Inhoudsopgave

Tekst

Zitting 1982-1983

17712

Nadere wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Kinderbijslagwet (beŽindiging met ingang van 1 januari 1983 van de bijdragen van het Rijk aan het Ouderdomsfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds, alsmede vaststelling van die bijdragen over enige voorgaande jaren)

NADER RAPPORT

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 23 november 1982, nr. 70, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het bovenvermelde ontwerp rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 8 december 1982, no. 2646/31/8249, moge ik U hierbij aanbieden.

De Raad merkt het volgende op. Het wetsontwerp strekt ertoe om te geraken tot het terugtrekken van rijksbijdragen aan de sociale fondsen. Na deze terugtrekking zullen nog slechts bijdragen van het Rijk in de financiering van de sociale verzekering overblijven van ruim 3,6 miljard gulden (Nota over de toestand van 's Rijks financiŽn, zitting 1982-1983, 17600. nr. 3, blz. 26). De Raad acht het nodig, dat in de toelichting wordt uiteengezet op grond van welke criteria is gekozen voor het geheel of gedeeltelijk terugtrekken van sommige rijksbijdragen en het handhaven (geheel of gedeeltelijk) van andere. In het verleden heeft de terugtrekking van rijksbijdragen zoveel mogelijk plaatsgevonden in die sociale fondsen waarin ook de ombuigingen neersloegen, dan wel waar vermogensoverschotten aanwezig waren. Voor 1983, evenals in voorgaande jaren, zijn de ombuigingen in de ziektekostensfeer binnen die sfeer afgerekend, nl. via de rijksbijdrage A.W.B.Z. Voor het

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 10 december 1982

overige zijn de effecten van de ombuigingen in het totaal van de sociale zekerheid naar het financieringstekort gesluisd via die sociale fondsen waar nog rijksbijdragen aanwezig waren, te weten in het Ouderdomsfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds. De rijksbijdragen die gegeven worden in verband met de premievrij-stellings-en reductieregelingen of met de vroeggehandicapten in de A.A.W. zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Dit is dan ook de reden, dat er samen met de resterende rijksbijdrage in de A.W.B.Z. nog ca. 3,6 miljard gulden aan rijksbijdrage in de sociale fondsen overblijft. In de memorie van toelichting is hierop in bovengenoem-de zin nader ingegaan. De Raad constateert vervolgens, dat de aanzienlijke vermindering van het totaal aan rijksbijdragen in de financiering van de sociale verzekering tot gevolg zal hebben, dat Nederland in de E.E.G. het land zal zijn met het hoogste percentage van financiering van de sociale verzekering door middel van premiebetalingen. Het komt het college wenselijk voor, dat in de toelichting wordt ingegaan op de vraag of de thans voorgestelde verdeling in de financiering tussen rijksbijdragen en premies als op zichzelf juist wordt gezien, dan wel of in de toekomst een andere verdeling meer raadzaam wordt geacht. De voorgestelde beŽindiging van de rijksbijdragen is niet ingegeven door de wenselijkheid in de verdeling tussen rijksbijdragen en premies wijziging aan te brengen, maar -zoals reeds uit de memorie van toelichting blijkt -door de noodzaak het financieringstekort van de overheid terug te dringen. Hoe deze verdeling er in de toekomst uit zal zien, zal mede afhangen van de uitkomsten van de discussie over de stelselherziening van de sociale zekerheid. In de memorie van toelichting is hiervan alsnog melding gemaakt. De voorgestelde vermindering van rijksbijdragen zal leiden tot forse verhogingen van een aantal sociale werknemerspremies met ingang van 1 januari 1983. Deze verhogingen oefenen een belangrijke invloed uit op de verdeling van de voorziene inkomensoffers naar inkomenscategorie voor het jaar 1983 (lopende van 4 tot 4,5% op het niveau van het minimumloon tot ca. 0 bij viermaal modaal). De Raad acht een bijstelling van deze verdeling wenselijk en dringt er bij het kabinet op aan mee te delen welke maatregelen in dit opzicht worden overwogen. Naar aanleiding hiervan merk ik het volgende op. Tijdens het debat over de Regeringsverklaring vormde de koopkrachtontwikkeling in 1983 ťťn van de hoofdpunten. Geconstateerd werd, dat het zgn. koopkrachtplaatje een onbevredi-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, B-C

gend beeld te zien geeft. Uw Raad heeft zich bij die zienswijze aangesloten. Het kabinet heeft toegezegd, dat ter zake gedane voorstellen en suggesties zouden worden meegenomen in het overleg met de sociale partners en daarna te komen tot besluitvorming over maatregelen ten aanzien van de koopkrachtontwikkeling in 1983. De uitkomsten van die besluitvorming zijn inmiddels bij brief van 9 december ji. aan de Voorzitter van de Tweede Kamer toegezonden (kamerstuk 17666 nr. 4). Samengevat zien voornoemde maatregelen er als volgt uit: -per 1 januari 1983 zal een nominale aanpassing plaatsvinden van het minimumloon en de sociale uitkeringen met 1%; -de bevriezing van de kinderbijslag voor 1983 voor het eerste en tweede kind gaat niet door; -de schijven en tarieven van de inkomsten-en loonbelasting worden zodanig bijgesteld, dat van 4 x modaal hierdoor een koopkrachtoffer van 1,5% wordt gevraagd; -voor de echte minima zal in 1983 een voorziening getroffen worden, waardoor een koopkrachtoffer ten gunste van deze groep optreedt van 3%. Evenals dit jaar zal de voorziening ook gelden voor de zelfstandigen.

wetten. Zoals uit de memorie van toelichting op dit wetsontwerp blijkt, is het huidige wettelijk instrumentarium -een structurele, geÔndexeerde rijksbijdrage -niet het geŽigende middel om flexibel in te kunnen spelen op veranderingen zoals aangegeven in de brief van 9 december 1982. Ik veroorloof mij U in overweging te geven, het hierbij gevoegde ontwerp van wet en de overeenkomstig het vorenstaande gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De effecten op de koopkrachtontwikkeling zijn de volgende:

Minimumloon

+ 1 (echte minima + 4) Minimumloon

+ 0,1 Modaal

0 2 x modaal

-0,3 3 x modaal

-0,8 4 x modaal

-1,4

Het kabinet meent, dat hierdoor een meer bevredigende lastenverdeling wordt bereikt.

Tenslotte merk ik nog op, dat in de brief van 9 december jl. genoemde aanpassing van de sociale uitkeringen en de verhoging van de kinderbijslag voor de eerste twee kinderen een uitgavenvergroting betekenen die met name ten laste komt van de sociale fondsen. Deze uitgavenvergroting zal via rijksbijdragen worden gefinancierd uit de opbrengsten van de belastingmaatregelen. De rijksbijdragen zullen worden verstrekt door wijziging van het begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en derhalve niet door middel van de wettelijke mogelijkheden in de sociale verzekerings-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, B-C

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.