Nota naar aanleiding van het verslag - Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 17 juni 1982

Van de kritische vragen en opmerkingen van leden van verscheidene fracties over de problematiek met betrekking tot het onderhavige wetsontwerp heb ik met aandacht kennis genomen. Alvorens daarop in te gaan, wil ik het volgende opmerken. Bij mijn aanvaarding van het ambt van Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid lag reeds een wetsontwerp ter tafel, voorbereid door de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw drs. C. I. Dales, waarbij werd voorgesteld een aantal sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982 te bevriezen, voor zover zij gebaseerd waren op een dagloon van f 145 of hoger. Hiermee zou worden bereikt, dat uitkeringsgerechtigden met een modaal dagloon buiten de werkingssfeer van de maatregel bleven. De Raad van State had op dat moment reeds over dit ontwerp advies uitgebracht. Het nieuwe kabinet heeft besloten dit wetsontwerp in grote lijnen over te nemen. Wel heeft het kabinet zich genoodzaakt gezien de bevriezing van de uitkeringen reeds te doen ingaan bij een dagloon van f139 op 1 juli 1982. Hiermee wordt bereikt, dat het beoogde besparingsbedrag van f150 min. wordt gehaald, genoemd in de brief van de Minister-President van 13 april 1982 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de vroege Voorjaarsnota. Van de zijde van diverse fracties is geïnformeerd naar de motieven van de Regering om de ombuigingen op het terrein van de sociale zekerheid voor een deel te realiseren bij de bovenmodale uitkeringen en in de kinderbijslag. Door verschillende fracties zijn, wat deze voorstellen betreft, alternatieve maatregelen voorgesteld. Gezien deze opmerkingen lijkt het mij goed om voordat wordt ingegaan op de meer specifieke vragen en voorstellen, eerst nog eens de algemene lijnen uiteen te zetten waarlangs de Regering tot haar beslissing ter zake is gekomen. Daarbij stond voorop dat door de snel verslechterende financieeleconomische situatie in ons land aan een substantiële beperking van de groei van de sociale zekerheidsuitgaven niet viel te ontkomen. Voor een deel worden ombuigingen in de sociale zekerheidssector gerealiseerd via de doorwerking naar de uitkeringen van de om verschillende redenen noodzakelijk geachte premieverhogingen. Nochtans resteerde voor 1982 een nog niet ingevuld bedrag van f300 min.

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17468, nr. 5

Bij de nadere vaststelling van maatregelen om een dergelijk ombuigingsbedrag te bereiken, heeft de Regering zich met name laten leiden door de overweging dat een verdere koopkrachtachteruitgang van de uitkeringstrekkers op het minimumniveau zoveel mogelijk moest worden vermeden. Als gevolg van de premieverhoging per 1 juli a.s. en de hoger uitvallende prijsontwikkeling wordt immers voor deze groep al een inkomensachteruitgang voorzien van 1,5 a 2%, dit ondanks de verhoging van de WAO-franchise. Daarnaast heeft de Regering overwogen dat geen maatregelen dienden te worden genomen die de structuur van het sociale zekerheidsstelsel zouden aantasten. Derhalve resteerden alleen bezuinigingsmogelijkheden bij de bovenminimale uitkeringen en in de kinderbijslag. Wat de concrete invulling aangaat, heeft de Regering gemeend dat ook bij de bovenminimale uitkeringen de lasten zoveel mogelijk naar draagkracht moesten worden verdeeld. Op grond hiervan is besloten om de te treffen kortingen eerst vanaf het modale niveau te laten ingaan. Omtrent de omvang van de kortingen was de Regering de mening toegedaan dat met een bevriezing van de betreffende uitkeringen de uiterste grens werd bereikt tot waar men ten aanzien van de verdere inkomensachteruitgang voor deze groepen kon gaan. De Regering is zich er daarbij terdege van bewust geweest dat als gevolg van de cumulatie met andere bezuinigingsmaatregelen de totale inkomensachteruitgang van de betrokken uitkeringstrekkers niet gering is. Gezien echter de relatief gunstige positie waarin deze uitkeringstrekkers binnen de totale groep van uitkeringstrekkers verkeren, heeft de Regering gemeend dat een dergelijk inkomensoffer gevraagd mocht worden. Aangezien de opbrengst van de bevriezing van de bovenmodale uitkeringen uitkwam op f 150 min., moest nog f150 min. in de sfeer van de kinderbijslag gevonden worden. Ten aanzien van de invulling van dit bedrag is gekozen voor een algemene korting ten einde voorshands nog geen wijzigingen aan te brengen in de structuur van de kinderbijslag. Dat daarmee wederom negatieve koopkrachtmutaties ontstonden heeft de Regering zich zeer wel gerealiseerd. Ik ben echter van mening dat, met inachtneming van de hiervoor geschetste randvoorwaarden -bescherming minima en geen structuurwijziging -de noodzakelijke offers zo redelijk mogelijk zijn verdeeld. Daarbij wijs ik nog in het bijzonder op de aangekondigde uitkering ineens voor de zogenaamde echte minima. De leden van de meeste fracties informeerden naar de inkomenseffecten van alle door de Regering in 1982 getroffen maatregelen voor een aantal categorieën van actieve werknemers en uitkeringsgerechtigden. In onderstaande overzichten zijn voor een aantal niveaus de koopkrachteffecten van de volgende maatregelen weergegeven, voor zover van toepassing: 1. de solidariteitsheffing (SH) 2. de vermindering van de arbeidsongeschiktheidsaftrek (AO) 3. de premiemutaties per 1 juli, zoals aangekondigd in het kader van de Voorjaarsnota (PRM) 4. de bevriezing van de uitkeringen vanaf het modale niveau (BEV) 5. de maximering van de vereveningstoeslagen (MT) 6. de verlaging van de kinderbijslag (KB).

Bij de in de tabel opgenomen daglonen zijn, op verzoek van de leden van de P.v.d.A.-fractie, ook de koopkrachteffecten voor een dagloon van f 175 weergegeven. Nog geen rekening is gehouden met het effect van de jongste aanpassing van de wisselkoersen in EMS-verband op de koopkrachtontwikkeling. Deze aanpassing zal in 1982 naar verwachting een gering positief effect op de koopkrachtontwikkeling tot gevolg hebben (ca. 0,1%).

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

Tabel 1. Koopkrachteffecten voor WAO uitkeringsgerechtigden 1982 t.o.v. 1981

Ongewijzigd beleid

Koopkrachtmutatie uit hoofde van

SH 1

AO 2

PRM 3

BEV 4

MT 5

KB 6

Totaal

Gewijzigd beleid

WAO-uitkeringsgerechtigde met vereveningstoeslag zonder kinderen-minimummodaaldagloon f 175-maximum WAO-uitkeringsgerechtigde met vereveningstoeslag met 2 kinderen-minimummodaaldagloon f 175-maximum WAO'er zonder toeslag zonder kinderen-minimummodaaldagloon f 175-maximum WAO'er zonder toeslag met 2 kinderen-minimummodaaldagloon f 175-maximum

2,0

-0,3

0 1,7

-0,1 -1,7

-0,4 -1,3

0 1,4

-0,1 -1,6

-0,6 -1,1

-0,4 1,3

-0,3 -1,0

-0,8 -1,4 -1,0

3,5 3,8 4,5

-2,3 -5,2 -5,2 -5,8

1,7

-0,3

-0,3

-2,3 1,4

-0,1 -1,6 -0,4

~ 1,1

-0,2

-3,4

-4,8 1,2

-0,1 -1,5 -0,6 -0,9 -0,4 -0,2

~ 3,7

-4,9 1,1

-0,3 -1,0 -0,8 -1,2 -1,0 -0,1

-4,4

-5,5

2,0

-0,3

-2,3 1,1

-0,1 -1,8 -0,4

-1,0

-3,3

-4,4 1,0

-0,1 -1,6

-0.7

-1,6

-4,0

-5,0 1,1

-0,2 -1,1 -0.9 -1,5

-3,7

-4,8

1.7

-0,3

-0,3

-2,3 1,0

-0,1 -1,6

-0,3 -0,8

-0,3

-3,1

-4,1 0,9

-0,1

-1,5 -0,6 -1,4

-0,2

-3,8 -4,7 1,0

-0,3 -1,0 -0,8 -1,3

-0,2

-3,6 -4,6

Tabel 2. Koopkrachteffecten voor gehuwde werknemers met 2 kinderen

Onge-

Koopkrachtmutatie uit

Gewij-

Doelstelling wijzigd hoofde van

zigd

regeerakkoord beleid

beleid

1981 SH 1

PRM 3

KB 6

  • minimum'

-1,2

-0,2

-0,3 -1,7 -1-minimum plus -1,0

-0,2 -0,3 -1,5-modaal

-1,2

-0,25 -0,5 -0.2

-2,2 -2-2x modaal

-1,5

-0,6

-0,8

-0,2

-3,0-4x modaal

-1,8

-1,0

-0,3

-0,1

-3,2 -4

1 Het effect van de eenmalige uitkering 1981 op de koopkrachtontwikkeling in 1982 bedraagt -2,3%. Het effect voor 1982 wordt dan berekend uitgaande van een inkomen in 1981 dat f 450 hoger ligt als gevolg van de maatregel.

De eenmalige uitkering 1982 kan nog niet in de beschouwing betrokken worden; een koopkrachtplaatje van de echte minima in 1982 en in 1981 bestaat nog niet.

De leden van de C.D.A.-fractie constateerden dat de cumulatie van een aantal maatregelen kan leiden tot een daling van het netto-inkomensniveau van uitkeringstrekkers. Zij vroegen zich af of dit ook voor werknemers in de particuliere sector en voor grote groepen van overheidspersoneel zou kunnen gelden. Voor werknemers is dit niet eenduidig vast te stellen, gezien de variëteit aan aanpassingsmethoden die in de verschillende ca.o.'s zijn opgenomen. Uitgaande van een brutoverhoging gelijk aan de prijscompensatie, zou zeer globaal gesteld kunnen worden dat bij een inkomen rond f50 000 (ca. 1,5 x modaal) van een nettoachteruitgang sprake kan zijn. Voor het overheidspersoneel ligt dit niveau (eveneens globaal) omstreeks modaal.

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

Dit lagere niveau in vergelijking met de werknemers in de particuliere sector is een gevolg van het feit dat bij de ambtenaren per 1 juli a.s. 1% loonsomtrend wordt ingehouden. De leden van deze fractie informeerden tevens of het genoemde verschijnsel van dalende netto-uitkeringen kan worden voorkomen door alle uitkeringen boven het minimumniveau te verhogen met het percentage van de prijscompensatie per 1 juli a.s. In zoverre het de WAO'ers zonder WAM-toeslag betreft, ofwel de nieuwe gevallen, kan worden gesteld dat met een brutoverhoging van 2,46% per 1 juli a.s. de netto-uitkering van deze groep uitkeringstrekkers grosso modo ongewijzigd blijft. Voor de WAO'ers die wel een WAM-toeslag genieten, d.w.z. de oude gevallen, is deze brutoverhoging onvoldoende om per 1 juli a.s. op een nettogelijk niveau te blijven. De besparing diezou worden bereikt indiende bovenminimale uitkeringen worden aangepast met 2,46%, bedraagt ongeveer f120 min. Dit ombuigingsbedrag ligt derhalve f 30 min. lager dan de opbrengst van f150 min. welke wordt voorzien bij de voorgestelde bevriezing van de bovenmodale uitkeringen. Indien zou worden afgezien van de verlaging van de WAM-toeslagen voorde oude gevallen neemt het voornoemde bevriezingsbedrag af met f25 min. en komt daarmee uit op f95 min. Het verschil met de opbrengst van de huidige voorstellen ter zake loopt dan op tot f55 min. In het geval waarin het besparingsverlies van de f30 min. zou moeten worden goedgemaakt, is een beperking van het minimumloon per 1 juli a.s. noodzakelijk van 0,25%. Wordt tevens afgezien van de verlaging van de WAM-toeslagen en zou dientengevolge een besparingsverlies van f55 min. moeten worden overbrugd, dan zou een beperking van het minimumloon per 1 juli a.s. van 0,4%-punt moeten worden aangebracht. De besparing van 0,25% per 1 juli a.s. zou voor de minima een inkomensachteruitgang van ca. 0,1% betekenen. Aangezien als gevolg van de revaluatie dit jaar een geringere prijsstijging wordt voorzien van eveneens 0,1%, wegen deze effecten tegen elkaar op. Zou de beperking van het minimumloon 0,4% bedragen per 1 juli a.s., dan treedt per saldo een inkomensachteruitgang voor de minima op van 0,05 a 0,1 %. Wat het relatief grote verschil tussen de wettelijke verhoging van het minimumloon en van de prijscompensatie per 1 juli a.s. betreft, waarop de leden van de fractie wijzen, kan worden opgemerkt dat het niet uitgesloten is dat een stijging van het wettelijk minimum met bijna 4,3% per 1 juli a.s. naast een loonstijging in ca.o.'s met in het algemeen een prijscompensatie van bijna 2,5% fricties zal oproepen. Ik wijs er overigens op dat een gelijkloop van minimumloonstijging met loonmutaties in ca.o.'s in de praktijk slechts bij toeval tot stand kan komen. Zo bleef de verhoging van het minimumloon per 1 januari jl. met 2,8% duidelijk achter bij alleen al de prijscompensatie a 3,6% in de ca.o.'s. Eventuele fricties zouden, wanneer de ontwikkelingen op de aanpassingsdatum 1 juli 1982 geïsoleerd worden bezien, wellicht geheel kunnen worden voorkomen, wanneer een gedeelte van de minimumloonstijging ter grootte van ongeveer 1,8% wordt uitgesteld. Dit zou overigens betekenen dat de minimumloonstijging per 1 januari 1983 circa 1,8% groter zou worden dan zou voortvloeien uit een normale toepassing van de wettelijke aanpassingsmechanismen. Zo'n extra verhoging per 1 januari 1983 zou de basis kunnen vormen voor nieuwe fricties op die datum. Verder moet worden bedacht dat -zonder het bestaan van uitstralingseffecten te ontkennen -het uiteraard geenszins zo is, dat een verhoging van het minimumloon welhaast per definitie zou doorwerken in de naastbijgelegen hogere lonen. Ten aanzien van de opmerkingen die de leden van deze fractie maakten over de aanpassingsmechanismen, kan worden gesteld dat het geconstateerde verschil in ontwikkeling van minimumloon en de gemiddelde ontwikkeling van ca.o.-lonen inderdaad is toe te schrijven aan de na-ijling die inherent is aan een indexeringssysteem. Er kan overigens beslist niet Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

van worden uitgegaan dat de kwantitatieve na-ijlingseffecten kleiner zouden worden wanneer de periode van vertraging één jaar zou bedragen. De loonontwikkeling in ca.o.'s kan van jaar tot jaar aanzienlijk verschillen, waardoor bij een vertragingsperiode van 1 jaar de minimumloonstijgingen toch aanzienlijk van de gemiddelde loonverhogingen op dezelfde datum kunnen afwijken. Illustratief in dit verband is wellicht de cijferreeks, opgenomen in tabel 3 (derde kolom) van de bijlage bij brief d.d. 5 maart 1981 betreffende de na-ijlingsproblematiek, die de toenmalige minister van Sociale Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft doen toekomen. Bij een consequent en automatisch volgen van de gemiddelde loonontwikkeling maakt over een langere termijn genomen het budgettair geen verschil of een vertragingsperiode van een heel of een half jaar wordt aangehouden. Exacte berekeningen over kortere termijnen zouden -mede door afwijkingen van de aanpassingssystematiek en loonmaatregelen -op allerhande veronderstellingen moeten worden gebaseerd. Eventuele calculaties zouden daardoor geen helder beeld kunnen verschaffen. Het antwoord op de laatste vraag van deze leden is dat, indien de uitkeringstrekkers per 1 juli dezelfde verhoging zouden ondergaan als de ambtenaren en de trendvolgers, de brutoaanpassing per die datum 1,45% zou bedragen.

De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen of de financiële positie van met name het WAO-fonds de thans voorgestelde maatregel rechtvaardigt. In antwoord hierop deel ik u mede dat zoals ook elders in deze memorie reeds is opgemerkt, de voorgestelde maatregel onderdeel uitmaakt van een pakket van maatregelen dat enerzijds gericht is op het terugdringen van het financieringstekort en anderzijds financiële ruimte schept om werkgelegenheidbevorderende maatregelen te nemen. Overigens zal het Arbeidsongeschiktheidsfonds volgens de laatste ramingen bij ongewijzigd beleid, in tegenstelling tot eerdere verwachtingen, te maken krijgen met een vermogenstekort per ultimo 1982. Voorts wijden de leden van deze fractie een passage aan het regeringsvoornemen tot invoering van een glijdende schaal. Zij vragen -naar aanleiding van een desbetreffende zin in de memorie van toelichting of het inderdaad de bedoeling is in de toekomst maatregelen te treffen vanaf het inkomensniveau voor een uitkeringsgerechtigde, dat gelijk is aan of hoger is dan het modale dagloon. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat de in de memorie van toelichting gebruikte terminologie «uitkeringen, voor zover zij een modaal dagloon te boven gaan» inderdaad een misverstand kan oproepen met betrekking tot de vraag, wat er dient te worden verstaan onder een modale uitkering. Zoals in de brief van de Minister-President van 13 april 1982 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer inzake de financiële problematiek 1982 en 1983 is gesteld, ligt het in het voornemen van de Regering een glijdende schaal in te voeren voor uitkeringen vanaf het modale dagloon. Hieronder worden verstaan uitkeringen, die gebaseerd zijn op het modale dagloon of, met andere woorden, uitkeringen, die 80% (WAO) respectievelijk 75% (WWV) bedragen van een dagloon, dat overeenkomt met het loon van een modale werknemer.

De leden van de V.V.D.-fractie sommen een aantal punten van kritiek op en vragen om deze punten van commentaar te voorzien. Zij stellen allereerst, dat de bevriezing van de sociale uitkeringen boven het modale niveau het verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen aantast. Ook de fractie van de P.P.R. maakte hier een opmerking over. Van een aantasting van het verzekeringskarakter zou naar mijn mening slechts gesproken kunnen worden, wanneer de verzekering zuiver op de gedachte van de equivalentie gebaseerd zou zijn. Weliswaar overheerst in de structuur van de werknemersverzekeringen de equivalentiegedachte, maar ook elementen van solidariteit hebben daarin sinds lange tijd een rol gespeeld. Ik noem daarbij de werking van het minimumdagloon alsook de Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

in het verleden voorkomende bijdragen via de algemene middelen. In de discussie naar aanleiding van de u onlangs toegezonden gespreksnotitie over de herziening van het stelsel van sociale zekerheid zal ongetwijfeld het karakter van de sociale verzekeringen ter discussie staan. Het voert naar mijn oordeel te ver om een tijdelijke maatregel te bestempelen als een aantasting van het karakter van de verzekeringen, waarin zowel equivalentie als solidariteit een rol spelen. Het tweede punt van kritiek van de V.V.D.-fractie houdt in, dat de maatregel zich eenzijdig richt op de groep van bovenmodale uitkeringsgerechtigden. Volgens deze leden dienen bezuinigingsmaatregelen zo gespreid mogelijk te worden genomen. In principe ben ik het met de leden van de V.V.D.-fractie eens, dat bezuinigingsmaatregelen over een zo groot mogelijke groep dienen te worden gespreid. Zoals reeds hiervoor opgemerkt, heeft de Regering zich bij de samenstelling van het pakket maatregelen een tweetal randvoorwaarden gesteld die een andere pakketsamenstelling in de weg stonden. Bedacht zij nog dat in het pakket ook een aantal premieverhogingen voorkomen die opgebracht moeten worden door alle werknemers en de uitkeringsgerechtigden van de werknemersverzekeringen. Waar mogelijk heeft de Regering een spreiding van de effecten zoveel mogelijk nagestreefd. Ten aanzien van het derde punt van kritiek, dat de bovenmodale uitkeringsgerechtigden zowel aan de premiekant als aan de uitkeringskant in de «nivelleringstang» worden genomen, merk ik het volgende op: De verhoging van een aantal premies, de optrekking van de premie-inkomensgrenzen voor de volksverzekeringen alsook de verhoging van de franchise in de WAO-premie gelden voor alle werknemers en uitkeringsgerechtigden met een gegeven inkomen, dus niet alleen voor bovenmodale uitkeringsgerechtigden. Zo gezien kan ik het bezwaar van deze leden niet delen. Op grond van het voorgaande kan ik het niet eens zijn met de leden van de V.V.D.-fractie dat hier sprake zou zijn van een fundamentale wijziging in de structuur van het sociale zekerheidsstelsel. Met de tijdelijkheid van de maatregel heeft de Regering juist beoogd de structuur van de werknemersverzekeringen onaangetast te laten. Hieraan zij nog toegevoegd dat de verhoging van de franchise in de WAO-premie ook bij ongewijzigd beleid, maar dan op iets langere termijn tot stand zou zijn gekomen. De aan het woord zijnde leden vinden voorts het verweer in het nader rapport aan de Koningin om de kortlopende uitkeringen buiten schot te houden niet erg overtuigend. De leden van de R.P.F.-fractie stellen in dit verband de vraag of, nu uitsluitend de WAO en de WWV algemene indexeringsbepalingen kennen, door de voorgestelde maatregel geen ernstige vorm van rechtsongelijkheid wordt gecreëerd. De leden van de P.S.P.-fractie willen weten of na een halfjaar verschil ontstaat tussen uitkeringstrekkers met een WAO/WWV-uitkering enerzijds en die met een ZW/WW-uitkering anderzijds. Zoals opgemerkt in het nader rapport aan de Koningin is bij ZW-en WW-uitkeringen de band met het laatstverdiende loon nog sterk aanwezig. Dat komt tot uitdrukking in de wijze, waarop de ZW-en WW-uitkeringen aan de loonontwikkeling worden aangepast. Die daglonen worden namelijk op grond van de betreffende dagloonregelen aangepast aan de algemene ontwikkeling van het loonniveau in het beroep van de werknemer. De WAO-en WWV-daglonen daarentegen worden telkens per 1 januari en 1 juli ingevolge de in die wetten opgenomen indexeringsbepalingen, waarbij de ontwikkeling van het algemeen loonniveau in het bedrijfsleven bepalend is. Gezien deze verschillen in aanpassingsmethodiek van de verschillende uitkeringen is het ook in de huidige situatie mogelijk dat uitkeringen krachtens WAO en WWV vóór-dan wel achterlopen op die krachtens de WW en ZW. Eerstgenoemde uitkeringen volgens immers de gemiddelde loonontwikkeling in het bedrijfsleven terwijl laatstgenoemde uitkeringen gerelateerd zijn aan de feitelijke lonen in de desbetreffende bedrijfstak.

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

Mede tegen deze achtergrond lijkt het mij aanvaardbaar dat voor een korte periode van een half jaar een geringe discrepantie in de ontwikkeling van de verschillende uitkeringen optreedt. Ik wijs er nog op dat door de voorgestelde bevriezing van het maximumdagloon ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering alle maximale uitkeringen (dus ook die op grond van de Ziektewet en de WW) worden bevroren en de categorie uitkeringen, die het maximumdagloon benaderen, worden afgegrendeld tot het (bevroren) maximumdagloon.

Naar aanleiding van een desbetreffende vraag van de leden van de D'66-fractie wordt opgemerkt dat de in de memorie van toelichting opgenomen koopkrachteffecten een geïsoleerde weergave vormen van de gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel voor de koopkracht van categorieën van uitkeringsgerechtigden.

De leden van de PSP-fractie vragen wat de consequenties van de voorgestelde maatregelen zijn voor ambtenaren; met name gaat het daarbij volgens deze leden om de wachtgeld" en ziektegelduitkeringen voor ambtenaren. Tussen mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en mij is overleg gaande over de vertaling van de voorgestelde maatregelen voor het overheidspersoneel. Dit beraad is nog niet beëindigd, zodat nog geen indicatie van de gevraagde consequenties kan worden gegeven.

De fractie van het G.P.V. vraagt zich af hoe de situatie na afloop van de «bevriezingsperiode» zou zijn, als nog geen definitieve besluiten zouden zijn genomen over de invoering van een glijdende schaal voor bovenmodale uitkeringen. Tegen de achtergrond van de sociaal-economische ontwikkelingen en in het licht van de resultaten van de komende discussie in de Kamer over eventuele herziening van het stelsel van sociale zekerheid zal tijdig, vóór het einde van de door deze leden bedoelde periode, moeten worden bezien welke meer structurele maatregelen per 1 januari 1983 van kracht zullen moeten worden. Voorshands ga ik er vanuit, dat de thans voorliggende regeling van tijdelijke aard is. Het lijdt echter geen twijfel dat het onderhavige wetsontwerp mede bijdraagt tot de noodzaak om tot meer structurele maatregelen ter realisering van besparingen in de collectieve sector te komen. De leden van deze fractie vroegen verder op welk niveau het dagloon zou moeten worden bevroren om f55 min. extra aan ombuigingen te realiseren. Dit extra bedrag aan besparingen zou gerealiseerd worden bij bevriezing vanaf een dagloon van f 126 ofwel ca. 50% van het maximumdagloon. Het hiermee corresponderend brutojaarinkomen bedraagt f 26200. De bevriezing zou in dat geval vanaf een dagloon iets boven het minimumdagloon (ca. f121) moeten plaatsvinden. Voorts informeerden de aan het woord zijnde leden, tot hoeveel extra kosten voor het particuliere bedrijfsleven de thans voorgestelde bevriezingsmaatregel aanleiding zal geven. De fractie gaat er daarbij vanuit, dat extra kosten zullen optreden, waar de uitkeringen ingevolge de Ziektewet worden bevroren, terwijl in ca.o.'s afspraken bestaan over doorbetaling van 100% van het laatstverdiende nettoloon. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat in het wetsontwerp wordt voorgesteld van de uitkeringen ingevolge de Ziektewet alleen de uitkeringen die zijn berekend naar het maximumdagloon -±5% van alle ziekengelduitkeringen -te bevriezen. De overige ziekengelduitkeringen vallen derhalve niet onder de maatregel, zodat het totaalbedrag waarom het hier gaat, slechts enkele miljoenen bedraagt. Overigens ontken ik dat hier sprake zou zijn van een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven. Er treedt slechts een verschuiving op van indirecte lasten (ziekengeldkassen) naar directe lasten (loondoorbetaling). De lagere lasten voor de ziekengeldkassen worden bij de volgende premievaststelling in het premieniveau verwerkt.

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

De leden van de fractie van de R.P.F, pleiten voor een totale herbezinning op het huidige sociale verzekeringsstelsel, opdat principiële keuzen zullen kunnen worden gemaakt. Ook de Regering acht een dergelijke herbezinning van groot belang. Zij meent daartoe een eerste stap te hebben gezet met de toezending aan de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gespreksnotitie over herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Daardoor wordt het mogelijk, dat nog voor het zomerreces een eerste gedachtenwisseling plaatsvindt over uitgangspunten en structuur van het toekomstige stelsel in het licht van veranderende maatschappelijke opvattingen en economische omstandigheden. Mede op basis van die gedachtenwisseling zal een globale keuze worden gemaakt ten aanzien van de richting van uitwerking. Nog dit najaar zal ter zake aan de SER en aan de Emancipatieraad om advies worden gevraagd. Langs deze weg moet het mogelijk worden om de tijdelijke maatregelen te vervangen door structurele. De leden van deze fractie stellen verder de vraag, of de Minister bereid is, aangezien voor het recht op een bovenmodale uitkering ook een «bovenmodale premie» wordt betaald, zich te bezinnen op een bevriezing van deze premies. Onder invloed van de dringende financiële problematiek heeft de Regering zich genoodzaakt gezien, enkele maatregelen in de sfeer van de sociale uitkeringen voor te stellen, die enerzijds geen structurele verandering betekenen en anderzijds een eventuele stelselherziening niet in de weg staan. Bij de discussie over de grondslagen van het stelsel zal ook de vormgeving van de financiering ter sprake komen. Mede gezien de uitvoeringsproblemen, die gepaard gaan met een tijdelijke ingreep in de premieheffing, acht ik een tijdelijke bevriezing van de «bovenmodale premies» niet gewenst. De bevriezing van het maximumdagloon kan geen gevolgen hebben voor het maximumpremiedagloon; dit wordt jaarlijks per 1 januari aangepast, zodat op 1 juli een ingreep onmogelijk is.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 5

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.