Nota naar aanleiding van het verslag - Afwijking van de aanpassingsmechanismen bij de herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 januari 1982

Inhoudsopgave

Tekst

Nr. 6

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG Ontvangen 7 december 1981

Leden van bijna alle fracties hebben beschouwingen gewijd aan en vragen gesteld over de problematiek rondom het onderhavige wetsontwerp. Mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw C. I. Dales, en de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, wil ik ingaan op de gegeven beschouwingen en de gestelde vragen. Door de leden van de C.D.A.-fractie wordt de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregel als onvermijdelijk gekwalificeerd. De term onverlijdelijk duidt op een maatregel waaraan negatieve aspecten kleven, doch waaraan ondanks die negatieve aspecten niet te ontkomen valt. De Regering is zich terdege bewust van die negatieve aspecten. Alleen al het doorbreken van de wettelijke vastgelegde aanpassingssystemen op zich is een negatief aspect van belang. Ik heb dan ook begrip voor de aarzelingen die bij de leden van de P.v.d.A.-fractie leven. De financiële situatie die nog somberder is dan ten tijde van de behandeling van de regeringsverklaring werd voorzien, maakt echter de consequenties van doorwerking in de geïndexeerde inkomens van het effect van de toeslagverwerking in de ca.o.'s in de bouwsector onaanvaardbaar. Het zijn deze financiële consequenties die de leden van de fracties van het C.D.A., de V.V.D., D'66, S.G.P. en G.P.V. tot een positieve opstelling ten opzichte van dit wetsontwerp hebben gebracht. De leden van de P.v.d.A.-fractie merken in dit verband op oog te hebben voor de budgettaire motieven die ons tot het voorstel hebben gebracht terwijl de leden van de P.P.R.-fractie budgettaire overwegingen op zich zelf als legitiem kwalificeren. Verderop in deze nota ga ik nader in op de exacte omvang van deze financiële consequenties. Daarnaast is in de overwegingen betrokken, dat de in de ca.o. voor het bouwbedrijf overeengekomen operatie volgens partijen bij de ca.o. een kostenneutraal karakter heeft. Dat houdt in, dat de inkomenspositie van de gemiddelde bouwvakker door die operatie zelf geen wijziging ondergaat. Doorwerking zou uiteraard een positief effect op de geïndexeerde inkomens hebben en derhalve tot een uiteenlopende ontwikkeling van trendsettende en geïndexeerde inkomens leiden. De leden van de V.V.D.-fracties spreken in deze van een schijnreden. Reden is volgens deze leden de onaanvaardbare verzwaring van de collectieve uitgaven van een consequent toepassen van de Wet aanpassingsmechanismen. Ik hecht eraan hiertot uitdrukking te

3 vel

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

brengen, dat het feit, dat de gemiddelde bouwvakker van de operatie als zodanig financieel niet beter wordt, het nemen van de beslissing, zoals gezegd op budgettaire gronden naar mijn mening onvermijdelijk, meer aanvaardbaar maakt en in die zin en met die bedoeling in de memorie van toelichting is vermeld. Deze memorie van toelichting is naar het oordeel van de leden van de C.D.A.-fractie erg mager. Zij herinneren in dit verband aan de fundamentele discussies die destijds bij de behandeling van de Wet aanpassingsmechanismen zijn gevoerd. Inderdaad is de memorie strak en beknopt van opzet. Juist het feit, dat destijds zo diepgaand is gediscussieerd maakt het mijns inziens mogelijk om ten aanzien van het hier aan de orde zijnde voorstel beknopt te zijn. Ik wil deze leden er in dit verband aan herinneren, dat rondom de toeslagverwerking destijds twee zaken aan de orde zijn geweest. In de eerste plaats de vraag of toeslagverwerking al dan niet zou moeten doorwerken in mini-mumloon en sociale uitkeringen. Over deze vraag heeft destijds een diepgaande discussie plaatsgevonden, waarbij een meerderheid van de Kamer uiteindelijk deze vraag positief heeft beantwoord. In de tweede plaats de vraag of de doorwerking van de bouwtoeslagverwerkingen van 1 juli en 31 december 1978 in de bouwc.a.o. op incidentele basis al dan niet zou moeten worden voorkomen. Ook ik vind, dat het effect van toeslagverwerking moet doorwerken. Ook thans is er sprake van een incidentele doorbreking van dat beginsel. Deze leden vragen zich dan ook ten onrechte af of uit het feit, dat thans in tegenstelling tot twee jaar geleden de hele component toeslagverwerking wordt geëlimineerd moet worden afgeleid, dat ik van oordeel zou zijn, dat deze component beter uit het aanpassingsmechanisme verwijderd zou kunnen worden. Louter vanwege juridisch" en uitvoeringstechnische redenen wordt voorgesteld het effect van de hele component «toeslagverwerking» over de periode ultimo april -ultimo oktober 1981 te elimineren, daarbij met nadruk in aanmerking nemend enerzijds, dat het effect voor het overgrote deel wordt veroorzaakt door de bouwtoeslagverwerking en anderzijds dat de te verwachten toeslagverwerkingen in de ca.o.'s voor het schilders-en voor het stucadoorsbedrijf normaal in minimumloon en uitkeringen zullen doorwerken. De leden van deze fractie zeggen tot deze vraagstelling te zijn gekomen, doordat het sedert het van kracht worden van de Wet aanpassingsmechanismen telkenmale noodzakelijk bleek wettelijke maatregelen te treffen om de hoogte van de aanpassing te beperken. Deze constatering van deze leden is niet geheel juist. Het ging om tijdelijke afwijkingen die met name ook ten doel hadden een gelijkloopte realiseren tussen minimumloon en overige lonen. Per 1 juli 1980 en 1 januari 1981 betroffen het tijdelijke afwijkingen naar beneden, per 1 juli 1981 daarentegen is tijdelijk naar boven afgeweken, dat wil zeggen is het middel van de voorindexering toegepast. Vastgesteld moet dan ook worden, dat afgezien van de eliminatie van het effect van de bouwtoeslagverwerking per 1 januari 1982 minimumloon en uitkeringen het niveau bereiken dat zij ook zonder bedoelde tijdelijke afwijkingen zouden hebben bereikt. Er mag derhalve niet geconcludeerd worden, dat met de koppelingsmechanismen te hoog gegrepen zou zijn, ook niet in die zin, dat zij tot hogere aanpassingen leiden dan die welke met de inkomenspolitieke doelstellingen van de Regering sporen. Uit het bovenstaande blijkt, dat in antwoord op een desbetreffende vraag van het lid van de G.P.V.-fractie, dat niet is overwogen een permanente voorziening te treffen om de component «toeslagverwerking» uit de aanpassingsmethodiekte elimineren. De leden van de P.v.d.A. brengen opnieuw de naar hun inzicht gebrekkige geschiktheid van de regelingsloonindex als maatstaf voor de periodieke aanpassingen van de geïndexeerde inkomens naar voren. Ik ben het met deze leden eens, dat de component «toeslagverwerking» in wezen een over het algemeen zeer fors na-ijlingsaspect in zich bergt. De leden van de P.S.P.-fractie spreken in dit verband van een achterstand.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

De toeslagen waar het om gaat, zijn immers in het verleden ingevoerd en geleidelijk aan op steeds grotere schaal toegepast. Van die invoering en uitgebreidere toepassing ondergaat de regelingsloonindex geen invloed, dit in tegenstelling tot de index van de verdiende lonen. Eerst de verwerking van toeslagen in de schaallonen komt in de regelingsloonindex tot uitdrukking. Dit onderdeel van het aanpassingsmechanisme kan dan ook leiden tot schoksgewijze verhogingen van de geïndexeerde inkomens waarmee in feite een opgelopen achterstand wordt overbrugd. Het meenemen van de component «toeslagverwerking» in het aanpassingsmechanisme geeft aan, dat het ook gewenst is deze achterstand te overbruggen. Het gaat hier dan ook uitdrukkelijk om een incidentele afwijking van dit beginsel, waarbij -zoals gezegd -naar mijn mening het feit, dat de gemiddelde bouwvakker geen profijt van de operatie heeft, de beslissing meer aanvaardbaar maakt. Het is overigens duidelijk, dat uitsluitend kijkend naar deze component, een koppeling aan de verdiende lonen, waarin de invoering en de geleidelijke groei van toeslagen tot uitdrukking komen, enig voordeel biedt. Het zou schoksgewijze aanpassingen als gevolg van toeslagverwerking voorkomen. Mijn ambtsvoorganger heeft bij brief van 21 november 1980 de Kamer ingelicht over de technische merites van het volgen van de index van de verdien-de lonen. Met name is in deze brief gewezen op het feit, dat de na-ijling in het algemeen bij de index van de verdiende lonen aanmerkelijk groter is dan die bij de regelingslonen. De vraag van de leden van de fractie van de P.v.d.A. om een beter aanpassingsmechanisme in studie te nemen beantwoord ik, zij het met een zekere terughoudendheid, positief. Ik wil in dat verband constateren, dat het huidige aanpassingsmechanisme een in hoge mate verfijnd karakter heeft met een zeer gecompliceerde uitvoeringstechniek, hetgeen op zich zelf afbreuk doet aan de doorzichtigheid en helderheid van de systematiek. De leden van de V.V.D.-fractie poneren de stelling, dat met de voorgestel-de afwijking van het aanpassingsmechanisme een begin wordt gemaakt met het koppelen op afstand van het minimumloon en van de uitkeringen aan de regelingsloonindex. Ik kan deze stelling niet onderschrijven. Het gaat met het onderhavige wetsvoorstel immers om een incidentele afwijking van de aanpassingsmethodiek en niet om een principiële wijziging van de aanpassingsystematiek. De stelling kan te meer niet worden onderschreven als het begin bij het huidige wetsvoorstel zou worden gelegd. Het is niet de eerste keer dat incidenteel van de uitkomsten van de aanpassingsmethodiek wordt afgeweken. Bovendien wordt ingevolge de wettelijke aanpassingssystematiek de mutatie van de regelingsloonindex al niet exact gevolgd, maar worden op die mutatie enige schoningen en niveautoerekeningen toegepast. Ook de leden van de P.P.R.-fractie maken een kanttekening van meer principiële aard. Zij gaan ervan uit dat wordt voorgesteld nu voor het eerst ook de looncomponent «herstructurering» buiten het kader van de wettelijke aanpassingsmechanismen te houden. Dit is een misverstand. Al sinds de in-voering van de Wet herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum, valt deze looncomponent buiten de wettelijke aanpassingssystematiek. Zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting ligt dit anders voor de aanpassingssystematiek van de salarissen van ambtenaren. De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden willen vernemen of en hoe de nadelen van de voorgestelde eliminatie van de toeslagverwerkingen wellicht later zouden kunnen worden gecorrigeerd. Met deze vraag wordt wellicht gedoeld op een mogelijkheid, dat aan de voorgestelde eliminatie van de toeslagverwerkingen wellicht later een recht tot een extra verhoging zou kunnen worden ontleend. Een dergelijke opbouw van een claim lijkt mij onjuist; daarmee kan wel een erg zware last op de toekomst komen te rusten. Anderzijds mag niet worden uitgesloten, dat in de toekomst een argument van deze aard een rol zal kunnen spelen bij de Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

beoordeling van de vraag of zich omstandigheden voordoen die een bijzondere verhoging van het minimumloon en daarmee van de sociale minima, wenselijk maken. Dezelfde leden vroegen ook of eliminaties van toeslagverwerkingen in de toekomst kunnen worden voorkomen. Het spreekt vanzelf, dat afwijkingen van de aanpassingsmethodiek zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Het is echter niet uitgesloten dat zich in de toekomst weer omstandigheden voordoen die daartoe, ondanks alle bezwaren, nopen. Leden van verschillende fracties stelden vragen met betrekking tot de omvang van de budgettaire effecten bij een wel doorwerken van de loonmutaties in de bouwsector. De exacte gevolgen van de mutaties in de bouwsector op de regelingsloonindex zijn eerst enige dagen geleden duidelijk geworden. Uit berekeningen van het CBS blijkt dat het effect van de toeslagverwerkingen kleiner en van de herstructurering aanzienlijk groter is dan bij de opstelling van de memorie van toelichting door de Regering werd verondersteld. Zoals gezegd zijn voor de wettelijke aanpassingsmechanismen (WAM) uitsluitend de toeslagverwerkingen relevant en voor de trandmethodiek zowel de toeslagverwerkingen als de herstructurering. De door de leden van de fracties van de P.v.d.A., de V.V.D. en het G.P.V. gestelde vragen zullen aan de hand van een bijgestelde becijfering worden beantwoord. De budgettaire effecten kunnen nu als volgt worden vastgesteld:

extra uitgaven per jaar op transactiebasis in miljoenen guldens, ten laste van: Sociale

Rijks-

Totaal fondsen

begroting

-sociale voorzieningen (WAM)

ca. 165

ca. 35

ca. 200 -salarissen van ambtenaren en werknemers in de gesubsidieerde en gepremieerde sector (trend)

ca. 230

ca. 1170

ca. 1400

Totaal

ca. 400

ca. 1200

ca. 1600

Rekening moet worden gehouden met het feit, dat de wijzigingen in de bouwsector medio 1981 van kracht zijn geworden. Een onverkorte toepassing van het trendbeleid zou een nacalculatie over de tweede helft van het jaar 1981 met zich meebrengen. Het verschil van de extra uitgaven op kasbasis in 1982 met de bovengenoemde bedragen zou met name door deze nacalculatie worden veroorzaakt. De uitgaven op kasbasis zijn dan te ramen op ca. 200 + (IV* x 1400) = ca. f2300 min. in 1982. De nieuwe cijfers, een uitgavenvergroting in 1982 a f 2,3 mld in plaats van de in de memorie van toelichting voorlopig en globaal geraamde f 1,6 mld., onderstreept het belang van het onderhavige voorstel. Het zal aan de hand van het bovenstaande duidelijk zijn, dat deze berekening voor wat betreft de trend betrekking heeft op extra salariskosten ten laste van de collectieve uitgaven. Dit in antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van het C.D.A. Leden van vele fracties hebben gevraagd naar de omvang van nog bestaande toeslagen, zowel in als buiten de bouwsector, die wellicht nog in de schaallonen zouden worden verwerkt. Het gebruik van toeslagen is een tamelijk wijdverbreid verschijnsel. Voor wat betreft de in de (nabije) toekomst te verwachten toeslagverwerking zij opgemerkt, dat ik in dat kader niet over concrete informatie beschik. Sinds jaren is wel een aantal ontwikkelingen waar te nemen en er is geen reden om voorshands aan te nemen dat die ontwikkelingen zich in de toekomst niet verder zullen voordoen. Ik doel hier onder andere op het volgende:

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

  • het verwerken van toeslagen of delen daarvan vindt veelal plaats op momenten dat de afstand tussen c.a.o.-lonen en feitelijk betaalde lonen door c.a.o.-partijen te groot wordt bevonden; b. het streven van met name werknemersorganisaties om variabele loonbestanddelen geheel of gedeeltelijk te vervangen door vaste loonbestanddelen. Voorts zij opgemerkt, dat de sinds dit jaar sterk in de belangstelling staan-de toeslag voor vuil-en onaangenaam werk steeds bredere toepassing vindt. Met een verwerking van deze toeslag voor bepaalde categorieën werknemers moet wel worden rekening gehouden al valt over het moment waarop en de mate waarin thans niets met zekerheid is te zeggen. Tot slot mag in dit verband de (nieuwe) toeslag voor de 5-ploegendienst niet onvermeld blijven. In bepaalde sectoren in met name de industriële sector moet met invoering van deze toeslag worden gerekend. Eventuele verwerking daarvan in de toekomst lijkt minderwaarschijnlijk, omdat deze toeslag geen verband houdt met de prestatie van de werknemer, maar meer met zijn (onaangename) arbeidstijden. Deze toeslag is te vergelijken met bij voorbeeld de toeslag voor weekenddienst, nachtarbeid e.d. waarvan ook in het verleden verwerking vrijwel niet heeft plaatsgevonden. De leden van de P.v.d A.-fractie vroegen hoe de index van regelingslonen er bij voorbeeld de laatste 10 jaar zou hebben uitgezien als de bouwc.a.o. er niet in was opgenomen, respectievelijk er juist geheel ongeschoond in zou zijn verwerkt. De leden van de fractie van de P.S.P. vragen hoe tot nog toe de verwerking van toeslagen invloed heeft gehad op de regelingsloonindex en de daaraan gekoppelde uitkeringen en het minimumloon. De door het CBS berekende en gepubliceerde regelingsloonindex bevat de volledige doorwerking van de bouwc.a.o. Het is niet doenlijk nu nog na te gaan hoe de index er zonder bouwc.a.o. of bepaalde delen van loonmutaties in die ca.o., of zonder toeslagverwerkingen in het algemeen zou hebben uitgezien. Om een indruk te geven van de toeslagverwerkingen die gedurende de afgelopen periode van ca. 10 jaar hebben plaatsgevonden, heb ik een lijst van toeslagverwerkingen in grotere ca.o.'s in een bijlage bij deze nota opgenomen. De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen naar een cijfermatig overzicht van het verschil in ontwikkeling van de index van regelingslonen (geschoond en ongeschoond) vergeleken met toepassing van een index van verdiende lonen over een periode van circa 10 jaar. Een zo lange reeks van een geschoonde index van regelingslonen is niet aanwezig. De huidige aanpassingsreeks, waarin de verschillende looncomponenten worden onderscheiden, startte in december 1978. Ook een toepassing van een index van verdiende lonen kan niet cijfermatig worden aangegeven. Het staat immers niet vast hoe deze toepassing geweest zou zijn. Wellicht kan de beste indruk worden verkregen uit de vergelijking die de SER periodiek maakt naar aanleiding van adviesaanvragen inzake eventuele bijzondere verhogingen van het minimumloon. Deze indruk kan over de gehele periode genomen slechts globaal zijn, aangezien niet steeds dezelfde reeks van verdiende lonen in de vergelijking kon worden betrokken. De cijfers kunnen derhalve ook niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld.

Advies

Betreft periode

Verschil mutatie verdiende Aonen minus regelingslonen

1970/1971

+1,4% 17-1-1975

1971/1972

+1,2% 1972/1973

+0,4% 16-6-1978

okt.'73/okt.'76

-1,2% 16-10-1981

okt.'76/okt.'79

+1,6%

De leden van de V.V.D.-fractie vroegen, van wanneer de nu verwerkte toeslagen in de bouwc.a.o. dateren.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

Dienstjaren-en diplomatoeslagen in de ca.o. voor het bouwbedrijf bestonden al in het begin van de jaren zestig. Sommige diplomatoeslagen gaan nog verder terug. Sindsdien zijn echter in de hoogte en de werkingssfeer van de toeslagen regelmatig wijzigingen opgetreden. Het is dan ook niet goed te zeggen van wanneer de toeslagen in de omvang waarin zij thans zijn verwerkt, dateren. Ook de leden van de fractie van de P.P.R. vragen meer informatie over de wijzigingen in de bouwc.a.o. Naast de bovengenoemde toeslagen zijn geen andere toeslagen in de schaallonen verwerkt of naast de schaallonen toegekend. Er is derhalve geen sprake van een loondifferentiatie in verband met vuil, onaangenaam of zwaar werk, zoals deze leden opperden. De in de bouwc.a.o. toegepaste herstructurering houdt in, dat het aantal loon-/functiegroepen is teruggebracht van 8 tot 5, en daarnaast een invoering van garantieweeklonen. Bij de vaststelling van deze garantieweeklonen is onder meer rekening gehouden met een verwerking van de eerdergenoemde toeslagen. De leden van D'66 vroegen naar de juistheid van een bericht van het Amb-tenarencentrum op 7 februari 1980, volgens welke de op 31 december 1978 verwerkte toeslagen in de bouwsector ultimo 1979 weer extra in de toeslagen zijn opgenomen. Ik beschik niet over informatie waarmee dit bericht kan worden bevestigd. Er zijn in ieder geval geen wijzigingen in de desbetreffende ca.o.'s opgetreden, waarmee dat mogelijk zou zijn gemaakt. Het is uiteraard wel denkbaar dat in de praktijk sinds 31 december 1978 door individuele werkgevers weer grotere toeslagen boven de schaallonen zijn verleend. De leden van de fractie van de P.S.P. vragen welke andere toeslagverwerkingen dan die in de bouwsector met het onderhavige wetsvoorstel worden geëlimineerd. De mutatie van de gehele looncomponent «toeslagverwerking» over de referentieperiode ultimo april tot en met ultimo oktober 1981 zou per 1 januari 1982 het niveau van deze categorieën van inkomens met 0,47% verhogen. Daarvan is 0,44% toe te schrijven aan de toeslagverwerkingen in de ca.o. voor het bouwbedrijf en 0,03% aan toeslagverwerkingen in andere collectieve loonregelingen. De leden van de fracties van de S.G.P. en de P.S.P. vroegen naar cijfers met betrekking tot te verwachten toeslagverwerkingen in de kleinere ca.o.'s in de bouwsector. Tot nog toe bestaat alleen enig inzicht in overeengekomen wijzigingen in de ca.o. voor het schildersbedrijf. Geraamd wordt dat een daarin overeengekomen toeslagverwerking een effect van gemiddeld ca. 13% op de schaallonen in die ca.o. zal hebben. Gezien het gewicht van deze ca.o. in de regelingsloonindex, zou daarvan een effect van wellicht 0,1% op die index uitgaan. Dit staat echter nog niet vast. De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen om een toelichting omtrent de instrumenten waarmee de Regering denkt de doelstellingen betreffende de koopkrachtontwikkeling in 1982 onverkort te handhaven. Blijkens de meest recente raming wordt met behulp van de tot dusver genomen maatregelen de uoelstelling om de koopkrachtdaling van het mini-mumloon te beperken tot 1 % gerealiseerd. Mochten zich in de loop van 1982 ontwikkelingen voordoen waardoor de gestelde grens dreigt te worden overschreden, dan zal de Regering zich alsnog beraden op de te nemen maatregelen. De leden van de fractie van de C.P.N, achtten de voorgestelde afwijking een onaanvaardbare aantasting van de aanpassingsmechanismen van het minimumloon en de sociale uitkeringen. Zij vroegen naar de gevolgen voor het minimumloon en de uitkeringen bij de diverse hoogten. De voorgestelde eliminatie van de toeslagverwerking resulteert in een bruto effect van 0,47% op alle niveaus, hetgeen voor de verschillende niveaus overeenkomt met een koopkrachteffect in 1982 ten opzichte van 1981 variërend tussen de 0,3% en 0,4%. De leden van de P.S.P.-fractie plaatsten kritische kanttekening bij het feit dat aan de indiening van het wetsontwerp bij de Tweede Kamer geen adviesprocedure bij de Sociaal-Economische Raad is voorafgegaan.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

Zoals reeds is aangegeven in de memorie van toelichting moest met het oog op de zeer beperkte tijd van een adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad worden afgezien. Ik heb dit ook bij brief van 1 december jl. aan de voorzitter van de Sociaal-Economische Raad doen weten. Overigens is het niet zo dat de Raad zich nooit over de onderhavige problematiek zou hebben uitgesproken. Ik moge verwijzen naar het advies van 5 oktober 1979 inzake de aanpassingsmechanismen van minimumloon en sociale uitkeringen. In tegenstelling tot hetgeen deze leden menen is wel advies aan de Raad van State gevraagd en ontvangen. De Raad kon zich met het ontwerp verenigen. In verband daarmee was de Raad van oordeel, dat openbaarmaking van het advies achterwege kon blijven. Overigens is er geen sprake van een ingrijpen in de nettonettokoppeling van de sociale minima aan het minimumloon, zoals deze leden stellen. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen zich af of het geen zaak werd toe te werken naar een trendsettend in plaats van een trendvolgend beleid van de overheid. Zoals is aangegeven in de op 16 november 1981 uitgesproken regeringsverklaring blijft de Regering uitgaan van een trendvolgend beleid. Daarvan uitgaande zal de problematiek rond de doorwerking van de bouwc.a.o. in de ambtenarensalarissen in het overleg met de ambtenarenorganisaties worden gebracht. De leden van de fractie van de P.P.R. vroegen hiernaar. Wellicht meenden zij, dat het onderhavige wetsontwerp zich uitstrekt tot de ambtenarensalarissen. Dit is uitdrukkelijk niet het geval. De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen zich af wat de gevolgen zouden zijn als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt. De Regering meent dat eerst zal moeten blijken of geen overeenstemming kan worden bereikt. Alsdan zal worden bezien welke consequenties dit zal hebben.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. M. denUyl Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

BIJLAGE

Lijst van belangrijke toeslagverwerkingen in de afgelopen periode van circa 10jaar. Ten einde enerzijds de afstand tussen de c.a.o.-en feitelijke beloning niet te groot te doen worden en anderzijds het variabele loondeel relatief te verkleinen, vindt verwerking van toeslagen vaak met golfbeweging plaats. Een dergelijke golf heeft zich voorgedaan in de jaren 1969-1972. Ter illustratie daarvan mogen de volgende voorbeelden dienen. -Meubelindustrie (24000 wns.): 1-4-1970-verwerking van 10% prestatietoeslag. -Suikerverwerkende industrie (16000 wns.): 1-1-1970-verwerking 15% overwerktoeslag. -Tuinbouw (21000 wns.): 1-1-1970-verwerking 5% prestatietoeslag. -Beroepsgoederenvervoer (60 000 wns.): 31-12-1972-verwerking van 6% en afschaffing van de waarderingspremie. -Bankbedrijf (60000 wns.): 1-1-1969-verwerking 3% gratificatie; 1-1-1972-verwerking 2% gratificatie. -Confectie-industrie (24000 wns.): 1-1-1972 -verwerking 3% o.d.1. -Bouwbedrijf (250 000 wns.): 1-7-1971 -verwerking 10% tariefdervingstoeslag. -Stukadoorsbedrijf (8100 wns.): 1-7-1971 -verwerking 10% tariefdervingstoeslag. -Timmerfabrieken (9000wns.): 1-1-1971 -verwerking 10% garantiepremie; 1-7-1971 -verwerking 5% o.d.1. -Havens A'dam/R'dam (16000 wns.): 2-2-1969 -verwerking van 13% tarief dervingstoeslag. -Baggerbedrijf (6000 wns.): 1-4-1969-verwerking 5% prestatiepremie: 1-4-1970-verwerking 5% prestatiepremie. -Baksteenindustrie (4600 wns.): 1-3-1970-verwerking van 15,9% tariefpremie. -Betonwarenindustrie (10000 wns.): 1-4-1969 verwerking van 16% oververdiensten. -Schoenindustrie (4000 wns.): 1-1-1969 verwerking van 5% o.d.1. -Schildersbedrijf (33000 wns.): 1-8-1971 verwerking van 10% tarieftoeslag. -Grafische industrie (41 000 wns.): 1-2-1970 -verwerking van 3% bomilo. Tussentijds: 1-3-1975 afschaffing waarderingstoeslag.

Vanaf 1977/1978 doet zich een nieuwe golfbeweging voor, zoals o.a. uit de volgende c.a.o.-mutaties blijkt: -Houthandel (8000 wns.): 1-6-1978-verwerking van 13% diverse toeslagen. -Baggerbedrijf (6000 wns.): 1-4-1977 -verwerking van 7% prestatiepremie. -Betonwarenindustrie (10000 wns.): 1-3-1977 -verwerking van 9,5% prestatietoeslag; 1-7-1978-verwerking van 5% prestatietoeslag. -Schildersbedrijf (33000 wns.): 1-7-1978-verwerking van 5% o.d.'; 1-1-1979-verwerking van 5% prestatietoeslag; 13-7-1981 -verwerking di-ploma-en diensttijdtoeslag en een gedeelte van de prestatietoeslag. -Bouwbedrijf (250 000 wns.): 1-7-1978-verwerking 5% o.d.'; 1-1-1979 -verwerking 5% prestatiebeloning; 1-7-1981 -verwerking diploma-en diensttijdtoeslag en een gedeelte van de prestatiebeloning. -Wasserijen (10500 wns.): 1-1-1977-verwerking 15% tariefdervingstoeslag. -Apothekersassistenten (6 000 wns.): 1-1-1977 -verwerking 10% prestatietoeslag. -Graanbedrijf (7 000 wns.): 1-1-1977 -gedeeltelijke verwerking diverse toeslagen. -Pluimveehandel-en industrie (5 000 wns.): 1-4-1977-verwerking van ' o.d. = ondernemingsgewijze differentiatie.

5,5% prestatietoeslag.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

1 o.d. = ondernemingsgewijze differentiatie.

-Timmerfabrieken (9 000 wns.): 31-12-1977 -verwerking van 10% prestatietoeslag. -Houtwarenindustrie (3500 wns.): 1-1-1977 -verwerking van 5% prestatietoeslag. -Meubelindustrie (24000 wns.): 1-9-1978-verwerking en afschaffing diverse toeslag. -Zuivelindustrie (21000 wns.): 1-4-1978-verwerking van 3%; 1-4-1979 -verwerking van 2% prestatiepremie. -Stukadoorsbedrijf (8500 wns.): 1-7-1978 -verwerking van 5% o.d.1; 1-1-1979-verwerking van 5% prestatietoeslag. -Bakkersbedrijf (21000 wns.): 1-4-1979 -verwerking loononderzoektoeslag. -Horecabedrijf" adm. personeel: 1-7-1979 -invoering en verwerking van een 13de maand. -Beroepsgoederenvervoer (60 000 wns.): 1-1-1978 -verwerking en afschaffing diplomatoeslag.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 6

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.