Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: Beperking van de stijging van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten, van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten en van de bedragen van het wettelijke minimumloon per 1 juli 1982 (17468); Verlenging en wijziging van de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector (17439).

©

De Voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Van de Zandschulp, waarnemend voorzitter van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tot het uitbrengen van het eindverslag der commissie omtrent deze wetsontwerpen.

De heer Van de Zandschulp, waarnemend voorzitter van de commissie:

Mijnheer de Voorzitter! In verband met de korte tijd die de Kamer is gelaten bij het voorbereidend onderzoek van de onderhavige wetsontwerpen 17468 en 17439 ziet de commissie zich genoodzaakt, zich in dit verslag te onthouden van het maken van opmerkingen en van het stellen van vragen. Wel behield men zich het recht voor bij de openbare behandeling in te gaan op met deze wetsontwerpen verband houdende onderwerpen. De commissie merkt hierbij nog op, dat deze Kamer thans voor de derde keer wordt gevraagd op de valreep de Tijdelijke Wet Arbeidsvoorwaarden collectieve sector te verlengen. De argumenten die wellicht kunnen worden aangevoerd voor de tijdsdruk rondom wetsontwerp 17468, zouden toch zeker niet behoeven te gelden voor wetsontwerp 17439. De beraadslaging wordt geopend.

De Voorzitter: Ik geef eerst het woord aan de leden, die willen spreken over wetsontwerp nr. 17468.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Op de agenda staat nu wetsontwerp 17468, Tijdelijke bevriezing vanenige socialezekerheidsuitkeringen per 1 juli 1982. Het merkwaardige feit doet zich echter voor dat dit wetsontwerp sinds de vorige week niet meer bestaat. Het is vervangem door een voorstel dat materieel beschouwd kan worden als een initiatiefwetsontwerp van de heren De Korte en De Vries. Het heeft inmiddels de titel gekregen 'Beperking van de stijging van de uitkeringen krachtens een aantal sociale verzekeringswetten, van een aantal uitkeringen en pensioenen krachtens enige andere wetten en van de bedragen van het wettelijk minimumloon per 1 juli 1982

Nu zijn er ook voor de indiening van initiatief "wetsontwerpen procedures voorgeschreven die verhinderen dat een dergelijk initiatiefwetsontwerp ťťn week na indiening door beide Kamers wordt gejaagd en op de achtste dag na de indiening het Staatsblad haalt. Geconfronteerd met die procedurele belemmering hebben de heren De Vries en De Korte methodes ontleend aan het buitenparlementaire actiewezen. Zij hebben wetsvoorstel 17468 van de Regering gewoon gekaapt, gekraakt, of hoe ik het ook moet zeggen. Daarmee was hun initiatiefwetsontwerp althans van een vervolgnummer voorzien. Dat is ook de enige overeenkomst die er is gebleven met het regeringsvoorstel.

Examengeld Sociale zekerheid Arbeidsvoorwaarden collectieve sector Wij hebben nu dus in ťťn week tijd een heel ander wetsvoorstel voorgeschoteld gekregen dan wij konden vermoeden. De methode van de heren De Korte en De Vries heeft iets weg van een overrompelingstactiek, waarbij adviesorganen als de Raad van State en de SER zijn gepasseerd. Belangrijker dan kritiek op de ongebruikelijke procedure is een bespreking van de inhoud van het nieuwe wetsvoorstel, dat nogal ingrijpende gevolgen heeft voor het bestedingsniveau van zeer veel, van honderdduizenden mensen die in het algemeen niet de sterkste schouders hebben. De heren De Korte en De Vries hebben bezwaar gemaakt tegen de opeenstapeling van kortingen, die voor sommige groepen van bovenmodale uitkeringen zouden optreden, wanneer de drie voorstellen van de Regering (ten aanzien van de bevriezing van bovenmodale uitkeringen, de kinderbijslagoperatie en de maximering van de vereveningstoeslagen voor bovenmodale WAO-uitkeringen) gelijktijdig zouden worden ingevoerd. Men kan dat bezwaar begrijpen. Dat bezwaar kan ook ten dele onderschreven worden. De gekozen uitweg om aan dat bezwaar te ontkomen moet echter niet worden gevolgd. Men heeft de bovenmodale uitkeringen enigszins ontzien en de last doorgeschoven naar de benedenmodale uitkeringen tot en met de sociale minima. Daartoe moest men zelfs de Wet op het minimumloon open breken. Ter wille van de systematiek werden plotseling ook de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945, de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers meegesleurd in de neerwaartse spiraal. De heren De Vries en De Korte hebben een sluwe redenering gehanteerd, die echter ontleend is aan een optische vertekening van de werkelijkheid. Hun redenering was de volgende: de prijscompensatie gaat per 1 juli slechts met 2,46% omhoog, terwijl het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen volgens de wet -al aangekondigd in de Staatscourant -op hetzelfde moment met 4,3% omhoog zouden gaan. Daarbij zouden fricties in het loongebouw kunnen ontstaan. Die redenering gaat echter geheel voorbij aan het feit dat de aanpassing van het minimumloon steeds achterloopt bij die van andere lonen. Zo kreeg de minimumloner per

1 januari van dit jaar minder dan de prijscompensatie. Nu zou dat per 1 juli worden rechtgetrokken. Daarmee zou de minimumloner dit keer toevallig wat meer krijgen dan de prijscompensatie. Wie het inhalen van een achterstand vertaalt als het nemen van een voorsprong, lijdt aan ernstig 'gezichtsbedrog' en maakt zich schuldig aan een drogreden. De gevreesde fricties in het loongebouw worden nu vooruitgeschoven naar 1 januari 1983. Wie kwaad zou willen, kan daar dan op 1 januari 1983 opnieuw een excuus aan ontlenen om nogmaals in te grijpen in het minimumloon, enzovoorts. De heren De Vries en De Korte hebben nogal verrassend toegeslagen inzake de minima. In de politiek ligt, naar bekend, de zogenaamde netto-nettonettokoppeling intact te laten de minimumuitkering en het nettominimumloon -terecht zeer. gevoelig. Zij is een symbool voor het al dan niet beschermen van de laagst betaalden geworden. De heren De Korte en De Vries zijn er nu in geslaagd, de netto/nettokoppeling intact te laten door op een ander punt toe te slaan en daarmee de motor uit het koppelingsmechanisme te halen. Anders gezegd, de wagon van de minimumuitkering blijft gekoppeld aan de wagon van het minimumloon, maar tegelijkertijd worden beide wagons losgekoppeld van de locomotief -de index van de regelingslonen -en worden zij op een zijspoor gerangeerd. Wat zijn nu de koopkrachteffecten van dit beleid? Per brief van de Minister van FinanciŽn -stuk nr. 11 -kregen wij de gegevens daarover. De minima dalen dit jaar met 2 a 3%, terwijl 4x modaal er 3,2% op achteruitgaat. Nauwkeuriger ingevuld: de mini-mumloner komt op -2%, de AOW'er -die volgens de VVD-propaganda steeds gespaard zou worden -komt op -2,4% en de minimum-WAO'er komt zelfs op -3%. De man van f140.000 -vrouwen zitten er nauwelijks in deze inkomenscategorie -komt evenwel op -3,2%. In het regeerakkoord, dat nog geen jaar oud is, kwamen de PvdA, het CDA en D'66 gezamenlijk een inkomensbeeld van -1% tot -4% overeen. Nadat de PvdA uit het kabinet was gezet dan wel er zelf uit was getreden -dat wil ik nu in het midden laten -stelde het interim-kabinet-Van Agt III in zijn regeringsverklaring dat het CDA en D'66 het regeerakkoord van de vorige zomer zouden blijven aanvaarden als 'samenbindend element' en dat het kabinet zich daarop zou blijven oriŽnteren. Dit samenbindend element was voor D'66 de rechtvaardiging dan wel het schaamlapje om in het kabinet te blijven. De vorige week trok het CDA echter onder de kerktoren van Staphorst op brute wijze het schaamlapje van D'66 weg, zodat deze partij opvallend naakt te kijk staat in deze barre economische crisis! Misschien mag D'66 het CDA er dankbaar voor zijn dat deze scandaleuze ontbloting nog ruim vůůr het verkiezingscongres van D'66 geschiedde, zodat men daaruit nog conclusies kan trekken. Misschien wil D'66 de ruime mantel van progressieve samenwerking als redelijk alternatief voor naaktheid in heroverweging nemen! De minima worden 2% en sommige categorieŽn ervan zelfs 3% achteruitgezet, als deze Kamer dit vandaag goedvindt. Dit zijn althans de statistische cijfers. Ons bereiken echter de laatste tijd steeds meer signalen die erop wijzen dat de reŽle achteruitgang de statistische overtreft, zoals het rapport van de gemeentelijke sociale dienst van Rotterdam. Hierbij worden de volgende overwegingen genoemd. De vaste lasten, in bijzonder de woonlasten, maken een groter deel uit van het huishoudbudget. Dit telt voor de minima relatief het zwaarst. Hetzelfde geldt voor gemeentelijke belasting en tarieven, die niet in de prijsindex zijn opgenomen. In de Haagse Post van de afgelopen week wordt drs. Caspar Wiebrens ten tonele gevoerd, een medewerker van het Sociaal en Cultureel Planbureau die een onderzoek heeft gedaan naar de bestedingsmogelijkheden van mensen op het niveau van het minimuminkomen. Volgens becijferingen van de heer Wiebrens hield de minimumloner die getrouwd was en twee kinderen had, in 1979 na aftrek van vaste lasten ongeveer 4700 gulden over, die men met de nodige souplesse vrij besteedbaar kan noemen, en is dit bedrag in 1982 geslonken tot 3800 gulden. Ik verneem graag van de Minister hoe hij de signalen interpreteert die lijken uit te wijzen dat de reŽle achteruitgang van de minimuminkomens de statistische overtreft. Verder werp ik de vraag op of het niet tijd wordt, een aparte prijsindex op te stellen die is afgestemd op de bestedingen van een gezin met twee kinderen op het niveau van het minimuminkomen. In dit verband maak ik enkele opmerkingen over de zogenaamde echte minima. De Korte en De Vries zijn erin geslaagd, iets meer te bezuinigen dan de drie van tafel geveegde wetsontwerpen van de Regering te zamen zouden doen, namelijk 385 miljoen in plaats van 325 miljoen gulden. Er ontstaat dus een extra bezuiniging van 60 miljoen gulden bruto. Deze kan worden gebruikt voor een eenmalige uitkering aan de zogenaamde echte minima tegen de donkere dagen van kerst. Dit lijkt allemaal mooi en Lubbers sprak in de Tweede Kamer zelfs lyrisch over een sociale verbetering voor de echte minima waarvoor ruimschoots middelen beschikbaar moeten zijn. Ik citeer hem: 'Door ons amendement is dat mogelijk geworden en daardoor zullen ook zelfstandigen voor deze regeling in aanmerking komen' (zij waren overigens al in het debat over de regeringsverklaring begrepen in de eenmalige uitkering, WvZ)' en kan de regeling op een correcte en royale wijze uitgevoerd worden. Wat dat betreft is de situatie verbeterd voor alle mensen die van ťťn minimuminkomen moeten leven.' Lubbers meent dus dat de al eerder aangekondigde eenmalige uitkering voor de echte minima dank zij de wijzigingen die De Korte en De Vries hebben voorgesteld, royaler kan uitvallen dan zonder de amendering het geval was geweest. Het lijkt er echter op dat Lubbers in zekere zin dubbel telt en de echte minima een sigaar uit eigen doos presenteert. Ik vrees zelfs dat Lubbers deze sigaar uit eigen doos, voordat hij deze opnieuw aan de echte minima offreert, moet omruilen voor een iets kleiner sigaartje. Door de ingreep van de heren De Korte en De Vries in het minimumloon en de hieraan gekoppelde uitkeringen verliezen de minima, ůůk de echte, per 1 juli 1982, een bruto bedrag van 36,40 gulden aan koopkracht extra. (Het wettelijke minimumloon zou moeten stijgen tot 2064,40 gulden en het wordt nu 2028 gulden, zoals achtereenvolgende persberichten van Sociale _ Zaken en Werkgelegenheid leren). Op basi van een halfjaar betekent dit een extra daling van de koopkracht van 230 a 240 gulden. Dit gat moet Lubbers eerst compenseren om de echte minima quitte te laten spelen. Als hij hierna nog geld overheeft, kan pas de door hem beloofde sociale verbetering voor de echte minima optreden.

Sociale Zekerheid

Hij heeft een extra bezuiniging van 60 miljoen gulden en moet hiervan per geval van een 'echt minimum' een extra verlies aan koopkracht van 230 a 240 gulden compenseren. Voor hoeveel gevallen kan Lubbers dit doen? Als het gaat om 300.000 tot 400.000 echte minima komt hij al miljoenen guldens te kort. Het is te verwachten dat dit jaar meer aanvragen voor een eenmalige uitkering worden gedaan dan in 1981, omdat de tweede keer de bekendheid groter is en, door de nood gedreven, de rem van schaamtegevoelens afneemt.

De Voorzitter: Ik neem aan, dat u niet veronderstelt dat de heer Lubbers hier komt antwoorden!

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Neen, maar de Minister heeft op zich genomen het door hem ontraden nieuwe wetsontwerp vandaag te verdedigen. Ik mag dan toch ook een vraag aan de Minister stellen!

De heer Vermeer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! ik begrijp uw interruptie niet!

De Voorzitter: Ik plaatste de interruptie, omdat de heer Lubbers hier voortdurend ten tonele wordt gevoerd.

De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de heer Van de Zandschulp vragen of hetgeen nu is bereikt met de amendering in principe afwijkt van hetgeen in het ontwerpverkiezingsprogramma van de PvdA is opgenomen, in het bijzonder waar het gaat om de zorg voor de echte minima, ook degenen die een gezin hebben!

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Dat is het volgende punt van mijn betoog. De heer Christiaanse is dus iets te vroeg met zijn interruptie.

De heer Christiaanse (CDA): Als u woorden gebruikt in deze Kamer als 'sluwe tactiek' ten aanzien van dit voorstel en als u aanduidingen ten opzichte van D'66 maakt die buitengewoon belastend zijn -dat is echter hun zorg en niet de mijne -moet u duidelijk maken waarom het sluw is en waar het verschil ligt met uw eigen verkiezingsprogramma!

De heer Van de Zandschulp (PvdA): De term 'sluw' heb ik daarstraks in een ander verband gebruikt, namelijk met betrekking tot de redenering dat fricties in het loongebouw zouden ontstaan als de minima krachtens de Wet aanpassing minimumloon dit keer meer zouden krijgen dan de prijscompensatie die andere werknemers krijgen. Ik heb gezegd, dat dit een drogreden is en ik heb de argumenten hiervoor genoemd. Dat slaat niet op de kwestie van de echte minima, waarmee wij nu bezig zijn. Ik zal er echter verder op ingaan en de heer Christiaanse krijgt dan ook antwoord in verband met het verkiezingsprogramma van mijn partij! Ik zou graag van de Minister willen vernemen op hoeveel aanvragen voor zo'n eenmalige koopkrachtuitkering hij rekent, of hij in elk geval de 60 min. extra ombuigingen van het initiatief De Korte De Vries geheel wil toevoegen aan het al gereserveerde bedrag voor de eenmalige uitkeringen -ik vraag dit omdat de Minister in de Tweede Kamer sprak over een deel ervan -en op welk koopkrachtcijfer voor de echte minima hij daarna denkt uitte komen. Mijn fractie zal zich zeker niet verzetten tegen een tweede postkantooroperatie voor de zogenaamde echte minima, al is het een weinig fraaie verlegenheidsoplossing. Wij weten ook dat van alle minima ongeveer een kwart behoort tot de ' echte minima'. Het gaat niet aan die te laten zakken. Toch doen zich hierbij een aantal dringende vragen voor. Naarmate het aantal echte minimumuitkeringen toeneemt en naarmate deze operatie zich van jaar tot jaar herhaalt, neemt de kans toe dat de echte minima in werkelijkheid de echte minimumplussers zullen inhalen dan wel voorbijstreven; niet statistisch, omdat de eenmalige uitkering -die incidenteel is -niet in de statistische cijfers van de koopkrachtmutaties worden verwerkt. Dan liegen de statistieken toch steeds meer. Het is nu al bekend dat AOW-ers met een minuscuul extra pensioentje er soms niet beter af komen dan de 'kale' -excusez Ie mot -AOW'ers, dankzij de belastingprogressie en de pijlsnel stijgende bejaardenverzekering. De voorganger van deze Minister kondigde aan, dat hij ook de AOW-plussers bij de eenmalige uitkering wilde betrekken. Neemt deze Minister dat idee over en zo nee, hoe denkt hij dan de inkomensfricties tussen de 'zuivere' AOW-ers en de AOW-plussers op te lossen en hoe denkt hij op termijn -dat is een heel ingewikkelde zaak -om te gaan met het feit dat het draagkrachtverschil tussen 'echte' en minder echte minima -dat wij uiteraard erkennen en willen corrigeren -zich niet alleen voordoet op het minimumniveau, maar ook op de niveaus daarboven? Welke instrumenten kan de fiscale wetgeving in dezen mogelijk bieden?

Het laatste probleem dat ik aan de orde wil stellen, betreft de financieringsproblematiek voor 1983 van de sociale zekerheid. De haastige heren DeVriesenDe Korte hebben weliswaar dit jaar 60 min. extra bezuinigd, maar hun gehele bezuinigingsbedrag van 385 min. is tijdelijk. De drie oorspronkelijke, samenhangende regeringsvoorstellen, die nu dus vervangen zijn door het ene voorstel-De Vries en De Korte, hadden althans voor een deel wel een structureel karakter. Uit de opmerkingen van de Minister in de Tweede Kamer valt af te leiden, dat de heren De Korte en De Vries een gat van 350 miljoen geslagen hebben in de begroting voor 1983 op het punt van de sociale zekerheid. De heer De Vries gaf dit in tweede termijn in de Tweede Kamer volmondig toe en stelde dat dit de Kamer verplicht, in zeer korte tijd overeenstemming te bereiken over een stelselwijziging van de sociale zekerheid, want anders komt het moment naderbij dat de ontkoppeling onontkoombaar is, aldus de heer De Vries. Met andere woorden, er ligt thans een druk om binnen een half jaar -met daarin een zomervakantie, ē verkiezingen en een kabinetsformatie, die in dit land meestal ook niet zo vlot verloopt -te komen tot een stelselwijziging van de sociale zekerheid, een discussie over de grondslagennota, inspraak, verplichte'advisering, wetgeving en parlementaire behandeling ervan in twee Kamers. Ik zou zo'n verplichting niet graag voor mijn rekening nemen, te meer omdat blijkt dat zelfs in rustiger tijden tijdelijk bedoelde wetgeving voor wat eenvoudiger onderwerpen meermalen verlengd wordt (zie het volgende agendapunt). Het risico lijkt te bestaan, dat wij eind december van dit jaar weer in spoedzitting bijeengeroepen worden om de tijdelijke wetgeving van de heren De Vries en De Korte te verlengen, omdat de nieuwe regering -indien zij dan al in functie is -zo gauw ook niets beters zou kunnen bedenken. Hoewel niet formeel, bestaat dus toch het gevaar dat wij vandaag materieel al zouden besluiten tot een soort structurele verlaging van het wettelijk minimumloon en de eraan gekoppelde uitkeringen. Samenvattend merk ik op, dat wij wetsontwerp nr. 17468 onaanvaardbaar vinden, omdat de lasten van deze bezuinigingen eenzijdig en onevenredig zwaar worden afgewenteld op de minima en op de lagere uitkeringen en er van het principe

Sociale Zekerheid

'sterkste schouders, zwaarste lasten' niet veel meer te bespeuren valt, omdat er nog onvoldoende houvast is om nu al te kunnen stellen, dat zelfs de zogenaamde echte minima toereikend gecompenseerd worden voor deze nieuwe extra ingreep in hun koopkracht, dankzij de verlaging van het minimumloon en omdat er met deze tijdelijke maatregel een gat van 350 miljoen geslagen wordt, waarvan nog geheel duister is hoe het straks moet worden opgevuld en waarvan het nog maar de vraag is of het tijdig op een bevredigende wijze zou kunnen geschieden.

De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Mag ik de heer Van de Zandschulp een vraag stellen? Misschien heb ik niet goed geluisterd, maar ik dacht dat u had aangekondigd dat u nog voor ons de samenhang met uw conceptprogramma wat zou verduidelijken. Misschien was het impliciet inbegrepen in uw betoog, maar misschien kunt u er ook nog even expliciet op ingaan.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil er wel op ingaan. Mijn partij heeft ook geconstateerd dat van de minima, alle minima, ongeveer een kwart zogenaamde 'echte' minima zijn. Dit betekent niet dat de andere driekwart allemaal, of voor een groot deel, tot de rijke gezinnen zouden behoren. Het valt aan te nemen dat het daarbij ook voor het overgrote deel om tamelijk bescheiden inkomens gaat. Daarom blijft onze doelstelling erop gericht de koopkracht voor alle minima zo goed mogelijk te waarborgen. Wij sluiten niet uit dat ons dit niet helemaal lukt en wij sluiten zeker niet uit dat ons dit niet helemaal zal gelukken wanneer wij ook overgaan tot een drastische herverdeling van arbeid, en dat willen wij. Dat is een heel centraal punt in ons programma. In dat geval moeten er, zeggen wij, aanvullende maatregelen komen voor mensen die anders -het gaat in dit geval om huishoudens -beneden een acceptabel minimumniveau dreigen te komen. Het is niet de meest fraaie maatregel, het is ook niet structureel voldoende geregeld, maar in noodsituaties moet men soms met noodmaatregelen werken.

De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! De heer Lubbers heeft aan de overzijde van het Binnenhof gezegd, dat een van de doelstellingen van de amendering was, ervoor te zorgen dat gezinnen die alleen van minima moeten rondkomen, hiermee geholpen worden. Ik heb begrepen dat de heer Meijer zelf heeft erkend dat dit in strijd is met hetgeen de heer Den Uyl voorstond met het oog op het behoud van de koopkracht van alle minima. Hij gebruikte hierbij de woorden: dat is in het debat enigszins verloren gegaan. Ik dacht dan ook dat deze toezegging gebaseerd was op de feiten. De doelstelling van de amendering, zo constateer ik, stemt in belangrijke mate overeen met het ontwerp-verkiezingsprogramma dat de Partij van de Arbeid nu aan de partij heeft voorgelegd. Het tegendeel heb ik ten minste niet uit uw bewoordingen kunnen afleiden.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik zal nogmaals een poging doen, het uit te leggen. Toen de heer Den Uyl nog Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was, kwam het koopkrachtbeeld, zoals dat uit zijn voorstellen naar voren kwam, voor de minima uit op min anderhalf. Hij vond dat voor de echte minima onaanvaardbaar, dus werd ook toen al 100 min. gereserveerd voor een eenmalige uitkering aan de echte minima. Deze uitkering was al opgenomen in de voorstellen van de heer Den Uyl. Het amendement-De Korte/De Vries betekent dat de koopkrachtdaling voor alle minima, dus ook de echte, niet anderhalf is, maar gemiddeld tweeŽneenhalf. Er was dus extra geld nodig om dat te compenseren en er is 60 min gevonden. Het gaat nu om het volgende. Door dat amendement gaat de koopkracht van de echte minima er ongeveer f 230 a f240 dit jaar op achteruit. De vraag is nu of dit gat gecompenseerd kan worden met die 60 min. Dat hangt namelijk af van het feit hoeveel echte minima zich melden voor deze eenmalige uitkering. Ik vrees dat dit er iets meer zullen zijn dan toereikend is voor die 60 min. Dat was de strekking van mijn betoog. De heer Christiaanse (CDA): Misschien wilt u dan nu ingaan op hetgeen hierover in uw verkiezingsprogramma is opgenomen.

De heer Van de Zandschulp (PvdA)undefined: Ik begrijp niet goed wat u nu zegt. Ik kan u niet verstaan.

De Voorzitter: Misschien kunt u hierop in tweede termijn dieper ingaan.

De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Ik ben nog steeds geÔnteresseerd in het antwoord van de heer Van de Zandschulp naar de relatie tussen het concept-verkiezingsprogramma en de achterliggende gedachte en de doelstelling van de amendering. Ik heb daar nog steeds geen precies antwoord op gekregen, hoewel de heer Van de Zandschulp dat zelf heeft aangekondigd. Ik dacht daarom aanspraak op dat antwoord te kunnen maken.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Ik vrees dat ik dan in herhalingen verval, omdat ik het al heb uitgelegd.

De Voorzitter: Ik stel voor dat u daarover in de pauze met elkaar praat. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan kunt u daarop in de tweede termijn terugkomen. Anders verliezen wij erg veel tijd.

©

L.C. (Louis) van DalenDe heer Van Dalen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Voor de eerste keer is de heer De Graaf in deze Kamer als Minister in ons midden aanwezig. Ik wens hem daarom toe, politieke wijsheid te paren aan zijn kennis van veel zaken, waardoor hij in staat is om een goed beleid te voeren. De openbare behandeling van vandaag kan daartoe wellicht nog een bijdrage leveren. Wij zijn van plan bij onze inbreng daartoe het een en ander aan te reiken. Alvorens nader in te gaan op naar onze overtuiging juiste en positieve verbeteringen die krachtens het amendement-De Korte/De Vries zijn aangebracht in het aanvankelijke voorstel, wil ik eerst enkele algemene, indringende opmerkingen maken. Als wij hetgeen in de Voorjaarsnota staat op ons laten inwerken, dan moeten wij inderdaad de conclusie trekken dat het in ieder geval wenselijk is om de uitgaven in de collectieve sector te beperken. Deze overweging ligt, terecht, ten grondslag aan het wetsontwerp in zijn oorspronkelijke vorm, maar ook in de nieuwe versie. Wat zien wij nu? Men wil de uitgaven in de collectieve sector beperken door wat te doen aan het niveau van de uitkeringen. Men doet dat echter niet op basis van een herzien stelsel en men komt niet met goed onderbouwde wetswijzigingen van de zijde van de Regering die een blijvende structurele oplossing bieden! Wij maken tot nu toe steeds mee dat ad hoc, op basis van de financiŽle

Sociale Zekerheid

taakstelling, de bedragen die men aangeeft bepalend zijn voor hetgeen moet gebeuren met de sociale zekerheid. Men werkt met lapmiddelen en morrelt in feite aan de sociale zekerheid. Hoewel in de heroverwegingsrapporten voldoende bouwstenen opgestapeld zijn op op een verantwoorde wijze goed onderbouwde wetswijzigingen aan te brengen, is daarvan slechts een beperkt gebruik gemaakt. Zodoende zijn de collectieve uitgaven niet gesaneerd. Wij zijn terecht gekomen in uitschuifoperaties die (dat blijkt ook steeds uit de discussie aan de overzijde en ook hier weer) van nadelige invloed kunnen zijn op een sociaal verantwoor-de herziening van het gehele stelsel. Wat nu nog is voorkomen, bij voorbeeld de verlaging van de kinderbijslagbedragen door een aantasting van het karakter van deze verzekering -ik kom daarop nog terug -en een onevenwichtige bevriezing van uitkeringen, kan per 1 januari 1983 zomaar en dan nog in versterkte vorm terugkeren. Wij behoeven hiervoor alleen maar naar de bladzijden 12 en 13 van de Voorjaarsnota te kijken. Er wordt nu wel aangekondigd dat wij toe moeten naar een herziening van het stelsel van sociale zekerheid maar men houdt alweer rekening met vertragingen. Er staat immers: indien en voorzover het niet mogelijk zou blijken de hierboven vermelde besparingen -die bedragen liegen er niet om -qua omvang te realiseren, zal uiterlijk met ingang van 1 januari 1983 een korting op de uitkeringen worden toegepast om deze bedragen alsnog te bereiken. Welke vertragingen kunnen dan optreden? De gedachtenwisseling in het parlement over de herziening van het stelsel kan door de 'verkiezingsroes' voortslepen tot na de derde dinsdag in september. Bovendien kan men zich zo vermeien in grondslagen van dat stelsel dat die gedachtengang ook weer vooruitgeschoven wordt en men niet tot een beslissing komt. De adviesaanvragen aan de Sociaal Economische Raad moeten gericht worden uitgebracht. Op grond van het feit dat er nog geen door de meerderheid van het parlement aanbevolen maatregelen zijn, zal men daarmee ongetwijfeld in tijdnood komen. Dan moet er uit het nieuw aangetreden kabinet nog een verantwoordelijk minister zijn. Deze moet vroegtijdig kunnen optreden om te bewerkstelligen dat wetsontwerpen vůůr het einde van het jaar zorgvuldig door beide Kamers kunnen worden behandeld. De zaak dreigt dan weer mis te lopen zodat weer moet worden gemorreld aan de sociale zekerheid. Ter wille van een tijdig gewenste structurele oplossing op basis van goed onderbouwde wetswijzigingen, moeten wij vandaag aan de huidige bewindsman vragen de gedachtenwisseling met de vaste commissie aan de overzijde zů te voeren -ik heb begrepen dat hieraan in fasen wordt gewerkt -dat de te volgen hoofdlijnen van het te ontwikkelen beleid vroegtijdig waarneembaar kunnen zijn, opdat hij in de nieuwe begroting reeds gepaste wettelijke maatregelen in het vooruitzicht kan stellen. Het departement kan dan ook aan de slag met het redigeren van bruikbare wetsontwerpen en met de concepten voor de gerichte adviesaanvragen. In het periodiek overleg met de voorzitter van de Sociaal Economische Raad kan de Minister dan ook een tijdsplanning maken. Bovendien wordt tijdig duidelijk wat op grond van de structurele herziening beschikbaar komt vanuit de 'afslanking' van dat stelsel, te weten welke structurele besparingen op de collectieve uitgaven mogelijk zijn, zodat ook dat beleid met het sociale beleid kan sporen. Wanneer zo gewerkt zal worden, dan is het mogelijk op dit moment, bij gebrek aan een structurele voorziening en aan een verantwoord structureel besparingsalternatief, akkoord te gaan met het tijdelijke karakter tot 1 januari 1983. Ik kom dan aan de positieve en juiste betekenis van de voorgestelde maatregelen op basis van het amendement-De Vries en De Korte. Een algehele verhoging van enige socialezekerheidsuitkeringen met de prijsconv pensatie van 2,46% per 1 juli 1982, vinden wij positief aanvaardbaar omdat -ik kijk hierbij naar de rechthebbenden en de verzekerden -dit een evenwichtiger kortingsbehandeling van de betrokkenen betekent dan de afwijkingen die oorspronkelijk in het regeringsvoorstel voorkwamen. Bovendien wordt dan rekening gehouden met de bezwaren die de Sociaal Economische Raad -er was wel degelijk een advies -naar voren heeft gebracht en met hetgeen de sociale partners tot uitdrukking hebben gebracht. Een tweede positief punt is dat de koopkracht van huishoudens met kinderen door het afvoeren van de kinderbijslagwetswijziging, beschermd is tegen een verdere teruggang.

Ik kom nu bij het karakter van de Kinderbijslagwet. Wij moeten dit in de discussies duidelijk betrekken. Wij weten dat in de loonvorming na de oorlog (dat is nu bij de Algemene Bijstandwet ook het geval) de kinderbijslag een vorm van inkomen is van man en vrouw gezamenlijk. Men gaat er voorts vanuit dat zij een stuk financiŽle verantwoordelijkheid hebben voor het levensonderhoud en de opvoeding van kinderen. Aangezien het levensonderhoud niet voldoende is gedekt, geven wij een tegemoetkoming in de additionele kosten. Uit signalen van sociale diensten, de gezinsraad en maatschappelijk werkers blijkt dat de marge bij de lage inkomens om de financiŽle verantwoordelijkheid te dragen uiterst smal is geworden. Dit is versterkt door de nivellering van de inkomens en de enorme stijging van de kosten van levensonderhoud. Er kan dan ook worden gesteld dat de kinderbijslag voor de lage inkomens een bodemvoorziening is. Dat is iets om verder over na te denken als wij ons aan de hand van een inventarisatienota gaan bezighouden met de kinderbijslagwetgeving. Als men spreekt van grotere financiŽle draagkracht in allerlei . gezinnen, moet men bedenken dat zij langs andere wegen voor 'vol' worden aangezien. Ik denk aan de belastingheffing, de premieheffing en andersoortige heffingen. Bovendien is gebleken dat door herschikking van middelen vanuit het stelsel de kinderbijslag qua karakter kan worden behouden. Het is interessant te zien wat zal gaan gebeuren bij de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag die in uitzicht is gesteld. Hoe staat het met de studiefinanciering vanaf het achttiende jaar? Mogen wij daar reŽel op rekenen? Aanvankelijk was het de bedoeling dat er sprake zou zijn van neutrale budgettering. Er is een systeem ontworpen waardoor aan duizenden studenten een lening moet worden verstrekt. Door het beslag dat de overheid erop legt is er krapte op de kapitaalmarkt. Hier en daar valt te horen dat het financieel gewoon niet haalbaar is. Het lijkt mij goed hierover helderheid te krijgen. Wij moeten niet de schijn ophouden dat de studiefinanciering er nog komt. Komt zij er wel dan is het mooi haar gelijktijdig met de leeftijdsafhankelijke kinderbijslag in te voeren en van meet af aan het tweesporenbeleid te voeren.

Sociale zekerheid

Wat betreft de koopkracht kom ik weer terecht bij de eenmalige uitkering aan de echte minima. Men heeft het bedrag kunnen vrijmaken om het extra verlies aan koopkracht als gevolg van aanvaarding van wetsontwerp 17468 naťenoeg geheel te verzachten. De Minister heeft daarover in de Tweede Kamer een duidelijke uitspraak gedaan. Wij kunnen de uitwerking dus vol vertrouwen tegemoetzien. In de noot bij het staatje van FinanciŽn wordt ook verwezen naar de eenmalige uitkering. Dat de zelfstandigen er ook in delen is mede te danken aan de motie-Franssen die hier indertijd is aangenomen. Structureel en qua rechtszekerheid voor de echte minima is de eenmalige uitkering echter geen oplossing. Wij moeten snel toe naar een structurele voorziening, ook voor de echte minima, per 1 januari 1983. Die moet zijn gebaseerd op wettelijke maatregelen die voorzien in de relatieve behoefte. Er moet ook een gegarandeerd bestaansminimum op een verantwoord maatschappelijk peil zijn. Ik noem in dit verband nog een keer de signalen uit de samenleving waarvan ik zoeven gewaagde. Wat de inkomensvorming betreft zitten wij ook met een vloer. Wij moeten terughoudend zijn om het gebouw van de loonvorming door nivellering aan de onderkant niet te verstoren. Wij moeten in het stelsel een 'sociaal vangnet' hebben, een maatstaf die aangeeft wat het bestaansminimum is voor alleenstaanden, voor echte minima enz. Kunnen wij in het stelsel onvoldoende regelen via de relatieve behoefte, dan moeten wij op iets kunnen terugvallen. De vraag is of dit in het kader van het stelsel kan of dat de weg moet worden ingeslagen van herziening van de Algemene Bijstandswet. Het is van belang dat de discussie daarover in de Tweede Kamer snel plaatsvindt, opdat aanzetten worden gegeven voor structurele uitwerking van deze zaak. Op dit moment moeten wij niet de discussies van de overzijde van het Binnenhof herhalen. Wij wensen de bewindsman en de Tweede Kamer toe dat zij het de Regering via een vruchtbare discussie mogelijk maken aan te koersen op een gericht minimabeleid dat zich rond 1 januari 1983 uitkristalliseert. Wij gaan akkoord met deze tijdelijke maatregel voor de periode tot 1 januari 1983. Tijdig moet echter worden gewerkt aan structurele oplossingen zoals wij deze hebben bepleit.

©

G.O.J. (Govert) van TetsDe heer Van Tets (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de goede wensen die de heer Van Dalen aan het adres van de Minister heeft uitgesproken. Met dit wetsontwerp, dat pas de vorige week in de Tweede Kamer is behandeld, begeven wij ons in een ietwat oneigenlijk discussie. Het oorspronkelijk bij de Tweede Kamer ingediende en door de Minister verdedigde wetsontwerp is immers ingrijpend veranderd. Het neemt eigenlijk de plaats in van drie wetsontwerpen, namelijk 17203, 17467 en het oorspronkelijke 17468. De Minister heeft het een andere rangschikking van de noodzakelijke bezuinigingen genoemd en de verantwoordelijkheid voor het wetsontwerp, zoals het nu hier ligt, volledig aanvaard. Het wetsontwerp 17203 was in deze Kamer nog niet geagendeerd. Ik vraag mij af of het niet-behandelen ervan niet een gat zou hebben laten vallen in de totale bezuinigingsinspanning. Dat probleem is nu in elk geval opgelost. Met het van de agenda afvoeren van wetsontwerp 17467 inzake de kinderbijslag behoeven wij ook niet ongelukkig te zijn. Wel verheugt het mij zeer dat de Minister aan de overzijde heeft toegezegd nu met spoed de volgende fase van de structuurwijziging, het leeftijdsafhankelijk maken van de kinderbijslag, te zullen indienen. Kan tegelijkertijd het sluitstuk van de studiefinanciering tegemoet worden gezien? Dat is in deze tijd een zaak die juist voor de toekomst van het grootste belang is. Het is nodig dat de mensen weten waaraan zij toe zijn als zij een beslissing moeten nemen die voor een aanzienlijk aantal jaren gevolgen heeft. Ik hoop dat het deze Minister in deze korte kabinetsperiode toch gegeven zal zijn de kinderbijslaghervorming, waaraan hij eerder zoveel heeft bijgedragen, weer een stuk verder te helpen na de stagnatie die ook hierin onder het vorige kabinet was opgetreden. Onze fundamentele bezwaren tegen de oorspronkelijke versie van dit wetsontwerp zal ik niet opnieuw uitspinnen. Zij zijn voldoende bekend. Het was trouwens niet alleen voor ons onverteerbaar, maar ook voor de SER, het VNO en het CNV. Uiteindelijk zijn dit soort wetsontwerpen nooit aantrekkelijk te noemen. De vraag is alleen maar of je ze slikt omdat ze niet onverteerbaar zijn en omdat die medicijn nu eenmaal moet. Waarom wij die medicijn moeten slikken, daarop zal ik later op deze dag bij de behandeling van het wetsontwerp inzake de solidariteitsheffing nog wel ingaan. Voor ons staat vast dat daarbij prikkels tot produktie nodig zijn in plaats van prikkels tot consumptie. Gegeven de mededeling van de Minister van FinanciŽn dat 82% van de minima niet tot de echte minima behoren, is ons inziens de tijd voorbij dat wij ons kunnen veroorloven louter op grond van systematieken miljoenen uitte delen aan groepen die het niet zo breed hebben. Ik geef toe dat wij, toen wij ten onrechte dachten dat het wel kon lijden, daaraan ook volop hebben meegedaan zonder na te gaan of het echt nodig was voor het beoogde doel. Gegeven het feit dat voor de echte minima opnieuw speciale voorzieningen worden getroffen, is dit wetsontwerp, zoals het er nu ligt, naar onze mening fundamenteel beter en uit sociaal oogpunt verteerbaar. Dat zou het ook voor anderen moeten zijn. Dat is het niet voor de heer Van de Zandschulp, die zwaar geschut in stelling heeft gebracht. Ik wijs er echter op dat weliswaar dit wetsontwerp minder nivellerend is dan het vorige, maar het nog steeds is. De echte minima zullen met de geplande voorzieningen uiteindelijk terugkomen op de achteruitgang van 1%, die wij in dit verband al eerder hebben gehoord. Ik wacht het antwoord van de Minister over deze zaak af. Ik zie geen aanleiding hierop nu verder in te gaan. Het is jammer dat door de wijze waarop het nu in het vat is gegoten een deel van de structurele ombuiging, die in het oorspronkelijke pakket was begrepen, over de muur is gevallen. Dat was naar onze mening op zich zelf niet nodig geweest, daarom is het dubbel jammer. Ik meen dat ook de heer Van Dalen die mening is toegedaan. Dat is dan tenminste een punt waarover wij het ook met de heer Van de Zandschulp eens kunnen zijn. Het is een reden temeer om het kabinet sterkte te wensen bij het voor het volgende kabinet voorbereiden van een degelijke begroting voor 1983.

Sociale zekerheid

©

S.C. (Suzanne)  Bischoff van HeemskerckMevrouw Bischoff van Heemskerck (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Mijn complimenten aan de Minister. De laatste keer, dat wij tegenover elkaar stonden, was geloof ik in de Tweede Kamer, toen hij nog Staatssecretaris was. Het gaat snel. 'Maar niet lang', wordt naast mij gezegd. Dat moeten wij nog maar afwachten. Het is weer voorjaar, zomer zelfs, en wij zijn weer wetjes aan het bespreken om gaten te dichten. Ondanks al onze waarschuwingen, vooral in dit huis geuit -ik het kort mogen meemaken en gelezen dat het ervoor ook gebeur-de -is het ons nog niet gelukt, te geraken tot een betere en structurele wetgeving op dit punt. Wij hebben snel een verdeeld advies gehad. Het VNO/CNV-voorstel is overgenomen in een amendement van het CDA en de VVD. Op zichzelf is dat een aardig politiek feit. Men heeft een en ander proberen te verdoezelen in de Tweede Kamer door de verschillen tussen het amendement van mijn partijgenote Groenman en dat van het CDA en de VVD enigzins naar elkaar toe te trekken, maar ik geloof dat dit niet juist is. Op dit aardige politieke feit kom ik straks terug bij mijn antwoord aan de heer Van de Zandschulp. Ik denk dat tussen het amendement van mijn partijgenote Groenman en dat wat de meerderheid in de Tweede Kamer heeft aangenomen een groot verschil zat. De filosofie erachter was anders. Dat wil ik toelichten. Ik meen dat in alle partijen kritisch wordt gedacht over de kretologie, zoals die in het verleden is gebezigd. Wij wilden de koopkracht tot twee keer modaal nog niet zolang geleden beschermen. Vervolgens maakten wij er ťťn keer modaal van en daarna spraken wij alleen over de minima. Nu hebben wij het over uitsluitend de echte minima. De mensen in het land geloven ons niet meer, getuige ook de uitlatingen van de heer Schelling van deze morgen. Ik kan de mensen daarin niet helemaal ongelijk geven. Ik denk dat wij moeten kijken naar een andere maatstaf voor gerechtigheid, in de geest van: wat gebeurt er met onze uitkeringen en voor wie zijn zij goed? Wij hebben een aantal interessante studiebureaus, die daarover belangwekkende feiten naar voren hebben gebracht. Ik denk aan het Sociaal-Cultureel Planbureau, dat het vorige jaar heeft uitgerekend, dat vooral de AOW-ers zondereen extra pensioentje of met een heel klein extra pensioentje er de laatste tijd heel erg aan toe zijn; hetzelfde geldt voor de ťťnoudergezinnen met een aantal kinderen, zeg maar de bijstandsvrouwen, want dat zijn het over het algemeen. In het belangwekkende rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wordt gesproken over het denivellerende effect van onze tertiaire inkomensverdeling. In D'66 is een discussie gaande -ik heb het ook van andere partijen gehoord en zelfs in een aantal partijgrogramma's kunnen lezen -over het antwoord op de vraag: waar moeten wij de nieuwe rechtvaardigheid op ijken? Wij hebben dit, pragmatisch als wij zijn, proberen te doen aan de hand van de feiten, die zijn genoemd door een aantal heel belangrijke studie-en adviesorganen van de Regering. Het grote verschil was, dat volgens het amendement van mevrouw Groenman de AOW-ers en de ťťnoudergezinnen gespaard zouden worden: geen verlaging van de kinderbijslag maar wel een bevriezing ervan en een andere soort trapsgewijze verdeling dan door het CDA en VVD was voorgesteld. Ik denk dat daar een totaal andere filosofie aan ten grondslag ligt. Ik verneem ook graag een verduidelijking van de Minister, die destijds geporteerd was voor het voorstel van mevrouw Groenman. Hij noemde dat amendement evenwichtig, zelfs evenwichtiger dan dat van zijn eigen partij en de VVD. Waarom zijn zijn zieleroerselen tot zo'n hoogte gegaan, dat hij nu het amendement van het CDA en de VVD verdedigt? Of moeten wij een nieuwe bezuiniging invoeren en alle planbureaus afschaffen? Bekend is dat het Sociaal-Cultureel Planbureau onder andere heeft gezegd: een van de zaken, die de overheid werkelijk goed doet, betreft de gezinszorg. Dat is het vorige jaar zo uitgerekend en het is dit jaar nog eens bevestigd. Welnu, het eerste wat er wordt gedaan, is het formuleren van voorstellen om hier tot enorme bezuinigingen te komen. Men zou de vraag kunnen stellen, of men niet beter zou kunnen bezuinigen op deze studieclubs maar ik ben daar geen voorstander van. Wij doen er goed aan, te luisteren naar hun berichten over de maatschappij. De politiek zou nog meer van de maatschappij vervreemden als wij dergelijke antennes zouden loslaten. Vervolgens wil ik even terugkomen op het 'naturisme' van de heer Van de Zandschulp. Het CDA had ons een schaamlapje voorgehouden maar hij bood ons de ruime mantel van de progressieve samenwerking aan. In het verleden, bij discussies over de zedelijkheidswetgeving, is het wel eens anders geweest. Daarbij kwam het schaamlapje meestal van de progressieven en de grote mantel werd dan aangereikt door het CDA. Men ziet wel, dat de tijden veranderen. De heer Christiaanse bedekte mij met de mantel der liefde door te zeggen, dat een en ander schokkend was voor D'66. Ik ben altijd wat bang als ik door zo'n mantel der liefde word bedekt; het zou ook een judaskus kunnen zijn. Toch zit er achter dit alles een zekere arrogantie van de PvdA. Als een van de grote voorstanders van samenwerking zou ik daarop tůch willen wijzen. Het is de arrogantie in de trant van: 'progressief zijn wij en verder niemand'. Zie ik naar wat de heer Den Uyl heeft gedaan met die uitkering voor zelfstandigen, vraag ik mij af, of dit progressief of ideologisch is. Zie ik sommige punten van het werkgelegenheidsplan, die meer kosten dan aan werkgelegenheid opleveren, vraag ik mij af of het wel zo progressief is. Ik denk het dat het flink zou helpen wanneer deze arrogantie plaats zou maken voor een aardig verzoek aan D'66 om mee te doen. Overigens deed de heer Van de Zandschulp de suggestie, dat D'66 zich zou verschuilen onder de mantel van de progressieve samenwerking. Hoe is dit te rijmen met de uitspraak, door zijn partijgenoten aan de overzijde gedaan, dat geen enkele partij wordt uitgesloten? Vraagt de PvdA van D'66 dingen te doen die zij zelf niet doet? Mijnheer de Voorzitter! Genoeg over naturisme, mantels en schaamlappen. Wij kennen wat betreft dit wetsontwerp grote aarzelingen. Het grijpt ons inziens te sterk in bij de minima, waarvan al is aangetoond dat zij het buitengewoon moeilijk hebben. Bovendien is geen sprake van een structurele component voor de komende jaren, waardoor wij weer met een soort noodwetgeving komen te zitten. Wij zullen onze stem om deze redenen niet aan het wetsontwerp kunnen geven.

De Voorzitter: Thans is het woord aan de leden, die willen spreken over wetsontwerp nr. 17439.

Sociale zekerheid Arbeidsvoorwaarden collectieve sector

©

L.C. (Louis) van DalenDe heer Van Dalen (CDA): Mijnheer de Voorzitter! De verlenging van de werkingsduur van deze tijdelijke wet is gebaseerd op de noodzaak van het beleid, dat voorziet in een voortgezette beheersing van de loonkostenontwikkeling in de collectieve sector. Omdat wij in een moeilijke sociaal-economische situatie verkeren, moet de financiering van de collectieve uitgaven binnen de perken worden gehouden. Wij kunnen dat onderstrepen. Bovendien is intussen uit bekendgemaakte cijferreeksen en onderlinge vergelijkingen gebleken dat de zelfbeheersing in de collectieve sector in dit opzicht niet overal even bevredigend is geweest, hetgeen weer leidde tot onrechtvaardige verschillen. Daarom stemmen wij in met deze verlenging. In de tijdelijke wet wordt nu voorzien in de creatie van een gestructureerd overleg op centraal niveau. Om het met een van de werkgevers te zeggen: men moet niet denken dat het ontwerpen van een structuurtje meteen betekent dat er sprake is van ťcht overleg. Men heeft daarmee slechte ervaringen in de overheidssector, waar het centraal overleg meestal niet meer inhoudt dan het aanhoren van een dictaat. Daarom is het goed dat er nader beraad plaatsvindt over de meest adequate structuur en de gehanteerde spelregels, waarbij dan nog rekening kan worden gehouden met een aantal ideeŽn die de betrokken organisaties zelf naar voren hebben gebracht. Bovendien is het goed dat jaarlijks een verslag aan de Staten-Generaal wordt uitgebracht over de uitvoering van de wet en over het verloop van het overleg. Dat geeft ons de mogelijkheid, de structuur te evalueren. Dat is weer van belang omdat wij te zijner tijd het ontwerp-Bekostigingswet collectieve sector (16505) moeten beoordelen. Wat rekenen wij nu tot de collectieve sector? Tot de collectieve sector worden gerekend alle delen, ongeacht de wijze van financiering, want zo lezen wij dat naast de subsidies en rijksbijdragen ook sprake is van de opbrengsten van de premies van de sociale verzekeringen. Als men, zoals in de memorie van toelichting staat, recht wil doen aan de eigen positie van werkgevers en werknemers en het eigen karakter van de sectoren, dan doet dit uitgangspunt vreemd aan. Het is dan ook begrijpelijk dat bij voorbeeld de bedrijfsverenigingen met het karakter van het bedrijfseigene en hun oriŽntatie op het bank-en verzekeringswezen zich meer tot de private sector gerekend willen zien. Wij achten echter een andere overweging veel belangrijker. De Minister is nog staatssecretaris van Sociale Zaken geweest. Hij heeft toen met steun van de meerderheid van de Tweede Kamer een gerichte adviesaanvrage naar de Sociaal-Economische Raad gezonden, met een hele conceptie van een beleid, integratie van sociale wetten, regionale uitvoeringsorganisaties waarin een samenwerking met de gemeenten is opgenomen en harmonisatie van arbeidsvoorwaarden. Hij heeft daaraan zelfs een wetsontwerp toegevoegd, om te laten zien hoe hij de zaken wettelijk zou willen regelen. Daarin zien wij dat het bestaande artikel 27 van de organisatiewet inhoudelijk wordt overgenomen, maar ook uitgebreid naar analogie van de artikelen 10 en 47 van de Wet op de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid, wat betekent dat men de bekostiging van de organen en de bekostiging van de lonen en arbeidsvoorwaarden met nadere richtlijnen van de Minister door een algemene maatregel van bestuur regelt. Dat is een duidelijke conceptie, een eenduidig regime voor het totale terrein van de sociale verzekering. De vraag is nu waarom de Minister die logische beleidslijn van ťťn geharmoniseerd bekostigingssysteem voor de sociale verzekering definitief heeft verlaten. Welke instantie, welk orgaan of wie dan ook heeft dit op welke gronden afgeraden? Wij achten het niet juist dat het uitgestippelde pad ineens wordt verlaten, zeker waar het advies van de Sociaal-Economische Raad ter zake van de hele reorganisatie van de sociale zekerheid nog niet is uitgebracht. Men kan toch tussentijds artikel 27 van de organisatiewet uitbreiden in de zin die ik heb aangegeven? Dat lijkt ons beter dan dit tijdelijke wetsontwerp, dan wel te wachten op het definitieve wetsontwerp 16505. Bovendien heeft de Minister zelf tijd gecreŽerd voor het nader beraad. Hij kan het checken bij de betrokken partners. Graag horen wij een reactie van de Minister op onze gedachten.

©

G.O.J. (Govert) van TetsDe heer Van Tets (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ook dit wetsontwerp moeten wij behandelen op een zeer korte termijn, op de dag voordat het in het Staatsblad moet staan. Dat is hier te meer hinderlijk omdat niet duidelijk is dat het niet anders had gekund. Al lang is de materie hier aan de orde in bespreking, onder meer in het kader van het wetsontwerp 16505. Dat men daar niet mee klaar kwam had men al maanden geleden kunnen zien aankomen. Wanneer nu de tijdelijke wet opnieuw, en wel met twee jaar, wordt verlengd, rijst bij ons de vraag of in die tijd niet moet worden gestreefd naar een oplossing die verder gaat dan wat in het kader van wetsontwerp 16505 voorlopig en semistructureel is genoemd. Kunnen wij, inclusief de SER, niet zover komen dat wij na de tweede verlenging van het tijdelijke regime op een definitieve, zij het uiteraard niet voor de eeuwigheid geldende, maar als structureel beschouwde oplossing kunnen hopen? Zou de Minister nog eens willen uiteenzetten hoe hij dat ziet en met name, als het niet kan, waarom niet? De kern van de discussie over dit wetsontwerp gaat over de merites van de uitbreiding van de feitelijke werking ervan tot de groep der niet-trendvolgers die tot nu toe in het kader van de z.g. bestekkortingen buiten schot waren gebleven. Daarover is nogal wat kabaal gemaakt. Wanneer de Minister echter in de Tweede Kamer zegt dat het wetsontwerp op dit moment dringender dan ooit nodig is voor de beheersing van alle loonkosten die berusten op financiering door de overheid en dat daarbij niet essentieel is hoe die kosten worden gefinancierd uit de publieke middelen maar dat ze worden gefinancierd uit de publieke middelen, ben ik het met die benadering uitdrukkelijk eens. Het verhaal van de bestekkortingen is verleden tijd. De cijfers van de tabel die zijn gepubliceerd in de nota naar aanleiding van het verslag, zijn aangevochten. Gesteld wordt dat ze ťťn derde lager zouden moeten zijn voor de betrokken groepen. Maar zelfs als dit zo zou blijken te zijn, dan is er nůg nauwelijks een argument aan te ontlenen voor de stelling, dat wie bij de bestekkortingen buiten toepassing is gelaten, nu ook daarbuiten zou moeten worden gelaten. Wanneer ik bovendien zie dat, als de Minister voorstelt het overleg met betrokkenen te openen, de reactie daarop al meteen is het maken van moeilijkheden, als ik zie dat, als wordt gesproken over pakketvergelijking, de

Arbeidsvoorwaarden collectieve sector

reactie eveneens is daarover moeilijk te doen zodat de Minister in de Tweede Kamer moet verklaren dat het nog steeds niet gelukt is medewerking te verkrijgen voor de opzet daarvan, dan versterkt dit alleen maar de gedachte dat, als in de memorie van toelichting wordt aangekondigd dat het systemamatisch verkrijgen van informatie nu ter hand zal worden genomen, dit rijkelijk laat maar uitermate nuttig, om niet te zeggen noodzakelijk is. Natuurlijk zijn er zeer verschillende categorieŽn werknemers bij een en ander betrokken. Natuurlijk zijn er groepen die eigenlijk niet als normale ambtenaren kunnen worden beschouwden voor wie het waarschijnlijk ook helemaal niet goed zou zijn als zij zich als ambtenaren zouden opstellen. Dergelijke categorieŽn zijn echter even goed te vinden onder de trendvolgers, en zelfs onder de officiŽle ambtenaren, zowel als onder de niet-trendvolgers, even goed als er ook onder de niet-trendvolgers werknemers zijn die par excellence als ambtenaren kunnen worden aangemerkt, gelet op de functies die zij vervullen. Die verschillen worden door ieder erkend. Het gaat er echter om of het beleid ter zake van de arbeidsvoorwaarden van iedere werkgever die niet is onderworpen aan de harde discipline van de winst-en verliesrekening, onderworpen dient te zijn aan dezelfde budgettaire beheersing die geldt voor de departementen van algemeen bestuur. Juist aan de periferie van de besteding van publieke middelen hebben de 'potverschuivers' te lang vrij spel gehad. Natuurlijk is het goed dat de Minister de Tweede Kamer heeft toegezegd dat nader overleg zal worden gepleegd met belanghebbenden en dat die hun visie moeten kunnen geven, maar ten aanzien van het principe houde hij voet bij stuk. Het is mij opgevallen dat in de Tweede Kamer eenzijdig is gesproken over achterstanden die bijzondere aandacht zouden verdienen. Ik heb daarbij gemist uitingen van het besef dat wij meer in een tijd leven waarin wij aandacht moeten besteden aan voorsprongen die hier en daar in de welvaartsperiode zijn ontstaan, juist in de sectoren waar noch de discipline van de markt noch de discipline van de stringente begrotingsuitvoering ten volle heeft gewerkt. Wij spreken hier echt niet alleen over medische specialisten.

Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben hier te maken met het spartelen van belangengroepen. Dat zij spartelen, is hun goed recht. Onder de argumenten die zij aanvoeren, zullen er heus wel zijn waaraan gehoor behoort te worden gegeven. Het ligt echter naar mijn mening niet op de weg van het parlement het de Minister moeilijk te maken om datgene aan te pakken wat op dit terrein zo nodig aangepakt moet worden. Wij zullen het wetsontwerp dan ook steunen. De beraadslaging wordt geschorst.

De Voorzitter: Ik stel voor, de wetsontwerpen nrs. 17419 en 17430 verder gezamenlijk te behandelen. Daartoe wordt besloten.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.