Nota naar aanleiding van het verslag - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983)

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 10 juni 1983

Alvorens op de door de verschillende fracties gemaakte vragen en opmerkingen in te gaan, merk ik het volgende op. Zoals uit de memorie van toelichting op het wetsontwerp blijkt, dient het onderhavige voorstel ter compensatie van het wegvallen van een aantal voorgenomen ombuigingen in de kinderbijslagsfeer. Deze wegvallenden ombuigingen betreffen:-het niet doorgaan van de vermindering van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen f 40 min.-invoering per 1 april 1983 in plaats van 1 januari 1983 van de maatregelen ten aanzien van de huishoudkinderen en de in een inrichting verblijvende invalide kinderen

f

75 min.-handhaving van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, die de huishouding volledig verzorgen

f

2,5 min.

Totaal

f 50 min.

Het kabinet achtte het noodzakelijk, dat deze wegvallende ombuigingen volledig worden gecompenseerd. Op basis van de ten tijde van indiening van het onderhavige voorstel beschikbare gegevens zou dit worden bereikt door de normale aanpassing van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983 met 1,08% voor het eerste en tweede kind achterwege te laten (opbrengst f30 min.) en voorts door een nominale verlaging per die datum van alle kinderbijslagbedragen met 0,5% (opbrengst 20 min.). Bij die berekening werd uitgegaan van een schatting van de ontwikkeling van het prijsindexcijfer over de periode oktober 1982 tot en met april 1983 van 1,08%. Thans is de werkelijke ontwikkeling van het prijsindexcijfer over deze periode bekend geworden. Deze bedraagt 0,44%. Hieruit blijkt dat met de voorgestelde maatregelen het beoogde bedrag aan ombuigingen nietten volle kan worden gerealiseerd. Dit verlies aan ombuigingen bedraagt ca. f 18 min. voor 1983 (f36 min. structureel). Ten einde toch de beoogde compenserende ombuigingen te halen zullen -naast het achterwege laten van de normale aanpassing van de kinderbijslagbedragen voor het eerste en tweede kind -alle kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983 niet met 0,5% maar met 1% moeten worden verminderd. Een nota van wijziging die daartoe strekt is bij deze nota gevoegd. In tabel 1 zijn de inkomenseffecten opgenomen die daar een gevolg van zijn. Aan de berekeningen liggen dezelfde veronderstellingen ten grondslag als aan die van de tabel in de memorie van toelichting.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

Tabel 1. Negatieve inkomenseffecten ten opzichte van ongewijzigd beleid van een verlaging per 1 juli 1983 van alle kinderbijslagbedragen, zoals die sedert 1 januari 1983 gelden, met 1% (in guldens en in procenten van het besteedbaar inkomen 1983)

Gezinnen met:'

In guldens In %• /an het besteedbaar inkomen

min. oon

modaai

2x modaal 4x modaal

1 kind

0,04

0,03

0,01

0,01 2 kinderen

0,10

0,08

0,04

0,02 3 kinderen

0,14

0,12

0,07

0,04 4 kinderen

0,20

0,17

0,10

0,06 5 kinderen

0,24

0,21

0,13

0,08 6 kinderen

0,28

0,24

0,16

0,10

1 Er is van uitgegaan dat alle kinderen 6 jaar of ouder doch jonger dan 12 jaar zijn.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. tonen zich verontwaardigd over de voortzetting van de aantasting van de kinderbijslagrechten zoals volgens hen het geval is met deze voorstellen. Zij vragen of de regering niet een wat te gemakkelijke weg kiest door opnieuw besparingen aan te brengen in de kinderbijslag. In dit verband merk ik op, dat gelet op de nog steeds zorgwekkende positie van onze economie het onomstreden is dat ombuigingen in de sfeer van de collectieve uitgaven noodzakelijk zijn. Nu door een wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke regeringsplannen een deel van de ombuigingen niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, is het onontkoombaar dat hiervoor andere ombuigingen plaatsvinden. Het ligt naar mijn mening ook voor de hand dat een dergelijke ombuiging in dezelfde sfeer, als waarin de oorspronkelijke beoogde ombuiging lag, nl. de kinderbijslag, plaatsvindt. Op het gehele terrein van de sociale zekerheid vinden ombuN gingen plaats, die door velen als zeer pijnlijk worden ervaren. Het is zeker niet zo, dat alternatieven in andere sectoren van het sociale zekerheidsterrein voorhanden waren. Ik kan dan ook niet inzien, dat met de door het kabinet gemaakte keuze voor de gemakkelijkste weg wordt gekozen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. merken vervolgens op dat verlaging van de kinderbijslagbedragen voor de gezinnen met de laagste inkomens tot veel grotere verschillen in bestedingsmogelijkheden leidt dan bij hogere inkomensgroepen. Naar hun oordeel kiest de Regering bewust voor een onevenwichtig zware druk op de laagste inkomensgroep met kinderen. Dit oordeel is niet juist. Gegeven de noodzaak tot ombuigingen in de kinderbijslagsfeer is, zonder drastische ingrepen in de structuur van de kinderbijslagregeling, slechts een aanpassing in de nominale sfeer mogelijk. Dat een dergelijke aanpassing, gezien de vaste bedragen, een denivellerend effect heeft, is mij bekend. Het is dan ook daarom dat het kabinet heeft besloten in de uitkeringineens aan de zogenaamde «echte minima» voor 1983 een kinderdifferentiatie aan te brengen. Van een afwenteling op de meest kwetsbare groep, zoals deze leden stellen, is dan ook geen sprake. De leden van de fractie van de P.v.d.A. vragen vervolgens welke ontwikkeling de kinderbijslag zou hebben doorgemaakt indien per 1 juli 1982, 1 januari 1983 en 1 juli 1983 artikel 13 van de AKW overkort was toegepast. Tevens stellen deze leden prijs op een overzicht van de structurele inkomenseffecten van deze L,3gevens conform de tabel die is opgenomen in de memorie van toelichting. Naar aanleiding hiervan deel ik mede dat onverkorte toepassing van artikel 13 van de AKW zou hebben betekend dat de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1982 met 2,46%, per 1 januari 1983 met 2,06% en per 1 juli 1983 met 0,44% zouden zijn verhoogd. Hierbij moet opgemerkt worden dat de indexering per 1 juli 1982 ook inderdaad conform artikel 13 van de AKW heeft plaatsgevonden.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

In onderstaande tabel 2 is het totale inkomenseffect weergegeven voor gezinnen met kinderen in de leeftijd van 6 t/m 11 jaar, ten gevolge van zowel de gedeeltelijke aanpassing aan de prijsindex per 1 januari 1983 als de voorgestelde korting per 1 juli 1983.

Tabel 2. Inkomenseffecten van de gedeeltelijke aanpassing van de kinderbijslagbedragen per 1 januari 1983 en de voorgenomen verlaging per 1 juli 1983 (in gids. en in procenten van het besteedbaar inkomen 1983)

Gezinnen met:

In guldens

In % van het besteedbaar inkomen

min. loon

modaal

2x modaal 4x modaal

1 kind

-8

-0,04

-0.03

-0.01

-0.01 2 kinderen

-22

-0,10

-0.08

-0.04

-0.02 3 kinderen

-74

-0.31

-0.26

-0.15

-0.09 4 kinderen

-136

-0.53

-0.45

-0.27

-0.17 5 kinderen

-200

-0.71

-0.61

-0.38

-0.24 6 kinderen

-268

-0.87

-0.76

-0.49

-0,32

De leden van de fractie van de P.v.d.A. constateren terecht, dat het onderhavige wetsontwerp een tweeledige grondslag heeft. Enerzijds is in het kader van het bezuinigingspakket voor 1983 besloten dit jaar de kinderbijslagbedragen voor derde en volgende kinderen te bevriezen. Anderzijds is naar een dekking gezocht voor het niet doorgaan van de aanpassing van de kinderbijslagbedragen voor in het buitenland wonende kinderen. Met betrekking tot dit laatste vragen deze leden om een nadere verduidelijking. Zij vragen waarom gekozen is voor een compensatie binnen de sfeer van de kinderbijslag. Eerder in deze nota ben ik daarop al ingegaan. Ook in de andere sectoren van het sociale zekerheidsgebied zijn ombuigingen niet zonder pijn te realiseren. Hierbij moet ook worden bedacht, dat het draagvlak van de kinderbijslag groot is. Het betreft hier niet alleen niet-actieven, maar ook, in tegenstelling tot maatregelen in andere sectoren van de sociale zekerheid, de actieven. De hier aan het woord zijnde leden wijzen op het risico van een onfrisse discussie waarbij een schijntegenstelling wordt gecreëerd tussen Nederlanders en buitenlanders. Hierbij' merk ik op, dat dit geenszins mijn bedoeling is. Ook de memorie van toelichting geeeft daar naar mijn mening geen aanleiding toe. Vervolgens pleiten deze leden wederom voor een systeem van inkomensafhankelijke kinderbijslag. Hierover heb ik reeds bij een aantal eerdere gelegenheden mijn opvatting gegeven. Het is volstrekt ondenkbaar -alleen al op uitvoeringstechnische gronden -dat een dergelijk stelsel een alternatief zou kunnen vormen voor de thans voorgestelde maatregelen. Dat het serieus nemen van het minderhedenbeleid zou nopen tot het afzien van de thans aanhangige voorstellen, vermag ik niet in te zien.

De leden van de fractie van het C.D.A. kunnen zich verenigen met het voorliggende voorstel. Deze leden memoreren dat zij eerder al hun bereidheid hebben getoond mee te werken aan de nu voorgestelde maatregelen. Het spreekt voor zich dat ik verheugd ben over de opstelling van deze leden. Deze leden hadden het overigens wel op prijs gesteld indien het wetsontwerp eerder de Kamer zou hebben bereikt, waarbij zij erop wijzen dat de termijn van behandeling voor beide Kamers nu toch wel erg kort is geworden. Ik betreur het dat de indiening van het wetsontwerp niet op een eerder tijdstip heeft kunnen plaatsvinden. Ik wijs er echter op dat eerst medio maart de beslissing is genomen om de kinderbijslag met ingang van 1 juli 1983 te verlagen. Vervolgens diende ook nog de besluitvorming rond de Voorjaarsnota te worden afgerond alvorens met de wetgeving een aanvang kon worden gemaakt.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

De leden van de C.D.A.-fractie vragen voorts of er nu reeds enige nadere verduidelijking kan worden gegeven van het voornemen om bij de uitkering ineens over 1983 een differentiatie naar kindertal toe te passen. Voorts vragen zij hoe deze differentiatie er mogelijk uit gaat zien en wanneer het desbetreffende wetsontwerp de Kamer kan bereiken. Ook de leden van de S.G.P.-fractie stellen vragen op dit terrein. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat bij de vaststelling van de bedragen van de uitkeringineens voor 1983 zal worden uitgegaan van basisbedragen, welke worden opgehoogd met een vast bedrag per kind. Er zal naar worden gestreefd om voor een gezin met een minimuminkomen dat recht heeft op kinderbijslag een zodanig totaalbedrag te hanteren dat per saldo ca. 3% koopkrachtverlies zal worden gerepareerd. Het ligt in het voornemen het desbetreffende wetsontwerp nog voor het zomerreces bij de Tweede Kamer in te dienen. De leden van de V.V.D.-fractie hebben met zeer gemengde gevoelens kennis genomen van de middels dit wetsontwerp te treffen maatregelen in de kinderbijslagsfeer. Deze leden zijn nog steeds van mening dat een verlaging van de kinderbijslagbedragen voor in het buitenland wonende kinderen, zoals in eerste instantie door de Regering was voorgesteld, de voorkeur verdiende. De aan het woord zijnde leden merken vervolgens op het niet aanvaardbaar te vinden indien de rekening van het niet doorgaan van de verlaging van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen blijvend wordt gepresenteerd aan ouders die in Nederland, tegen belangrijk hogere opvoedingskosten, hun kinderen opvoeden. Ook de leden van de fractie van de R.P.F, zijn deze mening toegedaan. Hierbij merk ik op, dat het kabinet zeker niet van mening is dat in de toekomst een vermindering van kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen achterwege zou moeten blijven. Ik meen dan ook dat op het moment dat de verlaging van kinderbijslag voor niet in Nederland wonende kinderen wordt doorgevoerd, de nu aan de orde zijnde maatregel opnieuw in overweging kan worden genomen. Een definitieve uitspraak hierover kan ik op dit moment echter niet doen. De leden van de fractie van de V.V.D. merken vervolgens op dat zij onder de huidige omstandigheden alleen met het wetsontwerp akkoord kunnen gaan indien de voorgestelde vermindering beperkt zou worden tot maximaal één jaar. Daarna zou de noodzakelijke ombuiging dan gerealiseerd moeten worden door invoering van het woonlandbeginsel. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat het niet mogelijk is om over een jaar -in casu 1 juli 1984 -het woonlandbeginsel in te voeren in de EEG-verordening en de bilaterale verdragen. Wel wil ik deze leden toezeggen dat ik over uiterlijk een jaar verslag uitbreng van de resultaten van de in internationaal verband ontplooide initiatieven om te komen tot invoering van het woonlandbeginsel. Uit het voorgaande moge blijken dat het kabinet nog altijd van mening is dat het gerechtvaardigd is de kinderbijslag te verminderen voor kinderen die niet in Nederland wonen. Indien in internatonaal verband geen medewerking kan worden verkregen om het woonlandbeginsel in de internationale regelingen door te voeren zal het kabinet voorstellen doen die er toe strekken het woonlandbeginsel in de nationale wetgeving te realiseren. Export van kinderbijslag is dan slechts door middel van een verdrag mogelijk. Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat Nederland -op basis van de nationale wetgeving -het enige land ter wereld is dat de mogelijkheid kent van export van kinderbijslag. Ik ben het overigens eens met de constatering van deze leden dat de voorgestelde verlaging van de kinderbijslag per 1 juli 1983 -structureel bezien -onvoldoende is om de ombuiging te realiseren die oorspronkelijk was beoogd. In onderstaand*5 tabel 3 is weergegeven welk bedrag aan ombuigingingen zou worden gerealiseerd met de oorspronkelijke voornemens en welk ombuigingsbedrag resulteert door het thans voorliggende voorstel. Hierbij merk ik op dat in de bedragen uiteraard ook rekening is gehouden met de ombuigingen die zijn gerealiseerd met de maatregelen ten aanzien van de huishoudkinderen en de uitwonende invalide kinderen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

Tabel 3. Ombuigingen in min. gids. per jaar van de oorspronkelijke voorstellen en de huidige voorstellen (cijfers 1983) 1983

1984

1985

1986

Oorspronkelijke voorstellen Huidige voorstellen

7070

11013 0

15013 0

18013 0

Ik heb goede nota genomen van de opmerking van de leden van de fractie van D'66 dat zij niet instemmen met de verlaging van de kinderbijslagen per 1 juli 1983. De leden van de fractie van D'66 en van de R.P.F, wijzen er terecht op dat de werkelijke korting op de kinderbijslagbedragen meer bedraagt dan 0,5% omdat ook de aanpassing aan de ontwikkeling van het prijsindexcijfer achterwege blijft. Rekening houdend met de in de nota van wijziging voorgestelde generieke korting komt de totale korting uit op 1,44%. De leden van de fractie van D'66 betogen voorts dat de korting niet aanvaardbaar is omdat naar hun mening inhoudelijke argumenten ontbreken en het wetsontwerp uitsluitend is gebaseerd op het bezuinigingsmotief. Eerder in deze nota heb ik reeds aangegeven dat het kabinet het niet aanvaardbaar acht dat een verlies aan ombuigingen optreedt en waarom gekozen is voor de nu voorgestelde maatregel. Ik heb kennis genomen van de opvattingen van deze leden met betrekking tot de door hen gewenste afzwakking van de progressie in de kinderbijslagbedragen. Deze opvattingen zij mij overigens zeer wel bekend. Ik meen evenwel dat een inhoudelijke discussie hierover eerst kan worden gevoerd nadat de SER advies heeft uitgebracht over de uiteindelijk te realiseren structuur van het stelsel van kinderbijslag. De leden van de fractie van D'66 vragen vervolgens welke de opbrengst is van een korting van 1% op respectievelijk de kinderbijslag vanaf het 3e, het 4de en het 5de kind. Zij vragen dit zowel voor de situatie dat de kinderen van 18 jaar en ouder daarin worden betrokken als voor de situatie dat dit niet gebeurt. In onderstaande tabel 4 zijn de door deze leden gevraagde gegevens opgenomen.

Tabel 4. Ombuigingen als gevolg van een vermindering van kinderbijslag voor 3de en volgende kinderen met 1% (in min. gids. per jaar; cijfers 1983)

Vanaf 3de kind Vanaf 4de kind Vanaf 5de kind Inclusief 18-jarigen en ouder

5 Exclusief 18-jarigen en ouder

De leden van de fractie van de P.S.P. zijn zeer ontevreden over het feit dat dit wetsvoorstel pas eind mei de Kamer heeft bereikt. Met betrekking tot hun vraag naar de rechtvaardiging hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op een vraag van dezelfde strekking van de fractie van het C.D.A. De opvatting van de leden van de fractie van de P.S.P. dat de tijdige voorlichting aan de kinderbijslaggerechtigden hierdoor in de knel komt is niet juist. De kinderbijslag over het derde kwartaal wordt immers eerst na 1 oktober 1983 uitbetaald. De leden van de P.S.P.-fractie hebben er nooit twijfel over laten bestaan dat het onderhavige voorstel voor hen onaanvaardbaar is met het oog op de inkomenspositie van de laagste inkomensgroepen. Zij achten het voorts niet juist dat -nu de maatregelen ten aanzien van de in het buitenland wonende kinderen geen doorgang vinden -hetzelfde ombuigingsbedrag alsnog op de gehele groep kinderbijslaggerechtigden wordt verhaald. Zij wijzen op het denivellerende karakter van deze maatregel en op de onevenwichtige uitkomsten in inkomenspolitieke zin van de regeringsmaatregelen voor 1983.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

Op deze problematiek ben ik reeds ingegaan in antwoord op soortgelijke vragen van de fractie van de P.v.d.A. Voor wat betreft de vragen van de leden van de P.S.P.-fractie over de eenmalige uitkering voor de echte minima verwijs ik naar het antwoord aan de leden van de C.D.A.-fractie eerder in deze nota. Hoeveel gezinnen met kinderen zullen profiteren van die regeling valt thans nog niet aan te geven. De leden van de P.S.P.-fractie vragen naar een vergelijking van de inkomensachteruitgang voor gezinnen met en gezinnen zonder kinderen. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat de afgelopen 3 jaren de kinderbijslagbedragen enigszins sterker zijn gestegen dan de nettolonen. Voor een gezin met twee kinderen is de koopkrachtdaling enigszins geringer dan in een gezin zonder kinderen. Dit verschil kan voor de afgelopen drie jaar globaal becijferd worden op circa 0,45% voor een minimumloner en 0,1% voor 4 x modaal. De leden van de P.S.P.-fractie vragen voorts naar de cumulatieve effecten van de voorstellen voor gehandicapten, waarbij rekening is gehouden met de maatregelen in de sfeer van de kinderbijslag. In de notitie (dd. 2 juni 1983) naar aanleiding van de motie Franssen zijn deze maatregelen niet verwerkt. Indien wel rekening wordt gehouden met de kinderbijslag zullen de koopkrachteffecten, zoals weergegeven in de notitie naar aanleiding van de motie-Franssen, gunstiger uitvallen. Dit komt doordat de kinderbijslag, ondanks de maatregelen per 1 januari 1983 en per 1 juli 1983, relatief sterker is gestegen dan de respectievelijke netto-inkomens. Per saldo zullen de inkomenseffecten, zoals deze in de notitie naar aanleiding van de motie-Franssen zijn weergegeven, voor een gehuwde met twee kinderen verbeteren met ca. 0,25% op minimumniveau tot ca. 0,15% op het niveau van het maximumdagloon.

De leden van de fractie van de C.P.N, zijn bij een eerdere gelegenheid al uitgebreid ingegaan op de naar hun mening onwenselijkheid van deze maatregel. Deze leden betogen voorts dat het in de kinderbijslagwetgeving zeer wel mogelijk zou zijn over te gaan naar een inkomensafhankelijk systeem in plaats van het treffen van maatregelen die negatieve effecten juist op de minima hebben. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de negatieve effecten voor de echte minima van de maatregelen ook dit jaar door middel van de eenmalige uitkering zullen worden gecompenseerd. Verder merk ik op dat het kabinet geen voorstander is van een stelsel van inkomensafhankelijke kinderbijslag. Overigens kan het invoeren van inkomensafhankelijkheid van de kinderbijslag -alleen al in verband met de uitvoeringtechnische problemen -geen alternatief vormen voor het voorstel dat nu aan de orde is. De leden van de fractie van de C.P.N, vragen naar een overzicht totaal van inkomenseffecten over 1983. Is het kabinet van mening, zo vragen zij, dat een dergelijke denivellerende maatregel gerechtvaardigd is. Voor de gecumuleerde inkomenseffecten over 1983 wil ik verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag op het wetsontwerp houdende het achterwege laten van de herziening van het wettelijk minimumloon, van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten en van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten per 1 juli 1983. Voor het totaal van de inkomenseffecten voor 1983 ten gevolge van maatregelen in de kinderbiislagsfeer verwijs ik naar de in deze nota opgenomen tabel 2. Naar aanleiding van een vraag van de leden van de C.P.N.-fractie met betrekking tot de uitkeringineens voor 1983 deel ik mede dat die uitkering op een zodanig bedrag zal worden vastgesteld dat per saldo 3% koopkrachtverlies zal worden hersteld. In antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de C.P.N, deel ik mee dat ik mij niet kan voorstellen dat de voorgenomen verlaging van de kinderbijslag effect zal hebben op de mogelijk om een studie aan te vangen of voort te zetten.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

Wat betreft de vrees, die bij de fractie van de C.P.N, leeft, dat in geval van een uitkeringineens het veelal zo zal zijn dat in de loop van een jaar zo ernstige tekorten ontstaan dat mensen in de problemen komen met hun financiële verplichtingen, merk ik het volgende op. In tijden van teruglopende koopkracht, ook voor mensen met de laagste inkomens, zal het vaak inderdaad niet eenvoudig zijn aan hun financiële verplichtingen te voldoen. In voorkomende gevallen zal evenwel, in overleg met de Sociale Dienst, naar een structurele oplossing moeten worden gezocht. De kinderbijslag voor kinderen van 18 jaar en ouder zal betrokken worden bij het nieuwe stelsel van studiefinanciering. Een voortdurende verlaging van de kinderbijslag heeft dan ook als effect -dit in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de C.P.N. -dat de beschikbare middelen voor een nieuw stelsel geringer worden.

De leden van de fractie van de S.G.P. hebben -zonder zich op voorhand voor de onderhavige maatregel uit te spreken -nog behoefte om enkele aanvullende vragen te stellen. Met betrekking tot hun vraag omtrent het structurele karakter van dit wetsontwerp in verhouding tot het ingetrokken voorstel om de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen te verminderen verwijs ik naar hetgeen hieromtrent eerder in deze nota is opgemerkt in antwoord op een vraag van de V.V.D.-fractie. Naar aanleiding van de vraag van deze leden hoe ruw de schatting is van 1,08% voor de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van degezinsconsumptie in de periode oktober 1982-april 1983 wil ik verwijzen naar de inleiding van deze nota. De leden van de S.G.P.-fractie willen graag een volledig beeld krijgen van de inkomenseffecten voor alle leeftijdscategorieën. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat in tabel 1 de inkomenseffecten zijn opgenomen voor verschillende inkomenscategorieën, waarbij ervan is uitgegaan dat alle kinderen 6 jaar of ouder doch jonger dan 12 jaar zijn. Onderstaande tabel 5 bevat de inkomenseffecten in guldens per jaar van de voorgenomen maatregel per 1 juli 1983, waarbij een differentiatie is gemaakt naar leeftijdscategorie. Uit tabel 5 blijkt dat de negatieve effecten voor de verschillende leeftijdscategorieën vrijwel gelijk zijn. In de tabel is ervan uitgegaan dat alle kinderen in een gezin zich in dezelfde leeftijdscategorie bevinden. Verder zijn voor de groep 0-5 jarigen de bedragen vermeld zoals die gelden voor kinderen voor wie in 1983 recht bestaat op 95% van de kinderbijslag voor de groep 6-11 jarigen.

Tabel 5. Inkomenseffecten ten opzichte van ongewijzigd beleid van een verlaging per 1 juli 1983 van de kinderbijslagbedragen zoals die gelden sedert 1 januari 1983, met 1%; naar gezinsgrootte en per leeftijdscategorie (in guldens per jaar, 1983)

Gezinsgrootte

0 t/m 5

6 t/m 11

12 t/m 17

18 t/m 27

-8

-8

-8

-8 2

-21

-22

-23

-22 3

-32

-34

-36

-34 4

-49

-52

-55

-53 5

-65

-68

-72

-69 6

-82

-86

-91

-87

De leden van de fractie van de P.P.R. hebben met verontwaardiging kennis genomen van dit wetsontwerp. Naar aanleiding van een desbetreffende vraag van deze leden merk ik op, dat de voorgestelde maatregel een structureel effect heeft. Vervolgens vragen deze leden naar de kosten die deze maatregel heeft voor het echte minimabeleid. Deze kosten zijn thans nog niet exact aan te geven. Bij de raming van de uitgaven voor de uitkering ineens 1983 is uiteraard wel met deze kosten rekening gehouden. Wel merk ik op dat de uitgaven in de sfeer van de echte minima eenmalig zijn, terwijl de voorgestelde kinderbijslagverlaging structureel is.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

De leden van de fractie van de R.P.F, hebben zonder enthousiasme kennis genomen van het voornemen om alle kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983 te verlagen. Naar de mening van deze leden dient de verantwoordelijkheid van ouders of verzorgers voor het onderhoud van kinderen door de overheid in bepaalde opzichten gehonoreerd te worden. Dit zou -aldus deze leden -tot uitdrukking kunnen komen in het zoveel mogelijk ontzien van de kinderbijslagbedragen. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat er uiteraard argumenten zijn aan te voeren op grond waarvan de kinderbijslag zou moeten worden ontzien bij de noodzakelijke ombuigingen. Daartegenover zijn er ook argumenten aan te voeren, op grond waarvan de kinderbijslag juist bij de bezuinigingen dient te worden betrokken. Zo heeft een ombuiging op het terrein van de kinderbijslag een breed draagvlak waardoor het mogelijk wordt een brede spreiding van de lasten aan te brengen. De leden van de fractie van de R.P.F, merken vervolgens op begrip te tonen voor het standpunt van de regering dat een vermindering van de ombuigingsdoelstelling met f 50 min. niet aanvaardbaar wordt geacht. Zij vragen in dit verband of aan de keuze van een generieke korting van de kinderbijslagen principiële overwegingen ten grondslag liggen of dat het gaat om een pragmatisch motief. Het lid van de fractie van het G.P.V. heeft eveneens een aantal opmerkingen van dezelfde strekking gemaakt. Naar aanleiding hiervan merk ik het volgende op. In deze nota ben ik al een aantal malen ingegaan op deze problematiek. Daarbij bleek dat ik de keuze voor deze maatregel zie als een onontkoombaar uitvloeisel van de besluitvorming die eerder dit jaar heeft plaatsgevonden.

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het betoog van het lid van de G.P.V.-fractie met betrekking tot het vermeende schrille contrast tussen het voortdurend uitstellen van belastingverzwaring voor tweeverdieners waarmee een bedrag van f150 min. is gemoeid en de met dit wetsontwerp beoogde ombuiging in de kinderbijslagsfeer. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat het uitstel van de maatregel met betrekking tot de tweeverdieners voornamelijk veroorzaakt wordt door juridischtechnische problemen. Dergelijke problemen doen zich bij het onderhavige wetsvoorstel niet voor. Overigens merk ik hierbij nog op dat het uitstellen van een bepaalde maatregel waarbij een ombuigingsverlies optreedt, nooit een reden kan zijn tot uitstel van een andere ombuigingsmaatregel. Met betrekking tot de opmerking van deze fractie over het effect van de maatregel in de wat grotere gezinnen met kleine en opgroeiende kinderen, waar in het overgrote deel van de gevallen slechts één inkomen wordt verdiend, merk ik op dat indien een dergelijk gezin tot de echte minima behoort, het koopkrachtverlies ook dit jaar door middel van een eenmalige uitkering wordt gecompenseerd. Deze uitkering zal worden gedifferentieerd naar gezinsgrootte.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 5

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.