Oorspronkelijke tekst van het ontwerp van wet, zoals voorgelegd aan de raad van state - Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

Inhoudsopgave

Tekst

OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET ONTWERP VAN WET, ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de uit de sociaal-economische situatie voortvloeiende noodzaak tot beperking van de uitgaven in de collectieve sector, om de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983 achterwege te laten. Zo is het, dat Wij de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

  • Per 1 juli 1983 blijft de toepassing van: a. artikel 14, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; b. artikel 15, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; c. artikel 5a, eerste lid, van de Wet Werkloosheidsvoorziening; d. artikel 9a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering;
  • artikel 18, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945; f. artikel 31a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945; g. artikel 28a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers, alsmede van het daaromtrent in de wet van 29 december 1982 (Stb. 749) bepaalde, achterwege. 2. In afwijking van de in het eerste lid genoemde artikelen wordt bij de herziening perl januari 1984 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1983 en 30 april 1983.

Artikel 2

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 1983.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur,

MEMORIE VAN TOELICHTING

Met het oog op de sociaal-economische situatie, waarin het voorkomen van een verder oplopen van het financieringstekort een dringende noodzaak is, heeft de toenmalige regering in de Miljoenennota 1983 een daartoe strekkend pakket van maatregelen aangekondigd. Dit pakket bevatte onder meer een verdergaande beperking van de geïndexeerde inkomens, die materieel gezien neerkomen op een bevriezing van onder andere het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen in het gehele jaar 1983. Bij de verwachte uitkomsten van de aanpassingsmethodiek van 4,55% per 1 januari 1983 en 1,8% per 1 juli 1983 werden voor dit jaar de ombuigingen geraamd op respectievelijk f 2025 min. respectievelijk f400 min. In verband met de gewenste koopkrachtontwikkeling in 1983 werd evenwel per 1 januari 1983 aan de genoemde inkomenscategorieën een verhoging van bruto 1% toegekend. In afwijking van de geraamde mutatie a 4,55% per 1 januari 1983 bedroeg de werkelijke uitkomst van de aanpassingsmethodiek 3,5%. Ten opzichte van de feitelijke uitkomst van het indexeringsmechanisme en met inbegrip van de bij wet van 30 juni 1982, Stb. 372, van 1 juli 1982 naar 1 januari 1983 uitgestelde verhoging, vond daarmee een beperking plaats van 2,5%.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17941, A-C

Binnen het kader van de ombuigingstaakstelling paste naast een beperking van de herzieningen per 1 januari 1983 eveneens het achterwege laten van de herziening van wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen per 1 juli 1983. Een definitieve beslissing inzake deze herziening is destijds uitgesteld totdat meer inzicht zou bestaan in de ontwikkeling van een aantal relevante grootheden, zoals het verloop van de regelingsloonindex, de hoogte van het financieringstekort, en de afspraken in ca.o.'s over het aanwenden van loonaanspraken ten behoeve van arbeidsduurverkorting. Het verloop van de regelingsloonindex duidt op een herziening per 1 juli 1983 van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen, die zonder beperkende maatregelen circa 2% zal bedragen. Dit komt globaal overeen met het percentage waarmee bij de ombuigingstaakstelling was rekening gehouden. Uit de Voorjaarsnota blijkt dat extra ombuigingen nodig zijn om een verdere vergroting van het financieringstekort te voorkomen en een vermindering van het tekort na 1983 mogelijk te maken. Ook om deze reden is er alle aanleiding het voornemen van de bevriezing per 1 juli a.s. tot uitvoering te brengen. Van belang is eveneens, dat reeds in een groot aantal ca.o.'s, betrekking hebbend op circa 1 min. werknemers buiten de gesubsidieerde en gepremieerde sector, loonaanspraken zijn aangewend voor arbeidsduurverkorting. Bij de overheid en in de gepremieerde sector is eveneens een begin gemaakt met arbeidsduurverkorting en daarmee samenhangende loonmatiging. Over een verdergaande aanpak in die richting wordt met de betrokken organisaties overleg gevoerd. Over het geheel genomen wordt op deze wijze een meer aanvaardbare samenhang bereikt in de ontwikkeling van de inkomens in de marktsector en de ontwikkeling van de inkomens in de collectieve sector in 1983. Met het achterwege laten van de herziening per 1 juli a.s. worden bovendien eventuele fricties voorkomen die het gevolg zouden zijn van het samengaan van het achterwege laten van loonsverbeteringen in verband met arbeidsduurverkorting en een verhoging van het minimumloon. Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen per 1 juli a.s. brengt een koopkrachteffect met zich mee van -0,6 è -0,7%. Bij de raming van de koopkrachtontwikkeling 1983 zoals deze is gepresenteerd in de nota van de Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid «Economische Structuurverbetering; lnkomens-en Werkgelegenheidsaspecten» van 19 april 1983 (zitting 1982-1983, 17868, nr. 1) is reeds uitgegaan van de bevriezing waarin dit wersontwerp voorziet. Inclusief het effect van de bevriezing wordt het koopkrachtverlies in 1983 voor het minimumloon geraamd op 3%. Zoals aangegeven in eerdergenoemde nota is daarbij nog geen rekening gehouden met eventuele premie-aanpassingen die nodig kunnen blijken te zijn in verband met de positie van de sociale fondsen. Overigens wordt als gevolg hiervan geen verdere verslechtering van de minima verwacht. In dit verband willen wij eraan herinneren, dat voor de echte minima reeds voor dit jaar voorzieningen zijn aangekondigd. Op korte termijn zullen hierover nadere voorstellen worden ingediend. Zoals aangegeven vormt het voornemen tot bevriezing van minimumloon en uitkeringen per 1 juli 1983 onderdeel van een pakket van maatregelen neergelegd in de Miljoenennota. Bij brief van 27 september 1982 zijn deze maatregelen aan de SER voorgelegd. De SER heeft op 15 oktober 1982 op dat schrijven, zonder tot advisering over te gaan, gereageerd. Het voornemen om nu tot uitvoering van de reeds eerder aangekondigde bevriezing per 1 juli 1983 over te gaan is aan de SER ter kennis gebracht bij gelegenheid van de adviesaanvrage van 26 april 1983 inzake verdeling premie WAO tussen werkgever en werknemer per 1 juli 1983. Omtrent een eventuele verlaging van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen per 1 oktober 1983, zoals aangegeven in de Voorjaarsnota, zal de SER om advies worden gevraagd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, J. P. van der Reijden Tweede Kamer, zitting 1982-1983,17941, A-C

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.