Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

  • INLEIDING

In de kinderbijslagwetgeving zijn de afgelopen jaren ingrijpende wijzigingen aangebracht. Een groot aantal van die wijzigingen was gericht op het realiseren van ombuigingen. Ook het thans voorliggende wetsontwerp moet geplaatst worden in het kader van de noodzakelijke ombuigingen. Toch onderscheidt dit wetsontwerp zich van een aantal andere wetsontwerpen die een ombuiging beogen. De belangrijkste voorstellen in dit wetsontwerp zijn er nl. op gericht om ten volle inhoud te geven aan één van de meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag, t.w. dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. In die situaties, dat de kinderbijslag meer is dan een tegemoetkoming in de kosten, stel ik voor de kinderbijslag te verminderen dan wel de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag aan te scherpen. In de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad (SER) van 31 maart 1980 over de structuur van de kinderbijslag is de doelstelling van de kinderbijslag geformuleerd. Deze doelstelling is het aanbrengen van een correctie op de verdeling van de inkomens ten behoeve van gezinnen met kinderen, zodanig dat daardoorgelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden voor kinderen worden bevorderd. In par. II.2 van genoemde adviesaanvrage zijn de uitgangspunten die aan de uitwerking van deze doelstelling ten grondslag liggen, uiteengezet. In dit verband moge twee van die uitgangspunten worden genoemd, namelijk: -ingezetenen, die kinderen tot hun last hebben, hebben recht op kinderbijslag en -de hoogte van de kinderbijslag dient zodanig te zijn dat voor de ouders een eigen financiële verantwoordelijkheid blijft bestaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslagen is het uitermate belangrijk van welk kostenbegrip wordt uitgegaan. De huidige bedragen zijn gebaseerd op de feitelijke uitgaven voor kinderen. In de adviesaanvrage van 31 maart 1980 is voorgesteld in de toekomst de noodzakelijke kosten van levensonderhoud als basis te nemen. Voor welk kostenbegrip echter ook wordt gekozen, het uitgangspunt «eigen financiële verantwoordelijkheid voor de ouders» betekent dat kinderbijslag geen volledige vergoeding van kosten kan zijn, doch slechts een tegemoetkoming in die kosten.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Ten aanzien van kinderen die worden opgevoed in landen met een welvaartsniveau dat aanzienlijk lager is dan het Nederlandse, moet worden vastgesteld dat aan het uitgangspunt «eigen financiële verantwoordelijkheid voor de ouders» geen recht wordt gedaan. Wij menen dat waar ouders van in Nederland verblijvende kinderen de aan de opvoeding verbonden lasten voor een deel moeten bekostigen uit een ander inkomen dan kinderbijslag -zelfs op minimumniveau -dit in beginsel ook moet gelden voor ouders, wier kinderen niet in Nederland worden opgevoed. Een ander aspect is dat het verlenen van de op Nederlandse omstandigheden afgestemde kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen tot gevolg heeft, dat in die landen een ongelijke situatie ontstaat ten opzichte van andere daar woonachtige kinderen. Het vorenstaande brengt het kabinet tot de conclusie dat het -met inachtneming van het doel en de uitgangspunten van ons kinderbijslagstelsel -gerechtvaardigd is de kinderbijslag voor kinderen die wonen in landen met een lager welvaartsniveau dan het Nederlandse, op een lager peil te stellen dan de in Nederland geldende kinderbijslagbedragen. In de afgelopen maanden is uit vele reacties van diverse maatschappelijke groeperingen gebleken, dat verschillend gedacht wordt over een vermindering van kinderbijslag voor kinderen die in het buitenland wonen. Vaak zijn deze reacties negatief geweest. Kern van de kritiek is dat de maatregel zou leiden tot indirecte discriminatie. Voorts wordt nogal eens gewezen op de zwakke positie van buitenlandse werknemers hier te lande en op de vaak slechte sociaal-economische en financiële situatie in de landen waar de kinderen verblijven. Deze factoren zouden -zo wordt gesteld -van doorslaggevende betekenis dienen te zijn voor het handhaven van de huidige situatie, dat de kinderbijslag voor buiten Nederland wonende kinderen gelijk is aan die voor in Nederland wonende kinderen. Wij hebben zeer wel begrip voor deze opvattingen. Wij zijn ervan overtuigd, dat de stellingname is ingegeven door een diepe bewogenheid voor de positie van de buitenlandse werknemers in Nederland en voor hun gezinsleden die in het land van herkomst zijn achtergebleven. Ook acht de Regering het volstrekt legitiem dat een aantal van hen gekozen heeft voor een blijvende plaats in onze samenleving met de daaraan verbonden rechten en plichten. De Regering stelt zich dan ook op het standpunt dat voor degenen, die kiezen voor een verblijf in ons land, van in beginsel duurzame aard voorzieningen gewenst zijn om te verzekeren dat zij zich -zonder aantasting van hun eigen cultuur en van hun eigen identiteit -tot volwaardig lid van de Nederlandse samenleving zullen kunnen ontplooien. Het Regeringsbeleid is hierop dan ook gericht. Beschuldigingen, dat de thans aan de orde zijnde maatregel een discriminatoir karakter zou hebben, wijst de Regering als onjuist van de hand. Het Regeringsbeleid richt zich ten principale tegen iedere vorm van discriminatie. Dit houdt ook in dat daar waar de toepassing van een regeling tot feitelijke (positieve) discriminatie leidt, deze moet worden herzien. Dit nu is het geval met betrekking tot de huidige kinderbijslagwetgeving, die in haar uitwerking aan buitenlandse werknemers, wier kinderen in het woonland verblijven -in tegenstelling tot de in Nederland verblijvende gezinnen -een kinderbijslag toekent die veelal ver uitgaat boven de feitelijke onderhoudskosten van kinderen in dat land. Met betrekking tot de stelling, dat de maatregel leidt tot indirecte discriminatie merken wij het volgende op. Het wetsontwerp gaat ervan uit dat verzekerden, die in dezelfde situatie verkeren, gelijk worden behandeld ongeacht hun nationaliteit. Indirecte discriminatie zou dus, naar mag worden aangenomen, betekenen dat mensen die in een gelijke situatie verkeren kennelijk toch nog langs een omweg ongelijk worden behandeld. Echter, het valt niet te ontkennen dat er geen sprake is van een gelijke situatie indien we de positie beschouwen Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

van een in Nederland wonende verzekerde wiens kinderen hier eveneens wonen en een in Nederland wonende verzekerde wiens kinderen buiten Nederland wonen. De situatie van deze beide verzekerden verschilt. Op objectief te rechtvaardigen gronden worden zij op verschillende wijze behandeld. De uitkomst van die behandeling is voor beiden dus verschillend zonder dat er echter van discriminatie sprake is. Internationaal gaat men er in sociale verzekeringsverdragen vanuit dat door de gelijkstelling van nationaliteiten in die verdragen discriminatie is opgeheven. Over het voornemen om de kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen, te verminderen, is op 22 juli 1982 advies gevraagd aan de SER. De SER heeft zijn advies op 19 november 1982 uitgebracht. Dit advies is niet eensluidend. Een deel van de SER acht het gerechtvaardigd en in overeenstemming met de uitgangspunten van de huidige kinderbijslagwetgeving dat de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen op een lager bedrag wordt vastgesteld dan van in Nederland wonende kinderen. Als het meest geëigende middel om dit doel te realiseren, ziet dit deel van de Raad de invoering van het woonlandbeginsel bij de bepaling van de hoogte van de kinderbijslag. Dit deel van de SER is voorts van mening dat het op de weg van de Nederlandse overheid ligt om ten spoedigste het overleg te openen met de verschillende verdragslanden over een aanpassing van de bilaterale verdragen in bovengenoemde zin en voorts om het overleg in EG-verband over de toepassing van het woonlandbeginsel ten aanzien van de hoogte van de kinderbijslag af te ronden. Langs deze weg van overleg kan naar de mening van dit deel van de SER meer recht worden gedaan aan de per land verschillende en voor de hoogte van de kinderbijslag relevante factoren en omstandigheden dan langs de weg van een eenzijdig werkende wetswijziging die van toepassing is op alle kinderen die in het buitenland wonen ongeacht het welvaarts-en voorzieningspeil in dit land. Dit deel van de SER acht het vervolgens aanvaardbaar om, vooruitlopend op de uitkomsten van het bilaterale of multilaterale overleg en ter stimulering van dit overleg, de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen per 1 januari 1983 vast te stellen op 75% van de voor Nederland geldende kinderbijslagbedragen; een en ander uiteraard voor zover de van toepassing zijnde verordening en verdragen dit niet verhinderen. Een lid van de SER onderschrijft de benadering van bovenstaand deel van de SER. Het ontbreken van voldoende gegevens over de mate waarin de uitgaven voor kinderen in de verschillende landen afwijken van die voor in Nederland wonende kinderen, brengt dit lid tot de conclusie dat elke verlaging van de kinderbijslag voor kinderen in het buitenland per 1 januari 1983 voorbarig en in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid. Een ander deel van de SER is van oordeel dat de voorgestelde maatregel ten principale dient te worden afgewezen omdat deze niet in overeenstemming is met de doelstelling en de uitgangspunten van de in ons land geldende kinderbijslagwetgeving. Aan het advies van de SER van 10 november 1982 -dat als bijlage 11 hierbij is gevoegd -zal in de memorie uitvoerig aandacht worden besteed. Dit wetsontwerp bevat voorts het voorstel om het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen. Tevens wordt voorgesteld de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen, die niet tot het huishouden van de verzekerde behoren, aan te scherpen. Ook over deze twee voorstellen heeft de SER op 19 november 1982 advies uitgebracht. Verder heeft de SVR op 21 oktober 1982 over laatstgenoemd onderwerp geadviseerd. Dit advies is als bijlage 21 hierbij gevoegd. Wij stellen voor de hiervoor genoemde voorstellen met ingang van 1 januari 1983 door te voeren. Met betrekking tot de vermindering van 1 Ter inzage gelegd op de bibliotheek evenals kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen, is het kabinet van bijlage 3 (advies Emancipatieraad).

mening dat de voorstellen gefaseerd dienen te worden ingevoerd.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Het geheel van de voorgestelde maatregelen leidt tot een ombuiging van f70 min. in 1983. Structureel gezien resulteert een ombuiging van f180 min. Dit structurele niveau wordt in de voorstellen in 1986 bereikt.

  • BEPERKING VAN KINDERBIJSLAG VOOR IN HET BUITENLAND WONEN-DE KINDEREN

2.1 Uitgangspunten voor een nieuwe regeling In de kinderbijslagregelingen, zoals die tot dusverre hier te lande gelden of gegolden hebben, heeft de woonplaats van de kinderen nimmer een rol gespeeld. Steeds heeft de positie van de verzekerde centraal gestaan. Indien iemand verzekerd is in verband met het wonen dan wel het werken in Nederland heeft altijd recht op kinderbijslag bestaan voor alle te zijnen laste komende kinderen ongeacht hun woonplaats. Daarbij is uiteraard wel impliciet verondersteld, dat voor deze kinderen ook het Nederlandse niveau van uitgaven geldt. De SER heeft in zijn advies van 19 november 1982 in par. 3.2.1. een kenschets gegeven van de huidige situatie. Uitvoeriger dan hiervoor is geschied, is ingegaan op de huidige situatie dat het land waar het kind woont niet van invloed is op het verzekerd zijn, het recht op kinderbijslag en de hoogte van de kinderbijslag. Vanaf de zestiger jaren heeft door diverse oorzaken het Nederlandse bedrijfsleven een beroep moeten doen op buitenlandse werkkrachten. Daardoor is de situatie ontstaan dat recht op kinderbijslag -naar Nederlandse maatstaven -aanwezig is voor kinderen, voor wie een heel ander niveau van uitgaven bestaat dan waarop de Nederlandse kinderbijslagbedragen zijn gebaseerd. Het betreft hier met name in het land van herkomst achtergebleven kinderen van buitenlandse werknemers. Op deze onvoorziene situatie is in de kinderbijslagregelingen helaas niet tijdig ingespeeld. Zoals in de inleiding al is uiteengezet, is er alle reden om alsnog op dit punt corrigerend op te treden. De SER wijst er in zijn advies in par. 3.2.2. op dat buitenlandse werknemers destijds naar Nederland zijn gekomen op basis van informatie over de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden, de mogelijkheden van huisvesting en gezinshereniging en over de in Nederland geldende sociale wetgeving, waaronder de kinderbijslagwetgeving. In alle talen -aldus de SER -is kenbaar gemaakt welke aanspraken kunnen worden gedaan op sociale verzekeringen, zowel in het geval de buitenlandse werknemer zich met zijn gezin in Nederland zou vestigen, als in het geval hij zijn gezin in het land van herkomst achter zou laten. Het kabinet is van mening dat dit weliswaar zo moge zijn, doch wijst er wel op dat daarin geen grond kan worden gevonden om geen correcties aan te brengen in de aanspraken op uitkeringen ingevolge de sociale wetgeving. In zijn advies van 19 november 1982 heeft de SER in par. 3.2.6. een beschouwing gewijd aan de invulling van het begrip «eigen financiële verantwoordelijkheid van ouders». Wij zijn het eens met de aan het slot van die paragraaf vermelde conclusie dat de voorgestelde maatregel ten doel heeft te voorkomen dat er een onevenwichtige verhouding ontstaat tussen de additionele uitgaven voor kinderen en de kinderbijslag, waardoor de ontvangen kinderbijslag op zichzelf genomen leidt tot een welvaartstoeneming per gezinslid. In par. 3.2.7. gaat de SER vervolgens in op de vraag of er thans sprake is van een onevenwichtige verhouding tussen de additionele uitgaven voor kinderen en de ontvangen kinderbijslag en zo ja of de voorgestelde maatregel leidt tot herstel van bedoeld evenwicht. Bij de beantwoording van deze vraag zijn -aldus de SER -twee benaderingswijzen mogelijk. De eerste benaderingswijze houdt in dat wordt uitgegaan van de additionele uitgaven welke voor in Nederland wonende kinderen worden gedaan. Vervolgens wordt bezien welke lasten een dergelijk uitgavenpatroon met zich brengt in het land waar het kind woont. De tweede benaderingswijze Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

heeft als uitgangspunt het welvaartspeil in het land waar het kind woont en het daar voor de opvoeding en verzorging van kinderen gebruikelijke uitgavenpatroon. Het kabinet is van mening dat het niet juist is om te kiezen voor de eerste benaderingswijze omdat die niet in overeenstemming is te brengen met het uitgangspunt dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in kosten moet zijn en geen volledige vergoeding van kosten. Derhalve kan in die benaderingswijze de situatie ontstaan dat de ontvangen kinderbijslag op zichzelf genomen leidt tot een welvaartstoeneming per gezinslid, hetgeen naar onze mening juist niet de bedoeling mag zijn. Met betrekking tot de tweede benaderingswijze constateert de SER terecht dat het die benaderingswijze is die in de adviesaanvrage wordt gevolgd. De SER meent dat in die benaderingswijze er aan voorbijgegaan wordt dat het uitgavenpatroon van het betrokken gezin zich door het inkomen van de in het buitenland werkende vader altijd zal wijzigen ten opzichte van het in het betrokken land algemeen geldende patroon en dat een dergelijke wijziging ook de bedoeling is van het buiten het eigen land gaan werken van de vader. De SER stelt dan vervolgens dat het koppelen van de hoogte van de kinderbijslag aan het algemeen welvaartsniveau in de betrokken landen tot gevolg heeft dat onvoldoende wordt aangesloten bij het welvaartsniveau van de gezinnen van hier te lande werkzame buitenlandse werknemers. Naar aanleiding van deze opvattingen van de SER merken wij het volgende op. Niemand zal ontkennen dat het in zijn algemeenheid juist is, dat het uitgavenpatroon zich wijzigt indien een hoger inkomen wordt genoten. Dit zal dus ook gelden voor de buitenlandse werknemers die in Nederland zijn gaan werken omdat zij hier als regel een hoger inkomen verwerven dan in het land van herkomst. Toch zien wij niet, dat deze omstandigheden relevant zouden kunnen zijn voor de problematiek waar het hier om gaat. Het gewijzigde uitgavenpatroon brengt immers geen wijziging in de kosten van levensonderhoud van de kinderen, die elders wonen. In dit verband zou nog wel gedacht kunnen worden aan bijzondere uitgaven die buitenlande werknemers hebben, zoals kosten van een dubbele huishouding en extra reiskosten. Het gaat hier echter om uitgaven die ook gedaan moeten worden door buitenlandse werknemers die geen kinderen hebben, zodat een «compensatie» daarvoor via de kinderbijslag niet in de rede ligt. Aan het aan de huidige kinderbijslagregeling ten grondslag liggende uitgangspunt dat alle verzekerden, die kinderen tot hun last hebben, recht moeten hebben op kinderbijslag, wil het kabinet niet tornen. Dit vloeit immers uit de doelstelling van ons stelsel voort. In dit verband wijzen wij er overigens wel op dat Nederland een uitzonderingspositie in West-Europa inneemt. In alle andere landen van de EEG wordt voor het rechtop kinderbijslag in beginsel vereist, dat de kinderen ook in dat land woonachtig zijn. Ten aanzien van de bijvoorbeeld in de Bondsrepubliek Duitsland en in België geldende regelingen met betrekking tot de in het buitenland verblijvende kinderen merken wij het volgende op. Op grond van het Duitse stelsel bestaat in beginsel geen recht op kinderbijslag voor de in het buitenland verblijvende kinderen. Wel is de mogelijkheid opgenomen om voor in bepaalde landen verblijvende kinderen op basis van wederkerigheid volledige of gedeeltelijke kinderbijslag te verlenen. Hierbij moet worden gelet op de kosten van levensonderhoud in dat land en het aldaar geldende kinderbijslagstelsel. De Belgische wet zelf bevat in het algemeen geen voorzieningen voor de in het buitenland wonende kinderen. Wel heeft België met bepaalde landen bilaterale overeenkomsten gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het recht op en de hoogte van de Belgische kinderbijslag. In beide stelsels bestaat in beginsel dus geen recht op kinderbijslag voor de in het buitenland verblijvende kinderen. Zij wijken dan ook af van ons uitgangspunt, dat alle verzekerden in beginsel recht moeten hebben op kinderbijslag voor al hun kinderen, ongeacht waar deze verblijven.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Om recht te doen aan dit uitgangspunt, terwijl tevens een betere afstemming op het peil van levensonderhoud in het land van verblijf wordt gevonden, zijn twee alternatieven denkbaar. a. In beginsel blijft het recht op volledige kinderbijslag ook voor de buiten Nederland wonende kinderen in de AKW gehandhaafd. Wel wordt de mogelijkheid geopend om -gelet op de eigen financiële verantwoordelijkheid van de ouders -voor kinderen, die buiten Nederland wonen, de kinderbijslag op een lager bedrag vast te stellen. Daarbij zou een richtsnoer kunnen zijn het peil van de kosten van levensonderhoud of de hoogte van de kinderbijslag in het land waar het kind woont; of b. voor alle kinderen, die niet in Nederland wonen, wordt de kinderbijslag op een lager bedrag vastgesteld. Daarnaast wordt de mogelijkheid geopend om voor bepaalde landen de kinderbijslag op een hoger bedrag -tot uiteraard maximaal het Nederlandse niveau -vast te stellen. Ad a. Het onder a omschreven alternatief voldoet aan de eerder geformuleerde uitgangspunten. In beginsel blijft het recht op kinderbijslag bestaan, alleen het niveau wordt aan de lokale omstandigheden aangepast. Een goede toepassing van dit alternatief betekent echter wel, dat voor een groot aantal landen het peil van de kosten van levensonderhoud of de kinderbijslag aldaar, alsmede de mutaties daarin moeten worden bijgehouden. Zou dit niet gebeuren, dat zou voor kinderen in een «nietaangewezen» land de kinderbijslag tot het Nederlandse niveau moeten worden uitgekeerd. Momenteel zijn er werknemers uit enkele tientallen landen in Nederland werkzaam. Dit varieert van werknemers uit de EEG-landen en de landen, waarmee een wervingsovereenkomst bestaat, tot bijvoorbeeld Ethiopië en de Volksrepubliek China toe. Nog afgezien van de vraag wat onder kosten van levensonderhoud, met name in landen met een cultuurpatroon afwijkend van het onze, zou moeten worden verstaan, zal het duidelijk zijn dat een dergelijk systeem uitvoeringstechnisch tot enorme complicaties aanleiding zal geven. Ad b. Ook dit alternatief voldoet aan de omschreven uitgangspunten. Voor alle in het buitenland wonende kinderen wordt de kinderbijslag op een lager niveau vastgesteld. Uitvoeringstechnisch geeft dit geen problemen. Voor kinderen die verblijven in landen, met welke bij verdrag een afwijkende regeling is overeengekomen, zou dan de kindersbijslag eventueel op een hoger niveau dan het minimum kunnen worden gesteld. Hierdoor kunnen derhalve nuanceringen in verband met de verscheidenheid van niveaus van kosten van levensonderhoud worden aangebracht. Gezien de bezwaren, verbonden aan alternatief a, kies ik voor alternatief b. Voor wat betreft de afwijkingen van het minimumniveau stelt het kabinet zich voor, dat zulks op initiatief van een land op bilateraal niveau geregeld wordt. Met de regeringen van landen, waarmede Nederland een bilateraal sociaal verzekeringsverdrag heeft gesloten zal na aanvaarding van het wetsontwerp zo spoedig mogelijk in overleg worden getreden. Daarbij zullen de kosten van levensonderhoud in een bepaald land een rol moeten spelen, maar ook het niveau van de kinderbijslagen aldaar. Voorts lijkt het mij wenselijk dergelijke afwijkingen slechts op basis van wederkerigheid toe te staan. Met andere woorden: slechts hogere bijslag tot maximaal het Nederlandse niveau voor kinderen in een land meteen hoog welvaartsniveau mits de wetgeving van dat land een export van kinderbijslag naar Nederland mogelijk maakt. Bij een vermindering van kinderbijslag voor kinderen, die niet in Nederland wonen, zou de vraag kunnen opkomen, of dan ook de premie voor de kinderbijslag zou moeten worden gedifferentieerd. Het kabinet meent dat dit niet het geval dient te zijn omdat daarmee een, vanuit het karakter van de AKW bezien, ongewenste relatie zou worden gelegd tussen de hoogte van de -door de werkgever te betalen -premie en het bedrag van de te ontvangen kinderbijslag. In de volgende paragraaf wordt een dergelijk stelsel nader uitgewerkt. Alvorens hiertoe echter over te gaan wil ik gaarne even ingaan op het voorstel van dat deel van de SER, dat door invoering van het woonlandbe-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

ginsel met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de kinderbijslagen wil komen tot een vermindering van kinderbijslag. Het begrip woonland/werkland wordt gebruikt in situaties waarbij een ouder op grond van arbeid of verzekering in een bepaald land aanspraak op kinderbijslag heeft en diens kind woont of wordt opgevoed in een ander land, terwijl beide landen onderling zijn gebonden door een verdrag. In die situatie kan worden overeengekomen dat het woonland van het kind de betaling van de kinderbijslag naar lokaal niveau op zich neemt. In dit geval is er sprake van een regeling gebaseerd op het beginsel van het woonland. In concreto houdt deze regeling in dat het woonland volgens eigen normen de kinderbijslag berekent voor rekening van het werkland. Ook kan worden overeengekomen, dat het werkland volgens het aldaar geldende niveau voor de in het andere land wonende kinderen kinderbijslag betaalt. Daartoe wordt ook wel de fictie gehanteerd, dat de in het andere land wonende kinderen worden geacht in het werkland te wonen. Een dergelijke regeling heet dan te zijn gebaseerd op het beginsel van het werkland. Het beginsel van het woonland vindt ook toepassing met betrekking tot het geven van verstrekkingen in natura aan in het buitenland verblijvende verzekerden. Deze verstrekkingen kunnen niet op de wijze als voorzien in de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verleend worden aan verzekerden, die in het buitenland verblijven. Een en ander wordt als regel bij verdrag geregeld. In het algemeen wordt overeengekomen, dat de gezinsleden van de in Nederland verzekerde die in het andere land verblijven, de verstrekkingen genieten van de verzekering zoals die in het woonland van de gezinsleden is geregeld. Ook ten aanzien van de werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders wordt in de Verordening (EEG) 1408/71 het beginsel van het woonland gehanteerd. De grensarbeider die in Nederland werkt, dus hier verzekerd is en in België woont, krijgt in geval van volledige werkloosheid een werkloosheidsuitkering van de Belgische instanties volgens de door die instanties toegepaste wettelijke regelingen. Het kabinet is van mening dat in geval van een vergoeding voor uitgaven die voornamelijk door lokale omstandigheden worden bepaald het hanteren van het woonlandbeginsel het meest wenselijk is. Uit het voorgaande blijkt, dat het kabinet het in beginsel eens is met de opvatting van een deel van de SER, dat het woonlandbeginsel uitgangspunt dient te worden voor de vaststelling van de hoogte van de kinderbijslagbedragen. Dit mag er echter naar onze mening niet toe leiden, dat voor kinderen die wonen in landen waar geen kinderbijslagregeling bestaat, geen kinderbijslag wordt toegekend. Dit zou in strijd zijn met het uitgangspunt dat iedere verzekerde voor alle kinderen kinderbijslag moet ontvangen. Aanvaarding van dit uitgangspunt betekent dat te allen tijde in de AKW een minimumniveau van kinderbijslag moet worden vastgelegd. Praktische toepassing van het woonlandbeginsel is naar mijn mening alleen mogelijk voor zover het de landen van de Europese Gemeenschap betreft, alsmede de landen waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten op het terrein van de sociale zekerheid. Wellicht ten overvloede wijzen wij er wel op, dat in het door het kabinet gekozen alternatief ten volle de mogelijkheid aanwezig is om het woonlandbeginsel in algemene zin tot uitdrukking te laten komen. In dit alternatief bestaat immers de mogelijkheid om -op basis van wederkerigheid -de kinderbijslag op een hoger bedrag vast te stellen, waarbij onder meer de hoogte van de kinderbijslag in het desbetreffende land als indicator kan dienen.

2.2 Uitwerking van het voorstel De belangrijkste vraag, die bij de uitwerking van een stelsel van beperking van de export van kinderbijslag aan de orde komt, is de hoogte van het minimumniveau.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

De keuze van de hoogte van het minimumniveau kan niet anders dan arbitrair zijn. Niet alleen is er een grote verscheidenheid van landen, waar kinderen wonen voor wie recht op Nederlandse kinderbijslag bestaat, maar ook is het niet mogelijk exact de kosten van levensonderhoud in die landen vast te stellen. Daarvoor ontbreken gegevens, terwijl ook een sterk van ons land afwijkend cultuurpatroon vergelijking vaak moeilijk maakt. Wel is naar onze mening ten aanzien van de hoogte van het minimumniveau een aantal criteria aan te geven, waaraan dat minimumniveau kan worden getoetst. Wij denken hierbij aan gegevens met betrekking tot het bruto nationaal produkt en het gemiddeld arbeidsinkomen per werknemer, de door de ons omringende landen geëxporteerde kinderbijslag en het niveau van de kinderbijslagbedragen in de landen, waaruit de buitenlandse werknemers afkomstig zijn. Het bruto nationaal produkt en het gemiddelde arbeidsinkomen geven een indicatie van het welvaartsniveau van een land. Onderstaande tabel 1 geeft een overzicht van het bruto nationaal produkt en het gemiddeld arbeidsinkomen in Nederland en in een aantal landen, waarmee Nederland verdragen heeft gesloten op het terrein van de sociale zekerheid.

Tabel 1. Bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking en gemiddeld arbeids inkomen in Nederland en een aantal verdragslanden (cijfers 1979)

Landen

Bruto nationaal In procenten

Gemiddeld

In procenten produkt per

van het Nederarbeidsinko-

van het Nederhoofd van de

lands niveau

men per werklands niveau bevolking

nemer

Nederland

f 18600

-

f 39070

-Marokko

1212

6,5

3100

7,9 Turkije

2420

13,0

6850

17,5 Spanje

9560

51,4

19234

49,2 Portugal

3982

21,4

6466

16,5 Kaapverdië

266

1,4

:

1 Arbeidsloon inclusief werkgeverslasten. 2 Geen gegevens bekend.

Met betrekking tot de Duitse en Belgische regelingen wordt het volgende opgemerkt. Zoals eerder in deze memorie is geconstateerd voldoen de door Duitsland en België gehanteerde stelsels weliswaar niet aan onze uitgangspunten, maar dit neemt niet weg dat in de gevallen, waarin wel kinderbijslag wordt geëxporteerd het niveau daarvan voor ons stelsel aanvaardbaar vergelijkingsmateriaal oplevert. Het punt waarop de Belgische en Duitse regelingen niet aan onze uitgangspunten voldoen betreft vooral het feit, dat niet naar alle landen export mogelijk is en in bepaalde gevallen niet voor alle kinderen. Aangezien echter zowel het welvaartsniveau in België en Duitsland alsmede het stelsel van kinderbijslag aldaar vergelijkbaar zijn met de onze, is een onderlinge vergelijking van de te exporteren kinderbijslagbedragen alleszins te rechtvaardigen. In België varieert de kinderbijslag per 1 juli 1982 van f 106,92 per maand voor een eerste kind tot f238,71 per maand voor een vijfde en volgende kinderen. Daarnaast worden leeftijdstoeslagen verleend voor kinderen van zes jaar en ouder. Krachtens bilaterale overeenkomsten hebben bepaalde in België werkzame buitenlandse werknemers, wier kinderen in het land van herkomst worden opgevoed, recht op kinderbijslag krachtens de Belgische regeling. Het aantal kinderen voor wie recht bestaat is per gezin beperkt tot vier. Deze regeling geldt voor werknemers afkomstig uit Portugal, Griekenland, Joegoslavië, Spanje, Turkije, Marokko en Tunesië. Voor kinderen, verblijvende in andere dan deze landen, bestaat dus geen recht op Belgische kinderbijslag. Voor bijvoorbeeld in Marokko verblijvende kinderen varieert de kinderbijslag van f35,28 per maand voor een eerste Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

kind tot f44,10 per maand voor een vierde kind. Uitgedrukt in procenten van de Belgische kinderbijslag loopt de in Marokko uitbetaalde kinderbijslag terug van 33 voor een gezin met één kind tot 21 voor een gezin met vier kinderen en tot 9 voor een gezin met acht kinderen. Voor de in Turkije verblijvende kinderen beloopt de kinderbijslag f 17,62 per maand voor een eerste kind tot f 29,38 per maand voor een vierde kind. In procenten uitgedrukt loopt de kinderbijslag terug van 16 voor een gezin met één kind tot 12 voor een gezin met vier kinderen en tot 5,5 voor een gezin met acht kinderen. Opgemerkt wordt nog, dat deze percentages geflatteerd zijn, omdat voor in België wonende kinderen nog leeftijdstoeslagen gelden. In Duitsland varieert de kinderbijslag van f55,47 per maand voor een eerste kind tot f266,24 voor vierde en volgende kinderen. De Duitse regeling (Bundeskindergeldgesetz) bevat een bepaling, waarbij de Bondsregering wordt gemachtigd om aan personen, die in Duitsland werkzaam zijn volledige of gedeeltelijke kinderbijslag te verlenen voor hun niet in Duitsland woonachtige kinderen. Hierbij kan rekening worden gehouden met de gemiddelde kosten van levensonderhoud in hun woonland en met de in dat land geldende kinderbijslagbedragen. Een dergelijke regeling is -echter zonder de hiervoor aangegeven mogelijkheid tot differentiatie -getroffen voor kinderen die verblijven in Spanje, Joegoslavië, Portugal, Turkije en Griekenland. De kinderbijslag voor de in die landen verblijvende kinderen varieert van f 11,09 per maand voor een eerste kind tot f77,65 per maand voor vijfde en volgende kinderen. In procenten van de Duitse kinderbijslag loopt de in die landen uitbetaalde kinderbijslag op van 20 voor een gezin met één kind tot 25 voor een gezin met acht kinderen. Deze regeling voor de buiten Duitsland wonende kinderen geldt eerst van 1 januari 1975 af. Vóór die datum bestond voor buiten de Bondsrepubliek verblijvende kinderen, die woonachtig waren op het grondgebied van een land, waarmee Duitsland een verdrag inzake sociale zekerheid had gesloten, onverkort recht op kinderbijslag. Per 1 januari 1975 is in beginsel het recht op volledige kinderbijslag voor buiten Duitsland wonende kinderen afgeschaft. Daarvoor kwam voor bepaalde landen -zoals hiervoor uiteengezet -een aparte regeling met lagere bijslagen. Vermeldenswaard daarbij is, dat de bijslagbedragen van de in het buitenland verblijvende kinderen nadien niet meer zijn verhoogd. De voor in Duitsland wonende kinderen geldende bedragen zijn sinds genoemde datum ongeveer verdubbeld. Voor kinderen, die in andere dan de hiervoor genoemde landen verblijven, bestaat geen recht op Duitse kinderbijslag. Dit geldt dus ook bijvoorbeeld voor kinderen die in Marokko worden opgevoed. Wel is inmiddels een bilateraal verdrag inzake kinderbijslag met Marokko ondertekend. In dit verdrag, dat nog moet worden geratificeerd, is de bepaling neergelegd, dat voor in Marokko verblijvende kinderen van in Duitsland werkzame personen Duitse kinderbijslag tot ongeveer de hoogte van de in Marokko geldende kinderbijslag wordt uitgekeerd. Concreet komt de regeling hierop neer, dat voor een eerste kind f 11,- per maand en voor het tweede tot en met het zesde kind f 27,-per maand per kind zal worden uitgekeerd. Voor wat betreft de kinderbijslagstelsels van de landen, waaruit het overgrote deel van de hier te lande werkzame buitenlandse werknemers afkomstig is, merken wij op, dat Turkije geen wettelijk kinderbijslagstelsel kent. Wel voorzien de meeste collectieve arbeidsovereenkomsten in een kinderbijslagregeling voor de onder die overeenkomst vallende werknemers. Voor wat betreft de hoogte van de kinderbijslagbedragen die gelden in Marokko zij verwezen naar tabel 2. Het voorgaande brengt het kabinet tot het voorstel het minimumniveau van de kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland woonachtig zijn, te stellen op 25% van de voor Nederland geldende bedragen. Ik wil nogmaals benadrukken dat dit percentage arbitrair is. Een vergelijking met de kinderbijslagbedragen die op grond van de Belgische en Duitse wetgeving Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

worden verstrekt ten behoeve van kinderen die niet in die landen wonen maar in Marokko en Turkije, leert echter dat bij een percentage van 25 de bedragen in redelijke mate sporen met de desbetreffende bedragen op grond van de Duitse en Belgische wetgeving. Onderstaande tabel 2 laat deze vergelijking zien waarbij tevens de bedragen zijn vermeld die gelden in Marokko en Turkije.

Tabel 2. Vergelijking tussen 25% van de Nederlandse kinderbijslag en de kinderbijslag die wordt verleend in Duitsland en België t.b.v. kinderen die in Turkije en Marokko wonen (in guldens per maand, 1982)'

Gezin met:3

25% van de

Duitsland naar België naar

Stelsel van Nederlandse kinderbijslag" Turkije Marok-Turkije Marok-Turkije Marokko

ko

ko2

1 kind

24,25 12,17 11,-

11.-17,62

35,28 2 kinderen

63,58 51,50 39, -38,-35,24

70,56 3 kinderen

102,91 90,83 106.-

65,-64,62 114,66 4 kinderen

150,50 138,33173.-

92, -94,-

158,76 5 kinderen

198.-195,92 252,-119,- 94,-

158,76

1 Per 1 juli 1982. 2 Per 1 januari 1980. 3 Eerste kind ouder dan 3 jaar. 4 Eerste kind jonger dan 3 jaar.

Het minimumpercentage van 25 dient naar mijn mening in beginsel te gelden voor alle kinderen die niet in Nederland woonachtig zijn. Een uitzondering dient echter te worden gemaakt voor de groep gewoonlijk in Nederland woonachtige kinderen, die tijdelijk door studie of om gezondheidsredenen buiten Nederland verblijven. Vaak zal het hier gaan om opleidingen, die niet in Nederland worden gegeven of waarvoor bij de Nederlandse opleiding geen plaats meer is. Voorts kan gedacht worden aan medische behandelingen, die niet in Nederland kunnen worden ondergaan. Aangezien voor deze kinderen als regel niet kan worden gesteld, dat vanwege het verblijf in het buitenland de onderhoudskosten aanmerkelijk lager zullen zijn, is het kabinet van mening dat voor deze kinderen een uitzondering gewenst is. Voor hen zouden de algemeen geldende bedragen niet behoeven te worden verminderd. In dit verband willen wij nog opmerken, dat ook Duitsland en België voor deze gevallen uitzonderingen kennen. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat ten aanzien van een andere bijzondere categorie kinderen, namelijk de kinderen van de in het buitenland geplaatste personeelsleden van de buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de daarmee gelijkgestelde ambtenaren van andere ministeries, is bepaald dat deze worden geacht binnen het Rijk te wonen (artikel 3, lid 4, van de AKW). De woonplaatsfictie vloeit voort uit internationaal aanvaarde gedragslijnen ten aanzien van diplomatiek personeel.

2.3 Internationale regelingen inzake het recht op kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen Ten aanzien van het recht op kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen is Nederland gebonden aan bepaalde verplichtingen die zijn neergelegd in a de Verordening (EEG) 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; b de door Nederland met een aantal Staten gesloten bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid; c Arbeidsverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Ad a. Verordening (EEG) 1408/71 In deze verordening is geen uniforme, voor alle Lid-Staten geldende regeling voorzien inzake het recht op gezins-en kinderbijslagen voor werknemer zijn werkzaamheden verricht en dus verzekerd is (de bevoegde bevoegde Lid-Staat wonen. Enerzijds wordt voor werknemers die onderworpen zijn aan de kinderbijslagregelingen van alle Lid-Staten met uitzondering van Frankrijk het zgn. werklandprincipe gehanteerd. Dit betekent dat voor kinderen die in een andere Lid-Staat wonen dan de Staat waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht en dus verzekerd is (de bevoegde Staat), recht op kinderbijslag bestaat volgens de regeling van deze bevoegde Staat alsof die kinderen daar wonen. Anderzijds geldt voor werknemers die in Frankrijk werken en op wie dus de Franse regeling inzake gezinsbijslagen van toepassing is, dat hun in een andere Lid-Staat wonende kinderen aanspraak hebben op kinderbijslag volgens de regeling van de Staat waar de kinderen wonen (het zgn. woonlandprincipe). Voor Griekse werknemers tenslotte geldt tot 31 december 1983 een overgangsregeling. Indien zij werkzaam zijn in een andere Lid-Staat dan Griekenland en kinderen heben die in Griekenland verblijven, hebben zij aanspraak op de Griekse kinderbijslagen. Voor Lid-Staten die het werklandprincipe toepassen is in de verordening het wonen van de kinderen in een andere dan de bevoegde Staat dus gelijkgesteld met het wonen in de bevoegde Staat. Volgens de huidige bepalingen van de verordening zal een beperking van de kinderbijslagexport naar andere Lid-Staten niet kunnen gelden voor werknemers op wie genoemde EEG-verordening van toepassing is. Ook voor werklozen, die een werkloosheidsuitkering genieten en voor pensioen-en rentetrekkers (d.w.z. degenen die een langlopende uitkering ter zake van invaliditeit, ouderdom of overlijden genieten) geeft de verordening een regeling inzake de gelijkstelling van de woonplaats van de kinderen. Pogingen de dualistische regeling van de verordening op te heffen en tot een uniforme regeling voor alle Lid-Staten te komen zijn tot nu toe zonder resultaat gebleven. Het streven van de Nederlandse Regering is erop gericht om uiteindelijk te komen tot een regeling die uitgaat van het woonlandbeginsel. Wanneer dit streven gerealiseerd zal zijn zullen binnen de Europese Gemeenschap in beginsel de kosten van het land, waar de kinderen verblijven, bepalend zijn voor de hoogte van de kinderbijslag. Wij wijzen er in dit verband nog op dat in het verleden een groot aantal landen van de Europese Gemeenschap zich een voorstander heeft getoond van het introduceren van het woonlandbeginsel voor de kinderbijslag. Op dit moment zijn alleen Ierland en Italië en de Commissie van de Europese Gemeenschap voorstander van handhaving van de huidige situatie.

Ad b. Bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid De verdragen die in dit verband van belang zijn, zijn die met Joegoslavië, Marokko, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Tunesië, Turkije en Zwitserland. De verdragen met Oostenrijk en Zwitserland kennen ten aanzien van de rechtgevende kinderen dezelfde gelijkstelling van woonplaats als hierboven onder a genoemd. In alle andere verdragen wordt bepaald dat voor kinderen die in het land van herkomst van de in Nederland werkende werknemer zijn achtergebleven de krachtens de Nederlandse regeling verschuldigde kinderbijslag moet worden verleend. De conclusie kan dus zijn dat voor kinderen in Oostenrijk en Zwitserland geen beperking van de ingevolge de AKW verschuldigde, ongekorte kinderbijslagbedragen is toegestaan, terwijl dit voor kinderen die in de andere verdragslanden wonen, wel mogelijk is. In aansluiting op het streven om ook in EG-verband te komen tot het woonlandbeginsel is het kabinet voornemens aan de regeringen van Zwitserland en Oostenrijk voor te stellen de verdragen in die zin te wijzigen dat ook hier het woonlandbeginsel tot uitdrukking komt.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat de bepalingen over kinderbijslag uit het Verdrag met Oostenrijk van toepassing zijn op alle personen die aan de regeling van een van beide landen onderworpen zijn. Het Verdrag met Zwitserland heeft betrekking op personen die beroepsarbeid in een van beide landen verrichten.

Ad c. Verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie Alleen Verdrag nr. 118 betreffende de gelijke behandeling van onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid verdient hier vermeld te worden. Dit Verdrag, dat zich uitstrekt over een negental takken van sociale zekerheid, is door Nederland in zijn geheel geratificeerd. Artikel 6 bepaalt, dat elk Lid dat de verplichtingen van dit Verdrag voor de gezinsuitkeringen heeft aanvaard, zowel aan zijn eigen onderdanen als aan de onderdanen van ieder ander Lid dat de verplichtingen van dit Verdrag voor dezelfde tak van sociale zekerheid heeft aanvaard, het genot van gezinsuitkeringen moet waarborgen met betrekking tot kinderen die op het grondgebied van een van deze Leden wonen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door de betrokken Leden in gemeenschappelijk overleg vast te stellen. Deze bepaling laat het reduceren van kinderbijslag, die naar het buitenland wordt betaald, toe. Wel zal te zijner tijd nader bilateraal overleg met bepaalde Staten, die dezelfde verplichting hebben aanvaard, moeten worden gevoerd omdat immers in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden waaronder en de grenzen waarbinnen de gezinsbijslagen worden gegeven nader moeten worden bepaald. Daarbij komt ook de wijze van de betaling van de kinderbijslag aan de orde. De SER heeft in zijn advies van 19 november 1982 aandacht besteed aan de internationale aspecten. Een deel van de SER meent dat het op de weg van de Nederlandse overheid ligt om ten spoedigste het overleg te openen met de verschillende verdragslanden over een aanpassing van de bilaterale verdragen aan de in het woonland van het kind geldende kindervoorzieningen en voorts om het overleg in EG-verband over de toepassing van het woonlandbeginsel ten aanzien van de hoogte van de kinderbijslag af te ronden. Langs deze weg van overleg kan naar de mening van dit deel van de SER meer recht worden gedaan aan de per land verschillende en voor de hoogte van de kinderbijslag relevante factoren en omstandigheden dan langs de weg van een eenzijdig werkende wetswijziging die van toepassing is op alle kinderen die in het buitenland wonen ongeacht het welvaarts-en voorzieningenpeil in dit land. Dit standpunt wordt voorts onderschreven door een lid buiten dit deel van de SER. In dit verband moge het volgende worden opgemerkt. Over de pogingen die in EG-verband worden ondernomen om tot het woonlandbeginsel te geraken, is reeds eerder in deze memorie het nodige vermeld. Met betrekking tot de landen, waarmee een bilateraal verdrag is gesloten, moge worden opgemerkt, dat het voorstel zoals dat in het SER-advies is vermeld, mij weinig realistisch voorkomt. Nog afgezien van het feit, dat wij een afstemming op het lokale kinderbijslagniveau ten principale afwijzen, omdat dit tot gevolg heeft dat in landen waar geen kinderbijslagsysteem geldt, er geen Nederlandse kinderbijslag zou behoeven te worden uitbetaald, leidt deze opstelling tot een onmogelijke onderhandelingspositie. Wanneer namelijk met de onderhandelingspartners geen overeenstemming wordt bereikt, blijft de kinderbijslag op het Nederlandse niveau gelden (in de optiek van dit deel van de SER 75%). Het moge duidelijk zijn, dat de bereidheid van de verdragspartners om op een lager niveau uit te komen volstrekt afwezig zal zijn, als een stok achter de deur ontbreekt. De onderhandelingspositie wordt volstrekt anders wanneer in de nationale wetgeving de afbouw naar 25% reeds is vastgesteld. Alsdan zal de bereidheid van de andere partner, om op basis van reële uitgangspunten tot een hoger percentage te geraken, duidelijk aanwezig zijn. Het kabinet is dan ook van Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

mening dat het door dit deel van de SER beoogde resultaat slechts bereikt kan worden door in de nationale wetgeving de afbouw tot 25% reeds neer te leggen. Internationale onderhandelingen laten dan open dat op grond van reële gegevens een ander percentage wordt overeengekomen. Voorts wordt in paragraaf 3.2.5. ingegaan op het onderscheid naar nationaliteit. Naar aanleiding daarvan merken wij het volgende op. In de nationale wetgeving, alsmede in de door Nederland gesloten verdragen, wordt uitgegaan van het beginsel van gelijkheid van behandeling. Dat wil zeggen, dat aan verzekerden, die in een gelijke situatie verkeren, ongeacht hun nationaliteit, op gelijke wijze en volgens dezelfde criteria het recht op kinderbijslag wordt toegekend. Aan deze internationale rechtsregel, die beoogt een van de voornaamste algemene doeleinden van de bi-en multilaterale verdragen op het gebied van de sociale zekerheid te bereiken, wordt ook in dit voorstel recht gedaan. Dat er dan desondanks met betrekking tot de hoogte van de kinderbijslag verschillen tussen landen waarmede Nederland door een verdrag verbonden is, zouden kunnen ontstaan vindt dan niet zijn oorsprong in een niet-gelijke behandeling van verzekerden ten aanzien van het recht op uitkering, maar in de verschillen in, door objectief gerechtvaardigde factoren vast te stellen, noodzakelijke kosten van levensonderhoud en de daaraan gerelateerde eigen financiële verantwoordelijkheid van de ouders in de verschillende landen.

2.4. Overgangsregeling en inkomenseffecten Het kabinet is er zich van bewust, dat een verlaging van de kinderbijslag voor de in het buitenland wonende kinderen een forse inkomensachteruitgang voor de desbetreffende gezinnen teweeg zal brengen. In verband hiermee achten wij een overgangsregeling dan ook gewenst. De gedachten gaan hierbij uit naar een regeling, waarbij in een periode van vier jaar de kinderbijslag voor de hierbedoelde kinderen fasegewijs tot 25% wordt afgebouwd. Het kabinet stelt zich hierbij voor de kinderbijslag voor deze kinderen in 1983 tot 80% te verlagen en in de daarop volgende jaren achtereenvolgens tot 60, 40 en 25%. Uiteraard dient deze fasegewijze afbouw alleen te gelden voor die kinderen, voor wie voor het vierde kwartaal 1982 -dus onmiddellijk voorafgaande aan de datum van invoering van de nieuwe regeling -reeds recht op kinderbijslag bestaat. Voor de z.g. nieuwe gevallen kan de nieuwe regeling onmiddellijk worden toegepast. Onderstaande tabel 3 laat de vermindering van kinderbijslag zien in de jaren 1983 tot en met 1986.

Tabel 3. Kinderbijslagbedragen per maand in 1983 tot en met 1986 «oor in het buiteiv land wonende kinderen bij de voorgestelde overgangsregeling (cijfers 1983)

Gezin met

1983

1984

1985

1986

1 kind

77,60

58,20

38,80

24,25 2 kinderen

203,46

152,60

101,73

63,58 3 kinderen

329,33

247, -

164,66

102,91 4 kinderen

481,60

361,20

240,80

150,50 5 kinderen

633,60

475,20

316,80

198, -6 kinderen

801,33

601,-

400.66

250,42 7 kinderen

969,33

727,-

484,66

302,91 8 kinderen

1154,13

865.60

577,06

360,66

In tabel 3 is nog geen rekening gehouden met de voorgenomen invoering van leeftijdsafhankelijkheid van de kinderbijslag met ingang van 1 januari 1983. In tabel 4 zijn de inkomenseffecten opgenomen voor het eerste jaar van de overgangsregeling, i.c. 1983. Ook hier is geen rekening gehouden met de voorgenomen leeftijdsafhankelijkheid.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Tabel 4. Inkomenseffecten in procenten van het besteedbaar inkomen van de voorgestelde maatregel in 1983 (cijfers 1983)

Gezin met

Minimumloon Modaal

2 x modaal

4 x modaal

1 kind

-1.2

-0,9

-0,5

-0,3 2 kinderen

-2,8

-2,3

  • 1,3

-0,8 3 kinderen

-4,2

-3,4

-2,0

-1,2 4 kinderen

-5,6

-4,7

-2,8

-1,7 5 kinderen

-6,8

-5,7

-3,5

-2,2 6 kinderen

-7,9

-6,7

-4,3

-2,7 7 kinderen

-8,8

-7,6

  • 4,9

-3,2 8 kinderen

-9,7

-8,4

  • 5,6

-3,7

De SER is blijkens het advies van 19 november 1982 verdeeld over het al dan niet aanvaardbaar zijn van inkomensmutaties in 1983 in de orde van grootte die hiervoor is vermeld. Een deel van de SER is van oordeel dat het aanvaardbaar is om de kinderbijslag met ingang van 1 januari 1983 tot 75% te verlagen. Over een verdere verlaging na 1983 doet dit deel van de SER geen uitspraak. Een eventuele verdere verlaging is in die visie afhankelijk van de uitkomsten van het te voeren bilaterale of multilaterale overleg. Een ander deel van de SER is van oordeel dat de inkomenseffecten geheel onaanvaardbaar zijn. De inkomenseffecten -aldus dit andere deel -zijn in strijd met hun zienswijze dat de verdeling van de inkomensoffers, nodig voor herstel van de werkgelegenheid en voor verbetering van economische vooruitzichten, op evenwichtige wijze en naar draagkracht dient te geschieden. Dit andere deel van de SER meent dat een bepaalde inkomensgroep, waartoe in het algemeen mensen met een gebrekkige scholing en een laag inkomen behoren, onevenredig zwaar wordt getroffen. Te verwachten is -zo wordt geconcludeerd -dat de voorgestelde maatregel ertoe leidt dat het uitgavenpatroon van de betrokken gezinnen ingrijpend moet worden herzien en dat de levensomstandigheden in de ontplooiingsmogelijkheden van de kinderen in ongunstige zin worden beïnvloed. Naar aanleiding van deze opmerkingen van dit andere deel van de SER, merken wij het volgende op. Uit de tabellen 3 en 4 blijkt, dat de achteruitgang in inkomen ondanks de overgangsregeling aanzienlijk is. Hierbij moet echter niet uit het oog worden verloren, dat in de defintieve regeling de koopkrachtpositie van degenen wier kinderen in het buitenland wonen in het algemeen overeen zal komen met die van werknemers met een gelijk loonniveau, wier kinderen hier te lande woonachtig zijn. De eigen bijdrage van de buitenlandse werknemer voor zijn buiten Nederland verblijvende kinderen zal dan immers nagenoeg gelijk zijn aan de eigen bijdrage van een werknemer, wiens kinderen hier te lande wonen. Door de overcompensatie die thans door middel van de kinderbijslag wordt gegeven voor kinderen, die buiten Nederland woonachtig zijn, bevinden de hierbedoelde buitenlandse werknemers zich momenteel qua bestedingsmogelijkheden bepaald niet in een slechtere positie dan vergelijkbare andere werknemers. Dit is ook de reden, dat de voorgestelde regeling na de overgangsperiode voor alle in het buitenland wonende kinderen moet gelden en niet alleen voor de zgn. nieuwe gevallen. De voorgestelde vermindering leidt er naar mijn mening dan ook niet toe dat het uitgavenpatroon van de betrokken gezinnen op onverantwoorde wijze ingrijpend wordt gewijzigd. Evenmin zijn wij van mening dat de ontplooiingsmogelijkheden van de kinderen in ongunstige zin zouden worden beïnvloed. Dat er een wijziging in het uitgavenpatroon zal plaatsvinden, lijkt ons onontkoombaar. Die wijziging mag naar de mening van het kabinet ook gevraagd worden, zeker indien de vergelijking gemaakt wordt met gezinnen wier kinderen in Nederland wonen en die de kosten van onderhoud en opvoeding voor een deel uit ander inkomen dan kinderbijslag moeten bestrijden.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

2.5. Bijstelling onderhoudscriteria Om voor kinderbijslag in aanmerking te kunnen komen wordt in bepaalde gevallen -met name voor studerende en invalide kinderen van 16 jaar en ouder -vereist, dat het kind in belangrijke mate door de aanvrager wordt onderhouden. Voor kinderen van 16 jaar en ouder is deze eis gewaardeerd op f 54,-per week. Wanneer de kinderbijslag voor buiten Nederland verblijvende kinderen wordt verlaagd, dan ligt het naar onze mening in de rede deze onderhoudsnorm naar evenredigheid bij te stellen. Uitgaande van een percentage van 25 zou dan de eis «in belangrijke mate» moeten worden gewaardeerd op f 13,50 per week voor kinderen van 16 jaar en ouder. Om te voorkomen, dat de voor het recht op tweevoudige, dan wel drievoudige kinderbijslag geldende eis van «grotendeels» dan wel «geheel of nagenoeg geheel» in de praktijk lichter zou kunnen zijn dan de eis «in belangrijke mate» komt het gewenst voor in de AKW een bepaling op te nemen dat om aan de eis «grotendeels» dan wel «geheel of nagenoeg geheel» te kunnen voldoen, tenminste aan de eis «in belangrijke mate» moet zijn voldaan.

De SER heeft in zijn advies van 19 november 1982 een hoofdstuk gewijd aan de onderhoudscriteria in het algemeen. De SER is hiertoe gekomen omdat verschillende beleidsvoornemens bestaan met betrekking tot de onderhoudscriteria voor het recht op kinderbijslag, waaronder die voor invalide, uitwonende kinderen. In hoofdstuk 4 van deze memorie vindt een bespreking plaats van het voornemen ten aanzien van de aanscherping van voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor invalide, uitwonende kinderen. In dat hoofstuk wordt ingegaan op hetgeen de SER heeft geadviseerd m.b.t. de onderhoudscriteria.

2.6. Gezinshereniging

De mogelijkheid bestaat voor hier te lande werkzame buitenlandse werknemers, die hun vrouw en kinderen in het land van herkomst hebben achtergelaten, deze gezinsleden naar Nederland te laten overkomen. Onder bepaalde voorwaarden worden deze gezinsleden toegelaten, de zgn. gezinshereniging. Als voorwaarden voor toelating gelden: -de betrokkene dient een aaneengesloten periode van 12 maanden in Nederland te hebben gewerkt en gedurende die periode op legale wijze in ons land te hebben verbleven; -de betrokkene dient te beschikken over een feitelijk aanbod van werk, waarmee in het onderhoud van het gezin kan worden voorzien voor nog tenminste één jaar; en -door de bevoegde autoriteit dient ten behoeve van het gezin een vergunning tot het in gebruik nemen van woonruimte te zijn verleend. Wat het effect van de voorgestelde regeling zal zijn op het aantal gezinsherenigingen is niet exact te voorspellen. Enerzijds zullen hier personen verblijven met het vooropgezette doel om hier slechts een beperkt aantal jaren te verblijven om daarna weer naar het land van herkomst terug te keren. Deze personen zullen als regel voor de beperkte duur van hun verblijf in ons land hun gezin niet laten overkomen. Naar mijn mening zal de voorgestelde maatregel hierin geen verandering brengen. Immers het laten overkomen van een gezin alsmede het daarna geldende Nederlandse uitgavenpeil zullen door de hogere Nederlandse kinderbijslag niet of nauwelijks worden gecompenseerd. Aan de andere kant zullen hier te lande personen verblijven, die het voornemen hebben hun verdere toekomst in Nederland op te bouwen. Deze personen zullen te zijner tijd hun gezin laten overkomen. Het is niet ondenkbaar dat door de voorgestelde maatregel voor deze categorie de gezinshereniging zal worden versneld.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Wel merken wij hierbij op, dat dit effect wellicht enigszins zal worden gemitigeerd door de onder paragraaf 2.4 voorgestelde overgangsregeling. Gezien het voorgaande is het kabinet van mening, dat de effecten van de voorgestelde maatregel op de gezinshereniging niet geheel te peilen zijn. Verwacht mag echter worden, dat deze effecten niet van grote omvang zullen zijn. De SER heeft in het midden gelaten of van de voorgestelde maatregel mogelijk een zelfstandige invloed uitgaat op het proces van gezinshereniging.

2.7. Omvang van de ombuiging

In de SER-adviesaanvrage van 22 juli 1982 werd in paragraaf 9 opgemerkt dat geen exacte gegevens bekend zijn over de kinderbijslag die wordt uitbetaald voor kinderen die niet in Nederland wonen. Inmiddels zijn deze gegevens wel beschikbaar. Op basis daarvan kan de structurele ombuiging thans geraamd worden op f150 min. In tabel 5 wordt aangegeven hoe de verdeling van dit bedrag naar land eruit ziet.

Tabel 5. Geraamde structurele ombuiging naar woonland (in min. gids. 1983)

Land waar het

Ombuiging bij kind woont

beperking kinderbijslag met 75%

Marokko

76 Turkije

50 Spanje

10 Joegoslavië

2 Suriname

2 Overige landen

Het aantal in het buitenland wonende kinderen van in Nederland werkende verzekerden zal naar verwachting in de toekomst gestaag afnemen. Enerzijds is dit het gevolg van het continu proces van gezinshereniging. Anderzijds zal, omdat in het bestand van de buitenlandse werknemers weinig of geen mutaties meer optreden, het aantal kinderen in het buitenland waarvoor kinderbijslag wordt toegekend, door het leeftijdsverloop afnemen. Op de lange termijn zullen dus de besparingseffecten door deze demografische aspecten de neiging hebben minder te worden. Deze demografische effecten zullen zich echter ook zonder de thans voorgestelde verlaging van de kinderbijslag voordoen. In zijn advies van 19 november 1982 merkt de SER in paragraaf 3.2.10 op dat bij de raming van de ombuigingen geen rekening is gehouden met het effect van de wijziging van de onderhoudscriteria voor de in het buitenland wonende kinderen. Dit is juist. In theorie is het zo, dat er extra uitgaven kunnen ontstaan omdat op dit moment de onderhoudsbijdrage te gering is om voor kinderbijslag in aanmerking te komen. Wordt de norm voor «in belangrijke mate» gesteld op een kwart gedeelte van het huidige bedrag, dan zou het kunnen voorkomen dat wel recht ontstaat op kinderbijslag. In de praktijk zal deze situatie zich echter uiterst zelden voordoen omdat in het algemeen voor kinderen tot 16 jaar geen onderhoudsbijdrage is vereist.

  • AFSCHAFFEN VAN HET RECHT OP KINDERBIJSLAG VOOR HUISHOUD-KINDEREN

3.1. Algemeen

Het huidige stelsel van kinderbijslag kent een recht op kinderbijslag voor kinderen van 16 tot 27 jaar, wier voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van het huishou-Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

den of door het medeverzorgen van het huishouden. Van verzorging van het huishouden is sprake indien de moeder in het gezin ontbreekt of invalide is. Van medeverzorging is sprake indien -naast het huishoudkind -nog ten minste drie andere kinderen jonger dan 27 jaar tot het huishouden van de aanvrager behoren. Het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen is ingevoerd met ingang van 1 juli 1965 naar analogie van het sedert 1964 bestaande recht op kinderaftrek voor deze kinderen in de belastingwetgeving. Met ingang van 1 juli 1965 werd tevens voor deze kinderen in de ziekenfondswetgeving het recht op medeverzekering gecreëerd. Wij stellen thans voor het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen met ingang van 1 januari 1983. Het recht op medeverzekering krachtens de Ziekenfondswet dient naar de mening van het kabinet te worden gehandhaafd. In de adviesaanvrage van 31 maart 1980 over de structuur van de kinderbijslag is in hoofdstuk XI de aandacht van de SER gevraagd voor de huishoudkinderen. In zijn interim-advies van 7 april 1981 over de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag heeft de SER de opvatting neergelegd dat voor de huishoudkinderen de bestaande situatie vooralsnog gecontinueerd diende te worden en wel totdat hiervoor in het kader van (de advisering over) de definitieve structuur een oplossing was gevonden. Gezien echter de klemmende noodzaak tot ombuigingen heb ik de SER in mijn eerdergenoemde adviesaanvrage van 22 juli jl. verzocht de advisering over deze categorie kinderbijslagkinderen naar voren te halen. De SER is in zijn op 19 november 1982 uitgebracht advies aan deze wens tegemoet gekomen. Ook de Emancipatieraad heeft in zijn advies van 26 oktober 1982 aandacht besteed aan het voornemen de kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen.

3.2. Motivering van de voorsteilen De maatschappelijke opvattingen heden ten dage omtrent het verzorgen van het huishouden door één van de kinderen verschillen duidelijk met die ten tijde van de invoering van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen. Destijds was het vrij algemeen geaccepteerd dat één van de dochters thuis bleef om de moeder bij het verzorgen van het huishouden bij te staan. Hiervan is thans geen sprake meer. Ik ben van mening dat het voortbestaan van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen niet bevorderend is voor de emancipatie van de vrouw. Tevens wijs ik erop, dat ten tijde van de invoering van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen nagenoeg geen van overheidswege getroffen voorzieningen voor gezinshulp bestonden. Dit is thans wel het geval. De SER heeft in zijn advies van 19 november 1982 (par. 4.2.3) een overzicht gegeven van de bestaande regelingen op grond waarvan een voorziening of een financiële tegemoetkoming kan worden verkregen door gezinnen, waarin de verzorgende ouder ontbreekt of waarin behoefte bestaat aan aanvullende huishoudelijke hulp of verzorging naast die van de verzorgende ouder. Het betreft hier de volgende regelingen: a. de gezinsverzorging vanuit de van overheidswege gesubsidieerde instellingen; b. de gezinsverzorging als voorziening ingevolge de AAW; c. de bijzondere belastingaftrek voor één-oudergezinnen; d. de buitengewone lastenregeling in de loon-of inkomstenbelasting voor uitgaven voor gezinshulp of dagverblijf bij één-oudergezinnen; e. de buitengewonelastenregeling wegens uitgaven ter zake van ziekte of invaliditeit; f. de buitengewonelastenregeling wegens uitgaven voor levensonderhoud aan kinderen en andere naaste verwanten.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Op grond van het bestaan van deze mogelijkheden tot gezinshulp of financiële tegemoetkoming is de SER unaniem van mening dat de rechtsgrond voor kinderbijslag voor huishoudkinderen niet langer aanwezig is. Met betrekking tot het tijdstip van afschaffing lopen in de SER evenwel de opvattingen uiteen. Een deel van de SER is van oordeel dat het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen met ingang van 1 januari 1983 verantwoord is mede gelet op de dwingende noodzaak tot beperking van de collectieve uitgaven onder de huidige economische omstandigheden. Bovendien vergroot het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen de druk op het afdoende regelen en op elkaar afstemmen van de reeds bestaande voorzieningen. Deze laatste overweging echter is aanleiding voor een ander deel van de SER om het standpunt in te nemen dat recht op kinderbijslag vooralsnog dient te worden gehandhaafd. Dat deel wijst erop dat er weliswaar een groot aantal andere regelingen bestaat, maar dat deze nog niet voldoende bereikbaar zijn voor degenen die behoefte hebben aan gezinshulp. Met betrekking tot deze opvattingen merken wij op dat het ons verheugt dat de SER onze mening deelt dat het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen ten principale kan worden afgeschaft. De huidige financieel-economische situatie van ons land rechtvaardigt naar onze mening dat deze afschaffing met ingang van 1 januari 1983 wordt gerealiseerd. Wij delen niet de mening van dat deel van de SER, dat stelt dat de voor afschaffing noodzakelijke voorwaarden op dit moment nog niet zijn vervuld. In die situaties dat vaststaat dat gezinshulp noodzakelijk is, wordt die gezinshulp ook verstrekt. Overigens zijn wij wel van mening dat het een goede zaak zou zijn indien bezien zou worden of de verschillende regelingen en voorzieningen op het terrein van de gezinshulp beter op elkaar zouden kunnen worden afgestemd. Wij betreuren het dat het kan voorkomen, dat ondanks een indicatiestelling gezinshulp niet wordt geboden, wanneer de betrokken instelling als gevolg van een tekort aan subsidiegelden of aan personeel niet aan de hulpvraag kan voldoen. Duidelijk moet echter zijn dat de AKW niet het instrument is om in die leemte te voorzien. In die situatie hangt het er immers maar vaak vanaf of er thuiswonende kinderen zijn. Zo niet, dan biedt ook de AKW geen oplossing. Zoals reeds in par. 3.1 is opgemerkt, heeft de Emancipatieraad op 26 oktober 1982 advies uitgebracht over het voornemen om het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen. Uit dit advies -dat als bijlage 3 bij deze memorie is gevoegd -blijkt dat de Emancipatieraad van mening is dat op dit moment niet gesproken kan worden van een emancipatoir effect van de maatregel. De Emancipatieraad noemt in dit verband een aantal overwegingen. Slechts indien aan een viertal voorwaarden wordt voldaan, is de Emancipatieraad van oordeel, dat tot afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen kan worden overgegaan. Deze voorwaarden zijn: 1. bij inschrijving bij het arbeidsbureau als werkzoekende krijgt het huishoudkind recht op een RWW-uitkering; 2. in afwachting van het verkrijgen van betaalde arbeid buitenshuis mag het huishoudelijk werk worden voortgezet; 3. een intensieve voorlichtingscampagne wordt opgezet met het doel de huishoudkinderen en hun ouders op deze rechten te wijzen; 4. de huishoudkinderen moeten in aanmerking komen voor her-, om-en bijscholing. Wij zijn van mening dat in zijn algemeenheid aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Degene die zich als werkzoekende laat inschrijven bij een arbeidsbureau heeft in beginsel recht op een uitkering. Gelet op de huidige situatie op de arbeidsmarkt zal het inderdaad zo zijn, dat de kansen op betaalde arbeid buitenshuis helaas gering zijn. Dit zal er ongetwijfeld toe leiden, dat degenen, die zich als werkzoekende hebben laten inschrijven, binnen de Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

gezinshuishouding enige werkzaamheden zullen blijven verrichten. Indien de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet aan twijfel onderhevig is, vormt dit evenwel geen beletsel voor het recht op een RWW-uitkering. Hierbij tekenen wij wel aan, dat het in het voornemen ligt het recht op RWW-uitkering voor 16-en 17-jarige werkloze kinderen te vervangen door kinderbijslag. Een wetsontwerp ter realisering van dit voornemen is inmiddels bij de Tweede Kamer ingediend. In de voorlichting met betrekking tot het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen zal uiteraard aandacht worden besteed aan de diverse aspecten van het afschaffen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, waaronder de eventuele aanspraak op een RWW-uitkering voor kinderen van 18 jaar en ouder, alsmede het opnieuw verkrijgen van recht op kinderbijslag voor 16-en 17-jarige ex-huishoudkinderen op grond van werkloosheid. Tenslotte wijzen wij erop, dat in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid diverse mogelijkheden bestaan voor om-, her-en bijscholing. Deze mogelijkheden zijn vanzelfsprekend ook aanwezig voor huishoudkinderen.

3.3. Kwantificering ombuigingen en inkomenseffecten Naar ruwe schatting wordt op dit moment voor ca. 8000 huishoudkinderen in totaal ca. f20 min. aan kinderbijslag uitgekeerd. Exacte gegevens over het totaal aantal huishoudkinderen zijn niet beschikbaar.

Wel zijn vrij gedetailleerde gegevens beschikbaar van de Raad van Arbeid te Utrecht (zie par. 4.2.5 en van het SER-advies van 19 november 1982). De inkomenseffecten van de voorgestelde maatregelen bestaan uit een vermindering van het besteedbaar inkomen met het bedrag aan enkelvoudige of tweevoudige kinderbijslag. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de inkomenseffecten kunnen worden gemitigeerd omdat hetzij door de ouder(s) een beroep kan worden gedaan op verwante regelingen, hetzij recht op een RWW-uitkering kan ontstaan. Afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen zal daardoor geen recht op buitengewone lastenaftrek voor de kosten van levensonderhoud van deze kinderen doen ontstaan. Dit zal in de praktijk evenmin het geval zijn indien het kind afziet van een RWW-uitkering omdat de dan ten laste van de ouder komende uitgaven voor het kind een vergoeding vormen voor de bewezen huishoudelijke diensten. Het voorgaande betekent, dat de effecten op het besteedbaar inkomen sterk afhankelijk zullen zijn van de feitelijke situatie. De SER heeft in zijn eerdergenoemd advies van 19 november 1982 in par. 4.2.8 een tweetal uiteenlopende voorbeelden gegeven van het uiteindelijk samengestelde effect dat kan optreden bij het afschaffen van de kinderbijslag voor huishoudkinderen.

  • RECHT OP KINDERBIJSLAG VOOR IN EEN INRICHTING VERBLIJVENDE INVALIDE KINDEREN

4.1. Algemeen

Uit de praktijk van de uitvoering blijkt dat zich ook voor in Nederland verblijvende kinderen de situatie kan voordoen dat de kinderbijslag de gemaakte kosten overtreft. Dit is met name het geval bij invalide kinderen die in een inrichting verblijven. Voor de kinderbijslaggerechtigde is het vaak mogelijk met een geringe bijdrage voor deze kinderen aanspraak op tweevoudige kinderbijslag te maken. Daarnaast bestaan er aanmerkelijke verschillen in aanspraken voor invalide uitwonende kinderen onderling. Voor een goed begrip is het noodzakelijk de geschiedenis van het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen die in een inrichting verblijven kort samen te vatten.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

4.2. Historisch overzicht

  • Situatie voor het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1976

Vanaf het begin heeft de beoordeling van het recht op kinderbijslag voor invalide uitwonende kinderen moeilijkheden opgeleverd. In eerste instantie werden op dit terrein de criteria «belangrijke mate» en «grotendeels» gehanteerd. Voor belangrijke mate (recht op enkelvoudige kinderbijslag) wordt jaarlijks bij beschikking een bedrag vastgesteld. Dit geeft dan ook geen moeilijkheden. Grotendeels is niet nader in de wet omschreven, maar wordt uitgelegd als meer dan de helft van de totale onderhoudskosten. Aanvankelijk was voor invalide kinderen «grotendeels» alleen van belang voor inrichtingskinderen van 16 tot 27 jaar, nl. voor het recht op eventuele tweevoudige bijslag. Hantering van deze norm leidde echter al snel tot moeilijkheden in de praktijk van de uitvoering. Het was namelijk niet mogelijk vast te stellen welk deel van de verpleegprijs als onderhoudskosten moest worden aangemerkt. Dit werd in 1963 door de Raden van Arbeid opgelost door voor de eis «grotendeels» een -overigens niet op een wettelijke basis steunend -normbedrag te hanteren, waarbij zonder nader onderzoek dubbele kinderbijslag kon worden toegekend. Per 1 juli 1965 werd ook recht op dubbele kinderbijslag gecreëerd voor inrichtingskinderen jonger dan 16 jaar. Dit leidde er toe, dat ook voor beneden 16-jarigen door de Raden van Arbeid een «grotendeelsnorm» werd gehanteerd, die overigens lager was dan de norm voor kinderen van 16 jaar en ouder. Het systeem van normbedragen stabiliseerde zich. De bedragen werden jaarlijks aan het kostenpeil aangepast. Hoewel niet volmaakt, werkte dit systeem redelijk naar tevredenheid van alle partijen. Per 1 januari 1977 gold globaal de volgende situatie:

Enkelvoudige

Dubbele kinderkindei bijslag

bijslag

  • Inrichtingskind jonger dan 16 jaar, niet voor rekening van de A.W.B.Z. verpleegd

f 21,-per week

f 65,-per week b. Inrichtingskind jonger dan 16 jaar, wel voor rekening van de A.W.B.Z. verpleegd

f 42,-pei week

f 65,-per week c. Inrichtingskind van 16 of 17 jaar

f 42,-perweek

f 80,- per week

  • Situatie als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1976 In dit arrest van de Hoge Raad is uitgesproken, dat de verpleeg-en verzorgingskosten buiten aanmerking moeten worden gelaten bij de bepaling van de mate van onderhoud voor een invalide kind, dat in een inrichting verblijft. Als gevolg van dit arrest kunnen de normbedragen voor het recht op dubbele kinderbijslag niet langer worden gehanteerd. Hierdoor is de huidige situatie ontstaan, waarbij er een grote discrepantie bestaat tussen de kinderbijslagaanspraken in een aantal situaties. De inrichtingskinderen kunnen in drie groepen worden verdeeld: a. inrichtingskinderen, voor rekening van de A.W.B.Z. verpleegd; b. inrichtingskinderen, voor rekening van de algemene middelen (A.B.W., het Rijk, Ministerie van Justitie, enz.) verpleegd; c. inrichtingskinderen, die voor rekening van een door de ouders te betalen verzekering (particuliere ziektekostenverzekering, vrijwillige of verplichte ziekenfondsverzekering) worden verpleegd.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Voor de groepen a (het overgrote deel van de kinderen) en b is het arrest van 17 november 1976 van belang. Ten aanzien van groep c (overigens een uiterst kleine groep) gold reeds een arrest van de Hoge Raad van 12 februari 1975, waarbij werd uitgesproken, dat de belanghebbende op grond van de daartoe speciaal door hem particulier afgesloten ziektekostenverzekering geacht wordt de verpleeg-en verzorgingskosten geheel zelf te betalen. Voor deze groep geldt dus in praktisch alle gevallen recht op tweevoudige kinderbijslag. Voorts bestaan er van oudsher nog een aantal discrepanties ten aanzien van het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen. Voor inrichtingskinderen, die voor rekening van de A.W.B.Z. worden verpleegd, beneden de leeftijd van 16 jaar geldt dat, wil er recht bestaan op enkelvoudige kinderbijslag, het kind in belangrijke mate (f 54,-per week) moet worden onderhouden. Bij een dergelijke bijdrage ontstaat dan tevens vrijwel altijd recht op dubbele kinderbijslag als gevolg van de bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad. Voor kinderen in AWBZ-inrichtingen van 16 en 17 jaar geldt voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag ook de eis «in belangrijke mate» dus f 54,-per week. Voor deze kinderen van 16 en 17 jaar is echter in de ministeriële beschikking van 23 januari 1980, nr. 55.825 (Stcrt. 1980, nr. 19) bepaald, dat ook aan de eis «belangrijke mate» wordt voldaan wanneer de aanvrager ten minste de helft van de kosten draagt. Aangezien als gevolg van het arrest de totale onderhoudskosten erg gering zijn, is de helft hiervan veelal minder dan f 54,-per week. Toch bestaat er dan niet alleen recht op enkelvoudige, maar ook gelijk op dubbele kinderbijslag. Ditzelfde geldt voor kinderen die niet voor rekening van de AWBZ worden verpleegd. Voorts geldt voor deze groep dat voor kinderen beneden de leeftijd van 16 jaar de eis «belangrijke mate» op f27,- is gewaardeerd. Voor de onder c bedoelde groep van inrichtingskinderen bestaat ongeacht de ouderlijke bijdrage vrijwel altijd recht op tweevoudige kinderbijslag. Schematisch kan het huidige recht op kinderbijslag voor inrichtingskinderen als volgt worden samengevat. Enkelvoudige

Dubbele kinderkinderbijslag

bijslag

  • Kinderen in A.W.B.Z.-

Eis: belangrijke mate

Eis: grotendeels, inrichtingen, jonger dan

f 54,-per week

In de praktijk wordt daar-16 jaar aan vrijwel altijd voldaan bij f 54,- per week 2. Kinderen in andere in-

Eis: belangrijke mate

Eis: grotendeels, richtingen jonger dan 16 jaar

f 27,-per week

In de praktijk vaak niet veel hoger dan f 27,- per week 3. Kinderen in alle inrich-

Eis: belangrijke mate

Eis: grotendeels, tingen van 16 en 17 jaar

dan wel helft van de

In de praktijk vaak lager onderhoudskosten. In dan f 54,- per week de praktijk vaak lager dan f 54,- per week 4.3. Knelpunten in de huidige situatie

  • Voor uitwonende invalide kinderen wordt in de regel met een geringe bijdrage tweevoudige kinderbijslag genoten. De toe te kennen kinderbijslag overtreft veelal de feitelijk gemaakte kosten ruim, hetgeen afbreuk doet aan het uitgangspunt met betrekking tot de eigen financiële verantwoordelijkheid van de ouders.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

  • Om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen geldt in de praktijk veelal dezelfde eis als voor enkelvoudige kinderbijslag. c. Voor kinderen van 16 en 17 jaar geldt in de praktijk een lichtere eis dan voor kinderen beneden 16 jaar, omdat voor 16-en 17-jarigen een bijdrage van meer dan de helft in de onderhoudskosten is gelijkgesteld met de geldelijke waardering van de onderhoudseis «in belangrijke mate». d. Tevens geldt een lichtere eis voor kinderen jonger dan 16 jaar in een niet door de A.W.B.Z. erkende of aangewezen inrichting in vergelijking met beneden 16-jarigen, die in een A.W.B.Z."inrichting verblijven.

4.4. Oplossingen van de knelpunten De in die vorige par. onder a en b genoemde knelpunten kunnen worden opgelost door in artikel 9 van de A.K.W., waarin de dubbeltelling is geregeld ten aanzien van uitwonende invalide kinderen een aparte regeling te treffen. Deze regeling moet dan inhouden dat de Minister nadere regelen kan stellen op grond waarvan voor een uitwonend invalide kind recht kan bestaan op tweevoudige kinderbijslag. De bedoeling is om voor deze kinderen een nader vast te stellen onderhoudsbijdrage te verlangen alvorens recht op dubbele kinderbijslag zal kunnen bestaan. Die bijdrage dient aan twee voorwaarden te voldoen. In de eerste plaats zal deze bijdrage aan moeten sluiten bij wat in de praktijk van ouders van een studerend kind wordt gevraagd om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen. Deze laatstbedoelde bijdrage beloopt -gelet op de algemeen aanvaarde uitgaven voor studerende kinderen -als regel een bedrag variërend van f 5 500 tot f 7 000 per jaar. In de tweede plaats zal er een relatie moeten zijn met reeds bestaande onderhoudseisen voor het recht op kinderbijslag. Met ingang van 1 januari 1983 bedraagt de onderhoudseis «in belangrijke mate» voor het recht op kinderbijslag f28 respectievelijk f 56 per kind per week. Een bijdrage van f56 wordt geëist van ouders van een studerend kind van 16 jaar of ouder om recht op enkelvoudige kinderbijslag te verkrijgen. Wij stellen voor het dubbele van de norm van f56 per week (f 112 op jaarbasis f5824) als geldelijke eiste stellen voor het recht op tweevoudige kinderbijslag voor een uitwonend invalide kind. Het in par. 4.3. onder c genoemde knelpunt is ontstaan doordat in de beschikking van 23 januari 1980, nr. 55.825 (Stcrt. 1980, 19), waarin regelen zijn gesteld inzake het in belangrijke mate onderhouden van een kind, onder meer ten aanzien van 16-en 17-jarige invalide kinderen, die in een inrichting verblijven, is neergelegd dat deze kinderen geacht worden in belangrijke mate op kosten van een verzekerde te worden onderhouden, indien die verzekerde in de kosten van het onderhoud van een dergelijk kind een bijdrage levert van hetzij tenminste f 56 (in 1983) per week, hetzij van meer dan de helft van die kosten. Als gevolg van deze laatste toevoeging geldt in de praktijk van de uitvoering dat met een minimale bijdrage -vaak lager dan f56 (in 1983) -recht op tweevoudige kinderbijslag voor 16-en 17-jarige uitwonende invalide kinderen ontstaat. Voor kinderen jonger dan 16 jaar, moet echter onverkort aan de geldelijke waardering van de norm in belangrijke mate worden voldaan. Door het schrappen van de toevoeging dat voor kinderen van 16 jaar en ouder met de geldelijke waardering van de norm onderhoud in belangrijke mate wordt gelijkgesteld «meer dan de helft van de onderhoudskosten», wordt deze ongelijkheid weggenomen. Het in par. 43 onder d genoemde knelpunt heeft betrekking op de omstandigheid, dat voor uitwonende invalide kinderen jonger dan 16 jaar onderling verschillen gelden met betrekking tot de onderhoudseis «in belangrijke mate». Voor een kind, dat in een niet door de AWBZ erkende of aangewezen inrichting verblijft, is de onderhoudsnorm gewaardeerd op f28 per week. Voor een kind in een AWBZ-inrichting wordt een bijdrage van f56 per week geëist.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Naar onze mening wordt de rechtsgelijkheid bevorderd wanneer de onderhoudseis «in belangrijke mate» voor kinderen, die in vergelijkbare omstandigheden verkeren, gelijk wordt. Dit houdt in dat deze onderhoudseis voor alle uitwonende invalide kinderen gewaardeerd zou moeten worden op f 56 per week voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag. Dit betekent dan ook dat de onderhoudseis «in belangrijke mate» voor alle uitwonende invalide kinderen tot 18 jaar gelijk wordt. Als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1976 worden de verpleeg-en verzorgingskosten buiten aanmerking gelaten bij het bepalen van de onderhoudskosten van een uitwonend invalide kind. De onderhoudskosten worden na deze uitspraak samengesteld uiteen eventuele feitelijke bijdrage in de verpleeg-en verblijfkosten en uit de bijkomende kosten, zoals reiskosten van de ouders naar de inrichting waar het kind verblijft, cadeaus, kosten, welke worden gemaakt wanneer het kind een weekend thuis is, enz. Uit de praktijk is gebleken, dat niet zo zeer de leeftijd van het uitwonend invalide kind, maar veel meer de afstand tussen de woonplaats van de ouders en de verblijfplaats van het kind bepalend is voor de hoogte van de bijkomende kosten. Naar onze mening is het dan ook alleszins redelijk om de onderhoudseis «in belangrijke mate» voor beneden 16-jarigen en voor 16-en 17-jarige uitwonende invalide kinderen op een gelijk niveau te brengen.

4.5. Financiële aspecten

De in voorgaande paragrafen geschetste problematiek wordt geïllustreerd door het feit dat van de ca. 8400 invalide kinderen waarvoor recht op kinderbijslag bestaat, slechts voor 6% recht op enkelvoudige kinderbijslag bestaat. Deze 6% bestaat vrijwel uitsluitend uit thuiswonende kinderen voor wie dubbeltelling niet mogelijk is. De overige invalide kinderen tellen allen dubbel. Door de voorgestelde maatregelen zal het aantal tweetellende invalide kinderen aanzienlijk worden teruggebracht. De hiermee te realiseren ombuiging zal naar globale schatting een bedrag van f 10 min. belopen.

4.6. Advisering door de Sociaal-Economische Raad en de Sociale Verzekeringsraad Op 22 juli 1982 is de Sociale Verzekeringsraad (SVR) om advies gevraagd over het aanscherpen van de onderhoudseisen voor het recht op kinderbijslag voor in een inrichting verblijvende kinderen. De adviesaanvrage werd per diezelfde datum als bijlage bij de adviesaanvrage aan de SER over de vermindering van de kinderbijslag voor kinderen in het buitenland gevoegd. De SVR heeft op 21 oktober 1982 geadviseerd. Het advies van de SER is op 19 november 1982 vastgesteld. Op de inhoud van zowel het SER-advies als het SVR-advies wordt hierna afzonderlijk ingegaan. De SVR heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorgelegde problemen zowel een technisch als een sociaal-politiek karakter dragen. Om die reden werd besloten de advisering van de sociaal-politieke aspecten aan de SER over te laten.

4.6.1. Standpunt SER De SER constateert dat voor de bepaling van de hoogte van de te stellen onderhoudsvoorwaarden evenals bij de bepaling van de wenselijke hoogte en structuur van de kinderbijslag van wezenlijke betekenis is van welk kostenbegrip in het kader van de kinderbijslagwetgeving dient te worden uitgegaan. Dit betekent dat de hoogte van de voor de verschillende categorieën van kinderen te stellen onderhoudsvoorwaarden afhankelijk zou kunnen zijn van andere elementen die bepalend zijn voor de structuur van de kinderbijslagwetgeving zoals de hoogte van de kinderbijslagen en de onderlinge verhouding tussen de kinderbijslagen alsmede van de wijze Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

waarop de eigen financiële verantwoordelijkheid van de verzekerde binnen die structuur een nadere invulling is gegeven. Omdat de Raad over deze elementen eerst in het kader van de advisering over de structuur van de kinderbijslag naar aanleiding van de adviesaanvrage van 30 maart 1980 een oordeel zal geven acht hij het thans niet wenselijk op deze advisering vooruit te lopen door op dit moment een oordeel te geven over de hoogte van de onderhoudsvoorwaarden die zal gelden voor verschillende categorieën van kinderen. De SER geeft er dan ook ten principale de voorkeur aan dat een ingrijpende wijziging in de gestelde onderhoudsvoorwaarden en in de onderlinge samenhang tussen deze onderhoudsvoorwaarden, eerst tot stand komt wanneer meer zicht bestaat op de uiteindelijke structuur van de kinderbijslag. De SER acht het dan ook wenselijk de huidige systematiek van de onderhoudsvoorwaarden vooruitlopend op een mogelijke wijziging van de structuur van de kinderbijslagen niet ingrijpend te veranderen. Aangezien de thans voorliggende beleidsvoornemens in hun onderlinge samenhang naar het oordeel van de SER leiden tot een wijziging van de systematiek van de onderhoudsvoorwaarden is de SER ten principale van oordeel dat het de voorkeur verdient dat deze niet per 1 januari 1983 worden gerealiseerd.

4.6.2. Standpunt SVR De SVR deelt het in de adviesaanvrage neergelegde standpunt dat situaties waarin aan het uitgangspunt van eigen financiële verantwoordelijkheid geen recht wordt gedaan, moeten worden voorkomen. Een oordeel over de sociaal-politieke aspecten aan de Sociaal-Economische Raad overlatend, adviseert de SVR over de consequenties van de in de adviesaanvrage gedane voorstellen, daarbij zoveel mogelijk betrekkend de meningsvorming in SER-verband, voorzover die te zijner kennis is gekomen. De SVR heeft zich derhalve onthouden van een oordeel over de hoogte van de voorgestelde normbedragen om voor enkelvoudige, resp. dubbele kinderbijslag in aanmerking te komen. De SVR stelt zich achter het voorstel van de Minister inhoudende dat in artikel 1, tweede lid, van de ministeriële beschikking van 23 januari 1980 nr. 55825, de toevoeging «hetzij de helft van de kosten», wordt geschrapt voor het in belangrijke mate onderhouden van een uitwonend boven-16-jarig kind in een inrichting. Hetzelfde geldt voor het voornemen in de wet te bepalen dat men steeds aan de vereisten voor enkelvoudige kinderbijslag moet hebben voldaan voordat men voor dubbele kinderbijslag in aanmerking kan komen. De SVR heeft zich afgevraagd of het mogelijk zou zijn voor alle kinderen beneden 18 jaar een expliciete onderhoudseis achterwege te laten voor enkelvoudige kinderbijslag en een x-bedrag alleen te hanteren als een drempel voor dubbele kinderbijslag. De overweging dat dan ook voor kinderen waarvoor thans in het geheel geen kinderbijslag wordt betaald, een recht op kinderbijslag zou ontstaan, heeft ertoe geleid dat de Raad geen aanbeveling in deze richting doet.

4.7. Commentaar op het SER-advies en het SVR-advies Met betrekking tot het in par. 4.6.1. weergegeven standpunt van de SER wordt het volgende opgemerkt. Het kabinet onderschrijft het standpunt van de SER dat voor de bepaling van de hoogte van de te stellen onderhoudseisen evenals bij de bepaling van de hoogte en structuur van de kinderbijslag het van wezenlijke betekenis is van welk kostenbegrip in het kader van de kinderbijslagwetgeving dient te worden uitgegaan. Zowel het kostenbegrip als de hoogte en structuur van de kinderbijslag zijn onderwerp van de adviesaanvrage van 31 maart 1980. Dit laat echter onverlet, dat wanneer de huidige onderhoudseisen veroorzaken dat het stelsel van nu in zijn uitwerking het doel voorbijschiet, Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

thans corrigerend moet worden opgetreden. De dwingende noodzaak tot ombuigingen laat ook een opstelling, zoals door de SER ingenomen, niet toe. Hoewel de SER het niet wenselijk acht een oordeel te geven over de hoogte van de onderhoudsvoorwaarden plaatst hij in par. 5.3.3.1. van zijn advies van 19 november 1982 toch een aantal kanttekeningen bij de beleidsvoornemens met betrekking tot de onderhoudsvoorwaarden. In de eerste plaats merkt de SER op dat met het stellen van een normatief bedrag om voor tweevoudige kinderbijslag voor een uitwonend invalide kind in aanmerking te komen, de onderhoudseis «grotendeels» voor uitwonende invalide kinderen een andere betekenis krijgt dan de letterlijke betekenis, namelijk meer dan de helft. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat de onderhoudseis «grotendeels» voor uitwonende invalide kinderen komt te vervallen. In plaats daarvan wordt een normbedrag gesteld, waaraan moet worden voldaan alvorens recht op tweevoudige kinderbijslag ontstaat. Dit normbedrag komt materieel echter wel overeen met de onderhoudsbijdrage grotendeels, waaraan ouders van studerende kinderen moeten voldoen om voor tweevoudige kinderbijslag in aanmerking te komen. Vervolgens merkt de SER op dat het schrappen van de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» niet alleen betrekking heeft op uitwonende invalide kinderen maar ook op andere groepen kinderen. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat ook in andere situaties de uitwerking van de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» tot gevolg kan hebben dat de kinderbijslag de gemaakte kosten overtreft. In bedoelde situaties bewerkstelligt het schrappen van de eerdergenoemde toevoeging, dat ook in die gevallen een redelijke verhouding ontstaat tussen de geleverde onderhoudsbijdrage en de te ontvangen kinderbijslag. Overigens wijzen wij erop, dat de SVR het standpunt deelt dat de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» dient te vervallen. In de derde plaats merkt de SER op dat het invaliditeitscriterium in het geheel niet toepasbaar lijkt te zijn op een kind dat jonger is dan 16 jaar. Hierbij willen wij opmerken dat in artikel 9 van de AKW reeds een invaliditeitscriterium voor het recht op tweevoudige kinderbijslag voor kinderen jonger dan 16 jaar is opgenomen. Het toepassen van dit criterium geeft in de praktijk van de uitvoering geen problemen. Om die reden is dit onderwerp in de adviesaanvrage aan de SVR dan ook niet aan de orde gesteld. Vervolgens gaat de SER in op het beleidsvoornemen aan de onderhoudseis in belangrijke mate voor de leeftijdscategorie 12-tot en met 17-jarigen een gelijke waardering te geven van f56 per week. De SER merkt daarbij op dat bij dat voornemen geen rekening is gehouden met de in het kader van de leeftijdsafhankelijkheid voorgestelde indeling in leeftijdsgroepen. Naar aanleiding hiervan merken wij op dat deze kwestie reeds aan de orde is geweest bij de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer van het wetsontwerp met betrekking tot de leeftijdsafhankelijkheid 1'. Kortheidshalve willen wij naar het daarin gestelde verwijzen. Tenslotte merkt de SER op dat indien wordt besloten tot het schrappen van de toevoeging «hetzij voor meer dan de helft van de kosten» uit de beschikking waarin regelen worden gesteld met betrekking tot het in belangrijke mate onderhouden, er geen behoefte lijkt te bestaan aan de wetswijziging welke erin voorziet dat alvorens recht op twee-of drievoudige kinderbijslag bestaat, de verzekerde het kind tevens in belangrijke mate dient te onderhouden. Naar onze mening kan de opmerking van de SER formeel juist zijn. De bedoelde wetswijziging wordt door ons niettemin noodzakelijk geacht ' Tweede Kamer, zitting 1982-1983,17552, enerzijds omdat daarmee duidelijk wordt vastgelegd dat een toenemende nr. 5, pag. 18 19

mate van onderhoud leidt tot een hogere aanspraak op kinderbijslag, Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

anderzijds omdat zonder de hierbedoelde bepaling niet volledig kan worden uitgesloten dat recht op dubbele kinderbijslag ontstaat zonder dat aan de voorwaarde voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag is voldaan.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I Onderdeel A.. In dit onderdeel wordt de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor de zogenaamde huishoudkinderen geregeld.

Onderdelen A.. toten metA.5. en onderdeelB. Deze onderdelen hebben betrekking op vernummeringen die het gevolg zijn van de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen.

Onderdeel C. Dit onderdeel behelst een wijziging van artikel 9 van de AKW, in welk artikel de dubbel-en drietelling is geregeld. Voorgesteld wordt om de formulering «grotendeels op kosten van de verzekerde wordt onderhouden» niet langer van toepassing te doen zijn op buitenshuis verblijvende invalide kinderen. In plaats daarvan zal op grond van het nieuw voorgestelde tweede lid een aparte norm voor de dubbeltelling van uitwonende invalide kinderen worden gesteld. Zoals eerder in deze memorie is uiteengezet zal hiervoor het dubbele bedrag van de eis «belangrijke mate» worden gehanteerd. Voorts bevat dit onderdeel een aantal vernummeringen, die verband houden met het vervallen van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen. Onderdeel D. In dit onderdeel wordt geregeld, dat alvorens voor een kind aanspraak op dubbele of drievoudige kinderbijslag bestaat, tenminste aan de eis voor het recht op enkelvoudige kinderbijslag (belangrijke mate) moet zijn voldaan. Dit is met name van belang voor kinderen, van wie de onderhoudskosten erg laag zijn.

Onderdeel E. Hierin wordt een nieuw artikel 12a voorgesteld. In dat artikel wordt neergelegd, dat de kinderbijslag voor buiten Nederland wonende kinderen 25% bedraagt van de krachtens artikel 12 berekende bedragen. In het tweede lid wordt de mogelijkheid geopend om voor kinderen die slechts tijdelijk in het buitenland verblijven, de kinderbijslag niette verminderen. Hierbij moet worden gedacht aan kinderen, die normaliter in Nederland wonen, maar die om studie-of gezondheidsredenen tijdelijk in het buitenland verblijven. Aangenomen mag worden dat voor deze kinderen als regel het Nederlandse uitgavenpatroon zal gelden.

Artikelen II en III De in artikel 53, 4e lid, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en in artikel 20, vierde lid, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, geregelde verhoging van de belastingvrije som, de zgn. aftrek één-oudergezin, wordt niet toegepast indien de belastingplichtige voor een huishoudkind recht op kinderbijslag heeft. In de artikelen II en III wordt voorgesteld dit voorschrift te laten vervallen, nu dit zijn belang heeft verloren als gevolg van de voorgestelde afschaffing van het recht op kinderbijslag voor de huishoudkinderen.

Artikel IV Dit artikel bevat een overgangsregeling om de teruggang in het kinderbijslagniveau voor buiten Nederland wonende kinderen geleidelijk te laten verlopen.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Voorgesteld wordt een vermindering van 80% in 1983, tot 60% in 1984 en tot 40% in 1985, waarna het niveau vanaf 1986 de in het nieuw artikel 12a neergelegde 25% zal hebben bereikt. Deze geleidelijke teruggang geldt slechts voor de zgn. «lopende» gevallen, d.w.z. voor kinderen, voor wie over het vierde kwartaal van 1982 reeds recht op kinderbijslag bestaat. Voor andere kinderen geldt het percentage van 25 onmiddellijk.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf De Staatssecretaris van Financiën, H. E. Koning

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.