Nader rapport - Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Zitting 1981-1982

17468

Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982

NADER RAPPORT

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 19 mei 1982, no. 1, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het bovenvermelde ontwerp rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 27 mei 1982, nr. 2289/8220 moge ik U hierbij aanbieden. De Raad van State merkt op, dat het voornemen om nog in 1982 in de sfeer van de sociale uitkeringen te bezuinigen onderdeel vormt van het beleidspakket dat in de brief van de Minister-President aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 april 1982 is aangekondigd. De Raad van State heeft in de toelichting op het wetsontwerp aandacht gemist voor het feit, dat het vorige Kabinet inmiddels demissionair was geworden. Aan deze opmerking van de Raad van State heb ik gevolg gegeven, met dien verstande, dat ook aan de ontwikkeling die nadien heeft plaatsgevonden -t.w. de val van het vorige kabinet en de totstandkoming van een nieuw kabinet -aandacht is geschonken. De memorie van toelichting heb ik in verband daarmee aangepast. De Raad van State merkt voorts op dat hij door het ontbreken van inzicht in het pakket van maatregelen dat naar aanleiding van de besprekingen rond de voorjaarsnota daadwerkelijk genomen zal worden, de aanvaardbaarheid van het onderhavige voorstel niet volledig kan beoordelen.

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 8 juni 1982

De Raad achtte het wenselijk dat de betekenis van het voorstel en de samenhang met eventuele andere te nemen maatregelen tegen de achtergrond van de bijzondere positie waarin het toenmalige Kabinet verkeerde in de toelichting werd aangegeven. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat het huidige Kabinet de besluiten van de Ministerraad van 11 mei 1982 in het kader van de vroege voorjaarsnota, zoals neergelegd in de brief van de Minister-President aan de Tweede Kamer van 12 mei 1982, heeft overgenomen. Eventuele andere maatregelen per 1 juli 1982 met betrekking tot de hoogte van de betreffende uitkeringen dan in die brief van 12 mei 1982 genoemd, worden door het kabinet overwogen. De Raad van State acht het overigens juist, dat thans geen maatregelen worden vastgesteld, welke een wijziging zouden betekenen in de structuur van het sociale verzekeringsstelsel zonder dat daarover door de Sociaal-Economische Raad is geadviseerd. De voorgestelde gedeeltelijke bevriezing van enige sociale zekerheidsuitkeringen biedt de mogelijkheid om zonder op een komende herziening van het sociale verzekeringsstelsel vooruit te lopen reeds in 1982 de uitgaven verband houdende met dat stelsel te beperken. Naar aanleiding van de in dit kader door de Raad gemaakte opmerking, dat door de gekozen methode van bezuinigingen alleen de genieters van langlopende uitkeringen worden getroffen moge ik erop wijzen dat anders dan in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en in de Wet Werkeloosheidsvoorziening (WWV) waarin is voorgeschreven, dat de uitkeringen per 1 januari en per 1 juli worden herzien, in de Ziektewet en de Werkloosheidswet geen bepalingen zijn opgenomen die indexering van de uitkeringen ingevolge die wetten regelen. De verhogingen van deze uitkeringen in verband met de stijging van de lonen is geregeld in de betreffende dagloonregelen en vindt plaats als er in een betreffende bedrijfstak een loonstijging plaatsvindt. Aangezien de aanpassing van de lonen in de diverse bedrijfstakken op zeer verschillende tijdstippen, nl. afhankelijk van de ingangsdatum van de ca.o., plaatsvindt, zou bevriezing op 1 juli tot niet te rechtvaardigen verschillen leiden tussen de verschillende categorieën werknemers. Overigens breng ik nog onder de aandacht, dat niet alle kortlopende uitkeringen door deze regeling buiten schot blijven. Door de bevriezing van het maximumdagloon ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering zullen alle maximale uitkeringen worden bevroren en de categorie uitkeringen, die het maximum benaderen tot het bevroren maximumdagloon worden beperkt. Voorts dient te worden bedacht, dat in de meeste gevallen een WAO-uitkering wordt Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17468, A-C

voorafgegaan door een ZW-uitkering en een WWV-uitkering door een WW-uitkering. De band met het laatstverdiende loon is dan nog sterk, mede blijkende uit de bepalingen dienaangaande in de bovenbedoelde dagloonregelen. Bij nadere overweging heeft het kabinet, gelet op het bedrag van de in de brief van 13 april genoemde besparingen, zich genoodzaakt gezien, de bevriezing van de hier bedoelde uitkeringen te doen ingaan bij een dagloon van f 139 op 1 juli 1982. Het wetsontwerp en de memorie van toelichting zijn in verband hiermee aangepast. Voorts zij nog opgemerkt, dat ik de slotzin van artikel 4 van het wetsontwerp heb laten vervallen. Bij nader inzien is gebleken, dat de tijdelijke werking van de regeling voldoende is vastgelegd door de werking van artikel 1, tweede lid, artikel 2, tweede lid, en artikel 3, derde lid.

Ik veroorloof mij U in overweging te geven het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerp van wet en de overeenkomstig het vorenstaande gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.