Advies raad van state, nader rapport - Nadere wijziging van de Wet werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

ADVIES RAAD VAN STATE

NADER RAPPORT

's-Gravenhage, 23 april 1987

Aan de Koningin

Bij Kabinetsmissive van 26 februari 1987, no. 224, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet met memorie van toelichting tot nadere wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven). 1. Het voorstel beoogt onder meer de werkingssfeer van artikel 36 van de Wet Werkloosheidsvoorziening nader te bestemmen en wat betreft de doelgroepen uit te breiden. Het is de Raad van State opgevallen dat de afbakening tussen de thans extra belichte activiteiten tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid enerzijds en de vanuit het arbeidsvoorzieningsbeleid gebruikelijke maatregelen anderzijds slechts globaal en verbrokkeld wordt besproken in de overigens uitvoerige toelichting. Coördinatie wordt wel wenselijk geacht, maar geheel overgelaten aan overleg tussen het gewestelijk arbeidsbureau en het gemeentebestuur. Ook de coördinatie met de onder de werkingssfeer van het Ministerie van Welzijn, Volksge-

's-Gravenhage, 11 juni 1987

Aan de Koningin

Blijkens mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 26 februari 1987, nr. 224, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende het voorstel van Wet tot nadere wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening (voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid met het oog op de herintreding in het arbeidsleven) rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 23 april 1987, nr. W12.87.0079, moge ik U hierbij aanbieden. 1. De Raad van State is van mening dat een meer principiële en diepgaande beschouwing gewenst is over coördinatie tussen de activiteiten tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid enerzijds en de vanuit het arbeidsvoorzienings-beleid gebruikelijke maatregelen alsmede de onder de werkingssfeer van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vallende activiteiten anderzijds; in dit verband was volgens de Raad ook aandacht te geven aan vormen van samenwerking tussen gewestelijk arbeidsbureaus en gemeentelijke sociale diensten, zoals die sinds kort in enkele gemeenten bestaan. De Raad constateert terecht dat de afbakening en de coördinatie tussen activiteiten op grond van artikel 36 WWV en

zondheid en Cultuur vallende activiteiten wordt slechts zeer summier aangeduid. Het college onderkent het belang van slagvaardig handelen ten behoeve van werklozen en van het voorkomen van overbodige bureaucratie. Niettemin acht de Raad een meer principiële en diepgaande beschouwing dan thans gegeven is over die coördinatievraagstukken in de toelichting geboden; in dit verband ware ook aandacht te geven aan vormen van samenwerking tussen gewestelijke arbeidsbureau en gemeentelijke sociale dienst, zoals die in enkele gemeenten sedert kort bestaan.

activiteiten in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid en de onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van WVC vallende activiteiten slechts globaal worden aangegeven. Dit globale karakter vloeit voort uit het complementaire karakter van de voorzieningen ex artikel 36 WWV. Deze complementariteit houdt in dat in aanvulling op het voorliggende instrumentarium vanuit de arbeidsvoorziening, activiteiten vallend onder de verantwoordelijkheid van de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, door het gemeentebestuur voorzieningen kunnen worden getroffen die in directe zin zijn gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Het is niet mogelijk tot een algemene, inhoudelijke en door de jaren heen haar geldigheid behoudende afbakening te komen tussen deze gemeentelijke voorzieningen enerzijds en het arbeidsvoorzieningsbeleid, het welzijnsbeleid en het onderwijsbeleid anderzijds. Dit vanwege zowel feitelijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, veranderingen in de samenstelling van het werklozenbe stand, veranderende maatschappelijke opvattingen over de betekenis van een specifiek voorzieningenbeleid voor werklozen alsmede veranderen-de sociaal-economische omstandigheden. Met instemming heb ik geconstateerd dat ook de Raad van State het belang van een slagvaardig beleid ten behoeve van werklozen onderkent. Een dergelijk slagvaardig beleid impliceert, zoals alle adviesorganen hebben benadrukt, dat ook de gemeente, vanuit de verantwoordelijkheid als uitvoeringsorgaan van uitkeringsregelingen in verband met werkloosheid, een eigenstandig instrument ter bevordering van de (her)intreding in het arbeidsproces tot haar beschikking moet hebben. Het sociale zekerheidsstelsel behoort immers niet alleen gericht te zijn op het verstrekken van een uitkering, het dient ook te voorzien in instrumenten ter zake van de (terug)geleiding naar het arbeidsproces. De concrete invulling van dit instrument wordt, zoals gezegd, mede bepaald door ontwikkelingen op aanpalende beleidsterreinen. Het is aan de gemeente om te bezien aan welke activiteiten concreet behoefte is. In nauwe samenspraak met het Gewestelijk Arbeidsbureau en de planningskaders van de volwasseneneducatie

  • In het verlengde van het voorgaande merkt de Raad op dat naar zijn oordeel onvoldoende recht is gedaan aan het advies van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening. De commissie kwam in unanimiteit tot de conclusie dat aan de voorstellen een tijdelijk en voorlopig karakter zou moeten worden gegeven. Die conclusie wordt in de toelichting (bladzijde 25) onvoldoende weerlegd. Het gaat immers straks niet om de vraag of de voorgestelde regeling de kern moet blijven van het gemeentelijk reïntegratiebeleid, maar om de veel wijdere vraagstelling welke plaats het gemeentelijk beleid moet (gaan) innemen binnen het totaal van het

moet worden bezien of aan die behoefte vanuit de onderwijs-of arbeidsvoorzieningen tegemoet kan worden gekomen. Is dit niet het geval dan is het aan de gemeente om te beoordelen of het aanbeveling verdient om binnen de kaders van de onderhavige regeling die activiteiten te organiseren. Een nadere concrete taakafbakening tussen dit gemeentelijke voorzieningenbeleid en het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening, onderwijs en welzijn kan niet anders dan een momentopname zijn, en is daarom vanuit het oogpunt van effectiviteit ongewenst. Het tot stand komen van samenwerkingsafspraken tussen gemeenten en arbeidsbureaus, waarvoor de Raad nadere aandacht vraagt, ligt geheel in het verlengde van het onderhavige voorstel. Juist door de samenbundeling van instrumenten en het onderling afstemmen van de specifiek gemeentelijke inbreng en de mogelijkheden van het arbeidsvoorzieningsinstrumentarium kan in concreto een toeleidingstraject naar de arbeidsmarkt worden gecreëerd, dat ook voor minder kansrijken een perspectief op herintreding kan bieden. Het advies van de Raad van State op dit punt heb ik opgevolgd, door in de memorie van toelichting (par. 3.3) meer uitdrukkelijk de aandacht te vestigen op het grote belang van goede samenwerkingsafspraken. Ik deel overigens bij nadere beschouwing de mening van de Raad van State, dat in de memorie van toelichting de coördinatie tussen de betrokken voorzieningen (te) ve'brokkeld aan de orde wordt gesteld Aanpassingen in de paragraaf 3.3 strekken er toe de onderlinge samenhang duidelijker tot uitdrukking te brengen.

  • De Raad van State komt onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad tot het oordeel dat aan de voorliggende voorstellen een tijdelijk en voorlopig karakter moet worden gegeven. Naar het oordeel van de Raad laat een heroverweging van de voorgestelde regeling zich denken tegen de achtergrond van de vraag welke plaats het gemeentelijk beleid moet (gaan) innemen in het totaal van het geïntegreerde sociale zekerheids-en arbeidsvoorzieningsbeleid. De Raad constateert terecht dat de beantwoording van de vraag welke plaats het gemeentelijk beleid moet gaan innemen in het totaal van

geïntegreerd sociale zekerheids-en arbeidsvoorzieningsbeleid. In dat kader laat een heroverweging van de voorgestelde regeling zich zeer wel denken. De Raad adviseert daartoe.

het geïntegreerde sociale zekerheids-en arbeidsvoorzieningsbeleid mede van doorslaggevend belang is voor de uiteindelijke waardering van het instrument van artikel 36 WWV. Ook het kabinet is van mening dat deze voorgestelde regeling op termijn nader moet worden bezien. Ten eerste is een evaluatie van artikel 36 WWV gewenst teneinde te bezien of de effecten van de regeling al dan niet de voortzetting van het beleid door middel van een specifieke uitkering rechtvaardigen. In de memorie van toelichting wordt hiervoor een termijn van vier jaar genoemd. Een termijn die overeenkomt met het advies ter zake van de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad. Ook de omstandigheid dat de WWV naar verwachting over vier jaar materieel haar belang als uitkeringsregeling zal hebben verloren, roept de vraag op binnen welk kader de onderhavige regeling te zijnertijd een plaats moet vinden. De vormgeving van het kader van een geïntegreerd voorzieningenbeleid voor werklozen vanuit de sociale zekerheid en de rol welke het gemeentelijk beleid daarbinnen moet of kan vervullen, zijn echter vraagstukken die de reikwijdte van dit voorstel te buiten gaan. Deze vraagstukken zullen uitvoerig aan de orde komen in het kader van de discussies rondom de nieuwe arbeidsvoorzieningswet en een adviesaanvrage inzake het voorzieningenbeleid voor werklozen. Met de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening ben ik van mening dat een heroverweging van de regeling naar aanleiding van de uitkomsten van de in dat verband te voeren discussies aan de orde kan zijn. Hiervoor is onder 1 al uiteengezet dat het gewenst is dat gemeenten in het kader van de begeleiding van werklozen kunnen beschikken over een eigen instrumentarium. Het lijkt mij daarom onjuist om vooruitlopend op de discussie ten principale over het voorzieningenbeleid en de rol van gemeenten daarin het onderhavige voorstel te heroverwegen. In de uitvoeringspraktijk blijkt immers grote behoefte aan een aan de eisen van de tijd aangepast artikel 36 WWV. Met de Raad ben ik derhalve van mening dat het onderhavige voorstel een voorlopig karakter draagt. Bij nadere overweging lijkt het wenselijk in de memorie van toelichting de noodzaak tot nadere waardering van artikel 36 WWV in het kader van de discussies inzake de

  • Artikelsgewijze

opmerkingen.

Artikel I, onderdeel A. Nu de bedoeling is om bij deze herziening de nieuwe functiebenaming van de rijksconsulent -voortvloeiende uit een functieverbreding -op te nemen vraagt de Raad zich af of dat geen aanleiding vormt om het eerste lid van artikel 38 op te nemen onder artikel 37 en het tweede lid te doen vervallen. De taak van de betrokken functionaris is aanzienlijk ruimer dan de werkingssfeer van de Wet Werkloosheidsvoorziening en derhalve lijkt aan de desbetreffende bepaling in deze wet de zin te zijn ontnomen, terwijl er overigens geen noodzaak aanwezig is om het vast te stellen aantal consulenten en het ambtsgebied wettelijk te regelen.

Artikel I, onderdelen B tot en met D. De bepaling onder B komt overbodig voor. De Raad heeft overigens begrip voor het praktische voordeel de commissie ex artikel 1 7 van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers in te schakelen als adviescomarbeidsvoorzieningswet en het voorzieningenbeleid voor werklozen nadrukkelijker tot uiting te laten komen. Daartoe is paragraaf 3.3 van de memorie van toelichting (blz. 25) gewijzigd. 3. Artikelsgewijze

opmerkingen

Artikel 1, onderdeel A De opmerking van de Raad van State over dit onderdeel betreffen de regelgeving ter zake van naam en functie van de rijksconsulenten. De nieuwe functiebenaming van de rijksconsulent houdt verband met de samenvoeging van de vroegere buitendiensten van de Directie Bijstandszaken (voorheen bij het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk) en de Directie Complementaire Sociale Voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Sinds deze samenvoeging is de benaming «rijksconsulent voor complementaire sociale voorzieningen» niet meer adequaat. Artikel I, onderdeel A, strekt er slechts toe de betrokken functionaris ook in de WWV met zijn thans gebruikelijke benaming aan te duiden. Ook voor de bedoelde samenvoeging was het overigens niet zo, dat de rijksconsulenten voor complementaire sociale voorzieningen uitsluitend taken hadden in het kader van de WWV. Het tweede lid van artikel 38 WWV strekt er dan ook niet zozeer toe de taken van de rijksconsulent in hun geheel te beschrijven, doch slechts de aard van die taken in het kader van de WWV. Op dat punt brengt dit wetsvoorstel geen verandering. De Raad van State ontkent voorts de noodzaak van een wettelijke regeling (bij ministerieel besluit) van het aantal van de rijksconsulenten en hun ambtsgebieden. Ik meen, dat wijziging van de regelgeving op dit punt niet slechts van technische aard zou zijn en dat deze ook te weinig verband zou houden met de materie, waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. Om deze redenen zijn de suggesties, die de Raad van State naar aanleiding van dit onderdeel van het voorstel doet, niet gevolgd.

Artikel I, onderdeel B tot en met D (thans C) De Raad is van oordeel, dat de bepaling onder B overbodig is. Beoogd was op dit punt duidelijk aan te geven, welke commissie werd bedoeld in artikel I, onderdeel f. Ik kan me echter vinden in de zienswijze

missie ten behoeve van de uitvoering van artikel 36 Wet Werkloosheids voorziening. Hij vraagt zich wel af of er geen aanleiding is de bepalingen met betrekking tot de twee commissies in de desbetreffende regelgevingen -eventueel op een later moment -te harmoniseren.

Artikel I, onderdeel E. Volgens het derde lid van het nieuwe artikel 36 kunnen bij algemene maatregel van bestuur afwijkende regelingen worden gesteld met betrekking tot het begrip «normale arbeidsduur». Dit heeft gevolgen voor de omvang van de groep waartoe de voorzieningen zich kunnen uitstrekken. De omschrijving van deze groep heeft -begrijpelijkerwijze -een belangrijk onderdeel gevormd van de adviesaanvrage en van het door de Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad uitgebrachte advies. Het lijkt daarom in de rede te liggen dat een algemene maatregel van bestuur als hier bedoeld wordt vastgesteld «gehoord de centrale commissie». Het voorstel ware in deze zin aan te passen. Het vierde lid bepaalt nader op welke activiteiten de wet zich richt. Zoals hiervoor reeds gesteld acht de Raad de op dit onderdeel gegeven toelichting niet erg helder geformuleerd. De opsomming van cursussen (bladzijde 38) lijkt nogal willekeurig en is in geen enkel opzicht onderscheidend. Hooguit wijst het herhaaldelijk gebruik van de term «cursussen» op de bedoeling van in de tijd beperkte opleidingen, doch een harde norm van de Raad, dat de specificering in dit artikel zodanig is, dat misverstand ter zake is uitgesloten. In verband hiermede heb ik onderdeel B van artikel I laten vervallen. In verband daarmee zijn de daarna volgende onderdelen van artikel I verletterd. Met instemming heb ik kennis genomen van het feit dat de Raad begrip heeft voor het praktische voordeel om de commissie ex artikel 1 7 van de Rww in te schakelen als adviescommissie ten behoeve van de uitvoering van artikel 36. In verband hiermede vraagt de Raad zich af of er geen aanleiding is de bepalingen met betrekking tot de twee commissies in de desbetreffende regelgevingen te harmoniseren. Hierbij tekent hij aan dat dit eventueel op een later moment ware te realiseren. Met de Raad ben ik van mening dat harmonisatie ter zake op zich overweging verdient. Een dergelijke, niet uitsluitend technische operatie houdt met de eigenlijke strekking van het onderhavige wetsvoorstel zo weinig verband, dat het mij niet raadzaam voorkomt die harmonisatie bij deze gelegenheid ter hand te nemen. Wel ben ik voornemens te gelegener tijd op dit punt terug te komen.

Artikel I, onderdeel E (thans Dj De Raad van State adviseert in de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid van het nieuwe artikel 36 te doen vaststellen «gehoord de centrale commissie». Ik kan mij met de overwegingen, die de Raad van State in dit verband naar voren brengt, verenigen. Het wetsvoorstel is in de bedoelde zin aangepast. Met betrekking tot de op het vierde lid van artikel 36 gegeven toelichting is de Raad van oordeel, dat deze niet erg helder is geformuleerd en dat de opsomming van cursussen nogal willekeurig is en in geen enkel opzicht onderscheidend. Uit het herhaaldelijk gebruik van de term «cursussen» leidt de Raad af, dat hierbij wordt uitgegaan van in de tijd beperkte opleidingen, hoewel een harde norm hieraan niet kan worden ontleend. Voorts is naar de mening van de Raad de afbakening naar de activiteiten op het terrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur eveneens niet duidelijk. Zoals ik reeds onder 1 heb aangegeven heeft de Raad terecht geconstateerd dat de afbakening en de coördinatie tussen activiteiten op grond van artikel 36 WWV en die van

kan hieraan niet worden ontleend. Niet duidelijk is wat in de toelichting in de eerste volle alinea op bladzijde 38 bedoeld wordt met de activiteiten «voorlichting schoolverlaters» en «vrijwilligersvacaturebanken». Tevens rijst de vraag of instellingen als activiteiten kunnen worden gesubsidieerd; dat lijkt niet de bedoeling van de wet. Bedoeld kan zijn dat door de desbetreffende instellingen ten behoeve van de doelgroep verrichte activiteiten voor subsidie in aanmerking komen; deze activiteiten zijn evenwel veelal gratis. Ook de afbakening naar de activiteiten op het terrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is niet zeer duidelijk. Het college vraagt zich in dit verband af of het opvoeren van handvaardigheid tot dat terrein behoort en hoe die activiteit zich onderscheidt van bij voorbeeld de eerdergenoemde specifieke cursussen als lassen en houtbewerking. Het is hem opgevallen dat tevens in deze passage vrijwiltigersvacaturebanken worden genoemd. Al met al beveelt de Raad aan de desbetreffende passages nog eens grondig te bezien en te verhelderen.

het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur slechts globaal zijn aangegeven. In dat kader heb ik gewezen op het complementaire karakter van artikel 36 WWV. Hier wil ik in dit verband nog wijzen op de met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gemaakte afspraak inzake taakafbakening. Deze houdt in, dat voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid gericht op directe (her)intreding in het arbeidsleven onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen en dat de activiteiten gericht op opvang van de (negatieve) gevolgen van de werkloosheid en op bevordering van zinvolle tijdsbesteding onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur vallen. Ondanks deze afspraak is het realistisch te veronderstellen, dat op voorhand niet altijd is vast te stellen tot wiens beleidsterrein een bepaalde voorziening behoort. Dit hangt enerzijds af van de concrete invulling daarvan en anderzijds van factoren zoals tijd, plaats en omstandigheden. In verband hiermede is het zinvol bij het geven van een opsomming daaraan aandacht te geven, waardoor de indruk van willekeurigheid kan worden vermeden. Overigens merk ik hierbij nog op, dat de opsomming niet uitputtend is bedoeld, doch dat hiermee slechts is beoogd aan te geven in welke richting en op welk gebied zich mogelijkheden voordoen. Aanpassingen in de door de Raad aangeduide passages in de artikeisgewijze toelichting (artikel 36, vierde lid) strekken ertoe aan de opsomming van mogelijke activiteiten een meer onderscheidend karakter te verbinden alsmede de afbakening naar het beleidsterrein van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur duidelijker tot uitdrukking te brengen.

  • Voor enkele redactionele kanttekeningen moge het college verwijzen naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

  • De redactionele kanttekeningen van het college zijn verwerkt.

Ik veroorloof mij U in overweging te geven het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de daarmee in overeenstemming gebrachte, overeenkomstig het vorenstaande gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Vice-President van de Raad van State, W. Scholten.

De Staatssecretaris van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid, L. de Graaf

Lijst van redactionele kantteke ningen, behorende bij het advies no. W12.87.0079 van de Raad van State van 23 april 1987

-In het artikel I, onderdeel C, voorgestelde zesde lid van artikel 7 Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) ware de zinsnede «het bepaalde in» als overbodig te schrappen. Het zelfde geldt voor het in artikel I, onderdeel D, voorgestelde artikel 7a, eerste lid. -Boven het voorgestelde artikel 7a WWV ware te schrijven Artikel 7a (Vergelijk punt 124 van de Aanwijzingen voor de wetgevings-techniek (AWT)). In het eerste lid van artikel 7a ware aan te geven dat de commissie als adviescommissie kan worden aangewezen. -Het tweede lid van artikel 7a ware aan te vullen met de woorden: op de op grond van het eerste lid aangewezen commissie. -In het in artikel I, onderdeel E, voorgestelde eerste lid van artikel 36 WWV ware het woord «herintreding» (gelet op de uitbreiding van de doelgroep van dit artikel) te wijzigen in: (her)intreding. -Ten aanzien van het derde en het vierde lid van artikel 36 WWV ware punt 27 AWT in acht te nemen. -In het in artikel I, onderdeel H, voorgestelde artikel 40a, tweede lid, ware de zinsnede «bedoeld in het voorgaande lid» te wijzigen in: bedoeld in het eerste lid (zie punt 7 AWT). -In artikel I, onderdeel K, ware voor het woord «hetzij» te schrijven: c. -In de memorie van toelichting ware «artikel 36, WWV» telkens te wijzigen in: artikel 36 WWV. -Op bladzijde 19 van de memorie van toelichting ware de citeertitels van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet Sociale Werkvoorziening eenmaal volledig weer te geven. -Op bladzijde 28, tweede volle alinea, van de memorie van toelichting ware «Kabinet» te wijzigen in: kabinet (zie punt 6 AWT). -Op bladzijde 28, vijfde volle alinea, van de memorie van toelichting ware «lid 3» te wijzigen in: derde lid (punt 25 AWT). -Op de bladzijden 28 en 40 van de memorie van toelichting ware overeenkomstig punt 6 AWT voor de aanduiding van bepaalde ministers

respectievelijk ministeries hoofdletters te gebruiken. -Op bladzijde 36 van de memorie van toelichting ware het woord «organiseren» in de eerste volle alinea te wijzigen in: treffen. -Op bladzijde 36 van de memorie van toelichting ware eveneens in de eerste volle alinea de zinsnede lopend van: «deze situatie» tot en met «treft» te wijzigen in: de omstandigheden geen gronden opleveren dergelijke voorzieningen te treffen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.