De voortzetting van de behandeling van: hoofdstuk XV (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) van de rijksbegroting 1982 (met uitzondering van het onderdeel Emancipatie) - Handelingen Tweede Kamer 1981-1982 21 januari 1982 orde 3


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van: hoofdstuk XV (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) van de rijksbegroting 1982 (met uitzondering van het onderdeel Emancipatie) (17100 XV); de stukken over het Sociaal-Economisch beleid voor 1982 (17200); en van: de gewijzigde motie-Groenman over een samenhangend inkomensbeleid voor jongeren (17029, nr. 11); de motie-Beckers-de Bruijn over het principe van individualisering bij de vormgeving van het inkomensbeleid (17030, nr. 14); de motie-De Korte c.s. over de bestrijding van de jeugdwerkloosheid (17100 XV, nr. 18); de motie-De Korte c.s. over een project ontwikkelingswerk voor werkloze jongeren (17100 XV, nr. 19); de motie-Willems over de kortingen op de ziektegelden (17100 XV, nr. 20);

Ingekomen stukken Gemeentefonds Economische Zaken Sociale Zaken en Werkgelegenheid Donderdag 21 januari 1982 Aanvang 10.15 uur

de motie-Beckers-de Bruijn over de arbeidsvoorwaarden voor thuiswerkers (17100 XV, nr. 21); de motie-De Korte en Rietkerk over een bijzondere koopkrachtbescherming voor de 'echte' minima (17200, nr. 13); de motie-De Korte c.s. over de netto inkomensafstand tussen minimumloon en modaalloon (17200, nr. 14). De (algemene) beraadslaging wordt hervat.

©

De Voorzitter: Door mij zijn aanvullen-de schriftelijke antwoorden ontvangen van de Minister en de Staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

[Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze weekeditie.]7

©

J.G. (Koos)  RietkerkDe heer Rietkerk (VVD): Mijnheer de Voorzitter! In 1977 heeft de oud-minister van Economische Zaken de heer Van den Brink een brochure geschreven, waarin hij een vergelijking heeft getrokken tussen de problematiek van de dertiger en die van de tachtiger jaren. Ten aanzien van de dertiger jaren sprak hij over de traagheid van de politieke besluitvorming. Hij stelde dat ons allen veel leed bespaard zou zijn, wanneer in die periode in de politiek juistere beleidskeuzes waren gedaan. Voor die laatkapitalistische periode heeft men onderkend, dat juist de onderbesteding het grote vraagstuk was, dat ten grondslag lag aan de werkloosheid. De heer Van den Brink voegde eraan toe, dat voor de tachtiger jaren, in deze postkapitalistische markteconomie, met name de noodzaak van rendementsherstel en van de plaats voor het bedrijfsleven als grondslag voor ons hele economische en maatschappelijke bestel, de aandacht behoort te hebben, en dat er nu duidelijk andere maatregelen genomen moeten worden. Zo niet, dan herhaalt zich de fout van de 30-er jaren.

Ik geef een citaat: 'Het grote structuurvraagstuk van de jaren dertig was: hoe veranderen wij de maatschappij in de richting van meer gemeenschapsverantwoordelijkheid, opdat wij de grote problemen, -o.a. het vraagstuk van de structuurwerkloosheid -weer de baas kunnen worden. Het grote structuurprobleem van de komende jaren zal blijken te zijn: hoe veranderen wij de maatschappij -met behoud van het wezenlijke in de sociale vooruitgang van de in de achter ons liggende jaren -in de richting van meer ruimte voor het dragen van zelfverantwoordelijkheid. Die ruimte dient namelijk voldoende te zijn, om de economische onderbouw van de huidige welvaartstaat, de markteconomie, weer bevredigend te laten functioneren. Wij hebben de laatste jaren onvoldoende maat weten te houden. De slinger, die in een hoog ontwikkeld industrieland als Nederland niet te veel mag uitslaan, isna zich tientallen jaren in de richting van meer gemeenschapsverantwoordelijkheid te hebben bewogen -bezig te ver door te slaan'. Ik haal dit aan, omdat dit naar mijn mening aansluit op de discussie die wij gisteren over de verzorgingsstaat en over het beleid van dit kabinet ten aanzien van onze hele sociaal-economische problematiek hebben gevoerd. Als vandaag de dag door praktisch alle economen gesteld wordt, dat dè oplossing voor onze problemen in de allereerste plaats gezocht moet worden in een versterking van de rendementspositie van het bedrijfsleven, dan moet ik zeggen, dat het betoog van de Minister bij mij veel vragen heeft opgeroepen. De Minister erkent natuurlijk ook de noodzaak van matiging van de collectieve lasten, de noodzaak van beperking van de arbeidskosten. Hij zegt echter, dat in zijn beleid twee zaken centraal zijn, te weten: de werkverdeling en de inkomensbescherming. Ik ben het hiermee eens, doch ik mis hierin iets. Is dit beleid hetzelfde als het tweesporenbeleid van de commissie-Wagner? De Regering heeft toch besloten de adviezen van deze commissie met een nieuwe commissie te gaan opvolgen? Zit hiertussen geen duidelijk verschil? Minister Van der Stee -om een ander voorbeeld te noemen -heeft namens het kabinet bepleit een richting in te slaan, waarin wij minder consumeren en meer investeren. Wat zegt de Minister van Sociale Zaken? De investeringen trekken niet aan, dus moeten wij ervoor oppassen, het consumeren niette veel te beperken. Ik formuleer het betoog van de Minister zeer kort. Wat het totaal van de collectieve uitgaven betreft, zegt de Minister, dat ombuigingen geen doel op zichzelf behoren te zijn. Ik ben het daarmee eens, doch ik zou eraan willen toevoegen: het omgekeerde ook niet De Minister zegt dat dit jaar terecht meer dan 100% van de weinige groei vanwege de werkloosheidsuitkeringen naar de collectieve sector is gegaan. Ik verwonder mij over het woord 'terecht'. Dit is niet terecht! Ik kan mij voorstellen dat de Minister zegt dan het helaas niet anders kon. Het is mijns inziens echter onjuist dit als een terecht beleid aan te merken. Dit staat namelijk dwars op de noodzaak van verdere beperking. Ik ben blij dat de Minister over de loonpolitiek heeft gezegd, dat hij wil werken aan een minder vrijheidsbeperkend beleid. Wel mag vandaag van hem toch een nadere visie worden verwacht op de wenselijkheid om tot meer loondifferentitaie, meer verantwoordelijkheid per bedrijfstak, per sector en per bedrijf te komen. De kranten staan vandaag vol over de gedachten die binnen de kring van de Partij van de Arbeid ook op dit punt leven. Wij mogen nu van de Minister die een beleid gaat voeren toch op zijn minst een nadere visie daarop horen. Als ik de Minister dan vraag of hij bereid is mee te werken aan een algemene lastenverlichting, conform de suggestie van professor Rutten, dan krijg ik daar niet eens antwoord op. Als ik spreek over de problematiek van de jaren na 1985 en stel, dat als wij nu de zaken niet goed aanpakken de problemen dan echt onoplosbaar worden, dan moet ik tot mijn spijt vaststellen dat het toch wel erg teleurstellend is dat de Minister daar nauwelijks op ingaat. Ik ben het volstrekt met de Minister eens -dat is mijns inziens ook heel verstandig -als hij zegt dat het werkgelegenheidsplan geen heilsplan is. Waarschijnlijk heeft hij ook in het verleden te veel verwachtingen op dit punt gewekt. Ik merkte gisteravond al op dat een werkgelegenheidsplan, dat vele goede elementen van pogingen tot verdeling van de arbeid bevat op zijn minst ook een beleid behoort in te houden om werkgelegenheid te behouden en te vergroten. Ten slotte wil ik over de visie van de Minister over de verzorgingsstaat nog het volgende opmerken. Als ik het goed begrijp wil de Minister verdediger blijven van de grondvesten van de verzorgingsstaat. Ik wil dit ook, maar er moet wel gediscussieerd kunnen worden over de vraag wat de grondvesten zijn. Naar mijn oordeel-de Minister zal het met mij eens zijn -is dat inderdaad een verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Ik zet er echter een vraagteken bij of de technische koppeling, die wij nu kennen, daartoe ook behoort. Velen zien dit juist als een van de oorzaken dat het fundament van de verzoringsstaat wel eens zou kunnen verdwijnen. Ik heb het gevoel dat wij toch aan de problemen van vandaag voorbijgaan als wij niet inzien dat één van de allerbelangrijkste zaken die er aan voorafgaan is het behoud van de grondslagen van onze verzorgingsstaat in de vorm van werkgelegenheid, van een renderend bedrijfsleven. De Minister heeft met zijn betoog mijn zorg dat hij, naar ons oordeel, niet de juiste beleidskeuze zal doen, helaas versterkt. Ik hoop alleen maar dat de heer Van den Brink geen gelijk krijgt met zijn waarschuwing.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor de antwoorden die zij hebben gegeven. Ik voeg hier echter onmiddellijk aan toe dat ik weinig te spreken ben over de vele ontwijkingen. Wij hebben een reeks van suggesties, alternatieve aanscherpingen van het beleid gegeven, omdat wij in deze crisis een opbouwende oppositie willen leveren ten bate van het geheel. Wat kregen wij terug? 'Ach, ons antwoord is niet al te negatief; wij kunnen nog niets zeggen omdat een en ander nog in behandeling bij de SER is of een onderdeel vormt van het banenplan op het ministerie! ' Het was nogal beschamend dat de Staatssecretaris onze Ziektewetsuggestie van één werknemerswachtdag, in dit Huis niet eens had gehoord. Sliep zij, of moet zij haar oren nog eens laten uitspuiten? Deze suggestie is in ieder geval twee keer op het journaal geweest, stond op de voorpagina's van Trouw en de Volkskrant en, groot opgemaakt, in De Telegraaf, dus zo onbelangrijk was het niet! In ieder geval vond ik het ook minder plezierig dat zij er vervolgens helemaal niet over wenste te praten, terwijl er daarvoor en daarna kwistig suggesties van andere fracties over de Ziektewet werden becommentarieerd. Zo kunnen wij echt niet met elkaar omgaan!

Ter aanscherping van het kabinets-beleid gaven wij een scenario ter lastenverlichting van de bedrijven en ter versterking van de economische structuur. Dit scenario past geheel in de loonruimte van het regeerakkoord', min 1% initieel. Het past geheel in de notitie van de PvdA-fractie voor het aanstaande bezinningsweekend over loondifferentiatie. Zie hiervoor Trouw van gisteren. Het garandeert min 1% koopkracht, en niet lager, voor de 'echte' minima. Het levert in 1985 40.000 banen meer op dan het huidige kabinetsbeleid. Het levert een 2% lagere arbeidsinkomensquote op en nog eens 4% minder prijsinflatie. Dat kan de Minister toch niet met één brede armveeg van tafel vegen en zeggen dat het niet in zijn inkomenspolitiek past? Ik heb geen enkele inhoudelijk argument van hem gehoord. Minister Den Uyl is van Werkgelegenheid, welnu, dan lijkt het mij erg goed dat hij daarover toch eens betere inhoudelijke argumenten gaat geven en niet geobsedeerd wordt door inkomensprentjes. In naam van de werkgelegenheid: laat die obsessie varen, mijnheer Den Uyl. In naam van de werkgelegenheid: laat ook de nivelleringsobsessie varen. De notitie van de PvdA-fractie getuigt tenminste van realisme. ' Het zou wel eens kunnen zijn dat onze inkomenspolitieke opvattingen een krachtiger herstel van de economie en derhalve ook van de koopkrachtontwikkeling, bemoeilijken. Dit te meer omdat onze opvattingen niet gedeeld worden door werknemers en werkgevers'. Dit stond in Trouw. Ik prees CDA-collega De Vries reeds voor zijn opvattingen ter zake. Ik doe dit nu ook ten aanzien van collega Weijers. Hij stelde terecht dat er een einde aan de nivellering aan het komen is. De Minister is in het geheel niet ingegaan op mijn betoog dat de nivellering het ergste klemt tussen minimum en modaal: een nettoverhouding van 1: 1,3 voor zes van de tien werknemers boven de 23 jaar. De Minister heeft geen enkel commentaar gegeven op onze staatjes ter zake waaruit blijkt dat tussen 1982 en 1985 die verhouding nog meer opeen geperst dreigt te worden. De Minister volstaat alleen maar door bij voorbeeld in de NRC te zeggen dat die inkomensverhouding niet zo plat als een dubbeltje is. Maar ik zeg dan tegen de Minister: kom met argumenten. In ieder geval lijkt hij voorlopig stekeblind voor de feiten. Wanneer de Minister zo doorgaat, maakt hij de werkende bevolking kapot. Mijnheer de Voorzitter! Het steekt ons dat niemand in dit huis, behalve de heer Willems, die een naargeestige stoot onder de gordel aan ons adres gaf, is ingegaan op de problemen van de kwetsbaarste groepen: zij die met twee of meer gezinsleden van f 1400 moeten rondkomen. Denk eens aan hun energiekosten en denk eens aan wat zij vorig jaar te kort kwamen. Denk aan de gegevens over één-oudergezinnen van het Sociaal Cultureel Planbureau. Denk aan de gehuwde bejaarden met alleen een AOW-uitkering, die tot de echte minima behoren. Zij hebben hier gedemonstreerd. Hierover hoor ik dan plotseling niets meer. Als ze in de oppositie zitten, dan hoor je ze wel. Dan zeg ik tegen het kabinet: kraak onze motie maar af. En tegen de Kamer zeg ik: stem haar maar weg. Over enkele maanden wordt wel duidelijk wie het bij het rechte eind heeft. Ik heb overigens nog steeds geen duidelijk antwoord gekregen op de vraag over de koopkrachtcontroverse tussen het Ministerie van Sociale Zaken en het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Welke methodiek wordt nu uiteindelijk gevolgd? Het is toch eigenlijk te gek dat de mensen maar moeten zien welk Ministerie zij moeten geloven met betrekking tot hun koopkracht. Dit brengt onrust. Eenheid van beleid mankeert ook waar het gaat om het verplaatsen van de consumptie naar de investeringen. 'Er wordt te veel geconsumeerd, te weinig gespaard en daarom te weinig geïnvesteerd. Het kabinetsbeleid probeert hier veranderingen in te brengen'. Dit is een letterlijk citaat van wat de heer Van der Stee op 12 januari in het openbaar zei. Wat zei de heer Den Uyl gisteren? Er moet niet minder geconsumeerd worden, want dan gaat het nog slechter met de investeringen'. Is dit eenheid van beleid? Het lijkt wel een kippenhok en het is diep treurig dat er zulke verschillen van inzicht bestaan. Het gaat hier namelijk om de structurele kern van de economische crisis in dit land. Wij volgen in ieder geval de analyse van de heer Van der Stee en omdat wij die volgen, geloven wij in investeringsloon, maar niet in opgelegde vorm, want die geeft afwenteling. Het is goed dat er een adviesaanvraag komt. Het kabinet heeft dat tenminste toegezegd. Is het kabinet bereid onze vierledige suggestie als één van de mogelijkheden ter illustratie mee te nemen? Is het kabinet bereid fiscale stimulansen, zoals het Zweedse voorbeeld laat zien, te overwegen? Ook op het gebied van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid kwamen wij met suggesties. Onze punten zullen, zo wordt gezegd, zorgvuldig nagelopen worden. Moet ik nu kwijlen van dankbaarheid voor zoveel bereidwilligheid van de bewindslieden? Tot nu toe is geen enkele partij zo concreet geweest op dit punt. Niemand, ook het kabinet niet, heeft het streefgetal om 30.000 jongeren voor f300 min. uit de uitkeringen te halen met gemotiveerde suggesties ingevuld. Wij hebben dat wel gedaan. Vanuit de samenleving hebben wij talloze adhesieverklaringen gekregen. Wij weten dat werkgevers en werknemers in de Stichting van de Arbeid over deze hoofdsuggestie van ons reeds praten. Wat doen de bewindslieden? Zij zwijgen. Welnu, hier liggen kansen, zeker als wij kijken naar onze motie op stuk nr. 19. De Staatssecretaris heeft het gehad overwerken met een uitkering. Wij hebben een praktijkvoorbeeld gegeven: opgeleid worden en voor de halve tijd werken in de marktsector. Dit valt binnen de norm van vermijding van concurrentievervalsing, die de heer Den Uyl zo terecht noemt en biedt een oplossing voor zo'n 25.000 a 30.000 jeugdige werklozen. Als er een voorbeeld is, waar de terechte gewetensvraag van de bewindslieden of uitkeringstrekkers mogen worden uitgesloten van een actief, werkzaam bestaan, zonder schade positief beantwoord kan worden, dan is het hierbij. Wat horen wij van de Regering? Niets! Regering doe dit, uit naam van zo'n 25.000 a 30.000 werkloze jongeren! Bij het beantwoorden van de vraag of uitkeringstrekkers met behoud van hun uitkering werk mogen verzetten, wordt onzes inziens onvoldoende gehamerd op het volgen van een opleiding. Dat is ook een vorm van werken; dat is werken aan jezelf en investeren in jezelf. Ik pleit voor meer wederkerende opleidingen in een mensenleven, juist wanneer je tijdelijk of wat langduriger een uitkering ontvangt. Over de Ziektewet heb ik al het een en ander gezegd. In het land is, anders dan in deze zaal, zeer veel aandacht aan ons mogelijke alternatief besteed: handhaving boven wettelijke verzekeringen, één wachtdag en premieheffing over ziektegeld. Ik heb

vijf onmiskenbare voordelen opgesomd. Mag ik nu werkelijk een zakelijk commentaar vragen op deze voordelen? Zwijgen is immers zwak. Staatssecretaris Dales motiveert terecht de vijf dagen voor de werkgevers vanwege de prikkel. Waarom geldt dit volumeargument niet omkeerbaar voor de werknemers? Eén wachtdag voor de werknemers zou een gevaar voor de volksgezondheid opleveren, hoort men zeggen. In de ca.o. voor de schoonmaakbedrijven zijn twee onbetaalde wachtdagen opgenomen en de ca.o. voor de havenbedrijven en sleepdiensten heeft er een. Zo is het in het buitenland. Ons was een standpunt over het ISMO-rapport toegezegd. Wij zouden dat vóór het debat horen, maar het is er niet. Het komt pas over een maand. Zo gaat het met meer dingen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid financiert vanwege de WWV-controle sociale rechercheurs. Als gemeenten hun geen opsporingsbevoegdheid geven, dan kunnen zij niet functioneren. Dat geldt voor meer dan de helft van deze mensen. Gemeentelijke autonomie of niet, dat zij zo, maar de bewindslieden kunnen wel de medefinanciering stoppen. Zij zijn toch ook niet bereid, zwembaden te financieren, als de gemeenten er geen water in doen? Over het gegeven van de deeltijdarbeid hebben wij veel verbale uitingen gehoord, onder andere dat deeltijdbanen vooral ook bij de bedrijven moeten worden gerealiseerd. Daarom is de VVD geporteerd voor wisselweken. Wij hebben indertijd -wij waren onze tijd misschien een beetje te ver vooruitdaarover een motie ingediend (15800 nr. 15). Wat is hiervan terechtgekomen? Wordt ermee gewerkt. Hoe staat het met de uitvoering? Over de kinderbijslag wil ik tot slot het volgende zeggen. Als deinkomensafhankelijke kinderbijslag er toch komt, dan is dat een zeer slechte zaak. De kinderaftrek is eerst afgeschaft. In plaats daarvan is de kinderbijslag belastingvrij gemaakt. Dit hoort bij de horizontale draagkrachtprincipes. Dit is een van de oudste principes van de belastingheffende rechtsstaat. Worden nu midden-en hogere inkomens met kinderen tot de vogelvrijen van die staat verklaard? Denken deze bewindslieden uitsluitend in termen van inkomens, die het nog wel kunnen lijden en denken zij helemaal niet meer aan individuen met gezinnen en levensverwachtingen?

©

M.G.H.C. (Ria)  Oomen-RuijtenMevrouw Oomen-Ruijten (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Gaarne wil ik de bewindslieden en in het bijzonder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bedanken voor zijn zo vriendelijke, ook tot mij gerichte, woorden. Ook dank ik de Staatssecretaris, mevrouw d'Ancona, omdat zij heeft gemeend zo uitgebreid te moeten antwoorden. Ik dank beiden voor de antwoorden die ik van hen heb mogen ontvangen. In mijn verhaal in eerste termijn stond de problematiek van de jeugdwerkloosheid centraal. Uit de antwoorden is het mij duidelijk geworden dat de Minister de zorgen over de jeugdwerkloosheid met mij deelt, maar voorlopig kunnen wij op vele vragen nog geen antwoord tegemoet zien. Eind februari mogen wij de eerste contouren van het werkgelegenheids-planinwording aanschouwen. De Minister heeft toegezegd dat de bestrijding van de jeugdwerkloosheid een belangrijk onderdeel van dit plan zal gaan uitmaken. Ik vind het eigenlijk een beetje pijnlijk, dat wij gisteravond nog onvoldoende reactie hebben gekregen, niet alleen op de plannen, die wij hebben aangevoerd, maar ook op de plannen die er reeds sinds juni vorig jaar bestaan om de jeugdwerkloosheid op te lossen. Ik noem als voorbeeld het jeugdgarantieplan. De problemen ten aanzien van de jeugdwerkloosheid zijn zo gigantisch dat wij na nogmaals vijf weken denken en voorbereiden op 1 maart aanstaande nu echt aan de slag willen. De jongeren in dit land hebben grote verwachtingen van ons. Het CDA eist van de Regering een concrete aanpak, zeker vanaf 1 maart. Er zijn inmiddels toch plannen te over? Mevrouw Dales heeft toegezegd alle voorstellen gedaan vanuit de maatschappij mee te wegen. Dat beoordelen wij positief. Ik wil er nu al op wijzen dat wij zonder al te veel ingewikkelde adviesprocedures de zaak ten spoedigste moeten aanpakken. De tijd dringt immers! Ik heb gewezen op een onconventionele en een creatieve aanpak: geen dwang, maar drang. Graag verneem ik hierop een duidelijke reactie van de kant van de Regering. Zijn de bewindslieden het met mij eens, dat in de nieuwe plannen ook woorden als 'plicht' en 'verplichting' mogen voorkomen? Hoe denkt men het begrip drang in concrete beleidsmaatregelen om te zetten? Een helder antwoord op de vraag hoe het staat metdeorientatieplaatsen bij de schakelcursussen, heb ik niet gehad. Wel is gesproken over een verdubbeling van het aantal schakelcursussen. Wat men denkt over de suggestie van de christelijke organisaties om deze oriëntatieplaatsen daadwerkelijk in te vullen, heb ik echter niet mogen vernemen. Ik maak mij zorgen over het vacuüm dat zal ontstaan indien de CBO's verdwijnen en de ca.o.'s nog niet uit de startblokken zijn. Hoe denkt de Minister dit probleem op te lossen? Op scholingsmogelijkheden die niet exact in het kader van de Gewestelijke Arbeidsbureaus en van de Gemeentelijke Sociale Diensten passen als door de scholing uitkeringsrechten verspeeld worden, heb ik geen reactie gekregen. Ik ben erg blij dat positief werd gereageerd op de mogelijke inzet van jeugdige werklozen met behoud van de uitkering in zowel het bedrijfsleven, als de kwartaire sector. Ik ben het ook eens met het onderscheid tussen beide sectoren, dat daarbij is gemaakt. Het past in onze visie, dat wij het in de toekomst nog sterker dan voorheen moeten hebben van werk in de produktieve sector. Daarom heb ik in eerste termijn een vraag gesteld over de positie van de leerling-bouwplaatsen. Op mijn suggestie daarbij gedaan om de mogelijkheden in het monumentenherstel meerte benutten, heb ik geen reactie ontvangen. Wordt besteding in een dergelijke zin nog overwogen? Ik kom bij de relatie onderwijsarbeidsmarkt. Naar de mening van de fractie van het CDA ligt hier een van de sleutels van de oplossing van het jeugdwerkloosheidsprobleem. In eerste termijn ben ik hierop erg uitgebreid ingegaan. Ik ben er diep teleurgesteld over, dat op mijn vragen over de relatie onderwijsarbeidsmarkt nauwelijks een reactie is gegeven. Tevens ben ik er teleurgesteld over dat ik geen reactie heb gehad op mijn opmerkingen om arbeidsmarktcriteria meer te betrekken bij de planning van onderwijsvoorzieningen. Er is niet alleen droevenis, maar ook vreugde. Ik heb namelijk met genoegen vernomen dat de Regering zich voorstelt om de WAG per 1 april aanstaande in te laten gaan. Dat is werkelijk een ongekende voortvarendheid. Alle hulde hiervoor! Eenzelfde voortvarendheid verwachten wij ook bij de wijziging van artikel N. van de Pensioenwet om het voor andersgeschikten mogelijk te maken om ook bij de overheid in dienst te treden. Op ons herhaald verzoek mocht ik echter geen toezegging van de kant van de

Oomen-Ruyten Regering ontvangen. Deze kwestie loopt al vanaf het begin van de jaren '70. Wanneer wordt zij opgelost? Voorts vraag ik de Regering of zij nader wil ingaan op het door mijn collega Weijers aangedragene omtrent de experimentele arbeidsorganisatie. Op mijn vragen over de problematiek van de grensarbeiders toont de Minister naar mijn mening enige koudwatervrees. Ook zonder het bekend zijn van het aangekondigde advies van de Sociale Verzekeringsraad -of moet ik zeggen juist vanwege 'het aanstaande zijn' van dit advies -vraag ik de Minister nogmaals zeer dringend, met zijn ambtgenoot van Financiën in overleg te treden ten einde de aangekondigde inning voorlopig op te schorten.

©

S.C. (Steef)  WeijersDe heer Weijers (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de Minister en de Staatssecretarissen voor hun antwoorden en wil daarbij meteen een verzuim goedmaken. In eerste termijn heb ik Staatssecretaris D'Ancona niet namens mijn fractie welkom geheten. Naar mijn gevoel hoort zij zo bij het meubilair dat ik er eigenlijk niet aan dacht.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Pas maar op; dat zeggen ze wel meer van vrouwen! !

De heer Weijers (CDA): Heel goed... Mijnheer de Voorzitter! In eerste termijn heb ik een beschouwing gegeven over de plaats die het educatief verlof naar mijn mening moet innemen in de huidige problemen. Ik heb en houd het gevoel dat wij kansen missen als wij in overleg met de sociale partners geen goed sluitend stelsel van educatief verlof en educatieve voorzieningen kunnen ontwikkelen. Ten aanzien van arbeidsomstandigheden is door de vorige Minister toegezegd om, in overleg met zijn ambtgenoot van Onderwijs en Wetenschappen, na te gaan hoe elementen, die voor de Arbeidsonv standighedenwet van grote betekenis zijn, al in het beroepsonderwijs kunnen worden meegenomen. Principieel heb ik wat moeite met het opnemen van een arbeidsmarktcriterium in de subsidieregeling, want dit zal betekenen dat 'rot' werk, waarvoor wel mensen te vinden zijn, niet zal veranderen. Van particuliere zijde zijn er bedrijven die zich bezighouden met advies en installatie.

Deze bedrijven vrezen dat zij zullen worden weggewerkt als de dienstverlenende instanties worden ontwikkeld. Wil de Staatssecretaris dit in het oog houden? Staatssecretaris Dales heeft wat 'mistig' gesproken over de stelselkeuze. Zij heeft niet veel meer gezegd dan dat het een tweetrajectenstelsel moet worden. Op zich vind ik dit juist, maar dan vraag ik mij wel af wanneer dit tot stand zal komen. Wij kunnen ons niet veroorloven om hier al te lang over te doen. Het scheppen van duidelijkheid, over en weer, lijkt mij noodzakelijk. Hiermee hangt samen de integratie van werkloosheidsvoorzieningen, waarop ook een onduidelijk antwoord is gegeven. Wil de Staatssecretaris hier nog eens nader op ingaan, mede gezien in het licht van de decentralisatie, de arbeidsbemiddeling en de medeverantwoordelijkheid van de sociale partners op regionaal niveau? Ik vrees dat dit zal blijven liggen, omdat wij zozeer door andere problemen worden gekweld. De Staatssecretaris zal echter ook wel weten wat het zal betekenen als in de toekomst grote aantallen mensen doorschuiven naar de RWW en alles wat daarmee samenhangt. Ik heb begrepen dat er stilstand is in de uitvoeringsorganisatie, behalve in de bovenbouw. Betekent dit bij voorbeeld dat het aantal bedrijfsverenigingen niet kleiner zal worden en dat niet zal worden gezocht naar oplossingen voor procedures die keurig langs elkaar heen marcheren? Ik heb al gesuggereerd om nog eens in commissieverband te spreken over de sociale zekerheid en de ontwikkelingen op dit gebied op korte en lange termijn. Ik verwacht dat de Staatssecretaris hierop positief reageert. Geen antwoord is gegeven op mijn suggesties betreffende de VUT. In dat verband heb ik gewezen op de mogelijkheid om een verband te leggen met de duur van het arbeidsverleden en het maken van een flexibel uittredingsmodel, zoals wordt gehanteerd in Zweden. Wat de ziektewetmaatregel betreft, ik vind het juist dat de Regering niet ingaat op mogelijkheden en onmogelijkheden. De SER zal nu moeten spreken. Ik ga ervan uit, dat wat straks het resultaat zal zijn, ook van toepassing zal zijn voor ambtenaren. Dan de Jumbo. De Minister heeft daarover schriftelijk iets medegedeeld, maar het lijkt mij, juist omdat de Europese kant van onze problemen niet weggepoetst mag worden, goed dat de Minister daarop nog eens ingaat en de mogelijkheden van een gemeenschappelijke aanpak belicht. Hetzelfde geldt eigenlijk voor het onderwerp 'de verzorgingsstaat'. Ik had eigenlijk van de Minister wat meer verwacht. Ik had van de heer Den Uyl in zijn nieuwe verantwoordelijkheid, vooral gelet op de jaren die op ons afkomen, een wat meer filosofisch getinte beschouwing verwacht. Ik heb grote waardering voor het grote belang dat de Regering ziet in het hebben van werk. Ik vind haar stellingname juist. In dat licht krijgt het werkgelegenheidsplan extra betekenis. Ik heb ook waardering voor de realistische stellingname van de Minister, dat we met elkaar niet in staat zijn, voldoende volledige arbeidsplaatsen te scheppen voor een ieder die wil en kan werken. Maar als ik mijn gedachten over het plan laat gaan, dan vraag ik me af, wat ik me erbij moet voorstellen. Het is een soort voortschrijdend plan. Maar wat komt er nu eerst? De contouren van middellangetermijnontwikkelingen? In februari komt er iets en aan het eind van het jaar weer. Ik daag de Minister uit, er nu iets anders over te zeggen en ik wil daarbij twee elementen bijzonder in zijn aandacht aanbevelen. Het plan moet met name voor nieuwe toetreders uitdagende mogelijkheden bevatten. Het tweede element is de genoemde regionale component, nog steeds een punt van grote zorg in diverse streken.

Minister Den Uyl: Wat bedoelt de heer Weijers precies met uitdagende mogelijkheden voor nieuwe toetreders?

De heer Weijers (CDA): Wij moeten mensen die voor het eerst de arbeidsmarkt willen betreden, meer keuzemogelijkheden bieden, waarbij ik denk aan vormen van deeltijdarbeid en aan alles wat daarmee samenhangt. Ik denk dat het goed is om aan de hand van de notitie een aparte gedachtenwisseling te houden over het inkomensbeleid. Nu nog een paar kanttekeningen. De Minister heeft niet gereageerd op de suggestie, een raad voor het inkomensbeleid op te zetten. Dat zou ik toch wel op prijs stellen. Ik dank de Minister voor de notities, die ik met grote belangstelling heb gelezen. Maar welke beleidsconclusies hieruit voor de Minister voortvloeien, is mij niet duidelijk geworden. Ik denk dat dat onderwerp in een commissieberaad wat verder uitgewerkt moet worden.

Er zijn nog twee opvallende zaken die mij in dit stadium zijn bijgebleven, namelijk de schrale inkomenspositie van de één-oudergezinnen en de verhoudingsgewijze lage beloning van het vakmanschap in de industrie, in relatie tot de beloning van ambtenaren in dezelfde sfeer. Ik denk dat wij dat punt met name nog eens goed moeten 'uitdiscussiëren' in die commissievergadering. Geen antwoord heb ik gekregen op mijn gedachten over uitzendbureaus. Ten slotte nog de loonpolitiek. De Minister houdt wat dat betreft zijn kruit nog wat droog. Hij wacht het interimadvies, dat spoedig zal komen, af. Maar daarmee is de zaak voor mij nog niet helder geworden. De Minister voegt wat gedachten toe aan dat interimadvies. Dan hebben we weer een hoop papier, maar wat doen we ermee? Ik denk dat we al pratend volgend jaar weer verzeild raken in allerlei loonmaatregelen en alles wat daarmee samenhangt. Laten we bekijken, of we snel tot een model kunnen komen, waarmee we de tachtiger jaren aan zouden kunnen. Ik herhaal mijn suggestie om het overleg met de sociale partners rondom het tijdstip van verschijnen van de voorjaarsnota te houden.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil allereerst terugkomen op de discussie over het banenplan en de contouren daarvan die zouden moeten verschijnen. Ik vind het wel erg tragisch dat wij nu, in januari 1982, nog niet weten waarvoor die 300 miljoen gulden precies gebruikt zal worden, dat wij straks alleen nog maar globale hoofdlijnen krijgen en dat het eigenlijke plan nog een jaar op zich zal laten wachten. Mijn grote zorg is wel of die 300 miljoen nu echt tijdig wordt besteed aan nieuwe banen. Of zal het grootste deel van het geldwij hebben aanwijzingen gekregen dat onze zorg terecht is en dat de bewindslieden achter de tafel die zorg delen -worden besteed aan respectievelijk scholing en deeltijdarbeid? Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet om nieuwe banen. Daarbij gaat het uitdrukkelijk om aanvullende banen, om aanvullend inkomen in gezinnen waar al een inkomen verdiend wordt. Dat is dan misschien niet anti-emancipatorisch, zoals de Staatssecretaris voor emancipatiezaken zegt, maar zij moet dan toch maar eens uitleggen wat dit te maken heeft met emancipatiebeleid als er in feite geen nieuwe, zelfstandige, volwaardige banen bij komen. Welke consequenties trekken de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zelf uit het gegeven, wat zij in interruptiedebatten hebben toegegeven, dat een deeltijdbaan slechts voor een beperkte groep mensen is weggelegd die een wat hoger inkomen, een wat hogere functie hebben, respectievelijk kan gelden als aanvullend inkomen in huishoudens waar al een inkomen is? Wat de jeugdwerkloosheid betreft is het voorstel van de VVD niet besproken. Het is wel in de pers besproken. Daaruit mogen wij echter toch niet afleiden dat de pers niet meer zo links is als zij is geweest in de ogen van de VVD? Misschien is het echter toch zo dat het voorstel van de VVD geen goed onderbouwd voorstel is, dat het niet leidt tot banen. In hoeverre denken de bewindslieden dat de voorstellen van de VVD voor het oplossen van de jeugdwerkloosheid afwijken van de suggesties om een leerplichtverlenging in te voeren om daarmee de jeugdwerkloosheid op te lossen? Wij moeten nog afzonderlijk terugkomen op de kwestie van werken met behoud van uitkering. Daarbij moeten nog zoveel technische problemen worden opgelost dat wij er in het kader van deze begrotingsbehandeling niet uit zullen komen. Ik ben toch wel verrast over de positieve wijze waarop de Staatssecretaris van Sociale Zaken is ingegaan op de plannen van de gemeente Epe. De plannen die de gemeente Epe ons heeft voorgelegd voldoen toch niet aan de criteria die zij zelf voor het werken met behoud van uitkering heeft genoemd? Wat de bescherming van de minima betreft vraag ik mij toch af in hoeverre het kabinet zijn voornemen zal realiseren, opdat niet opnieuw aan het einde van dit jaar blijkt dat de minima, zeker de echte minima maar ook de modale inkomens, meer achteruitgaan dan in het beleid van het kabinet is voorgesteld. Kunnen wij er zeker van zijn dat de verhoging van de gasprijs niet verder wordt doorgevoerd? Kunnen wij er zeker van zijn dat noch door het kabinet noch door de lagere overheden maatregelen worden getroffen die het inkomenspolitieke plaatje van het kabinet in feite tot een onhaalbare kaart maken? Welke garanties krijgen wij daarvoor? Ik ben toch bang dat de instrumenten die gehanteerd zullen worden, namelijk de beperkte en straks wellicht uitvoerige loonmaatregel, onvoldoende blijken te zijn om de minima te beschermen. Wij moeten nu de garantie krijgen dat andere maatregelen zullen worden genomen in de inkomenssfeer waardoor met name de aftopping in de hogere inkomens sneller zal plaatsvinden en die bij de lagere inkomens afgegrendeld is. Dan bedoel ik niet dat er een extra eenmalige uitkering moet komen. Wij hebben die gedachte verschillende malen uitdrukkelijk afgewezen. Wij vinden dat er een structureel beleid moet worden gevoerd waardoor de minima er niet verder in koopkracht op achteruitgaan, ook geen 1%. Mijn vraag over het beleid van het ministerie ten aanzien van de tewerkstelling van gewetensbezwaarden is niet beantwoord. Wij kunnen daar wellicht nog op terugkomen. Als dat nu niet kan, doen wij dat wel in commissieverband. Ten slotte kom ik tot de voorstellen ten aanzien van de Ziektewet. Ik zal evenals de bewindslieden niet op details ingaan. Mijn voorstel is duidelijk. Er zijn zowel in de collectieve sector als bij voorbeeld in de aardgaswinsten nog te veel mogelijkheden om het financieringstekort aan te pakken, voor zover dat nodig is. Wij vinden de maatregelen in de sfeer van de Ziektewet geen maatregelen die de lasten over alle schouders verdelen. Het is weer een beperkte groep, en wel de groep met de zwakste schouderr, die de lasten van deze maatregelen zullen moeten dragen. Wij zijn van mening dat er onvoldoende argumenten zijn aangegeven om deze maatregelen verder aan het parlement voor te leggen. Wij handhaven onze motie waarin wordt gesuggereerd, eerst te zoeken naar andere mogelijkheden in decollectieve sector. Daarbij moeten dan vooral de hoge inkomens worden aangepakt. Wij hebben het over de vrije beroepen gehad, maar er zijn in de motie ook nog enige andere suggesties verwerkt, hoewel de gedane suggesties niet uitputtend zijn. Wij zijn van mening dat er ingegrepen moet worden waar de sterkste schouders zijn en dat is niet in de sfeer van de Ziektewet. Wanneer alle lasten werkelijk op een eerlijke wijze werden verdeeld in ons land, dan zou aan het einde van dit jaar ook 10% van de Kamerleden en de bewindslieden werkloos moeten zijn!

©

C. (Stan)  PoppeDe heer Poppe (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ook wij danken de bewindslieden voor de antwoorden. Ik zal vooral ingaan op hetgeen de Minister heeft gezegd. Wij vonden dat moedgevend wat de helderheid betreft waarmee de Minister namens het kabinet het eigen werkgelegenheids-beleid heeft gesteld tegenover de aandrang van de VVD om te komen tot een beleid dat wordt gekenmerkt door een lastenverlichting door middel van het ongericht bezuinigen op de collectieve voorzieningen. Een dergelijk beleid zou vooral ten koste gaan van de niet-actieven en van essentiële gemeenschapsvoorzieningen. Het beleid van het kabinet laat duidelijk een heroriëntatie zien van het werkgelegenheidsbeleid. Het is een tweesporenbeleid, waarbij enerzijds ruimte wordt gezocht voor de ondernemingen, de industrie, het bedrijfsleven, en waarbij anderzijds is gekozen voor een actieve stimulering en richtinggeving door een eigen structuurbeleid van de overheid. De overheid komt daarbij met maatregelen die op korte termijn kunnen leiden tot directe resultaten. Wij moeten ook zeggen dat de Minister betrekkelijk vaag is geweest. Wij hebben daar begrip voor, want de eerste contouren van hetwerkgelegenheidsplan zijn nog in bespreking bij diverse adviesorganen. Het plan komt in februari en dat wisten wij. Toch maken wij hierover nu al enige opmerkingen. Voor 1982 zal mijn collega Moor dat doen. Voor de langere termijn heeft de Minister een belangrijke uitspraak gedaan, namelijk dat het economische structuurbeleid een centraal deel van het werkgelegenheidsbeleid zal uitmaken. Wij hebben er begrip voor dat de Minister daar niet verder op is ingegaan. Wij zullen dat bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken echter zeker doen. Wij herhalen nu dat een loonkostenmatiging zeker nodig is voor ondernemingen, maar dat dit nog geen bestrijding van de oorzaken van de werkloosheid betekent. Het is geen bestrijding van de tendentie in onze economie om wèl te streven naar herstel van de positie van de eigen onderneming, maar met de werkgelegenheid als sluitpost. Dat is een tendentie die kan worden samengevat in de opmerking: wij gaan in de richting van groei, maar zonder banen. Een beleid dat is gericht op het verwezenlijken van recht op arbeid, betekent ook het werken aan een meer planmatige ontwikkeling. Wij hebben met voldoening geconstateerd dat de Regering vasthoudt aan het uitgestippelde beleid van eerlijk delen. Dat wil zeggen dat de garantie van de vloer in de inkomensverdeling -de minima hoogstens 1% achteruit -blijft bestaan en dat er geen algemene teruggang zal zijn met alleen een pleister op de wond voor wat de VVD de 'echte minima' noemt. Een apart probleem blijft voor ons de positie van mensen die in hun woonsituatie in het bijzonder worden getroffen door de grote stijging van de energielasten. Wij willen dit in dit debat niet aan de orde stellen, maar stipuleren nogmaals dat hiervoor een oplossing moet worden gevonden. Wij zijn hiermee ook in eigen kring bezig. Het minst tevreden zijn wij over wat is gezegd over de manier waarop inkomensoffers zinvoller kunnen worden gemaakt door werknemers meer mogelijkheden te geven, zelf zeggenschap uit te oefenen op het gebruik van deze offers. In zekere zin heeft de heer Weijers gelijk met zijn opmerking dat het niet nodig moet zijn, dit verband tussen matiging en zeggenschap te leggen. Bedrijfsdemocratisering moet ook op zich zelf bepleit worden. Wij zijn het eens met de opmerkingen van de heer Weijers in zijn pleidooi voor werknemerszelfbestuur. Zover is het echter in 99,9% van de ondernemingen nog niet. Wij vragen op dit moment aan mensen, lonen in de ondernemingen te laten, waarin zij te weinig invloed hebben. Daarom moet hieraan zeker iets worden gedaan, als wij mensen inkomensoffers opleggen. Wij waren dan ook verheugd over de toelichting op de loonmaatregel in de Staatscourant, waarin het overleg over de besteding van de resultaten van de loonmaatregel geboden werd genoemd. Daarom zijn wij ernstig teleurgesteld dat het bij het uitspreken van deze wenselijkheid is gebleven. De Ministerzegt nu dat de informatie die aan de ondernemingen over de loonmaatregel is gegeven, technisch is en dat het nooit is gebeurd dat hierbij de politieke context werd aangeduid. Het realiseren van wat geboden is, vereist echter ook administratieve ondersteuning. Het is ook nooit gebeurd dat de Regering heeft gezegd dat dit overleg geboden is.

Ik moet de Minister met nadruk nog eens vragen of hij niet met mij van mening is dat degenen die de loonmaatregel in de onderneming uitvoeren, de loonadministratie of de afdeling personeelszaken, aan de bedrijfsleiding, de ondernemingsraad en de vakbeweging moeten rapporteren wat de opbrengst van de loonmaatregel is geweest, zodat er een basis is voor het gesprek dat de Minister geboden acht. Wij willen vandaag niet ingaan op onze kritiek op het feit dat de Regering voor het werkgelegenheidsoverleg, in meer ruime zin voor arbeidsplaatsenovereenkomsten voorlopig vertrouwt op de nogal vrijblijvende afspraken hieromtrent in de Stichting van de Arbeid. Wij hebben hier niet alleen weinig fiducie in, maar zijn ook vast ervan overtuigd dat het hierbij op korte termijn niet kan blijven, zeker als wij verdergaan met het verschuiven van lasten van ondernemingen naar werknemers, een aspect van de voorstellen rondom de Ziektewet. Het is bekend dat wij bezwaren hebben tegen de vormgeving van deze voorstellen. Wij hebben alternatieven gesuggereerd, waarbij niet zozeer de zieken worden gepakt, alswel de pijn wordt gespreid over alle werknemers. Ook onze suggesties betekenen echter een noodzakelijke lastenverlichting voor ondernemingen door inkomensoffers van werknemers. Daarom komen wij zeker op het werkgelegenheidsoverleg terug. Dit geldt ook voor ons voorstel, zoals in het regeerakkoord in het vooruitzicht werd gesteld, aan ondernemingen de verplichting op te leggen, een investeringsplan op te stellen dat met de ondernemingsraad wordt besproken. Wij hebben al eerder gezegd dat dit het noodzakelijk wegnemen van een ernstige lacune in de Wet op de ondernemingsraden is. Het adviesrecht en vooral het hieraan verbonden beroepsrecht tegen het geen rekening houden met adviezen van ondernemingsraden gelden alleen als er directievoorstellen worden geformuleerd. Het is belangrijk dat de directie dan ook de verplichting krijgt, zo'n investeringsplan voor te leggen. Ook vanuit de beleidsfilosofie in het algemeen waarover wij vandaag spreken, is er een reden om hiervoor te pleiten. Een Regering die van mening is dat er voor de economie als geheel een meerjarenplan nodig is als oriëntatiemiddel en als basis voor planmatig beleid, moet dit ook erkennen voor de onderneming en de ondernemingsraad.

©

E. (Elske) ter VeldMevrouw Ter Veld (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. De grote lijnen, zoals uitgezet door de bewindsleden, -te weten de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid èn de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen, -onderschrijven mijn betoog, dat dit de eerste weg is om de sociale zekerheid te kunnen beperken èn de weg naar de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In de UCV over het onderdeel Emancipatie zullen wij over dit laatste uitgebreid verder spreken met de bewindslieden. De door de Staatssecretaris mevrouw Dales genoemde uitgangspunten voor stelselwijziging, -de huidige verbrokkeling, de rechtvaardigheid, de gelijke behandeling van mannen en vrouwen: èn daarom de noodzaak om tot een fundamentele discussie over deze uitgangspunten te komen, -onderschrijf ik, alsmede de procedure, inhoudende een oriënterende fase, het uitwerken van alternatieven en daarna de keuze. Een discussie tussen Regering en parlement en ook discussies in de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken, zoals ook het CDA voorstelt, zullen daarbij zeker noodzakelijk zijn. Inderdaad zijn er vele varianten mogelijk voor stelselwijziging. Ik heb daar al over gesproken. De uitspraken van mevrouw Dales, te weten dat er een minimum zal zijn, dat er een relatie moet bestaan tussen lonen en uitkeringen en dat haar voorkeur er daarbij naar uitgaat om ook de verzelfstandiging mee te nemen, acht ik positief. Met haar opstelling geeft de Staatssecretaris aan, dat zij beseft welk een groot recht sociale zekerheid is voor mensen die daarvan afhankelijk zijn. Ik vertrouw erop, ook bij de uitwerking van concrete voorstellen een zo aan mijn betoog verwante opstelling terug te vinden. Mijnheer de Voorzitter! In dit kader wil ik toch nog een opmerking in de richting van D'66 maken. Ik geef eerst een citaat: 'Verzorging van de wieg tot het graf is mooi, maar heeft geleid tot een te grote afhankelijkheid van overheidszorg en tot een stelsel waarin een te declareren taxi om naar het ziekenhuis te gaan verkozen wordt boven de auto van de buren, die geen gemeenschapsgeld kost.' Een zo gemakkelijk voorbeeld doet bij mij de vraag rijzen, of D'66 zich wel realiseert wat dergelijke rechten en wat sociale zekerheid betekenen voor mensen in een afhankelijke situatie.

Mijnheer de Voorzitter! Wij verwachten nog veel. Er is nog veel toegezegd: een nota, aan de hand waarvan de financiering van het stelsel aan de orde komt; een standpunt inzake het ISMO-rapport; voorstellen met betrekking tot de kinderbijslag. Ik stel, hierop aansluitende, dat ook wij de studiefinanciering graag snel geregeld willen zien. Voorts is genoemd de uitvoeringsorganisatie. Ik acht het bijzonder positief dat ook de mensen die daar werken, weten in welke toekomstige werksituatie zij zullen verkeren en dat daar op het moment enige rust is. Wel dring ik nogmaals aan op een gezamenlijk notitie met uitgangspunten, van Belastingen en Sociale Zaken, met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Ik heb gewezen op de fricties die kunnen ontstaan bij de verzelfstandiging van de premieheffing voor de volksverzekeringen, wanneer de huidige premiegrenzen blijven bestaan. Deze premies worden op dit moment via de belastingwet geheven. De individuele draagkracht en de factoren die daarvoor medebepalend zijn, zijn zaken die naar mijn oordeel alleen behandeld kunnen worden in relatie met de belastingwetgeving. Draagkracht behoort mijns inziens in eerste instantie via de belastingkant te worden verdisconteerd. Ik wil ook nog wijzen op de relatie tussen belasting en sociale zekerheid, waar het de belastingheffing van getrouwde vrouwen betreft, die op dit moment verschilt bij de verschillende uitkeringen in de verschillende sociale zekerheidsregelingen. Mijnheer de Voorzitter! Een laatste opmerking betreft mijn suggestie ten aanzien van één-oudergezinnen met een bescheiden inkomen. Over die één-oudergezinnen is al veel gesproken. Ook de Minister heeft gewezen op de positie van deze gezinnen, naar aanleiding van het rapport van het SCP. Mijn suggestie was en is om voor die één-oudergezinnen, alleenstaanden met jonge kinderen, te zoeken naar mogelijkheden, bij voorbeeld om door middel van een subsidie deeltijdarbeid met een bodemgarantie mogelijk te maken. Zo kan ook de relatie tussen arbeidstijdverkorting en deeltijdarbeid worden gelegd. Deeltijdarbeid mag geen luxe zijn. Het kan de weg zijn naar een algemene arbeidstijdverkorting per dag. De weg die voor iedereen begaanbaar behoort te zijn.

©

F. (Frans)  MoorDe heer Moor (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ook mijn dank voor de gegeven antwoorden op mijn vragen. Een aantal daarvan werden schriftelijk beantwoord. Op een tweetal van die antwoorden wil ik nog kort reageren. De Minister heeft toegezegd dat hij de kwestie van de jeugdlonen in de Stichting van de Arbeid zal brengen. Over het hoe en wanneer beraadt hij zich nog. Ik zou er bij de Minister op willen aandringen een besluit daarover op korte termijn te nemen en deze kwestie niet te laten liggen tot volgend jaar. Met betrekking tot mijn vraag over de beperking van het overwerk zegt de Minister dat de Arbeidsinspectie heel weinig vergunningen verstrekt op grond waarvan overwerk is toegestaan. Dat zal ik niet in twijfel trekken. Ik wil hierbij wel opmerken dat voor het verrichten van overwerk in de meeste gevallen geen vergunning gevraagd wordt. Dat wordt gewoon gedaan. Ik dring daarom aan op meer controle hierop. Ook vind ik het positief dat de Minister al in februari met de eerste versie van het werkgelegenheidsplan komt. Net als mijn fractiegenoot de heer Poppe heb ik begrip voor het feit dat een rijpere editie langer gaat duren. Naar de mening van mijn fractie mag het feit dat het werkgelegenheidsplan dat in februari komt, slechts een eerste editie is, niet betekenen dat de afspraak over het aantal te creëren arbeidsplaatsen voor 1982 niet nagekomen zal worden. Ik wil nu niet treden in de discussie tussen de Minister en het Centraal Planbureau; ik zal de Minister ook niet vragen om vandaag precies het aantal te creëren banen te noemen. Ik wil wel van hem vernemen of de doelstelling voor 1982 neergelegd in de regeringsverklaring, te weten 25.000 a 35.000 nieuwe arbeidsplaatsen met daarnaast een pakket van arbeidsmarktmaatregelen die de verdere groei van de werkloosheid nog met circa 30.000 kan verminderen, uitgangspunt blijft voor het beleid van de Regering. Mijn fractie stelt er prijs op dit van de Minister te horen. Een ander hoofdpunt uit de discussie washet creëren van arbeidsplaatsen met behulp van uitkeringsgelden. De Staatssecretaris, mevrouw Dales, reageert daar positief op. De grenzen die zij daarbij noemt, lijken ons juist. Het verliezen van normale arbeidsplaatsen door het invoeren van deze

Interruptie van het VVD-kamerlid De Korte Moor mogelijkheid is natuurlijk niet de bedoeling. Uit het antwoord van de Staatssecretaris begrijp ik dat mensen die met gebruikmaking van uitkeringsgelden kunnen werken in de particuliere sector, niet uitkeringsgerechtigd meer zijn. Dat betekent dat zij onder de normale condities in die bedrijven gaan werken, zoals ik dit ook in eerste instantie heb bepleit. In de overheidssfeer luidt het antwoord dat dit werk zal zijn met behoud van de uitkering. Uit een van de schriftelijke antwoorden maak ik op, dat zolang iemand een uitkering heeft het begrip passende arbeid niet van toepassing is als hij met behoud van die uitkering werkt. Vertaal ik dit nu goed als ik zeg, dat werken met behoud van uitkering alleen op vrijwillige basis kan? Tot slot wil ik nog een paar opmerkingen maken over het plan van de VVD met betrekking tot de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Om te beginnen wil ik zeggen, dat de jeugdwerkloosheid zo groot is, dat plannen ter bestrijding daarvan niet door mij op voorhand worden afgewezen. Het is echter wel opvallend, dat de VVD nu ineens met plannen komt terwijl zij net een regeringsperio-de achter de rug heeft waarin geen grote plannen voor de oplossing van dit probleem zijn ingediend.

De heer De Korte (VVD): Heeft de Partij van de Arbeid dat dan wel gedaan?

De heer Moor (PvdA): Dat hebben wij wel gedaan. Bij voorbeeld toen de VVD de jeugdlonen halveerde, werd in diezelfde Kamervergadering gestemd over het uittrekken van enorm veel geld voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, met name voor de experimentele plannen. De heer de Korte stemde daar toen tegen. Nu zegt de heer De Korte dat zij verdubbeld moeten worden.

De heer De Korte (VVD): Mag ik de heer Moor wijzen op mijn voormalige collega De Voogd die zelfs een hele brochure heeft uitgegeven waarbij hij ook in contact is geweest met de jongeren over het discussiëren over banen. Is de heer Moor hiervan op de hoogte?

De heer Moor (PvdA): Ja dat weet ik. Ik heb in eerste termijn gezegd, dat er veel nota's verschenen zijn. Het gaat er echter om dat de VVD vier jaar in de Regering heeft gezeten en dat zij geen enkel plan heeft ingediend. Het gaat er niet om wat de VVD aan de pers heeft gegeven of wat zij bij ons in de vakjes heeft gelegd. Het gaat er om wat hiervan in het beleid tot uitdrukking is gekomen, behalve dan het haiveren van de jeugdlonen.

De heer De Korte (VVD): U heeft te maken met de VVD-fractie; wat de VVD-f ractie naar voren heeft gebracht.

De heer Moor (PvdA): Neen, ik heb te maken met het regeringsbeleid uit de vorige periode.

De heer De Korte (VVD): Wanneer ik naar u luister, moet ik dus eigenlijk naar het kabinet luisteren en behoef ik niet naar u te luisteren.

De heer Moor (PvdA): Ik heb het over uw plan. Ik heb het niet over het plan van de heer Den Uyl. Dat komt over een paar weken. Ik heb het over uw plan en over de plannen die u in de vorige periode heeft ingediend en dat was helemaal niets.

De heer De Korte (VVD): In de vorige periode heeft de VVD-fractie, bij monde van de heer De Voogd, zeer uitgebreide plannen naar voren gebracht. Ik zal u de nota hiervan nog eens toesturen.

De heer Moor (PvdA): Dat behoeft u niet te doen, want ik heb hiervan een aantal exemplaren in mijn kast. Mijn laatste opmerking die ik hierover wil maken is dat u dit niet tot uitdrukking heeft gebracht in het beleid van de Regering in de vorige periode. Bij het jeugdplan van de VVD wil ik een paar kritische opmerkingen maken. De VVD meent dat hiermee de kansen van deelnemers op een vaste plaats enorm vergroot worden. Ik heb daarover mijn twijfels. Daarvoor zijn meer arbeidsplaatsen nodig of, zoals ik heb geopperd, een verplichting voor werkgevers om een bepaald percentage jongeren in dienst te nemen. Het lijkt erop -dit is mijn tweede grote probleem -dat de VVD de werkgevers wil helpen aan extra goedkope arbeidsplaatsen. De drastische verlaging van de jeugdlonen was kennelijk niet genoeg. Invoering van de door de VVD voorgestelde plannen zal er absoluut toe leiden, dat normale arbeidsplaatsen komen te vervallen. Deze zullen dan ingenomen worden door jongeren, waarvan de loonkosten voor de werkgever nauwelijks meer iets te betekenen hebben.

©

B. (Bonno)  SpiekerDe heer Spieker (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Ik wil een paar kanttekeningen plaatsen bij het door de Minister zo nadrukkelijk naar voren gebrachte kortetermijnbeleid. Ik heb hierover in eerste termijn enkele vragen gesteld. In antwoord hierop verwijst de Minister naar het programma dat wij over enkele weken zullen ontvangen. Ik heb zeer nadrukkelijk gevraagd, of de Minister hierbij met twee zaken rekening wil houden. Dat betreft in de eerste plaats de regionale component van de werkloosheid in de structureel zwakke gebieden. Hierover heeft de Minister geen toezeggingen gedaan. Ik wil echter beslist van de Minister vernemen, in hoeverre hij hiermede rekening wenst te houden. Dit vooral

ook in het licht van mijn opmerking, dat met betrekking tot het langetermijnbeleid, dat gevoerd gaat worden, het in deze gebieden wel eens zo zou kunnen zijn, dat zij wat de werkgelegenheid betreft verder achterop komen. Dat is het laatste wat moet gebeuren. In de tweede plaats moet de Minister rekening houden met de problematiek van de oude stadswijken in de grote steden. Hier wonen de laagstbetaalden, de mensen met WAO en grote groepen jongeren die niet of nauwelijks de kans hebben, aan het arbeidsproces deel te nemen. Hiervoor zullen op zeer korte termijn extra maatregelen getroffen moeten worden, anders onstaat er een situatie, die niet meer in de hand te houden ofte herstellen is. Ik hoor graag het oordeel van de Minister hierover. De Minister heeft een zeer interessante opsomming gegeven van het aantal werkzoekenden, die ingeschreven en uitgeschreven worden bij de Gewestelijke Arbeidsbureaus. Dit is jarenlang aardig in evenwicht geweest. Wij moeten nu echter constateren, dat het aantal inschrijvingen rond de 200.000 meer is dan het aantal uitschrijvingen. Het is echter veel belangrijker, vast te stellen wat de rol is van al die uitschrijvingen door de Gewestelijke Arbeidsbureaus. Hoeveel mensen komen via de GAB's weer in het arbeidsproces? Het is een positieve ontwikkeling, dat het overgrote deel van de ingeschrevenen op eigen kracht weer aan het arbeidsproces gaat deelnemen. Er doet zich echter tegelijkertijd een ander probleem voor, namelijk het verdringingseffect. Hierbij aanvaarden de hoger opgeleiden functies, die eigenlijk bestemd zijn voor mensen met lagere opleidingen. Mijn grote vrees is, dat wanneer de Gewestelijke Arbeidsbureaus niet in staat zijn hun bemiddelingsrol te verbeteren, het grote legioen langdurig werklozen steeds groter wordt. Er zullen derhalve afspraken met de werkgevers-en werknemersorganisaties gemaakt moeten worden over vacaturemelding en -afmelding. Ook de bezetting van de GAB's moet verbeterd worden. Ik wil hiervoor de bijzondere aandacht van de Minister vragen en ik hoor graag van hem, welk beleid de Minister met betrekking tot de personeelsbezetting van de Gewestelij Arbeidsbureaus denkt te gaan voeren.

Het mag in deze situatie niet zo zijn, dat puur uit financiële overwegingen het aanvullen van de personeelsbezetting achterwege blijft. Dit is het paard achter de wagen spannen. Hij gaat hiermede de verkeerde kant op. De Kamer heeft over het kort middelbaar beroepsonderwijs in 1979 een motie van de heer Worrell aangenomen, waarin werd gevraagd de integrale invoering van deze onderwijsvoorziening te doen realiseren. Onze fractie staat nog steeds op het standpunt dat daar een sterke uitbreiding moet plaatsvinden. Men bereikt hierme een aantal goede zaken. De positie van de jongeren op de arbeidsmarkt wordt versterkt en tegelijkertijd vermindert daarmee de jeugdwerkloosheid. Bovendien schept het extra arbeidsplaatsen in het onderwijs. De Minister is over de scholingsmaatregelen mijns inziens wat te vaag gebleven. Concreet zou ik willen vernemen wat de stand van zaken is bij het kort middelbaar beroepsonderwijs en wat de Regering voornemens is daaraan te doen. Ik heb kennis genomen van het standpunt van de Staatssecretaris over de Arbeidsomstandighedenwet. Ik heb er ook kennis van genomen dat er in de voorlopige adviesraad stemmen zijn opgegaan om naast de twee opgevoerde artikelen een aantal andere artikelen in werking te doen treden. Het verontrust ons toch enigszins dat de consequentie hiervan is dat de wet pas op 1 januari 1983 in werking kan treden. Wij hebben hiermee toch wat problemen. De Arbeidsomstandighedenwet laat al veel te lang op zich wachten, terwijl het een absolute noodzaak is dat deze wet snel wordt ingevoerd. Het is ook hoogst noodzakelijk omdat er een aantal maatregelen wordt verwacht die snelle invoering van deze wet dringend gewenst maken. Hoe groot is eigenlijk de kans dat er binnen de voorlopige adviesraad overeenstemming wordt bereikt over de artikelen, die door de Staatssecretaris worden genoemd? Wat is het tijdstip waarop de raad zijn advies gaat uitbrengen? Dit tijdstip is mijns inziens veel te ruim gesteld: in de vakanties en direct na de vakanties. Sommige mensen hebben een geweldig lange vakantie en anderen zijn bijna permanent op vakantie, die kunnen zich dat ook veroorloven. Wat ons betreft wordt daar gauw een einde aan gemaakt, maar dat kunnen wij niet alleen oplossen. Ik zou er bij de Staatssecretaris op willen aandringen dat de voorlopige adviesraad op zeer korte termijn advies gaat uitbrengen, opdat absoluut wordt voorkomen dat de wet nog verder achteruit wordt geschoven. Ten slotte -dit is een gewetensvraag aan de Staatssecretaris -zou ik graag horen hoe sterk zij zich gaat maken opdat wij erop kunnen rekenen dat deze wet op 1 januari 1983 in werking kan treden. Het minderhedenbeleid is ook al even genoemd. De Staatssecretaris heefteen aantal te treffen maatregelen die in voorbereiding of in onderzoek zijn, aangegeven. Het betreft hier echter voornamelijk scholingsmaatregelen; onder andere een onderzoek naar de positie van de minderheidsgroepen op de arbeidsmarkt. Het lijkt mij gewenst dat wij, vooral gelet op de ernstige problematiek -wij zijn het daar allemaal over eens -over het pakket dat de Staatssecretaris heeft opgevoerd op zeer korte termijn met de Regering «an gedachten wisselen. Een ander punt is de Wet Arbeid buitenlandse werknemers. Onze fractie heeft er bij herhaling op gewezen dat deze wet een aantal discriminerende elementen bevat. Met instemming hebben wij geconstateerd dat Staatssecretaris Leijenhorst de mening is toegedaan dat juist op dit punt de wet moet worden geëvalueerd. Wanneer kunnen wij daarover wijzigingsvoorstellen verwachten? Over de remigratie van de buitenlandse werknemers is de laatste tijd, met name onder de Spanjaarden, nogal wat onrust ontstaan. Er wordt ernstig gepoogd de mensen die hier al geruime tijd zijn weer naar hun thuisland te doen terugkeren. De mogelijkheden in die landen zijn beperkt. Het idee is geopperd om te bekijken hoe wij dit samen zouden kunnen doen, bij voorbeeld door in zo'n land projecten op te zetten waar de mensen, die terugkeren daadwerkelijk aan het werk zouden kunnen gaan. Mijn vraag nu is, welk beleid het kabinet in dezen gaat voeren. Heeft dit kabinet nog wel serieuze aandacht voor die projecten? Ingeval het kabinet toch nog medewerking aan deze projecten verleent, zou ik willen vernemen, om welke projecten het gaat en wat wij er op korte termijn van kunnen verwachten.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Ook ik wil de bewindslieden danken voor hun antwoorden, al heb ik niet op alle vragen een antwoord gekregen.

De Minister is begonnen met uitgebreid de droevige situatie van de Nederlandse economie te schetsen. Hij heeft eigenlijk ook aangegeven dat de werkloosheid sneller toeneemt dan in november werd verwacht. Hij zegt dan 'wij moeten van onze ideeën een röntgenopname maken'. Op zich zelf lijkt mij dit wel prachtig, maar als hij dat doet, moet hij ook meer zaken doorlichten. Het lijkt mij namelijk dat het beleid tot nu toe -en daarbij reken ik het beleid van het vorige kabinet -doorgelicht moet worden om te zien welke negatieve effecten dat allemaal heeft gebracht. De VVD kan hier nu wel heel triomfantelijk spreken over bescherming van de minima, maar het is natuurlijk niet voor niets dat onder hun medeverantwoordelijkheid, het inkomen van die minima is achteruit gegaan, de uitkeringen zijn aangepakt, de AOW-uitkering, voor behoud waarvan de bejaarden ook gedemonstreerd hebben, is aangepakt en er verdere ombuigingen hebben plaatsgevonden. Bij een ongelooflijk snel stijgende werkloosheid, zoals nu het geval is, lijkt het mij erg belangrijk te kijken welke consequenties dat bezuinigingsbeleid heeft gebracht. Het lijkt mij ook belangrijk de vraag te stellen of er niet een echte oplossing nodig is. Daarmee doel ik op een aantal ideeën die al veel eerder aan de orde zijn gesteld en waarover ik niet meer hoor praten. Deze ideeën behelzen bij voorbeeld beperking van de kapitaalexport, aanpakken van de aardgaswinsten -hierover hoor ik ook niets meerhet aanspreken van de goudvoorraden van De Nederlandsche Bank enzovoorts. Is het juist nu niet noodzakelijk, nu er veel mensen in grote problemen verkeren, dit soort zaken eens concreet aan te pakken en in ieder geval serieus te onderzoeken. Mijnheer de Voorzitter! De Minister sprak over een meersporenbeleid. Voor mij is echter het spoor van het werkgelegenheidsbeleid, dat toch onder dat meersporenbeleid moet vallen, niet erg duidelijk. In november 1981 zijn er getallen genoemd. Er is gesproken over 60.000 banen. Het Centraal Planbureau heeft daarover een berekening gemaakt en er is een saldo van 5000 uitgekomen. Sindsdien heb ik geen cijfers meer gehoord. Het spijt mij dit te moeten zeggen, maar de Minister is daarover gisteren heel vaag geweest en heeft niet concreet aangegeven hoe het nu zit met het werkgelegenheidsbeleid en wat dit nu nog kan opleveren. Ik vind een antwoord hierop erg belangrijk, omdat ik ook graag wil weten wat de teruggang in bestedingen sinds november alweer aan banen heeft gekost. Ik wil hierbij ook verwijzen naar de petitie van de Nederlandse boomkwekers, waarop de Minister helaas niet is ingegaan. Er is voorts gezegd dat herverdeling van werk aan de orde is. Natuurlijk is een discussie hierover de moeite waard. De vraag is wel: hoe reëel zijn de plannen die de Minister en de Staatssecretarissen op dit moment voorleggen? Hoe reëel is het bestaande banen te verdelen? Hoe reëel is dit ook voor mensen meteen minimuminkomen. Ik ben hierop gisteren nog ingegaan. De Minister heeft zelf ook aangegeven dat hierbij problemen bestaan. Wanneer hierop geen antwoord komt, is de vraag: hoe reëel is die herverdeling? Het kan niet dat mensen met een minimuminkomen voor 70% of zelfs voor 50% gaan werken. Deze mensen kunnen niet inleveren, want zij zitten nu al in de problemen. Je kunt ook niet inleveren als je een jeugdloon hebt. Mijn vraag is dan, als ik ook nog even reageer op het verhaal van de heer Moor, of deze Regering van plan is, de halvering van de jeugdlonen terug te draaien?

Minister Den Uyl: Mevrouw Brouwer, ik heb gisteren gezegd, dat het op basis van vrijwilligheid wel mogelijk is in huishoudens waar meer dan één inkomensverdiener is. Dit geldt ook voor lonen rondom het minimum. Dat is de werkelijkheid.

Mevrouw Brouwer (CPN): Er zijn mensen met een minimuminkomen waarvan de echtgenote nu gaat werken, omdat het inkomen nu al te laag is. Dat is waar. Ik heb alleen gezegd, dat dit als beleid geen oplossing kan zijn. Dat betekent dat mensen met een minimuminkomen daaraan alleen kunnen voldoen als zij samen met een partner werken. Dat betekent dat je ook afhankelijk bent van het inkomen van de partner. De Minister onderkent dit probleem zelf. Daarom blijf ik vragen, hoe reëel het beleid is en hoe het nu zit met nieuwe banen? Ik heb dit gisteren ook gevraagd en daarop helaas geen antwoord gekregen. Mevrouw d'Ancona onderkent de problemen die ik heb aangegeven bij de deeltijdbanen. Er is gezegd, dat tijdelijke aanpassingen nodig zijn. Ik heb niet concreet gehoord welke tijdelijke aanpassingen dit zijn. Ik wil dat graag weten om deze zaak verder te kunnen beoordelen. Mevrouw d'Ancona heeft ook heel terecht gezegd, dat als het beleid op deeltijdbanen is gericht en de norm van de 40-urige werkweek blijft bestaan, het gevaar erin schuilt, dat het op deeltijd gerichte beleid onemancipatoir gaat werken. Dat betekent dat, als deeltijdbanen vrijwillig aan de orde komen en mensen daarvoor kunnen kiezen, er een beleid moet worden uitgestippeld met arbeidstijdverkorting. Deze arbeidstijdverkorting kan niet anders worden geregeld dan met behoud van loon voor de groepen met een minimum/modaal inkomen. Anders is het niet reëel. Als de Staatssecretaris voor Emancipatiezaken dit constateert, wat betekent dit dan voor het beleid? Ik wil hierop graag een heel concreet antwoord hebben. Ik vind het onjuist dat er alleen wordt gesproken over de 'crisis van de verzorgingsstaat'. Ik wil het eerder noemen een crisis van de Staat in politiek, economisch en sociaal opzicht. Er moet dus niet alleen geïsoleerd worden gekeken naar het systeem van sociale verzekeringen. Hoewel ik niet wil zeggen dat de Minister dit bedoelt, krijg ik toch de indruk dat er toch wel erg veel aandacht wordt besteed aan de uitkeringen en te weinig of helemaal niet aan crisisverschijnselen zoals export van kapitaal, aan het aanpakken van de winsten en dergelijke en aan het verschijnsel van de automatisering. Ik ben blij dat mevrouw Dales heeft gezegd, dat bezuiniging geen goed motief is om het stelsel van de sociale zekerheid te wijzigen. Ik ben het met haar eens, dat er een wijziging moet komen, gezien de EG-richtlijn. Ik wil graag een antwoord hebben op de vraag, hoe mensen en organisaties die met uitkeringen te maken hebben, bij de verandering van het systeem worden betrokken. Het is een kwestie van democratie. De Minister heeft over de koppeling tussen loon en uitkeringen gezegd dat die de onderste steen vormt van het bouwwerk. Heb ik hem goed beluisterd, dat hij heeft gezegd dat dit voor één jaar in het beleid is vastgelegd? Kan de Minister niet duidelijker aangeven dat hij het koppelingssysteem niet dit jaar, niet het volgend jaar en ook niet in de toekomst loslaat? Een ander punt waarover ik erg verbaasd ben geweest is dat de adviesaanvraag voor de Ziektewet niet aan de orde is gekomen. De Minister heeft althans gezegd, dat wij

moeten wachten op het SER-advies. Ik ben daarover verbaasd en wel om de volgende reden. Het is in het hele land aan de orde. De discussie is losgebarsten door de adviesaanvraag. De Regering is daarvoor verantwoordelijk. Ik vind dan ook dat een Kamer die daarover kritische vragen stelt, het recht heeft daarop antwoord te krijgen. Dat is niet alleen een antwoord aan de Kamer, maar ook een antwoord op vragen van mensen uit het land. Het is een antwoord aan mensen in de havens, in de vakbeweging, in de bouw, aan de artsen en aan iedereen die zich verder met de adviesaanvrage heeft bemoeid. Ik vind dat een Regering niet om dit soort vragen heen kan. De Regering kan ook niet zeggen dat men moet wachten tot het advies van de SER is gekomen. Per slot van rekening is de adviesaanvraag op zich een politiek feit. Dat houdt in dat een politieke discussie daarover nu aan de orde is. Er is al zoveel fundamentele kritiek op deze adviesaanvraag gekomen, dat er naar ons oordeel geen maatschappelijke basis is om haar te handhaven. Wij doen nogmaals het verzoek om deze adviesaanvraag in te trekken. De Minister heeft gisteren immers gezegd, dat hij bij voorbeeld met de beperking van de onderhandelingsvrijheid veel voorzichtiger wil omgaan. De adviesaanvraag is daar dan ook bij betrokken. Ik heb nog geen antwoord gekregen op de opmerkingen die ik heb gemaakt over de gezondheidsaspecten. Ik denk hierbij bij voorbeeld aan het risico van toename van het aantal WAO'ers. Er zijn ook geluiden te horen, dat, als de adviesaanvrage doorgaat, er een toename van de werkloosheid komt. Ik heb tevens geen antwoord gehad op mijn vraag over overheveling en wel ongecontroleerde overheveling van gelden aan werkgevers. Ik ben geschrokken van een suggestie van de VVD. Deze partij neemt het zgn. steeds voor de minima op en introduceert vervolgens heel vrolijk één wachtdag voor werknemers! Daarvan zullen juist de minima de dupe worden.

De heer De Korte (VVD): Wil mevrouw Brouwer dat toelichten? Ik heb het steeds gehad over de 'echte minima'. Deze minima bevinden zich vooral in de sfeer van de uitkeringen. De wachtdagen gaan niet op voor mensen die een uitkering genieten.

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik ga niet mee in de discussie over 'minima' en 'echte minima'. Ik vind dat mensen waarvan duidelijk is aangetoond zoals b.v. door het Sociaal Cultureel Planbureau dat zij een minimum inkomen hebben, niet achteruit kunnen in inkomen. Dat betekent dat zij dus ook niet één wachtdag kunnen hebben. Er zijn mensen die regelmatig ziek zijn Zij zouden dan iedere keer één wachtdag moeten inleveren! Deze mensen kunnen nu al niet rondkomen van hun minimumloon! Laat staan dat zij één dag kunnen missen als zij ziek zijn! Dat lijkt mij heel duidelijk.

De heer De Korte (VVD): Mevrouw Brouwer moet mij niet aanvallen op oneigenlijke argumenten. Zij moet alles wat ik heb gezegd nog eens nalezen!

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik heb het niet over oneigenlijke argumenten. Daarbij lees ik niet alleen na wat de heer De Korte heeft gezegd. Ik kijk ook naar wat het beleid van zijn partij is geweest. Dat beleid was niet zo best voor de minima. Wat dat betreft, ben ik het eens met de vorige sprekers. Mijnheer de Voorzitter! De Minister van Sociale Zaken heeft geen duidelijk antwoord gegeven. Hij zei dat er denkbare alternatieven zijn en hij heeft het voor zover ik heb begrepen, overgelaten aan het advies van de SER. Graag krijg ik duidelijkheid over zijn reactie op de suggestie van de VVD omtrent één wachtdag voor werknemers. Ik kom bij de maatregelen krachtens de Ziektewet. In de eerste termijn werd de suggestie gewekt dat ik niet helemaal begreep waarom het ging toen artikel 1638c BW besproken werd. Uit het schriftelijk antwoord heb ik begrepen, dat de Regering niet helemaal begreep waarom het ging. Lid 7 zou inderdaad geschrapt moeten worden. Dat is belangrijk. Ik heb nog een vraag over de adviesaanvraag aan de Emancipatieraad over deze ziektewetvoorstellen. Tot nu toe heb ik daarover weinig gehoord. Graag zou ik willen weten wanneer een rapport over de adviesaanvraag komt. Waarom wordt dat niet duidelijk aangegeven? Ik kom bij de richtlijnen van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Het blijkt mogelijk, dat mensen alszij regelmatig ziek zijn ontslagen kunnen worden. Weliswaar kan het alleen als het produktieproces wordt verstoord en alleen als daardoor druk op collega's wordt uitgeoefend. In de praktijk is dat echter een zeer gevaarlijke richtlijn onder de huidige omstandigheden. Er wordt immers zwaar geselecteerd op zieke mensen. Ik vraag dan ook duidelijk aan de Staatssecretaris of zij van mening is dat deze richtlijn ingetrokken moet worden en of zij daartoe bereid is. Hierbij moet de uitspraak, dat de zwakkeren moeten worden beschermd in ogenschouw worden genomen. Ten slotte verzoek ik u, mijnheer de Voorzitter, mijn motie betreffende de Algemene Kinderbijslagwet (1 729, nr. 9) bij deze beraadslaging te betrekken.

Motie

De Voorzitter: Op verzoek van mevrouw Brouwer stel ik voor, de motie-Brouwer en M. Bakker (17029, nr. 9) bij deze beraadslaging te betrekken. Daartoe wordt besloten.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden, hoewel met name in de sfeer van de sociale zekerheid een aantal vragen onbeantwoord bleef. Ik begrijp dat de Staatssecretaris niet te diep wil ingaan op haar plannen met de grondslagennota, maar ik zou toch graag wat meer zekerheid krijgen over een aantal daarin op te nemen zaken. Zo denk ik bij voorbeeld aan de gelijkberechtiging. De suggestie van mevrouw Ter Veld op dit punt spreekt mij zeer aan. Het uitbrengen van een gezamenlijke discussienota door de departementen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou prachtig zijn, maar zal nogal wat tijd vergen. Dit laat onverlet dat die nota er moet komen. Ik heb gevraagd of aan de grondslagennota een bijlage kan worden toegevoegd betreffende het geëmancipeerd inkomensbeleid. Kan ik ervan uitgaan dat in ieder geval in de grondslagenncta duidelijkheid zal worden geschapen? In dit verband vraag ik mij af, in hoeverre ambtenaren, die zich met emancipatiebeleid bezighouden, betrokken zijn bij de voorbereiding van de grondslagennota? Mag ik ervan uitgaan dat, voordat over de grondslagen is gesproken, geen ingrepen in het stelsel van sociale zekerheid zullen worden gedaan die emancipatoire ontwikkelingen op de lange termijn kunnen blokkeren? Mevrouw D'Ancona heeft gezegd dat zij de weg naar de toekomst niet

wil blokkeren door het nemen van kortzichtige beslissingen, dus dat wijst in die richting. In dit verband denk ik bij voorbeeld aan de integratie van de werkloosheidsregelingen. Graag herhaal ik nog mijn vraag of. het mogelijk zal zijn om in de grondslagennota de mogelijkheid te verwerken om te komen tot een verplichte en een aanvullende verzekering, met het oog op de door ons gewenste beleving van de eigen verantwoordelijkheid. Mevrouw Ter Veld maakte mij in dit verband ten onrechte een verwijt. Het gaat mij niet om de aantasting van rechten van mensen, maar om het besef dat het gebruik maken van rechten geld kost. Als men in plaats van met de taxi ook naar hetziekenhuis kan met de auto van de buren, kan men dat toch op z'n minst afwegen.

Mevrouw Ter Veld (PvdA): In de toekomst zal uw fractie nog zeer veel concrete mogelijkheden krijgen om duidelijk te maken hoe goed zij doordrongen is van het belang van de sociale zekerheid. Ik reken daar dan op.

Mevrouw Groenman (D'66): Wacht u maar af. Mijnheer de Voorzitter! Worden problemen betreffende de deeltijdarbeid en de sociale zekerheid ook in de studie betrokken? Ik heb een schriftelijk antwoord gehad op mijn vraag naar de verschillende inkomensafhankelijke toeslagen en subsidies. Natuurlijk stelde ik deze vraag niet voor niets. Ik wilde een verband leggen met de discussie over een inkomensafhankelijke kinderbijslag. In het rapportlnkomensprijzen van oktober 1979 staat dat van enige uniformiteit in opzet en uitvoering van voorkomende inkomensprijzen geen sprake is. Het bleek een rommeltje te zijn. Er bestond geen duidelijkheid over tariefstructuur, draaipunten en inkomensmaatstaven. Kan de werkgroep-Burger op korte termijn resultaten bekend maken? Kunnen uitkeringstrekkers betrokken worden bij de beleidsadvisering? Vooralsnog twijfelen wij aan de effectiviteit van de WAG. Worden sanctiemogelijkheden en een goede vorm van controle uitgewerkt? Zorgen maken wij ons over problemen rondom de 'afschatting'. Kan inzicht worden gegeven in de praktijk op dit gebied? Zal het landelijk beraad-WAO daarbij worden gehoord? Kan gewaakt worden voor cumulatie van bezuinigingsmaatregelen die arbeidsongeschikten treffen, want ik vind dat een zeer ernstige zaak?

Het antwoord op onze vraag over het belastingvoordeel dat werkgevers hebben die werknemers in dienst hebben die gebruik maken van de regeling op het gebied van de vooraftrek, heeft ons niet overtuigd. Administratieve problemen bij de opheffing van deze voordelen kunnen niet doorslaggevend zijn. Ook de berekening vinden wij niet overtuigend. Wij denken dat er een positief saldo is. Alle besparingsmogelijkheden moeten worden gebruikt. Kan er een nieuwe berekening worden gemaakt, wellicht door het Centraal Planbureau?

©

S. (Suzanne)  DekkerMevrouw Dekker (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ook ik dank de bewindslieden voor hun antwoord. Met name dank ik mevrouw D'Ancona, die ik voor het eerst in deze hoedanigheid tegenover mij mag meemaken. Hiermee is niet gezegd dat de inhoud van alle antwoordentot volletevredenheid stemt, maar daarover kom ik dadelijk nader te spreken. De Minister bevestigde in zijn betoog dat er een aanzienlijk groter tekort aan arbeidsplaatsen is dan de 500.000 officieel geregistreerde. Als je alle feitelijk werkzoekenden optelt, dan gaat het om een aantal in de orde van grootte van 1 miljoen. Ik vind het in dit verband goed, dat besloten is tot een ruimere definiëring en een uitgebreidere registratie van feitelijk werkzoekenden, omdat hiermee een beter beeld van de werkloosheid ontstaat. Dat is nodig om verantwoord maatregelen te kunnen nemen ter bestrijding van deze enorme problematiek. Ik heb in eerste termijn een betoog gehouden over de herverdeling van werk en met name over de arbeidstijdverkorting per dag, die ook in het regeerakkoord is opgenomen. Ik heb nog niets gehoord over de stand van zaken met betrekking tot de adviesaanvrage op dit punt aan de WRR en de Emancipatieraad. Dan de deeltijdarbeid. Mijn fractie heeft bij andere gelegenheden het belang daarvan onderstreept en initiatieven ter zake ontwikkeld. Ik noem de motie-Engwirda, die bij de behandeling van de regeringsverklaring is aangenomen, waarin wordt gevraagd een plan te ontwerpen om 175.000 banen om te bouwen in deeltijdbanen. De bewindslieden hebben niet gezegd, hoe het hiermee staat. Ik kan me voorstellen, dat dit plan wordt opgenomen in het nieuwe werkgelegenheidsbeleid, maar daarvan zou ik nu dan toch wel graag een bevestiging krijgen. Ik heb de Regering ook gevraagd, welke maatregelen worden genomen om een veel betere verdeling van deeltijdbanen over mannen en vrouwen te bereiken en te bevorderen, dat in alle sectoren en op alle niveaus deeltijdarbeid mogelijk wordt. Dit is ook in het regeerakkoord opgenomen. Het is een onderwerp, dat ook tijdens de UCV over het emancipatiebeleid

Mevrouw Dekker (D'66) aan het woord

aan de orde kan komen, maar ik breng dit nu ter sprake, omdat het antwoord dat de Minister gisteravond gaf nogal teleurstellend was. Hij stelde slechts dat blijkt dat zich op het ogenblik wel meer mannen aanbieden voor deeltijdwerk. Daaruit spreekt een nogal passieve houding, gelet op de enorme wanverhouding tussen mannen en vrouwen in dit opzicht. Ik heb ook gezegd dat de paar procent mannen, die in deeltijd werken, vooral gezocht moeten worden in de rechterlijke macht, de medische sfeer etc. Per persoon komt het niet op deeltijdarbeid neer, maar op het bekleden van verschillende functies. Ook mijn fractie zou graag vernemen, hoe het bedrag van 300 min. voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, opgevoerd op de begroting, wordt aangewend. Met name willen wij graag weten, welk gedeelte specifiek voor werkgelegenheid voor jongeren wordt bestemd en welk gedeelte voor andere arbeidsvoorzieningen. Het is immers een gecombineerde post. Maar ik neem aan, dat dit bij de verdere besprekingen van het werkgelegenheidsplan nog nader aan de orde zal komen. Het derde hoofdpunt is het arbeidsmarktbeleid. Evenals vorige sprekers vind ik de beantwoording op dit stuk erg summier. Het simpele feit van een groot aantal mutaties zegt niets over de kwaliteit en de structuur van de arbeidsmarkt. Ik heb in eerste termijn gewezen op een aantal elementen, waaruit blijkt dat er, zij het verhuld door de huidige werkloosheid, toch duidelijk sprake is van een slechte werking van de arbeidsmarkt, wat tot verlies van arbeidsplaatsen kan leiden of zelfs tot het vertrek van bedrijven uit Nederland. Er is dus alle aanleiding om structurele maatregelen te treffen, ten einde de kwaliteit van het aanbod en de onderlinge aansluiting van vraag en aanbod te verbeteren. Het is ook van belang om alvast in te spelen op de ontwikkeling van herverdeling van arbeid, waardoor ook het arbeidsaanbod zal veranderen. Voorts heb ik geen reactie gekregen op mijn voorstel om als zelfstandige sociaal-economische doelstelling op te nemen het streven naar een geëmancipeerde arbeidsverdeling en arbeidsverhoudingen. Ook de Emancipatieraad heeft in zijn nota, die wij gisteren kregen, het belang hiervan benadrukt.

Ten slotte is er nog het voorstel van een studie naar de mogelijkheden van en de behoefte aan een systeem van maatschappelijke dienstplicht. Ik heb die formulering gebruikt omdat deze het meest tot uitdrukking brengt dat de bedoeling is te bekijken in hoeverre het een goede weg is te onderzoeken hoe de maatschappelijke onvervulde behoeften en vele andere maatschappelijke taken gedurende een beperkte periode over jongeren zouden kunnen worden verdeeld. Ik hab dit naar voren gebracht omdat er thans voorstellen zijn gedaan om dit soort taken vooral aan jongeren die werkloos zijn op te dragen. Nu iser duidelijkeen scheiding tussen werkende jongeren enerzijds en werkloze jongeren anderzijds, aan wie dan allerlei activiteiten zouden worden opgedragen. Een betere spreiding over alle jongeren zou interessante effecten kunnen hebben en tot een evenwichtiger verhouding tussen de jongeren leiden. Ik vind het jammer dat de bewindslieden alleen maar een aantal bezwaren hebben opgesomd. Voorts heeft de Minister gesteld dat het de discussie zou verzwaren. Naar mijn mening zou dit juist een nieuwe invalshoek geven aan de discussie die op dit moment gevoerd wordt. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nu al een motie indienen, maar wel in de hoop dat het nadere antwoord van de Regering al tot tevredenheid stemt.

De heer Poppe (PvdA): Kan mevrouw Dekker nog een nadere toelichting op haar motie geven? Ik verbaas mij een beetje over het feit dat in die motie een overweging is opgenomen die uitspreekt dat het wenselijk is onbetaal-de en vrijwilligersarbeid meer in het algemeen te spreiden. Vervolgens loopt het uit op een suggestie van maatschappelijke dienstplicht voor jongeren in een zeer korte dienst. Wat kan een maatregel die ertoe leidt dat onbetaalde en vrijwillige arbeid verplicht wordt opgelegd aan een bepaalde categorie, bijdragen aan het spreiden van onbetaalde en vrijwillige arbeid?

De heer De Korte (VVD): Misschien moet het onvrijwillige arbeid zijn.

Motie

De Voorzitter: Door de leden Dekker en Oomen-Ruijten wordt de volgende motie voorgesteld: De Kamer; gehoord de beraadslaging;

constaterende, dat nog vele maatschappelijke behoeften onvervuld blijven; van mening, dat ook onbetaalde arbeid en vrijwilligerswerk evenwichtig verdeeld kunnen worden en niet voornamelijk worden toebedeeld aan degenen die buiten het betaalde arbeidsproces vallen;

van mening, dat een maatschappelijke dienstplicht voor alle jongens en meisjes die daartoe in staat zijn een eerlijke verdeling van werkzaamheden en taken en tevens maatschappelijke voordelen biedt; verzoekt de Regering, een interdepartementale studie te starten om de mogelijkheden van en de behoefte aan een systeem van maatschappelijke dienstplicht te onderzoeken en de Kamer hieromtrent op korte termijn te informeren, en gaat over tot de orde van de dag. Naar mij blijkt, wordt deze motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 24 (17100 XV).

Mevrouw Dekker (D'66): Eén aspect daarvan heb ik al genoemd in mijn toelichting. Het leidt er in elk geval toe dat dit soort taken en werkzaamheden over de gehele linie door jongens en meisjes worden vervuld. Het wordt dan niet alleen overgelaten aan degenen die buiten het betaalde arbeidsproces vallen, wat op zich een ongelijke verdeling is. Ik vind dit eigenlijk al een behoorlijk antwoord op de vraag in hoeverre dit tot een bredere verdeling van bedoelde werkzaamheden zou leiden. Ik wijs er ook nog op dat in de motie gevraagd wordt een studie te verrichten naar al dit soort aspecten. Ik heb geen concreet plan en geen concrete eis aan de Regering op tafel gelegd om de maatschappelijke dienstplicht al in te voeren. De bedoeling van de motie is juist, dit soort elementen goed op een rij te zetten, ten einde daarmee een duidelijke bijdrage te leveren aan de discussie die wordt gevoerd op het gehele vlak van het onbetaald werk, het vrijwilligerswerk, het betaald werk en de grenzen daartussen die momenteel steeds meer worden vervaagd. Ik kan natuurlijk geen uitspraken doen over de uitkomst van een dergelijke studie. Ik kan geen voorspellingen doen. Het gaat erom dat wij een goede basis krijgen om ons op deze problematiek te bezinnen en om een uiteindelijk standpunt te kunnen bepalen. Op het moment blijft de

maatschappelijke dienstplicht als een al dan niet 'aardig idee' in de discussie hangen. De discussie hierover is nog maar weinig ontwikkeld. Het opzetten van een oriënterende studie lijkt mij dan ook alleszins nuttig.

De heer Poppe (PvdA): Er is al een vrij fundamentele discussie op dit terrein aan de gang, want er wordt overal al gesproken over maatschappelijke dienstplicht. Ik zeg ook niet dat mijn fractie op zich zelf tegen de maatschappelijke dienstplicht is. De discussie wordt nu echter belast met een motie die de suggestie wekt dat enige fracties in deze Kamer hun mening al hebben vastgelegd.

Mevrouw Dekker (D'66): Wanneer je vraagt om een studie, dan betekent dat niet dat je je bij voorbaat vastlegt op de uitkomst daarvan. Wellicht geeft de redactie van de motie aanleiding tot de veronderstelling van de heer Poppe. Dat is dan jammer. Het is de bedoeling van de ondertekenaars van de motie dat alle facetten goed op een rij worden gezet. In de motie staat niet dat wij ons bij voorbaat vastleggen op de uitkomst van de studie. Wanneer je dat doet, dan hoef je geen studie meer te vragen, want dan kun je gewoon een motie indienen waarin je je eindstandpunt neerlegt.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Is dit niet eerder een zaak van spreiding van onvrijwillig werk?

Mevrouw Dekker (D'66): Deze vraag lokt een aparte discussie uit.

De Voorzitter: Dat is niet de bedoeling.

Mevrouw Dekker (D'66): In de motie wordt gedoeld op hetgeen in algemene zin wordt verstaan onder vrijwillige arbeid. Wat ons betreft zijn de modaliteiten nog open. Dat moet juist worden onderzocht. Je kunt je modaliteiten voorstellen waarbij er sprake is van het opleggen van taken die door de vervuilers daarvan als onvrijwillige taken worden beschouwd. Dat is heel wel mogelijk. Zover zijn wij echter nog niet.

De heer Poppe (PvdA): Waarom kiest mevrouw Dekker juist voor dit middel? Er zijn vele andere instrumenten denkbaar waarbij een betere spreiding van de verschillende soorten arbeid kan worden bevorderd. Het is mij niet duidelijk waarom mevrouw Dekker plotseling voor dit vrij ingrijpende systeem kiest, terwijl er toch andere mogelijkheden denkbaar zijn.

Mevrouw Dekker (D'66): Wij staan er voor open, bij de studie andere variaties of modaliteiten te betrekken. Ik acht dat alleen maar een verrijking van het onderzoek. Ik herhaal dat ik de term 'maatschappelijke dienstplicht' heb gehanteerd, omdat dit op bondige wijze een algemeen bekend systeem aanduidt. Op die manier weet iedereen waarop wordt gedoeld. Deze term laat, zoals gezegd, onverlet dat er allerlei modaliteiten en systemen denkbaar zijn. Ik heb graag een studie om dit eens goed op een rij te zetten. De discussie die wij nu voeren, duidt juist aan dat er nog spraakverwarringen en onduidelijkheden over bestaan en dat er alle aanleiding toe is, deze zaak goed op een rij te zetten.

De heer Rietkerk (VVD): Als u een studie vraagt over iets, doet u dit, omdat u in beginsel iets erin ziet. In deze zin is het niet volstrekt vrijblijvend.

Mevrouw Dekker (D'66): Het idee spreekt ons aan. De modaliteiten, consequenties en oplossingen van problemen moeten worden onderzocht. Het is mogelijk dat deze problemen zo onoverkomelijk zijn dat wij onze positieve houding tegenover dit idee aanpassen. Ik meen dat ik hiermee ook voor de andere indieners spreek.

De heer Rietkerk (VVD): Spreekt het idee u op dit ogenblik aan?

Mevrouw Dekker (D'66): Ja. Gezien de grote werkloosheid en de ongelijke verdeling van taken, vooral tussen diverse groepen jongeren, spreekt het idee ons zeker aan.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Misschien kan ik enig licht in de discussie brengen. De gevraagde studie is al lang bezig. Ik kom straks hierop terug.

Mevrouw Dekker (D'66): Als dit zo is, begrijp ik het negatieve antwoord van de Minister op mijn verzoek niet. Ik heb bij de indiening van mijn motie al duidelijk gezegd dat ik hoop dat het niet nodig is, haar uiteindelijk in stemming te laten brengen.

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ook de Regering is van oordeel dat werknemerszelfbestuur gestimuleerd dient te worden. Met deze uitspraak erkent de Regering de principiële en praktische betekenis van bedrijven op grondslag van zelfbestuur. Ik ben hierover verheugd, maar moet erbij zeggen dat ik van dit kabinet geen ander standpunt had verwacht.

Ik kan mij vinden in het voorstel, in een commissievergadering nader in te gaan op de mogelijkheden, knelpunten voor zelfbesturende bedrijven weg te nemen. In eerste termijn heb ik, zeer voorzichtig overigens, de suggestie op tafel gelegd, na te gaan of het mogelijk of wenselijk is, in bepaalde gevallen zelfbesturende bedrijven buiten eventuele loonmaatregelen te houden. Ik heb dit gedaan in de hoop dat iets dergelijks het bestaan en ontstaan van zelfbesturende bedrijven kan stimuleren. Ik heb het zeker niet genoemd als hèt middel om tot ontwikkeling van deze bedrijfsvorm te komen. Dit was voor mij een punt van overweging op de achtergrond. Ik ben het eens met de opmerking in de schriftelijke beantwoording dat wij voorzichtig moeten zijn, bepaalde bedrijven buiten algemene regelgeving te laten. Het is niet mijn bedoeling -ik heb dit ook niet voorgesteld -deze bedrijven bij voorbeeld uit de prijsmaatregelen te halen. Hier moeten zij naar mijn mening in blijven. In het geval dat er sprake is van een beperkte loonmaatregel, zoals nu bij voorbeeld het geval is met de aftopping van vakantietoeslagen, moeten de maatregelen uiteraard algemeen gelden. Terecht wordt in het antwoord geschreven dat dergelijke bedrijven bij voorbeeld meer aandacht zullen besteden aan aspecten zoals spaarloon en investeringsloon. Ik voeg hieraan toe dat bij deze bedrijven in het algemeen veel meer aandacht bestaat voor het gebruik van bedrijfsinkomsten voor het werkgelegenheidsbeleid. Op deze grond heb ik mijn suggestie in overweging gegeven. Ik stel kort twee andere onderwerpen aan de orde, eerst de kwestie van de pensioenpremie van artsen bij wijkcentra, die ik in eerste termijn al aan de orde heb gesteld. In het antwoord wordt gewezen op het overleg dat vanuit twee departementen over deze kwestie gaande is met het desbetreffende pensioenfonds. Ik hoop dat dit overleg snel tot resultaten leidt, in het bijzonder tot het treffen van een nieuwe regeling waardoor de pensioenpremie en -rechten worden aangepast aan de situatie in die centra of tot een ruimer gebruiken artikel 26 van de wet voor dispensatie. Ter afsluiting vraag ik de Minister of hij ertoe bereid is, de klachten van het Informatiecentrum Ondernemingsraden over het negeren van adviezen van ondernemingsraden over directiebenoemingen te onderzoeken en na te gaan of op dit punt een wijziging van

de Wet op de ondernemingsraden noodzakelijk is, door instemmingsrecht of beroepsrecht voor de ondernemingsraad in te voeren.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de Voorzitter! Enkele van mijn vragen zijn beantwoord, waarvoor ik de bewindslieden dank. Enkele andere vragen zijn niet beantwoord en dat is jammer. Er wordt hoge prioriteit toegekend aan behoud en herstel van arbeidsplaatsen. Werkloosheid is een droevige zaak. Ik stem geheel in met de opmerking van mevrouw Dales, gisterenavond, dat naarmate de situatie van het zonder werk zijn langer duurt, de psychologische druk en schade groter worden of kunnen worden. Dit is een schrijnende zaak, waarin niet mag worden berust. Daarom heeft ook voor onze fractie het beleid omtrent de werkgelegenheid hoge prioriteit. Wij zien met spanning uit naar het te presenteren werkgelegenheidsplan van het kabinet. Wij hopen dat het allemaal niet te lang hoeft te duren, vóórdat een constructief plan operationeel wordt. Intussen moet natuurlijk niet worden stilgezeten. Maar laat het plan dan straks ook integraal en duidelijk doeltreffend zijn. Wij sluiten ons overigens aan bij de vragen die gesteld zijn naar de omvattendheid van het plan: Om hoeveel arbeidsplaatsen gaat het nu daadwerkelijk? Wij hebben nota genomen van de door Minister Den Uyl en Staatssecretaris Dales geuite bereidheid om tot het uiterste te gaan bij de welwillende beoordeling van plannen van gemeentebesturen om niet-betaalde arbeid te laten verrichten door werklozen, met behoud van uitkering. Het behoort dan te gaan om additioneel werk en de zogenaamde substitutie-effecten moeten worden afgeschermd, aldus de Minister. Daarmee gaan wij akkoord. Wij dringen aan op spoedige afhandeling van de op het ministerie in portefeuille genomen plannen ter zake. Als enthousiaste en gemotiveer-de plannenmakers lang moeten wachten, ontmoedigt dit en het zal in de samenleving ook in het algemeen niet worden begrepen. Op dit punt zijn we nog niet gerustgesteld. Kunnen geen concretere toezeggingen worden gedaan dan er nu gedaan zijn? Een vraag die niet werd beantwoord, is deze: Zijn er mogelijkheden om in gevallen van zwaar en onaangenaam werk, in plaats van aan een daarop gegronde extra beloning aan een andere lijn te denken, te weten aan de verkorting van arbeidstijd op deze arbeidsplaatsen, uiteraard met volledig behoud van het eerder ontvangen loon? Wij zouden graag zien, dat op deze vraag nog wordt ingegaan. Wij zijn teleurgesteld over de vaagheden die hier en daar nog in de antwoorden en in de benaderingen moesten worden gelaten, bij voorbeeld ten aanzien van de maatregelen om de jeugdwerkloosheid op een zo kort mogelijke termijn terug te dringen. Anderen hebben, vóór mij, ook hierover gesproken, zelfs heel gedetailleerd. In vele opzichten sluiten wij ons daarbij aan. Wij brengen nogmaals onder de aandacht, dat wij onderzocht zouden willen zien, of het begrip passende arbeid niet nog verruimd zou kunnen en, gezien de praktijk, ook behoren te worden. Sprekende over eventuele plannen voor de kinderbijslag, -ombuigingen zijn ook hier onontkoombaar, aldus de Staatssecretaris, -willen ook wij herinneren aan de gang van zaken in het verleden, waarbij de kinderaftrek in of met de kinderbijslagregelingen is verwerkt. Als wordt gedacht aan belastbaarstelling, op enigerlei wijze, van de kinderbijslag, zou aan dit feit toch niet voorbijgegaan kunnen worden. Wij betreuren het dat niet is ingegaan op onze suggestie om bij de terugdringing van de overwerkvergunningen met name te denken aan het in de overwerksfeer, bij niet-noodzakelijke werksoorten, wegwerken van arbeid op zondag. Dit is sterk aanbevelensbewaardig, èn uit godsdienstige overwegingen, èn uit sociale overwegingen ten aanzien van de gezinnen. Over het thuiswerk is, door mevrouw D'Ancona, een onderzoek toegezegd. Dit kan inderdaad een goede zaak zijn en wij wachten het onderzoek dan ook gaarne verder af. Op allerlei vragen en suggesties rond de voornemens betreffende de Ziektewet is niet of slechts toelichtend ingegaan, omdat de bewindslieden eerst het SER-advies willen afwachten. Procedureel is dit te begrijpen. Anderzijds is het toch onbevredigend, in het licht van de gespannen discussies en reacties in de samenleving op de kenbaar gemaakte voornemens. Wij behouden ons ons standpunt voor ten aanzien van allerlei intussen aangereikte mogelijke uitwerkingen. Wij staan er in principe welwillend tegenover dat ook op dit terrein gezocht wordt naar bezuiniging in de collectieve sfeer. Particuliere zorg, zorgvuldig invoeren van een eigen profijt en het opkomen voor de eigen verantwoordelijkheid zijn zaken die wij toch bij voortduur in de aandacht van het kabinet willen aanbevelen. Wanneer deze zaken zijn geënt op, en genormeerd aan Gods Woord en Wet, zal daarvan herstel te verwachten zijn. Het Evangelie naar Mettheus houdt ons de eis voor: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.

Maar er wordt ook een belofte aan verbonden: Alle andere dingen zullen u worden toegeworpen. Dat staat in de context van de zorg voor ons leven en de inrichting van ons leven. Nu de fundamenten van onze verzorgingsstaat wankelen, wijs ik op dit uitnemende fundament. Wanneer daarvoor zou worden gekozen, zouden weliswaar ook niet alle vraagstukken in één klap zijn opgelost -dat erken ik -maar dan zou wel de kiem gelegd zijn voor een wezenlijk herstel van de verhoudingen in ons land op allerlei terreinen. Dat staat voor mij vast.

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Het werkgelegenheidsplan is geen heilsplan. Bij mij is na het debat van gisteren toch wel de indruk overgebleven dat deze drie bewindslieden weten wat zij willen, dat zij bereid zijn om nieuwe ontwikkelingen kansen te geven en barrières weg te nemen. Zij worden daarin zeker niet gehinderd door gebrek aan enthousiasme en kundigheid maar wel door gebrek aan geld. Het zal echter wel een hele toer zijn om te voorkomen dat deze factor straks de doorslag geeft waar het gaat om concrete resultaten. De Minister is door de wol geverfd; hij realiseert zich dit heel goed. Dat was aan alle kanten voelbaar en zichtbaar in zijn presentatie. Hij weet dat alle enthousiasme en alle kundigheid ten spijt voor de mensen alleen de meetbare resultaten tellen. Dat zijn: een duidelijk afnemende werkloosheid en nieuwe mogelijkheden voor mensen in hun eigen situatie. Daarop zullen deze bewindslieden en dit kabinet worden beoordeeld. Voor de jongeren zal vooral tellen hoeveel arbeidsprojecten en hoeveel concrete plaatsen in bedrijven dat warme hart van Den Uyl kan klaarstomen. Want een warm hart op zich zegt hen niets. Er is hen al zo veel beloofd. Voor vrouwen zal tellen of er werkelijk ook voor hen betaalde banen beschikbaar komen en of hun partner straks wel het risico van een deeltijdbaan aandurft omdat zijn werkende vrouw als zij werkloos wordt hetzelfde recht heeft op een uitkering als hij. Voor kostwinners zal tellen of al die prachtige plannen voor deeltijdarbeid ook in hun persoonlijke situatie toepasbaar zullen zijn. Dat geldt voor alleenstaanden meteen minimumloon en dat geldt voor gescheiden vrouwen en weduwnaars met kinderen en dat geldt bij voorbeeld ook voor ambtenaren die tot nu toe gewoon geen toestemming kregen om vier dagen per week te werken. Voor de 'Mensen zonder Werk' zal niet het aankondigen van nieuwe regelingen van werk met behoud van uitkering beslissend zijn bij hun beoordeling. Beslissend zal zijn of zij met al hun plannen en initiatieven niet langer stuklopen op de onwil van plaatselijke en regionale instanties. Beslissend zal zijn dat zij door die instanties en door hun omgeving eindelijk beschouwd worden als volwaardige leden van de samenleving. Mijnheer de Voorzitter, al bij al is over het werkgelegenheidsplan nauwelijks meer duidelijkheid gekomen. Er is gevraagd om nog eens het bedrag voor de jeugdwerkloosheid te specificeren. Wat krijgen wij nu voor die arbeidsprojecten? Dat antwoord is er ook nog niet. Ik geef niet snel de hoop op; ik hoop nog steeds dat er in ons land voor al die zaken toch een nieuwe geest gaat waaien. Ik hoop dat al die plannen van gemeenten, organisaties en instellingen die op het departement liggen, zoals Staatssecretaris Dales zei, niet in de bureaucratie verdrinken, maar dat er werkelijk iets mee gebeurt. Ik hoop dat er een echt emancipatiebeleid van de grond komt, geen beleid dat beheerst wordt door structuren, bureaus, regelingen, studies, nota's en loketten, maar een beleid dat vooral tot uiting komt in ontzettend veel enthousiaste activiteiten van vrouwen zelf. De Minister sprak gisteren over de verschillende functies die hij inmiddels achter de rug heeft. Mij viel vooral zijn nieuwe positie hier in de Kamer op ' geflankeerd door meer vrouwen dan ooit; in zijn antwoord onderbroken door meer vrouwen dan ooit. Dat antwoord had er wel een dimensie bijgekregen. Mijn fractie verwacht vooral van de Staatssecretarissen, dat zij proberen de politiek te ontdoen van overbodige bureaucratie en allerlei ambtelijke molens en dat zij de politiek dichter bij de mensen brengen. Wij verwachten dit van hen ten eerste omdat zij vrouw zijn -ik denk dat vrouwen hiervoor over het algemeen meer gevoel hebben -en ten tweede omdat zij beiden op hun beleidsterrein heel direct met mensen in achterstandsituaties te maken hebben. Zichtbare oplossingen voorindividuele situaties en voor de werkloosheid in het algemeen, daarom gaat het en dat mag niet te lang meer duren. Dit zal meebeslissend zijn voor de veerkracht, de tolerantie en de solidariteit, die veertien miljoen Nederlanders de komende jaren zullen kunnen opbrengen. Mijnheer de Voorzitter! Gezien de verwachtingen die wij van de Staatssecretaris voor Emancipatiezaken hebben, is haar reactie op de motie over thuisarbeid mij wat tegengevallen. Ik heb het stenogram nog eens goed nagelezen. De Staatssecretaris heeft deze zaak opgepakt vanuit het gezichtspunt van de emancipatie van de vrouw. Zij is er ook van overtuigd.

dat er iets gedaan moet worden aan dit probleem en zij wil daaraan werken. Zij concludeert terecht, dat de betrokken materie zich veel breder uitstrekt, namelijk over het gehele terrein van Sociale Zaken en dat van Financiën. Ik heb de zaak dan ook in dit debat aangkaart en niet bij de UCV over het emancipatiebeleid. Er is een klein misverstand over de nieuwe Amerikaanse technieken met behulp van micro-elektronica die voor een deel in thuisarbeid worden omgezet. Dit is een ontwikkeling die naar Nederland overwaait. Ik heb in mijn verhaal niet gesproken over bedrijven die hun werknemers mét een arbeidsovereenkomst, tegen normale arbeidsvoorwaarden en beloning, thuis werk laten verrichten; daarop slaat het arrest van de Hoge Raad. Het gaat om bedrijven die thuiswerk inschakelen als slecht betaalde en onbeschermde arbeid zonder arbeidsovereenkomst. Ook deze ontwikkeling neemt, waar het gaat om montagewerk, ponstypiste-en programmeerwerk, snel toe. De Staatssecretaris heeft -zij doet dit namens de Regering, dacht ikeen onderzoek toegezegd. De manier waarop zij het geformuleerd heeft, kan misverstanden wekken. Ik denk niet, dat zij bedoelt dat wij nog jaren kunnen wachten met maatregelen. Uit onze nota blijkt, dat het niet meer gaat om het signaleren van het probleem, maar om de oplossing ervan. Er ligt een SER-adviesaanvrage met een ontwerp van wet uit 1956, dat uitvoerig is beargumenteerd; er ligt een SER-advies; er is onderzoek gedaan om de huidige situatie in kaart te brengen; er is nieuw onderzoek gaande. De motie geeft duidelijk aan waar de politieke knelpunten liggen. Over die knelpunten bestaat sinds 1933 geen enkel verschil van mening bij al degenen, die zich met de zaak hebben beziggehouden. Waar het gaat om de oplossing, moet natuurlijk eerst studie worden verricht, moeten wij bij benadering kunnen zeggen, om hoeveel mensen en om welke werksituaties het nu gaat, moeten wij geen maatregelen voorstellen zonder daarover goed na te denken. Uiteraard moet Financiën daarbij betrokken worden. De huidige formulering van mijn motie, zoals ik in eerste termijn reeds heb laten doorschemeren, sluit dat helemaal niet uit. Ik ben echter best bereid dat wat duidelijker aan te geven. Ik heb de Voorzitter daartoe reeds een wijziging aangeboden. Ik stel echter een voorwaarde, mijnheer de Voorzitter, namelijk dat studies en interdepartementaal overleg geen alibi worden om de zaak jaren op te schuiven.

Motie

De Voorzitter: Mevrouw Beckers-de Bruijn heeft haar motie (17100 XV, nr. 21), in die zin gewijzigd, dat het dictum thans luidt: 'nodigt de Regering uit, de voorbereidende werkzaamheden te verrichten om zo spoedig mogelijk de noodzakelijke aanpassingen in de bestaande wetgeving aan te brengen'.

Naar mij blijkt, wordt deze gewijzigde motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 25 (17100 XV).

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Bij de discussie over de eenmalige uitkering heb ik grote bezwaren geuit tegen het voeren van een inkomens-beleid waarbij aan het einde van het jaar geprobeerd wordt, met een eenmalige uitkering recht te trekken wat in de loop van het jaar scheef is gegaan. De Minister heeft toen onomwonden gezegd, dat hij het daarmee eens was. De roerende inspanningen van de VVD voor de echte minima zijn niet meer dan een alibi om de mensen meteen minimuminkomen gewoon te laten zakken. Dit gebeurt keer op keer. Er is, zo zegt de heer De Korte, immers tussen minima en modaal al genoeg genivelleerd. Wat ligt dan meer voor de hand dan de grenzen zo veel mogelijk naar beneden te verleggen? Wij doen hier niet aan mee! Eén van de condities die wij aan het inkomensbeleid stellen is het principe van de individuele behandeling, met extra aandacht voor verantwoordelijkheden die mensen alleen, samen met een ander, of met anderen, op zich nemen. Is de Regering bereid het principe van de individualisering van inkomens, sociale zekerheid en belastingen als uitgangspunt te nemen voor een rechtvaardig inkomensbeleid? Deze vraag wacht nog steeds op antwoord. De maatschappelijke dienstplicht is niet zo lang geleden in de Kamer aan de orde geweest. Bij de behandeling van de regeringsverklaring 1978 heeft onze fractie om een onderzoek naar de mogelijkheden gevraagd. Dit onderzoek is toegezegd. Tijdens de UCV-Jeugdwerkloosheid hebben wij gevraagd naar de vorderingen. Het gaat hier om een studie van de stuurgroep beleidsvorming niet-actieven, die is opgenomen in de nota 'beleidsvorming voor niet-actieven'. Mijn invalshoek is: voorlopig alleen uitbreiding van de militaire dienstplicht naar een algemeen maatschappelijke dienstplicht, waarbij het tewerkstellingenbeleid, dat veel problemen oplevert, kan worden opgeheven. De vraag van het uitbreiden van de sociale dienstplicht naar meisjes ligt voor ons veel moeilijker. Gezien de achterstand van meisjes, en gezien het feit dat een groot deel van hen nog steeds zo gauw mogelijk het huwelijk ingaat en dan al een aantal jaren 'maatschappelijke dienstplicht' voor de boeg heeft, mogen wij hierover niet zo gemakkelijk praten. Moeten wij voorts in de huidige situatie alleen werkloze jongeren verplichten tot een vorm van maatschappelijke dienstplicht? Ik ben het met de heer Poppe eens dat dit element -door de bewindslieden van CRM ingebracht -de discussie extra belast.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Graag zeg ik de bewindslieden hartelijk dank voor de uitvoerige beantwoording hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, van vragen die ik heb gesteld. Met name Minister Den Uyl heeft voor mijn fractie op een aantal essentiële onderdelen helderheid verschaft over het beleid dat hem voor ogen staat. Mijn fractie is er met hem van overtuigd dat het werkgelegenheidsvraagstuk niet met enkele al of niet ingrijpende handelingen op korte termijn kan worden opgelost. Daarvoor is de problematiek, zowel nationaal 3ls internationaal, te wijd vertakt. Het gaat er echter wel om, of wij bereid zijn de wortels aan te wijzen waaruit de problemen zijn ontstaan. Als de Regering dan tot een radicale aanpak wil komen, zal de ene oorzaak beter kunnen worden bestreden dan de andere. Daarbij zullen echter wel politieke keuzen moeten worden gemaakt. Niettemin zouden wij met een tweesporenbeleid kunnen instemmen, wanneer dit betekent dat naast terugdringing van het financieringstekort een rechtvaardige verdeling van beschikbaar werk prioriteit heeft. Toch wil ik ook in tweede termijn er nog een keer op wijzen, dat er naast de wereldwijde economische recessie, het teruglopen van de wereldhandel en het hoge financieringstekort ook geestelijke aspecten ten grondslag liggen aan deze crisis. Mijn fractie

acht het dan ook een fundamentele zaak dat dit wordt onderkend, wil ons land echt weer tot bloei komen. Ik heb er in eerste termijn voldoende over gezegd. Bij het beantwoorden in eerste termijn is de Minister ingegaan op het aantal inkomens per huishouden. Hij zei daarbij te vrezen, dat het verbieden van meer dan één baan per economische eenheid de vrouw het eerst zal treffen. Is de Minister het met ons eens, dat op dit moment de huishouding met twee banen, de huishouding zonder baan die is aangewezen op een uitkering, bijzonder zwaar treft? Is dit ook geen vorm van discriminatie en is dit dan wel maatschappelijk verdedigbaar? Wij betreuren dat de Minister deze zaak niet heeft overwogen in zijn uitgebreide beschouwing over de rechtvaardige verdeling van beschikbaar werk. Wij hebben in eerste termijn, overigens niet gezegd dat een tweede, eventuele parttime, baan binnen een economische eenheid verboden moet worden. Dieterminologie heeft de Minister zelf gebruikt. Een tweede baan kan nodig zijn om in een overspannen bestedingspatroon te voorzien, maar het is ook mogelijk dat die baan voorziet in de behoefte om gegeven talenten dienstbaar te maken aan de samenleving. Men zou hierbij kunnen denken aan kinderloze huwelijken. Het zal duidelijk zijn dat het laatste motief ons veel meer aanspreekt dan het eerste. Om die reden hebben wij in eerste termijn ook voorgesteld niet in de eerste plaats de tweede baan maar juist het tweede inkomen te treffen door belastingmaatregelen en maatregelen in de sfeer van de sociale verzekering. Graag vernemen wij alsnog de reactie van de Minister. Is er overigens onderzoek gedaan naar de motieven waarom mensen binnen een samenlevingsverband als het gezin een tweede baan willen hebben? Mijnheer de Voorzitter! In eerste termijn hebben wij wederom de nivellering van inkomens ter sprake gebracht. Wij krijgen bij de beantwoording door de Minister in dit verband de indruk, dat hij inmiddels uitgaat van een driesporenbeleid. Is die indruk juist? In eerste termijn hebben wij de nog steeds onbeantwoorde vraag gesteld of deze nivellering nu doel of middel is. De Minister is ook nog niet ingegaan op de vraag, waar de grens van de nivellering wordt bereikt. Is die grens in zicht?

Zijn ambtsvoorganger Albeda heeft gezegd dat de grens is bereikt of zelfs al is overschreden. Wij hebben deze vraag al vaker gesteld en wij hopen dat Minister Den Uyl bereid is iets meer over zijn totale plan te vertellen, zodat wij weten waaraan wij met de nivellering toe zijn. Mijnheer de Voorzitter! Gisteren is uitvoerig gesproken over de mogelijkheid en het nut van het scheppen van deeltijdbanen. Dat deeltijdbanen een nuttige functie hebben, zal mijn fractie zeker niet ontkennen. Toch is onze gereserveerdheid ten opzichte van dit aspect van het werkgelegenheidsbeleid door de inbreng van de Minister gisteren eerder versterkt dan afgenomen, met name omdat een aantal gevolgen van het massaal creëren van deeltijdbanen nog niet is te overzien. Bovendien kost een deeltijdbaan relatief gezien meer geld dan een fulltime baan. Wie draait voor de kosten op? Gelet op wat de Minister en ook Staatssecretaris D'Ancona hebben gezegd ten aanzien van de positie van de vrouw en wat worden genoemd de emancipatoire aspecten in deze zaak, hecht mijn fractie er toch aan nog eens een dikke streep te zetten onder het feit, dat het overgaan op een deeltijdbaan alleen op vrijwillige basis kan en mag geschieden. Zijn de bewindslieden het daarmee eens? De overheid zou om welke motieven dan ook, nooit een deeltijdbaan dwingend mogen voorschrijven aan bij voorbeeld een echtpaar, omdat het verdelen van functies de verantwoordelijkheid is van de huwelijkspartners. In dit kader wil ik overigens nog een vraag stellen aan mevrouw D'Ancona, die gisteravond de vrees uitsprak dat bij ongewijzigd beleid een groot aantal van de vrouwen werk in de privésfeer zou moeten blijven doen. Mijn vraag is of uit onlangs gepubliceerde cijfers van het CBS in het Sociaal Cultureel Kwartaalbericht, niet is gebleken dat vele huisvrouwen in Nederland daar geen enkele moeite mee hebben. Op de vraag of men als huisvrouw het werk in eigen gezin wilde ruilen voor werk buitenshuis, gaf zo'n 80% te verstaan, daar geen enkele behoefte aan te hebben. Daarnaast bleek uit datzelfde rapport dat eveneens zo'n 80% tevreden is met huwelijk en gezin. Nu mogen onderzoekcijfers altijd betrekkelijke waarde hebben, maar ze zeggen toch wel iets. Graag hoor ik de reactie van de Staatssecretaris. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben erg blij, dat zowel de Kamer als het kabinet grote aandacht willen geven aan het probleem van de jeugdwerkloosheid. Met name de toezegging van mevrouw Dales, dat zij elk initiatief toejuicht om jongeren met behoud van een uitkering werkte laten doen, heb ik als zeer positief ervaren. In dit kader is echter nog een vraag onbeantwoord gebleven, die ik opnieuw aan de orde wil stellen. Is er in de afgelopen vijfjaar bewust gewerkt om jongeren van studie-of opleidingsrichting te doen veranderen om hun daardoor meer kansen te geven op de arbeidsmarkt? In het verlengde hiervan wil ik vragen hoe lang het duurt voordat er effecten te verwachten zijn van een betere afstemming van het onderwijs op de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Bovendien blijkt het met het huidige om-en bijscholingsbeleid ten aanzien van cursussen niet zo te zijn gesteld als wenselijk is. Mij hebben namelijk uit Groningen berichten bereikt, dat jongeren meer dan een jaar moeten wachten voordat zij voor zo'n cursus in aanmerking komen. Is dat juist, en is een dergelijke gang van zaken echt uitzondering of regel? Mijnheer de Voorzitter! Ten slotte wil ik nog één onbeantwoorde vraag naar voren brengen. Is het niet onrechtvaardig wanneer een bejaard echtpaar tezamen minder AOW-uitkering krijgt dan twee bejaarde mensen die ongehuwd samenwonen? Moet deze onrechtvaardigheid niet uit de wereld geholpen worden?

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! De Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een man vol idealen en daarmee mogen wij ons gelukkig prijzen. In een tijd waarin allerwegen pessimisme heerst over de toekomst van onze samenleving is het nodig dat overheidspersonen niet bij de pakken neerzitten, maar er blijk van geven wel degelijk een perspectief te zien zonder de ernst van de problemen te onderschatten. De Minister noemde gisteravond een hele reeks doelstellingen zoals de bestrijding van de werkloosheid, rechtvaardige inkomensverhoudingen en gelijke kansen voor iedereen. Een geïntegreerde aanpak is nodig, aldus de Minister. Ik ben dat van harte met hem eens. Er moet niet worden gezocht naar eensporige oplossingen, hetzij door een banenplan, hetzij door inkomensmatiging, hetzij door bezuinigingen. Een langetermijnplan met daarbij passende maatregelen op

de korte termijn is ook door onze fractie reeds vele malen bepleit. Toch liet het antwoord van de Minister in zijn geheel een onbevredigende indruk achter. De Minister wil werken op alle fronten. Heeft hij zich wel afgevraagd of zo'n geïntegreerde aanpak innerlijk voldoende consistent is? Concreet gezegd: zal het daadwerkelijk mogelijk zijn, met de beperkte instrumenten die de overheid ter beschikking staan, de werkgelegenheid weer op het goede spoor te krijgen, als tegelijkertijd en met het zelfde gewicht getracht wordt een ideaal geacht inkomensplaatje over de hele linie te realiseren? Zal het werkelijk mogelijk zijn de jeugdwerkloosheid fors terug te dringen, als tegelijk vastgehouden wordt aan een uit emancipatorisch oogpunt aantrekkelijk geachte individualisering? Het is mijn overtuiging dat hierbij niet alleen sprake is van onderling tegenstrijdige belangen, maar ook van belangen van verschillende orde. Op een gegeven moment gaf de Minister dit ook impliciet toe, toen hij de heer Weijers antwoordde op diens vraag naar twee volledige banen in het ene gezin en het ontbreken van enige baan in het andere. De Minister koos toen voor het belang van de emancipatie. In mijn visie moet de volgorde anders zijn. De werkgelegenheid staat voorop, vervolgens de strijd tegen onrechtvaardige inkomensontwikkelingen en ten slotte de mogelijkheid voor man en vrouw, buitenshuis te werken. Door deze volgorde aan te houden, wordt ook in rekening gebracht dat de verantwoording van de overheid voor de werkgelegenheid veel zwaarder is dan een eventuele rol van de overheid bij de verdeling van taken tussen man en vrouw. Zo nodig zullen keuzen moeten worden gemaakt en zullen de consequenties daarvan onder ogen moeten worden gezien. Ik heb dat gisteren betoogd toen het ging om de consequenties van het vasthouden aan het koppelingsmechanisme. Ik stel dit nu ook als de belangen van de werkgelegenheid in botsing kunnen komen met andere belangen. Mijn bezwaar tegen het tot nu toe ontvouwde beleid is dat deze keuzen te veel worden ontlopen en dat over de consequenties van gedane keuzen onduidelijkheid blijft bestaan. Er zullen offers moeten worden gebracht. Daarover laat de Regering terecht geen onduidelijkheid bestaan.

Zonder offerbereidheid van de burgers kan de verzorgingsstaat niet in stand worden gehouden, zo verklaarde de Minister zelfs. Terecht legde de Minister een relatie tussen offerbereidheid en instandhouding van de verzorgingsstaat als toekomstperspectief. Zal het perspectief dat hij bood de mensen echt kunnen overtuigen van de noodzaak van het brengen van offers? Dat de verzorgingsstaat in een crisis verkeert, voelt en ziet ieder. De offers die nu en in de toekomst moeten worden gebracht, knagen aan de verzorging die de Staat biedt. Gelooft de Regering werkelijk, dat brede lagen van ons volk gemotiveerd zullen worden tot offerbereidheid ten behoeve van medemensen, als wij hun het beeld van een weer gezonde verzorgingsstaat voorhouden? Ik ben ervan overtuigd dat daarvoor meer nodig is, omdat er ook meer aan de hand is dan het niet meer kunnen betalen van de kosten van onze voorzieningen. Een goed voorzieningenpakket kan een groot goed zijn, maar als dit pakket niet functioneert in een samenleving die weet geroepen te zijn, te woekeren met de gaven die God schonk en die weet dat het welzijn van de mens uiteindelijk toch niet afhankelijk is van de mate waarin materiële voorzieningen ter beschikking staan, dan zullen velen geneigd zijn te zien of zij moeten inleveren in plaats van naar de blijvende taken en mogelijkheden te zien. De Nederlandse samenleving mist steeds meer een gemeenschappelijk doel en oriëntatiepunt. Daaraan gaat het regeringsbeleid te veel voorbij. Daardoor zullen de idealen van de Minister geen werkelijk perspectief bieden en gemakkelijk kunnen vastlopen op de harde werkelijkheid. Ik wil afsluiten met enkele concrete punten. De Minister heeft als zijn mening gegeven dat zonder herverdeling van werk en zonder arbeidstijdverkorting er geen oplossing van het werkgelegenheidsvraagstuk, ook op langere termijn, mogelijk zal zijn. Wil de Minister zijn betoog op dit punt eens toespitsen tegen de achtergrond van het feit dat er toch een enorme hoeveelheid werk blijft liggen in binnen-en buitenland? Met andere woorden: is het eigenlijke werkgelegenheidsprobleem dat er onvoldoende werk voorhanden is of dat wij er niet in slagen de verdeling van de financiële middelen af te stemmen op de hoeveelheid werk die er is? Mijns inziens is het laatste het geval. Dat motiveert mij mede om niet zo maar te komen tot maatregelen die de arbeidstijd structureel verkorten.

Staatssecretaris mevrouw Dales heeft mij uitvoerig geantwoord op een aantal vragen, waarvoor ik haar dank zeg. Ik kom nog kort op een punt terug. Zij heeft de gedachte om ten laste van de werknemer, wachtdagen in te voeren in de Ziektewet afgewezen. Een argument was onder meer dat bestrijding van ziekte door middel van de geldbuidel een oneigenlijke methode zou zijn. Ik wijs erop dat verzuim zonder ziekte zijn ook een oneigenlijk gebruik is van de Ziektewet! Het is voor mij, voor de Staatssecretaris zal het dat ongetwijfeld ook zijn, een ondergeschikt argument. Het gaat om een naar verhouding minder bezwaarlijke vorm van collectieve uitgavenbeperking. Dat is de hoofdzaak. Ten slotte wil ik de Minister en zijn medewerkers danken voor de notitie Inkomensverdeling die wij vlak voor de aanvang van dit debat kregen. Een oude wens van ook mijn fractie is daarmee gedeeltelijk in vervulling gegaan. Mijn globale eerste indruk van deze cijfers is dat onze discussie over de verdeling van werkgelegenheid per huishouden ook in de komende jaren hoogst actueel zal blijven. Immers, de eensgezinshuishoudens waar één inkomen voor meer personen bestemd is, vormen nog steeds de overgrote meerderheid. Als nu ook nog de werkloosheidspercentages van de in deze notitie onderscheiden categorie-en bekend zouden zijn, zou onze wens helemaal in vervulling gaan.

De (algemene) beraadslaging wordt geschorst. De vergadering wordt van 12.40 uur tot 13.15 uur geschorst.

©

De Voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik ook voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.