Verslag - Afwijking van de aanpassingsmechanismen bij de herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 januari 1982

Inhoudsopgave

Tekst

VERSLAG Vastgesteld 7 december 1981

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid' heeft de eer over dit in haar handen gestelde ontwerp van wet als volgt verslag uit te brengen. De leden, behorende tot de C.D.A.fractie, aanvaardden de in dit wetsontwerp voorgestelde maatregel als onvermijdelijk. Niettemin waren zij van oordeel, dat de in de memorie van toelichting gegeven motivering erg mager is. Met name was het hun opgevallen, dat op geen enkele wijze werd verwezen naar de nogal fundamentele discussie, die destijds bij de behandeling van de Wet aanpassingsmechanismen in het najaar van 1979 over deze problematiek is gevoerd. Is de Regering die discussie vergeten, of achtte zij haar niet relevant voor de onderbouwing van de thans voorgestelde maatregel? Juist tegen de achtergrond van die discussie waren deze leden van oordeel dat de thans voorgestelde ingreep niet voldoende wordt gemotiveerd door de simpele stelling, dat de consequenties van de toeslagverwerking «niet aanvaardbaar» zijn. Dit is met name ook het geval, omdat thans in tegenstelling tot twee jaar geleden de hele component toeslagverwerking uit de index van de regelingslonen werd gelicht. Zij vroegen zich af of hieruit wellicht geconcludeerd moet worden dat de Regering eigenlijk van oordeel is dat deze component beter uit het indexeringsmechanisme verwijderd kan worden. Zij kwamen mede tot deze vraag, daar het sedert het van kracht worden van de Wet aanpassingsmechanismen telkenmale noodzakelijk bleek wette-Ii]ke maatregelen te treffen om de hoogte van de aanpassing te beperken. Moet daaruit wellicht worden afgeleid, dat de koppelingsmechanismen toch wat te hoog gegrepen zijn, ook in die zin, dat zij tot hogere aanpassingen leiden dan die welke met de inkomenspolitieke doelstellingen van de Regering sporen? Ten slotte was het deze leden niet geheel duidelijk hoe de mededeling, dat de doorwerking van de toeslagverwerkingen en de herstructureringen in de salarissfeer zouden resulteren in een structurele verzwaring van de collectieve lasten met f 900 min., moet worden opgevat. Wordt met deze f900 min. gedoeld op de totale stijging van alle salarisuitgaven in de collectieve sector, of alleen op dat deel, dat resulteert in een verzwaring van collectieve lasten? Indien dit laatste het geval is, kan de Regering dan ook meedelen hoeveel de stijging van de totale salarispost bij volledige doorwerking zou bedragen?

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1981-1982,17199, nr. 4J De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden met gemengde gevoelens kennisgenomen van het onderhavige wetsontwerp. Zij wezen erop dat het voorstel van de Regering om per 1 januari 1982 eenmalig een bepaalde component van de regelingsloonindex buiten beschouwing te laten, voortvloeit uit de reeds meermalen door deze leden naar voren gebrachte, gebrekkige geschiktheid van de regelingsloonindex zelf, om als maatstaf voor de feitelijke inkomensontwikkeling in de particuliere sector te worden gebruikt bij de periodieke aanpassingen van minimumloon, sociale verzekeringsuitkeringen en salarissen in de collectieve sector. Als men echter zo'n maatstaf bij gebrek aan beter toch gebruikt, veroorzaakt een eenmalig afwijken nog grotere nadelen. Op zich zelf immers heeft het gebruik van de regelingsloonindex al tot gevolg gehad dat de onderhavige toeslagen niet zijn meegeteld bij vorige herzieningen van minimumloon, sociale uitkeringen en overheidssalarissen. De bedoeling van het aanpassingsmechanisme om een overeenkomstige inkomensontwikkeling van particuliere en collectieve sector te bereiken werd daardoor maarten dele gerealiseerd, zo merkten zij op. Het onderhavige voorstel betekent thans, dat de in het verleden opgelopen achterstand ten opzichte van de feitelijk verdiende lonen niet alleen wordt gecontinueerd, maar nu ook voor de toekomst structureel wordt vastgelegd. Deze gang van zaken is een illustratie van de genoemde ontoereikendheid van de regelingsloonindex, die de feitelijke inkomensontwikkeling vertraagt -en, voor zover toeslagen niet in de schaallonen worden verwerkt, in het geheel niet -weergeeft. Deze leden waren het dan ook niet eens met het argument van de Regering, dat het wel meerekenen van de onderhavige toeslagen een ongelijke ontwikkeling zou doen ontstaan tussen enerzijds de feitelijke lonen in het bedrijfsleven en anderzijds het minimumloon, de uitkeringen en pensioenen. Dat de in de bouwc.a.o. overeengekomen wijziging op dit moment kostenneutraal verloopt is weinig relevant voor de vraag hoe op langere termijn de verschillende inkomensniveaus bij elkaar in de pas blijven lopen.

De leden van de P.v.d.A.-fractie spraken dan ook de vrees uit dat bij handhaving van de regelingsloonindex ook in de toekomst situaties als de onderhavige zullen ontstaan, waarin sociale fondsen en overheid een schoksgewijze aanpassing zouden moeten dragen ten gevolge van verwerking van tot dan toe in de regelingslonen buiten beschouwing gebleven elementen van de inkomensontwikkeling in de particuliere sector. Zij vroegen of de Regering mededeling kan doen van de mate waarin in diverse ca.o.'s toeslagen voorkomen, die in de toekomst ook in de schaallonen verwerkt zouden kunnen gaan worden. Bovendien vroegen zij om gegevens over de vraag in hoeverre het opgenomen zijn van de bouwc.a.o. met zijn periodieke toeslagverwerkingen in de regelingsloonindex over de loop der jaren een specifieke in-vloed heeft gehad op de trend. Kunnen cijfers worden gegeven waaruit blijkt hoe de index er bij voorbeeld de laatste 10 jaar zou hebben uitgezien als de bouwc.a.o. er niet in zou zijn opgenomen, respectievelijk er juist geheel ongeschoond in zou zijn verwerkt? In het algemeen vroegen deze leden naar een cijfermatig overzicht van het verschil in ontwikkeling van de index van de regelingslonen (geschoond en ongeschoond) vergeleken met de toepassing van een index van de verdien-de lonen voor dezelfde periode. De leden van de P.v.d.A.-fractie onthielden zich, vanwege hun bovengenoemde bezwaren tegen de voorgestelde operatie, vooralsnog van een oordeel over de aanvaardbaarheid van het wetsontwerp. Zij hadden oog voor de budgettaire motieven, die de Regering tot het voorstel hebben gebracht. Doorvoering van de uit de regelingsloonindex voortvloeiende herzieningen van het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zou -zeker in combinatie met de overeenkomstige problematiek ten aanzien van ambtenaren en trendvolgers -de moeilijkheden om het werkgelegenheidsbeleid voor 1982 te kunnen financieren, zeker vergroten. Deze leden zouden daarom van de Regering willen vernemen of en hoe naar haar mening de nade-

  • Tweede Kamerzitting 1981-1982, 17199, nr.lfc

len van de voorgestelde eliminatie van de toeslagverwerkingen voor een ook in de tijd gelijk oplopende inkomensontwikkeling wellicht later geheel of ten nadele zou kunnen worden gecorrigeerd, dan wel in ieder geval voor de toekomst kunnen worden voorkomen. Bij de vaststelling van het huidige in-dexeringsmechanisme stuitte de gedachte om de periodieke herzieningen te baseren op de statistiek van verdiende lonen vooralsnog op technische bezwaren aan hun kant. De leden van de P.v.d.A.-fractie meenden bij deze gelegenheid de Regering opnieuw te moeten vragen een beter aanpassingsmechanisme in studie te nemen. Dat leek hun te meer noodzakelijk omdat er in de collectieve sector uit de op basis van deze «geschoonde» trend vastgestelde ruimte wel vergelijkbare toeslagen en herstructureringen moeten worden gefinancierd. Ten slotte vroegen deze leden een nadere toelichting op de stelling, dat het effect van doorwerking van de toeslagen in de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector in 1982 anderhalf maal zo groot zou kunnen zijn als het structureel te verwachten effect op jaarbasis van ca. f900 min.

De leden van de V.V.D.-fractie waren het met de strekking van het wetsontwerp geheel eens. Zij hadden wel het gevoel dat het kabinet de voornaamste reden van deze ingreep, namelijk de verzwaring van de collectieve uitgaven zonder dit wetsontwerp, zoveel mogelijk op de achtergrond hield. Kan het kabinet nog eens duidelijk vertellen hoe groot de totale verzwaring van de collectieve uitgaven op kasbasis en op transactiebasis voor 1982 zou zijn zonder deze maatregel? Het argument dat, ervan uitgaande dat de in de ca.o. voor het bouwbedrijf overeengekomen wijziging kostenneutraal verloopt, uit dien hoofde een ongelijke ontwikkeling zou ontstaan tussen enerzijds de feitelijke lonen en anderzijds het minimumloon, de uitkeringen en de pensioenen achtten deze leden minder sterk. De argumenten ter zake van de P.v.d.A.-fractie bij eerdere gelegenheden waren deze leden bepaald wel gaan aanspreken. Men heeft een systematiek (nl. de WAM) of men heeft hem niet. In het eerste geval moet de Regering geen schijnreden geven waarom zij er van af moet wijken. Dit geldt zeker bij eliminering van de verwerking in de schaallonen van relatief recente toeslagen. Van wanneer dateren de nu verwerkte toeslagen in de bouwc.a.o.'s, zo vroegen deze leden. Wat is de reactie van de Regering op de stelling, dat hier een begin gemaakt wordt met het koppelen van het minimumloon en van de uitkeringen op afstand van de regelingsloonindex? Zou het ook niet eerlijker tegenover de betrokkenen zijn dit ronduit te erkennen en zulks te motiveren met de onaanvaardbare verzwaring van de collectieve uitgaven van een consequent toepassen van de WAM? Hoeveel onverwerkte toeslagen zijn er nog over? Tot welk bedrag zouden die, aannemende dat ze in één jaar verwerkt zouden worden, de collectieve uitgaven verder verzwaren? Wat zou het effect ongeveer zijn op de koopkrachtontwikkeling van het minimumloon, de eerder bedoelde uitkeringen en de pensioenen, aldus vroegen de leden van de fractie vande V.V.D.

In overeenstemming met het standpunt, ingenomen tijdens het debat over de aanpassingsmechanismen in december 1979 konden de leden van de fractie van D'66 zich in beginsel wel verenigen met het voorstel om de toeslagverwerkingen in de c.a.o.-lonen in de bouwsector voor de doorberekening in minimumloon en sociale uitkeringen buiten beschouwing te laten. Ook ditmaal zal de toeslagverwerking geen wijzigingen in de werkelijke lonen van de bouwvakkers veroorzaken. Deze leden zouden echter nader geïnformeerd willen worden over de juistheid van een bericht van het Ambtenarencentrum op 7 februari 1980. Volgens dit bericht zou het gedeelte van de bouwtoeslagen dat per 31 december 1978 in het basisloon werd verwerkt, ultimo 1979 weer extra in de toeslagen zijn opgenomen.

De leden, behorende tot de P.S.P.-fractie hadden eveneens enkele vragen en opmerkingen bij het voorliggende wetsontwerp.

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. 4'

Het lijkt een verdedigbare stelling dat de kostenneutrale wijzigingen van de bouwc.a.o. niet leiden tot een koopkrachtverbetering van de minima. Toch vroegen deze leden zich af in hoeverre de koopkrachtverbetering die zou voortvloeien uit de toeslagverwerking in de bouwc.a.o. niet gezien behoort te worden als het inlopen van een reeds aanwezige achterstand. Had, zo wilden de leden van de P.S.P.-fractie weten, het buiten beschouwing laten van de tamelijk substantiële toeslagen in de bouw bij de nettonettokoppeling niet steeds een lagere dan gerechtvaardigde hoogte van de minima tot gevolg gehad? Een correctie daarop leek deze leden dan ook meer voor de hand te liggen. Kan de Regering in dit verband meedelen in welke mate tot nu toe de verwerking van toeslagen invloed heeft gehad op de indexregelingslonen en het daaraan gekoppelde minimumloon en sociale verzekeringen? De leden van de P.S.P.-fractie zouden graag van de Regering vernemen welke andere toeslagen dan die in de bouwc.a.o., en met welk verwacht effect, door invoering van deze wet buiten werking worden gesteld. Is bij benadering aan te duiden welke de gevolgen zullen zijn van het effect van de toeslagverwerking in de ca.o.'s, met name in de bouw, na 1 januari 1982? Kan de Regering toelichten welke andere instrumenten zij zich voorneemt toe te passen om haar doelstellingen betreffende de koopkrachtontwikkeling in 1982 onverkort te handhaven? Met betrekking tot de doorwerking van de bouwc.a.o. in de salarissen van werknemers in de collectieve sector wilde de leden van de P.S.P.-fractie weten wat de gevolgen zullen zijn indien in het arbeidsvoorwaardenoverleg geen overeenstemming wordt bereikt over het voorkomen van een structurele verzwaring van tenminste f 900 min. in 1982 als gevolg van de hogere regelingsloonindex? Het had de leden van de P.S.P.-fractie verbaasd dat geen gewag werd gemaakt van een advies van de Raad van State noch van de SER. Ziet de Regering geen aanleiding alsnog adviezen te vragen over het nu door de Regering voorgestelde ingrijpen in de nettonettokoppeling en hettrendmechanisme? De leden van de fractie van de C.P.N, waren van mening dat dit wetsontwerp een onaanvaardbare aantasting vormt van de minima en de sociale uitkeringen. Kan de Minister een cijfermatig overzicht geven van de gevolgen van dit wetsontwerp op het minimumloon en -uitkeringen, gespecificeerd naar de verschillende hoogten daarvan?

Het voorkomen van ongewenste consequenties ten gevolge van toeslagverwerkingen met name in de c.a.o.-lonen in de bouwsector voor wat betreft de doorwerking in minimumloon en enkele uitkeringen en pensioenen leek de leden van de S.G.P.-fractie inderdaad een onderwerp voor de aandacht. Evenwel hadden zij nog wel enkele vragen. Zijn er naast de bouwc.a.o.'s nog andere sectoren waarin ca.o.'s gelden, waarbij een zelfde problematiek zich kan of zal voordoen als de onderhavige? Zijn er voorts cijfers bekend over de andere aanzienlijk kleinere ca.o.'s in de bouwsector ter zake? Hoewel de memorie van toelichting spreekt over marginale beïnvloeding, kunnen deze toch nog beeldverstorend zijn. Lijkt het in het licht van de complexe problematiek op sociaal-economisch en financieel terrein niet zaak heen te werken naar trendsettend in plaats van trendvolgend beleid van de overheid?

De leden van de P.P.R.-fractie toonden zich in hoge mate teleurgesteld aangezien wederom wordt afgeweken van de bij wet vastgelegde doorberekening in de regelingsloonindex van de toeslagen in de bouwca.o. en ook de looncomponent «herstructurering» buiten het kader van de wettelijke aanpassingsmechanismen wordt gehouden. Deze leden herinnerden zich, dat het vorige kabinet in de schriftelijke stukken ter voorbereiding van de plenaire behandeling van de Wet aanpassingsmechanismen had gesteld, dat mogelijke toekomstige toeslagverwerkingen in beginsel zouden moeten Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr. A

doorwerken in het aanpassingsmechanisme. Uitgangspunt van het bruto aanpassingsmechanisme blijft immers de welvaartsvaste koppeling aan de regelingsloonindex. Slechts budgettaire overwegingen, hoe legitiem die ook zijn, gaven het vorige kabinet aanleiding de systematiek te doorbreken. Het huidige kabinet doet precies hetzelfde, ondanks het feit dat twee van de huidige regeringsfracties in december 1979 niet bereid waren het toenmalige kabinet te volgen. De teleurstelling van de leden van de P.P.R.-fractie moet uit deze ommezwaai worden begrepen. Immers, er kan in die korte tijd toch geen wijziging in het principiële standpunt zijn gekomen, zo dat wat onder de noemer herstructurering in de bouwc.a.o.'s wordt gewijzigd, onthouden wordt aan de minimumloners en de mensen die van een sociale uitkering moeten leven? In dit verband vroegen deze leden meer informatie te verkrijgen over de aard van de herstructurering van de loonschalen. Betreft het extra verhogingen voor vuil, zwaar of onaangenaam werk? Indien dat het geval is, hoe moeten deze leden dan de toekomstige ontwikkeling inschatten die -zoals het er naar uitziet -gekenmerkt zal worden door een ontwikkeling naar meer loondifferentiatie dan nu het geval is, een tendens waarbij initiële en groepsbeloning worden uitgewisseld tegen loondifferentiatie, met name tot uitdrukking komende in de componenten vuil, onaangenaam en zwaar werk. Die effecten zouden niet mogen doorwerken in de sociale uitkeringen, zo oordeelden deze leden. Ten slotte vroegen deze leden mee te delen waarom in het ambtenarenoverleg niet gepoogd wordt al het nodige te doen om doorrekening niet of slechts beperkt plaats te doen vinden. Is een dergelijke marge in de besluitvorming bij voorbaat kansloos? Deze leden zouden dit in hoge mate betreuren. Een kabinet, dat bij voorbaat het hoofd in de schoot legt en dat dan maar met paardemiddelen aankomt, biedt een weinig opwekkend schouwspel. De G.P.V.-fractie ging akkoord met de hier voorgestelde afwijking van het wettelijke aanpassingsmechanisme. Wel kon nog een aantal aanvullende vragen worden gesteld. Hoe wijd verspreid is op dit moment nog het voorkomen van aparte toeslagen op de basisionen, en van welke van deze toeslagen mag worden verwacht dat deze binnenkort ook in de schaallonen zullen worden verwerkt? Is ook overwogen om een permanente wettelijke voorziening te treffen om, zonder dat speciale wetgeving nodig is, verwerking van toeslagen in de schaallonen te elimineren uit de bestaande index? Zou daarom een rekening houden met de looncomponent «herstructurering» in het kader van de wettelijke aanpassingsmechanismen (voor zover het minimumloon, uitkeringen en pensioenen aangaat) niet aanbevelenswaardig zijn? In het rapport van de beide informateurs wordt rekening gehouden met een extra beslag op de collectieve uitgaven van f 1600 min. De memorie van toelichting noemt bedragen van f 275 + f 900 min. Willen de bewindslieden het verschil tussen beide totaalbedragen verklaren?

Vertrouwend, dat de Regering tijdig voor de openbare behandeling op bovenstaande opmerkingen en vragen schriftelijk zal hebben gereageerd, acht de commissie deze hiermee voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Hermsen De griffier van de commissie, Nieuwenhuizen

Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17199, nr.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.