Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

  • Algemeen

De toestand van de overheidsfinanciŽn en de Nederlandse economie is zo ernstig, dat ook voor 1983 ombuigingen onvermijdelijk zullen zijn. Vandaar dat in de Miljoenennota 1983 (zitting 1982-1983, 17600, nr. 1) een pakket van maatregelen is aangekondigd, dat beoogt de collectieve uitgaven terug te dringen. Dit pakket behelst onder andere een aantal generale maatregelen in het kader van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen, alsmede van de bovenminimale uitkeringen en de kinderbijslagbedragen. Daarnaast zijn enige specifieke maatregelen in voorbereiding. Met betrekking tot de A.O.W. zal worden voorgesteld bij overlijden van ťťn van de echtgenoten de doorbetaling van het A.O.W. -gehuwdenpensioen aan de laatstlevende echtgenoot met drie maanden te verminderen. In de kinderbijslagsfeer betreft het een verlaging van de kinderbijslag voor in het buitenland verblijvende kinderen, alsmede de aanscherping van de toekenningsvoorwaarden terzake van de kinderbijslag voor invalide, uitwonende kinderen. Naast de hiervoor bedoelde voorgenomen ombuigingen in de sociale zekerheid is besloten tot het terugtrekken van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen voor een bedrag van f6,4 mld. Deze terugtrekking levert een bijdrage aan het terugdringen van het financieringstekort. Van dit bedrag houdt f 0,4 mld. verband met de wet van 30 juni 1982 (Stb. 372) tot beperking van de stijging van onder meer de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten per 1 juli 1982 (f 0,3 mld. voor wat de Algemene Ouderdomswet betreft en f 0,1 mld. voor deAlgemeneArbeidsongeschiktheidswet);fO,85mld. betreft de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds, f4,15 mld. de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds en f 1 mld. de rijksbijdrage aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Met de terugtrekking van de rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds wordt de beŽindiging bewerkstelligd van de wettelijk geregelde overheidsdeelname in de financiering van de A.O.W. en A.K.W. Het onderhavige wetsontwerp dient daartoe. In het verleden heeft de terugtrekking van rijksbijdragen zoveel mogelijk plaatsgevonden in die sociale fondsen waarin ook de ombuigingen neersloegen, dan wel waar vermogensoverschotten aanwezig waren. Voor 1983, evenals in voorgaande jaren, zijn de ombuigingen in de ziektekostensfeer binnen die sfeer afgerekend, nl. via de rijksbijdrage A.W.B.Z. Voor het overige zijn Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

de effecten van de ombuigingen in het totaal van de sociale zekerheid naar het financieringstekort gesluisd via die sociale fondsen waar nog rijksbijdragen aanwezig waren, te weten in het Ouderdomsfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds. De rijksbijdragen die gegeven worden in verband met de premievrijstellings-en reductieregeling of met de vroeggehandicapten in de A.A.W. zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. Dit is dan ook de reden dat er samen met de resterende rijksbijdrage in de A.W.B.Z. nog ca. f3,6 mld. aan rijksbijdrage in de sociale fondsen overblijft. Met betrekking tot de korting op de rijksbijdrage aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten zal een afzonderlijk wetsontwerp worden ingediend door de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Door de terugtrekking van rijksbijdragen zal het gedeelte van de uitgaven dat door middel van premies moet worden gedekt, toenemen. Het gecombineerde effect op de premie van deze terugtrekkingen kan voor de A.O.W. worden geraamd op 0,45 procentpunt en voor de A.K.W. op ca. 2,2 procentpunt. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, staan tegenover deze lastenverzwaringen echter een aantal voorgenomen algemene en specifieke maatregelen met betrekking tot de A.O.W. en A.K.W., die de uit premies te financieren lasten zullen terugdringen. Per saldo is het structurele effect van enerzijds ombuigingen, anderzijds terugtrekking van rijksbijdragen en een aantal endogene factoren, dat de A.O.W.-en de A.K.W.-premie zullen moeten stijgen. Aangezien het echter de doelstelling van dit kabinet is -evenals dat voor het vorige kabinet het geval was -dat de lasten voor de werkgever in procenten van de loonsom niet mogen stijgen, ligt het in het voornemen voor de gestegen A.K.W.-premie compensatie aan te brengen in de werkgeverspremies voor de Werkloosheidswet (W.W.) en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (W.A.O.) door een groter deel ten laste van de werknemers. Overigens merk ik hierbij op, dat aan de beŽindiging van de rijksbijdragen geen argumenten kunnen worden ontleend over een wenselijke verdeling tussen rijksbijdragen en premies in de financiering van de sociale verzekering.

  • Vaststelling rijksbijdragen

Alvorens de rijksbijdragen met ingang van het jaar 1983 aan voornoemde fondsen kunnen worden teruggetrokken, dienen die rijksbijdragen over voorafgaande jaren nog te worden vastgesteld. Hierbij moet worden opgemerkt dat de afgelopen jaren regelmatig grotere en kleinere bedragen op de rijksbijdragen zijn gekort. In bijna alle gevallen hadden deze verminderingen ten doel het terugdringen van het financieringstekort. In een aantal gevallen stonden tegenover de terugtrekking ombuigingen of wegvallende lasten. In de overige gevallen werden de onttrekkingen aan de fondsen opgevangen door meevallers in baten en lasten, door verminderde liquiditeitsbehoefte of door premieverhoging. De vaststelling van de rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds over de jaren 1980, 1981 en 1982 is tot dusverre nog niet geŽffectueerd, omdat telkenmale maatregelen die effect hadden op de rijksbijdragen werden aangekondigd, nog voordat de voorgaande vaststelling administratieftechnisch kon worden afgerond. Overigens zijn de maatregelen, die met betrekking tot de rijksbijdragen in de afgelopen jaren zijn getroffen, reeds alle in verschillende vormen door het parlement aanvaard. De vaststelling van de rijksbijdragen betekent dan ook niet meer dan de formalisering van de noodzakelijke gevolgen van die maatregelen. In dit wetsontwerp gaat het om de vaststelling van de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds voor 1980, 1981 en 1982, een wijziging van de rijksbijdragen aan het Algemeen Kinderbijslagfonds voor 1980 en de vaststelling van de rijksbijdrage aan laatstgenoemd fonds voor 1981 en 1982.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

Vaststelling rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds 1980

Alvorens een omschrijving te geven van de maatregelen, die de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds hebben beÔnvloed, volgt hieronder een overzicht van de ontwikkeling van die rijksbijdrage.

  • A. 
    Te indexeren rijksbijdrage 1979

f 1067,1 min. B. Indexering

f 59,6 min.

Rijksbijdrage 1980

f 1126,7 min.

Af: C. eenmalig

f100 min. D. structureel

f 109 min. E. structureel

f 350 min.

f 559 min.

Uitbetaalde rijksbijdrage 1980

f 567,7 min.

Ad A. In het eerste lid van artikel 23 van de Algemene Ouderdomswet (A.O.W.) is bepaald, dat de middelen tot dekking van de uitgaven van het Ouderdomsfonds worden gevonden door het heffen van premies van verzekerden, alsmede door een bijdrage van het Rijk. Voor het kalenderjaar 1979 is deze bijdrage vastgesteld op f 967 min. Krachtens de wet van 29 december 1978 (Stb. 750) is voor het kalenderjaar 1979 de bijdrage van het Rijk verminderd met f 100 min. Deze vermindering was eenmalig en liet het normale aanpassingssysteem van de rijksbijdrage aan de loonontwikkeling onverlet. Voor de aanpassing van de rijksbijdrage voor het jaar 1980 dient dan ook te worden uitgegaan van een rijksbijdrage over 1979 van f 1067,1 min. (f 967 +f100 min.).

Ad B. Ingevolge het eerste lid van artikel 23a van de A.O.W. dient deze rijksbijdrage te worden aangepast aan de ontwikkeling van het algemeen loonniveau. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel 23a dient de rijksbijdrage telkens met ingang van 1 januari te worden verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmee het indexcijfer der lonen per 31 juli daaraan voorafgaande afwijkt van het indexcijfer der lonen, waarop de laatste herziening van de rijksbijdrage is gebaseerd. Voor het jaar 1980 moet de rijksbijdrage worden verhoogd met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 31 juli 1978 en dat per 31 juli 1979. Het indexcijfer der lonen bedroeg per 31 juli 1978 179 en per 31 juli 1979 189. Het procentuele verschil bedraagt derhalve voor de aanpassing van de rijksbijdrage voor 1980 5,59. Een verhoging van de rijksbijdrage met dit percentage leidt tot een bedrag van f 1126,6 min. Op het hierboven vermelde bedrag zijn echter de volgende wijzigingen aangebracht. Ad C. Bij de hiervoor genoemde wet van 29 december 1978 (Stb. 750) is ook voor het jaar 1980 besloten tot een tijdelijke vermindering van de rijksbijdrage met f100 min. Deze vermindering werd destijds verantwoord geacht op grond van de vermogensoverschotten, die waren ontstaan bij het Ouderdomsfonds als gevolg van gunstiger ontwikkelingen dan geraamd.

Ad D. In verband met de derde fase van de herstructurering van de kinderbijslag (wet van 20 december 1979, Stb. 709) is besloten om f 109 min. uit het Ouderdomsfonds terug te trekken. Tegenover deze terugtrekking stond een lastenverlichting voor de A.O.W. en A.W.W. van hetzelfde bedrag. Hierbij ging het om het wegvallen van kinderbijslagbedragen die toten met het jaar 1979 ten laste van het Ouderdomsfonds en het Weduwen-en Wezenfonds kwamen, maar die ten gevolge van bovenvermelde herstructurering met ingang van 1980 structureel ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds zijn gebracht.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

Ad E. Voorts is besloten om, ter mitigering van het financieringstekort, f350 min. uit het Ouderdomsfonds terug te trekken. Deze f 350 min. maakte deel uit van een vermindering van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen met een totaalbedrag van f750 min. (Ombuigingen 1980, zitting 1979-1980, 16193, nr. 1). De overige f400 min. hield een korting in op de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds van f 150 min. en een betalingsverschuiving van f250 min. naar 1981. De hiervoor vermelde terugtrekkingen waren mogelijk door enerzijds meevallende baten en lasten in de fondsen en anderzijds verminderde liquiditeitsbehoefte, mede door intensivering van de onderlinge liquiditeitssteun van de fondsen. Met inbegrip van de hiervoor genoemde verminderingen komt de bijdrage van het Rijk aan het Ouderdomsfonds voor 1980 uit op f567,7 min. Voorgesteld wordt dit bedrag als de rijksbijdrage voor 1980 vast te stellen en gelet op de hiervoor genoemde bijzondere verlagingen van die bijdrage de aanpassing aan de ontwikkeling van het algemene loonniveau achterwege te laten. Deze gedragslijn zal ook ten aanzien van de vaststelling voor de jaren 1981 en 1982 worden gevolgd.

Rijksbijdrage 1981

  • A. 
    Te indexeren rijksbijdrage 1980

f667,7 min. B. Indexering

f 34,2 min.

Rijksbijdrage 1980

f701,9 min.

Af: C. Structureel

f 210,3 min. D. Structureel

f150 min.

f360,3 min.

Uitbetaalde rijksbijdrage 1981

f341,6 min.

Ad A. Voor de aanpassing van de rijksbijdrage voor het jaar 1981 dient te worden uitgegaan van de over 1980 vastgestelde rijksbijdrage van f567,7 min., verhoogd met de ingevolge de wet van 29 december 1978 (Stb. 750) toegepaste tijdelijke vermindering van de rijksbijdrage over 1980 met f 100 min.

Ad B. Volgens de hiervoor geschetste aanpassingsmethodiek dient voor het jaar 1981 de rijksbijdrage te worden verhoogd met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 31 juli 1979 en dat per 31 juli 1980. Het indexcijfer der lonen bedroeg per 31 juli 1979 189 en per 31 juli 1980 198,7. Het procentuele verschil bedraagt derhalve voor de aanpassing van de rijksbijdrage voor 1981 5,13. Een verhoging van de rijksbijdrage met dit percentage leidt tot een bedrag van f701,9 min.

Ad C en D. In het kader van de Miljoenennota 1981 is besloten in totaal f360,3 min. uit het Ouderdomsfonds terug te trekken. Van dit bedrag heeft f210,3 min. (t.w. f200 min. vermeerderd met de indexverhoging van 1,0513) betrekking op een in de meerjarenramingen van de Miljoenennota 1980 opgenomen verlaging van de rijksbijdrage (Miljoenennota 1980, bijlage 3c, blz. 95/Miljoenennota 1981, blz. 62). Doel van de terugtrekking was te bereiken het financieringstekort zoveel mogelijk te laten profiteren van de voorgenomen ombuigingsmaatregelen. De resterende f 150 min. is teruggetrokken in het kader van de in de Miljoenennota 1981 voorgenomen ombuigingen en de doelstelling de effecten van deze ombuigingen eveneens ten goede te laten komen aan de rijksbegroting, teneinde het financieringstekort te kunnen beperken. De uitbetaalde rijksbijdrage voor 1981 bedraagt uiteindelijk f341,6 min.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

Rijksbijdrage 1982

  • A. 
    Te indexeren rijksbijdrage 1981

f 341,6 min.

Bij:

A.O.W.-ęplusĽ

f 1010,7 min. A.W.W.-ęplusĽ

f 172,1 min.

f 1524,4 min. B. Indexering

f 40,7 min.

Rijksbijdrage

f 1565,1 min.

Af: C. Structureel

f436,3 min. D. Structureel

f 170,3 min. E. Structureel

f225 min. F. Structureel

f290 min.

f 1121,6 min.

f 443,5 min. Bij: G. Structureel

f 340 min.

Uitbetaalde rijksbijdrage 1982

f 783,5 min.

Ad A. Tot en met het jaar 1981 zijn de kosten in verband met de bij de wet van 20 december 1979 (Stb. 711) tot stand gekomen koppeling op nettobasis van de A.O.W.-uitkeringen (en de daarvan afgeleide A.W.W.-uitkeringen) aan het minimumloon, aan het Ouderdomsfonds vergoed in de vorm van een extra rijksbijdrage. Voor het jaar 1981 zijn deze bij beschikking van 10 maart 1982, nr. 51.275 (Stcrt. 1982, 52) vastgesteld op onderscheidenlijk f 1010,7 min. en f 172,1 min. Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dat de extra premie-opbrengst in 1981 ten gevolge van de premieverhoging per 1 juli 1981 ad f425 min. en een bedrag van f30 min. in verband met restantproblematiek Miljoenennota 1980 daarbij reeds in mindering zijn gebracht op de extra rijksbijdrage inzake de A.O.W.-en A.W.W.-ęplusĽ. Bij de voorbereiding van de Miljoenennota 1982 is besloten, enerzijds om een eenvoudiger ramingsmethodiek voor de rijksbegroting te bewerkstelligen en anderzijds omdat het principe van een kostenvergoeding toch reeds geweld was aangedaan door de kortingen die zijn toegepast in 1981, om de extra rijksbijdragen inzake de A.O.W.-ęplusĽ en A.W.W.-ęplusĽ te integreren met de geÔndexeerde rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage, die in 1982 als grondslag dient voor de aanpassing aan de ontwikkeling van het algemeen loonniveau bedraagt derhalve f341,6 + f 1010,7 + f 172,1 = f 1524,4 min.

Ad B. Dit bedrag moet -zoals hiervoor reeds is aangegeven -worden verhoogd of verlaagd met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 31 juli 1980 en dat per 31 juli 1981. Het indexcijfer der lonen per 31 juli 1980 bedroeg 198,7 en per 31 juli 1981 204,0. Het procentuele verschil bedraagt derhalve 2,67. Een verhoging van de rijksbijdrage met dit percentage leidt tot een bedrag van f 1565,1 min. Op dit bedrag zijn echter nog om diverse redenen correcties toegepast.

Ad C. Per 1 juli 1981 is onder meer de A.O.W.-premie verhoogd met 0,5%. De hierdoor ontstane extra premie-opbrengst, die over 1981 f425 min. bedroeg (structureel f850 min.) is ten goede gebracht aan het financieringstekort. Dit werd, zoals hiervoor vermeld, bereikt door in 1981 f425 min. in mindering te brengen op de extra rijksbijdrage, die verstrekt werd in verband met de A.O.W.-ęplusĽ. De resterende f425 min. (t.w. structureel Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

effect ad f850 min. verminderd met voornoemde f425 min.) dient nog in 1982 op de rijksbijdrage in mindering gebracht te worden. Daartoe moet het bedrag van f425 min. (in guldens 1981) opgehoogd worden met de indexverhoging van 2,67%. Dit levert een terugtrekking op van een bedrag van f436,3 min.

Ad D. De premieverhogingen per 1 juli 1981 hadden door de nettonettokoppeling eveneens een doorwerkingseffect in de uitkeringslasten ingevolge de A.O.W. en A.W.W. In 1981 kwam het eerstejaarseffect automatisch tot uiting in de extra rijksbijdrage, omdat deze bijdrage, zoals hiervoor reeds vermeld, een vergoeding geeft voor de werkelijke kosten. Deze vergoeding is lager indien de werkelijke kosten, bijvoorbeeld door premiemutaties, lager uitvallen. Aangezien echter met ingang van 1982 de extra rijksbijdrage is opgenomen in de geÔndexeerde rijksbijdrage, is besloten om het verschil tussen het structurele effect en het eerstejaarseffect in 1982 in mindering te brengen op de geÔndexeerde rijksbijdrage A.O.W. Dientengevolge dient in 1982 f 170,3 min. op de rijksbijdrage in mindering gebracht te worden.

Ad E. In het kader van de Voorjaarsnota 1981 is besloten om ter compensatie van gaten in de begroting 1981 in het totaal in 1982 f225 min. van de rijksbijdrage A.O.W. naar de rijksbegroting over te brengen ter vermindering van het financieringstekort. Hiervan heeft f 178 min. betrekking op het per 1 juli 1981 niet doorgaan van de voorgenomen afbouw van de W.A.M.-toeslagen in de W.A.O. De resterende f47 min. is uit het Ouderdomsfonds teruggetrokken als invulling van het aandeel van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de generieke compensatieronde van de Voorjaarsnota '81.

Ad F. Per 1 juli 1982 is de indexverhoging van het minimumloon beperkt tot 2,46%. Tevens zijn de premiepercentages voor de W.W. en W.A.O. alsmede de franchise in de W.A.O. extra verhoogd. Het effect hiervan, via de nettonettokoppeling, voor de uitkeringslasten ingevolge A.O.W. en A.W.W. bedroeg f290 min. Besloten is deze f290 min. ter mitigering van het financieringstekort, ten gunste te brengen van de rijksbegroting. Dientengevolge is de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds verminderd met f 290 min.

Ad G. In 1982 is de bejaardenaftrek verlaagd. Dit leidde via de nettonettokoppeling tot extra uitkeringslasten ingevolge de A.O.W. en A.W.W. ter grootte van f340 min. Ter compensatie is besloten de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds structureel te verhogen met f 340 min. Voornoemde maatregelen leiden ten slotte tot een rijksbijdrage voor 1982 van f783,5 min.

1983 De rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds zou voor het jaar 1983 krachtens de aanpassing aan het algemene loonniveau f839,4 min. (t.w. f783,5 min. vermeerderd met 1,0714) hebben bedragen. Zoals reeds in paragraaf 1 is aangegeven, is in het kader van de Miljoenennota 1983 een terugtrekking van rijksbijdragen aangekondigd voor een bedrag van ca. f6,4 mld. Voor het Ouderdomsfonds betekent dit, dat de rijksbijdrage aan dit fonds beŽindigd wordt.

Wijziging rijksbijdrage Algemeen Kinderbijslagfonds 1980

De rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds voor 1980 is vastgesteld bij de wet van 20 december 1979 (Stb. 709) op f3820 min. In het kader van de Voorjaarsnota 1980 is echter besloten, ter beperking van het financieringstekort, om deze rijksbijdrage te verlagen met f 150 min. tot Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

f3 670 min. Daarnaast is in 1980 een betalingsverschuiving gerealiseerd van f250 min. (Ombuigingen 1980, 16193, nr. 1). Deze terugtrekking, evenals die in de A.O.W. in 1980, was mogelijk door enerzijds meevallers in zowel baten als lasten in de sociale fondsen in 1980 en 1981 van resp. f500 min. en f250 min. en anderzijds door een herijking van de financieringsnormen in de sociale fondsen en een intensivering van de onderlinge liquiditeitssteun van de sociale fondsen.

Vaststelling rijksbijdrage Algemeen Kinderbijslagfonds 1981

Ook voor wat betreft de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds volgt hieronder eerst een overzicht.

  • A. 
    Te indexeren rijksbijdrage 1980

f3670 min. B. Indexering

f 239,5 min.

Rijksbijdrage 1981

f3909,6 min.

Bij: C. Structureel

f150 min. D. Structureel

f 24,5 min.

Af: E. Structureel

f400 min.

f 225,5 min.

Uitbetaalde rijksbijdrage 1981

f3684,0 min.

Ad A en B. In artikel 23 van de Algemene Kinderbijslagwet is bepaald, dat de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds wordt verhoogd of verlaagd al naar gelang de ontwikkeling van het algemene prijsniveau. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel 23 dient de rijksbijdrage telkens met ingang van 1 januari te worden verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand juli afwijkt van het prijsindexcijfer waarop de laatste herziening is gebaseerd. Het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie bedroeg over de maand juli 1979 122,6 en over de maand juli 1980 130,6. Het procentuele verschil bedroeg derhalve 6,5. Een verhoging van de rijksbijdrage voor 1981 leidt tot een bedrag van f3905,5 min. De volgende maatregelen zijn evenwel getroffen, die het hiervoor genoemde bedrag hebben beÔnvloed.

Ad C. Een extra verhoging van de kinderbijslagbedragen voor het eerste en het tweede kind per 1 januari 1981 in verband met de koopkrachtontwikkeling in 1981 (wet van 26 maart 1981, Stb. 135) heeft geleid tot een extra rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds van f 150 min.

Ad D. Het invoeren van het recht op kinderbijslag voor werkloze schoolverlaters (wet van 17 december 1981, Stb. 734) heeft geleid tot een extra rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds van f150 min.

Ad E. In het kader van de Miljoenennota 1981 is besloten de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds te verlagen met f 400 min. (Miljoenennota 1981, blz. 62 en 63). Van dit bedrag heeft f 250 min. betrekking op het structureel ten gunste van het financieringstekort brengen van de betalingsverschuiving in 1980, welke slechts een eenmalig effect opleverde. (Ombuigingen 1980,16193, nr. 1). De resterende f 150 min. is teruggetrokken met het doel het effect van de voorgenomen ombuigingen uit de Miljoenennota 1981 ten goede te laten komen aan de rijksbegroting. In de kinderbijslagsfeer stonden hier ca. f 130 min. ombuigingen tegenover (verscherping onderwijscriterium, maximering onderhoudskosten en afschaffing recht op kinderbijslag voor partieel leerplichtigen).

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

Na voornoemde kortingen komt de rijksbijdrage in het jaar 1981 neer op een bedrag van f3 684 min. Voorgesteld wordt dit bedrag als rijksbijdrage vast te stellen met achterwegelating van de normale indexaanpassing. Eenzelfde voorstel wordt gedaan voor wat betreft de vaststelling in 1982.

Rijksbijdrage 1982

  • A. 
    Te indexeren rijksbijdrage 1981

f3684 min. B. Indexering

f 236,9 min.

Rijksbijdrage 1982

f3 920,9 min. Af: C. Eenmalig

f1120 min.

Uitbetaalde rijksbijdrage 1982

f2 800,9 min.

Ad A en B, De rijksbijdrage van f3 684 min. dient voor het jaar 1982 te worden aangepast aan de ontwikkeling van het algemeen prijsniveau tussen de maand juli 1980 en de maand juli 1981. Het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand juli 1980 bedroeg 130,6 en dat over de maand juli 1981 139,0. Het procentuele verschil bedraagt derhalve 6,43. De verhoging van de rijksbijdrage zou leiden tot een bedrag van f3920,9 min.

Ad C. Van dit bedrag zou f 1 120,6 min. uitbetaald worden in 1983. Om echter te bereiken dat het Rijk in 1983 in het geheel geen rijksbijdrage meer aan de A.K.W. behoeft af te dragen, dient de rijksbijdrage in 1982 verminderd te worden met f 1120,6 min. De vermindering gaat volledig ten koste van het bedrag, dat in 1983 uitbetaald zou worden zodat in 1982 (op kasbasis) geen effect optreedt. Door deze vermindering met f 1 120,6 min. zal de rijksbijdrage over 1982 f2 800,3 min. bedragen, 1983 De voor het jaar 1983 te indexeren rijksbijdrage zou f3920,9 min. f2800,9 + f 1 120 min.) hebben bedragen. Ingevolge de aanpassing aan de ontwikkeling van het algemeen prijsniveau zou de rijksbijdrage voor 1983 zijn vastgesteld op f 4149,5 min. Aangezien de rijksbijdrage aan het Algemeen Kinderbijslagfonds volledig wordt beŽindigd wordt laatstgenoemd bedrag aan het fonds onttrokken.

Artikelsgewijze toelichting

De artikelen I en //beogen de rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds respectievelijk aan het Algemeen Kinderbijslagfonds met ingang van 1 januari 1983 te beŽindigen. De artikelen IVen l/regelen de vaststelling van de rijksbijdragen voor enige voorafgaande jaren.

Artikel III heeft betrekking op de extra rijksbijdragen in verband met de A.O.W.-en A.W.W.-ęplusĽ. Deze bijdragen worden ingevolge dit wetsontwerp door de vaststelling van de normale rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds voor het jaar 1982 in laatstgenoemde rijksbijdrage opgenomen, zodatvaststelling vandeextra rijksbijdragen vanaf 1 januari 1982 achterwege kan blijven (de extra rijksbijdragen over de jaren 1980 en 1981 zijn reeds bij eerdere gelegenheid vastgesteld).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17712, nrs. 1-3

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.