De voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Bepalingen in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsonv standigheden) - Handelingen Eerste Kamer 1980-1981 04 november 1980 orde 6


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Bepalingen in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsonv standigheden) (14497). De beraadslaging wordt hervat:

©

W. (Wil)  AlbedaMinister Albeda: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil beginnen met de Kamer hartelijk dank te zeggen voor het feit dat van zoveel verschillende zijden zo positief is gereageerd op dit wetsvoorstel. In de Tweede Kamer heb ik gezegd -de heer Trip heeft dit ook aangehaald -dat deze wet past in het drieluik: Wet op de ondernemingsraden, Arbeidsomstandigheden wet en Raamwet inkomensvorming. Het lijkt mij erg belangrijk dat de wet er komt. Erg belangrijk lijkt mij ook de manier waarop de wet er is gekomen. Van verschillende kanten is erop gewezen, dat de wet er gekomen is, mede dank zij in-tensieve participatie van de Tweede Kamer. Je kunt bijna zeggen dat de wet gemaakt is door een collectief. Wanneer men daarbij alleen zou denken aan de Tweede Kamer -in openbare commissievergaderingen is men intensief aan het redigeren geweest van teksten -zou men onderschatten de groep van instanties en mensen, die aan de totstandkoming van de wet hebben gewerkt. Ik denk daarbij ook aan de participatie van de sociale partners; de drie poten van de vakbeweging en de werkgeversorganisaties hebben in sterke mate bijgedragen tot het denken over de wet en tot het formuleren van teksten. Interessant is nog te vermelden dat vanmorgen de heer De Bruin bij de opening van de manifestatie van de FNV en het CNV met betrekking tot de bedrijfsgezondheidszorg uitdrukkelijk zijn waardering uitsprak voor de bijdrage van de werkgeversorganisaties aan de ontwikkeling van deze wet. Dat is in deze dagen een geluid dat waard is aan de vergetelheid ontrukt te worden. De Arbowet -men weet dat wij een bepaalde terminologie hebben meegekregen uit de Tweede Kamer; alles wat met deze wet te maken heeft, krijgt de term 'arbo' -is een wet ter vervanging van de Veiligheidswet. Ten opzichte van de huidige wet omvat het nieuwe ontwerp meer dan alleen onderwerpen op het gebied van de technische veiligheid en de fysieke gezondheid van de werknemers. De Ar-bowet bevat ook bepalingen voor het organiseren van de arbeid en het in-richten van arbeidsplaatsen, onderwerpen waarmee de werknemer heeft te maken bij het verrichten van arbeid. Die verbreding van de actieradius van de wet en de benaderingswijze van de problematiek lijken mij erg belangrijk voor de plaats van de werknemer in het arbeidsbestel. In het wetsontwerp treft men dan ook een aantal elementen aan -de heer Franssen heeft daarop gewezen -die, zij het in beperkte mate, te maken hebben met het welzijn als onderdeel van een veel groter geheel, namelijk het sociale beleid in de onderneming, waarover mijn ambtsvoorganger reeds op 10 december 1974 aan de SER om advies heeft gevraagd. Ik kom daarop straks nog terug. Van verschillende kanten is de vraag gesteld, hoe het eigenlijk zit met het begrip 'welzijn'. Juist op dat punt ziet men kennelijk problemen. Is het begrip niet te vaag, is het niet te subjectief en politiek geladen? De heren Franssen, Zoutendijk en Kloos wezen op deze mogelijkheid. Ik denk echter dat wij in de toekomst meer en meer te maken zullen krijgen met de kwalitatieve aspecten van de arbeid. Meer en meer blijkt, ook nu reeds, dat de arbeidsmarktproblematiek, waarover wij ons terecht zorgen maken, niet alleen een kwantitatief vraagstuk is. Het is in belangrijke mate kwantitatief, als het gaat om een tekort aan banen. Het is kwantitatief, als het gaat om een moeilijke verhouding tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de verdeling van de arbeid. Het is ook kwantitatief in die zin, dat wij moeten streven naar manieren om te komen tot een betere verdeling van de arbeid. Tegelijkertijd blijkt bij voorbeeld uit de problematiek van de knelpunten op de arbeidsmarkt en vooral ook uit de problematiek van het toegenomen ziekteverzuim alsmede uit de explosieve ontwikkeling van de arbeidsongeschiktheid, hoezeer ook het kwalitatieve aspect van bijzonder grote betekenis is. Het lijkt mij daarom van belang nog even in te gaan op de term 'welzijn in verband met de arbeid'. Men vindt bepalingen met betrekking tot dit begrip 'welzijn' in artikel 3, onder f tot en met i. Aldaar gaat het niet om vage ongrijpbare zaken, maar om heel concrete zaken, zoals het tempo van de arbeid, de rnate waarin arbeid neerkomt op voortdurende herhaling, op de samenstelling van het takenpakket, op de eigen invloed van de werknemer op het werk enzovoort. Daarmee is naar mijn mening dit begrip enigszins uit de sfeer gehaald van het alleen maar kwalificerend spreken. De omstandigheden en verhoudingen, waaronder wordt gewerkt, en de in-houd van de arbeid die wordt verricht, dienen zo te zijn dat voldoende ruimte wordt geboden voor arbeid als bron van creativiteit en als middel tot ontplooiing en zelfverwerkelijking, waarover een mens zou moeten kunnen beschikken. Alleen als de arbeidsomstandigheden, de arbeidsorganisatie en de arbeidsinhoud daartoe voldoende mogelijkheid bieden, kan de arbeid een bijdrage leveren tot het welzijn van de werknemers. Het begrip moet functioneren binnen het begrip 'arbeidsomstandigheden', zoals gehanteerd in het wetsontwerp, en is beperkt tot de in-vloed die de werknemer fysiek en psychisch ondervindt van de deelneming aan het arbeidsproces en het daarmee samenhangende verblijf binnen het bedrijf of de inrichting. Waar op enkele punten in het wetsontwerp de uitdrukking 'welzijn in verband met de arbeid' wordt gebezigd, zoals in artikel 24, heeft het uiteraard dezelfde betekenis als in de considerans. Het welslagen van maatregelen op dit terrein zal in grote mate afhankelijk zijn van een goed samenspel tussen besluitgever en het bedrijfsleven omtrent de invulling van het begrip 'weizijn' door concrete maatregelen en voorzieningen. Samenspel staat daarbij voorop. Het wetsontwerp bevat een soort groeimodel, ook ten aanzien van de concretisering van een begrip als welzijn, en in dat groeimodel gaat het vooral om datgene wat werkgevers en werknemers binnen de onderneming en op de niveaus van bedrijfstak en ook centraal zelf aan gedachten naar voren brengen. De heer Zoutendijk is bang voor een te veelvuldig gebruik van artikel 40, een verzoek tot wetstoepassing, waardoor de overheid een te grote greep zou krijgen op de inhoud van het begrip 'welzijn'. Wij zien echter het gebruik van artikel 40 als een laatste mogelijkheid om uit een geschil te komen. De bedoeling is dat de werkgever en de werknemer tot het uiterste trachten, er zelf uit te komen. Pas als dit niet lukt, dienen zij bij de Arbeidsinspectie te rade te gaan. Het is overigens merkwaardig dat de discussie over het welzijn in verband met de arbeid pas in de laatste twee jaren goed op gang begint te komen, terwijl buiten de

sfeer van de arbeid overheidsactiviteiten met betrekking tot het welzijn al aanvaard zijn. De heer Kloos sprak in dit verband van een gemiste kans om in de tijd van de snel groeiende welvaart deze problematiek aan te vatten. Ik denk dat een en anderte maken heett met de sociale revolutie, zoals de westerse samenleving deze doormaakt sinds het begin van de jaren zestig toen wij nog waren in de volle beweging van de economische groei. Wij werden toen plotseling geconfronteerd met groepen van vooral jongeren, die stelden dat economische groei mooi was maar dat het alleen streven naar meer inkomen niet voldoende kon zijn; die economische groei had ook zijn sociale kosten. Ik denk dat data als 1968, de Franse meirevolutie, en 1969, de hete herfst van Italië, een belangrijke rol hebben gespeeld. Zij vormden symptomen van een onderliggende stroom in de westerse samenleving; mensen wilden behalve het grotere inkomen aandacht voor het welzijn in een breed scala. Het gaat en ging om welzijn in de samenleving in het algemeen; er kwam meer belangstelling voor het milieu, voor de sociale kosten van de economische groei. Ook werd aandacht gevraagd voor het welzijn binnen de wereld van de arbeid. Ik herinner me, zo sprekend, een onderzoek van enkele Franse sociologen over de redenen van arbeidsconflicten in Frankrijk, tien jaar vóór en tien jaar na 1968. Uit dit onderzoek bleek dat er een duidelijke verschuiving optrad. Vóór 1968 waren er veel meer conflicten op hetterrein van de inkomensverhoudingen dan op hetterrein van het welzijn in de zin van arbeidstempo, takenpakket enz. Na 1968 blijven er conflicten, die met het inkomen te maken hebben, maar tegelijkertijd wordt een nieuw accent gelegd -en dit vindt kwantitatief zijn weerslag in stakingen enz. -op werkinhoud, medezeggenschap en humanisering van de arbeid. De gehele westerse wereld werd geconfronteerd met groepen, die stelden dat het niet alleen om welvaart ging -sommigen ging het in het geheel niet meer om welvaartmaar om welzijn. Waarschijnlijk is er een relatie tussen de zeer sterke groei van de weivaart, uniek tussen 1950 en 1973, en het constateren dat welvaart niet alles is en dat er meer behoort te zijn in het leven. Dit wil niet zeggen dat er een rechtstreeks verband zou bestaan tussen welvaart en welzijn. Wel kan worden gezegd dat bij de toename van de welvaart óók aandacht is ontstaan voor het begrip, dat met 'welzijn' wordt aangeduid. Duidelijk is, dat er een spanningsveld kan ontstaan tussen het nastreven van welvaart en de realisering van het welzijn en dat economische mogelijkheden kunnen botsen met sociale wenselijkheden. De heer Kloos zou graag enkele voorbeelden zien van keuzen tussen welvaart en welzijn. Het is eenvoudig om enkele concrete punten te noemen maar ik denk dat het ook niet zo moeilijk zou zijn -als ik er de gelegenheid voor had, zou ik het graag nader uiteenzetten -om aan te geven wat de accentverschuivingen zijn, bij voorbeeld ten aanzien van zaken, die bij ca.o. onderhandelingen aan de orde komen. Ik noem in dit verband het beroem-de Fiatcontract van 1972, dat een eerste zwaluw vormde, maar het is niet zo moeilijk om voor alle Westeuropese landen te laten zien hoe plotseling in alle ca.o.'s meer dan voordien naast de problematiek van de lonen, die nooit geheel van de agenda af schijnt te raken, punten van kwaliteit, werktempo, inhoud van het werk, functiewaardering, aan de orde komen. Dit impliceert een afweging die des te moeilijker gaat worden naarmate de economische groei minder wordt. Daarmee komt men op de moeilijke problematiek, waarover de heren Meuleman en Zoutendijk spraken, nl. van een mogelijk conflict tussen wat sociaal wenselijk is en wat economisch mogelijk is. In de eerste plaats wil ik opmerken, dat de tegenstelling tussen sociaal wenselijk en economisch mogelijk vaak een schijntegenstelling is. Wie zich realiseert dat op dit moment een van de allergrootste kostenposten voor de Nederlandse samenleving gelegen is in de problematiek van het ziekteverzuim en van de WAO, kan er mijns inziens niet aan voorbij toe te geven, dat het heel goed mogelijk is, de problematiek van het welzijn, de gezondheid, de veiligheid aan te pakken en daarmee tegelijkertijd harde economische voordelen te realiseren. In die zin behoeft de tegenstelling niet absoluut te zijn. Het streven naar weizijn op de arbeidsplaats is niet alleen maar een luxe, niet alleen maar een gebruik van economische mogelijkheden, maar in vele gevallen een versterking van de economische mogelijkheid. Verder zit in de wet de formule van het 'redelijkerwijs', waarover de heer Kloos sprak. Dat houdt in de afweging tussen wat men sociaal gewenst acht en wat economisch mogelijk is, waarbij het gaat om een goed overleg tussen de werkgever en zijn werknemers. Het unieke van deze wet is, lijkt mij, dat er in artikel 13 gewezen wordt op de noodzaak van samenwerking tussen werkgevers en werknemers op dit punt. Juist bij die redelijkerwijsclausule zal het ook gaan om het samen afwegen van werkgever en werknemers. In artikel 3 moet de werkgever bij het organiseren van de arbeid, het inrichten van arbeidsplaatsen en het bepalen van produktie-en werkmethoden een aantal maatregelen in acht nemen die betrekking hebben op de algemene zorg voor de veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid. De maatregelen zullen door de werkgever worden genomen óf op basis van zijn eigen beleid, óf als gevolg van het overleg met zijn werknemers, óf op grond van een aanwijzing van de Ar-beidsinspectie. Met uitzondering van maatregelen die genomen dienen te worden om een werknemer die zich in direct gevaar bevindt de mogelijkheid te geven om zich snel in veiligheid te stellen, zijn al deze maatregelen vereist, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze redelijkerwijsclausule dient om de afweging van de veilig-heids-en gezondheidsbelangen, dus ook tegen de economische belangen mogelijk te maken. Wel moet in ogenschouw worden genomen dat niet voor alle omstandigheden en situaties een passende uitleg van dit criterium zal kunnen worden gegeven. Het redelijkerwijs-criterium zal geobjectiveerd moeten worden met de nodige marge ten aanzien van de wijze waarop in een onderneming de algemene normen kunnen worden nageleefd. Nogmaals, dat gebeurt dan in een samenspel tussen werkgever en wernemers. De heer Zoutendijk vraagt zich af, of het begrip welzijn nog in andere wetgeving voorkomt dan de Nederlandse en de Belgische. Overigens de bijlage waarover hij sprak, betreft alleen de landen in de EG. In ieder geval is het begrip welzijn uitvoerig uitgewerkt in de Noorse wetgeving. Het zal bekend zijn dat er zeer intensief contact is geweest tussen de ambtenaren van Sociale Zaken en de counterpart in Noorwegen, maar ook tussen ons parlement en het Noorse, juist ten aanzien van de ontwikkeling van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Het is dus niet een puur Nederlands of Beneluxfenomeen, maar verder is het niet zo moeilijk om te laten zien,

dat in de gehele westelijke wereld de veiligheids-en gezondheidswetgeving op de helling staat. Ik heb hierover ongeveer vijf jaar geleden een klein vergelijkend onderzoekje gedaan dat nooit gepubliceerd is; ook hierin kwam naar voren hoezeer die wetgeving in de gehele westelijke wereld, ook in de V.S., in beweging is. Van verschillende zijden is gesproken over de problematiek van de equipage van de Arbeidsinspectie. Het is duidelijk dat de Arbeidsomstandighedenwet het een en ander zal gaan vragen van deze dienst van mijn ministerie. In mei 1976 is begonnen met een vooronderzoek dat de basis moest gaan vormen voor de uitvoering van het organisatie-ontwikkelingsproject binnen het directoraat-generaal van de arbeid. Het project, genaamd 'Project Ont-wikkeling Arbeidsinspectie', waarmee inmiddels een aanvang is gemaakt, richt zich op het huidig en toekomstig functioneren van de dienst en is opgezet om de dienst adequaat op de ontwikkeling te laten inspelen. Een vijftal projectgroepen ontwikkelt voorstellen met betrekking tot de doelstelling en taken, het werkterrein, de werkwijze, personeel en organisatie, alsmede de informatievoorziening. De Arbeidsomstandighedenwet zal in het toekomstig functioneren van de Arbeidsinspectie een zeer belangrijke plaats gaan innemen. De in deze wet vastgelegde basisfilosofie en werkwijzen zijn richtinggevend voor de verdere ontwikkeling van de dienst. Voorts zullen in het kader van het organisatieproject (dat breder is dan alleen de voorbereiding op deze wet) tal van organisatorische en procedurele veranderingen worden ingevoerd, nodig voor een goede uitvoering van deze wet. Het organisatieproject loopt derhalve parallel aan de gefaseerde in-voering van de Arbeidsomstandighedenwet, die, zoals gezegd, nogal wat tijd in beslag zal nemen. Uiteraard betekent dit niet, dat die invoering nog wel acht jaar zou kunnen wachten. Die invoering zal gefaseerd gebeuren. Dit betekent dat reeds in de onmiddellijk komende jaren de weerslag van de Ar-beidsomstandighedenwet zal worden gevoeld. Om de uitvoering van de wet mogelijk te maken, zijn tevens binnen de dienst werkgroepen ingesteld die de verschillende artikelen in de wet vertalen in consequenties voor het intern en extern functioneren. Op diverse terreinen zullen voorstellen ontwikkeld worden tot nadere regelgeving en zullen de medewerkers van de dienst via een gericht programma van interne informatie, instructie, opleiding en training worden voorbereid op hun taak bij de uitvoering van de wet. Een ander aspect is, dat de Arbeidsinspectie over voldoende mankracht zal moeten beschikken, hoewel het duidelijk moge zijn dat het vraagstuk van de mankracht niet alleen bij deze dienst een beperkende factor is. Ook de bezetting van de deskundigendiensten zal moeten worden ontwikkeld. De groei van de Arbeidsinspectie zal echter beheerst moeten verlopen, en dat, nog afgezien van de budgettaire mogelijkheden, ook gezien de noodzaak van geleidelijke inpassing, de opleiding van nieuwe medewerkers en de beschikbaarheid hiervan, zodat in totaal die periode van acht jaar nodig zou kunnen zijn. De heer Trip wees in dit verband op de noodzaak van beleidsonderbouwend onderzoek. Hij vroeg of hiervoor een budget bestond. Als men een bijlage vam de memorie van toelichting op de begroting voor 1981 beziet, zal men zien dat wij nogal wat onderzoek op dit en verwant terrein financieren. Het is ook de bedoeling dat wij binnen de budgettaire mogelijkheden daarmee doorgaan. Wij kunnen ook niet buiten een voortdurend explorerend onderzoek naar nieuwe eisen, nieuwe technologieën, nieuwe chemische processen e.d. Wij kunnen dus niet zonder beleidsonderbouwend onderzoek. Met betrekking tot werving, selectie, opleiding en vorming van nieuwe medewerkers zal niet alleen gelet worden op objectieve deskundigheid, maar wordt, overigens als van oudsher, ook de gemotiveerdheid bij de problematiek van belang geacht. De vraag van de heer Franssen was, of de Raad voor middelbaar en hoger personeel, die reeds in de voorlopige arbeidsraad zit, ook in de onderliggen-de niveaus zitting zou krijgen. Die vraag heeft mijns inziens betrekking op de districtscommissies. De samenstelling van de Arbocommissies hangt af van het standpunt dat de betrokken werknemers dienaangaande zullen innemen. Over de Arboraad heb ik mij ter zake al positief uitgelaten in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer op bladzijde 80. Het ligt in de lijn van de ontwikkeling, ten aanzien van de districtscommissies een zelfde standpunt in te nemen als met betrekking tot de Arboraad. Overigens denk ik dat de heer Franssen gelijk heeft, wanneer hij wijst op de brugfunctie enerzijds van het direct leidinggevend personeel en het gevaar anderzijds dat dit personeel loopt om juist tussen twee wallen geklemd te worden, dus tussen uitvoerend personeel dat grotere bevoegdheden krijgt en leidinggevend personeel dat de eigen bevoegdheden houdt. Een uitholling van hun positie kan dus plaatsvinden. Daarom lijkt het mij in-derdaad van grote betekenis, dat dit personeel intensief wordt betrokken bij deze ontwikkeling. De heer Franssen en eigenlijk ook de heren Zoutendijk en Meuleman hebben de vraag gesteld op welke wijze men dit wetsontwerp kan rijmen met de nagestreefde lastenverlaging voor het bedrijfsleven. Ik heb al min of meer in mijn inleiding gezegd, dat, als het erop aankomt, die tegenstelling niet absoluut is. De Arbeidsomstandighedenwet is geen luxe. Iedereen die het ziekteverzuim en de WAO bekijkt, zal begrijpen wat ik bedoel. Deze wet zal ook een naar mijn gevoel nogal moeilijkte kwantificeren bijdrage leveren aan het volumebeleid. Voorts blijft er sprake van een afweging. Er wordt ook nog steeds iets overgelaten aan de wijsheid van de sociale partners zelf, wat het tempo betreft, alsook de mate waarin men verbeteringen weet in te voeren. Bij dit alles blijf ik echter vasthouden aan mijn gedachte dat de tegenstelling tussen 'economisch mogelijk' en 'sociaal wenselijk' niet absoluut is en dat in al te veel gevallen blijkt, dat op dit punt zuinigheid niet zo geweldig bevorderlijk is voor datgene wat economisch mogelijk is. In veel gevallen blijkt juist dat het sociale beleid van strategische betekenis is voor de ontwikkeling van datgene wat bedrijfseconomisch noodzakelijk en mogelijk is. De heer Franssen heeft nog een vraag gesteld waarmee ik niet goed raad weet. Die vraag had namelijk te maken met de gehele problematiek van overgangen van de ene functie in de andere en het verlies daardoor van pensioenrechten en dergelijke. Het bevindt zich natuurlijk enigszins naast de Arbeidsomstandighedenwet. Ik denk echter, dat de heer Franssen wel gelijk heeft, als hij zegt, dat het gaat om een problematiek waaraan, juist in een periode van snelle wisselingen op de arbeidsmarkt, niet voldoende aandacht kan worden gegeven.

©

J.H. (Jo)  FranssenDe heer Franssen (CDA): Het is een bekend feit, dat ouder wordende werknemers door de nieuwe situaties die in bedrijven ontstaan het qua 'welzijn' bijzonder moeilijk hebben. Ik noem

stress en de gevolgen, als men niet overweg kan met die nieuwe situatie. Men is bereid, ook met inlevering van het inkomen, in een lagere functie te gaan functioneren. Daarbij wordt de drempel van onze pensioenregelingen zichtbaar. Ik noem in dit verband ook de deeltijdarbeid. Daaraan moet iets worden gedaan. In het kader van het gehele welzijn is dat een erg belangrijke materie.

©

W. (Wil)  AlbedaMinister Albeda: Daarmee raakt de heer Franssen een wezenlijk punt aan. Nogmaals, in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet is dit punt niet aan de orde, maar de nadruk die de Arbeidsomstandighedenwet legt op welzijn kan voor werkgevers, werknemers en overheid een stimulans zijn om ook deze problematiek aan te pakken, juist nu zo veel mensen daarmee geconfronteerd worden. Mijnheer de Voorzitter! Over de kwestie van de ontslagbescherming is door verschillende sprekers iets gezegd, met name door de heren Zoutendijk en Franssen. Zij hebben gezegd, dat een aantal deskundigen nu een specifieke bescherming is gegeven. In de Tweede Kamer is daar uitvoerig over gediscussieerd: Welke functies wel en welke niet; hebben zij allemaal dezelfde bescherming of een verschillende bescherming? De wet geeft daarvan de weerslag. Andere functies -de actuaris en de personeelsfunctionaris zijn genoemd -zijn binnen de Arbeidsomstandighedenwet niet direct aan de orde. Daarom zijn ze in deze wet niet geregeld. Het lijkt mij echter de moeite waard, eens te onderzoeken hoe de positie van andere deskundigen in relatie tot de hier genoemde personen zou moeten worden geregeld. De vraag, of dat onderzocht zou kunnen worden, beantwoord ik positief. De heren Franssen en Zoutendijk brachten het verschil tussen de best bestaande regelen der techniek en de algemeen erkende regelen der techniek ter sprake. De bedoeling was dat in beide gevallen hetzelfde begrip werd weergegeven, maar als gevolg van amendering is dat verschil erin gekomen. Ik geef dat graag toe. Een eenduidige formulering in de artikelen 3 en 4 zou de voorkeur hebben gehad boven wat er nu als een schoonheidsfoutje is overgebleven. Ik zal mij over de vraag, wat wij daaraan kunnen doen, graag beraden. Het zal erop neerkomen dat bij een eerstvolgende wijziging van de wet die wijziging wordt meegenomen.

Ik kom hiermee aan het einde van mijn betoog. Als de wet er straks is, kan het werk van de invoering van de wet beginnen. Uit mijn voorgaande betoog bleek al dat dit eigenlijk een understatement is. Er wordt reeds gewerkt aan de voorbereiding van de in-voering van de wet. Ik denk aan de in-stallatie van de voorlopige Arboraad, die reeds werkt aan twee belangrijke adviezen, namelijk een met betrekking tot de deskundige diensten en een met betrekking tot de fasering van de in-voering van de wet. Ik wees al op het Project Ontwikkeling Arbeidsinspectie, dat onderweg is en waarin gewerkt wordt aan de kwalitatieve en kwantitatieve versterking van de Arbeidsinspectie. Een aantal werkgroepen werkt aan de voorbereiding van de uitvoering. Het gaat daarbij niet alleen om technische aspecten, maar ook om belangrijke zaken als begeleiding en interne en externe voorlichting. Verder is bij voorbeeld het beraad over de vormgeving van de uitvoering van deze wet in de overheidssfeer inmiddels reeds begonnen. De wet is gebaseerd op een groeimodel. Zij is in die zin uniek. Het is een wet die in de praktijk door werkgevers en werknemers zelve in overleg met de overheid zal moeten worden ontwikkeld. Het kan dan ook niet anders dan dat de wet gefaseerd in werking zal treden. De eerste feitelijke maatregelen kunnen na de advisering door de voorlopige Arboraad worden genomen. Ik denk aan de instelling van Ar-bocommissies in de onderneming of, parallel daaraan, de uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraden tot de problematiek van veiligheid, welzijn en gezondheid. Naar het zich laat aanzien, zal de invoering van die commissie toch nog wel tot 1982 op zich laten wachten. Het college van bijstand en advies voor de bedrijfsgeneeskunde -zoals bekend, wordt dit nu een subcommissie van de Arboraad -werkt nu reeds aan de beleidsontwikkeling met betrekking tot de bedrijfsgezondheidszorg. Zo men ooit spreekt over wetten die structuurhervormend genoemd kunnen worden, mag men de Arbeidsonv standighedenwet daartoe ongetwijfeld rekenen. Ik denk dat het, gegeven dat feit, bijzonder verheugend is dat er zo'n grote mate van instemming in deze Kamer met deze wet was, ondanks enkele belangrijke en enkele ondergeschikte bezwaren van sommige sprekers. De Beraadslaging wordt gesloten.

Het wetsontwerp wordt zonder stemming aangenomen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.