De stemmingen in verband met het wetsontwerp Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982 - Handelingen Tweede Kamer 1981-1982 22 juni 1982 orde 11

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsontwerp Tijdelijke bevriezing enige sociale zekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982 (17486) en over: de motie-Brouwer over een gedeeltelijke ontkoppeling van uitkeringen en lonen (17468, nr. 9).

©

De Voorzitter: Het is mij gebleken,dat de op het wetsontwerp voorgestelde amendementen voldoende worden ondersteund. Mij is gevraagd om heropening van de beraadslaging. Ik stel voor, aan dat verzoek te voldoen. Daartoe wordt besloten.

©

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van de Partij van de Arbeid is, zoals wij ook gisteren al gesteld hebben, enigzins overvallen door de vérstrekkende amendementen op wetsontwerp 17468, die door VVD, CDA en ook door D'66 zijn ingediend. Immers, het wetsontwerp betreft de bevriezing van de bovenmodale uitkeringen; uitkeringen dus in het kader van de sociale zekerheid. De desbetreffende amendementen strekken verder; in plaats van de voorgestelde korting in de sfeer van de sociale zekerheid, wordt nu voorgesteld het wettelijk minimumloon aan te tasten, namelijk door het wettelijk minimumloon per 1 juli niet met de wettelijke verhoging van 4,3% te verhogen, maar slechts met 2,46%. Bij aanvaarding van één van deze amendementen kan niet alleen de situatie ontstaan dat meer categorieën uitkeringsgerechtigden onder wet zouden vallen -ik wijs hierbij onder meer op de vervolgingsslachtoffers -maar ook die dat loontrekkenden op het niveau van het minimumloon onder de werkingssfeer van deze wet zouden worden gebracht. Dit noopt mij ertoe, nog een aantal vragen aan de Regering te stellen. Wat betekent een eventuele aanvaarding van dergelijke amendementen voor de inkomenspositie van de minimumloontrekkers, ook waar de wettelijke verhoging inmiddels is vastgesteld en is gepubliceerd in de Staatscourant? Zal de Minister bij eventuele aanvaarding van dit amendement door de Kamer deze verlaging ook uitvoeren en, zo ja, zal hij dat ook per 1 juli doen? Wat betekent dit dan voor de al uitgebrach-(stuk nr. 12) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

©

De Voorzitter: Ik constateer, dat dit amendement is verworpen met dezelfde stemverhouding als het vorige. Artikel II wordt zonder stemming aangenomen. De beweegreden wordt zonder stemming aangenomen. Het wetsontwerp wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PSP en de CPN tegen dit wetsontwerp hebben gestemd.

School-en cursusgeld Examengeld Sociale zekerheid

te voorschriften met betrekking tot de beloning van vakantiewerkers? Wat is het benodigde bedrag om bij een verlaging van het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen, zoals door CDA, VVD en ook door D'66 is voorgesteld, de echte minima weer zodanig te compenseren dat hun koopkrachtverlies weer op nul kan worden gesteld? Wat betekent de uitspraak van de Minister dat hij aanvaarding van deze amendementen ontraadt? Is deze mede gebaseerd op de uitvoeringsproblemen? Nog nadrukkelijker vraag ik naar de relatie tussen het ontraden en de betekenis die dit kabinet toekent aan de stellingname dat het zich oriënteert op het regeerakkoord van het kabinet-Van Agt II, waarvan één van de wezenlijke uitgangspunten bestaat uit een inkomensbeleid, gericht op een inkomensbeleid van -1 voor de minima tot -4 voor vier keer modaal. Hoe rijmt de Minister het ontraden, waar deze amendementen, gezien het inkomensbeeld en de beleidsvoornemens van de Regering zelf, in strijd zijn met het meerderheidsbesluit van het kabinet-Van Agt II over de Voorjaarsnota? Wat zal de Minister doen met de wetsontwerpen maximering vereveningsbijdragen en verlaging kinderbijslag, indien, ondanks zijn ontraden, de Kamer toch voldoende steun geeft aan een van beide amendementen? Wat betekent het voor de opstelling van de fracties van CDA en D'66 dat de Minister beide amendementen heeft ontraden? Met name vraag ik de fractie van D'66 hoe zij, indien één van amendementen wordt aangenomen, een inkomensbeeld kan accepteren dat zoveel afwijkt van de afspraken in het regeerakkoord van het kabinet-Van Agt II -dat toch ook het oriëntatiepunt is voor het kabinet-Van Agt III -en van hun eigen uitspraken dat zij, 15 als maximale achteruitgang voor de minima zouden accepteren. Welke betekenis moet volgens de fractie van de VVD gehecht worden aan de publiekelijke uitspraken van de geachte afgevaardigde de heer Nijpels dat de bejaarden bij een eventuele daling van de minima hiervan verschoond zouden blijven? Als de koop kracht van de AOW-uitkeringen met 2,5% daalt, hoe denkt deze fractie dit dan voor alle AOW-ers te kunnen compenseren? Als het toch zo uitdrukkelijk in de bedoeling van de fracties van het CDA, de VVD en D'66 lag het wettelijk minimumloon te verlagen, dringt zich de vraag op waarom deze fracties dit niet aan de orde hebben gesteld tijdens het debat over de regeringsverklaring, dan wel waarom deze fracties niet met een initiatiefwetsontwerp van deze strekking zijn gekomen, dat dan door de Kamer op zijn merites beoordeeld had kunnen worden. Wij waren van mening dat een beroep op de Kamer op grond van artikel 83 van het Reglement van Orde mogelijk zou zijn geweest. Dit artikel bepaalt dat een amendement ontoelaatbaar is, 'indien het een strekking heeft, tegengesteld aan die van het wetsontwerp, of indien er tussen de materie van het amendement en die van het wetsontwerp geen rechtstreeks verband bestaat'. Vooral het laatste lijkt hier aan de orde te zijn. Wij zien er echter van af, een stemming in de Kamer uit te lokken over de toelaatbaarheid van de amendementen van het CDA en de VVD en van D'66, hoezeer wij ook vinden dat een deel van elk van de amendementen, namelijk waar het over het wettelijk minimumloon gaat, niets met het wetsontwerp inzake de bevriezing van bovenmodale uitkeringen te maken heeft. Echter, een zo belangrijke zaak als de aantasting van het minimumloon mag niet worden afgedaan op de formele gronden van een reglement van orde. Wij hebben een ander voorstel aan de Kamer. Het is duidelijk dat tussen de materie die in elk van de amendementen van het CDA en de VVD en van D'66 wordt geregeld, en de besluitvorming over de Voorjaarsnota een nauwe band bestaat. Mijn collega Wöltgens zal hierover vanmiddag nog spreken. Naar ons oordeel kan de Kamer dan ook over deze amendementen geen beslissing nemen alvorens de besluitvorming over de Voorjaarsnota is afgerond. Om die reden verzoeken wij de Kamer de stemmingen over de amendementen van het CDA en de VVD op stuk nr. 10 en van D'66 op stuk nr. 8 en daarmee over het gehele wetsontwerp 17468 èn, vanwege de samenhang, eveneens de stemmingen over de wetsontwerpen 17203 en 17467 uitte stellen tot het moment waarop de beslissingen over de Voorjaarsnota zijn genomen.

De Voorzitter: Mevrouw Ter Veld heeft zojuist twee dingen gedaan. In de eerste plaats is zij nog op de materie ingegaan. Dat is in een derde termijn toegestaan, maar gezien de spreektijdbeperking van deze week moet ik van de totale spreektijd van de Partij van de Arbeid daarvoor enkele minuten aftrekken. Dat geldt ook voor andere fracties, die nader aan het debat daarover zouden willen deelnemen. Vervolgens heeft zij een voorstel van orde gedaan. Zij heeft de Kamer namelijk verzocht, de stemmingen over de amendementen van het CDA en de VVD op stuk nr. 10 en van D'66 op stuk nr. 8 en daarmee over het gehele wetsontwerp 17468 èn, vanwege de samenhang, eveneens de stemmingen over de wetsontwerpen 17203 en 21501-67 uit te stellen tot het moment, waarop de beslissingen over de Voorjaarsnota zijn genomen. Beide onderwerpen zijn in discussie.

©

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb gisteren nog spreektijd overgehouden, dus die paar minuten kunnen er nog wel van af! Mevrouw Ter Veld heeft een aantal zaken in haar derde termijn aan de orde gesteld, waarover wij hier gisteren nog uitvoerig hebben gedebatteerd. Vooral heeft mij verrast dat de hele problematiek van de inkomenspolitiek en de consequenties van ons amendement aangaande het 'inkomensplaatje', in het bijzonder voor de minima, weer aan de orde komen. Wij hebben hier gisteren nog eens heel uitdrukkelijk gezegd -ik wil niet dat dit wordt weggepoetst -dat in onze benadering centraal staat dat wij verlaging of zelfs bevriezing van de kinderbijslag een heel onaangename zaak vinden. Van die verlaging worden vooral de gezinnen met kinderen het slachtoffer. Ons beleid is erop gericht, de gezinnen met kinderen zoveel mogelijk te ontzien. De verlaging van het minimumloon wordt vooral voor gezinnen met veel kinderen voor een belangrijk deel gecorrigeerd. Gisteren is systematisch geprobeerd, dit element weg te poetsen. Ik heb er politiek gezien begrip voor dat dit vandaag weer wordt geprobeerd. Een derde termijn lijkt mij geschikt voor het in discussie brengen van een nieuw element en niet voor het herhalen van de discussie die gisteren is gevoerd.

©

Mevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik wijs de woordvoerster van de PvdA erop dat wij niet te ver verwijderd willen raken van de daling van de inkomens met min 1% en min 4%. In de tussentijd is echter een en ander veranderd; de economische situatie is nogal wat slechter geworden

en daarom zijn wij noodgedwongen akkoord gegaan met een eenmalige uitkering in 1982. In afwachting hiervan willen wij echter proberen, het te besparen bedrag te halen in 1982 dat hiervoor is uitgetrokken. Wij achten ons eigen amendement beter dan het amendement van de fracties van het CDA en de VVD, ook omdat hierin een zeer onevenwichtige verhouding wordt gecreëerd in de achteruitgang in inkomen tussen minima zonder en minima met kinderen. De minima zonder kinderen leveren in ten behoeve van uitkeringstrekkers met kinderen. Het zelfde vinden wij overigens van het wetsvoorstel van de Minister, omdat ook hierin een onevenwichtig beeld wordt gecreëerd. Wij stemmen dus voor ons eigen amendement, maar tegen dat van CDA en VVD en tegen het wetsvoorstel van de Minister. Wat uitstel van de bezuinigingen betreft: De PvdA dringt vaker aan op uitstel, zeker als het om moeilijke beslissingen gaat. Wij gaan hierin niet mee, zeker niet, omdat wij de technische argumenten van de Minister voor de uitvoering onderschrijven. Verder is de cumulatie van enkele maatregelen in de voorbereiding van de drie onderhavige wetsontwerpen uitvoerig aan de orde geweest.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Erkent mevrouw Groenman dan niet dat het inkomensbeeld dat ontstaat door het feit dat de beide wetsontwerpen door haar amendement verstrekkend worden veranderd in de vorm van een aanpassing van het minimumloon, een onderwerp is dat juist bij de Voorjaarsnota uitgebreid aan de orde moet komen?

Mevrouw Groenman (D'66): Mijns inziens zullen er bij de behandeling van de Voorjaarsnota geen nieuwe argumenten worden toegevoegd omdat de gehele cumulatie al uitvoerig aan de orde is geweest. Er is al gesproken over het totale 'inkomensplaatje'.

©

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Er is ons gevraagd wat de relevantie is geweest van de opmerking die de heer Nijpelsin het openbaar heeft gemaakt met betrekking tot dit wetsontwerp. De heer Nijpels doelde op ons voornemen in het licht van ons verkiezingsprogramma, dat de AOW bij koppeling op afstand buiten schot blijft. In het amendement (17486, stuk nr. 10) is er duidelijk sprake van een zogenaamde uitschuif waarbij het minimumloon én alle uitkeringen gekoppeld in het geding zijn. Wij achten de opmerking die zoeven werd gemaakt dus niet relevant. Wij willen dat er nu over wordt gestemd omdat deze zaak geen uitstel gedoogt en omdat dit wetsontwerp ook nog in de Eerste Kamer moet worden behandeld.

©

De heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Tijdens het debat van gisteren is over de verstrekkendheid en de toelaatbaarheid van dit amendement geen enkele opmerking gemaakt. Wij verwachten dat wanneer de stemming wordt uitgesteld de Eerste Kamer in grote problemen zal komen. Om die reden vinden wij dat dit wetsontwerp vandaag in stemming kan komen.

©

Minister De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Aan mij zijn enkele concrete vragen gesteld. Er is mij gevraagd wat de aanneming van het amendent, ingediend door CDA en VVD, betekent voor uitkeringen en lonen, vooral voor het minimumloon voor vakantiewerkers. Het gaat hierbij om een voorstel dat nog in stemming moet komen en dat zou ingaan op 1 juli a.s. Als het gaat om vakantiewerkers die in de maand juli werken, mag ik aannemen dat zij deze betaling niet bij voorschot krijgen uitgekeerd maar aan het eind van de maand juli. Ik voorzie op dit punt dan ook geen echte problemen, althans zij zijn mij niet bekend.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): Het gaat natuurlijk ook om mensen die het minimumloon verdienen. De computer zal dan zijn ingesteld op de aangekondigde, normale verhoging van het wettelijk minimumloon.

Minister De Graaf: Men kan hooguit ingesteld zijn op een gepubliceerd cijfer dat een uitvloeisel is van een bestaande systematiek. Iedereen die hiermee te maken heeft, weet echter maar al te goed dat in deze Kamer wordt gediscussieerd over een correctie daarop. Die discussie zal naar ik hoop vandaag worden voltooid. Ik neem aan dat men daarbij bij de vaststelling van de uitkeringen ook, voor zover mogelijk, rekening kan houden. Zoals men weet, is een brief verzonden aan de uitvoeringsorganen waarin stond dat zij zich zouden dienen te baseren op de 'juniuitkering', uiteraard met een correctie op basis van een aan te nemen wetsontwerp.

De volgende vraag was wat het gevolg is van het eventueel aanvaarden van het CDA/VVD-amendement voor de echte minima. Ik ken de cijfers niet. Ik heb begrepen dat het de bedoeling van de indieners is, ten aanzien van de echte minima te handelen zoals is afgesproken. Dat is ook het beleid van de Regering. De uitkomst daarvan zal dus bepaald worden door de wijze waarop deze Kamer het wetsvoorstel honoreert. Ten slotte is mij gevraagd wat de term 'ontraden' inhoudt. Niets anders dan wat daarmee is gezegd. Ik heb het bewuste voorstel ontraden omdat ik mijn eigen voorstel verdedigde. Mevrouw Ter Veld vroeg wat er gebeurt met de twee volgende wetsontwerpen als het amendement van CDA en VVD wordt aanvaard. Ik had eigenlijk pas na de behandeling van dat wetsontwerp en het amendement daarop deze vraag willen beantwoorden, maar ik heb er geen moeite mee om dat nu vast te doen. Het aannemen van het amendement van de zijde van de fracties van het CDA en de VVD betekent een andere rangschikking van de bezuinigingen. In geval van aanneming van dat amendement heb ik er behoefte aan mij te beraden over de wetsontwerpen 17203 en 17467. Dit vooral met het oog op het financieel beleid voor 1982 en daarna en de eventuele cumulatie van inkomenseffecten die deze maatregelen hebben, als ze moeten worden toegevoegd aan het wetsontwerp. Daarom wil ik u, mijnheer de Voorzitter, verzoeken de behandeling van deze twee wetsontwerpen in dat geval voorlopig van de agenda af te voeren.

De heer Meijer (PvdA): Wat doet de Regering met het besluit dat inmiddels is gepubliceerd over de verhoging van het wettelijk minimumloon per 1 juli aanstaande, als het amendement op stuk nr. 10 wordt aanvaard?

Minister De Graaf: Ik vraag mij af of er reeds een besluit is gepubliceerd of dat er slechts een publikatie is geweest. Dat laatste is het geval, zo blijkt uit enig contact met 'boven'. Er wordt dus geen besluit veranderd, want per 1 juli zal de situatie zijn conform de wetgeving die vandaag in de Kamer wordt aangenomen. Het enige dat er zal worden geschreven, is een herziene circulaire en niets anders.

De heer Meijer (PvdA): De Minister zegt hiermee, dat, als de Kamer het amendement aanvaardt, de Regering de conclusie, die zij reeds heeft moeten trekken op grond van het

wettelijk gegeven dat het minimumloon met ingang van 1 juli 4,3% moet zijn, zal laten vallen en ook niet meer zal verdedigen.

Minister De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb een antwoord gegeven in verband met een eventuele stemming die zou hebben plaatsgevonden over het wetsontwerp. Ik had die eerst willen afwachten. Mij is echter gevraagd op die vraag toch een antwoord te geven en ik ben daarbij uitgegaan van een bepaalde veronderstelling. Indien een en ander verloopt op de manier zoals verondersteld is, wordt ik geconfronteerd met een nieuwe situatie en op grond daarvan lijkt het mij verstandig te verzoeken -dat heb ik dan ook gedaan -de twee andere wetsontwerpen voorlopig van de agenda af te voeren. Vanwege de cumulatieve effecten, die zullen plaatsvinden wanneer die twee wetsvoorstellen ook nog doorgang zullen vinden, en vanwege de financiële consequenties naar 1983 toe, omdat de structurele opbrengst van een eventueel geamendeerd voorstel een andere is dan van de voorstellen die ik heb ingediend, moet ik mij op de situatie bezinnen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: In verband met het ordevoorstel van mevrouw Ter Veld zou ik willen vragen, hoe lang dat beraad zal moeten duren.

Minister De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Is het niet zo, dat ik dit beraad pas kan voeren, nadat ik heb geconstateerd hoe de behandeling van het wetsontwerp hier heeft plaatsgevonden?

©

De Voorzitter: Ik wil een toelichting geven. Het voorstel van mevrouw Ter Veld is, pas vrijdag te stemmen. Mocht er vandaag worden gestemd en mocht daarbij het amendement worden aangenomen, dan ware denkbaar dat de Minister drie dagen bedenktijd vraagt en dat dan op vrijdag alsnog over de beide andere wetsontwerpen wordt gestemd. Indien de Minister echter enkele weken of maanden bedenktijd nodig heeft, zouden we ook aanstaande vrijdag meteen kunnen stemmen over alles. Dan zou de Kamer zich daarover beter kunnen beraden.

Minister De Graaf: Ik denk dat ik dat beraad over die twee wetsvoorstellen dan op vrijdag kan hebben voltooid. Ik ga er daarbij vanuit, dat het eerste wetsontwerp hier vandaag wordt aangenomen en afgedaan.

De Voorzitter: Dan stel ik voor, in ieder geval over het eerste wetsontwerp nu wel te stemmen. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik stel voor, overeenkomstig een verzoek van mevrouw Brouwer, haar motie (17468, nr. 9) eerst in stemming te brengen. Daartoe wordt besloten. De motie-Brouwer (17468, nr. 9) wordt bij zitten en opstaan verworpen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de CPN, de PSP en de PPR voor deze motie hebben gestemd. Het gewijzigde amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10, II) wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, D'66, de PSP, de CPN en de PPR tegen dit amendement hebben gestemd. Ik neem aan, dat door de aanneming van dit amendement alle overige amendementen, voorkomende op stuk nr. 10, als aangenomen kunnen worden beschouwd. Ik constateer, dat de amendementen op de stukken nrs. 7 en 8 die minder verstrekkend zijn, niet meer in stemming behoeven te komen, nu de amendementen op stuk nr. 10 zijn aangenomen.

Artikel 1, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10, II), wordt zonder stemming aangenomen.

Artikel 2, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10, III), wordt zonder stemming aangenomen.

Artikel 3, zoals het is gewijzigd door de aanneming van het gewijzigde amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10, IV), wordt zonder stemming aangenomen.

De Voorzitter: Ik heb reeds geconstateerd.dat het gewijzigde amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10, V) tot invoeging van nieuwe artikelen 4 tot en met 7 als aangenomen kan worden beschouwd. Artikel 4 (oud) wordt zonder stemming aangenomen. De beweegreden, zoals deze is gewijzigd door de aanneming van het gewijzigde amendement-B. de Vries en De Korte (stuk nr. 10,1), wordt zonder stemming aangenomen. Het wetsontwerp wordt bij zitten en opstaan aangenomen.

De Voorzitter: Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, D'66, de CPN, de PSP en de PPR tegen dit wetsontwerp hebben gestemd. Heeft de Minister nog iets toe te voegen aan het verzoek, dat hij zoeven veronderstellender wijze deed?

Minister De Graaf: Mijnheer de Voorzitter! Het verzoek blijft hetzelfde.

De Voorzitter: Ik stel voor, de eventuele voortzetting van de beraadslaging en de stemmingen over de wetsontwerpen 17203 en 17467 te houden aanstaande vrijdag na de lunchpauze. Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen achteraf over de onderwerpen, waarover zojuist is gestemd.

©

De heer Mertens (D'66): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van D'66 heeft tegen de motie-Niessen en Evenhuis (stuk 16795, nr. 32) gestemd. Wij hebben dit gedaan, niet omdat wij tegen een verhoging zijn van de formatiesleutel in de PABO's, hetgeen de strekking van deze motie is, maar omdat wij daarvoor een andere weg meer begaanbaar achten. De consequentie van de door de heren Niessen en Evenhuis aangegeven methode zou immers zijn dat in het gehele HBO tot een harmonisatie moet worden gekomen. Deze harmonisatie achten wij om meer dan één reden bedenkelijk. Ook vinden wij het argument dat de Minister zich in positieve zin ten opzichte van deze motie zou hebben opgesteld niet geldig, omdat deze Minister immers voor i_.3 financiering -en daarom gaat het hier -een andere lijn tot 1984 heeft aangegeven.

©

De heer Wagenaar (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie heeft de motie-Waltmans op stuk nummer 73 (17100 XII) niet gesteund, omdat de brief van 14 mei ons geen aanleiding gaf terug te komen op de kameruitspraak, eerder dit voorjaar gedaan. Tegen verder onderzoek hebben wij op zichzelf geen bezwaar, maar het staat bij voorbaat vast dat de voorgestelde alternatieven wellicht technisch uitvoerbaar, evenwel volstrekt onbetaalbaar zijn. Verder uitstel van de voltooing achten wij ongewenst, te meer daar de Minister in zijn brief opnieuw duidelijk maakt dat het niet-aanleggen van dit wegvak door

de rand van het waardevolle gebied Amelisweerd, letterlijk en figuurlijk een te hoge prijs zou vergen. Veiligheid, woon-en leefmilieu, bebouwing en uitgevoerde kapitaalwerken zouden moeten worden opgeofferd voor een strook in dit prachtige stukje natuur. Het mag bekend zijn dat de fractie van de RPF de zorg voor de schepping hoog in het vaandel draagt. Het verantwoord omgaan met de natuur kan evenwel nooit het behoud van elke vierkante meter grond ten koste van onder meer de veiligheid inhouden. Als het anders kon, zouden wij daar graag aan meewerken, maar in de afgelopen jaren is het tegendeel gebleken. Het uitstel door de protestacties heeft de aanleg vele tientallen miljoenen guldens duurder gemaakt, deels door verbeteringen maar voornamelijk door kostenstijgingen. Wat de verkeersopstoppingen in macro-en micro-economisch opzicht hebben gekost, is niette kwantificeren, maar zal in dezelfde orde van grootte liggen. Aan die verantwoordelijkheid kunnen de actievoerders zich niet onttrekken. Mijn fractie meent, dat de Minister afdoende heeft aangetoond dat er geen andereweg isdan uitvoering van de plannen, die zo min mogelijk beslag op het natuurgebied leggen.

©

Mevrouw Janmaat-Abee (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Het CDA heeft tegen de amendementen nrs. 47, 44 en 55 (stuk 16811) van mevrouw Cotterell gestemd omdat deze mogelijkheden naar de mening van mijn fractie wettelijk geregeld zijn in de Wet op de medezeggenschap. Het is niet juist om deze bepalingen uit de Wet op de medezeggenschap wettelijk te regelen in de Interimwet speciaal onderwijs. Mijn fractie meent dat daarmee de Wet op de medezeggenschap wordt uitgehold.

©

De heer Ter Beek (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Met betrekking tot de motie-Schreuders en Waltmans over terugtrekking van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in El Salvador (17000 V, nr. 97) zou ik willen zeggen, dat hoewel wij de overwegingen vermeld in de motie delen en dit ook geldt voor het tweede deel van het dictum, wij toch tegen deze motie hebben moeten stemmen vanwege het eerste deel van het dictum.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.