Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 7

1 Samenstelling: Leden: Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Beinema (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv. leden: Terpstra (VVD), Van der Louw (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Meijer (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Cornelissen (CDA), Evenhuis-van Essen (CDA), M. P. A. van Dam (PvdA), Salomons (PvdA), Van Dijk (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), WŲltgens (PvdA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

EINDVERSLAG Vastgesteld 4 mei 1983

Na kennisneming van de memorie van antwoord zijn in de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog verschillende opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Onder het voorbehoud dat de Regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsontwerp genoegzaam voorbereid.

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden, na kennis genomen te hebben van de memorie van antwoord, geen aanleiding gezien om van het oorspronkelijk door hen ingenomen standpunt af te wijken. Wel gaven de antwoorden van de Regering deze leden nog aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen en het stellen van enige vragen. Met verontrusting hadden zij geconstateerd dat de Regering de ingeslagen weg van het terugtrekken van rijksbijdragen ten behoeve van het terugdringen van het financieringstekort verder meent te moeten bewandelen. Deze weg is echter doorlopend, meenden zij. Wat zijn -vanuit de visie van de Regering -dan de stappen die daarna moeten worden gezet? Moet de redenering, dat de premie-ontwikkeling moet worden getoetst aan doelstellingen met betrekking tot de loonontwikkeling en het verloop van de loonkosten, in de toekomst zo worden opgevat dat de Regering het omslagstelsel voor de premievaststelling heeft verlaten? Of, anders gezegd, ziet de Regering de door werknemers en uitkeringsgerechtigden opgebrachte premies voor bepaalde verzekeringen nog wel als dekking voor de uitgaven van de sociale zekerheid ingevolge de betrokken verzekeringen? De leden van de P.v.d.A.-fractie wensten verder geÔnformeerd te worden over de vraag of de verhouding bij de premieheffing tussen werkgevers en werknemers, die nu ontstaan is door de premieverschuiving, als gevolg van deze operatie alsmede de doelstelling van de Regering om de werkgevers te vrijwaren van verdere premiestijging, structureel is. De memorie van antwoord gaf deze leden verder aanleiding nadere inlichtingen te vragen over de wijze en het tijdstip waarop de Regering voornemens is de discussie over de premieheffing en de premieverdeling te voeren. Mag worden aangenomen dat bij de discussie over de stelselherziening en in de betreffende adviesaanvrage aan de SER niet alleen de uitkeringsstructuur maar ook de financiering aan de orde zal komen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nr. 7

De leden van de C.D.A.-fractie konden in grote lijnen instemmen met de antwoorden, zoals gegeven in de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag. Zij wensten nu nog slechts een enkele nadere vraag te stellen. Deze leden vroegen zich af of de Regering op de hoogte is van de problemen, die zich voordoen bij het vaststellen van balans en resultatenrekening van de betrokken fondsen, als gevolg van het pas in een laat stadium wettelijk regelen van de vermindering van de rijksbijdragen. Onderschrijft de Regering de mening van de Sociale Verzekeringsbank dat dientengevolge de haar opgedragen taak van fondsbeheer wordt bemoeilijkt? De leden van de fractie van D'66 hadden terdege kennis genomen van de opvatting van de Regering, zoals weergegeven in de memorie van antwoord, dat uit het onderhavige wetsontwerp geen conclusies getrokken mochten worden voor de toekomstige financiering van de sociale zekerheid. Zij hadden eveneens de opmerking van de Regering over de toekomstige problemen met betrekking tot de financierbaarheid van de AOW als gevolg van de vergrijzingsproblematiek in hun overwegingen ten aanzien van het wetsontwerp betrokken. Het deed hun genoegen dat de Regering het oordeel van de leden van de fractie van D'66 had overgenomen dat deze problematiek reeds nu moet worden aangevat. Zij hadden dit reeds bepleit in de twee mondelinge overleggen die in 1982 hadden plaatsgevonden over de grondslagen van de sociale zekerheid. Met name hadden zij bepleit om reeds nu een begin te maken met de vorming van een kapitaalreservefonds, in de toekomst aan te wenden om de enorme op ons afkomende financieringslast van de AOW te drukken. Een verdubbeling van het aantal AOW-gerechtigden in de toekomst en een naar alle waarschijnlijkheid afnemend draagvlak voor de financiering van deze uitkeringen zou volgens deze leden leiden tot een welhaast ontbetaalbare premiehoogte. Zij achtten het daarom dringend gewenst om vanaf dit moment reeds op dit probleem te anticiperen. Zij achtten bovendien de omvang van dit probleem reeds voldoende bekend. Zij vroegen de Regering daarom naar haar oordeel over het voorstel van deze leden om van het, als gevolg van deze maatregel, bespaarde bedrag een deel aan te wenden om een reservefonds te vormen. De middelen die in dat reservefonds gestort worden zouden kunnen worden aangewend om rendabele industriŽle-en werkgelegenheidsprojecten, die nu niet worden uitgevoerd bij gebrek aan financiŽle middelen daarvoor, te doen uitvoeren. De opbrengsten uit die projecten zouden ten goede komen aan de kapitaalreserve AOW, waarmee deze zou worden versterkt, terwijl voorts de middelen in dat fonds -op deze wijze aangewend -een belangrijke stimulerende invloed op de economie kunnen uitoefenen. Deze leden dachten in dit verband bij voorbeeld aan projecten in de sector van de bouwnijverheid. Zij vroegen de Regering om dit voorstel in het kader van dit wetsontwerp in overweging te nemen. Van het antwoord zouden zij mede hun eindoordeel laten afhangen.

De leden van de fractie van de S.G.P. hadden, na te hebben kennisgenomen van de memorie van antwoord, nog slechts behoefte aan het stellen van enkele nadere vragen. Zij realiseerden zich namelijk dat inmiddels de Voorjaarsnota 1983 is verschenen en dat daaronder in par. 3.3 enkele uitspraken worden gedaan over nog in 1983 beschikbare extra rijksbijdragen AKW, AAW en WAO. Deze zullen worden teruggetrokken ten bedrage van f280 min. en dat zal leiden tot een premieverhoging voor AKW, AAW en WAO per 1 juli aanstaande, zo is het voornemen. Zij vroegen zich af hoe deze voornemens zich verhouden tot het voorliggende wetsontwerp. Bij Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nr. 7

beide wijzigingen zijn immers de AKW en AAW betrokken. Hoe verhoudt zich het genoemde bedrag tot de tabel welke op bladzijde 3 van de memorie van antwoord is weergegeven? Hoe zou deze er na effectuering van de beleidsvoornemens uitzien? Welk uiteindelijk mutatiebeeld zou ontstaan ter zake van de premies en de verdeling van de premies over werkgevers en werknemers? Voorts vroegen zij of van de zijde van het kabinet nog ingegaan kan worden op de brief van 27 april 1983 van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, waarin gewezen wordt op het in een laat stadium tot stand komen van wettelijke regelingen met betrekking tot de door het Rijk verschuldigde bijdragen Ťn op de verrekening van de rijksbijdragen 1982.

De leden van de R.P.F.-fractie waren de Staatssecretaris erkentelijk voor de beantwoording van de door hen in het voorlopig verslag gestelde vragen. Op twee vragen wensten zij nog terug te komen, omdat die naar hun mening onvoldoende in de beantwoording zijn betrokken. In de eerste plaats hadden deze leden vraagtekens gezet bij het abrupte karakter van de onderhavige ingreep. Zij zouden deze vraag nog wat nader willen concretiseren door in overweging te geven de beŽindiging van de rijksbijdragen aan de betreffende fondsen stapsgewijze te doen plaatsvinden. Welke gevolgen heeft de voorgestelde maatregel voor de fondsen in de komende vijf tot tien jaar? Moet dan aan drastische nieuwe verhogingen worden gedacht? Zij vernamen gaarne alsnog het oordeel van de Staatssecretaris. Bovendien zou het voor hun eigen oordeelsvorming van belang zijn enig demografisch inzicht te krijgen in de periode tussen 1985 en 2025. Wat zijn dan de mogelijkheden of onmogelijkheden voor een AOW-uitkering op bijstandsniveau? Wat heeft de Staatssecretaris bedoeld met het idee een fonds te vormen om de AOW betaalbaar te houden? Acht de Staatssecretaris het mogelijk en gewenst tot beŽindiging van de AOW-opbouw te komen door een verplichte pensioenregeling in te voeren waarin met name de burger zelf eigen verantwoordelijkheid draagt voor de oudedagvoorziening? In de tweede plaats hadden de hier aan het woord zijnde leden een antwoord gemist op hun vraag in hoeverre deze maatregel, gezien de ębudgettaire motiveringĽ, van tijdelijke aard zal zijn. Is de veronderstelling in dit verband gerechtvaardigd, dat bij een structureel aanvaardbaar financieel tekort de rijksbijdragen aan de sociale fondsen zullen terugkeren, nu de Staatssecretaris stelt dat aan de voorgestelde plannen geen gewijzigde principiŽle visie op de onderscheiden taken van overheid en burger hun grondslag krijgen?

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie. Van der Windt

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nr. 7

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.