Nader rapport - Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

Inhoudsopgave

Tekst

Zitting 1982-1983

17941

Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

NADER RAPPORT

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 6 mei 1983, nr. 56, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het bovenvermelde ontwerp rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 20 mei 1983, nr. W 12.83.0270/27.3.20, moge ik U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf, en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aanbieden.

  • De Raad van State acht het wenselijk dat in de memorie van toelichting melding wordt gemaakt van de wijze waarop de bevriezing zal worden geregeld van de sociale uitkeringen, die niet door het onderhavige wetsontwerp worden bestreken, zoals die op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet. De uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet volgen de ontwikkeling van de lonen in de bedrijfstak of onderneming waar de ontvanger van de uitkering werkzaam is, respectievelijk is geweest. Zij volgen niet de gemiddel-de loonontwikkeling. De reden hiervoor is dat de band met de bedrijfstak of onderneming tijdens de relatief beperkte periode van inactiviteit blijft gehandhaafd. Het ligt daarom voor de hand de band met het laatst verdiende loon eveneens te handhaven.

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 27 mei 1983

Uit de omstandigheid dat medio 1983 in het bedrijfsleven voor een belangrijk deel uitbetaling van prijscompensatie achterwege blijft vloeit voort dat ook wat betreft de uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet medio dit jaar in het merendeel der gevallen geen verhoging zal plaatsvinden. De toelichting is op dit punt verduidelijkt.

  • De Raad van State bepleit enige nuancering van de uitspraak in de memorie van toelichting dat met het wetsontwerp een meer aanvaardbare samenhang wordt bereikt in de ontwikkeling van de inkomens in de marktsector en de collectieve sector in 1983. De Raad bepleit deze nuancering, omdat er als gevolg van de wettelijke indexeringsmechanismen reeds een samenhang bestaat tussen de ontwikkeling van de door dit wetsontwerp bestreken inkomens en de ontwikkeling van de looninkomens in de marktsector. Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad is de betreffende passage in de memorie van toelichting aangepast. Duidelijker wordt geaccentueerd, dat het bereiken van een meer parallelle inkomensontwikkeling in 1983 kan worden gezien als een belangrijke, maar strikt genomen bijkomende omstandigheid. Een om budgettaire redenen noodzakelijke maatregel wordt daardoor minder pijnlijk.
  • De Raad van State merkt terecht op dat het in de memorie van toelictv ting vermelde koopkrachteffect van de voorgenomen bevriezing van 0,6 a 0,7% betrekking heeft op het hele jaar 1983. Het koopkrachteffect is niet voor alle inkomensgroepen gelijk maar beweegt zich tussen de beide genoem-de percentages. In die zin vormt het percentage van 0,6 a 0,7% derhalve èn een gemiddelde èn een aanduiding van de spreiding. Op beide punten is de toelichting conform de aanbeveling van de Raad verduidelijkt. 4 en 5. Naar het oordeel van de Raad verdient het aanbeveling in de toelichting naast de raming van het koopkrachtverlies van de minima tevens inzicht te geven in het verwachte koopkrachtverlies voor enkele andere inkomensniveaus. Daarbij zou tevens aandacht moeten worden besteed aan de gevolgen voor de koopkracht van de voorgenomen premiewijzigingen per 1 juli a.s. Naar aanleiding van deze opmerkingen van de Raad is de betreffende passage in de memorie van toelichting aangepast.
  • De Raad van State wijst vervolgens op de samenhang tussen de voorgestelde bevriezing van de uitkeringen en de inkomensafhankelijke voorzieningen. De bevriezing kan

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, A-C

leiden tot extra uitgaven in de sfeer van laatstgenoemde voorzieningen. Van deze consequenties is, zoals de Raad terecht opmerkt, het kabinet zich bewust zoals reeds is gebleken bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp waarin de beperkte aanpassing per 1 januari jl. werd geregeld. Het betreft hier een uiterst ingewikkeld vraagstuk op het terrein van de cumulatie, waarbij enerzijds generieke maatregelen in het geding zijn die alle uitkeringsgerechtigden betreffen, anderzijds regelingen in de secundaire en de tertiaire sfeer die ieder voor zich in hun werkingssfeer beperkt zijn tot doelgroepen met zeer specifieke kenmerken. Op deze problematiek van cumulatie zal in de in december jl. toegezegde inkomensnotitie nader worden ingegaan. Of daarbij uitzicht op een bevredigende oplossing voor deze problematiek zal kunnen worden geboden, is zeer twijfelachtig. In de toelichting is een passage hierover alsnog opgenomen.

  • De Raad bepleit uitvoeriger en meer beargumenteerd in de toelichting aan te geven, waarom de SER slechts in kennis is gesteld van het voornemen tot bevriezing van minimumloon en uitkeringen per 1 juli ondanks de in kamerstuk 17677, nr. 5, nota naar aanleiding van het verslag van 10 december op blz. 8 gedane toezegging. Voor een definitieve beslissing over de aanpassing per 1 juli a.s. wilde het kabinet wachten totdat meer inzicht bestond in de ontwikkeling van een aantal relevante economische grootheden, waaronder het financieringstekort en duidelijkheid over de uiteindelijke uitkomst van de regelingsloonindex. Van essentiële betekenis waren ook de resultaten van de c.a.o.-onderhandelingen op basis van het centraal akkoord in de Stichting van de Arbeid. Op 25 april jl. is door het kabinet overleg gevoerd met de Stichting van de Arbeid waarbij ook de bevriezing per 1 juli aan de orde is geweest. De opvattingen over deze maatregel zijn bij dit overleg uitgewisseld. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet besloten geen formeel advies meer te vragen aan de SER. Deze omstandigheid, gevoegd bij het feit dat bij brief van 27 september 1982 het pakket maatregelen, neergelegd in de Miljoenennota 1983, waaronder eveneens de voorgenomen bevriezing per 1 juli a.s., aan de SER is voorgelegd en de SER daarop op 15 oktober 1982 heeft gereageerd zonder tot advisering over te gaan, heeft voor het kabinet

aanleiding gevormd thans de SER slechts in kennis te stellen van het voornemen om tot uitvoering van de aangekondigde bevriezing over te gaan. Bovenstaande beargumentering is in de toelichting opgenomen.

  • De suggesties van de Raad in de redactionele sfeer zijn alle opgevolgd. De laatste zin van de toelichting, betrekking hebbend op de adviesaanvrage aan de SER over de verlaging van sociale uitkeringen en minimumloon met 2% per 1 oktober 1983, is aangepast aan de feitelijke situatie op het moment van uitbrengen van dit nader rapport.

Ik veroorloof mij U in overweging te geven, het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerp van wet en de overeenkorrv stig het vorenstaande gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, A-C

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.