Memorie van toelichting - Het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

Met het oog op de sociaal-economische situatie, waarin het voorkomen van een verder oplopen van het financieringstekort een dringende noodzaak is, heeft het toenmalige kabinet in de Miljoenennota 1983 een daartoe strekkend pakket van maatregelen aangekondigd. Dit pakket bevatte onder meer een verdergaande beperking van de geïndexeerde inkomens, die materieel gezien neerkwam op een bevriezing in het gehele jaar 1983 van onder andere het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen. (Dit met uitzondering van de uitkeringen krachtens de Ziektewet en de Werkloosheidswet, waarop het indexeringsmechanisme van de Wet Aanpassingsmechanismen niet van toepassing is. Deze uitkeringen zijn direct gekoppeld aan de ontwikkeling van de lonen in de betreffende bedrijfstak of onderneming.) Bij de verwachte uitkomsten van de aanpassingsmethodiek van 4,55% per 1 januari 1983 en 1,8% per 1 juli 1983 werden voor dit jaar de ombuigingen geraamd op f 2025 min. respectievelijk f400 min. In verband met de gewenste koopkrachtontwikkeling in 1983 werd evenwel per 1 januari 1983 aan de genoemde inkomenscategorieën een verhoging van bruto 1% toegekend. In afwijking van de geraamde mutatie a 4,55% per 1 januari 1983 bedroeg de werkelijke uitkomst van de aanpassingsmethodiek 3,5%. Ten opzichte van de feitelijke uitkomst van het indexeringsmechanisme en met inbegrip van de bij wet van 30 juni 1982, Stb. 372, van 1 juli 1982 naar 1 januari 1983 uitgestelde verhoging, vond daarmee een beperking plaats van 2,5%. Binnen het kader van de ombuigingstaakstelling paste naast een beperking van de herzieningen per 1 januari 1983 eveneens het achterwege laten van de herziening van wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen (met uitzondering zoals reeds vermeld van de uitkeringen krachtens de Ziektewet en de Werkloosheidswet) per 1 juli 1983. Een definitieve beslissing inzake deze herziening is destijds uitgesteld totdat meer inzicht zou bestaan in de ontwikkeling van een aantal relevante grootheden, zoals het verloop van de regelingsloonindex, de hoogte van,het financieringstekort, en de afspraken in collectieve arbeidsovereenkomsten (ca.o.'s) over het aanwenden van loonaanspraken ten behoeve van de arbeidsduurverkorting. Het verloop van de regelingsloonindex duidt op een herziening per 1 juli 1983 van het wettelijk minimumloon en de sociale uitkeringen, die zonder beperkende maatregelen, circa 2% zal bedragen. Dit komt globaal overeen met het percentage waarmee bij de ombuigingstaakstelling was rekening gehouden.

Tweede Kamerzitting 1982-1983,17941, nrs. 1-3

Uit de Voorjaarsnota blijkt dat extra ombuigingen nodig zijn om een verdere vergroting van het financieringstekort te voorkomen en een vermindering van het tekort na 1983 mogelijk te maken. Ook om deze reden is er alle aanleiding het voornemen van de bevriezing per 1 juli a.s. tot uitvoering te brengen. Van belang is eveneens, dat reeds in een groot aantal c.a.o.'s, betrekking hebbend op circa 1 min. werknemers buiten de gesubsidieerde en gepremieerde sector, loonaanspraken zijn aangewend voor arbeidsduurverkorting. Bij de overheid en in de gepremieerde sector is eveneens een begin gemaakt met arbeidsduurverkorting en daarmee samenhangende loonmatiging. Over een verdergaande aanpak in die richting wordt met de betrokken organisaties overleg gevoerd. Deze ontwikkeling brengt met zich mee, dat er ondanks de budgettair noodzakelijke beperking van de verhoging per 1 januari 1983 en de bevriezing per 1 juli 1983 gesproken kan worden van een per genoemde data redelijk met elkaar in de pas lopen van minimumloon en uitkeringen enerzijds en lonen anderzijds. Met het achterwege laten van de herziening per 1 juli a.s. worden bovendien eventuele fricties voorkomen die het gevolg zouden zijn van het samengaan van het achterwege laten van loonsverbeteringen in verband met arbeidsduurverkorting en een verhoging van het minimumloon. Het achterwege laten van de herziening per 1 juli a.s. brengt voor het minimumloon en alle betrokken uitkeringen een koopkrachteffect met zich mee variërend van -0,6 tot -0,7% op jaarbasis. Bij de raming van de koopkrachtontwikkeling 1983 zoals deze is gepresenteerd in de nota van de Ministers van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, «Economische Structuurverbetering; lnkomens-en Werkgelegenheidsaspecten» van 19 april 1983 (zitting 1982-1983,17868, nr. 1) is reeds uitgegaan van de bevriezing waarin dit wetsontwerp voorziet. Indien tevens rekening wordt gehouden met de voorgenomen premiewijzigingen per 1 juli a.s., kan de totale koopkrachtmutatie voor 1983 ten opzichte van 1982 als volgt worden geraamd:

Excl. WAM-toeslag

Incl. WAM-toesiag

Minima

-3,0

-3,0 Minimum plus

  • 4,3
  • 6,9 Modaal

-4,7

-7,3 Maximum

  • 5,2
  • 8,1

Het hier gepresenteerde beeld heeft wat betreft de bovenminima betrekking op WAO-uitkeringsgerechtigden. Zij bevat tevens de maatregelen die op 1 januari 1983 van kracht zijn geworden. Een aantal van die maatregelen had specifiek betrekking op de WAO. Dit impliceert dat de koopkrachteffecten voor deze groep van uitkeringsgerechtigden enigszins ongunstiger uitvallen dan die voor andere groepen. Wij willen eraan herinneren, dat voor de echte minima reeds voor dit jaar voorzieningen zijn aangekondigd. Op korte termijn zullen hierover nadere voorstellen worden ingediend. Zoals reeds bij de behandeling van het wetsontwerp inzake de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 januari jl. is aangegeven, is er sprake van een relatie, zowel budgettair als inkomenspolitiek, tussen de voorgestelde bevriezing van de uitkeringen en de inkomensafhankelijke voorzieningen. Het betreft hier een uiterst ingewikkeld vraagstuk van cumulatie, waarbij enerzijds generieke maatregelen in het geding zijn die alle uitkeringsgerechtigden betreffen en anderzijds regelingen in de secundaire en tertiaire sfeer die ieder voor zich in hun werkingssfeer beperkt zijn tot doelgroepen met zeer specifieke kenmerken. Op deze problematiek zal in de in december jl. toegezegde inkomensnotitie worden ingegaan. Of daarbij uitzicht op een bevredigende oplossing voor deze problematiek zal kunnen worden geboden, is echter twijfelachtig.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983,17941, nrs. 1-3

Zoals reeds in de aanhef is vermeld vormt het voornemen tot bevriezing van minimumloon en uitkeringen per 1 juli 1983 onderdeel van een pakket van maatregelen neergelegd in de miljoenennota. Bij brief van 27 september 1982 zijn deze maatregelen aan de Sociaal-Economische Raad (SER) voorgelegd. De SER heeft op 15 oktober 1982 op dat schrijven, zonder tot advisering over te gaan, gereageerd. Het voornemen om nu tot uitvoering van de reeds eerder aangekondigde bevriezing per 1 juli 1983 over te gaan, is aan de SER ter kennis gebracht bij gelegenheid van de adviesaanvrage van 26 april 1983 inzake verdeling premie WAO tussen werkgever en werknemer per 1 juli 1983. Voor een definitieve beslissing over de aanpassing per 1 juli a.s. wilde het kabinet wachten totdat meer inzicht bestond in de ontwikkeling van een aantal relevante economische grootheden, waaronder het financieringstekort en duidelijkheid over de uiteindelijke uitkomst van de regelingsloonindex. Van essentiële betekenis waren ook de resultaten van de ca.o."Onderhandelingen op basis van het centraal akkoord in de Stichting van de Arbeid. Op 25 april jl. is door het kabinet overleg gevoerd met de Stichting van de Arbeid waarbij ook de bevriezing per 1 juli aan de orde is geweest. De opvattingen over deze maatregel zijn bij dit overleg uitgewisseld. Naar aanleiding daarvan heeft het kabinet besloten geen formeel advies meer te vragen aan de SER, maar deze van de maatregel in kennis te stellen. Omtrent een eventuele verlaging van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen per 1 oktober 1983, zoals aangegeven in de Voorjaarsnota, is de SER bij brief van 24 mei 1983 om advies gevraagd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. de Koning De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, J. P. van der Reijden Tweede Kamer, zitting 1982-1983,17941, nrs. 1-3

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.