Verslag - Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 4

' Samenstelling: Leden: Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Beinema (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv. leden: Terpstra (VVD), Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Meijer (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Cornelissen (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA), M. P. A. van Dam (PvdA), Salomons (PvdA), Van Dijk (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

VERSLAG Vastgesteld 8 juni 1983

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen over dit in haar handen gesteld ontwerp van wet.

De leden van de P.v.d.A.-fractie wezen er op dat reeds bij de beperkingen van de herziening van het wettelijk minimumloon en een aantal sociale uitkeringen per 1 januari 1983 zij de inkomensachteruitgang voor de mensen met een minimuminkomen, in verhouding tot de inkomensteruggang van andere inkomens, als veel te groot hadden aangemerkt. Over het jaar 1982 is het minimumloon al op een achterstand van 2,5% gezet vergeleken met de ontwikkeling die het minimumloon volgens de WAM-systematiek had behoren te ondergaan. Deze leden vestigden er de aandacht op dat binnen de WAM-systematiek de effecten van arbeidsduurverkorting al doorwerken op het minimumloon en de daaraan gekoppelde sociale uitkeringen. De extra kortingen konden naar het oordeel van deze leden op geen enkele wijze gemotiveerd worden met een beroep op de inkomensparallelliteit. Wederom wezen deze leden er op dat -als gevolg van de gekozen indexeringssystematiekhet naijleffect optreedt, wat tot gevolg kan hebben dat het minimumloon op 1 juli 1983, respectievelijk 1 januari 1984 met een ander percentage stijgt of daalt dan de overige lonen en de bovenminimale uitkeringen. Bij loonstijgingen is het naijleffect altijd aanvaard. Het is uiterst schrijnend te moeten constateren dat bij een teruggang het minimumloon en de daaraan gekoppelde sociale uitkeringen als eerste de gevolgen moeten ondervinden als gevolg van hot onderhavige wetsontwerp en voorgaande wetten van een zelfde strekking. Deze leden zouden zich kunnen voorstellen dat -wanneer zou blijken dat in veel c.a.o.'s de prijscompensatie benut zou zijn voor de arbeidstijdverkorting -een spanningsveld zou kunnen ontstaan wanneer werknemers met het wettelijk minimumloon nog wel in inkomen vooruit zouden gaan en alle collega's binnen het bedrijf niet. Gezien de thans al grote achterstand ten opzichte van de overige lonen, doet dit probleem echter zich thans nog niet voor. Bovendien, wanneer in een aantal bedrijven of bedrijfstakken werknemers nog wèl enige positieve inkomensontwikkeling ondergaan, als gevolg van het niet of niet volledig inleveren van de prijscompensatie voor arbeidsduurverkorting, dan zou eveneens een spanningsveld ontstaan. De werknemers met het minimum-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

loon zouden gelijk blijven, terwijl ieder ander nog iets vooruit zou gaan als gevolg van de geheel of ten dele uitbetaalde prijscompensatie. Deze leden, hier aan het woord, hadden behoefte aan meer informatie over de koopkrachtontwikkeling in verhouding tot andere inkomensgroepen. Duidelijk blijkt dat uitkeringsgerechtigden krachtens de WAO wederom een zeer forse inkomensachteruitgang zullen ondergaan over de gehele linie. Maar hoe verhoudt de koopkrachtdaling van de uitkeringsgerechtigden zich tot die van de actieve beroepsbevolking? Een vergelijking op basis van hetzelfde feitelijke inkomensniveau per 31 december 1982 van actieve werknemers en WAO-ers zouden deze leden op prijs stellen. De leden van de P.v.d.A.-fractie constateerden dat een deel van de koopkrachtachteruitgang het gevolg is van een premieverhoging bij de werknemers. Een premieverhoging, die ontstaat als gevolg van een premieverschuiving van werkgevers naar werknemers. Waarom heeft de Regering deze premieverschuiving toch -tegen het advies van zowel werkgevers als werknemers in -doorgezet? Kan de Regering tevens inzicht geven in de effecten van deze premieverschuiving in de WAO voor de werkgevers? Is het niet zo dat juist in bedrijven en bedrijfstakken waar veel werknemers het minimumloon verdienen -en dus grotendeels binnen de franchise van de WAO-premie vallen -deze premieverschuiving uit de aard der zaak weinig effect heeft? Wanneer deze premieverschuiving wordt benut om enerzijds werkgeverspremies te kunnen verhogen, c.q. een lastenverlichting te bieden aan het bedrijfsleven, is dan niet het feitelijk effect dat bij voorbeeld juist de middenstand en een aantal industriële bedrijfstakken, waaronder de voedings-en genotsmiddelenindustrie, een lastenverzwaring krijgen c.q. geen lastenverlichting bemerken? De leden van de P.v.d.A.-fractie betreurden het dat het overleg tussen SER en Regering kennelijk al zo is verslechterd dat de SER -als reactie op het niet adviseren over de brief van 15 oktober jl. over het inkomensbeleid -nu niet eens meer om advies is gevraagd. Zij wilden hier nadere opheldering over. Ten slotte vroegen de leden van de P.v.d.A.-fractie wanneer de in december jl. toegezegde inkomensnotitie kan worden verwacht en wanneer het wetsontwerp met betrekking tot de eenmalige uitkering zal worden ingediend. De leden van de C.D.A.-fractie constateerden dat het onderhavige wetsontwerp een uitvloeisel is van het besluit van het vorige kabinet, gepresenteerd bij de Miljoenennota 1983, om onder meer het wettelijke minimumloon en de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten gedurende het jaar 1983 te bevriezen, welk besluit door dit kabinet is overgenomen. Mede op verzoek van de C.D.A.-fractie is evenwel alsnog besloten tot een beperkte verhoging met 1% van het minimumloon en de sociale uitkeringen met ingang van 1 januari 1983. Zij verwezen daarbij naar de behandeling van het wetsontwerp 17677, dat aanvankelijk een volledige bevriezing inhield met ingang van 1 januari 1983. Het thans voorliggende wetsontwerp, waarin de bevriezing met ingang van 1 juli 1983 wordt geregeld, was reeds aangekondigd in de memorie van toelichting bij voormeld wetsontwerp. Bij de schriftelijke voorbereiding van dat wetsontwerp hadden de leden van de C.D.A.-fractie reeds opgemerkt dat zij een maatregel als de onderhavige duidelijk zagen als een noodmaatregel, welke in beginsel van tijdelijke aard diende te zijn. Voor een fundamentele aanpak achtten deze leden toen een wijziging van het stelsel van sociale zekerheid zeer urgent. Zij stelden voorts dat voorkomen moest worden dat de hier gekozen methode een soort vluchtweg gaat worden. De leden van de C.D.A.-fractie konden deze standpunten hier herhalen. Te meer nu voor de derde achtereenvolgende maal deze generieke noodmaatregel wordt toegepast, achtten deze leden het des te meer van belang dat in elk geval met ingang van 1 januari 1984

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

een aanvang wordt gemaakt met specifieke maatregelen in het kader van de herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Bij de schiftelijke behandeling van wetsontwerp 17677 spraken de leden van de C.D.A.-fractie uit dat matiging van inkomensgroei in het bedrijfsleven niet alleen van belang is vanwege de doorwerking ervan naar de inkomens in de collectieve sector, doch ook vanwege de maatschappelijke solidariteit tussen actieven en niet-actieven die daaruit kan spreken. In dit verband constateerden deze leden met vreugde dat een belangrijke matiging van inkomens in de particuliere sector in gang is gezet doordat in vele ca.o.'s (circa 1 min. werknemers betreffende) loonaanspraken zijn aangewend voor vormen van arbeidsduurverkorting. De hier aan het woord zijnde leden ontveinsden zich daarbij niet dat zulks kennelijk thans nog onvoldoende is om een parallelle inkomensontwikkeling te kunnen handhaven. De stelling in de memorie van toelichting, dat op 1 juli 1983 (reeds) gesproken kan worden van redelijk met elkaar in de pas lopen van minimumloon en uitkeringen enerzijds en lonen anderzijds, behoefde naar de mening van deze leden in ieder geval nadere onderbouwing. In dat verband vroegen de leden van de C.D.A.-fractie tot welk percentage nu precies de structurele beperking op 1 juli 1983 zal zijn opgelopen. Zij vroegen daarbij met name of de volgende berekening juist is: 0,5% (bouwc.a.o. 1 januari 1982) + 1,8% (1 juli 1982) + 0,7% (1 januari 1983) + 1,8% (1 juli 1983) is totaal 4,8% per 1 juli 1983. De leden van de C.D.A.-fractie hadden begrepen dat met inbegrip van de beperking per 1 januari 1983 en de voorgenomen premiewijzigingen per 1 juli 1983 het totale koopkrachtverlies voor 1983 voor de minima 3% zal bedragen. In dat verband vroegen deze leden met name wanneer voorstellen zijn te verwachten ter compensatie van dit koopkrachtverlies voor de zogenaamde echte minima. Zij stelden daarbij tevens de vraag of thans reeds bij benadering valt mede te delen op hoeveel huishoudens deze uitkering betrekking zal hebben in vergelijking tot het aantal huishoudens in 1982. De leden van de C.D.A.-fractie zouden voorts gaarne vernemen wanneer de inkomensnotitie, waarin onder meer zal worden ingegaan op de relatie tot inkomensafhankelijke voorzieningen, tegemoet kan worden gezien. In dat verband stelden zij tevens de vraag of reeds (voorlopige) resultaten van de desbetreffende studie bekend zijn nu in de memorie van toelichting daarvan al wordt gezegd, dat het twijfelachtig is dat daarbij uitzicht op een bevredigende oplossing van deze problematiek zal kunnen worden geboden.

De leden van de V.V.D.-fractie konden instemmen met het onderhavige wetsontwerp. Zij waren het eens met de Regering dat het verloop van de regelingsloonindex, de hoogte van het financieringstekort en de afspraken die inmiddels gemaakt zijn in ca.o.'s over het aanwenden van loonaanspraken ten behoeve van arbeidsduurverkorting noopten tot de onderhavige maatregel. De aan het woord zijnde leden vroegen zich af of op grond van dezelfde overwegingen nog steeds verdedigbaar is dat enkele uitkeringen (Ziektewet en Werkloosheidswet) de ontwikkeling van de lonen in de eigen bedrijfstak volgen en niet de gemiddelde loonontwikkeling zodat ze niet onder hetzelfde regime vallen. Zij realiseerden zich daarbij dat dit jaar zich naar alle waarschijnlijkheid weinig situaties voor zullen doen waarin de loonontwikkeling in de bedrijfstak wezenlijk afwijkt van de gemiddelde loonontwikkeling. De aan het woord zijnde leden van de V.V.D.-fractie wilden nog eens benadrukken dat ombuigingen in de sfeer van de sociale zekerheid kunnen leiden tot extra uitgaven in de sfeer van de inkomensafhankelijke voorzieningen. Deze leden waren van mening dat er op korte termijn inzicht moet komen in deze problematiek opdat duidelijk wordt in hoeverre inkomensafhankelijke voorzieningen al dan niet het noodzakelijke bezuinigingsbeleid frustreren.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

De leden van de V.V.D.-fractie constateerden dat ook in het huidige wetsontwerp het wettelijke minimumloon gebruikt is als ophangpunt om te komen tot bezuinigingen in de sfeer van de sociale zekerheid. Als gevolg van de keuze voor deze methodiek treft deze maatregel meer mensen dan noodzakelijk is, aldus deze leden. Zij aanvaardden onder de huidige omstandigheden deze methode, maar zouden bij de herziening van de functie en systematiek van het wettelijk minimumloon, waarover het kabinet inmiddels een adviesaanvraag aan de Sociaal-Economische Raad heeft gestuurd, op deze problematiek terugkomen.

De leden van de fractie van D'66 spraken zich uit tegen het voornemen om de uit de Wet Aanpassingsmechanismen voortvloeiende aanpassing van het (bruto) wettelijk minimumloon en de (bruto) uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten, per 1 juli 1983 achterwege te laten. De fractie van D'66 had in het debat in december 1982 het wetsontwerp tot aanpassing per 1 januari 1983 te beperken tot 1% gesteund. Zij had dit gedaan vanuit de opvatting dat een forse inkomensmatiging in de nomimale sfeer noodzakelijk is, waarop door middel van een beperkte en gedifferentieerde verlaging van belastingtarieven tegemoet gekomen zou kunnen worden aan het daaruit voortvloeiend koopkrachtverlies. Tevens hadden de leden van deze fractie aan de bevriezing de voorwaarde gesteld dat het kabinet zorg zou dragen voor een de facto handhaving van de koppeling tussen de index van de regelingslonen en de ontwikkeling van de bruto-uitkeringen en het brutominimumloon, door te verzekeren dat de uitkomst van de vrije loononderhandelingen zodanig zou moeten zijn dat de koppeling niet werd doorbroken. Met andere woorden, de leden van deze fractie hadden uitgesproken dat die onderhandelingen per saldo op een bevriezing van de lonen zou moeten neerkomen. De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de koppeling lag dus, volgens de leden van de fractie van D'66, uiteindelijk in handen van het kabinet. Een bevriezing van de lonen in de particuliere sfeer over de gehele linie zou voorts tot effect hebben gehad dat in grotere mate arbeidstijdverkorting tot stand was gekomen en als gevolg daarvan een minder scherpe stijging van de werkloosheid, waardoor via de invalshoek van het volume de druk op de sociale zekerheid zou zijn verlicht. Deze leden wensten hun waardering uit te spreken voor de goede resultaten die in vele c.a.o.-onderhandelingen waren bereikt. Deze bestaan hieruit, dat op aanzienlijke schaal de prijscompensatie per 1 januari jl. is omgezet of omgezet zal worden in verkorting van de arbeidsduur. Zij voegden aan deze waardering echter hun grote teleurstelling toe over het feit dat in veel bedrijfstakken toch ook de prijscompensatie wel is uitbetaald. Dit heeft ertoe geleid -behalve dat in die sectoren geen arbeidstijdverkorting tot stand is gekomen -dat de index van de regelingslonen zich opwaarts heeft ontwikkeld op grond waarvan een aanpassing van het minimumloon en een aantal sociale uitkeringen geboden zou zijn. In verband hiermee vroegen deze leden in welke omvang nu eigenlijk de prijscompensatie is ingeleverd (in % van het betrokken aantal werknemers) en welke invloed dit heeft gehad op de index der regelingslonen. Zoals gezegd, naar de mening van deze leden had de Regering er voor dienen zorg te dragen dat overal de lonen op hetzelfde nominale niveau waren gebleven als in december 1982. Nu zij deze verantwoordelijkheid niet heeft opgepakt, zagen deze leden geen reden de Regering verder te steunen in de beperking van de ontwikkeling van de uitkeringen middels dit wetsontwerp. Deze leden waren van mening dat de Regering de zaak zou behoren aan te vatten bij de ontwikkeling van de lonen in de particuliere sector. Zij vonden dat de Regering -hoewel deze zich graag op haar daadkracht laat voorstaan -zich te weinig voortvarend hierin opstelt. In dit verband achtten zij ook het voornemen van de Regering om per 1 oktober 1983 op alle sociale uitkeringen een korting toe te passen van 2% Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

relevant. Dit voornemen wordt -hadden deze leden het goed begrepen -met een beroep op arbeidstijdverkorting gedaan, die echter nadien nog tot stand zal moeten komen. Het ontging deze leden ten enen male waarom het juist niet-actieven zijn die door middel van dit voorschot zouden moeten anticiperen op nog in de toekomt tot stand te brengen verkorting van de arbeidsduur. Deze leden hadden overigens niet begrepen waarop de Regering de volgende zin uit de memorie van toelichting baseert: «... dat er ondanks de budgettair noodzakelijke beperking van de verhoging per 1 januari 1983 en de bevriezing per 1 juli 1983 gesproken kan worden van een per genoemde data redelijk met elkaar in de pas lopen van minimumloon en uitkeringen enerzijds en lonen anderzijds». Kan de Regering deze stelling cijfermatig onderbouwen? Deze leden vroegen de Regering voorts om een overzicht van de ontwikkeling van de regelingsloonindex en van de halfjaarlijkse aanpassingen die daaruit krachtens de WAM hadden moeten voortvloeien, daarbij inbegrepen de aanpassingen per 1 januari 1983 en per 1 juli 1983, een en ander sinds de inwerkingtreding van de Wet Aanpassingsmechanismen (WAM). Zij vroegen voorts om aan te geven welke aanpassingen in werkelijkheid hadden plaatsgevonden. Deelt de Regering de conclusie van deze leden dat een ontkoppeling in feite reeds lang heeft plaatsgevonden? Hoe groot is precies de procentuele achterstand die is opgelopen sinds de WAM van kracht werd, en hoe veel betekent dit in centen netto voor iemand die een minimumloon verdient, dan wel een uitkering van die hoogte ontvangt? De leden van de fractie van D'66 hadden niet begrepen waarom niet enigszins bepaald zou kunnen worden welke «uitverdieneffecten» van deze maatregel zouden uitgaan door middel van een groter beroep op individuele huursubsidie, op studietoelagen en op tal van andere inkomensafhankelijke subsidie-en bijdrageregelingen. Zij konden dit te meer niet begrijpen omdat in de voorjaarsnota wél geraamd kon worden wat in 1983 extra zal moeten worden uitgegeven krachtens die regelingen als gevolg van het koopkrachtverlies en de toenemende werkloosheid. Of is het zo dat pas achteraf een bedrag daarvoor kan worden berekend. Moesten in dat geval deze leden rekening houden met nieuwe «tegenvallers» in de miljoenennota of de volgende Voorjaarsnota, die dan weer door aanvullende maatregelen zouden moeten worden gecompenseerd? De leden van de fractie van D'66 spraken er voorts hun teleurstelling over uit dat opnieuw met de SER in eigenlijke zin om advies gevraagd was over deze maatregel. Zij moesten constateren dat het kabinet zich steeds minder gelegen laat liggen aan haar verplichting om de SER om advies te vragen, nog afgezien van de invloed die een dergelijk advies op het beleid van deze Regering zou hebben. Hun grootste bezwaar was dat een degelijke beleidsvoorbereiding -ook door de Kamer -wordt verstoord indien telkens wordt nagelaten om dit belangrijk adviesorgaan vooraf reëel om advies te vragen. Zij kondigden aan hierop op een ander tijdstip meer uitgebreid te willen terugkomen.

Het was de leden van de fractie van de P.S.P. opgevallen dat in het voorstel om het minimumloon per 1 juli 1983 te bevriezen de aankondiging van een bevriezing per 1 januari 1984 ontbreekt. Hoe is dat te verklaren? Ligt het immers niet voor de hand dat de negatieve spiraal waarin mede door het Regeringsbeleid van bezuinigen en loonmatiging de economie zich bevindt, in versterkte mate negatief zal doorzetten. Welke nieuwe gegevens of verwachtingen geven de Regering aanleiding om het tegendeel te verwachten? Welk geloofwaardig perspectief kan de Regering, na het falen van jarenlange bezuinigings-en loonmatigingspolitiek, schetsen ten aanzien van economisch herstel en vermindering van de werkloosheid?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

De leden van de fractie van de P.S.P. misten in de memorie van toelichting opmerkingen van de zijde van de Regering over de negatieve consequenties van (voortdurende) bevriezingen. Wat is het cumulerend effect van de jarenlange loonmatiging op de binnenlandse bestedingen, op deconsumptie en op de werkgelegenheid bij voor de binnenlandse markt producerende bedrijven? Of kan, om in de termen van de Regering zelf te spreken, een uiteenzetting gegeven worden over de risico's van «vraaguitval»? Welke toeneming van de werkloosheid valt door deze vraaguitval te verwachten en welke bezuinigingsmaatregelen overweegt de Regering in de sfeer van de sociale zekerheid om de vergrote toeloop op zijn minst «budgettair neutraal» te laten verlopen? Is bij de berekening van de koopkrachteffecten rekening gehouden met de verlaging van de kinderbijslagbedragen; zo neen, waarom niet? Hoe ziet het koopkrachtbeeld er uit als er van uitgegaan wordt dat per 1 oktober 1983 een korting van 2% wordt doorgezet? Wordt bij de vaststelling van de hoogte van de bedragen van de eenmalige uitkering al rekening gehouden met deze 2%-korting? Wanneer kan de inkomensnotitie die in december j.l. door de Regering is toegezegd (een toezegging, die herhaald is tijdens het debat over de Voorjaarsnota) tegemoet gezien worden? Kan een overzicht verstrekt worden van de cumulatieve effecten, met name voor gehandicapten? Kan met andere woorden een aanvulling gegeven worden op de notitie van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar aanleiding van de motie-Franssen? (Eerste Kamer, 17467, nr. 82a). Welke maatregelen na 1 januari 1983 komen nog voor de groep gehandicapten en WAO-ers? Welke beperking van de koopkrachtachteruitgang denkt de Regering eind 1983 nog te kunnen realiseren? Hoe verhoudt zich dat tot de echte inkomensachteruitgang? Is het, zo wilden de leden van de fractie van de P.S.P. tot slot weten, nog vol te houden dat de koppeling nog in stand wordt gehouden? welke relatie bestaat ertussen de voorliggende maatregel en de afspraken over arbeidstijdverkorting in het bedrijfsleven? Kan een overzicht gegeven worden van de ontwikkeling van de lonen in het bedrijfsleven, respectievelijk collectieve sector en de uitkeringen per 1 juli a.s.? De leden van de C.P.N.-fractie waren van mening dat een verdere aantasting van de minimumlonen en uitkeringen per 1 juli 1983 volstrekt onaanvaardbaar is. Hoewel de strekking van dit wetsontwerp in feite ook al aan de orde is geweest bij het debat over de Voorjaarsnota, hadden deze leden ten aanzien van de effecten en de presentatie van dit voorstel een aantal vragen. Zo was het voor deze leden onduidelijk hoe de bewindslieden op bladzijde 3 van de memorie van toelichting komen tot een percentage van 2,5 inclusief de bij wet van 30 juni 1982 van 1 juli 1982 naar 1 januari 1983 uitgestelde verhoging. Zij zouden het op prijs stellen een uitgebreide berekening te ontvangen van de inkomensachteruitgang, in ieder geval vanaf 1 juli 1982, voor de betrokken inkomenscategorie. Het ontging de leden van deze fractie geheel hoe de bewindslieden ertoe komen te zeggen dat er sprake is van een redelijk met elkaar in de pas lopen via bevriezing en/of verlaging van het minimumloon, van minimumloon en uitkeringen enerzijds en lonen anderzijds. In het Nader rapport gaan de bewindslieden daar naar aanleiding van een vraag van de Raad van State op in met het argument dat een dergelijke maatregel minder pijnlijk zou worden. Deze leden vroegen zich af in hoeverre hier sprake is van oneigenlijke argumenten. In dit kader stelden zij de vraag hoe groot de afstand inmiddels is tussen minimumloon/uitkeringen en de regelingslonen. Zij zouden graag cijfers zien inclusief en exclusief de bevriezing per 1 juli 1983. Kunnen de bewindslieden mededelen hoeveel maal de koppeling nu verbroken is? Wat betreft de cumulatie, waar op blz. 4 over gesproken wordt, vroegen deze leden zich af hoe het mogelijk is dat de Regering een dergelijke inkomenspolitiek voert, terwijl ze zelf aangeeft geen inzicht te hebben in de werkingssfeer van het totale pakket maatregelen. Waarom wordt er niet meer haast gemaakt met het onderzoek naar deze problematiek? Wanneer kan de toegezegde notitie verwacht worden?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

De leden van de C.P.N, fractie waren ernstig verontrust over het ontbreken van een adviesaanvraag. Gezien het gesprek in de Stichting van de Arbeid bestaat er geen overeenstemming over de voorgestelde maatregel. Waarom legt het Kabinet de mening van velen naast zich neer? Welke zijn de overwegingen geweest om deze maatregel door te voeren? Welke zijn de relevante economische grootheden waarover gesproken wordt? Heeft het Kabinet ook kennis genomen van onderzoeken die er op wijzen dat de positie van minimuminkomens buitengewoon slecht is? In hoeverre is het Kabinet bereid rekening te houden met deze gegevens?

De leden, behorende tot de fractie van de S.G.P. zeiden slechts te willen volstaan met enkele vragen. Zij onderkenden de zorgwekkende sociaal-economische situatie en hadden daarom begrip voor het onderhavige ontwerp van wet. Zij wensten nader uiteengezet te zien hoe deze maatregelen nu precies uitwerken op de WAO-uitkeringsgerechtigden? Tevens vroegen zij waarom de koopkrachteffecten voor deze groep van uitkeringsgerechtigden enigszins ongunstiger uitvallen dan die voor andere groepen? De toegezegde inkomensnotitie zal ingaan op de relatie, zowel budgettair als inkomenspolitiek, tussen de voorgestelde bevriezing van de uitkeringen en de inkomensafhankelijke voorzieningen. Het betreft hier een inderdaad uiterst ingewikkeld vraagstuk van cumulatie, waarbij enerzijds generieke maatregelen in het geding zijn die alle uitkeringsgerechtigden betreffen en anderzijds regelingen in de secundaire en tertiaire sfeer die, elk in de eigen werkingssfeer, beperkt zijn tot doelgroepen met zeer specifieke kenmerken. Wanneer kan de toegezegde inkomensnotitie worden verwacht en waarop is reeds nu de stelling gebaseerd dat daarbij uitzicht op een bevredigende oplossing twijfelachtig is? Is hierbij niet te veel de vader de wens van de gedachte? Zijn de inkomensafhankelijke voorzieningen dan inderdaad zo moeilijk te traceren? En waarom kan daar dan zo weinig doorzichtigheid worden geboden? Gelet op de precaire situatie van 's Rijks financiën moet daarin op korte termijn toch wel enige duidelijkheid worden geschapen, zo stelden de leden van de fractie van de S.G.P.

De leden van de P.P.R.-fractie wezen vooral op het argument van de ondertekenaars van dit wetsontwerp dat door het achterwege laten van de herziening per 1 juli a.s. van het minimumloon, fricties voorkomen worden, die het gevolg zijn van het samengaan van het achterwege laten van loonsverbeteringen in verband met arbeidsduurverkorting en een verhoging van het minimumloon. Nogmaals blijkt hieruit, aldus deze leden, dat er geen enkele garantie is dat het minimuminkomensniveau gehandhaafd blijft bij arbeidstijdverkorting. De bereidheid en mogelijkheid om tot arbeidstijdverkorting over te gaan, zeker op het minimum en het minimumplusniveau, wordt daardoor ondergraven. Het gehele loongebouw zakt naar beneden, zonder enige garantie aan de onderkant. Deze leden meenden dat hierdoor vooruit gelopen wordt op de uitkomsten van de discussies over de adviesaanvrage aan de SER over een andere methode voor de vaststelling van de hoogte van het minimumloon en van de sociale uitkeringen. Zij spraken hier hun ontstemming over uit. Ten slotte vroegen deze leden of in het kader van het voorgenomen echte minimumbeleid, voldoende gelden zijn gereserveerd om de negatieve koopkrachtmutatie voor 1983, ten opzichte van 1982, voor de minima goed te maken, zeker als nog eens rekening wordt gehouden met maatregelen van de lagere overheden die de koopkracht negatief beïnvloeden.

De bevriezing van de minimumlonen en de sociale uitkeringen per 1 juli 1983 kwam de leden van de fractie van de R.P.F., gezien de ontwikkelingen en besluiten in het verleden, als onvermijdelijk voor. Zij constateerden echter eveneens dat de voorgenomen maatregelen slechts geplaatst worden in het perspectief van een vergroting van het financieringstekort van de overheid. Wordt hiermee niet wederom aangegeven, zo vroegen zij derhalve, dat een principiële discussie over het inkomensbeleid dringend noodzakelijk is?

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

De aan het woord zijnde leden toonden zich weinig gelukkig met het feit, dat uitkeringen krachtens de Ziektewet en de Werkloosheidswet «naar hun aard» uitgezonderd zijn van het onderhavige voorstel. Dit betekent bovendien dat de uitkeringen, waarop de Wet Aanpassingsmechanismen van toepassing is, een minder directe koppeling tussen de uitkeringen en de ontwikkeling van de lonen in het bedrijfsleven legt dan de uitkeringen waarop voornoemde Wet niet van toepassing is. Voor de eerste categorie geldt immers, dat zij slechts een koppeling legt tussen uitkeringen en lonen in dat deel van het bedrijfsleven, dat bereid is geweest af te zien van prijscompensatie per 1 juli 1983. In dat verband vroegen deze leden naar de huidige stand van zaken in het c.a.o.-overleg. Op hoeveel procent van de werkende beroepsbevolking is inmiddels een c.a.o. van toepassing, waarin de prijscompensatie per 1 juli aanstaande in elk geval niet wordt ingeleverd? De leden van de R.P.F.-fractie wilden voorts nog een opmerking maken over het verband tussen de voorgestelde bevriezing van de uitkeringen en de inkomensafhankelijke voorzieningen. Zij hadden begrip voor het feit, dat voor deze zeer gecompliceerde problematiek voorlopig geen bevredigende oplossing voorhanden is. Wel zouden zij graag vernemen, wanneer de Kamer de toegezegde inkomensnotitie kan verwachten en in hoeverre deze notitie in verband moet worden gebracht met de voorgenomen herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Ten slotte vroegen de hier aan het woord zijnde leden, welke consequentie het onderhavige ontwerp, respectievelijk het verloop van de regeringsloonindex heeft voor het te reserveren bedrag in verband met de uitkering aan de zogenoemde echte minima.

Het lid van de G.P.V.-fractie vroeg hoe het koopkrachtplaatje van blz. 4 van de memorie van toelichting eruit zou zien als zou worden afgezien van de voorgenomen premieverhoging per 1 juli a.s. Dit lid wees in dit verband op de adviezen van de SER-commissie en van de besturen van de desbetreffende sociale fondsen, om de premieverhoging per 1 juli a.s. achterwege te laten, omdat de reservesituatie van een aantal fondsen een premieverhoging niet rechtvaardigt. Is de Regering bereid deze adviezen op te volgen mede om het forse koopkrachtverlies dat dit jaar zal optreden zoveel mogelijk te beperken?

Het lid van de E.V.P.-fractie had grote bezwaren tegen het wetsontwerp tnt hoVrjezing van het minimumloon en de uitkeringen per 1 juli 1983, omdat het niet overtuigd was van de noodzaak om in te grijpen in de collectieve uitgaven, en tevens twijfelde aan de effectiviteit daarvan. Bovendien achtte dit lid het niet gelukkig dat bevriezing van lonen in verband gebracht wordt met belemmeringen bij de invoering van arbeidsduurverkorting. Omdat tot nu toe werkelijke garanties voor meer werk en voor echte arbeidstijdverkorting ontbreken, was het geneigd dit voorstel te zien als een pure bezuinigingsmaatregel die bepaalde inkomensgroepen op een onaanvaardbare manier dupeert. Voorts wenste dit lid opheldering over de volgende punten: Er wordt verwezen naar een ombuiging van f400 min. Kan inzicht gegeven worden in de berekening waarop dit bedrag gebaseerd is, eventueel met een verwijzing naar de gehanteerde rekenmodellen? Kan een overzicht gegeven worden van de gecumuleerde inkomenseffecten, rekening houdend met de veranderingen in de individuele huursubsidie en de veranderingen in de provinciale en gemeentelijke heffingen?

Onder het voorbehoud dat de Regering tijdig zal hebben geantwoord op de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsontwerp genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.