Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (invoering recht op kinderbijslag over een beperkte periode voor werkloze schoolverlaters en voor daarmee gelijkgestelden) (17029). De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

L.S. (Louise)  GroenmanMevrouw Groenman (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Voor ons ligt een wetsontwerp tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet. Deze is een gevolg van de verlenging van de wachtperiode in de Beschikking RWW voor schoolverlaters die destijds naar het oordeel van de Regering noodzakelijk werd door de verdubbeling van de re-ferte-eis in de WW en de WWV. Door de wijziging van toen halen wij vandaag de Algemene Kinderbijslagwet van stal en introduceren daarin een werkloosheidscriterium: separatie in plaats van integratie van werkloosheidsregelingen; complicatie in plaats van vereenvoudiging van het sociale zekerheidsstelsel. In ieder geval is dit moeilijk te begrijpen voor de mensen om wie het gaat. Men zou de indruk gehad kunnen hebben dat deze maatregelen, samen met de verlaging van de minimumjeugdlonen, samenhingen met een beleid ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, maar het verband tussen die maatregelen en de werkgelegenheidspositie van jongeren is op z'n minst niet aantoonbaar. Mijn fractie heeft bij de verlenging van de wachtperiode voor RWW-uitkeringen aan schoolverlaters zich kritisch uitgelaten, met name waar het ging om de door ons niet begrepen analogie tussen de wachtperiode RWW (een uitkering gebaseerd op de ABW, en dus op de noodzakelijke bestaanskosten) en de wachtperiode van WW en WWV (gebaseerd op het aantal gewerkte dagen). Volgens mijn fractie ging het toen om minder appels voor de werkende jeugd en minder peren voor de helaas werkloze jeugd, maar de Kamer besliste in meerderheid dat de jeugd als zodanig minder fruit zou toekomen. Nu hebben we dank zij de motie-Hermsen, die ook wij gesteund hebben om de schade voor de gebruikers van deze wrange vruchten zoveel mogelijk te beperken, te maken met de AKW, die niet aan jongeren zelf, maar de ouders rechten geeft op een uitkering. De appel valt in dit geval dus terug naar de boom. Het invoeren van een werkloosheidscriterium in de AKW heeft ver gaande consequenties! Gelukkig kunnen we een herziening van het kinderbijslagstelsel tegemoet zien na uitbrenging van het eindadvies van de SER. Bovendien komt er, naar wij aannemen, een integratie van de werkloosheidsregelingen, waarover de SER nog zal adviseren. Als het recht op kinderbijslag conform de adviesaanvrage aan de SER in de toekomst alleen nog dient te gelden voor kinderen tot 18 jaar, en als bij de integratie van de werkloosheidsregelingen als uitgangspunt geldt dat schoolverlaters recht op uitkering krijgen ingevolge de te creŽren basisvoorziening (en beide uitgangspunten zijn door de Regering in de onderscheiden adviesaanvragen gekozen), dan moet dat nieuwe beleid het richtsnoer zijn. Deelt de Staatssecretaris de mening van mijn fractie dat het onjuist zou zijn de huidige maatregelen ten aanzien van schoolverlaters te laten prevaleren boven het te verwachten nieuwe beleid? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat de voorgenomen wijziging in de AKW opnieuw ter discussie komt als het om structurele beleidswijzigingen gaat naar aanleiding van de uitte brengen adviezen van de SER? Mijnheer de Voorzitter! Naast dit principiŽle punt betreffende het oneigenlijk element in de Algemene Kinderbijslagwet, zien wij als groot bezwaar van het voorliggend wetsontwerp, de beperking van de mogelijkheid van jongeren tot voortzetting van de financiŽle onafhankelijkheid in het geval van voortijdig stoppen van de studie of langdurige ziekte, waardoor de studietoelage komt te vervallen. Mogen wij afleiden uit de nota naar aanleiding van het eindverslag dat de Staatssecretaris aan de tendens tot grotere zelfstandigheid van jongeren niet zo zwaar tilt, net zo min als het feit dat ouders in zo'n situatie weer ex-tra belast worden? Is de Staatssecretaris niet te optimistisch in haar verwachting dat men

veelal in het gezin zal terugkeren als er sprake is van voortijdige studiebeŽindiging? Het lijkt wel of voor deze Staatssecretaris het gezin zo niet de hoeksteen dan toch het vluchthonk van de samenleving is. Het bevreemdt mijn fractie dat zo gemakkelijk gesproken wordt over het voorzien in het eigen onderhoud. Als je van plan bent te stoppen met de studie moet je je gewoon tijdig richten op het verwerven van eigen in-komsten, zo luidt het parool. Maar dat was toch juist het probleem, dat er niet genoeg banen zijn voor jongeren? Waarom praten we anders over werkloze schoolverlaters? Mijnheer de Voorzitter! De argumenten om niet tot een aanvullende uitkering te komen die het verschil kan overbruggen tussen de eerder genoten studietoelage en de nieuwe kinderbijslag aan de ouders, hebben mijn fractie geenszins overtuigd. De Regering stelt dat een dergelijke aanvulling inbreuk zou maken op de invoering van de wachtperiode in de RWW, gebaseerd op de onderhoudsplicht van de ouders. Juist tegen die onderhoudsplicht gedurende de wachtperiode en de verplichte terugkeer naar financiŽle afhankelijkheid van de ouders hebben wij bezwaar. Wij zouden dus zo'n in-breuk accepteren, en vermogen niet in te zien waarom die niet gemaakt kan worden. Dat de studietoelage een doeluitkering is, zijn wij met de Staatssecretaris eens. De doeluitkering is echter gericht op de kosten van de studie, en op de kosten van het levensonderhoud. Hoe denkt de Staatssecretaris te voorkomen dat studenten die stoppen met studeren, voor de vorm als student blijven ingeschreven staan, om maar in hun bestaanskosten te kunnen blijven voorzien, uiteraard met alle negatieve gevolgen voor de ruimte aan onderwijsplaatsen? Uit de onderwijswereld hebben ons berichten bereikt dat dit gevaar niet denkbeeldig is. Mijnheer de Voorzitter! Stelt u zich voor dat jongeren als ze voortijdig met de studie stoppen inderdaad teruggaan naar de ouders. De studietoelage is vervallen, op de RWW moet gewacht worden, dus alleen de AKW geldt. De RWW voor een thuis wonen-de jongere van 18 jaar zou per kwartaalf 1130 bedragen. De studietoelage, volgens het overzicht uit de nota naar aanleiding van het eindverslag 3 x f 875 = f 2625. De AKW is echter maar 3 x f 274 = f 822, als we aannemen dat het om een enig kind gaat. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat ouders, ter voorziening in de bestaanskosten van het kind, een beroep zouden doen op de Algemene Bijstandswet. Nog afgezien van de overige barriŤ-res die genomen moeten worden door jongeren die terug worden verwezen naar financiŽle afhankelijkheid, kunnen zich voor de ouders ook financiŽle problemen voordoen. Heeft de Staatssecretaris inzicht over de mogelijke omvang van dit extra beroep op de AI-gemene Bijstandswet en in de extra problemen die de Sociale Diensten zullen krijgen bij het aantonen van ontwrichte relaties? Deelt de Staatssecretaris de mening dat dit extra beroep, en de uit oogpunt van goed jeugdbeleid ongewenste beperking van de reeds gegroeide zelfstandigheid van jongeren, een inbreuk op de invoering van de wachttijd in de RWW, door middel van een compensatie voor studiestoppers, rechtvaardigt? Jongeren die zijn terugverwezen, meestal ook in geografische zin, naar hun ouders, en in een regio wonen met bij voorbeeld weinig werkgelegenheid, zullen niet de middelen hebben, om elders in het land te gaan wonen en van daaruit werk te zoeken. In tegenstelling tot de opmerkingen van de Staatssecretaris in haar nota naar aanleiding van het eindverslag, is mijn fractie van mening dat ťťn en ander wel degelijk een negatieve invloed heeft op de arbeidsmobiliteit, zoals wij ook reeds in ons eindverslag hebben uiteengezet. In het eindverslag hebben wij ook gevraagd wanneer de resultaten van het reeds geruime tijd geleden toegezegde budgetonderzoek onder jongeren verwacht mogen worden. Het antwoord van de Staatssecretaris geeft daar geen uitsluitsel over. Wij vragen het dus opnieuw. Het onderhavige wetsontwerp en de reeds eerder genomen maatregelen betreffende de inkomenspositie van jongeren, eerder door mij gememoreerd, brengen mijn fractie op de vraag of het niet zinvol zou zijn het in-komensbeleid voor jeugdigen eens in samenhang te beschouwen. Het komt ons voor dat er nogal wat niet gerechtvaardigde verschillen voorkomen, alleen al in de uitkeringssfeer. De tabel uit de nota naar aanleiding van het eindverslag, geeft daarin een duidelijk inzicht. Hoe staat de Staatssecretaris tegenover het formuleren van een adviesaanvrage aan de SER en de Raad voor het Jeugdbeleid, met in-schakeling van de lnterdepartementale Stuurgroep Jeugdbeleid, als meest geŽigend regeringsinstrument voor een gecoŲrdineerd jeugdbeleid?

Tot slot, moet mij van het hart dat mijn fractie moeite heeft met de vraag hoe het nog uit te leggen is aan jongeren en ouders waarom de cumulatieve beleidswijzigingen in het afgelopen jaar zijn getroffen, te meer waar bewindslieden en kamerleden zelf comfortabele rechtsposities hebben in pensioen-en wachtgeldregelingen. Buiten de algemene inkomensmaatregelen is die positie ongewijzigd gebleven. Bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken hoop ik hierop nog terug te komen.

©

B.J.M. (Ben)  HermsenDe heer Hermsen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding van de laatste opmerking van mevrouw Groenman voel ik de neiging nu maar vast te beginnen met de discussie. Ik zal mij echter beheersen en daarmee wachten tot die begrotingsbehandeling van Sociale Zaken, want over de rechtspositie en over de bijdrage die ook vanuit ons inkomensniveau wordt geleverd aan de oplossing van de huidige financieel-economische moeilijkheden verschillen wij blijkbaar nog wel wat van mening met D'66. Op de aanvaarding in februari/maart jl. door o.m. de toenmalige regeringspartijen en de fractie van D'66 van de voorstellen om ook middels een verdubbeling van de gewerkte dageneis in de Werkloosheidswet en de Wet werkloosheidsvoorziening een stuk bitter noodzakelijke besparing in de sociale zekerheidsuitgaven voor 1981 en volgende jaren aan te brengen, moest, naar de mening van onze f ractie, logisch aansluiten de doorwerking van die maatregel in de rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Daarover was de Kamer, zoals bleek bij het over dat beleidsvoornemen begin mei gevoerde mondeling overleg met de Staatssecretarissen van CRM en Sociale Zaken, gevolgd door een kort plenair debat op diezelfde dag -14 mei jl. -verdeeld. Niet verdeeld was zij echter over de noodzaak een compenserende maatregel te treffen tegelijk met de doorvoering van de verlaging van de RWW-normen voor jeugdigen voor de gezinnen van de minderjarige werkloze schoolverlaters die onevenredig zwaar dreigden te worden getroffen door deze maatregel. Wij hebben, het plan van de hand wijzend die compensatie te zoeken in wat wel genoemd werd een soort voorportaalregeling in de rijksgroepsregeling, gepleit voor een verlenging voor feitelijk de duur van de ingevoer-de wachtperiode van de kinderbijslagaanspraken die ouders en verzorgers nu reeds kunnen doen gelden tot en

met een korte periode na afsluiten van het schooljaar of de studies. Daardoor zou, wat via een toevoeging aan de rijksgroepsregeling niet mogelijk is, ook rekening kunnen worden gehouden met het feit, dat het bedrag aan kinderbijslag dat dreigt weg te vallen uit het gezinsinkomen verschilt naarmate de werkloze schoolverlater een hoger rangnummer heeft bij de berekening van de kinderbijslag of daarbij dubbel of driedubbel meetelt. De Kamer is ons daarbij door aanvaarding van de desbetreffende motie unaniem gevolgd. Het wetsontwerp, al heeft dat volgens sommigen wat lang op zich laten wachten, bevat de door de Kamer gevraagde voorziening. Wij waarderen het dat de bewindsvrouwe die thans de sociale verzekeringswetgeving in haar portefeuille heeft ook de verdediging van dit door haar voorganger voorbereide en door hem nog ingediende ontwerp hier verder met ons wil behandelen. Het woord verdedigen lijkt hier wat minder op zijn plaats, de gehele Kamer heeft erom gevraagd. Die late indiening heeft onrust gewekt, al kan ik mij niet helemaal aan de indruk onttrekken, dat die ook extra is opgepept door sommige lokale en regionale voortrekkers in jongerenorganisaties en actiegroepen uit verzettegen de regelingen zelve. Eťn en ander heeft immers, uitzonderingen daargelaten, pas vanaf 1 oktober gevolgen voor de betrokkenen. De inhoud van de beschikking werkloze schoolverlaters was in feite op 14 mei in het toen gehouden mondeling overleg al duidelijk, ook al verscheen de beschikking pas op 8 september. Dat was enkele weken voordat zij van kracht werd, enkele weken waarin ook de sociale diensten hiervan volledig op de hoogte waren. De inhoud van dit wetsontwerp was eveneens op 14 mei duidelijk. Gelet op de unanieme kameruitspraak behoef-de men niet te twijfelen aan totstandkoming van de compenserende maatregel. Toch heeft een nadere beschouwing van het wetsontwerp ook bij ons nog wel enkele vraagpunten opgeroepen, belangrijk genoeg om daarover een verkorte schriftelijke gedachtenwisseling ter voorbereiding van deze behandeling met de Staatssecretaris te voeren. Die heeft voor ons wel verhelderend gewerkt, maar nog niet alle problemen voldoende opgehelderd. Die problemen betreffen niet zozeer de werkloze schoolverlaters van het lager beroeps-en voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs. Globaal genomen zijn dat nog in gezinsverband levende jonge mensen. Uitzonderingen daar gelaten, ook al zijn die niet geheel te verwaarlozen, valt het schoolverlaten samen met het ein-de van het schooljaar, de aanvang van de zomervakantieperiode etc. Als zij-en hoe spijtig is het te moeten zeggen dat hun aantal op dit moment afschuwelijk groot is -werkloos blijven en zich binnen redelijke termijn, in dit geval voor 1 augustus, gemeld hebben bij het GAB als werkzoekende is er geen probleem. De kinderbijslagaanspraken lopen door tot 1 januari en de totale gezinsinkomsten waaruit ook hun levensonderhoud moet worden geregeld, ondergaan geen verandering. Anders is het met de groepen -ook een deel van de zojuist genoemde categorie valt daaronder -die geduren-de hun studie voor hun levensonderhoud, hetzij krachtens de bestaande regeling tegemoetkoming studiekosten voortgezet onderwijs, hetzij krachtens de studietoelageregeling voor het hbo en het universitair onderwijs een dikwijls niet gering, vaak zelfs zeer belangrijk bedrag ontvingen van overheidswege. Die bijdrage in het levensonderhoud, een belangrijk onderdeel van onze regelingen om het volgen van voortgezet onderwijs en daarna verder studeren mogelijk te maken, valt snel weg, niet alleen in die gevallen waarin men door welke reden dan ook de studie tijdelijk of blijvend tussentijds afbreekt, ook aan het einde van het schooljaar. Vooral voor hen, die hetzij omdat de plaats waar de betreffende school of opleiding gevolgd moest worden op enige afstand ligt, hetzij om andere oorbare, althans te respecteren redenen zich zelfstandig hebben gevestigd los van het bestaande gezinsverband, roept het inderdaad problemen op als zij nu niet zoals tot nu toe het geval was als minderjarige werkloze schoolverlaters vrij spoedig in aanmerking komen voor uitkering krachtens de RWW-regeling, maar daarop drie maanden langer moeten wachten. In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de Staatssecretaris weliswaar duidelijk aangegeven dat men die groep niet als een homogene groep kan beschouwen, maar dat zich daarbij meer verschillende situaties kunnen voordoen, ook situaties, waarin dat probleem vrijwel niet of althans niet zo zwaar weegt. Toch blijkt onzes inziens daaruit dat verwacht moet worden dat zich toch nogal wat probleemgevallen voordoen. Weliswaar geeft de Staatssecretaris daarbij aan dat er dan ook nog de Algemene Bijstandswet is, het bekende sluitstuk, het opvangnet. Maar ook wij zijn daar nog niet door gerustgesteld. Erkennend dat de situatie ons eenvoudig ertoe dwingt ook hier tot besparingen op de uitgaven te komen, dat dit zowel ouders/ verzorgers als de desbetreffende schoolgaanden en studerenden wel eens tot herbezinning mag brengen op de consequenties van het zelfstandig wonen, het losser maken van de verbindingen met het gezin, is onze vrees niet weggenomen dat zich wel eens een aantal schrijnende situaties kunnen gaan voordoen. Wil de Staatssecretaris ons nog eens uiteenzetten, waarom wij daarvoor niet al te bezorgd behoeven te zijn? Waarom zij het -ik neem aan dat zij naar aanleiding van het verslag over dit wetsontwerp overleg heeft gepleegd met haar ambtgenoot van CRM -niet noodzakelijk acht hier verdergaande compenserende maatregelen te treffen? Bij het zelf overwegen van mogelijkheden daartoe moest ik intussen wel tot de conclusie komen dat het hier een gecompliceerde en weerbarstige materie betreft. Ik zal dan ook gaarne beluisteren wat de na mij nog volgende sprekers daarover zullen gaan aanvoeren en naar het antwoord van de Staatssecretaris op dit punt zie ik met extra belangstelling uit. Voorkomen moet worden, dat stoppende studenten aanspraak krijgen op een belangrijk betere regeling dan de werkloze arbeiderszoon. Een tweede overigens pas gistera /ond door vertegenwoordigers van enige jongerenorganisaties aangedragen vraagpunt betreft de schoolverlaters die partieel leerplichtig zijn. Er kan toch geen misverstand over bestaan dat voor werkloze schoolverlaters die na het beŽindigen van de primaire volledige schoolse opleiding werkloos blijven, maar die zich in het kader van de partiŽle leerplicht melden voor het bekende parttime onderwijs de aanspraken op kinderbijslag totik neem maar de normale situatie -1 januari . blijven bestaan. Zij zijn immers, afgezien van de dagen waarop zij hun partiŽle leerplicht vervullen, mits blijkt dat zij ingeschreven zijn als werkzoekende bij het GAB voor de overige dagen beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Mijn derde en laatste moeilijkheid wat dit wetsontwerp betreft, ook na de schriftelijke gedachtenwisseling, betreft de werkloze minderjarige schoolverlaters van wie de ouder/verzorger grensarbeider in Duitsland is. Geldt het situaties waarin de ouder/verzor-

ger grensarbeider in BelgiŽ is, zo blijkt uit de informatie die ons in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven, dan is de situatie van betrokkenen redelijk vergelijkbaar met die waarin de ouders/verzorgers zowel hier wonen als werken. In de gezinnen van grensarbeiders die in Duitsland werken ligt het anders. Tot nu toe kreeg een schoolverlater in die situatie spoedig nadat de aanspraken op Duits Kindergeld eindigden, te weten per 1 oktober aanspraak op RWW-uitkering. Die aanspraak bestaat voortaan pas na zes maanden, als regel dus pas vanaf 1 januari. In deze gevallen kan geen aanspraak worden gemaakt op kinderbijslag naar Nederlands recht. Immers de sociale verzekeringswetgeving van het werkland is van toepassing en niet die van het woonland. Anders dan in het geval waarin de ouder/verzorger in BelgiŽ werkt, kent de Duitse wetgeving geen aanspraken op werklozenvoorzieningen voor de kinderen van Nederlandse grensarbeiders in Duitsland. Hier ligt een periode van drie maanden waarin geen enkele tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud voor de desbetreffende kinderen meer wordt genoten. Ik erken dat dit samenhangt met, in-herent is aan het grensarbeider in Duitsland zijn; iets wat wij overigens in tal van opzichten o.a. -en niet in de laatste plaats -ook vanuit het belangrijke werkgelegenheidsaspect zeer positief moeten benaderen. Indien in EG-verband de kinderbijslagwetgeving van het 'woonland' zou gaan prevaleren boven die van het 'werkland', zou zich vermoedelijk met betrekking tot deze groep werkloze schoolverlaters geen extraprobleem voordoen, zoals nu het geval is. Maar of wij daarop uitkomen en wanneer dat het geval zal zijn, is nog bepaald niet te voorzien. Misschien kan de Staatssecretaris hierop echter morgen meer zicht geven. Een oplossing voor dit probleem lijkt mij ook moeilijk te vinden via aanvulling van het voorliggende wetsvoorstel met betrekking tot de kinderbijslag. Wil de Staatssecretaris ons nog eens trachten duidelijk te maken waarom dit ook niet zou kunnen -anders dan voor die incidentele gevallen waarin op grond van het totale gezinsinkomen en gezinssamenstelling een beroep kan worden gedaan op toepassing van de bijstandwetvia een bij voorbeeld verkorte wachttijd in dit soort gevallen in de rijksgroepregeling? Daarbij teken ik dan wel aan dat het niet onze bedoeling is deze groep, die nu wel duidelijk tijdelijk in de problemen komt, daarmee juist in een voordeliger positie te brengen dan hun lotgenoten door aan hen een hogere uitkering-RWW toe te kennen in een periode waarin voor anderen alleen de lagere kinderbijslag wordt genoten. Dit wetsontwerp brengt -rekening houdend met de benarde situatie waarin wij financieel en sociaal-economisch zijn komen te verkeren -een gerechtvaardigde en ook zo billijk mogelijk verdeelde compensatie in die situatie waarin van vele ouders/verzorgers en daarmee van de desbetreffende kinderen uit hun gezin een te groot offer in de vorm van inkomstenderving wordt gevraagd. Het biedt geen oplossing voor het probleem dat ontstaat, in feite sinds 1 oktober al ontstaan is, in de gezinnen van grensarbeiders die in Duitsland werken en die een of meer werkloze schoolverlaters hebben, terwijl wij ons nog zorgen maken over de positie waarin een aantal studiestoppers als gevolg van het samenstel van maatregelen dat nu is genomen, kan komen te verkeren. Ook al zullen wij van harte onze stem aan dit wetsontwerp geven, toch hopen wij dat de Staatssecretaris zodanig op de door ons gemaakte opmerkingen en gestel-de vragen wil antwoorden dat wij in ieder geval iets lichter gaan tillen aan de problemen die er in dit verband nog blijken te zijn.

©

R.W. (Rudolf) de KorteDe heer De Korte (VVD): Mijnheer de Voorzitter! De verzwaring van de refer-te-eis in de WW en WWV naar 130 dagen is mede door onze steun eerder dit jaar bij wet gerealiseerd. Ook de analoge maatregel van een wachtperiode van een halfjaar bij het verkrijgen van een RWW-uitkering door werkloze schoolverlaters had onze steun. Ter overbrugging van de langere wachttijd en ter tegemoetkoming aan door de ouders te maken onderhoudskosten voor de kinderen stelde de Regering voor, de gemiddelde kinderbijslag in het kader van het Bijstandsbesluit Landelijke Normering uitte keren. Door aanneming van de motie-Hermsen, die aan dit wetsontwerp ten grondslag ligt en die ook door ons is ondersteund, werd echter voorzien in een uitbreiding van de Algemene Kinderbijslagwet, zodat minderjarige werkloze schoolverlaters daar gedurende de wachttijd recht op behielden.

Wij stemden voor die motie ondanks het nadeel dat daarmee de werkingssfeer van de Algemene Kinderbijslagwet werd uitgebreid met een werkloosheidscomponent. Voordeel is echter dat de grote gezinnen niet de onvoordelige effecten van een regeling binnen het BNL zouden ondervinden. In tijden van inkomensmatiging hebben gezinseenheden waarin meer leden van ťťn inkomen moeten leven het relatief het moeilijkst. Het voordeel voor de grotere gezinseenheden weegt voor ons zwaarder dan het nadeel met betrekking tot de letter van de wet. De regeling ter zake heeft onze in-stemming, onder andere omdat aan drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats constateer ik dat ook na de invoering van de langere wachttijd voor de RWW-uitkering aan werkloze schoolverlaters in knelpuntsituaties aan de ouders bijstand verleend zal worden, in verband met door hen te maken kosten voor zelfstandig wonen-de schoolverlaters. Wanneer de financiŽle middelen van de ouders en de minderjarigen ontoereikend blijken, blijft een uitkering krachtens de bijstandswet dus aanwezig. Als ik dat niet goed zie, dan hoor ik dat graag. Dit zal vooral voor ouders in de laagste inkomenscategorieŽn het geval zijn. Ik begrijp dat deze uitweg problematisch kan zijn bij een ontwrichte relatie met de ouders, maar -dat staat naar ik meen ook in de nota naar aanleiding van het verslag -door middel van de circulaire van 6 februari 1980 aan de gemeenten is een extra waarborg geboden op bijstandsverlening direct aan de minderjarige of de verzorger. Als het antwoord ten aanzien van een en ander bevestigend is, dan is dat een voldoende waarborg. Ik constateer dat bij beschikking van 23 september jl. de maatregel is getroffen, waardoor minderjarige werkloze schoolverlaters tijdens de wachtperiode medeverzekerd blijven voor de ziekenfondsverzekering. Op dit punt hebben wij gewezen tijdens de behandeling van het desbetreffende wetsontwerp. Ik constateer dat de Regering inmiddels aan een en ander heeft recht gedaan. Ik constateer voorts dat de als gevolg van deze maatregel optredende meerkosten aan kinderbijslag zullen worden gecompenseerd door een gelijke verhoging van de rijksbijdrage in het AKW-fonds. Daarmee is de last dus niet verschoven naar de werkgevers, die de AKW-premie betalen. Op basis van 30.000 schoolverlaters bedraagt de netto bezuiniging van verlenging van de RWW-wachttijd en invoering van de onderhavige maatregel circa 29 min. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt echter de vrees uitge-

sproken door de Staatsseccretaris dat het aantal werkloze schoolverlaters per 1 oktober 1981 de raming zal overtreffen. Wij hebben inmiddels deze datum gepasseerd. Is de nieuwe hoge raming thans bekend? Wat voor invloed zal die hebben op het netto bezuinigingsbedrag? Tot slot wil ik een opmerking maken over de ongelijkheid in rechten voor werkloze jongeren beneden de twintig jaar. Daarover hebben wij het al vaker gehad, maar uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt opnieuw overduidelijk die ongelijkheid. Een achttienjarige alleenstaande rechthebbende op een RWW-uitkering, die nog nooit heeft gewerkt, ontvangt f 739,44 per maand. Een achttienjarige rechthebbende op een WWV-uitkering, die al wel heeft gewerkt, ontvangt f 638,74, dat wil zeggen: meer dan f 100 per maand minder. Op de leeftijd van negentien jaar is dat verschil weliswaar minder, maar bedraagt altijd nog f 28 per maand. Leg degenen die al hebben gewerkt dit maar eens uit. Hoelang moeten wij nog met deze voor betrokkenen onbegrijpelijke en niette motiveren verschillen voortleven? Dat is een vraag aan de Staatssecretaris, maar ik begrijp dat het antwoord voor haar moeilijk is in haartegenwoordige positie. Zij schudt echter het hoofd, zodat ik het antwoord graag afwacht. Samenvattend heeft het wetsontwerp onze instemming gezien de voordelen die de nadelen overheersen, terwijl aan een drietal voor ons belangrijke voorwaarden is voldaan.

©

J.R. (Renť)  ToussaintDe heer Toussaint (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Op 14 mei jl. nam de Kamer met algemene stemmen de motie-Hermsen c.s. aan, waarin de Regering werd uitgenodigd de Algemene Kinderbijslagwet zodanig te wijzigen, dat voor minderjarige werkloze schoolverlaters gedurende de wachttijd aanspraak zou blijven bestaan op kinderbijslag. Dat was op de laatste kamerdag voor de verkiezingen een ingrijpende beslissing. Wie opgroeiende jongeren voor hun levensonderhoud afhankelijk maakt van kinderbijslag, die maakt hen afhankelijk-en in dit geval, veelal opnieuw afhankelijk -van de zogeheten verzorgende ouder. Dat betekent in onze wereld dat op de onafhankelijkheid van het ouderlijke huis, die jonge mensen terecht opeisen, letterlijk een zware wissel woi getrokken. Mijn fractie heeft op 14 mei toch vůůr de motie gestemd, omdat zij financieel in een belangrijk aantal gevallen gunstiger uitwerkt dan de aanvankelijk voorgestelde bijstandsuitkering ingevolge het Bijstandsbesluit landelijke normering. En het behoeft geen betoog, dat de hoogte van de financiŽle tegemoetkoming juist in het geval van de uitkeringen voor jongeren vitaal is. Mijn fractie heeft dit bij de afweging dan ook de doorslag laten geven, daarbij beseffend dat er ook volgens de thans voorgestelde regeling in veel gevallen nog van een daling in uitkeringen sprake zal zijn. Uit een oogpunt van wetgeving zal dit wetsontwerp geen schoonheidsprijs kunnen verwerven. Nauwelijks is de Algemene Kinderbijslagwet op een nieuwe leest geschoeid, of dit wetsontwerp vereist een aanpassing van de schoen. Dat is de consequentie van de beslissing, die de Kamer heeft genomen. Maar dat laatste neemt natuurlijk in genen dele weg, dat we zorgvuldig moeten bekijken, of het wetsontwerp niet tot nieuwe ongerechtigheden kan leiden. In de schriftelijke voorbereiding hebben wij in dit verband mŤt andere fracties aandacht besteed aan de positie van uitwonende minderjarigen, die een studietoelage kregen, en op het ogenblik waarop zij hun studie beŽindigen te maken hebben met vaak zware vaste lasten. Dat wil zeggen: de studietoelage houdt op, maar die lasten lopen door, en het bedrag aan kinderbijslag dat in de plaats van dat van de studietoelage komt, zal dikwijls veel kleiner zijn. Het toekennen van een RWW-uitkering, aanvullend op de kinderbijslag, na de beŽindiging van de studie, om het gat aan te vullen, acht de Regering niet op zijn plaats. Want dat zou in-breuk maken op de invoering van de wachttijd in de RWW, gebaseerd op de onderhoudsplicht van de ouders; en de koppeling van zo'n uitkering aan het niveau van de rijksstudietoelage zou onjuist zijn, omdat de studietoelage een doeluitkering met een eigen karakter is. De Regering wijst een andere weg aan, namelijk dat aan de ouders bijstand kan worden verleend in verband met de kosten van zelfstandig wonende schoolverlaters, indien zich problemen voordoen, omdat de middelen van ouders en minderjarigen ontoereikend zijn om in het onderhoud van de minderjarige te voorzien. Gegeven het uitgangspunt waarop dit wetsontwerp berust -hoe mijn fractie daartegen aankijkt, heb ik zoŽ-ven uiteengezet -en gelet op de wenselijkheid, dat het draagkrachtbeginsel aan zijn trekken komt, kan mijn fractie deze beleidslijn aanvaarden. Wel wil ik graag alsnog uiteengezet zien, wat de zinsnede betekent in de nota naar aanleiding van het verslag, dat 'deze criteria krachtens het Besluit landelijke normering in nadere regelen zullen worden vastgesteld'. Een ander vraagstuk is dat van de minderjarige, voor wie tijdens de studieperiode geen kinderbijslag is verleend, omdat door de verzekerde niet in toereikende mate aan de onderhoudsplicht werd voldaan. Volgens de Regering is hiermee van een nieuw probleem in de bijstand geen sprake. Want volgens de circulaire van 6 februari 1980 is verlening van bijstand aan de minderjarige of de verzorgende ouder mogelijk bij een ontwrichte relatie met de ouders, en dan worden noodzaak en duur van de verlening van bijstand van geval tot geval zorgvuldig bekeken. De wachttijd is dan niet van toepassing, zodat ook in die periode bijstand wordt verleend of voortgezet. Deze redenering klopt, maar in de praktijk gaat het hier om vrij straffe voorwaarden. Er is een schriftelijke verklaring van de verzorgende ouders nodig en die zal in feite niet altijd beschikbaar komen. Wat denken de bewindslieden in dergelijke gevallen te doen? In het verlengde hiervan rijst de vraag, hoe zij aankijkt tegen de situatie, waarin schoolverlaters tijdens de wachtperiode in verband met huiselijke problemen zelfstandig gaan wonen. Is hier dan ook sprake van de 'conflictsituatie', waarvan in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gerept, en is ook in dergelijke gevallen een schriftelijke verklaring nodig? Een volgende vraag luidt: wat gaat er gebeuren, als er geen sprake is van een ontwrichte relatie, maar de minderjarige niettemin bij voorbeeld uitsluitend via een rijksstudietoelage gestudeerd heeft? Met andere woorden: tijdens de studieperiode en met name tijdens de peildatum werd het kind niet in belangrijke mate door de verzekerde onderhouden, maar de relatie tussen verzekerde en kind was niettemin puik. Hoe komt zo'n betrokkene dan aan enige uitkering? Onduidelijk is de positie van de partieel leerplichtigen. Als ik goed ben in-gelicht, wil men op het Departement van CRM aan deze categorie in de informele sfeer soelaas verschaffen. Mijn vragen luiden: Is deze informatie juist? Achten de bewindslieden het niet noodzakelijk op dit punt met wettelijke regelen te komen? Onzekerheid is er eveneens als we kijken naar de positie van de 18-tot 21 -jarigen. Volgens de oude Beschik-

.38

king schoolverlaters hadden de betrokkenen uit deze groep een versneld recht op uitkering, als zij uitwonend waren. Maar in de nieuwe regeling worden zij in het geheel niet meer genoemd. Blijkens de toelichting op die nieuwe regeling moeten zij in de wachttijd zelf maar in de noodzakelijke bestaanskosten voorzien. Betekent dit nu, dat zij dan weer op de portemonnaie van hun ouders zijn aangewezen? Ik wijs er in dit verband op, dat van de 18-tot21-jarigenten minste ťťn derde zelfstandig woont. Ten slotte vraag ik de aandacht voor de situatie dat schoolverlaters, dank zij hun eigen inspanningen, op de peildatum voor de AKW, dus op 1 oktober, in loondienst waren, een aantal dagen of weken werken en dan buiten eigen toedoen ontslagen worden. Vandaag de dag is op dat gebied alles mogelijk. Deze jonge mensen voldoen niet aan de referteperiode voor de WW of de WWV, maar hun ouders komen ook niet voor de AKW in aanmerking. Ik heb begrepen, dat ook in deze leemte geÔmproviseerd wordt voorzien. Dat is mooi, maar ik zou ook voor deze gevallen op duidelijke wettelijke regelen willen aandringen. Mijnheer de Voorzitter! Als ik het geheel overzie, moet de conclusie luiden, dat er aan dit wetsontwerp nog het nodige valt bij te schaven. Met veel belangstelling zal ik van de Staatssecretaris vernemen of, en zo ja hoe, de Regering dat dan zal willen doen.

©

I. (Ina)  BrouwerMevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de Voorzitter! De positie van jongeren is naar de mening van mijn fractie het afgelopen jaar op ongehoorde wijze aangetast. Eerst was er de verlaging van de minimumjeugdlonen en daarna de verlaging in de uitkeringen. Dat ging niet met kleine stapjes, maar soms met meer dan 200 gulden per maand. Nergens heeft zo'n enorme aantasting plaatsgevonden als juist bij de inkomens van niet-leerplichtige jongeren. Dat, terwijl het met name deze groep is die de gevolgen van de economische crisis in volle omvang ondervindt. Een groot aantal werklozen is jonger dan 25 jaar. Zoals de sombere verwachtingen bij ongewijzigd regeringsbeleid nu luiden, zal een toenemend aantal van juist deze groep het slachtoffer worden. Daarom is de in-voering van de wachttijd ingevolge de RWW, de nieuwe beschikking schoolverlaters, gekoppeld aan de al genoemde verslechteringen, een ware ramp voor deze mensen. Ik meen dat het een aantasting is van verworven rechten en direct daaraan verbonden een aantasting van het recht op een zelfstandig bestaan. De jongeren en hun organisaties hebben al laten weten dat zij nu grote problemen ondervinden bij de uitvoering van de nieuwe beschikking schoolverlaters, maar dat zij nog meer problemen verwachten bij de invoering van de wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, zoals deze voor ons ligt. In de eerste plaats zijn dit naar onze mening gevolgen van de genoemde inkomensdaling, waardoor het erg moeilijk wordt om een zelfstandig bestaan de leiden. De jongere heeft vaak niet genoeg geld om de kosten van normaal levensonderhoud, zoals kamerhuur, gas en licht enz. te betalen. In de tweede plaats zijn er een aantal categorieŽn, waarvan de positie door de gewijzigde beschikking en de voorliggende wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet onduidelijk is geworden. Naar onze mening heeft de beantwoording van een aantal vragen door de Staatssecretaris tijdens de schriftelijke behandeling nog onvoldoende duidelijkheid opgeleverd. Wat gebeurt er bij voorbeeld als een jongere stopt met een studie, langdurig ziek wordt en vervolgens wordt geconfronteerd met de wachttijd voor de RWW? Betekent dit dat hij opnieuw afhankelijk wordt van zijn ouders? Moet hij dan zijn kamer opzeggen, zijn koffers pakken en weer bij zijn ouders in-trekken? Ik meen dit te moeten afleiden uit het antwoord van de Staatssecretaris. Volgens ons kan dit niet als een serieuze oplossing worden gezien. Het is ook in strijd met maatschappelijke ontwikkelingen die leiden tot een door vele jongeren gewenst zelfstandig bestaan. Wat gebeurt er als ouders met lage inkomens-en die komen in ons land veel voor -niet in staat zijn om gedurende de wachttijd in de kosten van levensonderhoud bij te dragen? In die gevallen vervalt het recht op kinderbijslag en moet er een andere financiŽ-le oplossing komen. Naar onze mening moeten jongeren dan in elk geval kunnen terugvallen op de bodemvoorziening van de Algemene Bijstandswet. Dat moet niet alleen mogelijk zijn wanneer er sprake is van een ontwrichte relatie tussen ouders en kind, zoals de Staatssecretaris schreef in de nota naar aanleiding van het eindverslag. Uit de reactie die ik nu bij de Staatssecretaris bespeur, maak ik op dat zij dit waarschijnlijk anders heeft bedoeld, maar als het toch zo is als ik het stelde, vinden wij dit wel een erg beperkte uitleg van de Algemene Bijstandswet. Immers, iedere Nederlander moet hierop een beroep kunnen doen, wanneer hij of zij niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Ook een beschikking kan naar onze mening deze bedoeling van de Algemene Bijstandswet niet zomaar aantasten. Het lijkt of de bezuinigingsmotieven, die wij overigens niet onderschrijven, leiden tot het naar believen aaneenschakelen, uit elkaar halen, uithollen of zelfs oneigenlijk gebruiken van bestaande wetgeving. Een voorbeeld hiervan is het uithollen van het recht op een werkloosheidsuitkering of bijstandsuitkering ten gevolge van de invoering van de wachttijd. Vervolgens wil ik wijzen op het inbrengen van de werkloosheidsfactor in de Algemene Kinderbijslagwet. Daardoor ontstaat met name de onduidelijkheid. Neem bij voorbeeld de groep partieel leerplichtigen. Tot maart 1981 hadden zij recht op kinderbijslag en een gedeeltelijke RWW-uitkering. In maart is de kinderbijslag voor deze groep afgeschaft. Het is nu de vraag of zij door de nieuwe beschikkingschoolverlaters ook de RWW aan hun neus voorbij zullen zien gaan. Daarover schijnt onduidelijkheid te bestaan. Gaarne zou ik zien dat de Staatssecretaris een en ander verduidelijkte, want als het wordt, zoals ik zoeven aangaf, zou dit betekenen dat de jongeren en hun ouders in geen enkele vorm inkomen ontvangen gedurende de wachttijd. Neemt men het recht op een zelfstandig bestaan van alle, en met name niet-leerplichtige jongeren serieus -ik neem aan dat deze Kamer dat doet -dan is naar de mening van mijn fractie duidelijk dat het nu ingevoerde stelsel dit recht aantast en dientengevolge op de helling moet. Of sommige fracties het nu leuk vinden of niet; voor een zelfstandig bestaan zijn naar onze mening materiŽle voorzieningen nodig. In de eerste plaats denken wij dan aan een inkomen, onafhankelijk van de ouders, dat in elk geval voldoende moet zijn om de kosten van levensonderhoud te kunnen betalen. Op dit moment is dit in veel gevallen al erg moeilijk geworden. Pas dan kunnen naar de mening van onze fractie de jongeren zich zelfstandig ontwikkelen. Ik ben benieuwd of de Regering, gehoord de genoemde problemen, de Kamer deze week inzicht kan verschaffen omtrent de realisatie van het recht op een zelfstandig bestaan van alle niet-leerplichtigen en andere jongeren in de toekomst. Ik wacht dat graag af.

Ten slotte wil ik aangeven dat, als mijn fractie de voorliggende wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet niet zal afwijzen, dit alleen is om te voorkomen dat de nu reeds onstane gevolgen van de gewijzigde beschikking schoolverlaters niet, en zelfs niet ten dele, worden opgevangen. Mijn fractie zal echter er wel op blijven aandringen dat zo spoedig mogelijk de ernstige aantasting van de positie van jongeren zal worden teruggedraaid.

©

W.J. (Wilbert)  WillemsDe heer Willems (PSP): Mijnheer de Voorzitter! Ik betreur het dat de Staatssecretaris vandaag zoveel monologen van de fracties moet aanhoren over deze twee kinderbijslagwetten. Met name voor het laatste wetje wordt dit deels veroorzaakt door de -laat ik dit woord maar gebruiken -onzorgvuldige procedure die gevolgd is bij de totstandkoming van deze wet voor schoolverlaters. Ik wil nog wat opmerkingen maken over die procedure, omdat die belangrijke consequenties heeft. De gewijzigde beschikking voor schoolverlaters is inmiddels van kracht geworden, voordat de wijziging van de Kinderbijslagwet een feit is. Dit heeft naar mijn idee vergaande consequenties. Een aantal sprekers heeft duidelijk gemaakt dat er gaten bestaan in de nu van kracht zijnde constructie, zelfs zonder dat wijziging van de Kinderbijslagwet een feit is. Het begon allemaal met de discussie op 14 mei. De Kamer nam toen de motie-Hermsen aan. Verschillende keren is gesuggereerd dat aanvaarding van die motie zou betekenen dat de hele Kamer het eens was met de opvattingen van de heer Hermsen, namelijk dat deze regeling de best mogelijke was, gelet op het voorstel dat toen door de regering aan de Kamer was voorgelegd. Dat betrof de zogenaam-de voorportaalregeling. Ik vind dat deze interpretatie niet door de gehele Kamer werd en wordt gedeeld. Bovendien heeft een groot deel van de Kamer weliswaar niet de motie-Hermsen afgewezen, maar wel de voorgestelde verlaging van de RWW-uitkeringen. Uit bittere noodzaak om nog iets te redden van de in-komenspositie van jongeren, is men akkoord gegaan met een regeling zoals die in de motie-Hermsen werd voorgesteld. De fracties die toen de motie steunden, gaven daarmee niet aan dat de voorportaalregeling in de RWW het alternatief was. Ook tijdens het mondeling overleg bleek dat wij de volwaardige RWW-uitkering voor jongeren het enige reŽle en noodzakelijke alternatief vonden. De RWW-uitkeringen voor jongeren moesten zoals die op dat moment bestonden, gehandhaafd blijven. De voorportaalregeling was geen juiste regeling. Op 21 juli heb ik aan de toenmalige regering vragen gesteld, die op 7 augustus werden beantwoord. Ik wil uit dat antwoord een citaat halen, omdat ik in mijn vragen er al op wees dat er complicaties zouden ontstaan, als de Kinderbijslagwet niet tijdig gewijzigd zou worden, terwijl de aangekondigde beschikking wel zou zijn gewijzigd. Daarmee dreigde vanaf 1 oktober het recht op RWW in feite al te zijn verdwenen en zonder dat het recht op kinderbijslag op dat moment van kracht zou zijn. In de beantwoording noemt de toenmalige Staatssecretaris van CRM een circulaire van 6 juli aan de gemeentebesturen. Dit is overigens een week nadat de gewijzigde bijstandsnormen al in de kranten hebben gestaan. Dat was namelijk 1 juli. Daarbij werd ertoen al van uitgegaan, dat de beschikking gewijzigd was en dat de kinderbijslagwet in de verlengde wachttijd van kracht zou zijn. In die circulaire van 6 juli heeft de Staatssecretaris van CRM onder meer op het volgende gewezen: 'Naar mag worden verwacht, zal het wetsontwerp tot wijziging van de AKW inzake de verlengde aanspraak op kinderbijslag voor minderjarige schoolverlaters en uit het buitenland gekomen minderjarige werklozen geduren-de de wachttijd in augustus aan de Kamer worden aangeboden.' Dit is 31 augustus geworden. In ieder geval hadden wij het. ' De hieraan aangepaste beschikkingschoolverlaters zal u zo spoedig mogelijk na de behandeling van het wetsontwerp worden toegezonden'. Men begrijpt waarover het gaat. Aan ons en aan de gemeenten is namelijk uitdrukkelijk toegezegd, dat de beschikking pas wordt aangepast, nadat het wetsontwerp inzake kinderbijslag in de goede zin is veranderd, zoals ook door de Kamer is gevraagd via de motie-Hermsen. Die procedure is niet gevolgd. Integendeell De beschikking is van kracht geworden. Door de Kamer is een spoedprocedure voor deze wijziging in de kinderbijslag geaccepteerd. Wij hebben ons beperkt tot het indienen van een verslag. Er blijven nu toch wel erg veel vragen over. In feite kunnen die punten niet meer worden opgelost door een gewijzigde beschikking, immers, de beschikking is inmiddels al van kracht geworden. Ik betreur die procedure. Het is ook onjuist, dat de Kamer op deze manier niet de kans krijgt om zich uit te spreken over de voorgenomen wetswijziging inzake de kinderbijslag, ongeacht het feit, dat een meerderheid van de Kamer hierover een motie heeft aanvaard. Dat op deze wijze toch wordt vooruitgelopen op een wetswijziging is in strijd met de toezeggingen die de Regering zelf daarover heeft gedaan. Vervolgens wil ik volstaan met het noemen van een aantal elementen die volgens mij nog kunnen worden aangepast in de huidige kinderbijslagwet. Ik wil het betoog van collega Brouwer niet herhalen. Daarin wordt de essentie van het huidige voorstel bekritiseerd. Ik doel op de achteruitgang in zelfstandigheid van jongeren, het meer afhankelijk maken van jongeren en het beknotten van hun middelen van bestaan. Ik wil met name de mogelijkheden bekijken om in deze kinderbijslagwet wijzigingen aan te brengen die gunstig zijn voor de jongeren om wie het gaat. Ik zal er wel op blijven aandringen, dat wij voor hen het volgende jaar andere regelingen proberen te treffen. Ten aanzien van de huidige wetswijziging is het volgende heel essentieel. In de motie-Hermsen is dat onvoldoende doordacht. Bovendien zijn daarin de consequenties onvoldoende duidelijk geworden. In die motie wordt namelijk in feite gebroken met het toen geldende systeem. Dit systeem geldt ook voor andere RWW-gerechtigden: men komt voor die uitkering in aanmerking op het moment dat men geen werk heeft, dus als men de studie beŽindigt of als men op een andere wijze is aangewezen op deze bijstandsuitkering. Dit is nu in wezen niet meer van toepassing bij het van kracht worden van de wetswijziging inzake de kinderbijslag. Immers, de eerste dag van het kwartaal wordt bepalend of men een uitkering krijgt. Dit staat nog los van het verschil in hoogte van beide bedragen. Er kan dus bijna een heel kwartaal zijn dat men geen recht op kinderbijslag noch op RWW heeft, als men bij voorbeeld pas op de tweede dag van het kwartaal recht krijgt op kinderbijslag. De uitkering gaat dan pas het kwartaal daarna in. Dat is een heel wezenlijk verschil met de RWW en het geeft ook een groot aantal problemen voor de genoemde groepen, namelijk tussentijdse schoolverlaters, mensen die tussentijds ziek worden of even gewerkt hebben en dergelijke. Ik vraag mij af of het niet erg noodzakelijk is in

i90

de kinderbijslagregeling de kwartaalbetaling los te laten. Daar zeg ik natuurlijk wel erg veel mee. Het is ook iets wat wij niet morgen zullen kunnen invoeren, maar ik vind wel dat het heel belangrijk is, met name voor deze groepen, dat men kinderbijslag kan krijgen -uiteraard pro rato van het kwartaalbedrag ē vanaf de dag dat men er recht op heeft. Het gaat mij erom dat niet meer de eerste dag van het kwartaal de peildatum is, maar dat de kinderbijslag wordt uitgekeerd met ingang van de dag waarop men er aanspraak op kan maken. Dat betekent in feite een aanpassing van artikel 11 van de Kinderbijslagwet, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat per kwartaal gepeild wordt welke mensen, althans welke ouders in aanmerking komen voor kinderbijslag. Ik zou ervoor willen pleiten op korte termijn na te gaan in hoeverre in de eerste plaats voor de groep waar wij het vandaag over hebben, de jongeren -maar wellicht moeten wij ook denken aan het wetsontwerp dat eerder deze middag aan de orde is geweest, kinderbijslag aan de verzorgen-de ouders in plaats van de onderhoudende ouders -, een dergelijk criterium kan worden toegepast. Het zal mijns inziens veel beter werken dan de onzuivere peildatum die nu geldt. Ik wijs hier nu op, omdat het met name voor jongeren om een aantal maanden gaat waarin men enorm in het inkomen achteruitgaat, hoewel men verplichtingen heeft ten aanzien van huisvesting en te maken heeft met woonlasten en andere uitgaven, zoals voor verkeer en vervoer. De achteruitgang in inkomen is wellicht van korte duur, zoals de Staatssecretaris van CRM in haar circulaire aan de gemeenten heeft gesteld, maar dat neemt niet weg dat het voor die groep een erg belangrijke inkomstenderving is. Ik vind dat wij daar een oplossing voor moeten zoeken binnen het kader van de Kinderbijslagwet, voor zover geen structurele verbeteringen mogelijk zijn. De Staatssecretaris van CRM heeft in de brief van 8 september, waarbij zij de gewijzigde beschikking aan de gemeentebesturen aanbood, ook uitdrukkelijk onderkend dat deze lacune in de huidige regeling zit. Alleen doet zij geen voorstellen om die lacune op te vullen. Ik vind het de taak van de Regering om daar suggesties voor te doen. Mijn suggestie is, de aanvangsdatum kritisch te bekijken en na te gaan of die niet wat glijdender kan zijn.

Wellicht is de consequentie dat de automatisering van de kinderbijslaguitbetaling op nog kortere termijn zal moeten worden gerealiseerd. Dit is in het hieraan voorafgaande debatje al door verschillende sprekers, zij het met een andere doelstelling, bepleit. Ik kom nu op de groepen die in de knel komen. Ik wil niet in herhaling vervallen. Vrijwel alle groepen zijn genoemd door voorgaande sprekers en ook de casusposities waarin zij in de problemen komen onder de huidige regeling. Ik ben benieuwd naar het antwoord van de Staatssecretaris op dit punt. Er is ťťn groep nog niet genoemd, namelijk die van de schoolverlaters die ziek worden en geen recht hebben op RWW. Wat gebeurt er in de periode dat zij ziek zijn? In de schriftelijke voorbereiding is daar naar mijn idee onvoldoende op ingegaan. Wel is aangegeven dat er voor tussentijdse schoolverlaters in die zin een oplossing is, dat zij maar snel werk moeten zien te vinden en dat zij niet eerder van school moeten gaan dan dat zij werk hebben. Dat is terecht door anderen al cynisch genoemd. Ik ben benieuwd wat de Staatssecretaris hierover zal zeggen. Verder zijn de zelfstandig wonenden genoemd en ook de buitenlanders, die in feite nu ook een verlengde wachttijd hebben, en de partieel leerplichtigen. Er is nog een probleem, in verband waarmee ik het betreur dat wij nu geen discussie met de Minister van CRM kunnen aangaan over dit punt, tenzij de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het op zich kan nemen om ook namens haar te spreken. Het gaat mij om het volgende. Er zijn een aantal punten die niet alleen betrekking hebben op de strikte toepassing van de Kinderbijslagwet en de wijziging die nu voor ons ligt, maar ook of in hoofdzaak te maken hebben met de beschikking schoolverlaters zoals die door CRM gewijzigd is. Ik vraag mij af of het hier de plaats is om daarover uitvoerig te debatteren. Ik kan mij echter wel voorstellen dat in-dien niet op alle gerezen vragen een afdoend antwoord komt -dat veronderstel ik haast -wij bekijken of wij op vrij korte termijn in een nader mondeling overleg met de Minister van CRM kunnen nagaan in hoeverre de gewijzigde beschikking alsnog gewijzigd moet worden om een oplossing te zoeken voor de problemen die de consequentie zijn van dit systeem. Hoe lang zullen wij met deze regeling moeten leven? Hoe lang zullen de jongeren zich moeten schikken in deze toch wel drastische inkomensverlaging? In de memorie van toelichting.

of in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt al opgemerkt dat een meer rigoreuze wijziging van het studiefinancieringssysteem en het hele sociale zekerheidsstelsel op komst is. Te verwachten valt dat dan dit gehele systeem, dat nu als een soort interim-systeem wordt ingevoerd, op de helling zal komen. In welke termijnen denkt de Staatssecretaris daarbij? Moeten wij er niet voor zorgen dat wij in 1982 niet meer met deze problematiek worden geconfronteerd? In het begin van mijn betoog sprak ik over de onzorgvuldige procedure. Op grond daarvan is naar mijn mening een overgangsregeling nodig. Er is nogal wat verwarring opgetreden door de voorlichting van CRM in de dagbladen en door het feit dat de Regering haar beloften niet is nagekomen of niet heeft kunnen nakomen, omdat de wijziging van de Kinderbijslagwet zo laat in deze Kamer is behandeld, gesteld dat deze wordt aangenomen. De voorlichting aan de sociale diensten en de gemeentebesturen en aan de betrokkenen heeft nogal wat ruimte voor vragen gelaten. Op dit ogenblik blijkt ook vanuit de jongerenorganisaties dat op een groot aantal vragen geen afdoend antwoord kon worden gegeven. Daarom stel ik mij voor dat de Staatssecretaris aan deze regeling in een overgangsperiode een hele soepele uitvoering zou kunnen geven. Er is al gesuggereerd dat de inschrijvingsplicht bij het arbeidsbureau pas van kracht is een maand na het van kracht worden van deze wetswijziging. Ik vraag mij Łberhaupt af of wij een dergelijke inschrijvingsplicht wel kunnen opleggen. Daarbij wordt bovendien gesproken over een 'redelijke termijn'. Dat is een wat rekbaar begrip. In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag wordt dat wel iets omschreven, maar ook de Raad van State maakt er de nodige opmerkingen over. Op dit moment is het nog steeds niet duidelijk waar jongeren zowel vůůr als na 1 oktober aan toe waren. Er zijn jongeren die vůůr 1 oktober hebben afgezien van het aanvragen van RWW, waarop zij recht hadden, omdat in de pers, door de sociale diensten en door andere hulpverleners de suggestie werd gewekt dat dat recht al niet meer bestond. Circulaires uit die tijd wezen ook al in die richting. Daarom moet de schoolverlaters van 1981 een heel soepele uitvoering van de nu bestaande regeling worden toegezegd. Ik ben erg benieuwd wat een dergelijke soepele uitvoering gaat inhouden.

Door een van de andere sprekers is er ook al op gewezen dat wij nog steeds niet weten wat ons dit nu gaat opleveren. Het blijft met name onduidelijk om hoeveel jongeren het gaat. Hoeveel jongeren zullen uiteindelijk toch weer via hun ouders, of zelfstandig, een beroep op de Bijstand moeten doen, omdat zij niet in de noodzakelijke kosten van hun bestaan kunnen voorzien. Die rekensom zou ik graag eens zien. Ik vraag mij af of wij er niet veel beter aan hadden gedaan deze wijziging achterwege te laten. Mijn conclusie na bestudering van de procedure en de stukken is dat deze wijziging eigenlijk volstrekt overbodig is. Wij hadden ons moeten houden aan een volwaardige RWW-uitkering voor jongeren. Wij zullen ons desondanks niet tegen het wetsontwerp kunnen verzetten, omdat het het minst kwade is, maar het is allerminst met vreugde, zoals de woordvoerders van CDA en VVD hebben gesteld, dat wij het zullen steunen.

©

M.B.C. (Ria)  Beckers-de BruijnMevrouw Beckers-de Bruijn (PPR): Mijnheer de Voorzitter! Voor de PPR-fractie is dit debat het zoveelste element in een uiterst onbevredigende discussie. Wij hebben inmiddels achter de rug de korting op de minimumjeugdlonen, de verlaagde RWW-uitkering, de verlenging van de referteperiode en de RWW-wachtperiode, de afschaffing van de kinderbijslag voor partieel leerplichtigen, dit alles in een situatie, waarin jongeren in steeds grotere mate de dupe van de werkloosheid zijn. Dubbel gestraft, heet dat. Mijn fractie heeft zich verzet tegen de verlaging van de RWW-uitkering en tegen de wachttijd van zes maanden. Nu daaraan niet meertetornen is, blijft de vraag over, of de kinderbijslag een adequaat middel is om in de financiŽle behoefte van jongeren tegemoet te komen. Wij vinden van niet. De kinderbijslag wordt niet aangevraagd of verkregen door de jongeren maar door de ouders. Bovendien is nooit zeker of en in hoeverre dat geld bij de jongeren terecht komt. Op dit moment in deze situatie, die wij niet hebben gewild, zullen en kunnen wij echter niet tegen zijn. Iets is beter dan niets. Een apart punt daarbij is het inbrengen van het werkloosheidselement in de kinderbijslag. Mijn fractie vindt het onjuist. Ik zou graag heel duidelijk van de Staatssecretaris willen horen, of zij het ook onjuist vindt en of het in de nabije toekomst in haar beleid gaat doorwerken.

Dat jongeren zich in de huidige situatie steeds meer gepakt voelen is begrijpelijk. Dat wordt alleen maar versterkt doordat de ene bezuinigingsmaatregel na de andere wordt aangenomen, waaraan vervolgens talloze vragen en problemen blijken vast te zitten en waarover de jongeren zelf ook veel te weinig informatie hebben. Zij hebben niet alleen met een wirwar van regelingen, waar ze vaak de weg niet in weten, te maken, maar ze moeten zich ook nog aan alle kanten verdedigen tegen interpretaties van uitvoerende in-stanties. Zie het voorbeeld van de bijstandsuitkeringen waarop schoolverlaters recht hebben, die tijdens of vůůr de wachtperiode wegens gezinsproblemen op kamers gaan. Het is helemaal niet zo gemakkelijk die uitkering te krijgen. Zie ook het voorbeeld -daar is veel onduidelijkheid over -van de 18-jarige die in de grote vakantie zelfstandig gaat wonen en niet direct een uitkering krijgt, omdat de sociale dienst stelt: op het moment dat je schoolverlater was, woonde je nog thuis; dus je moet net als alle thuiswonenden tot 1 januari op je uitkering wachten. Intussen moet hij dan maar rond zien te komen van de kinderbijslag. Is de Staatssecretaris bereid, de sociale diensten erop te wijzen, dat 18-tot 21-jarige schoolverlaters die reeds vůůr 1 oktober zelfstandig woonden, recht hebben op een RWW-uitkering volgens de oude regeling? Of heeft zij inderdaad een heel andere bedoeling en is het waar dat deze groep 18-tot 21-jarige uitwonende schoolverlaters onevenredig wordt getroffen? Komt het er op neer dat mensen die ervoor hebben gekozen zelfstandig te gaan wonen, terug moeten naar hun ouders en weer afhankelijk moeten zijn? Ook voor mij is dit punt onduidelijk. Onduidelijkheid is er ook over de positie van schoolverlaters die snel werk vinden maar gedurende de wachttijd weer werkloos worden. Moet ook in die gevallen de wachttijd van zes maanden weer worden uitgezeten of krijgt men onmiddellijk recht op een uitkering? Overhaaste bezuinigingsmaatregelen leiden steeds weer tot onrechtvaardigheden binnen de groep waar het om gaat. Dat is heel moeilijk te voorkomen. Mijn grootste probleem is en blijft echter, dat ook deze maatregel het enorme verschil in bejegening tussen studerende en werkende jongeren opnieuw vergroot. Het Sociaal Cultureel Planbureau heeft onlangs nog eens duidelijk gemaakt, waar de overheidsvoorzieningen terecht komen en laten zien, hoe kinderen van maatschappelijk bevoorrechte ouders via enorme onderwijssubsidies in staat worden gesteld de goede maatschappelijke positievan hun ouders over te nemen, terwijl de overheid -zie het rapport -voor werkende en werkloze jongeren nagenoeg niets doet. Dat besef mis ik. Dat besef lijkt mij noodzakelijk om tot eerlijke voorstellen te komen ter zake van de inkomenspositie van schoolverlaters, die ook naar de mening van mijn fractie recht hebben op een zelfstandig bestaan. Ik hoop, dat er binnenkort een gelegenheid komt waarbij wij deze discussie fundamenteel kunnen voeren. Ik hoop tevens, dat dit gevolgen heeft voor dit soort regelingen in de toekomst. De algemene beraadslaging wordt geschorst.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.