijdverkorting accepteert en ook dat dit doorwerkt naar het niveau van het minimumloon. Wij zien immers ook in dat er niet erg veel meer te nivelleren valt in het traject tussen minimum en modaal. Tot zover is onze opstelling helder. Dit behoeft niet voor iedereen die een minimumloon verdient een geweldig probleem op te leveren. Er komt immers soms meer dan ťťn inkomen in een huishouden binnen.

De grote problemen, de knelpunten ontstaan bij de alleenverdieners onder de laagst betaalden en binnen die groep in toenemende mate onder de gezinnen met kinderen. Hierover zijn de cijfers bekend en de noodsignalen bereiken ons nu al. Dit probleem komt des te dringender op ons af naarmate de arbeidstijdverkorting groter wordt. Ook de Minister zal toch niet kunnen volhouden dat 10 a 20% arbeidstijdverkorting zonder meer opgevangen en met ijzeren consequentie doorberekend kan worden naar de alleenverdieners onder de minima en dat dan compenserende maatregelen overbodig zouden zijn. Dezogenaamde eenmalige uitkeringen die wij nu al drie keer hebben beleefd, vormen geen oplossing voor de problemen, aangezien die het koopkrachtverlies slechts met een jaar vertraging doorschuiven. Om die reden is het discussiepunt van een aanvullend inkomensbeleid voor de alleenverdieners onder de laagst betaalden een zaak die met grote indringendheid op ons afkomt en die schrijnender wordt naarmate de arbeidstijdverkorting toeneemt. Van onze kant zijn daarover in het verleden suggesties gedaan. Er is een zekere toeslag op de kinderbijslag geopperd in een uitgewerkt plan van mijn partijgenoot Flip Buurmeijer, aan de overzijde. Men kan verder denken aan een zekere woonkostentoeslag of aan fiscale maatregelen, die het voordeel hebben dat zij, zover als men wil, doorgetrokken worden in de trajecten daarboven. Men kan ook denken aan de tertiaire inkomensverdeling. Ik verwacht echter creativiteit van het kabinet om dit steeds urgenter wordende probleem bij de kop te pakken en met voorstellen te komen. Ik verwacht niet dat daarvoor vanmiddag al pasklare voorstellen worden gedaan. Elk voorstel dat zal worden gedaan, zal ongetwijfeld weer fricties opleveren, maar ondertussen komt het probleem wel op ons af.

©

J. (Jan) de KoningMinister De Koning: Mijnheer de Voorzitter! De heer Van de Zandschulp heeft gevraagd waarom de minima in onevenredige mate moeten bijdragen aan het weer beheersbaar maken van de uitgaven in de collectieve sector. Dat is niet het punt. De collectieve sector in zijn geheel moet namelijk zelf bijdragen aan deze beheersing van uitgaven.

In mijn antwoord in eerste termijn heb ik al gezegd dat de geachte afgevaardigde ten onrechte de indruk wekt dat de minima op een bijzondere wijze worden behandeld. Nee, dit geldt voor alle inkomens in de collectieve sector, vergeleken met de systematiek van de trendvolger, die in voorgaande jaren heeft gegolden. Als het gaat om het cijfers op de lat zetten, geldt dit dus in even sterke mate voor de hele collectieve sector. Het zou mij deugd doen -en niet alleen mij -indien wij in de komende jaren in een economische situatie zouden geraken die het mogelijk zou maken om de afstand die inmiddels tussen de collectieve sector en de marktsector is ontstaan, weer te overbruggen. Of dit zal gebeuren, is zeer de vraag. Dat betekent dat het niet logisch is om de afstand die nu is ontstaan en die op grond van budgettaire redenen wel moest ontstaan, nu in te zetten als voorindexering voor arbeidstijdverkorting. Correcties met terugwerkende kracht zie ik niet als een praktische mogelijkheid. Wij moeten wel rekening houden met vergroting of verkleining van de afstand tussen collectieve sector en marktsector, maar die kunnen we niet achteraf corrigeren. Moet er dan niet een wet komen, zo vroeg hij, in plaats van een algemene maatregel van bestuur. De wet is er. De algemene maatregel van bestuur steunt daarop. Misschien is een aanpassing van die wet nodig, maar voldoende wendbaarheid in het overheidsbeleid kan alleen worden bereikt indien we bij dit soort van operaties gebruik maken van het middel van de algemene maatregel van bestuur. De heer Van de Zandschulp zei, dat de fricties in het loongebouw gezichtsbedrog zijn. Het systeem van naÔndexering zou in de WAM gehandhaafd kunnen worden. Het probleem neemt volgens hem vanzelf af, omdat de lonen over 1983 niet of nauwelijks groeien. Dat laatste is juist. Ik heb in eerste termijn daarop gewezen. Dat neemt niet weg, dat willen we een forse arbeidstijdverkorting mogelijk maken -in sommige bedrijfstakken is ze fors -het toch mogelijk moet blijven met een voor indexering, een voorafgaande beleidsmatige aanpassing van het wettelijk minimumloon, daartoe de ruimte te scheppen. Wat nu op budgettaire gronden noodzakelijk was, kan dan uitmonden in een parallelle ontwikkeling van lonen in de marktsector en in de

collectieve sector. Die situatie zou mij aanzienlijk meer bevredigen dan de maatregelen die nu uit budgettaire overwegingen zijn genomen. Ik erken met de heer Van de Zandschulp dat er een indringend probleem ontstaat voor de groep van alleenverdieners op minimumniveau, zeker wanneer het gezinnen met kinderen betreft. Ik heb in mijn adviesaanvrage aan de SER over de beleidsmatige aanpassing ook op dat probleem gewezen en gezegd, dat er een situatie zou kunnen ontstaan, waarbij het wettelijk minimumloon zakt beneden datgene wat wij als bestaansminimum willen beschouwen. Als dat zo is, dan zou het mogelijk moeten zijn, dat in die gevallen van alleenverdieners met kinderen op minimumniveau zij een beroep op de Algemene Bijstandswet kunnen doen om een toeslag op hun inkomen te verkrijgen. Ik vind het een allerminst ideale situatie. Daardoor dreigen we toe te groeien naar een toeslagenmaatschappij. Ik vind dat wij ons tot het uiterste moeten inspannen om te bereiken, dat een gezin met ťťn inkomen toch nog behoorlijk kan leven. Bij een vergaande en snelle arbeidstijdverkorting, gecombineerd met stilstand of teruggang van onze economie, zou die situatie niet op voorhand ondenkbaar behoeven te zijn. Ik heb dus aangegeven, hoe in een dergelijke situatie een oplossing moet worden gezocht. Die lijkt mij logischer dan voor zeer specifieke groepen toeslagen te geven op de kinderbijslag of onkostentoeslagen voor zeer specifieke groepen enz. De creativiteit van het kabinet is dus inmiddels gebleken en neergelegd in een adviesaanvrage.

De beraadslaging wordt gesloten. Het wetsontwerp wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: De aanwezige leden van de fracties van de PvdA, D'66, de PPR en de CPN wordt aantekening verleend, dat zij geacht wensen te worden tegen het wetsontwerp te hebben gestemd.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.