Verslag - Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

' Samenstelling: Nypels (D'66), Rietkerk (VVD), Hermsen (CDA), voorzitter, Haas-Berger (PvdA), Keja (VVD), Poppe (PvdA), ondervoorzitter, Weijers (CDA), Spieker (PvdA), Beckers-de Bruijn (PPR), Nijpels (VVD), Moor (PvdA), Korte-van Hemel (CDA', De Korte (VVD), Gerritse (CDA), B. de Vries (CDA), Buurmeijer (PvdA), Toussaint (PvdA), De Graaf (CDA), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Dekker (D'66), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA).

VERSLAG Vastgesteld 16 juni 1982

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de eer omtrent dit in haar handen gestelde ontwerp van wet als volgt verslag uit te brengen.

De leden van de C.D.A.-fractie achtten het onontkoombaar dat in de huidige sombere economische en budgettaire situatie ook in de sociale zekerheid omvangrijke ombuigingen worden gerealiseerd. Tegen die achtergrond wensten zij niet te tornen aan de doelstelling van het kabinet om nog dit jaar in deze sfeer voor een bedrag van 675 min. aan maatregelen te treffen. Hun wens om zo mogelijk nog additionele middelen ten behoeve van het werkgelegenheidsplan ter beschikking te krijgen speelde daarbij mede een rol. Zij waren zich ervan bewust dat zulk een pakket niet gerealiseerd kan worden zonder het nemen van pijnlijke maatregelen. Juist omdat het hier evenwel gaat om maatregelen, die in het bijzonder zwakkere groepen in de samenleving raken, meenden zij dat bij de samenstelling van het pakket bijzondere zorgvuldigheid geboden is, met name in die zin dat ervoor gewaakt wordt dat bepaalde groepen door een cumulatie van maatregelen onevenredig en ook onbedoeld zwaar worden getroffen. Zij waren er niet gerust op dat deze zorgvuldigheid in het thans voorgelegde pakket maatregelen -dat in hoofdzaak nog door het vorige kabinet is voorbereid -tot uitdrukking komt. Zij dachten daarbij in het bijzonder aan de groep bovenmodale uitkeringsgerechtigden. Zagen zij het goed dan wordt deze groep geconfronteerd met de effecten van een vijftal maatregelen, te weten: a. de bevriezing van de uitkeringen vanaf het modale niveau; b. de verlaging van de zogenaamde WAM-toeslagen voor de oude gevallen; c. de verlaging van de kinderbijslag; d. de verhoging van de vereveningsheffing; e. de invoering van de solidariteitsheffing. Kan de Regering aangeven welke het effect van elk van deze maatregelen is op de koopkracht van uitkeringsgerechtigden op respectievelijk het minimumniveau, het modale niveau en op het niveau van het maximum dagloon? Welk «inkomensplaatje» resulteert er dan uiteindelijk voor elk van deze groepen? Kan tevens worden aangegeven wat het effect is van de jongste aanpassing • de wisselkoersen in EMS-verband op de verwachte koopkrachtontwikkeling in 1982?

3 vel

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17468, nr. 4

Hoe verhoudt het negatieve koopkrachteffect voor de minima van deze maatregel zich tot het positieve effect van de revaluatie? Grote moeite hadden deze leden met het feit, dat als gevolg van vorenbedoelde cumulatie het netto-uitkeringsniveau voor grote groepen uitkeringstrekkers zal dalen dank zij een nog steeds voortgaande prijsstijging. Geldt dit ook voor werknemers in de particuliere sector en voor grote groepen van het overheidspersoneel? En zo ja, kan dan globaal worden aangegeven vanaf welke inkomensniveaus dit verschijnsel optreedt? Deze vroegen zich af of het verschijnsel van dalende netto-uitkeringen kan worden voorkomen door alle uitkeringen boven het minimumniveau te verhogen met het percentage van de prijscompensatie per 1 juli a.s. Zij vroegen tevens welke de budgettaire effecten daarvan zouden zijn voor het geval wel en niet wordt afgezien van de verlaging van de WAM-toeslagen voor de zogenaamde oude gevallen. Tevens vroegen zij welke beperking van de verhoging van het minimumniveau per 1 juli a.s. nodig zou zijn om de operatie budgettair neutraal te maken. In welke mate, zo vroegen deze leden, dient ervoor te worden gevreesd, dat het relatief grote verschil tussen de wettelijke verhoging van het minimumloon en van de prijscompensatie per 1 juli a.s. tot spanningen onder in het loongebouw aanleiding zal geven. Is ook daarin een aanleiding gelegen om de verhoging van het minimumloon per die datum enigszins te beperken, bij voorbeeld door middel van een uitschuifoperatie zoals ook in het verleden is geschied. Een vraag die in dit verband bij deze leden opkwam was in welke mate deze discrepanties worden veroorzaakt, doordat bij de huidige aanpassingsmechanismen wordt gewerkt met een naijling van een halfjaar. Zouden die discrepanties kleiner zijn geweest in het verleden, indien gewerkt was met 'n naijling van een vol jaar? Welke zouden de budgettaire consequenties van zulk een veranderd systeem zijn? Een laatste vraag van deze leden was welke verhogingen er voor de uitkeringstrekkers zouden resulteren indien aan hen per 1 juli a.s. dezelfde verhogingen worden toegekend als die welke de ambtenaren en trendvolgers ontvangen op grond van de kennelijk in de Voorjaarsnota neergelegde plannen; zij dachten daarbij met name aan de korting van 1% op de loonsomtrend. Deze leden spraken ten slotte de verwachting uit, dat zij voor de parlementaire behandeling van dit wetsontwerp zouden beschikken over de Voorjaarsnota, opdat een duidelijk zicht zou bestaan op de relatie met de andere daarin voorgestelde maatregelen.

De leden van de P.v.d.A.-fractie deelden de opvatting van de Regering, dat stelselwijzigingen in de sociale zekerheid per 1 juli, zonder dat over de richting van de stelselwijziging uitvoerig overleg heeft plaatsgevonden met maatschappelijke organisaties en de Kamer zeer ongewenst zouden zijn. Hoewel zij er begrip voor hadden, dat de Regering de voorkeur heeft gegeven aan tijdelijke beperkende maatregelen in de sociale zekerheid vroegen zij of de financiële positie van met name het WAO-fonds de noodzaak van een maatregel, zoals thans wordt voorgesteld, rechtvaardigt. Deze leden brachten nog eens hun voorkeur naar voren voor maatregelen die een breder draagvlak hebben, zodat noodzakelijke ombuigingen in gelijke mate rusten op actieven en niet-actieven. Om de voorgestelde maatregelen in juiste samenhang te kunnen beoordelen is inzicht in het totale pakket van de te nemen maatregelen een voorwaarde. Nu de Voorjaarsnota hun nog niet ter kennis was gebracht hadden de leden van de P.v.d.A.-fractie twijfels bij de vraag of de voorgestelde maatregel een bijdrage levert tot een zorgvuldig en voor hen aanvaardbare inkomens-en werkgelegenheidsbeleid. De leden van de P.v.d.A-fractie wezen erop, dat in de memorie van toelichting sprake is van het voornemen in de toekomst een glijdende schaal in te voeren voor uitkeringen voor zover deze het modale dagloon te boven gaan. Zonder nu al een uitspraak te willen doen over de invoering Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

van een glijdende schaal vroegen deze leden of het inderdaad de bedoeling is in de toekomst maatregelen te treffen vanaf het inkomensniveau voor een uitkeringsgerechtigde gelijk aan, of hoger dan het modale dagloon; dat wil zeggen gebaseerd op een dagloon van ongeveer f 175 waar het een 80%-uitkering betreft. Deze leden wezen erop, dat in de terminologie in de memorie van toelichting onduidelijkheid ontstaat over de vraag wat nu verstaan wordt onder een modale uitkering. Zij gaven de voorkeur aan een woordkeus, waarin duidelijk tot uitdrukking komt, dat een modale uitkering 80, respectievelijk 75 procent bedraagt van het modale inkomen. In het naar de Raad van State gezonden wetsontwerp, zo merkten de leden van de P.v.d.A.-fractie op, werd uitgegaan van het bevriezen van uitkeringen vanaf een niveau, waarbij de modale uitkering -d.w.z. een uitkering gebaseerd op een modaal dagloon -geen daling zou ondervinden als gevolg van deze maatregel. Gezien de brief van de Minister-President van 13 april 1982, waarin wordt voorgesteld om, wanneer een glijdende schaal per 1 juli niet zou kunnen worden ingevoerd, de bovenminimale uitkeringen vanaf het modale niveau te bevriezen, kon naar het oordeel van deze leden dit voorstel in overeenstemming worden geacht met het «Goede-Vrijdagakkoord». Het thans voorliggende wetsontwerp strekt verder dan de in het vorige kabinet gemaakte afspraken, nu ook de inkomenspositie van de «modale uitkeringstrekker» en de zich daar juist onder bevindende niveaus worden aangetast. Voor de modale uitkeringstrekker betekent dit een verslechtering van zijn inkomenspositie met 34 gulden per maand, terwijl voor de hoogste uitkeringen een relatieve verbetering ten opzichte van de eerste voorstellen is opgetreden. Is dit laatst genoemde inkomenseffect het gevolg van een bewuste beleidskeuze, zo wilden deze leden weten. De leden van de P.v.d.A.-fractie achtten inkomensdaling beneden het modale uitkeringsniveau als gevolg van deze maatregel een ernstige aantasting van de inkomenspositie van mensen met een lage uitkering. Zij vroegen de Regering inzicht te geven in het inkomensbeeld van verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden, ook in verhouding tot de actieven. Met name vroegen zij naar de netto-inkomensontwikkeling en koopkrachtontwikkeling van vier inkomensniveaus, onderscheiden voor gehuwde werknemers met twee, respectievelijk geen kinderen, te weten: -het minimum-en het modale uitkeringsniveau (bij een 80%-uitkering); -het modale inkomensniveau en het maximumuitkeringsniveau.

Zij zagen daarin graag een onderscheid gemaakt naar de inkomensontwikkeling van actieve werknemers, uitkeringsgerechtigden met aanspraak op WAM-toeslagen, respectievelijk zonder deze toeslagen. Om zowel het onderscheiden als het cumulatieve effect van verschillende maatregelen te kunnen beoordelen, zagen zij dit overzicht graag uitgesplitst naar de effecten van a. het onderhavige voorstel; b. de maximering vereveningstoeslagen; c. de vermindering arbeidsongeschiktheidsaftrek; d. de nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet; e. de premiemutaties per 1 juli, zoals aangekondigd in het kader van de Voorjaarsnota; f. de solidariteitsheffing. De leden van de P.v.d.A.-fractie hechtten voor de definitieve oordeelsvorming veel waarde aan een dergelijk overzicht.

De leden van de V.V.D.-fractie konden moeilijk verhelen, dat zij overwegende bezwaren hadden tegen dit wetsontwerp. Weliswaar noopt de versomberende economische situatie van ons land op korte termijn tot een aantal maatregelen ter verlichting van de financiële problematiek, doch deze leden betwijfelden sterk of de onderhavige maatregel daartoe wel de geschikte was. Zij somden in dat verband de volgende punten van kritiek op:

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

-De beoogde bevriezing van de sociale uitkeringen boven het modale niveau tast het verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen aan. De leden van de V.V.D.-fractie meenden, dat het verzekeringskarakter juist versterking behoeft. -De maatregel richt zich eenzijdig op de groep bovenmodale uitkeringsgerechtigden. Daarmee krijgt de maatregel het karakter van «het pakken» van een bepaalde groep. Dit strookt niet met het door deze leden aangehangen principe van gelijke behandeling. Bezuinigingsmaatregelen dienen volgens deze leden zo gespreid mogelijk genomen te worden. -Door alleen de bovenmodale uitkeringsgerechtigden te bevriezen wordt deze groep nu van twee kanten in de nivelleringstang genomen. Deze leden memoreerden dat recentelijk ook de premie-inkomensgrenzen zeer fors zijn opgetrokken en dat de WAO-franchise dit jaar voor de tweede keer is verhoogd. Kortom, zowel aan de uitkeringsals aan de premiekant is er sprake van verder gaande nivellering. -Op grond van deze drie argumenten konden de leden van de V.V.D.-fractie zich niet aan de indruk onttrekken, dat deze maatregel een fundamentele wijziging in de structuur van het sociale verzekeringsstelsel betekent. Deze structuurwijziging heeft plaats zonder dat daarover door de Sociaal-Economische Raad is geadviseerd en zonder dat de Kamer daarover in het bredere verband van de grondslagennotitie heeft kunnen discussiëren. Het was deze leden opgevallen dat van de werknemersorganisaties het CNV en de VMHP en van de werkgeversorganisaties het VNO en het NCW ter zake ernstige kritiek hadden geuit. De aan het woord zijnde leden vroegen de Minister dan ook deze kritiekpunten van gedegen commentaar te voorzien. De door deze organisaties gehanteerde argumenten brachten de leden van de V.V.D.-fractie tot geen andere conclusie dan dat een meer algemeen geldende korting geboden was. Heeft het kabinet daarvoor met betrekking tot de algemene 4 procentkorting op de kinderbijslag, die tegelijkertijd aan de orde is, niet ook zelf gekozen? Waarom dan daar wel en hier geen algemeen geldende korting gehanteerd? Daartoe is des te meer aanleiding nu het kabinet definitief heeft toegezegd in de loop van het jaar te zullen zorgen voor een financiële voorziening voor de «echte» minima, zoals die ook in 1981 is tot stand gekomen. Daarmee is toch de positie van de laagstbetaalde uitkeringsgerechtigden en de van hen afhankelijke gezinsleden afdoende beschermd? De aan het woord zijnde leden vroegen vervolgens naar het commentaar van de Minister op een drietal alternatieve bezuinigingsmaatregelen met verschillende opbrengstmogelijkheden: A. Wat vindt de Minister van een algemene, eenmalige bevriezing van de uitkeringen per 1 juli? Heeft de bewindsman -toen hij nog vice-voorzitter van de C.D.A.-fractie was -dit ook niet zelf in het begin van dit jaar als noodmaatregel voorgesteld? Heeft dit niet het onmiskenbare voordeel, dat het principe van gelijke behandeling recht wordt aangedaan? Heeft dit niet het voordeel van een hogere bijdrage ter verlichting van de financiële problematiek? Is het juist dat een bevriezing per 1 juli over de gehele linie bijna 1 miljard aan ombuigingsruimte oplevert in plaats van 150 min. conform de onderhavige maatregel? Zou deze forse extra ruimte niet een nog wat hogere financiële voorziening ter compensatie van de «echte» minima mede mogelijk maken en dit alternatief sociaal aanvaardbaar maken? B. Wat vindt de Minister van het voorstel van CNV en VNO, daarmee werkgevers-en werknemersbelangen verenigend, om het minimumloon en daarmee de meeste uitkeringen niet met 4 procent, maar met 2,5 procent per 1 juli te laten stijgen? Beide organisaties bepleiten dit mede vanuit de achtergrond, dat de loontrekkenden dan conform de prijscompensatie per 1 juli van 2,5 procent eenzelfde behandeling ondergaan als de uitkeringsgerechtigden. Zo wordt volgens hen voorkomen dat de sociale uitkeringen sterker stijgen dan de lonen in de marktsector en dat binnen de sociale Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

zekerheidsector verder gaande nivellering plaatsvindt. Is het juist dat deze uitschuif met 1,5 procentpunt (nl. 4-2,5 pet) voor minimumloon en minimumuitkeringen en met 1 procentpunt (nl. 3,5-2,5 pet) voor de bovenminimale uitkeringen te zamen nog dit jaar ca. 300 min. oplevert? Zou dit niet opnieuw extra ruimte voor de «echte» minima kunnen opleveren? C. Wat vindt de Minister van een algemene korting van ca. 0,7 procent voor alle uitkeringen, die evenals de door de leden van de V.V.D.-fractie sterk bekritiseerde maatregel van het kabinet, nog dit jaar een bedrag van f 150 min. oplevert? De uitkeringen zullen dan weliswaar per 1 juli sterker stijgen dan de lonen in de marktsector, maar er treedt geen verder gaande nivellering op. De Raad van State bracht de Regering onder de aandacht, dat de meeste kortlopende uitkeringen (conform WW en ZW) buiten schot blijven. Het was deze leden opgevallen dat het verweer daartegen van de kant van de Minister niet erg overtuigend klonk. Is dit niet een reden te meer voor de Minister om nog eens goed over de zoeven genoemde alternatieven na te denken? De leden van de fractie van D'66 hadden behoefte aan enige nadere informatie alvorens hun standpunt te kunnen bepalen. Zij wilden echter vooropstellen, dat zij konden instemmen met de gedachte dat niet op de komende herziening van het sociale verzekeringsstelsel mag worden vooruitgelopen. Zij waren dan ook verheugd dat de grondslagennotitie sociale zekerheid, op grond waarvan zij met de Regering binnenkort van gedachten zullen wisselen, hen bereikt had. Het werd door hen echter als een gemis ervaren, dat nog niet over de exacte gegevens met betrekking tot de beperking in uitgaven in de sociale zekerheidssfeer beschikt kan worden, zolang de Voorjaarsnota nog niet naar de Kamer is gezonden. De beoordeling van dit wetsontwerp in samenhang met andere te nemen maatregelen werd daardoor in ernstige mate bemoeilijkt, mede doordat de brieven van de Minister-President van respectievelijk 13 april en 12 mei geen totaalbeeld verschaften over de koopkrachteffecten die het geheel van maatregelen zal hebben. Zo refereert de passage in de memorie van toelichting met betrekking tot de uitsplitsing van het bedrag van f675 miljard in meer algemene (375 miljoen) en meer specifieke maatregelen (300 miljoen) aan de brief van 13 april 1982. Het in dit wetsontwerp genoemde ombuigingsbedrag van 150 miljoen komt in de plaats van de invoering van de «glijdende schaal» voor uitkeringen vanaf het modale dagloon en kan beschouwd worden als een van de twee specifieke maatregelen. Tot zover was het deze leden nog duidelijk. Nu echter in de brief van 12 mei besluiten vermeld worden die door het huidige kabinet zijn overgenomen, en één van die besluiten is punt a uit de brief van 13 april (verschuiving per 1 juli van 1% werkgeversaandeel naar werknemersaandeel in de premies ZW, WW en WAO) te vervangen door een verhoging met 1 % per genoemde datum van het werknemersaandeel in de premies WW en WAO, terwijl punt b uit de brief van 13 april (verhoging WW-premie voor werknemers per 1 juli 1982 met 0,5%) naar deze leden aannamen gehandhaafd blijft, raakten zij het spoor bijster. Zij vroegen zich af of de koopkrachteffecten van bovengenoemde premieverhoging en -verschuiving ten laste van de werknemers is meeberekend in de memorie van toelichting opgevoerde berekening van de effecten van dit wetsontwerp op de koopkracht van de individuele uitkeringsgerechtigden. Hetzelfde geldt voor de verlaging van de kinderbijslag in haar effecten op de koopkracht in combinatie met de uit dit wetsontwerp resulterende koopkrachteffecten. Ook de relatie met de Wet Maximering Vereveningstoeslagen (wetsontwerp 17203) zagen de leden graag aangegeven. Voorts waren deze leden van mening dat aan het verzoek van de Raad van State om opheldering omtrent de invloed die het demissionair worden van het kabinet heeft gehad op dit wetsontwerp, onvoldoende is voldaan. Moeten zij concluderen, bij vergelijking van de wetsontwerpen Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

zoals die door de vorige Staatssecretaris en de huidige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn opgesteld, dat het eerstgenoemde niet voldeed aan de financiële taakstelling zoals blijkens de brief van 13 april was overeengekomen? Hoewel deze leden beseften, dat een antwoord op deze vraag minder relevant is, aangezien er inmiddels een nieuw kabinet is aangetreden, maakten zij zich toch ernstige zorgen over de extra negatieve koopkrachteffecten die het resultaat zijn van de bevriezing bij f139 dagloon in plaats van bij f145. Deze leden moesten tot de conclusie komen, dat zij niet eerder een standpunt zouden kunnen innemen als niet in een aantal concrete voorbeelden wordt aangegeven wat de cumulatieve effecten kunnen zijn voor de koopkracht van zowel de minimale als modale en bovenmodale inkomens bij van kracht worden van de volgende maatregelen: -bevriezing per 1 juli van de daglonen op f 139; -verhoging met 1% per 1 juli van het werknemersaandeel in de premies WW en WAO; -verhoging per 1 juli van de werknemerspremie voor de WW met 0,5%; -verlaging per 1 juli van de kinderbijslagwet met 1,7%, naast het niet-verhogen met 2,4% als aanpassing aan de prijsontwikkeling; -de maximering van de vereveningsbijdragen; -toekenning aan de uitkeringstrekkers van de volledige prijscompensatie; -toekenning van een eenmalige uitkering voor de minima aan het eind van het jaar; -de tijdelijke verhoging van de loon-en inkomstenbelasting. Afhankelijk van dit totale koopkrachtplaatje per 1 juli 1982 konden deze leden zich voorstellen, dat zij zouden willen terugkomen op dat deel van het kortgeleden gevoerde debat over de regeringsverklaring, waar de Minister-President het sociaal-economische scenario, zoals neergelegd in het D'66 stuk «Perspectief '86», positief zei te beoordelen. In Perspectief '86 wordt immers voorgesteld gedurende 4 jaar achtereen af te zien van de prijscompensatie en de dan resulterende loonmatiging te compenseren door belastingverlaging. Een nadere beschouwing hierover in relatie tot de thans voorliggende wetsontwerpen en de op korte termijn in voorbereiding zijnde maatregelen, die alle te zamen op onoverzichtelijke en incidentele wijze cumulatieve koopkrachteffecten met zich meebrengen, zouden deze leden op prijs stellen.

Gelet op het afwijzende standpunt dat de leden van de fractie van de P.S.P. al hadden ingenomen tegen de voorgestelde maatregelen in de brieven met betrekking tot de Voorjaarsnota, hadden de leden geen behoefte aan dit wetsontwerp. De leden van deze fractie constateerden, dat met dit voorstel de aanval op de koppeling tussen lonen en uitkeringen definitief wordt ingezet; de ontkoppeling vindt nu immers voor de uitkeringen bovenmodaal plaats. Gezien de ervaringen met wetsontwerpen inzake lonen en uitkeringen waarop het predikaat «tijdelijk» werd geplakt in het recente verleden, vreesden de leden dat ook nu weinig waarde aan het tijdelijke karakter van de bevriezing gehecht hoeft te worden. Ontstaat niet, zo wilden de leden van de fractie van de P.S.P. weten, na een half jaar verschil tussen uitkeringstrekkers met een WAO/WWV-uitkering enerzijds en die met een ZW/WW-uitkering anderzijds? Immers, die koppeling aan de lonen betekent binnen het traject modaaldagloon voor ZW/WW-uitkeringen halfjaarlijks een verhoging, die door de nu voorgestelde maatregel bij WAO/WWV-uitkeringen achterwege blijft. Tot slot vroegen deze leden of meegedeeld kon worden wat de consequenties van de voorgestelde maatregelen zijn voor ambtenaren; met name gaat het hen daarbij om wachtgeld" en ziektegelduitkeringen voor ambtenaren?

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

Voor de algemene kritiek op dit wetsontwerp verwezen de leden van de C.P.N.-fractie naar hun opmerkingen in de verslagen op de wetsontwerpen 17467 en 17439. Deze leden wensten hieraan nog toe te voegen, dat zij het zeer onwenselijk achtten dat door een interim-kabinet, dat steunt op een minderheid in de Tweede Kamer, maatregelen worden genomen, die diep ingrijpen in de inkomenspositie van grote delen van de bevolking -en zeker niet de draagkrachtige -en die geen maatschappelijk draagvlak hebben. De leden van C.P.N.-fractie wilden in het bijzonder van de Regering weten welke de effecten zijn van de onderhavige voorgestelde maatregel voor mensen die ook te maken krijgen met de maatregelen voorgesteld in het wetsontwerp 17203 (maximering vereveningstoeslagen). De leden van de fractie van de S.G.P. hadden grote zorg over de versomberde economische situatie van ons land. Zij erkenden dat deze situatie ertoe noodzaakt op korte termijn een aantal maatregelen te nemen ter verlichting van de financiële problematiek. De aan het woord zijnde leden hadden kennisgenomen van de inmiddels aan het parlement toegezonden notitie over een herziening van het stelsel van sociale zekerheid, waarover zeer binnenkort de eerste gedachtenwisselingen zullen plaatsvinden. Zij waren met de indiener van het voorliggende wetsontwerp van mening dat enige tijd nodig zal zijn voor advisering en nader overleg over deze notitie. Daarom kan met de daarin aangekondigde en ter discussie gestelde maatregelen de datum van 1 juli a.s. niet worden gehaald. Een voorgenomen specifieke maatregel is de invoering van een glijdende schaal voor uitkeringen ingevolge de WAO, de WW en de WWV, voor zover zij een modaal dagloon te boven gaan. De leden van de fractie van de S.G.P. zullen te gelegener tijd gaarne zien bij te dragen aan de discussie over deze maatregel. In afwachting van deze nadere standpuntbepaling wordt nu voorgesteld de uitkeringen krachtens de WAO en de WWV tijdelijk te bevriezen, weer voor zover zij zijn gebaseerd op een modaal of hoger dagloon. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen zich af of de financiële effecten van deze maatregel inderdaad wel tijdelijk zullen blijken te zijn. Wat is het effect van deze bevriezingsmaatregel als deze wordt gevoegd bij de andere voorgestelde maatregelen, waaronder de maximering van de vereveningstoeslagen? Wat is de ontwikkeling van de koopkracht op dit ogenblik exclusief en inclusief de voorgenomen maatregelen?

De leden van de P.P.R.-fractie toonden zich erg geschrokken van dit wetsontwerp. Nog voordat de Kamer met Regering overleg heeft gepleegd over de stelselherziening sociale zekerheid, worden de bovenmodale uitkeringen in de WAO en WW bevroren en alle maximale uitkeringen gefixeerd. De sociale partners worden al helemaal buitenspel gezet. Hoe snel de zaak kan veranderen blijkt uit de tekst van het ontwerp zoals dit oorspronkelijk is aangeboden aan de Raad van State. Toen ging het nog om bevriezing van de daglonen vanaf 145, terwijl in het ontwerp dat de Kamer heeft bereikt het draaipunt bij een dagloon van f139 is gelegd. En dit ten einde de uitgaven in 1982 niet met f 130 miljoen te beperken, maar met f150 miljoen. De leden van de P.P.R.-fractie hadden niet alleen op grond van de inkomenspolitieke effecten overwegende bezwaren tegen dit wetsontwerp, maar misschien nog wel meer vanwege de doorbreking van de verzekeringsgedachte, waarop de werknemersverzekeringen altijd zijn gebaseerd: er zijn premies betaald, de uitkering wordt de premieplichtige echter onthouden. Dit is een wezenlijke wijziging van een van de uitgangspunten van het sociale verzekeringsstelsel en verdient dus niet te worden doorgevoerd dan nadat daarover breedvoerig is gediscussieerd en overeenstemming is bereikt. Nog maar kort geleden is de Wet Herziening Aanpassingsmechanismen in het Staatsblad verschenen. Met een tijdelijke bevriezing worden de uitgangspunten van die wet overhoop gegooid. Dat is in strijd met elk rechtsgevoel, zo oordeelden deze leden.

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

De kans is zeer groot, in feite 100%, dat deze tijdelijke bevriezing ook in 1983 van toepassing zal zijn. Daardoor wordt het begrip «tijdelijk» nogal opgerekt, maar nog erger is, aldus deze leden, dat dan het argument gehanteerd zal gaan worden dat het financieel gezien onwenselijk is de bevriezing ongedaan te maken. Op deze wijze krijgt een dergelijke technische ingreep grote beleidsmatige implicaties: een sluipende herziening van het sociale zekerheidsstelsel. De politieke besluitvorming over de herziening van het sociale zekerheidsstelsel is na aanvaarding van deze tijdelijke wet niet meer echt vrij. Hiertegen hadden deze leden de grootst mogelijke bezwaren. De leden, behorend tot de fractie van de R.P.F., hadden met reserve kennis genomen van het voornemen van de Regering om de uitkeringen krachtens de WAO en de WWV, voor zover zij gebaseerd zijn op een modaal of hoger dagloon, te bevriezen. Zij zeiden reeds bij eerdere gelegenheden gepleit te hebben voor een totale herbezinning op het huidige sociale verzekeringsstelsel. Hoewel zij begrip konden opbrengen voor het feit, dat de toestand van 's Rijks financiën ook bezuinigen op korte termijn vereist, moesten zij constateren, dat deze situatie heeft kunnen ontstaan door het voortdurend uitstellen van principiële keuzen. Zij vroegen of de Minister zich in deze mening kon vinden en in hoeverre de onlangs ontvangen gespreksnotitie over een herziening van het stelsel van sociale zekerheid het maken van deze keuzen dichterbij kan brengen. De nu aan het parlement voorgelegde maatregel draagt, aldus de hier aan het woord zijnde leden, de sporen van haast en onzorgvuldigheid. Het feit, dat uitsluitend de WAO en de WWV algemene indexeringsbepalingen kennen, kan immers nooit een gegronde reden zijn voor een dergelijke ingreep. Wordt hier geen ernstige vorm van rechtsongelijkheid gecreëerd? Deze leden wensten daarom een principiële motivering te vernemen voor het bevriezen van juist déze uitkeringen. Hierbij wilden zij tevens de keus van de grens (in casu modaal) betrekken.

Daarnaast wilden zij benadrukken, dat voor het recht op een bovenmodale uitkering ook een «bovenmodale premie» wordt betaald. Is de Minister bereid, zo vroegen zij, zich ook te bezinnen op een bevriezing van deze premies? Ten slotte informeerden deze leden naar het totale inkomenseffect van alle door de Regering per 1 juli te treffen maatregelen.

De G.P.V.-fractie kon gelet op de noodzaak het financieringstekort te beperken en gelden vrij te maken voor de stimulering van de werkgelegenheid in principe instemmen met het voornemen enige sociale zekerheidsuitkeringen tijdelijk te bevriezen. Uit de memorie van toelichting was echter niet duidelijk geworden hoe de situatie zou zijn na afloop van de bevriezingsperiode, als nog geen definitieve besluiten zouden zijn genomen over de invoering van een glijdende schaal van bovenmodale uitkeringen. Deze fractie was overigens van mening dat de bevriezing wel meer uitkeringen zou mogen omvatten dan alleen de bovenmodale. Om korting op de kinderbijslagbedragen (bovenop de bevriezing) te voorkomen zou gekozen kunnen worden voor de bevriezing van een groter aantal uitkeringen. Op welk niveau zou het dagloon moeten worden bevroren om f55 min. extra aan ombuigingen te realiseren? Met welk niveau jaarinkomen zou dit corresponderen? De G.P.V.-fractie vroeg of de verhoging van het minimumloon per 1 juli aanstaande niet te véél leidt tot het ineenschuiven van de minima en de bovenminima. Zou het geen aanbeveling verdienen om ter voorkoming van het zogenaamde naijlingseffect, de verhoging van het minimuminkomen per 1 juli te beperken tot een aanpassing ten gevolge van de prijscompensatie met 2,5%? Zou daarmee dan niet de mogelijkheid worden geschapen ook alle uitkeringen slechts met dit percentage te verhogen? Wat zou hiervan het extra ombuigingsresultaat zijn? Zou een zodanige bevriezingsoperatie niet tot meer aanvaardbare lastenverdeling en inkomensverhouding kunnen leiden?

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

Tot hoeveel extra kosten voor het particuliere bedrijfsleven zal de thans voorgestelde bevriezingsmaatregel aanleiding geven? Extra kosten zullen immers optreden naar de uitkeringen inzake de Ziektewet worden bevroren, terwijl in ca.o.'s afspraken bestaan over doorbetaling van 100% van het laatstverdiende nettoloon?

Vertrouwend dat de Regering tijdig voor de openbare behandeling op bovenstaande opmerking en vragen schriftelijk zal hebben gereageerd acht de commissie deze hiermee voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Nieuwenhuizen

Tweede Kamer, zitting 1981 -1982, 17468, nr. 4

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.