Verslag - Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983)

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 4

1 Samenstelling: Leden: Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Beinema (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv. leden: Terpstra (VVD), Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Meijer (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Cornelissen (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA), M. P. A. van Dam (PvdA), Salomons (PvdA), Van Dijk (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

VERSLAG Vastgesteld 8 juni 1983

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen over dit in haar handen gesteld ontwerp van wet.

De leden van de fractie van de P.v.d.A. toonden zich verontwaardigd over de voortzetting van de aantasting van de kinderbijslagrechten zoals het geval is met deze nieuwe voorstellen van de Regering. Deze leden herhaalden een vraag die door de leden van de C.D.A.-fractie was opgeworpen in het verslag over het wetsontwerp, regelende de verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1982, luidende: kiest de Regering niet een wat te gemakkelijke weg door opnieuw besparingen aan te brengen in de kinderbijslagbedragen? De hier aan het woord zijnde leden van de P.v.d.A.-fractie merkten daarbij op dat verlaging van de kinderbijslagbedragen juist de gezinnen met de laagste inkomens tot veel grotere verschillen in bestedingsmogelijkheden leidt dan bij hogere inkomensgroepen. Naar hun oordeel kiest de Regering met deze maatregel, die zich niet beperkt tot een bevriezing maar een nominale verlaging inhoudt, bewust voor een onevenwichtig zware druk op de laagste inkomensgroepen die kinderen hebben te verzorgen. Bij herhaling is al vastgesteld dat de inkomenspositie van de laagstbetaalden in verhouding tot andere inkomensgroepen onevenredig zwaar wordt belast. Zelfs de regeringspartijen hebben bij motie van de leden de Vries en Nijpels zich in deze zin hierover uitgesproken. Beschouwt de Regering deze motie, waarin de situatie voor 1983 schijnbaar aanvaard wordt, daarom als een vrijbrief om de verdere maatregelen voor 1983 in de sfeer van de sociale zekerheid in bijzondere mate op de meest kwetsbare groep af te wentelen? Voor de derde achtereenvolgende maal wordt afgeweken van het bijstellingsmechanisme zoals dat verankerd is in artikel 13 van de Algemene Kinderbijslagwet. Welke ontwikkeling had de Kinderbijslag doorgemaakt indien per 1 juli 1982, 1 januari 1983 en 1 juli 1983 artikel 13 van de AKW onverkort was toegepast? De hier aan het woord zijnde leden stelden prijs op een overzicht van de structurele inkomenseffecten van deze gegevens conform de tabel die is opgenomen in de memorie van toelichting. Zij wezen er op dat het inkomensbeleid in de tabel weliswaar een correcte weergave is van het effect op jaarbasis in 1983, maar dat de Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

structurele effecten echter twee keer zo groot zijn. Begrepen zij het goed, zo vervolgden deze leden, dat het onderhavige voorstel in de redenering van de Regering een tweeledige grondslag heeft? Enerzijds de bevriezing van de kinderbijslag als uitvloeisel van het bezuinigingspakket waarover in december 1982 in de Tweede Kamer is gediscussieerd en, anderzijds, het overigens terechte niet doorgaan van de wijziging van de bedragen aan kinderbijslag voor kinderen die in het buitenland verblijven? Voor wat betreft het eerste verwezen deze leden naar een tijdens het debat in december jl. ingediend amendement vanuit hun fractie en de daarbij gegeven toelichting op de toen voorliggende voorstellen. Inzake de compensatie voor het niet doorgaan van de verlaging van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen wilden deze leden nadere verduidelijking. Waarom heeft de Regering gekozen voor compensatie binnen de sfeer van de kinderbijslag; hiervoor ontbreekt immers iedere argumentatie? Dit te meer omdat reeds bij de behandeling van het wetsontwerp inzake de in het buitenland verblijvende kinderen bleek dat verschillende woordvoerders ernstige bezwaren aantekenden tegen de «afruil». Indien deze fracties zich blijven opstellen zoals tijdens dat debat, dan is er geen meerderheid voor het onderhavige wetsvoorstel. Waarom dan toch het risico genomen van een onfrisse discussie waarbij een schijntegenstelling wordt gecreëerd tussen Nederlanders en buitenlanders? Buitenlanders worden daarin uitgespeeld tegenover Nederlanders met de laagste inkomens die eveneens in een zeer benarde positie verkeren. Waarom heeft de Regering niet met dit voorstel ruimte gemaakt voor belangstelling voor deze mensen en niet voor een werkelijke solidariteitsafweging? Deze zou aan de orde geweest zijn indien de Regering, zo ze al in de sfeer van de kinderbijslag wilde blijven, een verlaging van de kinderbijslag had voorgesteld voor de hoogste inkomensgroepen. De leden van de fractie van de P.v.d.A. stelden prijs op een uitvoerige reactie van de Regering op de naar het oordeel van deze leden volstrekt ontoereikende argumentatie in de memorie van toelichting. Indien de Regering het beleid inzake de minderheden serieus neemt dan zien deze leden geen andere weg voor de Regering dan dit wetsontwerp terug te nemen. Mocht de Regering onverhoopt toch doorzetten, dan dient zij zich te realiseren daarmee een grote verantwoordelijkheid te dragen voor de kwalijke gevolgen hiervan.

De leden van de C.D.A.-fractie konden zich met het voorliggende wetsontwerp verenigen. Zij hadden, door zich bij de schriftelijke voorbereiding van wetsontwerp 17696 uit te spreken tegen een beperking van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen, reeds de bereidheid getoond mee te zullen werken aan het op andere wijze verkrijgen van een, door het niet doorgaan van die beperking, equivalent bedrag aan overigens helaas noodzakelijke besparingen voor 1983 en volgende jaren. Voorts hadden zij bij de plenaire behandeling van dat wetsontwerp uitgesproken dat dit bedrag vrijwel onontkoombaar zou moeten worden gezocht in de sector van de sociale zekerheid. Daarbij werd afgewogen wat in die sector reeds is gebeurd en mogelijk nog staat te gebeuren. Niettemin werd aanvaard dat dit bedrag zou moeten komen uit de kinderbijslagregelingen, zulks mede in het licht van de verwachting dat de koopkrachtdaling enigszins gunstiger zou kunnen uitvallen dan aanvankelijk werd verwacht. Wel zouden deze leden het op prijs hebben gesteld dat het nu voorliggende wetsontwerp de Kamer eerder zou hebben bereikt. Ofschoon de behandeling daarvan althans voor hen geen bijzondere problemen lijkt op te roepen moet wel worden opgemerkt dat, wil het bij aanvaarding tijdig vóór 1 juli 1983 het Staatsblad bereiken, de termijn welke voor de behandeling daarvan aan beide Kamers wordt gelaten zeer kort is. Wat zijn de oorzaken dat eerdere indiening niet mogelijk bleek? Overigens kan men de negatieve inkomenseffecten die dit wetsontwerp heeft op het vrij besteedbaar inkomen van gezinnen met kinderen, ook al zijn die op zichzelf door de wat Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

minder ongunstiger prijsontwikkeling dan aanvankelijk werd verwacht, slechts beperkt, uiteraard niet los zien van de diverse andere maatregelen die het besteedbaar inkomen voor 1983, met name voor de echte minima sterk beïnvloeden. Kan in dit verband reeds enige nadere verduidelijking worden gegeven van het voornemen van de Regering om bij de uitkeringineens over 1983 een differentiatie naar kindertal toe te passen? Hoe zal die differentiatie er mogelijk uitzien, gelet op de thans daarvoor beschikbare relevante gegevens? Wanneer kan het desbetreffende wetsontwerp de Kamer bereiken?

De leden van de V.V.D.-fractie hebben met zeer gemengde gevoelens kennis genomen van de middels dit wetsontwerp te treffen maatregelen in de kinderbijslagsfeer. De aan het woord zijnde leden waren nog steeds van mening dat een verlaging van de kinderbijslagbedragen voor in het buitenland wonende kinderen, zoals in eerste instantie door de Regering was voorgesteld, de voorkeur verdiende. Zij achtten het niet aanvaardbaar indien de rekening van het niet doorgaan van de verlaging van de kinderbijslag voor in het buitenland verblijvende kinderen blijvend wordt gepresenteerd aan ouders die in Nederland, tegen belangrijk hogere opvoedingskosten, hun kinderen opvoeden. De aan het woord zijnde leden zouden slechts onder de huidige omstandigheden met het onderhavige wetsontwerp akkoord kunnen gaan indien de Regering de werkingsduur van de voorgestelde beperking van de kinderbijslagbedragen zou beperken tot maximaal één jaar. Naar het oordeel van deze leden van de V.V.D.-fractie moet na die periode de noodzakelijke bezuiniging worden gerealiseerd middels invoering van het woonlandbeginsel in de AKW. De voorgestelde bezuiniging van f60 min. in 1983 (f120 min. structureel) was volgens deze leden ook niet (structureel) voldoende om het in het oorspronkelijke voorstel bedoelde bedrag aan bezuinigingen te realiseren, zodat er des te meer reden is de noodzakelijke uitgavenbeperkingen niet blijvend op de voorgestelde wijze te realiseren. De in het wetsontwerp voorgestelde achterwegelating van de aanpassing van de kinderbijslagbedragen en de algemene verlaging met 0,5% van de kinderbijslag worden derhalve op dit moment niet gesteund door de aan het woord zijnde leden van de V.V.D.-fractie. Zij vroegen zich af of het kabinet bij de opvulling van het financiële gat dat heeft geleid tot dit wetsontwerp alternatieven heeft overwogen.

De leden van de fractie van D'66 zullen niet instemmen met de verlaging van de kinderbijslagbedragen per 1 juli 1983. Zij hadden in december 1982 voor het wetsontwerp gestemd waarin de kinderbijslagen werden bevroren voor derde en volgende kinderen. Zij hadden voor deze opstelling gekozen omdat de noodzaak van ombuigingen in de sociale zekerheid werd erkend, maar zeker niet in de laatste plaats omdat dat wetsontwerp de inzet betekende van een geleidelijke afzwakking van de progressie in de kinderbijslagbedragen per kind bij toeneming van de gezinsgrootte. Deze leden hadden voorts in een eerder stadium stelling genomen tegen de verlaging van de kinderbijslag voor buiten Nederland wonende kinderen van buitenlandse werknemers. Wel hadden zij ingestemd met een nader onderzoek naar de eventuele toekomstige toepasbaarheid van het z.g. «woonlandprincipe». De voorgestelde maatregel betekent een korting op de vooruitzichten tot nu toe van 0,5% op de kinderbijslag voor derde en volgende kinderen en van circa 1,58% op de kinderbijslag voor eerste en tweede kinderen. De leden van de fractie van D'66 achtten deze kortingen niet aanvaardbaar. Zij dragen het karakter een vervanging te zijn voor ingrepen in de sociale zekerheid die met meer argumenten dan alleen bezuinigingen tot stand dienen te komen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

Bij het eerdere voorstel had de Regering gepoogd die argumenten te vinden, zij het dat deze door de Kamer niet in meerderheid bleken te worden gedeeld. Met het nu voorliggende wetsvoorstel wordt gepoogd om de bezuinigingen alsnog te realiseren met als enig argument dat anders een besparingsverlies van f50 min. in 1983 zou optreden. Deze leden waren van mening dat bezuinigingen een rechtvaardiging of ten minste een argumentatie in zich dienen te hebben. Hoe kort geleden is het nog maar dat ook de C.D.A.-fractie die mening was toegedaan, zo verzuchtten deze leden. Zij verwezen daarvoor naar de inbreng van die fractie op het in het najaar van 1981 voorgestelde wetsontwerp tot korting op de z.g. WAM-toeslagen. De leden van de fractie van D'66 waren derhalve -gezien het bovenstaande -niet bereid om het wetsvoorstel in de huidige vorm te steunen. Zij hadden echter in het verleden reeds verschillende malen aangedrongen op beperking van de progressie van de bedragen per kind bij een toenemende gezinsgrootte. Zij begrepen niet waarom de kinderbijslag per kind hoger moet zijn naarmate de omvang van het gezin groter is. Een volgend kind is toch zeker niet duurder dan voorgaande kinderen, zo hielden deze leden de Regering voor. Het argument dat het vermogen van de ouders om bij te dagen in de kosten van een kind bij een toenemend kindertal afneemt was hun bekend. Zij stelden daartegenover dat naar hun mening de collectieve verantwoordelijkheid voor die kosten afneemt bij het stijgen van het kindertal, zeker nu de vele mogelijkheden tot gezinsplanning in de afgelopen periode een grote vlucht hebben genomen. Deze leden bepleitten daarom serieus om de progressie in de kinderbijslag langzamerhand af te zwakken en waren dus bereid om aan bezuinigingen uit dien hoofde mee te werken. Deze leden vroegen de Regering ten slotte welke de opbrengst is van een korting van 1% op respectievelijk de kinderbijslag vanaf het 3de, het 4de en het 5de kind, zowel indien daarin de boven 18-jarigen worden betrokken als wanneer dat niet het geval is.

De leden van de fractie van de P.S.P. waren zeer ontevreden over het feit dat dit wetsvoorstel pas einde mei de Kamer bereikte, terwijl de ombuiging al per 1 juli 1983 in moet gaan. Realiseert de Regering zich dat zij op deze wijze zowel het parlement als de uitvoeringsorganen onder grote tijdsdruk zet? Welke rechtvaardiging voert de Regering daarvoor aan? Realiseert de Regering zich dat op deze wijze de tijdige voorlichting aan de betrokken kinderbijslaggerechtigden in de knel komt? De leden van de P.SP.-fractie hebben er nooit twijfel over laten bestaan dat een verlaging van de kinderbijslagbedragen over de hele linie, zoals in het onderhavige voorstel, voor hen onaanvaardbaar is met het oog op de inkomenspositie van de laagste inkomensgroepen. Bij de behandeling van wetsontwerp 17696 heeft deze fractie er bovendien op gewezen dat het onaanvaardbaar voor haar is dat een specifieke korting voor in het buitenland wonende kinderen van voornamelijk buitenlanders in Nederland zou worden toegepast. Nu de Kamer in meerderheid dezelfde mening bleekte zijn toegedaan, is het niet juist om hetzelfde ombuigingsbedrag alsnog op de gehele groep kinderbijslaggerechtigden te verhalen. Een dergelijke handelwijze brengt met name de ouders met kinderen in de lagere en laagste inkomenscategorieën in een nog kwetsbaarder positie, terwijl anderen zonder kinderen, respectievelijk met hogere inkomens relatief worden ontzien. Hoe meent de Regering deze denivellerende werking van deze maatregel te kunnen verdedigen, tevens gelet op de onevenwichtige uitkomsten van de overige inkomenspolitieke maatregelen van deze Regering in dit jaar? Vervolgens wilden de aan het woord zijnde leden meer inzicht krijgen in de inkomenseffecten van de voorstellen. Is het mogelijk daarom een vergelijking te maken tussen de inkomensachteruitgang van gezinnen met en gezinnen zonder kinderen aan de hand van de cumulerende effecten Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

van alle maatregelen in de inkomenssfeer van de afgelopen jaren? Is het eveneens mogelijk de cumulatieve effecten te berekenen voor gehandicapten, en kan wat dat betreft een aanvulling gemaakt worden op de notitie naar aanleiding van de motie-Franssen? Welke voornemens heeft de Regering met betrekking tot de eenmalige uitkering voor de echte minima? Hoeveel mensen van de onderhavige groep zal daardoor enige verlichting ontvangen, en in welke mate?

De leden van de C.P.N.-fractie waren bij de plenaire behandeling van wetsontwerp 17696 al uitgebreid ingegaan op de onwenselijkheid van deze maatregel. Ook hier is, naar de mening van deze leden, sprake van een wetsontwerp waarvan de effecten onduidelijk zijn. Door uitsluitend te redeneren vanuit te bezuinigen bedragen springt dit kabinet op uiterst gevaarlijke wijze om met de belangen en rechten van mensen. Waar in de kinderbijslagwetgeving het zeer wel mogelijk zou zijn over te gaan naar een inkomensafhankelijk systeem, neemt dit kabinet keer op keer maatregelen die negatieve effecten juist op de minima hebben. De leden van deze fractie zouden ook hier willen vragen naar een overzicht van het totaal aan inkomenseffecten over 1983. Is het kabinet van mening dat een dergelijke denivellerende maatregel gerechtvaardigd is? Is de compensatie in de vorm van een eenmalige uitkering voldoende om deze effecten teniet te doen? Heeft de Staatssecretaris een mening over het gegeven dat in het geval van een uitkeringineens het veelal zo zal zijn dat in de loop van een jaar zo ernstige tekorten ontstaan dat mensen in problemen komen met hun financiële verplichtingen? De leden van deze fractie vroegen zich ook af in hoeverre een verlaging van kinderbijslag voor studerende kinderen effect kan hebben op de mogelijkheid om een studie aan te vangen of voort te zetten. Welke effecten heeft de voortdurende verlaging van de kinderbijslag op het nog steeds te verwachten nieuwe stelsel van studiefinanciering?

De leden behorende tot de fractie van de S.G.P. hadden na kennisneming van het onderhavige ontwerp van wet nog behoefte om enkele vragen te stellen. Zonder zich op voorhand voor deze maatregel uit te spreken, zouden zij het bijzonder op prijs stellen hoe deze structureel moet worden verstaan in het licht van het ingetrokken voorstel om de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen te verminderen. De intentie van het onderhavige ontwerp van wet is immers dat niet aanvaardbaar werd geacht dat door die intrekking de voor 1983 beoogde ombuiging met f 50 min. zou verminderen? Hoe ruw is de schatting van 1,08% voor de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie in de periode oktober 1982-april 1983 (relevant voor de aanpassing per 1 juli 1983)? Het kabinet heeft besloten om bij de uitkeringineens over 1983 voor de echte minima een differentiatie naar kindertal toe te passen. Kunnen reeds nadere mededelingen worden verstrekt in welke mate negatieve effecten van de voorstellen van dit wetsontwerp voor de laagste inkomensgroepen in belangrijke mate zullen worden verzacht, zo vroegen de leden van de fractie van de S.G.P. Is het toch niet zinvol, ter verkrijging van een volledig beeld van de inkomenseffecten, ook een overzicht te verstrekken van de inkomenseffecten voor gezinnen uit de overige leeftijdsgroepen? Het is toch niet zo moeilijk om zwart op wit te adstrueren dat de negatieve effecten van het voorstel geringer zijn voor gezinnen met kinderen jonger dan 6 jaar en groter voor gezinnen met kinderen van 12 jaar en ouder? Ondanks het feit dat wordt opgemerkt dat de verschillen zich beperken tot enkele honderdsten van procenten? De leden van de fractie van de P.P.R. hadden, gezien de inkomensontwikkeling van vooral de minima, met verontrusting kennis genomen van dit wetsontwerp. Deze leden doelden daarbij met name op het structurele Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

effect van dit wetsontwerp. Zij hadden althans begrepen dat door de systematiek van de aanpassing van de kinderbijslagbedragen de bevriezing structureel doorwerkt. Of is het zo dat het een eenmalige maatregel is die zijn effecten ook in 1984 heeft? Een tweede opmerking van deze leden had betrekking op het echte minimumbeleid. Wat kost deze maatregel in het kader van het echte minimumbeleid? Zal de reservering voor dit beleid voldoende zijn om hei koopkrachtverlies, mede als gevolg van de verlaging van de kinderbijslagbedragen, voor de minima goed te maken? Moet dit bedrag niet worden afgetrokken van de totale ombuiging die met dit wetsontwerp wordt gerealiseerd? De leden van de fractie van de R.P.F, namen zonder enthousiasme kennis van het voornemen om alle kinderbijslagbedragen per 1 juli aanstaande met 0,5% te verlagen. Zij wezen er overigens op, dat hier in wezen sprake is van een korting met ruim 1,5%, omdat de bedragen niet worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Hoewel deze leden de kinderbijslag niet als een ontaantasbaar recht beschouwden, stonden zij toch een voorzichtig beleid op dit gebied voor. De verantwoordelijkheid van ouders of verzorgers voor het onderhoud van kinderen dient door de overheid naar het oordeel van deze leden in bepaalde opzichten gehonoreerd te worden, hetgeen tot uitdrukking kan komen in het zo veel mogelijk ontzien van de kinderbijslagbedragen. De aan het woord zijnde leden toonden begrip voor het standpunt van de Regering, dat een vermindering van de ombuigingsdoelstelling met f 50 min. niet aanvaardbaar wordt geacht. Niettemin wensten zij te vernemen op welke gronden in dit verband is gekozen voor een generieke korting van de kinderbijslagbedragen. Gaat het hier om een pragmatisch motief («er moet in de sfeer van de kinderbijslag nu eenmaal een x bedrag bezuinigd worden») of liggen ook principiële overwegingen aan deze keuze ten grondslag? Ten slotte wensten deze leden te vernemen, wanneer het onderzoek naar de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen zal zijn afgerond. Mag er overigens op gerekend worden, dat een eventuele vermindering van de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen vertaald zal worden in een gedeeltelijk ongedaan maken van het onderhavige voorstel?

Het lid van de G.P.V.-fractie voelde zich niet erg aangesproken door de motivering van dit wetsvoorstel. Immers, het voorstel wordt thans gedaan als alternatief voor het gestrande voorstel tot korting van de kinderbijslag voor buitenlandse kinderen. Maar het spreekt toch niet vanzelf dat in dezelfde sfeer als van het aanvankelijke voorstel een alternatief wordt gezocht? Is niet tevens een inhoudelijke motivering nodig die rechtstreeks leidt tot het voorstel dat nu is gedaan? Dit lid had zelf geen zelfstandig motief kunnen bedenken voor de voorgestelde korting van alle kinderbijslagbedragen met 0,5%, behalve het bezuinigingsmotief. Wel kon het zich indenken dat per 1 juli a.s. alsnog besloten zou worden de kinderbijslag voor het eerste en het tweede kind op dezelfde manier te gaan behandelen als de kinderbijslagen voor de overige kinderen die sinds 1 januari 1983 bevroren zijn. De inbreuk die hiermee was gemaakt op het systeem van progressie in de kinderbijslagbedragen zal dan ongedaan worden gemaakt. Het lid van de G.P.V.-fractie zei dit een verheugende ontwikkeling te achten. Voor de extra korting op alle kinderbijslagbedragen met 0,5% was echter geen enkele inhoudelijke motivatie voorhanden. Denken de bewindslieden niet dat het moeilijk te verdedigen zal zijn dat een belastingverzwaring voor tweeverdieners telkens maar wordt uitgesteld waarbij de verantwoordelijkheid wordt genomen voor f 150 min. minder inkomsten? Tegelijkertijd worden extra bezuinigingen op de kinderbijslag doorgevoerd, terwijl bekend is dat zeker in de wat grotere gezinnen met Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

kleine en opgroeiende kinderen in het overgrote deel van de gevallen slechts één inkomen wordt verdiend. De met de 0,5% korting beoogde bezuiniging van f 20 min. staat, naar het oordeel van dit lid, daarom wel in een heel schril contrast met de f150 min. als gevolg van het voortdurende uitstel van de belasting op tweeverdieners.

Onder het voorbehoud dat de Regering tijdig zal hebben geantwoord op de gemaakte opmerkingen en gestelde vragen, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsontwerp genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17940, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.