Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: Afwijking van de aanpassingsmechanismen bij de herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 januari 1982(17199); Verlenging van de wet van 7 maart 1980 (Stb. 81) alsmede enkele wijzigingen van de Wet op de loonvorming (17202). De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Het centraal overleg is mislukt. Toch is de heer Den Uyl met zekere voldoening van de overlegtafel vertrokken, althans zo bleek uit zijn mededelingen aan de pers. Waaruit bestaat die voldoening van de heer Den Uyl? Wat gaat de Regering nu doen? Het blijkt dat er zoeven een vergadering van de Ministerraad is geweest. Wanneer krijgt de Kamer over de daarin genomen besluiten iets te horen? Na deze inleidende vragen, wil ik mijn betoog in dit debat aanvangen met een bespreking van wetsontwerp 17199, handelende over de eliminering van de bouwtoeslagen. Met de strekking van dit wetsontwerp is de VVD-fractie het geheel eens. Het is ook niet de eerste keer dat de in de schaallonen verwerkte bouwtoeslagen uit de regelingsloonindex worden geŽlimineerd. Het gebeurde in 1979 onder het vorige kabinet bij heftige tegenstand van onder andere de PvdA-fractie. Het gaat nu gebeuren. Het zal nog veel vaker gebeuren. De bewindsman merkt in de nota naar aanleiding van het verslag op: 'dat de sinds dit jaar sterk in de belangstelling staande toeslag voor vuil-en onaangenaam werk steeds bredere toepassing vindt'. Vervolgens concludeert hij: 'met een verwerking van deze toeslag voor bepaalde categorieŽn werknemers moet worden rekening gehouden, al valt over het moment waarop en de mate waarin thans niets met zekerheid te zeggen'. Het gaat om een fenomeen waar we nog veel meer mee te maken krijgen.

De toeslagen waar het vandaag om gaat, zijn in het verleden ingevoerd en geleidelijk aan op steeds grotere schaal toegepast. De situatie op de arbeidsmarkt vroeg er om. Van die in-voering en uitgebreidere toepassing onderging de regelingsloonindex geen invloed. De inkomenspositie van de gemiddelde bouwvakker ging er wel op vooruit, maar omdat de regelingsloonindex er geen invloed van onderging, merkten de daaraan gekoppelde trekkers van sociale uitkeringen en mensen met minimumlonen er niets van. De lonen van de gemiddelde bouwvakker en de hoogte van de uitkeringen groeiden uit elkaar, tot het moment dat de toeslagen van de bouwvakker in de schaallonen verwerkt werden. Dat geeft de bouwvakker dan het profijt van grotere inkomenszekerheid, maar niet van een hoger inkomen want dat gebeurde bij de eerdere in-voering van de toeslag. Het inkomensprofijt is nu voor de inkomenstrekker, wiens uitkering of minimumloon geregeld wordt door de verhoogde regelingsloonindex. Was er voor hem of voor haar een achterstand ontstaan; bij de verwerking van toeslagen wordt die weer ongedaan gemaakt. Zo werkt het aanpassingsmechanisme van ons koppelingssysteem van de lonen en de uitkeringen. Waarom deze lange aanloop? Daar heb ik een bedoeling mee. Ik zal dit nader toelichten, maar niet dan nadat ik enkele citaten gelicht heb uit het vlanv mende betoog van PvdA-woordvoerder Van der Doef tijdens een vergelijkbaar. debat op 11 december 1979. Hij zei toen onder andere: 'Het is ons standpunt, dat toeslagverwerkingen in de systematiek van de index van regelingslonen in de index dienen doorte werken' 'We zullen in elk geval geen opening maken naar een mogelijk niet doorwerken van nieuwe toeslagverwerkingen in de bouw, welke kennelijk in het CAO-overleg aan de orde zijn' 'In een systeem waarin de index van regelingslonen wordt gevolgd, is het onvermijdelijk dat toeslagverwerkingen een extra verhoging van de index betekenen en dus sterkere verhogingen van de index betekenen en dus sterkere verhogingen van daarop gebaseerde inkomens'. Dat was de PvdA toen, in de oppositie, op haar best: helder, nijdig en strijdvaardig. Kortom, de toeslagverwerking behoort doorte werken in de minimumlonen en de sociale uitkeringen. Dat is volgens de PvdA ťťn van de essentiŽle elementen van ons koppelingsmecha-Openbaarheid van bestuur Akkerbouw Naturalisaties Loonvorming nisme. Daar heeft een ieder met z'n handen van af te blijven, maar geldt dat ook als dat van het ene op het an-.dere jaar 1 of 2 miljard meer aan collectieve uitgaven vergt? Ja zeker, want in 1979 stemde de PvdA tegen. In andere woorden: je hebt een koppelingssysteem of je hebt het niet en wie de bouwtoeslagen niet 'meeneemt', koppelt de uitkeringen op afstand van het verdiende loon. Dat heb ik dan van de PvdA-fractie in het verleden geleerd; je leert nog eens wat. Het is goed dat het in de Handelingen is opgenomen en dat iedereen daaruit kan leren en putten. Wij koppelden de uitkeringen op afstand van de door bouwtoeslagen te hoog oplopende regelingsloonindex in 1979. We gaan dat nu weer doen, maar met ťťn saillant verschil: de vandaag aan de orde zijnde koppeling op afstand van het verdiende loon, draagt ditmaal de handtekening van de allerhoogste in de socialistische gelederen, Minister Joop den Uyl, de man die in 1979 zo mordicus tegen was. De bekeerling levert er in zijn stukken de afstand bij, namelijk een brutokorting van 0,47% op alle uitkeringsniveaus. Dit komt overeen met een nettokoopkrachtkorting in 1982 ten opzichte van 1981 van tussen de 0,3 en 0,4%. Begrijpt ons goed, de VVD-fractie heeft daar geen moeite mee. Wij stemmen voor deze operatie. De bezuinigingen van dit kabinet zijn op andere onderdelen sterk onvoldoende. Dan gaat het niet aan, de collectieve uitgaven in 1982 met nog eens 2,3 miljard op kasbasis hoger op te laten lopen. Maar het gaat natuurlijk ook niet aan, te verhullen dat dit een zuivere koppeling op afstand is, die door de financiŽ-le nood geboren is. Dus gaat het zeker niet aan om het vertrek van de Ministervan FinanciŽn, Van der Stee, te eisen als hij vasthoudt aan een door hem gedane suggestie om de lonen los te koppelen van, of op afstand te koppelen aan, de uitkeringen. Dan moet de PvdA-fractie consequent zijn en haar eigen voorste voorman, die aan de regeringstafel zit in dit kabinet de wacht aanzeggen door haar steun aan dit wetsontwerp te onthouden. Dat zou consequent zijn. De uitspraak van vertegenwoordigers van deze fractie in VARA's Rooie Haan: 'Wij zijn ontploft. Deze Minister-Van der Stee dus -moet de zak krijgen' is schijnheiligheid van een zeer slecht soort. Minister Den Uyl schrijft: De financiŽle situatie, die nog somberder is dan ten tijde van de behandeling van de regeringsverklaring werd voorzien, 992

maakt de consequenties van doorwerking in de geÔndexeerde inkomens van het effect van de toeslagverwerking in de bouwc.a.o.'s onaanvaardbaar.' Minister Van der Stee zegt: 'Nu de situatie zo somber is en de overeengekomen bezuinigingen blijkbaar nauwelijks zijn na te komen, valt aan ontkoppeling van de lonen en de uitkeringen niet te ontkomen'. De ťťn spaart 2,3 miljard uit op de inkomens uit de collectieve sector via eliminering van de bouwtoeslagen, de ander stelt een ombuiging van 1 miljard voor via een generale koppeling op afstand van 1% op de uitkeringen. En de ťťn mag hier rustig blijven zitten, niemand maakt er opmerkingen over, ook de pers niet, en de heer Van der Stee krijgt ongeveer het gehele land over zijn hoofd heen. Toch zeg ik dat in beider stellingname geen verschil zit, want wat is daar met betrekking tot regels van het koppelingsmechanisme nu werkelijk anders aan? Mijnheer de Voorzitter! Mijn antwoord luidt: niets! Ik ken de ene uitvlucht al die ik straks als antwoord te horen krijg: er is in het geval van de bouwtoeslagen sprake van een incidentele doorbreking van het beginsel. Hier is niets incidenteels aan. Het gebeurde in 1979; Het gebeurt nŁ in 1981; het gebeurt binnen twee jaar weer. Er zijn nog een hoop onverwerkte toeslagen over en daar komen toekomstige, sterk in trek zijnde, vuil-en onaangenaamwerktoeslagen bij. Iedere keer als het om een grote -de bouw-of zwaarwegende CAO-het uitzendwezen -gaat, geeft dat een scherpe schoksgewijze verhoging van de geÔndexeerde inkomens om een in feite opgelopen achterstand te overbruggen. Ik ken ook de andere uitvlucht al die ik straks ten antwoord krijg. De gemiddelde bouwvakker wordt van de toeslagverwerking als zodanig financieel niet wijzer, de uitkeringstrekker wel. Dat zou de trendsettende inkomens achter doen lopen bij de geÔndexeerde inkomens. Wij hebben echter al van de PvdA-fractie geleerd, dat een opgelopen achterstand weer moet worden overbrugd en dat zulks de essentie van het koppelingsmechanisme is. Dat was ook de reden dat zij indertijd tegen die eliminering, tegen het wetsontwerp waren. Laten wij dus eindelijk eerlijk worden. De koppelingsmechanismen zijn ons boven het hoofd gegroeid, zelfs boven het hoofd van Minister Joop den Uyl. Iedereen in dit land heeft er recht op dat te weten. Eerlijk duurt het langst, ook in de politiek. Dit zou wat dat betreft een historisch uur van waarheid en realiteitszin kunnen worden. Het tweede wetsontwerp betreft de verlenging van de tijdelijke voorziening loonvorming. Dit wetsontwerp in-dienen enkele dagen voor het eerste overleg in de Stichting van de Arbeid was natuurlijk een psychologische blunder. Dat een zich met de vakbeweging zo verwant voelende Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zoiets klaarspeelt is mij een raadsel. Hoe merkwaardig klinken dan zijn woorden na in het debat van 4 maart 1980, toen dezelfde voorziening aan de orde kwam. De heer Den Uyl zei toen: 'De Kamer wordt nu gevraagd een beleidspakket van de Minister van Sociale Zaken te beoordelen plus een wetsontwerp van een ongemeen ingrijpend karakter, dat veertien dagen geleden werd ingediend. Deze gang van zaken acht ik in strijd met de regels van zorgvuldigheid'. Wij spreken nu weer over dezelf-de voorziening. Het is minder dan veertien dagen geleden dat dit wetsontwerp werd ingediend. 'Ongemeen ingrijpend', 'in strijd met de zorgvuldigheid', wij horen het fractievoorzitter Den Uyl nog roepen tegen minister AI-beda. Die ambtsvoorganger van de heer Den Uyl diende een wijzigingsvoorstel in op deze voorziening van maart 1980 bij de Raad van State op 15 november 1980. Dat was drie dagen nadat hettripartite overleg op 12 december definitief was mislukt. Dat was tenminste zorgvuldigheid betrachten. De heer Drabbe van het FNV heeft gelukkig geen doekjes gewonden rond de handelwijze van deze Minister. Voor de radio sprak hij ronduit van het mes optafel leggen. Alle mooie explicaties in de nota naar aanleiding van het verslag wissen niet weg dat met de indiening van dit wetsontwerp vooruit werd gelopen op de uitkomsten van het overleg. Dat is mislukt. Wellicht is dit ťťn van de redenen van de mislukking. Ik hoor de heer Den Uyl daarover graag. Waarom moest toch zonodig vooruitgelopen worden? Als de huidige loonvoorziening per 31 december aanstaan-de afloopt is er toch de Wet op de loonvorming zoals deze luidde vůůr de wijzigingen van maart 1980? Op die basis kan de Regering zich toch een loonpauze verschaffen als het belang van de nationale economie daarom vraagt? Dan mag de heer Den Uyl beoordelen of het belang van de nationale economie is geschaad.

Dan is er nog ruim tijd en gelegenheid om een nieuwe voorziening te treffen en een daarbij passend loonbesluit te nemen. Het is ons een raadsel tot welke ernstige complicaties -ik refereer aan de nota n.a.v. het verslag -een langer uitstellen van de indiening van dit wetsontwerp zou kunnen leiden. Wij zien ze niet. Wij vernemen ze graag, tenzij het kabinet voor zichzelf al heeft uitgemaakt dat alwat het zich aan beleid voorstelt onmogelijk door de sociale partners in vrije onderhandelingen tot stand kan worden gebracht. Dit is een interessante vraag. Ziet de Minister het ook zo? Dat de minister vervolgens een serie feitelijke vragen, die door de nieuwe voorziening in samenhang met het regeerakkoord worden opgeroepen, niet wenst te beantwoorden met als argument het schaden van de gespreksron-de van gisteravond, achten wij flauwekul. Ik zal die vragen niet opnieuw stellen, want vanmorgen troffen wij een boekje van het VNO over inkomens aan, waarin ik alle antwoorden vond die ik wilde hebben! En dan wilde de Minister de werkgevers niet prikkelen met de antwoorden op mijn vragen! Dat is toch wel een beetje gek. Daarom zei ik dat ik het eigenlijk flauwekul vond. Dan kan de Ministertoch maar beter de kamervragen beantwoorden. Het kan echter verkeren. In het verslag bij wetsontwerp 17202 staat: 'De leden van de PvdA-fractie hadden begrip voor het feit dat de Regering een wettelijke mogelijkheid zoekt om zo nodig ook de primaire loonvorming zodanig te beÔnvloeden, dat deze bijdraagt aan het bereiken van de nu in het regeerakkoord vastgelegde inkomenspolitieke doelstelling.' Contractvrijheid en het waar maken van eigen verantwoordelijkheid door de sociale partners, worden dus op deze manier ondergeschikt gemaakt aan een regeerakkoord. Het doel heiligt sinds men in de Regering zit de middelen, zelfs wanneer die kortelings in felle bewoordingen beleden principes zouden aantasten. Op dat punt zijn fraaie staaltjes te citeren uit het debat van 4 maart 1980. Ik gaf al een citaat van fractievoorzitter Den Uyl. Ik geef er nog enkele van PvdA-woordvoerder Van der Doef. De heer Van der Doef is nu ook lid van de Regering. Het eerste citaat: 'De vakbeweging houdt ons voor dat aanvaarding van deze machtigingswet zonder normen en criteria, zal leiden tot nieuwe ernstige spanningen tussen samenleving en overheid'. Is dat nu anders geworden?

Het tweede citaat: 'Het wetsontwerp zelf is onaanvaardbaar en aannemen maakt hen die eraan meewerken, me-de verantwoordelijk voor de gevolgen'. Hetzelfde wetsontwerp is nu opnieuw aan de orde, maar dan met de handtekening van de heer Den Uyl eronder! Het derde citaat: 'Dit wetsontwerp kan dus zonder risico worden teruggebracht tot een verlenging van de loonpauze'. Dat zei de PvdA-fractie dus en dat vroeg ik zojuist! Ik ben benieuwd naar het antwoord. Ik kan de Minister meteen het advies uit het verleden voorhouden. Het vierde citaat van PvdA-woordvoerder Van der Doef: 'Wij adviseren het kabinet: drijf de zaak niet op de spits; maak overleg mogelijk; trek dit wetsontwerp terug en doe constructieve voorstellen aan de centrale organisaties. Gezichtsverlies telt niet'. Prachtig, werkelijk prachtig! Ik kan deze woorden in hun geheel herhalen: Regering, doe er iets mee, nu het overleg van gisteravond is mislukt. Het vijfde citaat: 'Van toepassing van deze zo omstreden wet kan geen positief effect verwacht worden. Integendeel, sociale spanning en conflicten wordt erdoor opgeroepen'. Het is een flamboyante bloemlezing. 'Links in verlegenheid,', schreef Jan Joost Lindner de vorige week in 'De Volkskrant'. Welke PvdA-fractie deugt niet, die van 4 maart 1980 of die van 10 december 1981? Welke Den Uyl deugt niet, die van 4 maart 1980 of die van 10 december 1981? De samenleving heeft naar mijn mening behoefte aan een goede explicatie van deze PvdA-Minister en van deze PvdA-fractie, willen zij niet afgaan als een gieter.

De heer Poppe (PvdA): Welk antwoord geeft de heer De Korte op de vraag welke PvdA-fractie er niet deugt?

De heer De Korte (VVD): Ik wacht eerst het antwoord van de PvdA af. Daarover geef ik dan een oordeel.

De heer Van der Hek (PvdA): De heer De Korte ontwijkt het antwoord!

Minister Den Uyl: Ja, dat is flauw.

De heer De Korte (VVD): Het is normaal, eerst het antwoord af te wachten. Daarna kom ik met mijn antwoord. Ik ga niet over ťťn nacht ijs, wanneer het over de PvdA-fractie gaat! Ik keer terug tot de intenties achter dit wetsontwerp. Het kan een nieuwe loonmaatregel tot gevolg hebben. Na het resultaat van gisteravond ligt de loonmaatregel wellicht in het verschiet. Inmiddels is er in de afgelopen acht jaren vijf maal door een kabinet in de vrije loonvorming ingegrepen. Looningrepen zijn bijna regel geworden. Zij zijn in ieder geval geen uitzondering meer. Toch hebben wij ons daar via internationale verdragen toe verplicht. De International Labour Conference (ILO) heeft de Regering dit jaar nadrukkelijk voorgehouden dat wij over de schreef dreigen te gaan. Prof. H. ter Heide en mevrouw Sanderse hebben er in het februarinummer van het'Sociaal Maandblad Arbeid' op gewezen dat de Regering met de tegenwoordige redactie van artikel 10 van de Loonwet in strijd gaat handelen met de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest. Prof. Reynaerts meent in een artikel in 'De Volkskrant' van 2 december jl. dat de Regering met weer een nieuwe loonmaatregel op zeer gespannen voet zou komen te staan met hetgeen het Europees Sociaal Handvest ter zake voorschrijft. Is er eigenlijk wel een land in West-Europa, waar de contractvrijheid zo dikwijls buiten spel is gezet? Je mag je dan afvragen wat de oorzaken zijn: de koppelingsmechanismen en de hypotheek daarvan op de overheidsuitgaven en het financieringstekort? Op 24 december van het vorige jaar kondigde de toenmalige ministervan Sociale Zaken (deze heette toen nog niet 'Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid'), de heer Albeda, het Beperkt loonmatigingsbesluit af. Die loonmaatregel heeft het epitheton (misschien wel 'ornans') 'partieel' meegekregen. Naar verluidt is ook de huidige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van deze innovatie van zijn voorganger niet afkerig. Ik hoor hem daar graag nader over. Ik stel in ieder geval vast dat wat als 'partieel' is bedoeld, feitelijk tot effect heeft dat de overige onderhandelingsruimtetoch wordt geŽlimineerd. Feitelijk geeft een partiŽle loonmaatregel -met onderhandelaars die zich in allerlei bochten moeten wringen -evenveel narigheid als een algemene loonmaatregel. Noch een partiŽle, noch een algemene loonmaatregel zijn dan ook, onzes inziens, nu gewenst. Als er nu een loonmaatregel wordt getroffen om het regeerakkoord uitte voeren voor het jaar 1982, houdt dit geheid vier loonmaatregelen achtereen in. Het regeerakkoord geldt immers niet alleen voor 1982, maar ook voor 1983 tot en met 1985. Dit betekent vier jaar geleide loonpolitiek. Het betekent ook dat belangrijke maatschappelijke organisaties voor eenzelfde periode op nonactief worden gesteld of dat zij strikte in-structies van de Regering moeten opvolgen, die haaks staan op de principes van contractvrijheid, decentraal beleid en het waarmaken van eigen verantwoordelijkheid. Op den duur is dit een uitholling van een fundamenteel democratisch recht. Een loonmaatregel betekent voorts dat opnieuw echte bezuinigingen zullen worden ontlopen. In die zin leidt een loonmaatregel gewoon tot uitstel van executie. En omdat een loonmaatregel haaks staat op de hoogst nodige loondifferentiatie (via loonherstructureringen), zal de verstarring van de looninkomensverhoudingen en de verstarring van de arbeidsmarkt op deelsectoren compleet worden. Bij een loonmaatregel kan de Regering bovendien iedere bereidheid van de sociale partners vergeten om in te steken op haar plannen tot uitbreiding van deeltijdbanen en tot bestrijding van de jeugdwerkloosheid en op ůnze plannen bij voorbeeld ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Daarvoor is immers -dit zat ook in ons plan ingebakken -CAO-overleg nadrukkelijk noodzakelijk. Dit alles leidt tot ťťn slotsom: Regering, laat de loonvorming in 1982 vrij! De economische omstandigheden maken het risico van vrije onderhandelingen nu niet groot en zij maken de ondernemingen zelf tot de beste verdedigingslinie tegen te hoge loonclaims. Gaan we er bovendien niet prat op, dat we zo'n redelijke vakbeweging hebben in dit land? Welnu, laat de onderhandelaars dan vrij de zeer beperkte ruimte zelf decentraal in te vullen. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom te spreken over het nu voorliggende in-strumentarium. De VVD-fractie heeft grote bezwaren tegen de nieuwe zinsnede in artikel 10, eerste lid: ' Deze regelen kunnen voor werknemers in verschillende inkomenscategorieŽn verschillend zijn'. De regelgeving op basis van de loonwet moet worden gedragen door het belang van de nationale economie. Wij zien niet in dat het in het belang van de nationale economie en van de werkgelegenheid -die ook de heer Den Uyl terecht zeer dierbaar is -kan zijn, de minima meer te ontzien dan de modale vakman, die volgens het vanmorgen uitgebrachte 'Boekje over in-komens, 1970-1981', van het VNO, slechts f 300 per maand netto meer verdient dan de minima ontvangen. Wij zien ook niet in, dat het in het belang van de nationale economie kan zijn dat 9 van 10 werknemers boven de 23 jaar qua inkomensvorming nog meer opeengedrukt moeten worden, terwijl zij reeds in een inkomensver-Tweede Kamer 10 december 1981

houding zitten van 1: 1,8. Wij zien ook niet in dat een achteruitgang van ruim 16% bij de categorie 4x modaal van 1982 tot 1985, nadat deze groepering al met 13,5% is achteruitgegaan in de periode 1974-1981, in het belang kan zijn van de nationale economie. Wie de managers van een industrieel elan letterlijk en figuurlijk wegnivelleert, kan naar een nieuw elan wel fluiten. Het regeerakkoord met zijn '- 1 tot -4 procent traject' is het wereldvreemde produkt van kloosterlingen die er niets van begrijpen. Zoiets kan ook alleen met een loonknoet worden afgedwongen. Het materiaal voor deze loonknoet willen wij niet leveren. Vandaar ons amendement op stuk nr. 6. Met de aanpassing in de tekst van de wet, die de mogelijkheid van bedrijfstakgewijze looningrepen doet vervallen, zijn we het in principe niet oneens. We hebben geen behoefte aan gedetailleerde inkomenspolitiek per bedrijfstak. Als de vakcentrale MHP dankzij een redelijk sterke positie -ik begrijp dat die vakcentrale als enige nog steeds groeit en dat zegt wel wat -in deze of gene bedrijfstak bij voorbeeld een -1 t/m -2% traject zou weten te bereiken, mag de Regering dat niet ongedaan kunnen maken. Immers dan heeft het bestaan van de vakcentrale MHP natuurlijk volstrekt geen zin meer, maar dat heeft de heer den Uyl kennelijk ook ingezien. Tenslotte is de VVD-fractie het in het geheel niet eens met de aanvulling in artikel 10, eerste lid met tot doel de mogelijkheden tot maximering van de vakantiebijslag verder uit te breiden. Dit is een aantasting van de Wet mini-mumloon en minimumvakantiebijslag. Wanneer dat zou gebeuren, wil ik op andere onderdelen de andere fracties wel eens horen. Gezien de aard en de wijze van uitbetaling van de vakantiebijslag leidt deze aanvulling tot verder ingrijpen in lopende contracten. Uit het al eerder geciteerde 'boekje over inkomens, 1970-1981' blijkt dat de netto ingeleverde vakantietoeslag voor inkomens van f 70.000 tot f 200.000 oploopt van 1% naar 65,3%. Als je inkomen stijgt word je blijkbaar geacht steeds goedkoper met vakantie te gaan. Wat is zo nog de zin van de vakantietoeslag? Vandaar ons amendement op stuk nr. 7. Op 4 maart 1980 adviseerde de PvdA-woordvoerder Van der Doef het toenmalige kabinet: 'drijf de zaak niet op de spits; maak overleg mogelijk'. In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de huidige Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid: 'De weg van overreding is mij sympathieker dan de weg van regelgeving en verbodsbepalingen'. Zou de heer Den Uyl die zinsneden wellicht boven z'n bed willen hangen? Dan hebben we deze verlenging van de tijdelijke loonvoorziening helemaal niet nodig, en dan krijgen wij zeker geen loonmaatregel.

©

C. (Stan)  PoppeDe heer Poppe (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik moet beginnen met de mededeling dat mijn fractie grote moeite heeft gehad met het verzoek van de Regering, deze beide wetsontwerpen in een zodanige spoedprocedurete behandelen dat zij 10 dagen na hun indiening al in deze vergadering ter beslissing voorliggen. Voor beide onderwerpen geldt dat er belangen van grote groepen mensen in het geding zijn, die geen enkele kans hebben gekregen om hun mening erover te geven. De organisaties van werkgevers en werknemers zijn niet geraadpleegd. Zij hebben, zo is ons tot onze teleurstelling gebleken, zelfs niet de gelegenheid gekregen zo tijdig van de in-houd kennis te nemen dat zij op eigen initiatief of op ons verzoek hun oordeel konden geven. In de uiteindelijke standpuntbepaling van sommige leden van mijn fractie over de wetsontwerpen speelt hun afkeuring over deze wijze van behandeling een belangrijke rol. De overgrote meerderheid van mijn fractie heeft echter, gezien de noodzaak van enigerlei regeling, op dit moment over het bezwaar van de spoedprocedure heen willen stappen. Het moeilijkste was dat voor velen van ons voor wat betreft de wijziging van de Loonwet. Wetgeving op een zo gevoelig terrein als de onderhandelingsvrijheid van vakbonden en werkgevers heeft immers al vele moeilijkheden en mislukkingen opgeleverd. Wijzigingen van de hieromtrent geldende wetgeving vereist zeer in het bijzonder zorgvuldige overweging. Met alle begrip voor de behoefte van de Regering om in de komende tijd over de mogelijkheid te beschikken om verschillende inkomenscategorie-en, verdient het daarom in ieder geval aanbeveling om van die mogelijkheden alleen in uiterste noodzaak gebruikte maken. Onze behoefte aan meer zorgvuldige overweging van een wettelijke regeling voor het overheidsoptreden in-zake de inkomensvorming, is ook een reden om er op aan te dringen dat spoed wordt betracht met het ontwerp van de al zo lang in studie zijnde Raamwet voor de Inkomensvorming, zodat wij hopelijk niet meer van jaar tot jaar voor dit soort ad-hocoplossingen komen te staan. Overigens zal het nog moeilijk genoeg worden om dan overeenstemming te bereiken over een voor langere tijd bruikbare regeling. Want de steen der wijzen op dit gebied is tot nu toe nog nergens gevonden, niet in Nederland en evenmin in het buitenland. Mijn fractie betreurt het tempo waarin deze adhocwijzigingen door de Kamer in behandeling moesten worden genomen te meer, omdat in de korte tijd die ook het nieuwe kabinet ter beschikking stond, moeilijk een ontwerp kon worden uitgewerkt dat voldoende evenwichtig kan worden genoemd. Er zou reden zijn tot uitvoerige aanvulling en amendering onzerzijds, maar daartoe ontbreekt al evenzeer de tijd. Wij zijn in het algemeen van mening dat ingrijpen van de overheid in de loonvorming zou moeten voldoen aan een drietal randvoorwaarden: ten eerste, dat er ook een doelstreffende beperking van andere inkomens, zoals honoraria van vrije beroepen, rente, winsten en dividenden plaatsvindt; ten tweede, dat er ook binnen de loonsom een meer rechtvaardige verdeling wordt gerealiseerd; ten derde, dat de met dat ingrijpen gerealiseerde inkomensontwikkeling wordt gekoppeld aan investeringsplanning en werkgelegenheidseffecten in de betrokken ondernemingen. Aan die randvoorwaarden voldoet dit wetsontwerp maar zeer ten dele. EI-ke noodoplossing zal zijn nadelen hebben. Loonmaatregelen, of het dreigen daarmee, vormen altijd een tweesnijdend zwaard. Meer in het algemeen gesteld, zij zijn in strijd met de onderhandelingsvrijheid die ons land ook krachtens internationale verdragen behoortte respecteren. Een regering die ter wille van belangrijke macro-economische doelstellingen haar macht in-zet om de loonontwikkeling binnen de perken te houden, of om een meer gewenste lastenverdeling te realiseren, ondermijnt daarmee echter ongewild, maar onvermijdelijk, ook de mogelijkheden voor de vakbeweging om evenzeer wenselijke andere ontwikkelingen in het bedrijfsleven te bevorderen. Waarom zou een onderneming op terreinen als arbeidsverdeling, medezeggenschap of verbetering van arbeidsomstandigheden nog tegemoetkomen aan een vakbond die de tanden zijn uitgetrokken? Laten wij dan nog maar zwijgen van de kans dat door het Tweede Kamer 10 december 1981

ontbreken van regulering op andere terreinen zwarte loonvorming optreedt en de beoogde macro-economische doelstellingen niet worden bereikt. Vandaar dat wij grote vraagtekens hebben gezet achter de verstrekkende bevoegdheden die dit wetsontwerp de Regering verschaft. Zeker, het is van betekenis dat de Regering niet vraagt om de bevoegdheid, in afzonderlijke ca.o.'s te kunnen ingrijpen. Het feit dat volgens dit ontwerp de eventueel op te leggen regels alleen naar inkomenscategoriŽn kunnen verschillen, wijst op de bedoeling om een rechtvaardiger lastenverdeling te kunnen realiseren. Daarmee zou kunnen worden bereikt dat hoger betaalden een groter inkomensoffer opgelegd krijgen. Anderzijds maakt de wet het ůůk mogelijk dat niet allťťn aftopping wordt gerealiseerd, maar ůůk een algemeen, voor alle inkomens gelijke, procentuele korting wordt opgelegd, bij voorbeeld op de vakantietoeslag. Het mag dan ter wille van de totale loonsomstijging een doelmatig middel zijnhoewel wij dan nog eerder voorstander zouden zijn van een gelijke vakantietoeslag voor iedereen -maar uit een oogpunt van respect voor in de meeste ca.o.'s vastgestelde rechten is het eigenlijk onwenselijk, een dergelijke korting bij overheidsvoorschrift op te leggen.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik denk dat de heer Poppe de passage waarover ik een vraag wil stellen, al is gepasseerd. De heer Poppe stelt namelijk dat het nu een ietsje beter is met de loonvoorziening dan vorig jaar. Vindt hij niet dat het eigenlijk nog veel beter was zoals het uiteindelijk vorm kreeg op 6 maart 1980? Er is toen met PvdA-steun een amendement van ons aangenomen. Er kwam toen een heel 'clean' artikel 10, lid 1. Vindt de heer Poppe dat niet nůg beter, net als ik?

De heer Poppe (PvdA): Op de reden waarom wij nu de voorkeur geven aan een andere regeling, kom ik nog terug. Wij hebben met voldoening in de nota naar aanleiding van het verslag gelezen dat het kabinet de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers-en werknemersorganisaties zoveel mogelijk wil handhaven, interventie als een uiterste middel beschouwt en afkerig is van een algemene, generiek werken-de loonmaatregel. Wij zijn het met de Minister eens dat, ook als de onderhandelingsresultaten in bepaalde bedrijfstakken afwijken van wat vanuit centrale doelstellingen aanvaardbaar kan worden geacht, toch primair geprobeerd moet worden, via overleg tot overeenstemming te komen alvorens tot regelgeving over te gaan. Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie is in meerderheid van mening dat er niet aan te ontkomen valt om vůůr het aflopen van de tijdelijke wet van maart 1980 een nieuwe wettelijke voorziening te treffen. Het is niet geheel ondenkbaar dat er in de komende maanden op betrekkelijk korte termijn toch een partiŽ-le loonmaatregel nodig is om het gewenste inkomensbeeld voor 1982 te kunnen benaderen, hoewel het ons liever zou zijn als daar dan andere maatregelen, die niet ingrijpen in de verantwoordelijkheid der organisaties, voor worden beproefd. Als wij thans echter de wet van maart 1980 zonder meer laten aflopen, komen we in de situatie dat de Loonwet van 1970 weer van kracht wordt, waardoor de regering alleen een zeer algemene, niet op inkomensniveaus afgestemde maatregel zou kunnen opleggen. Om die reden meent de meerderheid van mijn fractie het wetsontwerp zoals het er ligt als een tijdelijke oplossing en met pijn te moeten aanvaarden.

De heer De Korte (VVD): De vraag is of u nu wel consequent bent, gezien hetgeen de woordvoerder namens uw fractie de vorige keer heeft gezegd. Hij vroeg waarom dit alles nodig was, gezien de loonpauzemogelijkheid die de wet biedt. Die mogelijkheid ried hij het vorige kabinet aan. Nu doet Ł alsof dat met dit kabinet niet meer opgaat. U moet dat toch eens goed uitleggen.

De heer Poppe (PvdA): De loonpauze heeft nadelen. Veel mensen uit de vakbeweging zullen zich herinneren hoe frustrerend het is, niet te kunnen onderhandelen doordat er een loonmaatregel boven de markt hangt. In de tweede plaats zijn de omstandigheden wel iets anders. In een situatie waarin iedereen erop achteruitgaat is het dringend noodzakelijk een inkomenspolitiek te realiseren die de lasten zo rechtvaardig mogelijk verdeelt. Het is voor de Regering beter te kunnen beschikken over dit instrument dan over de mogelijkheid een loonpauze af te kondigen.

De heer De Korte (VVD): Toen wij in 1980 de discussie voerden over deze voorziening was de economische groei ingezakt tot min 1%. Op het moment dat wij die discussie voerden was dat al gebleken. Nu hebben wij te maken met een reŽle groei van plus 1,5%, hetgeen voor u blijkbaar een ernstiger positie voor de nationale economie is. Dit klopt dus niet. Vervolgens zei uw voorganger dat het beter is dit wetsontwerp terug te brengen tot een verlenging van de loonpauze, want dat geeft minder risico's. Dat is nu toch niet anders!

De heer Poppe (PvdA): De omstandigheden zijn wel degelijk anders. Wij praten nu over een algemene achteruitgang van het inkomensniveau. Zelfs de mensen met een minimuminkomen gaan erop achteruit, hetgeen toen niet het geval was. Aangezien dit nu wel het geval is, is er des te meer reden om te zoeken naar de mogelijkheden de inkomensverdeling in ieder geval wat rechtvaardiger te maken.

De heer De Korte (VVD): U bent goed genoeg in de materie ingevoerd om te weten dat dit niets met een loonpauze te maken heeft.

De heer Poppe (PvdA): Inderdaad, daar kan dan weinig aan veranderen. Het wetsontwerp, zoals het er nu ligt, aanvaarden wij met pijn. Voor ons is het een tijdelijke oplossing. Wij dringen er wel op aan dat de Regering van de daarmee gegeven bevoegdheid vooralsnog geen gebruik maakt, tenzij er zeer bijzondere omstandigheden ontstaan. Wij wijzen erop dat in het overleg met de Stichting van de Ar-beid in ieder geval is gebleken, dat werkgevers en vakbeweging het, met alle verschil in achtergrond, eens zijn over de noodzaak tot beperking van loonsomstijging en over de wenselijkheid van overleg tussen werkgevers en werknemers over arbeidsherverdeling en werkgelegenheidsontwikkeling. Voorts willen de partijen hun onderhandelingsvrijheid, ook over de loonvorming, behouden en hebben zij een voorkeur voor decentrale onderhandelingen. Dat alles is een reden te meer om thans allereerst partijen de volle verantwoordelijkheid te laten dragen. Mocht blijken dat de doelstellingen van het regeringsbeleid door de feitelijke ontwikkelingen worden gefrustreerd, dan geven de thans aan de orde zijnde bepalingen, alsmede andere instrumenten, zoals belasting-en premieheffing,voldoende mogelijkheidtot redressering. Wij rekenen er in ieder geval op, dat de Regering zal volstaan met een partiŽle loonmaatregel, waarin voor wat de prijscompensatie betreft alleen van aftopping sprake is, terwijl een generieke korting beperkt zal blijven tot de vakantietoeslag en dan tot hetzelfde niveau als vorig jaar.

Overigens zouden wij het op prijs stellen van de Minister een schatting te horen van de macro-economische gevolgen van een loonontwikkeling, wanneer bij afwezigheid van een partiŽle loonmaatregel de CAO-partners zich niet houden aan de door de stichting gesuggereerde aftopping en dus prijscompensatie en vakantietoeslag gewoon toegepast worden. Wat betekent dat bij voorbeeld voor de werkgelegenheid en voor de opbrengsten van premie en belastingen? Onze voorkeur om vooralsnog geen loonmaatregel van welke aard dan ook af te kondigen, berust niet alleen op de door partijen uitgesproken wil om in vrije onderhandelingen tot loonmatiging en werkgelegenheidsafspraken te komen.

De heer De Korte (VVD): Wat is dit voor een rare methode van iets zeggen? De heer Poppe zegt dat hij niet tot een loonmaatregel wil komen en tegelijkertijd zegt hij dat hij een partiŽle aftoppingsmaatregel wil om een bepaald inkomensplaatje tot stand te brengen. Dat is ook een loonmaatregel!

De heer Poppe (PvdA): Ik sluit niet uit dat de Regering op een gegeven ogenblik snel, binnen een periode van tien dagen, een partiŽle loonmaatregel moet kunnen nemen. Daarom willen wij deze bevoegdheid nu in de wet vastleggen.

De heer De Korte (VVD): Wil de heer Poppe de partiŽle loonmaatregel wel of niet?

De heer Poppe (PvdA): Als hij vermeden kan worden, dan heeft dat onze voorkeur.

De heer De Korte (VVD): Dat is een uitspraak.

De heer Weijers (CDA): Een mooie uitspraak!

De heer Poppe (PvdA): Onze voorkeur wordt ook ingegeven door de vaststelling dat de voorwaarden, waaronder overheidsingrepen in de lonen voor ons aanvaardbaarder zijn, eigenlijk eerst verder zouden moeten worden uitgewerkt. Daarbij gaat het ons allereerst om het verschil in behandeling tussen werknemers en andere inkomenstrekkers. Tegenover het opnieuw inperken van de onderhandelingsvrijheid van de vakbonden staat geen enkele nieuwe maatregel ten opzichte van andere groepen, terwijl het toch duidelijk is dat de werknemers ook zonder dit wetsontwerp de groep blijven waar-van de inkomensvorming het sterkst van bovenaf wordt beheerst. De Regering stelt in antwoord op onze vragen alleen dat via toepassing van de tijdelijke Wet normering inkomens vrijeberoepsbeoefenaars van, althans, deze categorie eenzelfde inkomensmatiging zal worden gevraagd. Vele anderen blijven dan in eerste in-stantie nog buiten schot. Dat geldt zelfs ook voor vele categorieŽn vrije beroepsbeoefenaren, over wier gemiddelde inkomensontwikkeling nog geen gegevens bestaan, dan wel geen vergelijkingsfuncties zijn aangewezen. Waar die er wel zijn, is het nog de vraag of de in het vooruitzicht gestelde eliminatie van de geschatte positieve restposten wel altijd het bedoelde effect heeft op individuele gevallen. Wij vragen de Regering dan ook om, liefst voor het eventueel uitvaardigen van loonmaatregelen, de Kamer te rapporteren over de stand van zaken ten aanzien van de inkomensbeperking van onder andere de diverse groepen beoefenaren van vrije beroepen. Ook willen wij de Regering uitnodigen nog eens na te gaan wat de Machtigingswet 1974 voor mogelijkheden bood ten aanzien van bij voorbeeld dividenden, alsmede wat de verkiezingsprogramma's der regeringspartijen op dit terrein aan desiderata bevatten. De sociaal-economische situatie is er ernstig genoeg voor! Evenals in 1974 zal het nodig zijn, dat de Regering alle inkomenscategorieŽn ertoe laat bijdragen, dat de zwaarste lasten op de sterkste schouders komen. Dat dit met de voorhanden zijnde wettelijke instrumenten kan, valt te betwijfelen. De Prijzenwet is voor toepassing op de beoefenaren van vrije beroepen lek geschoten door de rechter. Wij hebben verder de huren op bedrijfspanden. De beloning op kapitaal is thans nog vrijwel ongrijpbaar. Als wordt ingegrepen in de onderhandelingsvrijheid van de werknemers/vakbeweging, dan is het toch niet mogelijk dat voor andere groepen met het wrakke instrumentarium wordt volstaan dat tot nu toe bestaat? Een tweede aandachtspunt is voor ons de vraag, in hoeverre het prijsbeleid voldoende garantie biedt, dat de door de Regering en ons gewenste in-komensmatiging mogelijk blijft. Dat prijsbeleid wordt ieder jaar rond de jaarwisseling opnieuw vastgelegd in een algemene prijzenbeschikking, waarin wordt aangegeven met welke percentages de industrie, de handel, de dienstverlening en de overheid hun prijzen mogen verhogen. Deze algemene beschikking kan vervolgens voor afzonderlijke branches worden vervangen door specifieke prijzenbeschikkingen, die over het algemeen ook weer jaarlijks worden vernieuwd. Wij vragen de Minister thans, met zijn collega van Economische Zaken te overleggen over de mogelijkheid, voorlopig iedere prijzenbeschikking die afloopt, zonder enige verhoging te verlengen. Naar onze mening zou deze gedragslijn moeten worden aangehouden tot een moment in het voorjaar, wanneer er zicht is op de uitkomsten van CAO-onderhandelingen en op de andere te verwachten kostenstijgingen. Opp basis daarvan zouden dan de beide Ministers een brief aan de Kamer kunnen sturen, waarin een algemeen beeld van het te voeren prijs-en tarievenbeleid wordt geschetst, zodat de Kamer kan discussiŽren over het wenselijke beleid inzake nieuwe prijzenbeschikkingen. In de derde plaats, mijnheer de Voorzitter, missen wij in het beeld van het voorgenomen loonbeleid een antwoord op de vraag hoe werknemers, die gevraagd worden mee te werken aan loonmatiging, meer controle en zeggenschap kan worden geboden op de besteding van dat gedeelte van het ondernemingsinkomen, dat mede door die matiging niet aan lonen en sociale lasten wordt uitbetaald. Niet alleen het banenplan van de Regering is belangrijk voor het vertrouwen in de zin van inkomensoffers, maar ook de eigen invloed van werknemers op de gang van zaken in het eigen bedrijf. Met nadruk vragen wij de Regering opnieuw, in ieder geval de bevoegdheden van de ondernemingsraden in die zin te verruimen, dat jaarlijks een voortschrijdend investeringsplan aan de ondernemingsraad moet worden voorgelegd. De druk op het ook realiseren van een dergelijke verplichting zou daarnaast aanzienlijk worden vergroot als ondernemers verplicht zouden worden desgevraagd werkgelegenheidsoverleg met de vakbeweging te voeren. Dit legt geen onuitvoerbare plichten op de vakbeweging, maar het betekent wel een stok achter de deur. Het tweede wetsontwerp, mijnheer de Voorzitter, betreft de eliminatie van de toeslagverwerking. Het gaat vooral om die in de bouw-CAO, uit de regelingsloonindex, voor zover deze wordt gebruikt bij de herziening van minimumloon en sociale uitkering. Ik wil hierover kort zijn, hetgeen niet betekent dat mijn fractie geen grote pijn heeft aan dit voorstel. De grootst Tweede Kamer 10 december 1981

I Poppe mogelijke meerderheid van de fractie meent ermee akkoord te moeten gaan, ondanks het feit dat daarmee een opgelopen achterstand van uitkeringstrekkers, ambtenaren en trendvolgers op de feitelijke loonsituatie in het bedrijfsleven wordt vastgelegd. Dat de bouwvakkers op het moment van de toeslagverwerking niet in loon vooruitgaan, heeft hiermee weinig te maken. Wij nemen met deze operatie alleen genoegen, omdat in de huidige financiŽle situatie voor het Rijk de ex-tra financiŽle last van ruim 2 mld. de realisering van noodzakelijk regeringsbeleid, in de eerste plaats ten behoeve van de werkgelegenheid, in gevaar zou brengen. In de tweede plaats nemen wij hiermede genoegen, omdat de Regering vasthoudt aan de garantie dat de mini-mumuitkeringen niet meer dan 1 % zullen dalen. Bij de bepaling, dat de regelingsloonindex de maatstaf zou blijven voor het aanpassingsmechanisme hebben wij voor deze gang van zaken gewaarschuwd. Onze onvrede brengt ons er echter wel toe, de Regering te vragen met voortvarendheid de toegezegde studie te doen verrichten naar de mogelijkheden van een verbeterd indexeringsmechanisme, waardoor de feitelijke loonontwikkeling directer in de index doorwerkt. Dan kunnen wij verlost worden van wederom een incidentele doorbreking van het aanpassingsmechanisme en vermijden wij inderdaad het ontstaan van een koppeling op steeds verdere afstand.

De heer De Korte (VVD): De geachte afgevaardigde is het met mij eens, dat dit een koppeling op afstand is?

De heer Poppe (PvdA): Nee, dat zeg ik niet. Het is een incidentele doorbreking van het aanpassingmechanisme. Dit betekent, dat er een zekere afstand ontstaat tussen de niveaus; dat valt niet te ontkennen. Vorig jaar hebben wij daarvoor gewaarschuwd. De fractie van de geachte afgevaardigde heeft ons betoog over het zoeken naar een ander indexeringsmechanisme niet willen volgen. Nu zitten wij met de gebakken peren. De kosten die een compensatie daarvoor met zich zouden brengen, hebben weer andere macro-economische nadelen, die wij zeer betreuren, doch waaraan wij op dit moment weinig meer kunnen doen. Wij zeggen alleen, dat er voor de toekomst een oplossing moet worden gevonden, zodat wij niet telkens weer in zo'n situatie terechtkomen.

De heer De Korte (VVD): Deze oplossing heeft de fractie van de VVD bij het debat over de aanpassingsmechanismen aangereikt. Wij hebben toen een amendement ingedient om de toeslagverwerking uit het aanpassingsmechanisme te halen. Als wij die toeslagverwerking eruit hadden gehaald, dan hadden wij nu niet deze affaire gehad van koppeling op afstand en zouden wij die ook in de toekomst niet hebben. Nu blijven wij die echter houden met deze toeslagverwerking.

De heer Poppe (PvdA): Nee, ik denk dat de oplossing van de geachte afgevaardigde betekent, dat er een steeds grotere afstand ontstaat. Dat zou het onttrekken van de loonontwikkelingen in het particuliere bedrijfsleven aan de registrering in de regelingsloonindex gemakkelijker maken. Daarmee wordt in feite de parallellie tussen uitkeringen en ambtenarensalarissen en de lonen in het particuliere bedrijfsleven doorbroken. Dat zou het paard achter de wagen spannen zijn en in het nadeel werken van de mensen die afhankelijk zijn van een behoorlijk aanpassingsmechanisme. Wij vragen ons ook in toenemende mate af hoe een betrouwbare maatstaf kan worden gevonden voor de werkelijke koopkracht van minimuminkomens. Het lijkt ons zeer de vraag of het prijsindexcijfer, gebaseerd op het budget van een gemiddeld werknemersgezin, en dan nog uit een tijd met andere kostenverhoudingen, daarvoor voldoende is. Wij zullen daarop bij de begrotingsbehandeling terugkomen. Ten slotte noteren wij dat bij de komende structurele herzieningen van het niveau van de minima ook aandacht zal moeten worden besteed aan de achterstand die thans om budgettaire redenen niet kan worden geconv penseerd.

©

G.J. (Gert)  SchutteDe heer Schutte (GPV): Mijnheer de Voorzitter! Artikel 10 van de Wet op de loonvorming blijkt de creativiteit van de wetgever wel te prikkelen. In een tijdsbestek van nog geen twee jaar dreigt dit artikel een vierde versie te krijgen: Eerst de standaardformulering, over de loonpauze, later de bepaling over een loonmaatregel die verder strekte dan alleen een pauze, toen de mogelijkheid om per categorie werknemers de arbeidsvoorwaarden vast te stellen en nu dan het voorstel om naar loonhoogte te kunnen differentiŽren. Ik vind dit een zaak die moeilijk valt toe te juichen. Het respect voor wettelijke bepalingen, zeker bepalingen met zo vŤr reikende consequenties, neemt niet toe wanneer de wetstekst zelf frequent en ingrijpend wordt gewijzigd. Bovendien lijkt sprake te zijn van een soort omgekeerde delegatiebevoegdheid. In plaats van dat de Minister nagaat welke mogelijkheden er voor hem zijn om binnen de bestaande wettelijke ruimte passende maatregelen te nemen krijgen wij nu steeds meer de situatie dat een Minister eerst nagaat welk soort loonmaatregel hij zo nodig wil nemen, en daarna voorstellen doet om de wettelijke ruimte daaraan aan te passen. Omdat het om haastwetgeving gaat wordt ook de Sociaal-Economische Raad herhaaldelijk gepasseerd. Welke urgentie bestond er om de wet van 7 maart 1980 te wijzigen, in plaats van deze te verlengen? Een spoedprocedure is in het geval van een verlenging van een bestaande wet immers minder bezwaarlijk dan in het geval van een wijzigingsvoorstel? Het opnieuw passeren van de SER was dan ook minder pijnlijk geweest. De gewenste wijziging ten aanzien van de wettelijke bepalingen over de vakantietoeslag had in de desbetreffende wet kunnen worden geregeld. De mogelijkheid tot het afwijken van de in de Wet minimumloon en -vakantiebijslag neergelegde bepalingen had dan ook in deze wet zelf een plaats gevonden en niet in een andere wet zoals nu. De juridische constructie die nu is gekozen, dat in deze wet wordt bepaald dat van regels in een andere wet bij besluit kan worden afgeweken, acht ik verre van fraai. Verder dan verlenging van de wet van 7 maart had de Minister niet hoeven te gaan, omdat deze wet hem voldoende mogelijkheden geeft om uit de voeten te kunnen. Van de bevoegdheid die deze wet ook geeft, maar waaraan hij kennelijk geen behoefte heeft, hoeft hij immers geen gebruik te maken. Overigens is er op dit punt dunkt mij een onevenwichtigheid in de argumentatie van de Minister. De Minister had er alle vertrouwen in dat het centraal overleg tot het door hem gewenste resultaat zou leiden. Nu dit niet gelukt is wil hij een wettelijke voorziening achter de hand hebben. Terecht! Wanneer echter in een bepaalde bedrijfstak toch onverhoopt sterk wordt afgeweken van de onderhandelingsresuttaten, is overleg en overreding de aangewezen weg. Behoeven er dan geen wettelijke voorzieningen achter de hand te worden gehouden voor het geval dat ook dit overleg niet lukt? Of heeft de Minister in het geval van het cao-overleg meer overredingsmiddelen tot zijn Tweede Kamer 10 december 1981

beschikking dan bij het centraal overleg? Of denkt hij: 'die bonden krijg ik wel klein, maar die centrales zijn net te groot voor een confrontatie'? Bestaat overigens niet de kans dat de Minister op deze wijze gedwongen wordt een gedetailleerde en strakke maatregel te nemen zodat er gewoon geen reŽle mogelijkheden meer zijn om per bedrijfstak er nog op enigerlei wijze onderuit te kunnen komen? Maar wat blijft dan nog over van het in de memorie van toelichting met zoveel woorden genoemde respect voor de onderhandelingsvrijheid van de sociale partners? Dat wordt dan een wassen neus. Mijn fractie is er zich heel goed van bewust dat de mogelijkheid tot ingrijpen per bedrijfstak een beperkte mogelijkheid is. Ingrijpen moet zijn in het belang van de nationale economie en samengaan met andere maatregelen, de algemene voorwaarden uit de Wet op de loonvorming. Nadere regels per bedrijfstak kunnen alleen worden gesteld als aanvulling op een algemeen werkende maatregel. Die kunnen daarvoor niet in de plaats komen en kunnen ook niet dienen voor inkomenspolitiek. Dat zal ik zeker niet betwistem. Ik hoop echter dat de Minister diezelfde begrenzingen in het oog houdt als hij zou overgaan tot de door hem beoogde algemene maatregel. Een looningreep kan nodig zijn. De wettelijke voorzieningen dienen daarvoor ook voorhanden te zijn. De in-greep moet echter niet verder gaan dan nodig is. 35 jaar loonbeleid in Nederland heeft inmiddels wel geleerd dat dit averechts kan werken. Het stellen van randvoorwaarden aan het loonbeleid vond mijn fractie altijd voldoende. De vraag is echter of hiermee nu nog kan worden volstaan. Bij een dalend inkomensniveau zal de absolute bovengrens steeds meer gaan samenvallen met de randvoorwaarde. Voorts is het de vraag of bij een sterk gedecentraliseerd loonoverleg een randvoorwaarde nog wel zin heeft. Bij centraal overleg lijkt de zin daarvan duidelijker aanwezig. Verder wordt de behoefte aan meer gedetailleerde regelgeving groter naarmate de periode van gelei-de loonpolitiek langer wordt. Vandaar dat mijn fractie zich kan vinden in de tekst van de wet zoals die nu geldt. De partiŽle loonmaatregel die in 1981 van kracht was heeft naar ons oordeel bevredigend gewerkt. Hij is ook correct nageleefd blijkens het in de nota naar aanleiding van het verslag vermelde onderzoek. De Minister heeft ook zijn voorkeur uitgesproken voor een beperkte regelgeving. Op grond van dit alles zie ik geen dwingende noodzaak om tot wijziging van de tekst van artikel 10, zoals die op dit moment luidt, over te gaan. Er blijft maar ťťn argument over om een tekstuele aanpassing voor te stellen. Verwijdering van de mogelijkheid tot ingrijpen per bedrijfstak is het wisselgeld voor de vakbeweging om een flinke nivelleringsmogelijkheid te kunnen realiseren. Of het de Minister lukt hiermee de vakbeweging te paaien, zal de toekomst leren. Vooralsnog ben ik geneigd hieromtrent enige scepsis te koesteren. In dit verband zou ik toch graag nog een antwoord krijgen op de door ons in het verslag gestelde vraag of de sociale partners op dit moment nu wel zo'n behoefte hebben aan een ver gaande nivelleringsmogelijkheid. Met het oog op een soepele werking van de arbeidsmarkt en een verbetering van de werkgelegenheidssituatie heeft differentiatie in de primaire arbeids-voorwaarden toch een hogere prioriteit dan nivellering? De Minister heeft goed aangevoeld, dat de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen mijn fractie aanspreekt. Maar een degressieve prijscompensatie heeft weinig meer te maken met een rechtvaardig draagkrachtbeginsel. Ik vraag mij trouwens af of de Wet op de loonvorming wel toereikend is voor dergelijke ver gaande maatregelen. De maatregel moet zijn in het belang van de nationale economie. Duidt dit er niet op dat de maatregel zich primair moet richten op een macro-economische grootheid als het algemene loonpeil? Werd ook in 1976 de toen getroffen maatregel niet in verband gebracht met het peil van de loonkosten? Daarover kan de overheid haar zorgen hebben en ten aanzien daarvan kunnen maatregelen worden genomen. Maar moet de mate van nivellering niet worden overgelaten aan het vrije overleg van de sociale partners? Zeker nu wij de brief van de Minister aan de sociale partners zijn opvattingen kennen over de door hem gewenste verdeling van lasten, voelt mijn fractie er weinig voor akkoord te gaan met de voorgestelde tekst van de tweede volzin van artikel 10, eerste lid. Tegen de bepaling over de mini-mumvakantietoeslag hebben wij in-houdelijk geen bezwaar. Ook stemt het tot voldoening dat de andere voorgeschreven maatregelen uit artikel 10 een breed scala betreffen. De verlenging van de Wet op de niet-c.a.o.-inkomens en de bepalingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden overheidspersoneel wil ik hier met name noemen. In de discussie op de Open Forumpagina van de Volkskrant sprak professor Reynaerts er zijn verwondering over uit dat in een land als het onze met zo'n gematigde vakbeweging zo vaak naar het instrument van de loonmaatregel moet worden gegrepen. In de ons omringende landen is de frequentie van dit soort overheidsmaatregelen veel minder groot. Het verschil is inderdaad opmerkelijk. Schuilt de verklaring niet hierin dat ook nergens de koppelingen tussen arbeidsvoorwaarden in de ca.o.'s en alle andere arbeidsvoorwaarden zo veelvuldig en zo direct aanwezig zijn als in ons land? Men moet al een kluizenaar zijn in een hutje op de hei wil men niet directelijk of indirectelijk zijn inkomen beÔnvloed zien door het loonindexcijfer. Daardoor krijgt de overheid al snel een eindverantwoordelijkheid voor het totale niveau van de loonkosten. Maar de overheid heeft ook een beginverantwoordelijkheid. Zij kan er door haar beleid voor zorgdragen dat het loonoverleg niet uit de hand loopt en dat het geen resultaten oplevert die macro-economisch onverantwoord zijn. Ik ben bang dat dit kabinet zich dat onvoldoende heeft gerealiseerd. Afgezien van het weinig perspectief biedende beleid dat tot nog toe is gepresenteerd, worden de sociale partners meteen indrukwekkend rijtje lastenverzwaringen geconfronteerd, zoals accijnsverhogingen, loon-en inkomstenbelasting, ziektewet, aardgasprijzen. Sommige van deze verzwaringen waren ook volgens ons absoluut noodzakelijk -ik denk met name aan de laatste twee -maar dan zullen daar toch compenserende maatregelen van de overheid tegenover moeten staan, wil de loonontwikkeling niet tot een onverantwoorde hoogte stijgen. Dan had het tripartite overleg meer kans van slagen gehad en was ingrijpen misschien niet zo snel noodzakelijk geworden. Nu het eenmaal zo ver is, mag het kabinet niet voor zijn verantwoordelijkheid weglopen. Een wettelijke voorziening voor een looningreep, in samenhang met andere maatregelen, wil mijn fractie voor 1982 dan ook toestaan. Aan de bestaande tekst van de wet geven wij echter de voorkeur boven de voorgestelde tekst.

©

B. (Bert) de VriesDe heer De Vries (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Het is mij een eer en een genoegen om vandaag voor het eerst vanaf deze plaats de nieuwe bewindsman van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toe te spreken. Ik wil beginnen, met mijn waardering uit te spreken voor het feit dat deze bewindsman dit wetsontwerp voor zijn rekening heeft willen nemen. Ik kan me echter voorstellen, dat hij even heeft moeten slikken voor hij zover was. Mijnheer de Voorzitter! Ik zal mij in mijn betoog beperken tot een inhoudelijke bespreking van het wetsontwerp betreffende afwijking van de aanpassingsmechanismen. Het andere wetsontwerp wordt door mijn collega Weijers besproken. Mijn fractie heeft gesteld dat de memorie van toelichting wel erg mager was. In dat verband hebben wij er onze bevreemding over uitgesproken dat met geen woord is verwezen naar de nogal fundamentele discussie die in december 1979 over deze problematiek is gevoerd. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt daarop gereageerd met de opmerking, dat juist het feit dat destijds zo diepgaand is gediscussieerd, het mogelijk maakt om ten aanzien van het hier aan de orde zijnde voorstel beknopt te zijn. Ik vraag mij af, of dat geen argument te meer zou zijn geweest om in de memorie van toelichting dan ook naar die discussie te verwijzen. Ik heb de stukken van destijds nog eens nagelezen en dat heeft mij ertoe gebracht om het toch ook niet helemaal eens te zijn met de Regering. Vrijwel de hele Kamer had destijds moeite met het voorstel van de Regering. Zelf stelde de Regering dat het ging om 'een uitzonderlijke maatregel met een incidenteel karakter in een uitzonderlijke financiŽle situatie'. Die uitzonderlijke maatregel was bepaald niet bedoeld als een precedent. Vooral de fractie van de PvdA toonde zich daarvoor nogal bezorgd. De heer Van der Doef sprak dan ook de vrees uit dat met deze maatregel 'al de loopplank wordt uitgelegd naar een beslissing na nu, waarbij een volgende toeslagverwerking met dit als precedent niet zal doorwerken'. Is dat echter niet precies wat er gebeurt als de Regering nu zegt dat met een sobere toelichting kan worden volstaan, omdat een fundamentele discussie twee jaar geleden al heeft plaatsgevonden? Zo heeft de Kamer het toen niet bedoeld en de Regering ook niet.

Mijn fractie acht ook thans een discussie nodig die wat verder gaat dan het vellen van een ad hoeoordeel over een als incidenteel grpresenteerde maatregel. Eigenlijk gaat het daarbij om de vraag of, wat destijds beschouwd kon worden als een uitzonderlijke financiŽle situatie, dat nu en de komende jaren nog zal zijn. Is het geen illusie om te denken dat de financiŽle situatie de komende jaren veel beter zal zijn dan die van vandaag? Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, betekent dat dan niet dat wij maar zo eerlijk tegen elkaar moeten zijn om toe te geven, dat er nauwelijks enige ruimte zal zijn om toeslagverwerkingen te blijven meenemen in het indexeringsmechanisme? Ik stel die vraag ook, omdat ik me afvraag of er geen aanleiding is, te verwachten dat er juist in de komende jaren een vrij sterke neiging zal bestaan om veel reeds lang bestaande toeslagen in de schaallonen te verwerken. Is het niet vrij logisch, te verwachten dat er in een periode waarin matiging troef is, een behoefte zal ontstaan om hetgeen men al heeft, te consolideren door het in de schaallonen te verwerken? En als dat gebeurt, zal dat er dan niet toe leiden dat de Regering zich gedwongen ziet, elk jaar een wetsontwerp als het onderhavige in te dienen? Mijn fractie zou dat geen fraaie vertoning vinden en vraagt zich daarom af of het niet verstandig is het koppelingsmechanisme op dit punt nog eens nader te bezien. Er is echter nog een argument. Bij nader inzien ziet mijn fractie toch ook aanleiding om vraagtekens te plaatsen bij de ratio die ten grondslag ligt aan de verwerking van toeslagen in de koppelingsmechanismen. In een niet gering aantal gevallen lijken zulke toeslagen bedoeld te zijn om bepaalde ongemakken te compenseren. De Regering wijst in dat verband zelf op de snelle verbreiding van toeslagen voor vuil en onaangenaam werk en op de nieuwe toeslag voor vijfploegendienst. Ik vraag me af of zulke toeslagen die bedoeld zijn als compensatie voor inconveniŽnten, terecht doorwerken in de inkomensontwikkeling van inkomenstrekkers die zulke ongemakken niet ondergaan. Uit het compenserende karakter van deze toeslagen zou naar mijn indruk eerder het tegendeel afgeleid moeten worden.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Dit is dus duidelijk een evolutie in de gedachtengang van de CDA-fractie, zo mag ik het toch wel zien? Indertijd kon namelijk diezelfde opstelling van de VVD-fractie nog geen genade vinden in de ogen van het CDA.

De heer De Vries (CDA): Als de heer De Korte goed heeft geluisterd, zal hij geconstateerd hebben dat ik gesproken heb over 'bij nader inzien'. Ik denk dat dit voldoende duidelijk is.

De heer De Korte (VVD): Dan is het duidelijk.

De heer De Vries (CDA): Aansluitend aan hetgeen ik zojuist zei, wil ik nog een opmerking maken over de mogelijkheid van een ander koppelingsmechanisme. Ik heb met belangstelling in de nota naar aanleiding van het verslag gelezen, dat de Minister een suggestie van de PvdA om het aanpassingsmechanisme op bepaalde punten te herzien, niet helemaal afwijst. In dat verband spreekt de Minister over het wel zeer verfijnde en gecompliceerde karakter van het huidige mechanisme. Betekent dit dat de Minister aan een wat globaler systeem denkt, of moet ik mij daarbij iets anders voorstellen? Een tweede punt van meer algemene aard betreft de betekenis die de Regering toekent aan de Wet aanpassingsmechanismen (WAM), als waarborg voor een welvaartsvaste koppeling tussen actieven en niet-actieven. Ik noem dit punt niet om twijfel te zaai-en of te versterken met betrekking tot de opstelling van de CDA-fractie ten aanzien van de WAM. Wij beschouwen de WAM min of meer als ons eigen geesteskind en wij hebben er geen enkele behoefte aan, ons ervan te distantiŽren. Wij hebben ook geen enkel bezwaar als deze bewindsman dit geesteskind van ons wil vertroetelen. Ik denk dat met name de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dit punt in het kabinet een centrale positie inneemt. Hij heeft immers ook de zorg voor het loonbeleid. Hoe beter hij erin slaagt de index van de regelingslonen te bewaken, des te gemakkelijker zal het hem vallen de koppetingsmechanismen te beschermen. Ik wil daarmee niet vooruitlopen op de andere wet die mijn collega Weijers straks zal behandelen, maar wel deze samenhang alvast signaleren. De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Is dit een klein dolkstootje in de rug van de CDA-Minister Van der Stee? De heer De Vries (CDA): Dit is geen dolkstootje in de rug van de CDA-Minister Van der Stee. De heer Van der Stee Tweede Kamer 10 december 1981

heeft hier gisteren bij het algemene financiŽle debat nog gezegd dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht zich te verwijderen van het regeerakkoord. In die zin kan het dus nooit een dolkstoot zijn in de rug van de heer Van der Stee.

De heer De Korte (VVD): De heer Van der Stee heeft echter in het openbaar bepaalde uitspraken gedaan over de komende noodzakelijkheid van het denken aan het koppelen op afstand. Hij heeft gezegd: ' als de nood heel hoog is'. Hij heeft daarvan geen afstand genomen.

De heer De Vries (CDA): De heer Van der Stee heeft gisteren namens de Regering gesproken en gezegd dat geen haar op zijn hoofd eraan dacht afstand te nemen van het regeerakkoord. Daaraan houd ik mij. Voor ons ligt de wezenlijke waarborg voor een welvaartsvaste koppeling tussen miniumloners, uitkeringtrekkers en de overige groepen van werknemers dan ook in de Wet aanpassingsmechanismen. In dat verband hebben wij er in toenemende mate moeite mee dat er naast de WAM telkens zo'n grote behoefte bestaat aan koopkrachtplaatjes op basis waarvan dan weer beoordeeld moet worden of er additionele maatregelen nodig zijn ten behoeve van minimumloners, bejaarden en uitkeringtrekkers, wier in-komen juist door deze wet gewaarborgd worden. Wij hebben al meer onze twijfels aan de waarde van die koopkrachtplaatjes tot uitdrukking gebracht. Het heeft ons verheugd dat ook de Ministervan Binnenlandse Zaken zich gisteren nogal relativerend over koopkrachtplaatjes heeft uitgelaten als het gaat om inkomens van ambtenaren. Ons brengt dat er geleidelijk aan toe om wat die koopkrachtontwikkeling betreft het standpunt in te nemen WAM is WAM. Met andere woorden: de garanties voor een welvaartsvaste koppeling zijn neergelegd in de WAM en laten we dan niet verder millimeteren in een sfeer van schijnexactheid, maar het op dat koppelingsmechanisme houden. Wij hebben geen behoefte dus aan aparte koopkrachtplaatjes tot op tienden van procenten nauwkeurig voor ambtenaren, bejaarden, arbeidsongeschikten, gewone werknemers en wat dies meer zei. Als wij daartoe zouden besluiten zou de WAM niet aan betekenis verliezen, maar veeleer aan betekenis winnen. Als daarentegen uiteindelijk toch de koopkrachtplaatjes blijven domineren kunnen wij misschien de WAM evengoed afschaffen. De zorg voor de gewenste koopkrachtplaatjes zal er dan immers vanzelf toe leiden dat de betrokken groepen datgene krijgen wat hen naar het oordeel van de Regering toekomt. Mijn fraktie acht het Regeringsvoorstel onvermijdelijk en zal zich dus niet tegen het wetsonwerp verzetten. Wij zien echter met belangstelling uit naar de reactie op onze meer structurele opmerkingen.

©

S.C. (Steef)  WeijersDe heer Weijers (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Als de dagen in dit goede land korter worden, ontmoeten de sociaaleconomische stamhoofden elkander voor een rituele dans rondom centen en procenten. Elk jaar hopen wij dat zij dan de vredespijp zullen roken; menigmaal gebeurt dit niet en kunnen wij onze fantasie laten gaan over de vraag wie er dan een zware pijp moet roken. Ik heb al eens vaker gezegd dat het beter is -ik hoop dat deze Minister erin zal slagen -dat Regering en sociale partners elkaar eerder in het jaar ontmoeten om met elkaar van gedachten te wisselen over de ontwikkelingen die worden verwacht, alvorens de begroting aan de orde komt in het kabinet. Telkenjare -het wordt een gewoonte rondom dat overleg -komen er tijdelijke wetsontwerpjes als een soort van paniekvoetbal. Het lijkt mij verstandig bij de begrotingsbehandeling met deze Minister van gedachten te wisselen over een structurele aanpak op termijn om deze zaken te voorkomen. Vandaag is de discussie beperkt tot de instrumenten voor het jaar 1982. Ik veronderstel dat wij de Minister volgende week weer zullen ontmoeten, wanneer het gaat om het feitelijke arbeidsvoorwaardenbeleid voor 1982. Mijn bijdrage aan dit debat zal dus beperkt blijven tot enige gedachten over de instrumenten. Het is met de gebruikelijke frisse tegenzin dat ik over deze zaken kom spreken. Naar onze overtuiging is het immers de eerste verantwoordelijkheid voor werkgevers-en werknemersorganisaties om hun zaken te regelen. Het enige leuke van het debat van vandaag is voor mij, te zien hoe de heren Poppe en De Korte ten opzichte van elkaar reageren. De heer De Korte voelt zich kennelijk weer een geheel vrije vogel om zich in de hoge wolken van de publiciteit te begeven. Goede maatjes ben ik in dit verband met D'66. Met die fractie hebben wij de laatste jaren een vrij constante lijn getrokken. Dat zal wel iets te maken hebben met 'rechtsigheid'! Mijnheer de Voorzitter! De Albedadoctrine die wij hebben toegepast, luidde als volgt: zo veel mogelijk alle inkomens bereiken, indien nodig, en een fijnmazige hand gebruiken waar wat dieper ingrijpen geboden is. Wij kunnen zien dat er in de loop der jaren een stelselmatige uitbreiding tot stand is gekomen in het bereiken van allerlei categorieŽn inkomens. De Minister heeft daarop al gewezen in de nota naar aanleiding van het verslag. Hier en daar is er nog sprake van wat los grijp-en graaiwerk, bij voorbeeld ten aanzien van de Gooise matras. Ik heb daarover enkele vragen gesteld aan de Minister. Tot mijn verdriet heb ik nog steeds geen antwoord gekregen op die vragen. Wil de Minister daar nog eens naar kijken? Het volgende punt is het treffen van mogelijke maatregelen op het terrein van inkomens. Ik ga niet zakelijk in op de niveaus en dergelijke, want dat zal ik op een ander moment doen. Het is mij opgevallen dat bijna geen enkel contract is gewijzigd, overeenkomstig hetgeen Kamer en Regering destijds hebben vastgesteld. Dat moet ons aan het denken zetten..Ik zal een voorbeeld geven. Wanneer wij zeggen dat de vakantietoeslag naar X moet, dan blijkt later dat er nauwelijks contracten zijn waar die X daadwerkelijk wordt overeengekomen. Om die reden hoor ik graag van de Minister, hoe hij dit punt ziet. Wanneer denkt de Minister eigenlijk met een in-komensmaatregel te komen, als die noodzakelijkerwijze moet worden getroffen? Volgens de bekende filosofie moet er eerst ruim baan worden gemaakt voor de onderhandelaars aan de diverse tafels. Het is mogelijk dat de meeste onderhandelaars niet eens praten over een verlaging van de vakantietoeslag of over de aftopping. Hoe ziet de Minister dat? Onderhandelingsvrijheid staat toch voorop en de eerste verantwoordelijkheid ligt toch bij de onderhandelaars? Hoe denkt de Minister te opereren wanneer slechts een kleine minderheid van de partners zich in de gewenste richting begeeft? Ik leg de Minister deze dwingende vragen voor. Ik vraag mij af, hoe hij zijn rol op dat punt ziet.

De heer De Korte (VVD): Hoe ziet de heer Weijers dit punt zelf?

De heer Weijers (CDA): Ik laat de heer De Korte in dezen nog even in een waas van geheimzinnigheid.

De heer De Korte (VVD): Het is ook voor ons erg interessant, de positie van de heer Weijers te kennen. Daar dient dit debat onder andere voor.

De heer Weijers (CDA): U weet dat onze positie in dit soort dingen eenvoudig altijd dezelfde is, want wij worden niet gekweld door het feit dat wij in dit Huis van het ene op het andere moment in een andere verantwoordelijkheid staan.

De heer De Korte (VVD): U regeert altijd, hŤ?

De heer Weijers (CDA): Zo gaat dat en het gaat nog redelijk goed in dit land ook. Mijnheer de Voorzitter! Wij vinden het merkwaardig in het voorstel van de Minister dat deze, als het gaat over het beheren van de inkomens en de ca.o."inkomens, kennelijk alleen maar 'de botte hijl' wenst te hanteren. Ik kan het ook anders zeggen: het floret van de heer Albeda wenst hij niet. Op dit punt kunnen wij hem niet volgen. Onze mening was en is dat, uitgaan-de van de verantwoordelijkheidsverdeling, de c.a.o.-partners het eerst aan bal zijn, zij hetik zeg dit er onmiddellijk bij -niet tot elke prijs. Welnu, dan is het toch veel logischer om, als erergens iets uit de hand dreigt te lopen, daar met het floret heen te gaan en niette dreigen met de botte bijl van een loonmaatregel die iedereen zal moeten treffen? Wij hebben erg veel vertrouwen in onderhandelaars, maar vinden toch dat wij onze ogen niet moeten sluiten vooreen aantal realiteiten. Zo moeten wij onze ogen er niet voor sluiten dat er hier en daar inderdaad op de korte baan dravende ondernemers zijn en handige vakbondsbestuurders. Noch ondernemers, noch vakbondsleiders behoren tot de engelenschaar. Er zal op bepaalde momenten teruggefloten moeten kunnen worden. De Minister vindt dit ook, want hij zegt in zijn antwoord, dat hij dan met de betreffende overlegpartners gaat praten. Maar dan houdt de Minister op, want hij zegt niet dat hij ook de mogelijkheid zal moeten hebben om te zeggen: 'Dames en heren, dit kan nu net even niet,' als die partners halsstarrig blijken te zijn. De Minister denkt dat hij het dan alleen met zijn gezag af kan. Nu heb ik altijd eerbied voor een Minister en zijn gezag, maar of dit in dit soort dingen nu een toereikend middel is, is voor ons de vraag. Wij hebben de indruk dat de Minister op dit punt een beetje koudwatervrees heeft. Dit lijkt ons niet zo gewenst.

De heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Mag ik de heer Weijers vragen of dit betekent -als ik hem goed begrijp -dat hij het oude artikel 8 aan de Minister wil geven, om op die manier de vrijheid van de loononderhandelingen te kunnen begrenzen?

De heer Weijers (CDA): De heer De Korte zal moeten begrijpen dat wij deze minister dezelfde bevoegdheid wensen te geven die hij dit jaar heeft en die hij mede door toedoen van de VVD-fractie heeft gekregen.

De heer De Korte (VVD): Die minister heeft daar geen gebruik van behoeven te maken.

De heer Weijers (CDA): Dat is toch mooi!

De heer De Korte (VVD): Dan was het toch ook niet nodig?

De heer Weijers (CDA): Daar weet u niets van, want u weet helemaal niet hoe preventief sommige dingen werken. En bent u niet op de hoogte met wat er de afgelopen zomer in de havens is gebeurd? Dat weet u toch, mijnheer De Korte?

De heer De Korte (VVD): Zegt u het maar!

De heer Weijers (CDA): Toen is er toch ook gesproken en toen heeft de minister zich tot de partners in de haven gewend in de trant van: 'Goede vrienden, gaat het nu wel de goede kant uit?'

De heer De Korte (VVD): Dat is overreding.

De heer Weijers (CDA): Uitstekend! Zolang overreding werkt, gaat het prima.

De heer De Korte (VVD): Dat is wat deze minister tot nieuw devies heeft gemaakt.

De heer Weijers (CDA): Dat is prima! Maar op het moment dat de overreding stokt, vind ik dat een goede bewindsman over een stuurelement moet kunnen beschikken, dat hem in staat stelt te zeggen: 'Sorry, maar hier houdt het op.' U was het daar het vorige jaar toch helemaal mee eens, mijnheer De Korte?

De heer De Korte (VVD): Hieruit blijkt dat u de discussie tijdens dat debat, vorig jaar, helemaal niet hebt gevolgd, mijnheer Weijers.

De heer Weijers (CDA): U hebt toen toch vůůr gestemd?

De heer De Korte (VVD): Er was toen een aardig conflict. De heer Albeda heeft toen... Maar daar weet u alles van.

Wij hebben toen uiteindelijk voor die wet gestemd, maar er is daar wel een discussie bij gehouden. U weet dat daarbij op een gegeven moment een machtswoord is gevallen. In zo'n discussie gebeurt het dan, dat je daar op een gegeven moment in meegaat. Misschien gebeurt dit vandaag wel weer, met u, wie zal het zeggen.

De heer Weijers (CDA): Je moet de dag niet prijzen eer het avond is, niet-waar, mijnheer De Korte? De heer De Korte heeft evenwel hier in dit Huis vůůr die bevoegdheid van de Minister gestemd. Dat staat als een paal boven water.

De heer De Korte (VVD): Met een uitleg en met een zeer uitdrukkelijke voorgeschiedenis daarbij!

De heer Weijers (CDA): Wanneer hij nu probeert zich daaronder uitte wurmen, vind ik dat uitstekend. Ik heb wel eens gedacht dat men misschien bij de VVD, naast de JOVD, nog een andere groep zou kunnen ontwikkelen: de JOJOVD! Waarom vinden wij het toch belangrijk dat de Minister over zo'n bevoegdheid beschikt? Niet om CAO-partners te jennen, integendeel! Maar juist omdat wij een algemene loonmaatregel met alle mogelijke middelen wensen te voorkomen. Immers, als de Minister deze bevoegdheid niet heeft, kan hij ervoor komen te staan dat hij dit enige middel open heeft om te gebruiken. Wanneer bij wijze van voorbeeld in Boerenkoolstronkenradeel partners dingen gaan overeenkomen waarvan de Minister en wij menen dat het eigenlijk niet kan, en men is niet tot rede vatbaar, dan is de Minister gehouden om met het grove middel van artikel 10 te gaan werken. Ik vind dit onzin, want dan moet heel Nederland zuchten onder ťťn enkele CAO. Ik geef een tweede overweging, waarop ook mijn collega De Vries al heeft gewezen. Onze opvatting over sociale zekerheid en koppeling zijn duidelijk. Juist ter wille van die systemen is een beperkte mogelijkheid in de inkomensgroei geboden. In dit goe-de land is het nu al zover, dat de verhouding 1: 1 is. Elke CAO-werknemer is gelijk aan ťťn hetzij arbeidsongeschikte, hetzij ambtenaar, hetzij trendvolger. Ruim 3 miljoen mensen die onder CAO's vallen, zijn bepalend voor de inkomens van bijna geheel Nederland. Wij weten allemaal dat die schouders steeds smaller worden en dat de last ook steeds zwaarder wordt. Ter wille van die solidariteit zal soms een ingreep bij een individuele CAO geboden zijn. Overigens zal het middel Tweede Kamer 10 december 1981

meer preventief werken dan dat dit werkelijk gebeurt. Men kan zeggen zoals professor Reynaerts in de Volkskrant -hij is vanmorgen al genoemd -laat de partners gaan. Dat zou een uitstekende lijn zijn, maar niet tot elke prijs. Professor Reynaerts zegt gewoon: laat maar gaan en als het slecht gaat dan pakken wij ze wel in 1983. Welnu, als er sprake is van geen beleid, vind ik het dat wel! Om die reden heb ik samen met collega Nypels een amendement doen voorbereiden. Er waren enkele technische probleempjes, maar dit amendement is naar de Kamer onderweg. De Minister weet waar het om gaat. Wij doen een dringend beroep op de Minister om de bevoegdheid die wij hem toch wensen te geven, te nemen en ons amendement te omarmen. Om vůůr deze wet te stemmen met alleen de inkomensmogelijkheid en het andere niet, zal onze animo niet versterken.

De heer De Korte (VVD): Wanneer dat amendement het niet zou halen, want het hele betoog van de heer Weijers is eigenlijk speciaal op die bedrijfstaksgewijze ingreep gericht, wat dan?

De heer Weijers (CDA): Ik spreek niet over bedrijfstaksgewijze ingreep mijnheer De Korte, dat moet u onmiddelijk afleren. Ik spreek over ingrepen per CAO.

De heer De Korte (VVD): Laten wij ons dan concentreren op de ingreep per CAO. Wanneer dat amendement nu eens niet wordt aangenomen, gaat de heer Weijers dan tegen die wet sternmen?

De heer Weijers (CDA): Wat bent u toch een nieuwsgierig mannetje hŤ!

De heer De Korte (VVD): Zeker als de heer Weijers spreekt, ben ik ontzettend nieuwsgierig. Immers, wanneer hij spreekt, weet je nooit precies welke kant het uitgaat. Ik wil dan altijd in een vroeg stadium een paar dingen uitzetten om die duidelijkheid eruit te krijgen.

De heer Weijers (CDA): Wij kennen elkaar langer dan vandaag.

De heer De Korte (VVD): U zegt dus nog niets?

De heer Weijers (CDA): Wat zou u doen als u hier stond?

De Voorzitter: Willen de heren de discussie enigermate bespoedigen?

De heer Weijers (CDA): Ja, mijnheer de Voorzitter, ik sluit mijn betoog nu meteen af. Wij wensen ons stelsel van sociale zekerheid niet naar de knoppen te laten helpen, noch door honderd ondernemers, noch door duizend Schellings!

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil het eerst hebben over de verlenging van de Wet van 7 maart 1980 en de wijzigingen van de Wet op de loonvorming. Met deze wijzigingen, verlaging van de maximumvakantietoeslag en aftopping van de prijscompensatie bij anderhalf maal modaal, heeft mijn fractie heel wat minder moeite dan met de verlenging van de Machtigingswet. Ik wil voorop stellen, dat de PPR vindt dat het parlement vanuit een duidelijke invloed op het totale inkomensbeleid, de ruimte moet kunnen aangeven waarbinnen de inkomens zich kunnen bewegen en waarbinnen vrije onderhandelingen mogelijk zijn. Bevoegdheden voor de Regering ten aanzien van de loonontwikkeling sluiten wij dus niet uit. Bij de discussie in de Kamer in maart 1980 ging het ons ook om de context waarbinnen de bevoegdheden worden gevraagd. Wat de invloed op het totale inkomensbeleid betreft, stelden wij vast dat de brief van de toenmalige minister, de heer Albeda, niet sprak over de inkomens uit huren, rente, dividenden uit buitenlandse fondsen en speculatiewinsten. De brief sprak ook niet over afroming van superwinsten, met name van de winsten door verhoging van de energieprijzen. Ten aanzien van de vrije beroepen was hij minder stringent dan voor de CAO-Ionen en voor de inkomens van ambtenaren. Het prijs-en tarievenbeleid was onvoldoende duidelijk; de versnelde afbouw van de zogenaamde positieve restpost in twee jaar -op zich positief -was al voorzien en bood bovendien geen soelaas tegen de opvoering van het aantal verrichtingen. Ook ten aanzien van de topsalarissen bij de overheid was alleen overleg voorzien. Al met al waren wij toen van mening dat de plannen die er lagen niet de naam 'samenhangend inkomensbeleid' verdienden. Als ik daaraan getoetst en daarnaar kijkend de huidige plannen overzie, vallen mij twee kleine verbeteringen op: leden van gedeputeerde staten, wethouders en nog een paar anderen worden toegevoegd en het beleid ten aanzien van de vrije beroepen is duidelijker, hoewel nu -twee jaar later -voor de afbouw van de positieve restpost opnieuw de termijn van twee jaar wordt opgevoerd.

Al met al moet mijn conclusie blijven -het staat de Minister-President vrij, deze aan te vechten -dat van een samenhangend inkomensbeleid niet gesproken kan worden. Mijn tweede belangrijke vraag is, welke werkgelegenheid de voorgenomen loonmatiging oplevert. Onze vaststelling in 1980 was, dat in het economisch beleid opnieuw de nadruk lag op verbetering van dť rendementen van hťt bedrijfsleven en dus op de kapitaalintensieve industrie, die slechts arbeidsplaatsen uitstoot. Dat is nu niet veranderd. Het arbeidsplaatsenplan is bovendien nog niet concreet ingevuld. Hoewel de Kamer bij de algemene beschouwingen een motie aannam, definanciŽle mogelijkheden voor arbeidsprojecten voor werkloze jongeren substantieel te verruimen, wordt deze motie in de brief van 27 november niet genoemd. De f 1 mld. ombuigingen op de begrotingen kosten concrete arbeidsplaatsen. Wij hebben gisteren gehoord dat niet bij benadering is vast te stellen, hoeveel dit er zijn. De verhoging van de indirecte belastingen kost concrete arbeidsplaatsen. Hoeveel, kunnen wij niet precies schatten, zei Minister Van der Stee. Volgend voorjaar zijn opnieuw miljarden aan ombuigingen te verwachten. Dat betekent opnieuw verlies van arbeidsplaatsen. Ik denk niet dat deze Minister ons zelfs maar de garantie kan geven, dat hij deze negatieve effecten met zijn werkgelegenheidsplan alleen maar kan goedmaken, laat staan dat hij de garantie kan geven van een duidelijk positief saldo. Ik spreek hiermee overigens zeker geen negatief oordeel uit over het werk dat de Minister van Sociale Zaken voor een werkgelegenheidsplan verzet. Als mijn conclusie dat er geen zekerheid is van beduidend meer werkgelegenheid juist is, rijst de vraag of er wellicht een garantie is voor meer zeggenschap. Krijgen de gemeenschap en de werknemers werkelijk iets te vertellen over de investeringen en over datgene wat met de hogere rendementen gaat gebeuren? Zijn hierover in de brief concrete aanwijzingen te vinden? Expres stel ik exact dezelfde vragen als ik vier jaar geleden deed. Ik wil rechtuit politiek bedrijven. Het zijn overigens vragen die ook deze Minister niet onbekend in de oren zullen klinken. Wij hebben toen de volgende balans opgemaakt. Opnieuw is bezuiniging op noodzakelijke overheidsvoorzieningen niet uitgesloten. Op-nieuw dreigt aantasting van de sociale zekerheid.

Beckers-De Bruijn De voorstellen met betrekking tot de CAO-Ionen, ambtenareninkomens en trendvolgers zijn niet ingebed in een totaalinkomensbeleid gericht op eerlijk delen. De matigingsvoorstellen zijn geen onderdeel van een totaalbeleidspakket dat voldoende perspectief biedt voor de toekomst, qua werkgelegenheid en zeggenschap. Deze vier punten gaven toen onze conclusie weer. In dat kader konden wij niet instemmen met de ver gaande bevoegdheden die de Regering vroeg met betrekking tot de totstandkoming van lonen en andere arbeidsvoorwaarden van de groepen waarop zij toevallig greep had. Jaap van der Doef zei toen namens de PvdA-fractie, dat hij zich afvroeg waarom in de periode tussen het oude artikel 10 en de raamwet inkomensvorming de regering zo ver strekkende bevoegdheden wilde hebben zonder behoorlijk overleg met het bedrijfsleven, zonder SER-advies en zonder het parlement in staat te stellen tot breder en dieper beraad in eigen kring en daarbuiten. Ik zal het zakelijk houden en niet meer citeren uit de bijdrage van de heer Van der Doef. Misschien heeft de Minister heel duidelijke nieuwe argumenten in petto, waarmee hij ons nog kan overtuigen. Ik ben toch bang dat dit niet meer lukt. Na gisteren lijkt een loonmaatregel haast onvermijdelijk. Wat daarmee onder meer zal worden afgedwongen, is een koopkrachtvermindering van 1% voor de mensen meteen minimuminkomen. Dat is gisteren nog eens gebleken in verband met een amendement van mijn fractie op het wetsontwerp tot wijziging van de loon-en inkomstenbelasting. Wij zijn het niet eens met strak vasthouden aan die min 1. Wij zien namelijk het vervolg al op ons afkomen: wij schieten door die min 1 heen en straks moeten wij opnieuw de ellendige discussie voeren over een eenmalige uitkering voor zogenaamde echte minima.

Minister Den Uyl: Waarop baseert u de veronderstelling dat wij door de min 1 heenschieten.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Het is mijn vrees. Mijnheer de Voorzitter! De centrale vraag bij de Bouwtoeslagwet is of het uitgangspunt van het brutoaanpassingsmechanisme, zoals vastgelegd in de WAM, mag worden doorbroken als zuiver en alleen budgettaire argumenten daartoe aanleiding geven. Nee, antwoordden twee van de huidige regeringsfracties in december 1979 die toen oppositiepartijen waren. Terecht werd toen van de kant van de fractie van de Partij van de Arbeid gesteld, dat het hier geen systeemfout en geen dubbeltelling betrof, maar de beoordeling van hetgeen wij onder loonontwikkeling verstaan en willen verstaan. Handhaving dus van de integrale doorvoering van het koppelingsmechanisme. Mijn fractie had hetzelfde standpunt. In de memorie van toelichting ging het nog om een budgettair effect van f 1,6 miljard. Het gaat nu om f 2,3 miljard. Tussen het moment van indiening van de memorie van toelichting en het moment van indiening van de memorie van antwoord zitten tien dagen. Het scheelt dus f 70 miljoen per dag. Ik snap niets van die berekeningen. Ik begrijp niet hoe in tien dagen zo'n groot verschil kan ontstaan. Welke van deze twee berekeningen is waar? Ligt de waarheid misschien ergens in het midden? Ik vind het niet duidelijk. Bijna f 1200 miljoen drukt op de rijksbegroting vanwege de doorwerking in de ambtenarensalarissen en de salarissen van de trendvolgers. Waarom wordt niet al het mogelijke gedaan om, onder vasthouding van het bruto koppelingsmechanisme, in het ambtenarenoverleg de nietdoorberekening aan de orde te stellen? Wij begrijpen niet waarom dat niet mogelijk is. Ik kom bij mijn laatste, brandende vraag. Als je de indexering in elk geval wilt handhaven, zoals de Regering, waarom moet dan naast een loonwet, ook een bouwtoeslag ingevoerd worden?

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! Ook wij hebben kritiek op de gang van zaken rondom deze wetsontwerpen. Wij hebben al opgemerkt dat geen SER-advies is gevraagd. Zij zijn zeer korte tijd voor de behandeling aan het parlement voorgelegd. Wij achten dat in strijd met de zorgvuldigheid en het maakt de parlementaire zeggenschap ook min of meer tot een farce. Overleg met maatschappelijke organisaties, met de vakbeweging, wat toch uitermate belangrijk is in dit soort zaken, is onmogelijk. De inhoud van deze wetsontwerpen is bij deze organisaties nog nauwelijks bekend. Ik ben overigens niet de eerste die dit opmerkt. Ook de heer De Korte heeft geciteerd uit het debat dat op 4 maart 1980 plaatsvond. Het kamerlid Den Uyl zei toen: de Kamer wordt nu gevraagd het beleidspakket van de Minister van Sociale Zaken te beoordelen, dat hier tien dagen geleden is neergedwarreld, plus een wetsontwerp van ongemeen ingrijpend karakter, dat 14 dagen geleden werd ingediend'. Ook hij achtte toen de gang van zaken in strijd met de regels van elementaire zorgvuldigheid. Met die uitspraak van het kamerlid Den Uyl ben ik het helemaal eens, met het verschil dat het wetsontwerp nu geen 14 dagen, maar tien dagen geleden werd ingediend. De tijdsdruk op zichzelf wordt als argument gebruikt. Dat is natuurlijk geen argument. Verder wordt in de nota gezegd, dat men bij indiening na afloop van het overleg met de sociale partners in grote tijdsproblemen zou zijn gekomen. De parlementaire behandeling zou dan in een ongewoon tijdsbestek moeten zijn geperst. Ik vind dat wel tonen van begrip voor het parlement, maar hoe noemt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze gang van zaken? Ruimschoots de tijd voor een zorgvuldige voorbereiding, lijkt mij erg sterk uitgedrukt. De parlementaire verantwoordelijkheid kan wat ons betreft, niet met verwijzing naar de tijd zo maar opzij worden gezet. Bovendien kan de vraag worden gesteld waarom men zoveel haast heeft met dit soort wetsontwerpen. Wat ons betreft, hoeven deze wetten er niet te komen. Wel is haast nodig bij het werkgelegenheidsbeleid, dat maar niet echt wil komen. Ik kom bij de inhoud van de wetsontwerpen. Ik begin met het wetsontwerp inzake afwijking aanpassingsmechanismen. Via alle aantastingen van de sociale verzekeringswetten -ik denk dan aan de 130 dagen, de aantasting van de daglonen en het hele bestekbeleid dat onder het vorige kabinet gevoerd is -is grote onzekerheid ontstaan bij de mensen die werkloos of arbeidsongeschikt zijn. Het gaat niet alleen om een stuk bestaanszekerheid dat zij hebben verloren doordat zij uit het arbeidsproces zijn gestoten, maar het gaat nu ook om de vraag wat te verwachten valt van de gang van zaken rondom hun in-komen. De wet aanpassingsmechanismen geeft ten minste nog een bepaalde zekerheid, hoewel ook daar al schoningen zijn toegepast. Hierbij denk ik aan de zogenaamde mindermeerdiscussie van de heer De Graaf. Wat is zo belangrijk aan dat 'stuk' zekerheid? De essentie van deze wet is natuurlijk dat, ongeacht politiek en economisch beleid, er een koppeling blijft tussen de lonen van de werkenden en de mensen met een uitkering.

Wat zien wij nu? Ook bij dit wetsontwerp wordt dezelfde koppeling voortdurend ter discussie gesteld en de mensen worden daar doodziek van. Overigens ben ik weer niet de eerste die dit zegt. Van de zijde van de Partij van de Arbeid werd bij monde van de heer Van der Doef in december 1979 gezegd: 'Het moet afgelopen zijn met de halfjaarlijkse of jaarlijkse discussies over kortingen, correcties, systeemfouten in de sociale verzekering.' Dat waren en zijn wij met hem eens, hoewel ik niet weet of hij nog steeds dezelfde mening heeft; ik betwijfel dat. Het is daarom onbegrijpelijk, dat nu, onder verantwoordelijkheid van een Minister van de Partij van de Arbeid, hetzelfde gebeurt, op het moment dat deze index tot een redelijke verhoging dreigt te leiden. Er wordt gezegd: 'budgettaire redenen', en dat leidt natuurlijk, zoals te verwachten valt, tot de opmerking van de fractie van de VVD: 'zie je wel, het consequent toepassen van de Wet aanpassingsmechanismen leidt nu eenmaal tot onaanvaardbare financiŽle gevolgen'. Wij willen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarschuwen, dat een dergelijke aantasting van het mechanisme, zoals nu wordt voorgesteld, openingen biedt voor rechts om hetzelfde mechanisme steeds verder terug te dringen en het uiteindelijk opzij te zetten. Dit blijkt ook wel uit de bijdrage van de zijde van de fractie van de VVD in dit debat. Waar komt anders de ontkoppelingsdiscussie vandaan? De koppeling -en dat is nu eenmaal een feit -wordt op dit moment losser gemaakt en men kan in-derdaad spreken over een koppeling op afstand. Het argument dat de inkomenspositie van de bouwvakker geen wijziging heeft ondergaan, kunnen wij toch niet serieus nemen. Het verwerken van de toeslagen in de schaallonen brengt nu eenmaal meestal met zich, dat de basislonen worden verhoogd. Hier staat echter tegenover, dat de toeslagen ergens anders afvallen. Het gaat niet om een voordeel voor de gekoppelde in-komens: het gaat juist om het inhalen van een achterstand. Die toeslagen zijn nooit doorberekend, hoewel zij in feite allang tot het normale loon van de gemiddelde bouwvakker behoorden. Hiervan hebben het minimumloon en de sociale uitkeringen echter nooit geprofiteerd en dat zou nu terecht wťl gaan gebeuren.

De Minister zegt, dat het een incidentele afwijking van de wet is. Wij betwijfelen dat. Het is iedere keer zo, als er toeslagen aan de orde zijn; bovendien opent het alle mogelijkheden, bij de volgende verwerking van toeslagen, die ongetwijfeld nog zullen komen, opnieuw af te wijken met een beroep op deze situatie. Onze vraag is dan ook: waar begint de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan? Hij zegt toch zelf, dat het effect van de toeslagverwerking moet doorwerken en dat dit ook bij deze wet hoort. Het is geen systeemfout, het is het systeem dat zo werkt; dat is een goede zaak. Als een dergelijke aantasting doorgaat dan werken maatregelen, zoals nu worden voorgesteld, alleen maar een verdere achteruitgang van de minima en van de sociale uitkeringen in de hand, terwijl wij weten dat de koopkracht van deze inkomens reeds onaanvaardbaar is aangetast. Een grotere afstand tot de verdiende lonen dreigt. Het is toch niet voor niets, dat wij alle ellende hebben meegemaakt met de eenmalige uitkering. Tijdens het debat daarover heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Dales, nog gezegd te willen zoeken naar structurele oplossingen. Hoe staat dat in verhouding tot dit wetsontwerp? Mijnheer de Voorzitter! Wij willen de Minister dan ook zeggen: ga hiermee niet verder, tast de minima niet nog meer aan en tast vooral ook de zekerheid van de mensen die moeten leven van een minimumloon of een sociale uitkering, niet nog meer aan. Dat heeft, naar onze mening, ernstige maatschappelijke en economische gevolgen. Bovendien legt dit wetsontwerp ook een onaanvaardbare druk op het nog te voeren ambtenarenoverleg. Wordt men op deze wijze niet voor voldongen feiten geplaatst? Wat heeft het overleg op dit punt dan nog voor zin? Ook voor de behandeling van het wetsontwerp inzake de verlenging van de Wet van 7 maart 1980 geldt onze kritiek op dezelfde wijze. Ook hierbij wordt gevraagd steun te verlenen aan een wetsontwerp, zonder dat van een grondige zeggenschap van het parlement, in samenspraak met maatschappelijke organisaties, sprake kan zijn. Ik zei het reeds, bij de FNV was het wetsontwerp tot vůůr gisteren nauwelijks bekend en dat -zo lees ik in de toelichting -terwijl het in feite niets te maken zou hebben met de onderhandelingen.

Wat moet ik hiervan geloven? Is het dan slechts een soort historisch werkje, dat goed is voor de boekenkast en hoe zit het dan na gisteravond? Ik wil deze vraag uitdrukkelijk aan de Minister stellen. Wij zijn nieuwsgierig; hoe zit het nu met de onderhandelingsvrijheid van de vakbeweging? Zal er als er een verkeerde ca.o., althans een in de ogen van de Regering verkeerde ca.o. wordt afgesloten al een loonmaatregel dreigen? Graag horen wij daarover wat meer. Wie zegt overigens niet of met de in-diening van het wetsontwerp al druk op de onderhandelingen is uitgeoefend? Naar onze mening is dat stellig het geval. De ondernemers kunnen zich toch nu al gesteund voelen door een kabinet dat bereid is, zo spoedig mogelijk het wettelijk instrumentarium voor een ingrijpen klaarte leggen. Ons standpunt hierover is bekend. Wij wijzen iedere wet die de mogelijkheid biedt tot beperking van de onderhandelingsvrijheid principieel van de hand. Wij vragen ons af wat wij hebben aan het met de mond belijden van de contractsvrijheid, zoals overigens ook de VVD doet. Zij kan beter haar mond houden, vinden wij. Het is uitermate hypocriet, nu te stellen dat de onderhandelingsvrijheid het hoogste goed is, terwijl het toch haar regering was die Albeda al zijn mogelijkheden tot beperkingen gaf. Naar onze mening treft de gang van zaken de vakbeweging op vele manieren. Ik heb al gezegd dat zij geen reŽle kans heeft gehad, de zaken in het parlementte beÔnvloeden. Bovendien dreigt een verdere verzwakking van de vakbeweging, doordat de mensen het nut van een vakbeweging die aan banden wordt gelegd ook niet meer inzien. Het is slecht voor het parlement zelf. Maatregelen als deze wetsontwerpen werken tegen de maatschappelijke organisaties, tegen de vakbeweging in. Het gevaar blijft dan bestaan dat belangrijke groepen mensen antiparlementair gezind zullen raken. Regering en parlement treffen zich zelf als zij zulke fundamentele rechten proberen te treffen. Naar onze mening zouden de fractie van de PvdA en haar vertegenwoordigers in de Regering er daarom goed aan doen, de positie van de vakbeweging te versterken in plaats van te verzwakken, juist onder de huidige economische omstandigheden, waarin het voor de werknemers al niet zo gemakkelijk is, onderhandelingen te voeren. Dat betekent ook dat wij in feite vinden, dat de PvdA-fractie en haar verte-Tweede Kamer 10 december 1981

genwoordigers in de Regering eraan zouden moeten werken dit wetsontwerp en het andere wetsontwerp waarover ik sprak van tafel te schuiven. Want hoe gaat het? De mensen zien ook wel dat het bezuinigingsbeleid van de afgelopen jaren alleen maar meer werkloosheid heeft opgeleverd, evenals een daling van de koopkracht. Er zijn heel wat mensen in Nederland daardoor in de grootste problemen gekomen. Een vakbeweging die dan nog eens aan banden wordt gelegd wordt -ik heb het al gezegd -ernstig in haar bestaan bedreigd. Naar onze mening moet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook beseffen, dat, onder welke formule hij dan ook een loonwet wenst of erover spreekt, dat op zich zelf een ernstige bedreiging is voor het voortbestaan van een sterke vakbeweging en dat terwijl hij toch ook de vakbeweging nodig heeft, ook voor de zaken die hij zelf zegt te willen bereiken. Ik noem het terugdringen van de werkloosheid, het beschermen van de sociale uitkeringen. Die doelstellingen kunnen niet steunen op het afbreken van de vakbeweging, maar moeten juist worden bereikt met steun van de vakbeweging. Dat kan niet zijn de steun voor een loonmaatregel, maar het moet steun op basis van contractsvrijheid zijn. Bovendien -dit is zeer principieel -is het ook een kwestie van democratie. Aantasting van de onderhandelingsvrijheid van de vakbeweging staat volgens ons op zeer gespannen voet met het Europees Sociaal Handvest. Wij staan daarin niet alleen. Wij voelen ons daarin onder meer gesteund door het meer genoemde artikel van prof. Reynaerts in 'de Volkskrant'. Overigens is, zoals al eerder is opgemerkt in dit debat, Nederland in West-Europa de koploper bij het buiten spel zetten van de contractsvrijheid. Dat is een dubieuze faam voor een land waarin de democratie toch, terecht, als hoog goed wordt beschouwd. Onze partij heeft met genoegen gezien hoe lyrisch sommigen zijn over het verwerven van vakbondsvrijheid in Polen. Dat is ook een goede zaak. Het zou echter aardig zijn als de Regering ook hier eens ernst maakte met de contractsvrijheid in de praktijk. Er wordt gezegd dat het maar om een partiŽle loonmaatregel gaat. Dat maakt de zaken toch niet fundamenteel anders? Ook beperkte loonmaatregelen drukken op de onderhandelingen. Collega Weijers heeft al gezegd dat zij preventief werken en dus in het voordeel van de ondernemers. De ruimte voor de vakbeweging wordt er kleiner door. Naar onze mening staat het mes op de keel van de vakbeweging, ook door de indiening van dit wetsontwerp. Het gaat in feite om het volgende: Of vrijwillig meewerken aan het uitzichtloze matigen dat nu al honderdduizenden werklozen heeft opgeleverd en dat noch enig positief effect noch enig perspectief biedt, ůf een ingreep in de vakbondsvrijheid. Wij willen de Minister zeggen: Haal dat mes van de keel van de vakbeweging, anders keren de mensen zich nog verder af van hun maatschappelijke organisaties en van de politiek. D De heerWillems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Het debat van vandaag lijkt welhaast een spiegelbeeld van het debat van 4 maart 1980. Het is toch wel aardig de vervanging van toneelspelers te zien gebeuren. Overigens behoeven de centrumpartijen -CDA en D'66-alleen maarom hun as te draai-en. De PvdA verdedigt nu een voorstel, dat vrijwel identiek is aan het vorige, terwijl de VVD zich nu als behoeder van de vrije loononderhandelingen opwerpt. Het is interessant de discussie verder te volgen. Onze fractie kan zich in ieder geval houden bij haar opstelling die zij altijd inneemt ten opzichte van dit soort wettelijke maatregelen. Het moge duidelijk zijn dat ook de houding van de vakbeweging onveranderd afwijzend is gebleven. Het is duidelijk dat de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers over de arbeidsvoorwaarden en de lonen -of die onderhandelingen nu centraal of gecoŲrdineerd, per bedrijfstak of per bedrijf plaatsvinden -het meest essentiŽle machtsmiddel vormen in de strijd die zich in dit land permanent afspeelt tussen de arbeid en het kapitaal. Het gaat immers om de vraag welke prijs de ondernemer bereid is te betalen voor de door hem zo begeerde inzet van arbeidskrachten. De loonstrijd is in de landen met een vrije ondernemingsgewijze produktie de hefboom geweest waarmee sociale voorzieningen, een redelijke beloning en betere arbeidsomstandigheden op een meer aanvaardbaar niveau zijn getild. Zelden of nooit heeft de arbeidersbeweging daarbij overvraagd. Soms heeft zij haar eisen met acties en stakingen kracht bijgezet in de wetenschap dat die eisen rechtvaardig en haalbaar waren. De vakbeweging heeft in die loonstrijd de effecten voor de werkgelegenheid -ik hoor het de heren Van der Doef en Den Uyl in het debat van maart 1980 nog zeggen -altijd serieus meegewogen. Zij heeft zelfs loonmatiging aangeboden in ruil voor arbeidsplaatsenovereenkonv sten; zij heeft de solidariteit met uitkeringstrekkers altijd in ere gehouden. De werknemers met hogere inkomens zijn bereid gebleken in te leveren ten gunste van de minima. In onze ogen is de bereidheid van de vakbeweging om in te leveren vaak te ver gegaan. Dit kabinet behoeft toch niet bang te zijn voor de opstelling van de vakbeweging in de loon-en arbeidsvoorwaardenstrijd? Waarom wenst het dit instrument om in de uitkomsten van de loon-en arbeidsvoorwaardenstrijd vooraf of achteraf te kunnen ingrijpen? Welk wantrouwen, welk pessimisme ligt hieraan ten grondslag? Waarom is het vertrouwen, dat twee jaar geleden zo dramatisch ten toon werd gespreid, nu verdwenen? Het moet de Regering toch bekend zijn dat zij daarmee de werkgevers, de vertegenwoordigers van het kapitaal en de eigenaars van de bedrijven vrij spel geeft om hun eisen voor rendementsherstel zo hoog mogelijk op te schroeven? De Minister heeft onlangs kennis kunnen nemen van de eisen die door de werkgeversorganisaties zijn ingebracht in het centraal overleg. Ombuigingen in de sociale zekerheid door een generale korting van 1% moet ruim 1 miljard opleveren; nog verdere ombuigingen in de sociale zekerheid als nu al in de Miljoenennota wordt voorgesteld; een verdere ombuiging van de rijksbegroting met 1 mld.; extra loonmatiging in de quartaire sector; geen verlies van groei door marktconform beloningsbeleid, zoals dat zo mooi heet. Dat is nog eens bijna 1 mld. Al dit soort extra eisen kunnen nu door de werkgevers op tafel worden gelegd, wetende dat het mislukken van het loonoverleg voor hen geen al te negatieve effecten behoeft te hebben. De Regering wil met de verlenging van de wet van 7 maart 1980 zichzelf het instrument verschaffen om het eigen beleid van loonmatiging en bezuiniging te kunnen doorvoeren. Een beleid waar de werknemers in ons land niet in geloven, waardoor zieken, bejaarden en gehandicapten onevenredig worden gepakt, gecombineerd met een werkgelegenheidsplan waarvan de contouren maar niet heider en geloofwaardig worden, is het toch niet waard om tegen de wil van de bevolking in te worden doorge-Tweede Kamer 10 december 1981

Willems voerd? Het recht op vrije loononderhandelingen is niet alleen een democratisch recht en een verworvenheid. Het is de uitdrukking van de belangentegenstelling die ieder jaar in de strijd om loon en behoud van werkgelegenheid zichtbaar wordt. Wie daar aan komt, is geen bondgenoot van de werkende bevolking. De werkgevers gebruiken de looningreep om geen concessies te hoeven doen. Zij behoeven geen macht af te staan, want zij kunnen hun strategie verleggen van de onderhandelingen met de sociale partners naar een aanval op de overheid en de collectieve sector. De tot nu toe genomen maatregelen zijn steeds in het voordeel van de ondernemingen geweest. Bovendien holt het de functie van de vakbeweging uit als hen het belangrijkste instrument bij de behartiging van de belangen van hun leden uit handen wordt genomen. Indien vrije loonvorming zou leiden tot hogere lonen en handhaving van de koopkracht -dat is nog maar de vraag -heeft dat natuurlijk gevolgen voor de rijksbegroting. Die zorg begrijp ik wel. Het heeft gevolgen voor de trendvolgers en de trekkers van sociale uitkeringen. Heeft dat niet juist een positief effect op de bestedingen, de premies van de sociale fondsen, de belastingopbrengsten en de werkgelegenheid. Dat is een directerte bereiken positief effect dan mogelijk kan worden gemaakt via het werkgelegenheidsplan van dit kabinet. Bij de algemene beschouwingen en de bespreking van het dekkingsplan hebben wij al opgemerkt dat het de in-gezette negatieve spiraal doorbreekt. Dan kan in vrije onderhandelingen mogelijk loonmatiging, maar ook minder loonmatiging, worden omgezet in werk, arbeidsplaatsenovereenkomsten en zeggenschap over winsten en investeringen. Dat kan dit kabinetsbeleid ons niet garanderen, ook niet als het kabinet afziet van ingrepen per bedrijfstak. Wat is overigens tot nu toe de waarde van dit instrument, gezien het feit dat wij gedetailleerd, naar inkomensniveau kunnen ingrijpen in de lonen? Waar hebben wij deze mogelijkheid in het verleden voor nodig gehad en hebben wij haar nu nog wel nodig? Er is nog steeds geen raamwet op de inkomensvorming. De vrije beroepen zijn nog steeds ongrijpbaar en voor zover al wordt ingegrepen, gebeurt het te incidenteel en is het moeilijk te controleren. Bij de behandeling van de Wet op de niet-CAO inkomens kom ik hierop nog terug. Zonder de raamwet is geen progressief inkomensbeleid te voeren. Het kabinet moet de moed hebben om dit instrumentarium om straks in te kunnen grijpen, achterwege te laten. Resulteert het gedecentraliseerde overleg tussen de sociale partners in voorstellen waarvoor een wettelijke regeling is gewenst -ik denk dan met name aan de suggesties van de Minister en de vakbeweging betreffende de aftopping van de prijscompensatie en de maximering van de vakantietoeslag -dan zijn wij ervan overtuigd dat de Kamer aan dergelijke ruggesteuntjes voor de vakbeweging graag zal meewerken. Wij zien echter niet in dat deze wet is te gebruiken als ondersteuning van de belangen van werkenden en niet-werkenden. Ik kom thans toe aan de bespreking van een ander tijdelijk wetje -overigens heb ik gemerkt dat in deze Kamer niets zo eeuwig is als 'tijdelijk' -namelijk wetsontwerp 17199. Eindelijk is er een stukje gerechtigheid. De nota naar aanleiding van het verslag van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt ons daarin geheel in het gelijk. Enkele tot nu toe buiten beschouwing gebleven toeslagen worden in de CAO-Ionen in de bouw verwerkt en komen zodoende evenredig terug in de herziening van het minimumloon en de sociale verzekeringen. Terecht hebben wij altijd gezegd dat de wet dat zo voorschrijft. Zo is zij ook steeds toegepast, met geregeld zeer substantiŽle consequenties voor de minima, bestaande uit meer dan enkele procenten. De minima lopen hun achterstand na enige tijd in. Deze redenering wordt gelukkig door de Regering geenszins bestreden. Alleen de gevolgen voor 's rijks schatkist worden onaanvaardbaar genoemd. Daarom is deze stok tussen de deur nodig. Er is niet eens sprake van een te corrigeren systeemfout, neen, de koopkrachtverbetering van 0,3% tot 0,4% die nu voor de minima zou optreden, moet ongedaan gemaakt worden. Straks krijgen wij dan wel weer een procedure om een eenmalige uitkering mogelijk te maken om de 'echte' mini-ma bij te spijkeren. Op deze manier kan 200 miljoen extra aan uitgaven ten laste van de begroting en de sociale fondsen worden binnengehaald. Over de afloop van het overleg met de ambtenarenorganisaties over de resterende 2100 miljoen tasten wij nog in het duister. Dient niet overigens een gedeelte van dit bedrag, namelijk 700 miljoen, niet toch bij de gaten in de begroting van 1981 te worden opgeteld in plaats van bij de uitgavenvergroting voor 1982? Wij constateren dat een en ander het gevolg is van de loonontwikkeling in dit jaar. Waarom moet dit bedrag dan naar 1982 worden overgeheveld? Met welke constructieve voorstellen gaat het kabinet het georganiseerd overleg in om de trendvolgers te doen afzien van hun rechtmatige claim op de minimale koopkrachtverbetering? Worden er banen voor in het vooruitzicht gesteld, worden toeslagen verhoogd, of komen er wettelijke voorzieningen om ook de trend straks incidenteel voor 1982 te doorbreken? Daarover laat de haastige schriftelijke voorbereiding ons nog volledig in het duister. Mijnheer de Voorzitter! Ons standpunt over beide wetsontwerpen zal duidelijk zijn. Wij hopen dat zij het in deze Kamer niet zullen halen en dat de onrust in de vakbeweging, die een loonmaatregel in alle toonaarden afwijst, evenals loonmatiging zonder het scheppen van werk, kan worden weggenomen. Niet wij, in deze Kamer, voeren de loonstrijd, maar de mensen wier hele hebben en houden op het spel staat. D De heer Van der Vlies (SGP): Mijnheer de Voorzitter! De financiŽle situatie van ons land is nog somberder dan ten tijde van de behandeling van de regeringsverklaring werd voorzien, aldus de nota naar aanleiding van het verslag op wetsontwerp nr. 17199. De nota over de toestand van 's rijks financiŽn d.d. 4 december 1981 schetst een beeld waarin het financieringstekort in 1982 zelfs oploopt tot minstens 7'/4% van het nationaal inkomen, als verdere aanpassingen zullen uitblijven, dan wel de effecten van voorgenomen beleid zullen achterblijven bij de verwachtingen. Er wordt bovendien met nadruk op gewezen, dat een belastingtegenvaller over 1981 moet worden gevreesd. Nog niet kan worden overzien hoe groot deze tegenvaller is en in welke mate hij zou kunnen doorwerken in 1982. Een traag verlopend herstel van de wereldhandel in een daardoor geremde groei van onze uitvoer leiden tot een mindere groei van onze uitvoer dan verwacht van het totaal van de bestedingen en de afzet en daarmee tot een nog grotere groei van de werkloosheid dan reeds moest worden gevreesd. Deze en dergelijke zaken van zeer ernstige aard nopen vandaag de dag tot het nemen van pijnlijke maatregelen. Onze fractie staat bij het nemen van die maatregelen duidelijkheid en Tweede Kamer 10 december 1981

Van der Vlies zorgvuldigheid voor, maar ook werkelijke daadkracht. Bovenal spreekt onze fractie echter de wens uit dat ernst zal worden gemaakt met de woorden van vermaan uit het Evangelie van MattheŁs 'Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen.' Het gaat in het verband van deze aangehaalde woorden om de vragen naar voldoende voedsel, kleding en dergelijke; met andere woorden, om de dingen waarover wij mensen ons doorgaans zo druk maken. Wij kunnen de financiŽle, economische en sociale ontreddering in ons land niet los zien van het helaas breed zichtbaar geworden verwerpen van het Heilige Woord van God. Als God verlaten wordt, wat meer en meer gebeurt, zal in toenemende mate ook wijsheid ontbreken. Dan worden de problemen niet bij de wortel aangepakt, maar blijft het een pogen om iets bij te stellen aan de rand. Aan werkelijk wederkeren tot de onderhouding van Gods geboden, zijn Woord en Wet, zal groot loon verbonden zijn. Deze za-': is ons principieel de hoogste. Intussen moeten wij ook, erkennenden deze klemmende eis, doen wat onze hand vindt om doen. Natuurlijk moet een rendementsherstel in de kleine en grote bedrijven krachtig worden bevorderd, onder andere door lastenverlichting. Er moet een werkelijk arbeidsplaatsenscheppend plan worden verwezenlijkt. Het volstrekt onverantwoord hoge financieringstekort moet worden teruggedrongen. Daartoe is mede nodig een samenhangend beleid ter zake van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de arbeidsvoorwaarden. In het kader van dit beleid zijn ons beide wetsontwerpen voorgelegd. Het eerste wetsontwerp betreft de doorwerking in de geÔndexeerde inkomens van het effect van de toeslagverwerking in de ca.o.'s in de bouwsector. Deze doorwerking zou grote financiŽle consequenties hebben, zo is ons voorgerekend. De eraan verbonden uitgaven op kasbasis worden geraamd op circa 2300 miljoen gulden voor 1982. Deze rekening heeft wat de trend betreft betrekking op extra salariskosten ten laste van de collectieve uitgaven. Deze collectieve uitgaven worden door onze fractie toch al als te hoog ervaren. Verhoging ervan moet dus wel uiterst zorgvuldig worden afgewogen. Vandaar dat onze fractie vanwege deze financiŽle consequenties, om budgettaire redenen dus, zich positief zal opstellen ten aanzien van het wetsontwerp dat beoogt de doorwerking van de toeslagverwerking in de bouwc.a.o. in de minimumlonen, enkele sociale uitkeringen en pensioenen ongedaan te maken. Aan dit voorstel zitten ongetwijfeld negatieve aspecten, maar de maatregel lijkt inderdaad onvermijdelijk. Overigens, zal deze maatregel wel zo incidenteel zijn als wordt gesuggereerd? Ik denk van niet. Evenwel nogmaals leg ik u de vraag voor, of de gehele complexe materie van deze inkomensvorming en alles dat daaraan in ons stelsel van salariŽle en sociale voorzieningen annex is niet, gegeven de financiŽle en sociaal-economische positie van ons land, noopt tot de overweging dat de overheid zou moeten heen werken naar een trendzettend in plaats van naar een doorzetting van hettrendvolgende beleid, dat nu gehanteerd wordt. Daardoor is het Rijk altijd in zeker op zicht slachtoffer van ontwikkelingen elders. BeÔnvloeding geschiedt dan ook langs een omweg. Zou rechtstreekse beleidsbepaling terzake in dit opzicht niet beter werken? Zou een voorbeeldfunctie van loonmatiging dan niet kunnen worden ontwikkeld en vervolgens naar buiten toe aanspreken? Wij vernemen gaarne een reactie van de Minister hierop. De verwijzing in de nota naar aanleiding van het verslag naar de door het kabinet in de regeringsverklaring kenbaar gemaakte keuze voor het trendvolgend beleid, is ter argumentering van zulk een keuze toch bepaald ontoereikend. Ik kom nu tot wetsontwerp 17202. Ik zei zojuist dat beÔnvloeding door het Rijk van de loonvorming langs een omweg geschiedt. Immers, werkgevers en werknemers hebben naast de overheid een geheel eigen verantwoordelijkheid. De centrale organisaties van werkgevers en werknemers hebben een en andermaal uitgesproken dat zij zeer hechten aan contractvrijheid, gedecentraliseerd beleid en de mogelijkheid om hun eigen verantwoordelijkheid waar te maken. Nu het centraal overleg met de partners is mislukt en gegeven de moeilijke sociaal-economische situatie, is er onze fractie veel aan gelegen dat de sociale partners kunnen komen tot zorgvuldige CAO-afspraken die recht doen aan een billijke afweging van alle in het geding zijnde belangen. Gelet op de tot nu toe uitgedragen standpunten, eisen en wensen -zowel van werkgeversals van werknemerszijde -moet echter gevreesd worden dat goe-de afspraken binnen de gewenste termijn niet wel mogelijk zullen blijken te zijn.

Ik haak hier even de vraag bij aan, hoe de Minister oordeelt over de uitkomsten van de berekening van de effecten van de gepresenteerde werkgeversplannen op het inkomensplaatje en de werkgelegenheidspositie. Op zijn minst zullen de afspraken slechts moeizaam tot stand komen. Als zij er ten slotte komen, moet maar worden afgewacht of deze de confrontatie met de voor landsbelangrijk gehouden beleidsuitgangspunten van de Regering kunnen doorstaan. Door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt in de aan de orde zijnde stukken benadrukt dat alleen voor het onverhoopte geval dat deze confrontatie een volstrekt onaanvaardbaar resultaat geeft, een deugdelijk instrumentarium nodig is-en dus ook gevraagd wordt -om de dan onvermijdelijke ingreep te plegen. Mijn fractie kan de Minister daarin op zich zelf volgen. De onderhandelingsvrijheid van de sociale partners -die nu eenmaal sinds het begin van de jaren zestig bestaat -kan en mag evenwel geen absolute vrijheid zijn. De overheid is er immers met stellige bevoegdheid om te voorkomen dat de ene groep zich kan bevoordelen ten koste van de andere, om de zwakke in de samenleving te beschermen en om ervoor te zorgen dat een ieder zoveel mogelijk het hem toekomende krijgt. Ook in deze opzichten heeft de overheid de ongebondenheid onder de mensen te beteugelen. De overheid moet randvoorwaarden scheppen waarbinnen de bewegingsvrijheid van de sociale partners gestalte kan, maar ook moťt krijgen. Deze randvoorwaarden zijn uiteengezet in de brief van de Minister aan de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties, d.d. 27 november 1981. Zowel de werkgevers als de werknemers hebben uiterst kritisch op deze randvoorwaarden gereageerd. Onze fractie heeft vooralsnog de neiging, de standpunten te bezien in het licht van de stelling dat de reŽle inkomens en als gevolg van de ontwikkel-de koppelingsmechanismen ook de diverse uitkeringen aanzienlijk sterker zijn gegroeid dan er nationaal werd verdiend. De daardoor ontstane extra last is in hoge mate in de achterliggen-de jaren afgewenteld op het bedrijfsleven, dat daardoor alle reserves heeft verloren. Wij plukken daar nu de wrange vruchten van. Daarom is een krachtig beleid ter zake van de inkomensvorming en de arbeidsvoorwaarden van groot belang om, zo mogelijk, te verhinderen dat wij nog verder afglijden in het moeras. Wij Tweede Kamer 10 december 1981

Van der Vlies kunnen dan ook akkoord gaan met verlenging met ťťn jaar van de wet d.d. 7 maart 1980. Die wet maakt een loonmaatregel van overheidswege mogelijk in een zogenaamde uiterste situatie. De verlenging wordt gevraagd voor ťťn kalenderjaar, te weten het jaar 1982. Verwacht wordt dat tegen 1 januari 1983 de raamwet op de inkomensvorming van kracht kan zijn, dan wel ver gevorderd is in de procedure van parlementaire behandeling. Wij vragen de Minister opnieuw, of deze verwachting werkelijkheidszin als voedingsbodem heeft of dat toch gevreesd moet worden dat deze verwachting te hoog gespannen zal blijken te zijn geweest. De Minister heeft in de aan de orde zijnde stukken ook beklemtoond, niet te willen vooruitlopen op de uiteindelijke uitkomsten van het overleg met de sociale partners. Na de mislukking van gisteren is echter de vraag gewettigd, of de Minister nu al wel regeringsingrepen wil aankondigen, uitleggen en verdedigen. Op zich zelf zouden wij een zwijgen op dit moment, nog accepteren, hoewel wij dringende vragen hebben ten aanzien van diverse voorstellen die zijn vervat in de zojuist door mij genoemde brief. Wij zouden bij voorbeeld -naast de reeds door anderen gestelde vragen -met klem kunnen vragen, hoe de voorgestelde verhoging van de premie-grens met f 7000 zal inwerken op de netto-inkomenspositie van kleine zelfstandigen, van de werkers in het mid-den-en kleinbedrijf. Komt hun inkomenspositie niet onder nog zwaardere druk dan thans reeds het geval is? Is het reŽel, in de huidige context, de voorgenomen maatregelen in de sfeer van de Ziektewet af te wentelen op de werkgevers? Zo zouden er nog veel meer vragen kunnen worden gesteld, maar ik besef dat de brief zelf vandaag verder niet expliciet ter discussie staat. Ik keer dus terug naar wetsontwerp 17202. Ik zei al dat wij akkoord gaan met de verlenging met een jaar. Wij hebben meer moeite met de voorgestelde wijzigingen op artikel 10. Wij hebben zorgvuldig kennis genomen van het voornemen om af te zien van de mogelijkheid om bij een eventuele in-greep te differentiŽren naar bedrijfstak en in plaats daarvan eventueel te differentiŽren naar inkomensniveau. De argumentatie ter zake in de nota naar aanleiding van het verslag afwegende, ontkomen wij niet aan de stellige in-druk dat eigenlijk alleen maar voordelen van een mogelijkheid tot bedrijfstaksgewijze looningrepen worden opgesomd, maar dat de eventuele effecten ervan als betrekkelijk worden beoordeeld. Uiteindelijk zou met de handhaving van deze differentiatiemogelijkheid toch de noodzaak van het treffen van een algemene, over de gehele linie geldende loonmaatregel, kunnen worden voorkomen. Ondersteld dat zich in enkele bedrijfstakken uitschieters in de onderhandelingsresultaten zouden voordoen, dan moeten die worden aangepakt. Het valt te betwijfelen of de, overigens sympathieke, weg van overreding dan afdoende begaanbaar zal blijken te zijn. Sinds gisterenavond kan wel worden gevraagd, hoe de Minister zelf zijn kans nog inschat, na zijn ervaringen, gisteren, in het overleg met de Stichting van de Arbeid. Enige regelgeving van niet algemene aard zou dan toch van pas komen, zo dachten wij. Een dergelijke regelgeving moetaanvullend van aard zijn voor een betreffende bedrijfstak, ten opzichte van de algemeen tot stand gebrachte en landelijk werkende maatregel. De overwegingen die aanleiding gaven tot het voorstel inzake het doen vervallen van deze mogelijkheid, hebben ons niet overtuigd. Het voorstel om te komen tot een in-strumentarium dat differentieert naar inkomensniveau wordt door ons met grote reserve beschouwd. Immers, als werknemers in de hogere inkomenscategorieŽn meer offers moeten gaan brengen dan werknemers in de lagere inkomenscategorieŽn, kan dit voornemen inderdaad aansluiten op ons standpunt dat de loonmatiging naar draagkracht moet worden verwerkelijkt, maar dan doet zich tegelijk ook duidelijk de vraag voor, in welk stadium deze aanpak leidt tot niet meer aanvaardbare nivellering van die inkomens. Steeds duidelijker wordt het toch, uit allerlei publikaties, dat verdergaande nivellering tot gevolg heeft dat de prikkel tot grotere inspanning wordt weggenomen, met alle gevolgen van dien? Ook onze fractie wil de minimuminkomens verhoudingsgewijze ontzien, onder meer omdat de minimuminkomens ook veel worden aangetroffen onder de kleine en kleinere zelfstandigen, waaronder de agrariŽrs. Verdergaande nivellering vinden wij op dit ogenblik echter evenmin juist. Aftopping van de prijscompensatie voor de hogere inkomens werkt nivellerend. Dit, geÔsoleerd van andere mogelijke compensaties, komt ons als niet juist voor. Daarentegen zou onze fractie een systeem willen bepleiten, waarbij wordt gedifferentieerd naar soort van werk, in die zin dat verbeteringen van de betaling van zwaar, onaangenaam werk en dergelijke, mogelijk worden gemaakt. Kan de Minister zich over deze mogelijkheid en de daaromheen ook al aanwezige ontwikkeling verder uitspreken? Wij vragen hier met name naar, omdat wij uit de brief aan de sociale partners sterk de indruk krijgen dat de daarin opgenomen ruimte voor incidenteel, 0,9%, feitelijk te gering is om deze mogelijkheden aan het bedrijfsleven te bieden. De maximering van de vakantiebijslag stuit bij ons niet op grote bezwaren. Het is echter onduidelijk gebleven of het kabinet bij een eventuele aftopping van de vakantiebijslag op een niveau dat ligt beneden het bedrag dat voortvloeit uit de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, denkt aan verdergaande aftopping ten opzichte van 1981, of aan voortzetting van het toen gestelde, namelijk door bevriezing van het niveau van f 5200. Kan de Minister hierover vandaag duide-Iijkheid verschaffen? Nogmaals spreek ik uit, dat het onze wens is dat, ondanks alle moeilijkheden in het centraal overleg, toch spoedig blijken mag dat bij de sociale partners de daadwerkelijke bereidheid aanwezig is om allemaal naar evenredigheid in te leveren, binnen de rand-voorwaarden van de belangen van de nationale economie. Dan zou de overheid niet hoeven ingrijpen. Daartoe is meer saamhorigheid nodig rond de noodzaak vam pijnlijke maatregelen: een stap terug op de welvaarsladder. Die beweging echter hoeft het ware welzijn niette schaden, mits bovenal met berouw zou worden teruggekeerd door overheid en onderdaan, tot de God des Levens en de onderhouding van zijn geboden door waarachtige bekering. Van fundamenteel herstel gesproken!

©

E. (Erwin)  NypelsDe heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Kan de geschiedenis zich herhalen? Dit is nog wel eens een discussiepunt in kringen van historici. Het debat van vandaag toont aan dat de geschiedenis zich niet herhaalt, ondanks het feit dat wij vandaag voor de derde maal discussiŽren over de bevoegdheid van de Regering om te kunnen differentiŽren in loonmaatregelen. Dat is dus de bevoegdheid om onderscheid te kunnen maken naar groepen van werknemers in de ca.o.'s. On-danks het feit ook, dat wij voor de der-de maal discussiŽren over de effecten van de toeslagverwerking in de basislonen van de bouwc.a.o. ten aanzien Tweede Kamer 10 december 1981

van de index voor de minimumlonen en sociale uitkeringen en indirect ook voor de ambtenarensalarissen. Wij hebben dus voor de derde maal een discussie over deze onderwerpen, maar het blijkt ook dat de rolwisseling in deze Kamer -van regeringspartij tot oppositie of omgekeerd -zijn sporen heefj nagelaten in de standpunten en misschien straks ook in de stemgedragingen van de fracties. Met name blijkt, dat bij het grootste punt van discussie over de Wet op de loonvorming, het oude verbond van maart 1980 van de fracties van de Partij van de Arbeid en de VVD, weer is ontstaan. Ik kom hierop straks nog terug. Het verbaast mij echter dat dit verbond bestaat. Allereerst wil ik overgaan tot de behandeling van het wetsontwerp over de aanpassingsmechanismen. In overeenstemming met ons standpunt, in-genomen bij de fundamentele discussies over de aanpassingsmechanismen in december 1979, kunnen wij ons op dit moment ook in beginsel verenigen met het voorstel om de toeslagverwerkingen in de CAO-Ionen in de bouwsector voor de doorberekening in minimumloon en sociale uitkeringen, buiten beschouwing te laten. Voor de argumentatie moet ik teruggaan tot het debat dat wij hebben gevoerd over de aanpassingsmechanismen in december 1979. De Regering voert op dit moment evenals toen, een aantal financiŽle argumenten aan om tot het buiten de index houden van deze toeslagverwerkingen te besluiten. Wij begrijpen die financiŽle argumenten, maar dat kan alleen nooit een voldoende argument zijn om tot een buitenwerking stellen van een onderdeel van een index over te gaan! Indexen moeten in principe zuiver zijn. Iets anders is, dat je op een gegeven ogenblik kunt besluiten, op politieke gronden, om tot andere verwerkingen over te gaan. Er moet dus meer aan de hand zijn dan alleen maar financiŽle argumenten. Voor ons is de leidraad: de billijkheid. Wat bedoelen wij met een index? De doelstelling van het indexeringsmechanisme is in het algemeen het geven van garantie voor gelijke inkomensontwikkelingen van bepaalde groepen die met elkaar worden vergeleken. De meerderheid van de Sociaal-Economische Raad kwam indertijd tot de conclusie dat ook met die doelstelling van het indexeringsmechanisme op de achtergrond het billijk was, niet over te gaan tot het opnemen in de index van de toeslagverwerking van de bouw-CAO, die toen aan de orde was. Want, zo betoogde de meerderheid van de SER, deze toeslagen dateren van voor de inwerkingtreding van de wettelijke regeling van het minimumloon. Als deze toeslagen direct na de in-voering wel in de index waren opgenomen en dus een index van werkelijk verdiende lonen was gehanteerd -ik kom daarop nog terug, want wij zijn daarvan voorstander-, dan was het minimumloon, dat pas in 1969 werd ingevoerd, daardoor niet beÔnvloed.

De heer De Korte (VVD): Als die toeslag opeen bepaald momentver in het verleden -wordt ingevoerd, dan is dat ťťn ding. Als vervolgens die toeslag in de loop der jaren wordt uitgebreid en er dus meer wordt verleend, dan is dat een tweede. Veel van deze toeslagen zijn recentelijk nog uitgebreid. U kunt dus niet vasthouden aan het verhaal dat het eens in het verleden is in-gevoerd. De toeslagen zijn juist uitgebreid!

De heer Nypels (D'66): Ik kom er straks op terug; in principe hebt u gelijk. Op het moment van verwerking van de bouwtoeslagen in de CAO ontvingen de bouwvakkers in feite geen loonsverhoging en veranderde hun werkelijk verdiende loon dus niet. Dat is op zichzelf een argument; dat is juist, maar niet voldoende. Ik heb dat zoeven aangetoond. Dezelfde redenering die geldt voor de verwerking van de bouwtoeslagen ten aanzien van de index van het mini-mumloon, geldt ook voor de sociale uitkeringen in het algemeen. Dezelfde redenering, zo stelde de meerderheid van de SER indertijd in het advies vast, geldt voor de individuele sociale uitkeringen waarvan het merendeel een nog recentere ingangsdatum heeft dan het minimumloon. Er bestaat ook een zijlijn naar de ambtenarensalarissen omdat deze op dit punt gelijk werden behandeld. Wij hebben al verschillende keren bij voorgaande debatten opgemerkt, dat de gevolgde trendmethodiek voor hen gunstig is, zodat er op die grond geen reden is, af te wijken van de gedachte om de toeslagverwerking van de bouw-CAO buiten de index te houden. Daarbij komt, dat de ambtenaren in het midden van de jaren zestig, juist vanwege de invoering van de bouwtoeslag van 1964 in hun salarissen een, zij het niet volledige, compensatie hebben ontvangen bij de zogenaamde Toxopeusronden. Voor de ambtenaren zal ook wat mij betreft een verrekening kunnen plaatshebben aan het einde van de pakketvergelijking, als dat nodig blijkt te zijn. Dan moeten wij bekijken of het uiteindelijke effect een al dan niet gunstig resultaat heeft gekregen voor de groepen die daarop recht hebben. Ik kom nu toe aan het punt dat de heer De Korte in zijn eerste bijdrage heeft genoemd en dat hij zoeven ook via een interruptie heeft aangesneden, namelijk wat wij met die toeslagen in het algemeen moeten doen. Het is uiteraard niet juist, iedere keer weer incidenteel met wetjes te komen, zoals al door meer sprekers is betoogd. Wij moeten trachten tot een betere regeling te komen. De eerste vraag luidt dan, of het mogelijk is, tot een algemene afspraak te komen over de toeslagverwerking. Mijn antwoord is, dat dit niet kan, omdat een deel van de toeslagen al heel lang bestaat, zelfs voordat bepaalde indexeringsmechanismen van bepaal-de wetten op gang zijn gebracht. Voor zover dat het geval is, behoeven wij er niet over te discussiŽren. Dat gedeelte behoort op dit moment buiten de in-dexverwerking te blijven, omdat, als je zou uitgaan van de werkelijk verdiende lonen, die ook erbuiten zouden zijn gebleven. De zaak is moeilijker. De heer De Korte wees daar al op. Voor een deel zijn reeds bestaande toeslagen verhoogd, nadat het indexeringsmechanisme in werking is getreden, terwijl er bovendien nieuwe bijkomen. De nota naar aanleiding van het eindverslag verwijst naar de nieuwe toeslagen die ontstaan, onder andere voor vuil en onaangenaam werk. Het is onbillijk deze toeslagen in de toekomst in principe buiten de regeling te houden. Daar is, zoals onder andere de PSP en de Minister naar voren hebben gebracht, in feite sprake van het inhalen van een achterstand. Op het ogenblik dat de toeslag wordt ingevoerd of verhoogd wordt hij niet in de index opgenomen, later bij verwerking in het regelingsloon wel. Over dit effect is nauwelijks discussie mogelijk. Iets volstrekt anders is -dat vergt een geheel andere discussie -of je de consequenties aanvaardt van de aanwezigheid van een goede index. Dat vergt een politiek besluit dat apart moet worden genomen. Ik ben van mening dat wij van een indexeringsmechanisme zo min mogelijk moeten afwijken met politieke besluiten. Zoiets moet je pas doen als er iets heel bijzonders aan de hand is. Vandaag is dat voor mij het geval. Maar ik ben dan ook zeer gelukkig met de toezegging van de Minister in de nota naar aanleiding van Tweede Kamer 10 december 1981

het eindverslag, na te gaan, ofschoon zijn voorganger het heeft geprobeerd en tot een afwijkende conclusie kwam, of een wijziging van het indexeringsmechanisme mogelijk is en of wij geen stap kunnen zetten in de richting van de werkelijk verdiende lonen. De problemen vloeien juist voort uit het feit, dat op het ogenblik geen werkelijk verdien-de lonen als uitgangspunt worden genomen. Dan krijg je te maken met na-ijlingseffecten. Men krijgt dan zeer ongewenste effecten doordat het hele loonpatroon kan worden verstoord. Dit zien wij ook aan het koopkrachteffect. Een groep van werknemers kan op het ene moment ook in de toeslagen een compensatie krijgen om het loon wat koopkracht betreft op peil te houden en op het andere moment, enkele jaren later, werkt dat via de regelingslonen op andere inkomensgroepen door. Dat geeft verstoringen van het algemene inkomensbeleid en daarvan moeten wij af. Het is ontzettend moeilijk en ik ben niet ongevoelig voor de technische argumenten die zijn aangevoerd. Waarschijnlijk zulllen wij naar een iets globalere wijze van berekening van in-dexen toe moeten, maar wel dichter bij de werkelijkheid van de verdiende lonen moeten komen. Dit is geen geringe opgave. Ik vind dat wij dan wel iets moeten doen met een soort voorindexering.

De heer De Korte (VVD): Wat maakt dat nu uit of men de verdiende lonen volgt of gebruik maakt van de regelingslonenindex en later op een gegeven moment een aanpassing aanbrengt? Een toeslag is toch ook een verdiend loon? Dat zit er toch in? An-ders moet u een verschil maken tussen toeslag en verdiend loon.

De heer Nypels (D'66): De toeslag zit nu niet in de regelingslonen.

De heer De Korte (VVD): Maar wat maakt het nu uit of men regelt aan de hand van de verdiende lonen of aan de hand van de regelingslonenindex met een aanpassing op het moment dat zij verwerkt worden in de schaallonen?

De heer Poppe (PvdA): Dat zien wij nu!

De heer Nypels (D'66): Maar, dat weet u toch mijnheer de Korte!

De heer De Korte (VVD): Het maakt niets uit, want een bouwvakker die een aantal jaren geleden een toeslag kreeg en dus...

De heer Nypels (D'66): Toen werd dus zijn verdiend loon verhoogd!

De heer De Korte (VVD): Ja, precies! Wanneer u dus een index maakt op basis van verdiende lonen, krijgt u een index op het punt van zijn werkelijk verdiende loon, inclusief toeslag. Het regelmatig uitsmeren van dat verdien-de loon krijgt u dan naar dat koppelingsmechanisme toe. Het maakt echter niets uit, want de collectieve uitgaven worden er evenzeer mee verhoogd en daarom gaat het. Dat is toch de reden waarom het kabinet met dit wetsontwerp komt: het kan het niet betalen. Dit beweer ik voortdurend. En het maakt niets uit of u de verdiende lonen volgt of gebruik maakt van de regelingslonenindex.

De heer Nypels (D'66): Ook de vorige keer heb ik bezwaar gemaakt tegen die redenering. De fractie van D'66 is niet alleen op financiŽle gronden akkoord gegaan met de vorige eliminering uit de index van die toeslagverwerking. Het omgekeerde was het geval. Wij hebben gezegd dat de billijkheidsgronden voor ons beslissend zijn. Ik herhaal dat wij ons daarom op die gronden bij de meerderheid van de SER hebben aangesloten, die zei dat er ook minder aanleiding is dat te doen, omdat het hier gaat om een verwerking van toeslagen die er in feite al waren voordat het in-dexmechanisme, met name voor het minimumloon, werd ingevoerd. Dat heb ik gezegd. Ik zeg nu echter dat het voor ons -dat is de duidelijke conclusie -steeds moeilijker wordt deze redenering bij volgende toeslagverwerkingen vol te houden. Dat willen wij dan ook niet, omdat het behoort te gaan om een behoorlijke registratie van de echte lonen en hun ontwikkeling. Ik verwerp de suggestie, die de heer De Korte in eerste termijn deed, om in het algemeen de toeslagen eruit te halen. Dat is onjuist. Je laat dan in de hele ontwikkeling een deel van wat mensen verdienen buiten beschouwing. Daar is het mechanisme niet voor. Op langere termijn gezien, kunnen wij dat niet aanvaarden. Het argument met betrekking tot de bestaande toeslagen op het moment van invoering van het indexmechanisme wordt zwakker. Er worden steeds meer toeslagen op andere gronden ingevoerd, die wij gewoon in de berekening mee moeten nemen. Dat is namelijk wat iemand verdient.

De heer De Korte (VVD): Als consequentie krijg je dan, dat de collectieve uitgaven met f 2,3 miljard omhoog gaan.

De heer Nypels (D'66): In de toekomst zou dat een gevolg kunnen zijn. Het is dan echter een gevolg van wat bedoeld was met de invoering van een indexmechanisme. Bij de vorige toeslagverwerking in de bouw-CAO hadden wij daar twijfel over. Daarom was er wat ons betreft geen bezwaar tegen het buiten beschouwing laten.

De heer De Korte (VVD): Dan moet de heer Nypels tegen dit wetsontwerp stemmen!

De heer Nypels (D'66): Ik herhaal dat wij er op dit moment mee akkoord gaan. Het wordt nu even lastig! Ik dacht dat de heer De Korte toch echt wel goed genoeg kon luisteren om precieste weten wat onze argumentatie en standpunten zijn in dezen. Dat moet hij dan niet nog eens driemaal per interruptie vragen. Ik heb aangegeven dat de argumentatie, die wij de vorige keren hebben aanvaard ook nu aanvaardbaar is, omdat wij dat billijk vinden met de bedoeling, niet de letter of de regel, van het indexmechanisme op de achtergrond. Ten opzichte van nieuwere toeslagen kan de aanvaardbaarheid echter op een gegeven ogenblik ophouden. Dat is, naar ik meen, heel duidelijk. Als dat niet het geval is, kan de heer De Korte alles nog eens rustig nalezen. Ik denk dat andere toehoorders precies weten wat wij bedoelen.

De heer Bakker (CPN): Niet overdrijven!

De heer Nypels (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot de wijzigingen van de Wet op de Loonvorming. Wij hebben een voorkeur voor een democratische beheersing van lonen en salarissen, in nauwe samenspraak met het bedrijfsleven. De Regering dient daartoe in overleg te treden met het georganiseerde bedrijfsleven, ten ein-de gezamenlijk te komen tot wat wij 'een sociaal contract' noemen. In zo'n contract moeten afspraken worden gemaakt over de in alle opzichten gewenste ontwikkeling van de inkomens en de prijzen, de realisering van investeringen, en een arbeidsplaatsenbeleid, waaronder het scheppen van deeltijdbanen en een beleid gericht op arbeidstijdverkorting bij overheid en bedrijfsleven. Pas als de onmogelijkheid van het afsluiten van een sociaal contract klaarblijkelijk is, zal de Regering gerechtigd zijn zelfstandig in de inkomensontwikkeling bij het bedrijfsleven in te grijpen. De fractie van D'66 staat daarbij op het standpunt dat, als er sprake is van een ingreep door middel van een loonmaatregel, men tevens, ik zou bijna zeggen, van de nood een deugd moet maken door deze ook te Tweede Kamer 10 december 1981

hanteren als een instrument bij het voeren van een inkomensbeleid. Als wij dat doen, is al een aanzet gegeven tot de stellingname, wat de Wet op de Loonvorming betreft, inzake het belangrijkste punt van verschil in opvatting-en van de fracties. Ik denk daarbij aan het al of niet gewenst zijn van een differentiatiemogelijkheid bij een eventuele looningreep. In het voorlopig verslag hebben wij al laten blijken dat wij het niet verstandig vinden om de mogelijkheid onbenut te laten, die op dit moment aanwezig is voor een differentiatie, dat is: het maken van onderscheid in de loonmaatregel, indien die onverhoopt noodzakelijk blijkt te zijn; de voortekenen zijn bijzonder somber. Waarom vinden wij dat gewenst? Allereerst om het uit inkomenspolitieke overwegingen mogelijk te maken niet alleen te differentiŽren naar loonniveau, zoals de Regering op dit moment voorstelt, maar ook om te kunnen komen tot een betere beloning van zwaar en onaangenaam werk en om groepen, die een duidelijk aantoonbare achterstand bezitten een relatief betere beloning te kunnen geven. Dat is een algemeen uitgangspunt. Er is nog een technisch punt en daarover zou ik ook graag de mening van de Minister horen, omdat dat technische punt door de voorganger van deze Minister, minister Albeda, indertijd naar voren is gebracht. Hij heeft toen betoogd dat het wenselijk wordt een differentiatiemogelijkheid in te bouwen bij een eventuele loonmaatregel, omdat differentiatie noodzakelijk zou kunnen zijn om te bereiken dat een eventuele maatregel, gegeven de verschillen in de systematiek van de verschillende arbeidsovereenkomsten, zo billijk mogelijk kan worden toegepast voor de betrokken werknemers. Ik vertaal dat zo -ik heb dat indertijd ook zo gedaan -dat om een ongeveer gelijksoortig effect te verkrijgen in de verschillende CAO's de differentiatiemogelijkheid moet bestaan omdat de systematiek van de ca.o.'s zo verschillend is. Dat is op zichzelf toch ook een belangrijk argument. Het verbaast mij dat op dit moment ook nu weer het verbond van de twee fracties VVD en Partij van de Arbeid is ontstaan. Waarom? Hun conclusie over de tekst van de wet is hetzelfde, maar hun argumentatie is totaal verschillend. Daarom heb ik indertijd al eens gesproken van een monsterverbond. De VVD wil in feite nauwelijks iets, althans zeer beperkt, aan in-komenspolitiek doen. Daarom willen zij de mogelijkheid die er op dit moment in de wet zit voor een differentiatie bij looningrepen ogenblikkelijk verwijderen. Voor de fractie van de Partij van de Arbeid ligt dat natuurlijk totaal anders. Inkomenspolitiek is al jarenlang, misschien zelfs eeuwenlang -voor zover dat mogelijk is -hun uitgangspunt. Dat de overheid daarin een actieve rol moet kunnen spelen is van hun kant al vele malen naar voren gebracht. Vandaar dat ik nog steeds niet begrijp dat zij ook dit instrument, een van de belangrijke instrumenten die nodig kunnen zijn, van zich weg werpen.

De heer Poppe (PvdA): Heeft de heer Nypels nu werkelijk geen gevoel voor onze opinie dat het ongewenst is de verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de vakbeweging te beperken als het gaat om het toepassen van de algemene richtlijnen op de situatie in afzonderlijke bedrijfstakken?

De heer Nypels (D'66): Ik begrijp dat heel goed. Je moet echter altijd onderscheid maken tussen de inhoud van een bepaalde wet, in dit geval tussen de bevoegdheden die men aan een Regering geeft en de mate waarin daar-van gebruik gemaakt gaat worden. De meeste wetten in ons land zijn bedoeld om in te grijpen als er iets fout gaat, als er geschillen ontstaan, in dit geval als er geen behoorlijke overeenstemming tussen de sociale partners ontstaat waardoor een werkbaar resultaat mogelijk is, verantwoord in het economisch beleid dat moet worden gevoerd. Voor zulke slechte omstandigheden maak je een wet. Bij dit soort dingen hoop je altijd dat je er geen of slechts weinig gebruik van behoeft te maken. Dat onderscheid moet ook de heer Poppe maken.

De heer Poppe (PvdA): Ik vind dat de heer Nypels te weinig aandacht besteedt aan de noodzaak dat de vakbeweging per onderneming een deel van zijn vrijheid behoudt, anders kan er in feite geen vakbeweging meer functioneren.

De heer Nypels (D'66): Ik ga ervan uit dat bij een centraal akkoord -dat is veel uitgebreider dan een sociaal contract -de centrale organisaties de vrijheid hebben in dat akkoord hun zaken in te brengen en dat er daarnaast ook een redelijke mate van vrijheid bestaat voor de uitwerking in c.a.o.-verband per bedrijfstak of onderneming. Dat hoeft elkaar niet te bijten, integendeel, dat vult elkaar aan. Wel wil ik een relativering aanbrengen in de tegenstellingen die eigenlijk al voor de derde maal tussen fracties onderling en tussen fracties en Regering op dit moment aan het ontstaan zijn. Toen de laatste keer bij de verlenging van de Wet op de Loonvorming het onderdeel van de differentiatiemogelijkheid met pijn, mede gesteund door de VVD, werd ingevoerd, is al binnen en buiten de Kamer gezegd, dit is een nieuwe vorm van het oude artikel 8 van de Loonwet: ingreep in afzonderlijke ca.o.'s. Dat was toen al niet zonder meer de bedoeling. Wie op dit moment zorgvuldig de nota naar aanleiding van het verslag leest, vindt een tweetal passages waarin uitdrukkelijk wordt aangegeven, dat nooit bedoeld is de mogelijkheid te openen voor een geÔsoleer-de ingreep in een afzonderlijke ca.o. Er staat namelijk: Het ging ook uitdrukkelijk niet om een zelfstandige bevoegdheid om per bedrijfstak in te grijpen, maar alleen om een mogelijkheid om in het kader van een reeds tot stand gebrachte en landelijk werkende maatregel, voor een bepaalde bedrijfstak aanvullende regelen te kunnen stellen. Het vervallen van de mogelijkheid tot bedrijfstaksgewijze ingrepen betekent dus slechts -zo staat er verder -dat het niet meer mogelijk zal zijn, in het kader van een landelijk werkende beperkte loonmaatregel, aanvullend per bedrijfstak meer algemene maatregelen te treffen. Het is dus niet zwartwit. Het gaat niet om helemaal geÔsoleerd ingrijpen of niet. Via de nu nog tot en met 31 december geldende wet is toch al een in-bedding in een algemeen geldende maatregelen bedoeld. Wij blijven overigens bezwaren hebben tegen het gedeeltelijk schrappen van bestaande bevoegdheden ter zake, ook al weten wij uit de voorgestelde tekst van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat er wel een vorm van differentiatie mogelijk gemaakt zal worden, omdat hierin een differentiatie naar inkomensniveau wordt vermeld. Enige differentiatie blijft dus mogelijk, hetgeen wij wel wenselijk vinden, doch niet voldoende. Wij vinden het essentieel, dat in een landelijk werkende loonmaatregel de mogelijkheid moet bestaan om, toegespitst op bijzondere omstandigheden, in een bepaalde ca.o. eventueel voor bepaalde groepen van werknemers met achterstandssituaties tot een differentiatie te komen. De heer Bakker (CPN): U hebt dat amendement samen met de heer Weijers ondertekend. U geeft nu wel een totaal andere uitleg dan de heer Weijers zojuist heeft gegeven aan dat Tweede Kamer 10 december 1981

amendement. De heer Gerritse zit ook nadrukkelijk 'ja' te knikken.

De heer Nypels (D'66)undefined: Voor zover dat het geval is, is het voor de derde keer. Dit standpunt hebben wij namelijk ook bij de vorige debatten naar voren gebracht.

De heer Bakker (CPN): Dat doet er verder helemaal niet toe. U stelt een bepaalde wetswijziging voor via amendering; het is dan natuurlijk wel van belang te weten wat die wetswijziging betekent. U hebt waarschijnlijk ook naar de heer Weijers geluisterd. Die had een heel verhaal, dat als er in boerenkoolstronkenradeel een CAO tot stand zou komen die eigenlijk overal uitsprong, je daar dan moest kunnen ingrijpen en dat daarvoor het middel van een algemene loonmaatregel veel te grof was. De heer Weijers zegt dus, ingrijpen in een ca.o. omdat een algemeen ingrijpen te grof is. U houdt hier een totaal ander verhaal, dat weet u ook.

De heer Nypels (D'66): In het geval wat u bedoelt, zal het automatisch betekenen dat ingreep in zo'n ca.o. veel sterker en veel omvangrijker is, omdat daar een veel aanzienlijkere loonstijging wordt voorzien; dit kan grote bezwaren opleveren voor het beleid dat gevoerd wordt.

De heer Bakker (CPN): Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom, dat de heer Weijers, eerste ondertekenaar van dit amendement, een totaal andere uitleg geeft, terwijl u als tweede ondertekenaar

De heer Nypels (D'66): U kuntmisschien wijzen op een andere motivering, doch het amendement is hetzelf-de gebleven.

De heer Bakker (CPN): Neen, er wordt een andere uitleg gegeven. Er moet in ťťn speciale ca.o. ingegrepen kunnen worden. Juist het middel van de algemene looningreep is daar te grof voor de heer Weijers. De heer Nypels zegt echte', dat er alleen sprake is van een differentiatie binnen een algemene in-greep. Dat zijn twee totaal verschillen-de dingen. Misschien kan nog iemand het amendement ondertekenen, om er een algemene opvatting over te geven. Het is echter wel zonderling als de Kamer een amendement voorgelegd krijgt waarmee men twee totaal verschillende bedoelingen blijkt te hebben.

De heer Nypels (D'66): Het is natuurlijk altijd mogelijk dat de motieven voor bepaalde wettelijke maatregelen verschillend zijn.

De heer Bakker (CPN): Het gaat niet om de motieven. Daarin kunnen verschillen bestaan. Dat blijkt vaak genoeg, bij stemmingen over moties enz. Er is echter verschil in de inhoud als de heer Weijers zegt, dat een algemene maatregel te grof is en je voor een ca.o. een ingreep moet doen of, zoals de heer Nypels zegt, een algemene loonmaatregel wordt gedifferentieerd voor bepaalde ca.o.'s. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. De Kamer, misschien zelfs de Regering, heeft er recht op, te weten wat nu precies de inhoud van het amendement is. De heer Nypels knikt; de heer Weijers knikt. Laten wij nog maar een poosje blijven knikken!

De heer Nypels (D'66): Ik ga uit van de preventieve werking.

De heer Bakker (CPN): Op dat punt zijn de betogen van de heren Weijers en Nypels gelijk. De vraag is waarvůůr de werking preventiefis.

De Voorzitter: Wij krijgen nog een artikelsgewijze behandeling.

Mevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil het nog moeilijker maken. Wij hebben de vorige keer voor de toevoeging gestemd, omdat de Minister van Sociale Zaken toen uitdrukkelijk heeft gezegd, dat het er alleen om ging groepen werknemers in achterstandsituaties extra te kunnen steunen. Onze bedoeling is nu dus expliciet in de huidige tekst verwerkt. Dat is een prima tekst!

De heer Nypels (D'66): Dat moet ik recht zetten. Anders zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat misschien doen. De huidige tekst maakt het mogelijk dat verschillen per inkomen worden aangebracht. Gaat het echter om groepen in achterstandsituaties, dan kunnen die met de huidige tekst niet worden geholpen. Men kan dat nalezen in de nota naar aanleiding van het verslag. De heerPoppe (PvdA): Is dat dan een achterstand ten aanzien van iets anders dan het inkomensniveau? De heer Nypels (D'66): Ook binnen een ca.o. moet het mogelijk zijn, een bepaalde groep ergens uit te lichten om het mogelijk te maken dat zij minder getroffen, dus relatief beter beloond, wordt dan verschillende andere groepen collega's. De tekst laat dat niet toe.

De heer Willems (PSP): Is het dan niet veel logischer helemaal niet zo'n loonwet in het leven te roepen? De minima zullen dan vanzelf wel worden beschermd.

De heer Nypels (D'66): Ik denk dat de heer Willems zelf het antwoord op deze vraag weet. Als de Regering het noodzakelijk vindt, in het beleid tot een maatregel te komen, moeten wij er zoveel mogelijk voor zorgen dat er een behoorlijk inkomenspolitiek plaatje ontstaat. Dat begrijpt de heer Willems natuurlijk ook wel. Mijnheer de Voorzitter! Voor ons is van zeer grote betekenis dat overal voor een behoorlijk werkgelegenheidsoverleg in de ondernemingen wordt gezorgd, als er sprake zou zijn van een loonmaatregel. Ik heb al gezegd dat de voortekenen vooral sinds gisteren bijzonder somber zijn geworden. Een versterking van de positie van de ondernemingsraad bij dit overleg is zeker gewenst. Het is te betreuren dat er ook vanuit het bedrijfsleven nog onvoldoende voorstellen zijn gedaan om tot een behoorlijke regeling te komen. Ik vat mijn betoog samen. Wij sternmen in met het voorstel, de toeslagverwerking in de bouwca.o. buiten de index voor minimumloon, sociale uitkeringen en ambtenarensalarissen te laten. Een herziening van de afspraken zal, juist in verband met nieuwe, recente toeslagen voor verschillende elementen, nodig zijn, in de richting van de werkelijk verdiende lonen. Die moeten het uitgangspunt vormen. Wat betreft de bevoegdheden van de Regering bij een eventuele loonmaatregel blijven wij erop aandringen dat de mogelijkheid wordt gehandhaafd onderscheid te maken tussen niet alleen de inkomensniveaus maar ook tussen bepaalde groepen werknemers om op die manierte kunnen komen tot een betere beloning van vuil en onaangenaam werk en ook voor groepen in achterstandsituaties.

©

M. (Meindert)  LeerlingDe heer Leerling (RPF): Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie wil zich in dit debat beperken tot het maken van enkele korte opmerkingen over wetsontwerp 17202. Daarin wordt artikel 10 van de Wet op de loonvorming aan de orde gesteld. Dit artikel heeft al heel wat stof doen opwaaien. De Regering vraagt een verlenging van 1 jaar van de wettelijke mogelijkheid, in uiterste noodzaak een loonmaatregel uitte vaardigen. Zij stelt daarnaast voor, de bedrijfstaksgewijze looningreep onmogelijk te maken. Mijnheer de Voorzitter! De combinatie van een lange kabinetsformatie en een naderend einde van een kalenderjaar komen weloverwogen beleidsvorming niet ten goede. Dat hebben wij tijdens de schriftelijke voorbereiding al Tweede Kamer 10 december 1981

gesignaleerd en de Regering heeft dit onderstreept. Overigens wil ik toch mijn dank uitspreken voor de correcte beantwoording van de door ons gestelde vragen. Haastige spoed is echter zelden goed, want na twee avonden vergaderen was het al snel duidelijk dat Regering, werkgevers en werknemers niet tot overeenstemming konden komen over het arbeidsvoorwaardenbeleid voor 1982. Is de Minister van mening dat dit wetsontwerp van invloed is geweest op het overleg tussen de sociale partners? Het wetsontwerp is nu wel heel actueel geworden. Bij de schriftelijke voorbereiding hebben wij al laten blijken niet erg gelukkig te zijn met het voornemen van de Regering mogelijke looningrepen alleen nog te differentieren naar inkomenshoogte. Mijn fractie heeft geen overwegende bezwaren tegen de mogelijkheid dat de overheid in arbeidsovereenkomsten kan ingrijpen. Het algemeen belang kan dit ten slotte vereisen. Dit neemt echter niet weg dat een ongenuanceerde centrale looningreep, die geen rekening houdt met regionale verschillen en verschillen tussen ondernemingen en zelfs individuele verschillen, slechts bij hoge uitzondering in overeenstemming kan zijn met het algemeen belang. Wij hebben dan ook gesignaleerd dat de centralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg ernstige gebreken vertoont. Tijdens de afgelopen dagen is dat nog weer eens gebleken. Wij hebben de Regering daarom in overweging gegeven het overleg over de arbeidsvoorwaarden terug te brengen naar de onderneming omdat daar de echte verantwoordelijkheden liggen, zowel van werkgevers als van werknemers. Hoe kunnen zij zich verantwoordelijk voelen voor een door hen afgesloten arbeidsovereenkomst als die overeenkomst grotendeels gedicteerd is door de uitkomst van het centrale overleg in Den Haag? Wanneer de binnen de onderneming afgesloten arbeidsovereenkomst toch in strijd is met het algemeen belang, kan alsnog worden ingegrepen, maar dan wel op een veel minder rigoureuze wijze. Het argument van de Minister, dat dit een vrij gedetailleerde overheidsbemoeienis met afzonderlijke ondernemingen inhoudt, heeft ons nog niet overtuigd. Er kan immers controle plaatsvinden naar analogie van de Wet op het minimumloon en de minimumvakantiebijslag. Graag hoor ik hierover de opvatting van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tijdens de schriftelijke voorbereiding van dit wetsontwerp is veel gesproken over de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners. Het is de overtuiging van mijn fractie dat een beperking van de verantwoordelijkheid tot een aantal in Den Haag vergaderende partijen tekort doet aan de eigen verantwoordelijkheid op dit terrein van de individuele werkgever en werknemer. Hiermee heb ik in kort bestek het overwegende bezwaar van mijn fractie tegen dit wetsontwerp aangegeven.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.55 uur tot 14.30 uur geschorst.

©

De Voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik ook voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het ein-de van deze vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd. Het Presidium heeft met eenparigheid van stemmen besloten te stellen in handen van: a. de vaste Commissie voor Justitie: wetsontwerp Vaststelling van titel 7.3. (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (17213); b. de vaste Commissie voor Onderwijs en Wetenschappen: wetsontwerp Wijziging van beroepsbepalingen in een aantal onderwijswetten in verband met uitbreiding van de werking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen(17201); c. de vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat: wetsontwerp Overbrenging in beheer en onderhoud bij de gemeente Rotterdam van de Hartelmond en de Grote Hartelsluis met bijkomende werken(17194); d. de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid: wetsontwerp Verlenging en wijziging van de Wet op de niet-c.a.o.-inkomens (Stb. 1980, 712) (17216); e. de vaste Commissie voor Volksgezondheid: Regeringsstandpunt inzake een aantal vraagstukken betreffende de psychotherapie(17217).

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.